This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 51998PC0541
Proposal for a Council Regulation (EC) on a Community fleet capacity policy to promote inland waterway transport
Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren
Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren
/* COM/98/0541 def. - SYN 98/0281 */
PB C 320 van 17.10.1998, p. 4
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren /* COM/98/0541 def. - SYN 98/0281 */
Publicatieblad Nr. C 320 van 17/10/1998 blz. 0004
Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (98/C 320/04) (Voor de EER relevante tekst) COM(1998) 541 def. - 98/0281(SYN) (Door de Commissie ingediend op 28 september 1998) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 75, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité, Handelend overeenkomstig de in artikel 189 C van het Verdrag bedoelde procedure, Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 1101/89 (1) een structurele saneringsregeling is vastgesteld in de binnenvaartsector voor de vloten die vervoer verrichten op het net van de met elkaar in verbinding staande waterwegen van België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland; dat deze verordening de overcapaciteit van de binnenvaartvloten beoogde te verminderen door middel van op gemeenschapsniveau gecoördineerde sloopacties; dat deze verordening op 28 april 1999 afloopt; Overwegende dat van de begeleidende maatregelen van dit structurele saneringssysteem, dat wil voorkomen dat de bestaande overcapaciteit nog groter wordt of nieuwe overcapaciteit ontstaat, de "oud voor nieuw"-regeling onmisbaar is gebleken voor een evenwichtige werking van de binnenvaartmarkt (rapport van de Commissie COM(97) 555 def. van 3.11.1997); dat deze regeling ook het belangrijkste instrument blijft waarmee bij een ernstige verstoring van genoemde markt, zoals omschreven in artikel 1 van Richtlijn 96/75/EG (2), kan worden ingegrepen; dat voorts dient te worden verhinderd dat de effecten van de sinds 1990 uitgevoerde sloopacties teniet worden gedaan doordat meteen nadat genoemde regeling afloopt, nieuwe scheepsruimte in de vaart wordt gebracht; dat het dus nodig is de "oud voor nieuw"-regeling te handhaven gedurende een overgangsfase van tenhoogste vijf jaar, waarin de verhoudingen tot nul worden afgebouwd en de communautaire marktinterventie geleidelijk wordt beëindigd; dat het ook belangrijk is de "oud voor nieuw"-regeling, het instrument voor beheersing van de capaciteit van de EG-vloten, na die vijf jaar te handhaven, maar dan op niveau nul en als bewakingsmechanisme, dat alleen bij ernstige verstoring van de markt en in de zin van artikel 7 van Richtlijn 96/75/EG kan worden gereactiveerd; Overwegende dat het ontstaan van nieuwe overcapaciteit in alle sectoren van de binnenvaartmarkt doeltreffend moet worden tegengegaan; dat de vast te stellen maatregelen derhalve van algemene aard moeten zijn en op alle vrachtschepen en duwboten betrekking moeten hebben; dat men uitsluiting van de uitsluitend voor gesloten nationale of internationale markten bedoelde schepen zou kunnen overwegen, aangezien die niet bijdragen tot de overcapaciteit op het net van met elkaar in verbinding staande waterwegen; dat daarentegen de maatregelen wel dienen te gelden voor de voor eigen rekening vervoer verrichtende particuliere vloten, vanwege de invloed die zij op de vervoersmarkt hebben; Overwegende dat een gemeenschappelijke aanpak, waarbij de lidstaten gezamenlijk op de verwezenlijking van eenzelfde doelstelling gerichte maatregelen nemen, één van de essentiële voorwaarden vormt om tot regulering van de scheepsruimte te komen; dat te dien einde de bij Verordening (EEG) nr. 1101/89 opgerichte sloopfondsen in de bij de binnenvaart betrokken lidstaten in stand dienen te worden gehouden onder de naam "fonds voor coördinatie en promotie van de binnenvaartvloten in de Gemeenschap" en dat zij zorg dragen voor het beheer van de "oud voor nieuw"-regeling; dat de financiële overschotten van de tot aan 28 april 1999 lopende structurele saneringsacties ondergebracht worden in een aan genoemde fondsen toegewezen reservefonds; Overwegende dat vanwege de fundamentele verschillen tussen de markten voor droge-ladingvervoer, vloeibare-ladingvervoer en duwboten het gewenst is binnen dit fonds afzonderlijke rekening te creëren voor droge-ladingschepen, tankschepen en duwboten; Overwegende dat in het kader van een conform het Verdrag gevoerd economisch beleid regulering van de scheepsruimte in de eerste plaats op de weg ligt van de ondernemingen in de sector; dat de kosten van de te treffen maatregelen dus gedragen moeten worden door de in de binnenvaart actieve ondernemingen; dat deze regulering inhoudt dat er voor het in de vaart brengen van bepaalde nieuwe scheepsruimte voorwaarden moeten worden vastgesteld, zonder dat dit tot een totale blokkering van de toegang tot de markt leidt; dat deze voorwaarden in de tijd en qua effect beperkt kunnen zijn en op een soepele wijze naar gelang van de ontwikkelingen van de markt kunnen variëren, maar dat na 28 april 1999 de verhoudingen binnen vijf jaar geleidelijk tot nul moeten worden teruggebracht; dat dit reguleringsmechanisme, de zogeheten "oud voor nieuw"-regeling, na genoemde vijf jaar op het nulpeil gehandhaafd kan worden, als een soort bewakingsmechanisme; dat de krachtens de "oud voor nieuwe"-regeling betaalde speciale bijdragen worden ondergebracht in het reservefonds en gebruikt kunnen worden om slooppremies te verlenen, wanneer interventie op de markt geboden is; Overwegende dat ervoor gezorgd moet worden dat de uitvoering van de in deze verordening vervatte maatregelen er niet toe leidt dat, met name door begunstiging van bepaalde onderneming in een mate die strijdig is met het gemeenschappelijk belang, de concurrentie wordt vervalst of dreigt te worden vervalst; dat, om gelijke concurrentievoorwaarden te scheppen voor de betrokken ondernemingen, voor de speciale bijdragen die moeten worden gestort in de fondsen voor nieuwe schepen en slooppremies, als deze slooppremies nodig mochten blijken in geval van ernstige verstoring van de markt en volgens de procedure van artikel 8 van Richtlijn 96/75/EG, uniforme tarieven en voorwaarden moeten gelden; Overwegende dat de voor de werking van dit scheepsruimtereguleringsmechanisme vereiste besluiten, gelet op het communautaire karakter van de binnenvaartvloten, op Gemeenschapsniveau moeten worden genomen; dat de bevoegdheid om deze besluiten vast te stellen en op de toepassing daarvan en op de handhaving van de in deze verordening bedoelde concurrentievoorwaarden toe te zien aan de Commissie moet worden verleend; Overwegende dat het in het kader van een voor het milieu en de veiligheid bevorderlijke modernisering en herstructurering van de vloten in de Gemeenschap gewenst is sociale maatregelen te treffen ten behoeve van personen die de binnenvaart willen verlaten of willen overstappen naar een andere bedrijfstak; dat er maatregelen moeten worden genomen om het samengaan van ondernemingen te stimuleren, de vakbekwaamheid van de schippers te verbeteren en de technische aanpassing van de schepen te bevorderen; Overwegende dat het om concurrentievervalsing op de betreffende markten te voorkomen en de doeltreffendheid van de beoogde maatregelen te verhogen, gewenst is dat Zwitserland soortgelijke maatregelen treft voor de Zwitserse schepen die de waterwegen bevaren die in verbinding staan met die van de betrokken lidstaten; dat de Gemeenschap bereid is de noodzakelijke onderhandelingen met Zwitserland te beginnen, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 De binnenschepen die worden gebruikt voor goederenvervoer tussen twee of meer punten op de binnenwateren van de lidstaten vallen onder het in de onderhavige verordening vastgelegde beleid inzake de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloten. Vanaf 28 april 1999 stelt genoemd capaciteitsbeleid over een periode van ten hoogste vijf jaar overeenkomstig de onderhavige verordening voorwaarden aan het in de vaart brengen van nieuwe schepen. Artikel 2 1. Deze verordening is van toepassing op vrachtschepen en duwboten waarmee beroepsvervoer of eigen vervoer wordt verricht en die zijn geregistreerd in een lidstaat of, indien zij niet geregistreerd staan, door een in een lidstaat gevestigde onderneming worden geëxploiteerd. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "onderneming" verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ambachtelijke of industriële economische bedrijvigheid uitoefent. 2. Deze verordening geldt niet voor: a) schepen die uitsluitend nationale waterwegen gebruiken die niet met de andere waterwegen van de Gemeenschap in verbinding staan; b) schepen die wegens hun afmetingen de nationale waterwegen waarop zij varen niet kunnen verlaten en zich niet op de andere waterwegen van de Gemeenschap kunnen begeven (bateaux captifs) op voorwaarde dat deze schepen de schepen waarop deze verordening van toepassing is geen concurrentie aan kunnen doen; c) schepen die uitsluitend op de gesloten markt van de Donau (en zijrivieren) tot aan Kelheim opereren zonder daar ooit buiten te komen; d) duwboten met een voortstuwingsvermogen van ten hoogste 300 kW; e) kustvaarders en lichters voorzover daarmee uitsluitend internationaal of nationaal vervoer wordt verricht tijdens reizen die een maritiem traject omvatten; f) uitsluitend voor de opslag van goederen gebruikte schepen, d.w.z. schepen die dienen voor het laden en vervolgens van goederen op dezelfde plaats; g) baggerwerktuigen, zoals hopperzuigers en pontons alsmede drijvende werktuigen van bouwondernemingen; h) veerboten; i) voor niet-commerciële openbare dienst gebruikte vaartuigen. Artikel 3 1. Alle lidstaten waarvan de waterwegen in verbinding staan met die van een andere lidstaat en waarvan de vloot een tonnage heeft van meer dan 100 000 ton, hierna te noemen "de betrokken lidstaten", richten in het kader van hun nationale wetgeving en met hun eigen bestuurlijke middelen een "fonds voor coördinatie en promotie van de binnenvaartvloten in de Gemeenschap", hierna genoemd het "fonds", op. 2. Elk fonds wordt beheerd door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat. Deze betrekt zijn nationale representatieve organisaties voor de binnenvaart bij dit beheer. 3. Elk fonds dient drie afzonderlijke rekeningen te omvatten, één voor droge-ladingschepen, één voor tankschepen en één voor duwboten. 4. Elk fonds beschikt over een reservefonds dat wordt gestijfd met: - financiële overschotten van de tot 28 april 1999 georganiseerde structurele saneringsacties, bestaande uit bijdragen van de betrokken lidstaten, de Gemeenschap en de bedrijfstak, - de speciale bijdragen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening, - de financiële middelen die ter beschikking kunnen worden gesteld in geval van ernstige verstoring van de markt, als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 96/75/EG. 5. Het reservefonds kan gebruikt worden in het kader van passende maatregelen als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 96/75/EG en met name in het kader van op het niveau van de Gemeenschap, volgens de bepalingen van artikel 6 van onderhavige verordening, getroffen saneringsmaatregelen. 6. Het reservefonds kan alleen worden gebruikt in het kader van de in artikel 8 van deze verordening bedoelde maatregelen, indien de organisaties die de binnenvaart op Gemeenschapsniveau vertegenwoordigen dit unaniem vragen. Artikel 4 1. Voor het in de vaart brengen van onder deze verordening vallende schepen die nieuw, uit een derde land geïmporteerd, of van nationale waterwegen als bedoeld in artikel 2, lid 2, punten a), b) of c) afkomstig zijn, geldt als voorwaarde (de "oud voor nieuw"-regeling) dat de eigenaar van het in de vaart te brengen schip: - ofwel zonder een slooppremie te ontvangen tonnage laat slopen volgens een zo genoemde "verhouding" tussen de oude en nieuwe tonnage, die door de Commissie wordt vastgesteld; - ofwel in het fonds waaronder zijn nieuwe schip ressorteert, of in een door hem overeenkomstig artikel 5, lid 2, gekozen fonds, een speciale bijdrage stort die is vastgesteld op basis van genoemde verhouding, of indien hij minder tonnage sloopt dan vereist volgens genoemde verhouding, het verschil in tonnage tussen het nieuwe schip en de gesloopte tonnage betaalt. 2. De verhouding kan worden gedifferentieerd naar gelang van de marktsectoren: droge-ladingschepen, tankschepen en duwboten; de verhouding moet na 28 april 1999 binnen vijf jaar geleidelijk tot nul worden teruggebracht. Zodra de verhouding nul is geworden, wordt de regeling tot een bewakingsmechanisme, dat alleen kan worden gereactiveerd bij ernstige verstoring van de markt, als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 96/75/EG. 3. De eigenaar van het schip kan zijn speciale bijdrage betalen of de oude tonnage laten slopen op het moment dat de order voor de bouw van het nieuwe schip wordt geplaatst of de invoervergunning wordt aangevraagd, op voorwaarde dat het schip binnen 18 maanden daarna in de vaart wordt genomen, of op het moment dat het nieuwe of geïmporteerde schip daadwerkelijk in de vaart wordt gebracht. Deze keuze moet kenbaar worden gemaakt op het moment dat de order wordt geplaatst of de vergunning voor de invoer van het schip wordt aangevraagd. Het als compenserende tonnage voor de sloop aan te bieden schip moet zijn gesloopt voordat het nieuwe schip in de vaart wordt gebracht. De eigenaar van het in de vaart te brengen schip die meer tonnage heeft laten slopen dan nodig is, ontvangt daarvoor geen financiële compensatie. De schepen die definitief uit de markt zijn genomen om voor andere doeleinden dan goederenvervoer te worden gebruikt, bijvoorbeeld voor humanitaire doeleinden bestemde schepen, museumschepen, voor ontwikkelingslanden buiten het Europese continent bestemde schepen of ter beschikking van instellingen zonder winstoogmerk gestelde schepen mogen, bij besluit van de Commissie, als compenserende tonnage, dat wil zeggen als gesloopte tonnage, worden beschouwd. 4. Bij duwboten wordt het begrip tonnage vervangen door voortstuwingsvermogen. 5. De in lid 1 genoemde beperkingen gelden ook voor capaciteitsuitbreiding door verlenging van vrachtschepen van motoren bij duwboten. 6. De Commissie kan gespecialiseerde schepen uitsluiten van het toepassingsgebied van lid 1. Gespecialiseerde schepen moeten speciaal ontworpen zijn voor het vervoer van één soort goederen, terwijl ze technisch ongeschikt moeten zijn voor het vervoer van andere goederen. Deze ene soort goederen mag niet worden vervoerd door schepen die niet over de vereiste technische installaties beschikken, terwijl de eigenaars zich er schriftelijk toe moeten verbinden dat zij, zolang als de "oud voor nieuw"-regeling van kracht is, met hun schepen geen andere goederen zullen vervoeren. Artikel 5 1. Voor de in één van de betrokken lidstaten geregistreerde schepen wordt de speciale bijdrage betaald aan het fonds van de lidstaat waar het schip is geregistreerd. Voor de niet-geregistreerde schepen die worden geëxploiteerd door een in één van de betrokken lidstaten gevestigde ondernemingen wordt de speciale bijdrage betaald aan het fonds van de lidstaat waar de onderneming is gevestigd. 2. Voor de in een andere lidstaat geregistreerde schepen en de niet-geregistreerde schepen die door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming worden geëxploiteerd wordt de speciale bijdrage na keuze van de eigenaar van het schip betaald aan één van de in lidstaten opgerichte fondsen. Artikel 6 1. Bij een ernstige verstoring van de markt, als omschreven in artikel 7 van Richtlijn 96/75/EG, kan de Commissie op verzoek van een lidstaat, na advies van het in artikel 8 van Richtlijn 96/75/EG bedoelde comité, en volgens de daarin voorziene procedure, de "oud voor nieuw"-regeling voor een beperkte periode, als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 96/75/EG, reactiveren dan wel saneringsmaatregelen treffen, waarbij de eigenaar van ieder in artikel 2, lid 1, bedoelde schip, indien hij dat schip laat slopen, d.w.z. de romp van het schip volledig laat verschroten of, in het geval van een duwboot, de motor vernietigt, van het fonds waaronder hij valt en binnen de grenzen van de beschikbare financiële middelen een slooppremie kan ontvangen, waarvan de hoogte wordt vastgesteld volgens de in artikel 7 vermelde voorwaarden. Deze premie kan alleen worden toegekend voor een schip waarvan de eigenaar aantoont dat het behoort tot de"actieve vloot", d.w.z.: - dat het schip in goede staat is en - dat de eigenaar voor het schip een geldig bewijs van deugdelijkheid en een geldige meetbrief kan voorleggen, of een door de bevoegde autoriteit van één van de betrokken lidstaten afgegeven vergunning voor het verrichten van nationaal vervoer en - dat het schip in de 24 maanden vóór de indiening van de aanvraag voor een slooppremie minstens tien reizen heeft gemaakt. Onder "reis" wordt verstaan commercieel vervoer over een afstand die gebruikelijk is voor het vervoer van goederen van dezelfde aard (meer dan 50 km) waarbij er een redelijke verhouding is tussen de vervoerde lading en het laadvermogen van het schip (minstens 70 %). Er worden geen premies toegekend of betaald voor schepen die als gevolg van averij of andere schade niet meer te herstellen zijn of waarvan de herstelkosten hoger zijn dan de slooppremie. Wanneer de bevoegde autoriteiten gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de goede staat van het schip waarvoor een slooppremie wordt aangevraagd kunnen zij aan een adviesbureau vragen een verklaring op te stellen dat het desbetreffende vaartuig technisch in staat is om aan het verkeer deel te nemen. De slooppremie kan worden geweigerd, indien het schip niet aan die eis voldoet. 2. De sloopfondsen zijn in financiële zin onderling solidair voor wat betreft de afzonderlijke rekeningen als bedoeld in artikel 3, lid 3. Deze solidariteit treedt in werking bij alle uitgaven en alle in artikel 3, lid 4 bedoelde middelen van de fondsen, teneinde gelijke behandeling voor alle onder deze verordening vallende vervoerders te waarborgen, onafhankelijk van de fondsen waaronder het schip ressorteert. Artikel 7 1. Door de Commissie worden afzonderlijk voor drogeladingschepen en voor tankschepen alsook voor duwboten vastgesteld: - de verhoudingen van de "oud voor nieuw"-regeling voor de in artikel 2 bedoelde schepen, - de hoogte van de speciale bijdragen, - de periode gedurende welke de in artikel 6 bedoelde slooppremies worden betaald, de toekenningsvoorwaarden en de hoogten daarvan, - de waarderingscoëfficiënten (equivalente tonnages) voor de verschillende types en categorieën binnenschepen. 2. De speciale bijdragen en sloopuitkeringen worden uitgedrukt in euro. De tarieven daarvan zijn dezelfde voor alle fondsen. 3. De speciale bijdragen en de slooppremies worden voor vrachtschepen berekend op pais van het laadvermogen, en voor duwboten op basis van het voortstuwingsvermogen. 4. De Commissie stelt de regels vast voor de toepassing van de in artikel 6, lid 2 bedoelde financiële solidariteit tussen de fondsen. Bij het nemen van deze besluiten houdt de Commissie ook rekening met de resultaten van de observatie van de vervoersmarkten in de Gemeenschap en met de te verwachten ontwikkeling daarvan, evenals met de noodzaak te voorkomen dat de mededinging verstoord wordt in een mate die in strijd is met het algemeen belang. Bij wijze van bijdrage tot de marktobservatie moeten de eigenaars van op stapel gezette of ingevoerde schepen die op stapel worden gezet of ingevoerd de fondsen zes maanden voor het in de vaart brengen hiervan op de hoogte stellen. Artikel 8 De lidstaten mogen maatregelen nemen om: - de vervroegde pensionering of de overschakeling naar een andere economische bedrijvigheid te vergemakkelijken van ondernemers van vervoer over de binnenwateren die zich uit dit beroep terugtrekken, - aan de werknemers die als gevolg van sloopacties de binnenvaart verlaten vervroegd pensioen te verlenen en acties inzake beroepsopleiding of omschakeling te organiseren, - te bevorderen dat de schipper-eigenaars commerciële samenwerkingsverbanden vormen, - de technische aanpassing van de schepen te stimuleren met het oog op verbetering van de arbeidsomstandigheden en verhoging van de technische veiligheidseisen, - de vakbekwaamheid van de binnenschippers te verbeteren om de verdere ontwikkeling en de toekomst van het beroep te verzekeren. Artikel 9 De Commissie zal met Zwitserland en andere niet-lidstaten de onderhandelingen aanknopen die nodig zullen zijn voor de toepassing van de onderhavige verordening. Artikel 10 1. De lidstaten stellen de maatregelen vast die nodig zijn voor de uitvoering van deze verordening en delen deze aan de Commissie mede. In deze maatregelen moet met name worden voorzien in een permanent en doeltreffend toezicht op de naleving van de verplichtingen die krachtens deze verordening op de ondernemingen berusten en de voor de uitvoering ervan genomen nationale maatregelen alsook in aangepaste sancties bij inbreuk. 2. De lidstaten delen de Commissie jaarlijks alle nuttige gegevens mede over de resultaten van de "oud voor nieuw"-regeling alsmede over de financiële toestand van de fondsen en hun reservefonds. 3. De Commissie stelt vóór 29 april 1999 de besluiten vast die zij krachtens artikel 7 dient te nemen. 4. De Commissie ziet erop toe dat de fondsen op uniforme wijze toepassing vinden en zorgt voor de coördinatie daarvan. Artikel 11 Deze verordening treedt in werking op 29 april 1999. (1) PB L 116 van 28.4.1989, blz. 25. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 742/98 van de Commissie van 2 april 1998 (PB L 103 van 3.4.1998, blz. 3). (2) PB L 304 van 27.11.1996, blz. 12. BIJLAGE TER INFORMATIE Ontwerp voor een verordening (EG) van de Commissie tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. . . ./99 van de Raad betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot, met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. . . ./99 van de Raad betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot, met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren, inzonderheid op artikel 11, lid 3, Overwegende dat volgens artikel 7 van Verordening (EG) nr. . . ./99 de Commissie bepalingen inzake de uitvoering van het in genoemde verordening omschreven beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot vaststelt; Overwegende dat voor de speciale bijdragen de in Verordening (EG) nr. 241/97 van de Commissie (1) van 10 februari 1997 vastgestelde bedragen dienen te worden gehandhaafd, daar deze doeltreffend zijn gebleken; Overwegende dat voor de verschillende in artikel 4 van Verordening (EG) nr. . . ./99 van de Raad vermelde verhoudingen de waarden dienen te worden gehandhaafd die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2812/94 van de Commissie (2) van 18 november 1994 voor tankschepen, Verordening (EG) nr. 2310/96 (3) van 2 december 1996 voor duwboten en Verordening (EG) nr. 742/98 (4) van 2 april 1998 voor drogeladingschepen; Overwegende dat het, om de financiële solidariteit tussen de fondsen voor coördinatie en promotie van de binnenvaartvloten in de Gemeenschap te doen werken, wenselijk lijkt dat de Commissie, samen met de fondsautoriteiten, aan het begin van elk jaar de in het reservefonds aanwezige middelen inventariseert en de rekeningen verevent in geval van een nieuwe saneringsactie; Overwegende dat over de in deze verordening vervatte maatregelen overleg is gepleegd met de betrokken lidstaten en de organisaties die de binnenvaart op communautair niveau vertegenwoordigen, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 In deze verordening worden onder andere de in artikel 7 van Verordening (EG) nr. . . ./99 bedoelde bedragen van de speciale bijdragen, de in datzelfde artikel 7 bedoelde "oud voor nieuw"-verhoudingen, alsook de bepalingen inzake de uitvoering van het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot vastgesteld met het oog op de toekenning, indien nodig, van sloopuitkeringen. Artikel 2 Speciale bijdragen 1. Het bedrag van de speciale bijdrage ligt voor de verschillende typen en categorieën schepen binnen een marge van 70 tot 115 % van de volgende waarden (5*): - Drogeladingschepen: - motorvrachtschepen: [120] (6*) euro/ton, - vrachtduwbakken: 60 euro/ton, - sleepvrachtschepen: [43] (7*) euro/ton, - Tankschepen: - motortankschepen: [216] (8*) euro/ton, - tankduwbakken: 108 euro/ton, - sleeptankschepen: [39] (9*) euro/ton. - Duwboten: 180 euro/kW, met een lineaire verhoging tot 240 euro/kW voor een motorvermogen van 1 000 kW of meer. 2. - Voor schepen met een laadvermogen van minder dan 450 ton worden de in lid 1 bedoelde maximumbedragen van de speciale bijdragen verlaagd met 30 %. - Voor schepen met een laadvermogen van 450 tot 650 ton worden de maximumbedragen van de speciale bijdragen verlaagd met 0,15 % voor elke ton dat het laadvermogen van het schip minder bedraagt dan 650 ton. - Voor schepen met een laadvermogen van 650 tot 1 650 ton worden de maximumbedragen van de speciale bijdragen lineair verhoogd van 100 tot 115 %; voor schepen met een laadvermogen van meer dan 1 650 ton worden de maximumbedragen van de speciale bijdragen gehandhaafd op 115 %. 3. De omrekening van de in euro uitgedrukte speciale bijdragen in de nationale munt van het betrokken fonds geschiedt volgens de koers die geldt op de dag van verschijning van het eerste nummer van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van het betrokken jaar waarin de rentetarieven zijn vermeld die door het Europees Monetair Instituut worden toegepast ten aanzien van zijn transacties in euro voor januari. Artikel 3 "Oud voor nieuw"-verhoudingen Met ingang van 29 april 1999 geldt voor het in de vaart brengen van schepen de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. . . ./99 vermelde voorwaarde: 1. Voor drogeladingschepen wordt de verhouding vastgesteld op [1,25:1] (10*) (verhouding tussen de oude en de nieuwe tonnage). 2. Voor tankschepen wordt de verhouding vastgesteld op [1,50:1] (11*). 3. Voor duwboten wordt de verhouding vastgesteld op [1:1] (12*). Artikel 4 Financiële solidariteit 1. Om de in het reservefonds beschikbare middelen te inventariseren of met het oog op de in artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. . . ./99 bedoelde financiële solidariteit tussen de rekeningen van de verschillende fondsen, verstrekt elk fonds aan het begin van elk jaar de volgende gegevens aan de Commissie: - de ontvangsten van het fonds in het voorgaande jaar, voor zover deze bestemd zijn voor de betaling van de sloopuitkeringen of voor de bevorderingsacties (Rdn), - de in het voorgaande jaar aangegane financiële verbintenissen van het fonds die betrekking hebben op de sloopuitkeringen of de bevorderingsacties (Pn), - het surplus van het fonds op 1 januari van het voorgaande jaar dat afkomstig is van de voor de betaling van de sloopuitkeringen of voor de bevorderingsacties bestemde ontvangsten (Sn). 2. De Commissie bepaalt, in overleg met de autoriteiten van het fonds, aan de hand van de in lid 1 bedoelde gegevens: - het totale bedrag van de in het voorgaande jaar door de fondsen aangegane financiële verbintenissen voor de betaling van de sloopuitkeringen of voor de bevorderingsacties (Pt), - het totale bedrag van de ontvangsten van alle fondsen in het voorgaande jaar (Rdt), - het totale surplus van alle fondsen op 1 januari van het voorgaande jaar (St), - de genormaliseerde jaarlijkse financiële verbintenissen (Pnn) van ieder fonds, berekend aan de hand van de volgende formule: Pnn = >NUM>Pt >DEN>(Rdt + St) × (Rdn + Sn) - voor ieder fonds, het verschil tussen de jaarlijkse financiële verbintenissen (Pn) en de genormaliseerde jaarlijkse financiële verbintenissen (Pnn), - de bedragen die ieder fonds met lagere jaarlijkse financiële verbintenissen dan de genormaliseerde jaarlijkse financiële verbintenissen (Pn < Pnn), uitkeert aan een fonds met hogere jaarlijkse financiële verbintenissen dan de genormaliseerde jaarlijkse financiële verbintenissen (Pn >Pnn). 3. De bij het zesde streepje van lid 2 bedoelde bedragen worden door ieder van de desbetreffende fondsen vóór 1 maart van het lopende jaar aan de overige fondsen uitgekeerd. Artikel 5 Gelijkwaardige tonnage 1. Indien een eigenaar een in artikel 4 van Verordening (EG) nr. . . ./99 bedoeld schip in de vaart brengt en tonnage van een ander type binnenvaartuig voor de sloop aanbiedt, wordt de gelijkwaardige tonnage, binnen elk van beide hierna aangegeven scheepscategorieën, bepaald aan de hand van de volgende waarderingscoëfficiënten: - Drogeladingschepen: - motorvrachtschepen van meer dan 650 ton: 1,00, - vrachtduwbakken van meer dan 650 ton: 0,50, - sleepvrachtschepen van meer dan 650 ton: 0,36. - Tankschepen: - motortankschepen van meer dan 650 ton: 1,00, - tankduwbakken van meer dan 650 ton: 0,50, - sleeptankschepen van meer dan 650 ton: 0,18. 2. Voor schepen met een laadvermogen van minder dan 450 ton worden de in het eerste lid bedoelde coëfficiënten verlaagd met 30 %. Voor schepen met een laadvermogen van 450 tot 650 ton worden deze coëfficiënten verlaagd met 0,15 % voor elke ton dat het laadvermogen van het schip minder bedraagt dan 650 ton. Artikel 6 Raadplegingen 1. De Commissie raadpleegt de lidstaten telkens wanneer zij overweegt om deze verordening te wijzigen. 2. De Commissie wint voor alle aangelegenheden met betrekking tot het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire vloten het advies in van een groep, bestaande uit deskundigen van de beroepsorganisaties die de binnenvaart op communautair niveau vertegenwoordigen en van de betrokken lidstaten. De benaming van deze groep is "Groep Deskundigen - Beleid ten aanzien van de capaciteit en de promotie van de communautaire vloten". Artikel 7 Slotbepalingen Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Verordening (EEG) nr. 1102/89 blijft van toepassing tot de datum van inwerkingtreding van deze verordening. (1) PB L 40 van 11.2.1997, blz. 11. (2) PB L 298 van 19.11.1994, blz. 22. (3) PB L 313 van 3.12.1996, blz. 8. (4) PB L 103 van 3.4.1998, blz. 3. (5*) Indicatieve waarden op dit moment. (6*) Indicatieve waarden op dit moment.