This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 51998PC0098
Proposal for a Council Directive on the registration and use within the Community of certain types of civil subsonic jet aeroplanes which have been modified and recertificated as meeting the standards of Volume I, Part II, Chapter 3 of Annex 16 to the Convention on International Civil Aviation, third edition (July 1993)
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de inschrijving en het gebruik in de Gemeenschap van bepaalde typen civiele subsonische straalvliegtuigen die werden aangepast en werden gerecertificeerd als zijnde in overeenstemming met de normen van boekdeel I, deel II, hoofdstuk 3, van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, derde uitgave (juli 1993)
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de inschrijving en het gebruik in de Gemeenschap van bepaalde typen civiele subsonische straalvliegtuigen die werden aangepast en werden gerecertificeerd als zijnde in overeenstemming met de normen van boekdeel I, deel II, hoofdstuk 3, van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, derde uitgave (juli 1993)
/* COM/98/0098 def. - SYN 98/0070 */
PB C 118 van 17.4.1998, p. 20
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de inschrijving en het gebruik in de Gemeenschap van bepaalde typen civiele subsonische straalvliegtuigen die werden aangepast en werden gerecertificeerd als zijnde in overeenstemming met de normen van boekdeel I, deel II, hoofdstuk 3, van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, derde uitgave (juli 1993) /* COM/98/0098 def. - SYN 98/0070 */
Publicatieblad Nr. C 118 van 17/04/1998 blz. 0020
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de inschrijving en het gebruik in de Gemeenschap van bepaalde typen civiele subsonische straalvliegtuigen die werden aangepast en werden gerecertificeerd als zijnde in overeenstemming met de normen van boekdeel II, deel II, hoofdstuk 3, van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, derde uitgave (juli 1993) (98/C 118/12) (Voor de EER relevante tekst) COM(1998) 98 def. - 98/0070(SYN) (Door de Commissie ingediend op 9 maart 1998) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 84, lid 2, Gezien het voorstel van de Commissie, Gelet op het advies van het Economisch en Sociaal Comité, Volgens de procedure van artikel 189 C van het Verdrag, in samenwerking met het Europees Parlement, Overwegende dat duurzame mobiliteit een van de hoofddoelstellingen van het gemeenschappelijk vervoersbeleid is; dat een dergelijk beleid kan worden omschreven als een algemene benadering die zowel op de doeltreffende werking van de communautaire vervoerssystemen als op de bescherming van het milieu is gericht; dat het wenselijk is technische maatregelen te treffen die bijdragen tot het bereiken van duurzame mobiliteit; Overwegende dat in de Mededeling van de Commissie over de toekomstige ontwikkeling van het gemeenschappelijk vervoersbeleid: Een brede aanpak voor de totstandbrenging van een communautair kader voor duurzame mobiliteit (1)uitdrukkelijk wordt verwezen naar de invoering van een inschrijvingsstop voor vliegtuigen die de meeste lawaaioverlast veroorzaken. Overwegende dat in het Vijfde actieprogramma van 1992 inzake het milieu, waarvan de algemene aanpak instemming kreeg van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, in hun Resolutie van 1 februari 1993 (2), verdere wettelijke maatregelen ter beperking van de geluidsemissies van vliegtuigen zijn gepland; dat in genoemd programma de doelstelling is opgenomen dat niemand mag worden blootgesteld aan geluidsniveaus die de gezondheid en de kwaliteit van het bestaan in gevaar brengen; Overwegende dat de groei van de luchtverkeersactiviteit op de luchthavens van de Gemeenschap in toenemende mate door milieuoverwegingen wordt beperkt; dat de exploitatie van vliegtuigen die op deze luchthavens minder lawaai veroorzaken, kan bijdragen tot een betere benutting van de beschikbare luchthavencapaciteit; Overwegende dat vliegtuigen van oudere types die zijn aangepast teneinde het gecertificeerd geluidsniveau te verlagen, bij gelijke massa wat lawaai betreft duidelijk minder goed presteren dan vliegtuigen van moderne types die van oorsprong gecertificeerd zijn als in overeenstemming met de normen van boekdeel I, deel II, hoofdstuk 3, van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, derde uitgave (juli 1993); dat deze aanpassingen de levensduur van vliegtuigen die normaal al buiten gebruik hadden moeten worden gesteld, verlengen; dat deze wijzigingen de luchtverontreiniging en het brandstofverbruik van vliegtuigmotoren die op oudere technologie zijn gebaseerd, doorgaans doen toenemen; Overwegende dat een voorschrift dat met ingang van 1 april 1999 de inschrijving van vliegtuigen van deze oudere aangepaste types in de registers van de lidstaten verbiedt, kan worden beschouwd als een beschermingsmaatregel die verdere verslechtering van de geluidssituatie rondom de communautaire luchthavens dient te voorkomen en de situatie met betrekking tot het brandstofverbruik en de luchtverontreiniging dient te verbeteren; Overwegende dat het in een Gemeenschap zonder binnengrenzen passend is om vliegtuigen die vóór 1 april 1999 in een van de registers van de lidstaten zijn ingeschreven, van deze inschrijvingsstop uit te zonderen; Overwegende dat het onderhavige initiatief, gelet op de bestaande wetgeving van de Gemeenschap inzake vliegtuiglawaai, in Gemeenschapsverband moet worden genomen door middel van bindende voorschriften van de Gemeenschap en derhalve in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel omdat het elke lidstaat vrijlaat te besluiten welke uitvoeringsmiddelen het best zijn intern bestel passen; Overwegende dat een inschrijvingsstop technisch uitvoerbaar en het milieu ten goede komt, zonder dat deze een onverantwoorde economische last vormt; Overwegende dat het noodzakelijk is eventuele concurrentievervalsing zo veel mogelijk te voorkomen door gelijkwaardige voorschriften voor in derde landen ingeschreven vliegtuigen vast te stellen; dat de Gemeenschap, aangezien zijn niet de bevoegdheid over de registers van derde landen uitoefent, deze gelijkwaardige doelstellingen enkel kan bereiken door de exploitatie van in derde landen op of na 1 april ingeschreven niet-conforme vliegtuigen te beperken; dat bij de datum van invoering van dergelijke beperkingen rekening moet worden gehouden met de ingangsdatum van het definitieve exploitatieverbod voor hoofdstuk 2-vliegtuigen, dat in Richtlijn 92/14/EEG van de Raad van 2 maart 1992 betreffende de beperking van de exploitatie van de vliegtuigen van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, boekdeel I, deel 2, hoofdstuk 2, tweede uitgave (1988) (3), is opgenomen, alsmede met het toepassingsgebied van de inschrijvingsstop voor hoofdstuk 2-vliegtuigen, als bedoeld in Richtlijn 89/629/EEG van de Raad van 4 december 1989 betreffende de beperking van de geluidsemissie van civiele subsonische straalvliegtuigen (4); Overwegende dat vliegtuigen die niet binnen het grondgebied van de Gemeenschap worden geëxploiteerd, van deze inschrijvingsstop mogen worden vrijgesteld, aangezien het hoofddoel van de maatregel is de geluidshinder bij de luchthavens in de Gemeenschap te beperken; dat tevens vrijstellingen mogen worden verleend voor vliegtuigen die, gezien de geografische locatie ervan, in de Franse overzeese departementen worden geëxploiteerd, evenals, op tijdelijke basis, voor activiteiten met een uitzonderlijk karakter, zodat de voordelen ervan voor het milieu ten volle worden verwezenlijkt; Overwegende dat het van belang is ervoor te zorgen dat inbreuken op het Gemeenschapsrecht worden bestraft met sancties die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Doelstelling Het doel van deze richtlijn is voorschriften vast te stellen die in de Gemeenschap een verdere verslechtering van de totale geluidsoverlast van gerectificeerde civiele subsonische straalvliegtuigen te voorkomen en tegelijkertijd andere milieuschade te voorkomen. Artikel 2 Definities Voor de doeleinden van deze richtlijn wordt verstaan onder: 1. "civiel subsonisch straalvliegtuig", een civiel subsonisch straalvliegtuig met een gecertificeerde maximum-startmassa van 34 000 kg of meer of met een gecertificeerde maximumcapaciteit van het betrokken vliegtuigtype van meer dan negentien stoelen, de uitsluitend voor de bemanning bestemde stoelen niet meegerekend, aangedreven met motoren met een omloopverhouding van minder dan 3; 2. "gerecertificeerd civiel subsonisch straalvliegtuig", een civiel subsonisch straalvliegtuig dat oorspronkelijk is gecertificeerd op basis van de hoofdstuk 2- of gelijkwaardige normen dan wel waarvoor oorspronkelijk geen certificering is geschied, dat is aangepast aan de hoofdstuk 3-normen, hetzij rechtstreeks door technische ingrepen of onrechtstreeks door operationele beperkingen; 3. "hoofdstuk 2" en "hoofdstuk 3", de geluidsnormen als gedefinieerd in boekdeel I, deel II, hoofdstuk 2, respectievelijk hoofdstuk 3, van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, derde uitgave (juli 1993); 4. "operationele beperkingen", beperkingen die aan het gewicht van het vliegtuig worden gesteld en/of beperkingen waarover de piloot of de maatschappij de controle heeft, zoals de vleugelklepstand; 5. "een vliegtuig inschrijven", de formaliteiten waarbij de nationaliteit van een vliegtuig wordt bepaald door inschrijving in het nationale register van een lidstaat of van een derde land; 6. "het grondgebied van de Gemeenschap", het grondgebied overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag. Artikel 3 Niet-conforme vliegtuigen 1. De lidstaten dragen ervoor zorg dat gerecertificeerde civiele subsonische straalvliegtuigen met ingang van 1 april 1999 op hun grondgebied niet langer kunnen worden ingeschreven. 2. De bepalingen van lid 1 zijn niet van toepassing op civiele subsonische straalvliegtuigen die vóór 1 april 1999 in een lidstaat zijn ingeschreven. 3. Onverminderd de bepalingen van Richtlijn 92/14/EEG van de Raad en in het bijzonder artikel 2, lid 2, daarvan, staan de lidstaten met ingang van 1 april 2002 het gebruik op de luchthavens op hun grondgebied van in derde landen ingeschreven gerecertificeerde civiele subsonische straalvliegtuigen niet toe, tenzij deze vóór 1 april 1999 in de betrokken derde landen zijn ingeschreven en vóór die datum binnen het grondgebied van de Gemeenschap zijn geëxploiteerd. Artikel 4 Vrijstellingen 1. De lidstaten mogen een tijdelijke vrijstelling van de bepalingen van artikel 3 verlenen voor civiele subsonische straalvliegtuigen waarvan de exploitatie van dermate uitzonderlijke aard is dat het onredelijk zou zijn een tijdelijke vrijstelling te weigeren, zoals in noodsituaties of ten behoeve van humanitaire hulp. 2. De lidstaten mogen een vrijstelling verlenen van de bepalingen van artikel 3 voor civiele subsonische straalvliegtuigen die uitsluitend buiten het grondgebied van de Gemeenschap of uitsluitend binnen de overzeese departementen van Frankrijk worden gebruikt. Artikel 5 Sancties De lidstaten stellen de sanctieregeling vast voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen van intern recht en nemen de nodige maatregelen om deze toe te passen. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, bedoelde datum van deze bepalingen in kennis en delen haar alle latere wijzigingen ervan zo spoedig mogelijk mede. Artikel 6 Tenuitvoerlegging 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijk bepalingen in werking treden om [. . .] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. 2. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 3. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 7 Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 8 Adressaten Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. (1) COM(92) 494 def., 2.12.1992. (2) PB C 138 van 17.5.1993, blz. 1. (3) PB L 76 van 23.3.1992, blz. 21. (4) PB L 363 van 13.12.1989, blz. 27.