Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 51997PC0093

Voorstel voor een Gemeenschappelijk Optreden waartoe door de Raad is besloten op grond van artikel K.3, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzake tijdelijke bescherming van ontheemden

/* COM/97/0093 def. - CNS 97/0081 */

PB C 106 van 4.4.1997, pp. 13–16 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

51997PC0093

Voorstel voor een Gemeenschappelijk Optreden waartoe door de Raad is besloten op grond van artikel K.3, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzake tijdelijke bescherming van ontheemden /* COM/97/0093 DEF - CNS 97/0081 */

Publicatieblad Nr. C 106 van 04/04/1997 blz. 0013


Voorstel voor een Gemeenschappelijk Optreden waartoe door de Raad is besloten op grond van artikel K.3, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzake tijdelijke bescherming van ontheemden (97/C 106/07) COM(97) 93 def. - 97/0081(CNS)

(Door de Commissie ingediend op 20 maart 1997)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid op artikel K.3, lid 2, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende dat het asielbeleid volgens artikel K.1, punt 1, van het Verdrag als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang wordt beschouwd;

Overwegende dat overeenkomstig artikel K.2 van het Verdrag het verbod tot uitzetting of terugleiding, dat wordt gegarandeerd door het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, in alle omstandigheden moet worden nageleefd;

Overwegende dat het aantal ontheemden in Europa de voorbije jaren enorm is toegenomen;

Overwegende dat de lidstaten en de instellingen van de Europese Unie herhaaldelijk hun bezorgdheid over de situatie van ontheemden hebben geuit, in het bijzonder in de tijdens de bijeenkomst van 30 november en 1 december 1992 te Londen door de met immigratiezaken belaste ministers aangenomen conclusie over personen die zijn ontheemd door het conflict in het voormalige Joegoslavië, de tijdens de bijeenkomst van 1 en 2 juni 1993 te Kopenhagen door de met immigratiezaken belaste ministers aangenomen resolutie betreffende bepaalde gemeenschappelijke beleidslijnen voor de opvang van bijzonder kwetsbare groepen personen uit het voormalige Joegoslavië, de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over immigratie- en asielbeleid (1) en de resolutie van het Europees Parlement over de mededeling van de Commissie inzake immigratie- en asielbeleid (2);

Overwegende dat de Raad op 25 september 1995 een resolutie over de verdeling van de lasten met betrekking tot de opname en het verblijf van ontheemden op tijdelijke basis (3) heeft aangenomen en op 4 maart 1996 een besluit betreffende een alarm- en spoedprocedure voor de verdeling van de lasten met betrekking tot de opname en het verblijf van ontheemden op tijdelijke basis (4) heeft vastgesteld;

Overwegende dat de Raad in bovengenoemde resolutie heeft erkend, dat in situaties waarin een massale instroom van ontheemden op het grondgebied van de lidstaten plaatsvindt of waarin het waarschijnlijk is dat de lidstaten het hoofd zullen moeten bieden aan een dergelijke instroom, een snel en gecoördineerd optreden noodzakelijk kan zijn om ernstige bedreigingen van mensenlevens weg te nemen;

Overwegende dat een dergelijke gecoördineerde aanpak van de solidariteit tussen de lidstaten moet getuigen en de Europese humanitaire traditie er haar uitdrukking in moet vinden en dat aldus aan alle personen die binnen hun rechtsgebied internationale bescherming behoeven, een behandeling in overeenstemming met de menselijke waardigheid wordt gewaarborgd;

Overwegende dat het daarom noodzakelijk is een besluit te nemen over de vaststelling door de Unie van een regeling inzake tijdelijke bescherming in specifieke situaties;

Overwegende dat het eveneens noodzakelijk is de minimumrechten betreffende de status van de onder een dergelijke regeling inzake tijdelijke bescherming vallende ontheemden vast te stellen;

Overwegende dat besluiten om specifieke regelingen inzake tijdelijke bescherming ter uitvoering van dit gemeenschappelijke optreden vast te stellen, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moeten worden genomen,

HEEFT TOT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJKE OPTREDEN BESLOTEN:

Artikel 1

Definities

In de zin van dit gemeenschappelijke optreden:

a) wordt onder "regeling inzake tijdelijke bescherming van ontheemden" verstaan een regeling die ingevolge dit gemeenschappelijke optreden bescherming van tijdelijke aard biedt aan personen die internationale bescherming behoeven;

b) wordt onder "personen die internationale bescherming behoeven" verstaan iedere onderdaan uit derde landen of iedere staatloze die zijn land van verblijf heeft verlaten en wiens veilige terugkeer onder menswaardige voorwaarden onmogelijk is gezien de situatie in dat land, in het bijzonder:

- personen die zijn gevlucht uit door een gewapend conflict en aanhoudend geweld getroffen gebieden;

- personen die ernstig gevaar liepen of lopen aan systematische of algemene schending van de mensenrechten te worden blootgesteld, waaronder personen die behoren tot groepen die verplicht zijn hun woonplaats te verlaten als gevolg van vervolgingen op etnische of godsdienstige gronden; en

- personen die om andere, specifiek met hun persoonlijke situatie samenhangende redenen als personen worden beschouwd die internationale bescherming behoeven;

c) wordt onder "massale instroom van personen die internationale bescherming behoeven" verstaan de aankomst in de Unie van een aanzienlijk aantal personen die verklaren internationale bescherming te behoeven of zeer waarschijnlijk binnenkort te zullen behoeven;

d) wordt onder "Verdrag van Genève" verstaan het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967;

e) wordt onder "erkende vluchtelingen" verstaan personen aan wie de vluchtelingenstatus overeenkomstig het Verdrag van Genève is toegekend.

Artikel 2

Algemene bepalingen

1. Dit gemeenschappelijke optreden is niet van toepassing op personen die door de lidstaten zijn toegelaten in het kader van nationale regelingen inzake tijdelijke bescherming van ontheemden die vóór de inwerkingtreding van dit gemeenschappelijke optreden werden ingevoerd.

2. De lidstaten passen de bepalingen van dit gemeenschappelijke optreden toe zonder onderscheid naar ras, godsdienst of nationaliteit.

3. Dit gemeenschappelijke optreden doet geen afbreuk aan de bevoegdheid der lidstaten personen die internationale bescherming behoeven, gunstigere voorwaarden toe te kennen.

Artikel 3

Vaststelling van regelingen inzake tijdelijke bescherming

1. In geval van massale instroom van personen die internationale bescherming behoeven besluit de Raad, die in aanmerking neemt of doeltreffende bescherming in het gebied van herkomst mogelijk is, een regeling inzake tijdelijke bescherming vast te stellen overeenkomstig de in artikel 12, lid 1, vastgestelde procedure.

2. Het in lid 1 bedoelde besluit stelt de specifieke groepen personen vast, waarop de regeling inzake tijdelijke bescherming van toepassing is, alsmede de duur daarvan.

Artikel 4

Verlenging en/of opheffing van regelingen inzake tijdelijke bescherming

De Commissie dient jaarlijks uiterlijk zes maanden voor het einde van een regeling inzake tijdelijke bescherming bij de Raad en het Europees Parlement een verslag in over de situatie in het land van herkomst en over de toepassing door de lidstaten van de regeling inzake tijdelijke bescherming, alsmede over de financiële gevolgen daarvan.

Op grond van dit verslag en uiterlijk drie maanden voor het einde van een regeling inzake tijdelijke bescherming besluit de Raad overeenkomstig de in artikel 12, lid 1, vastgestelde procedure

- tot herziening van het overeenkomstig artikel 3 genomen besluit

of

- tot opheffing van de regeling inzake de tijdelijke bescherming en terugkeer van de betrokken personen, indien de situatie in het land van herkomst een veilige terugkeer onder humane voorwaarden mogelijk maakt.

Bij de organisatie van de terugkeer zal de voorkeur worden gegeven aan de bevordering van vrijwillige repatriëring, in nauwe samenwerking met de betrokken internationale organisaties, in het bijzonder het Hoge Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen.

Artikel 5

Bijstand aan bijzonder zwaar getroffen lidstaten

Op grond van het in artikel 4 bedoelde verslag onderzoekt de Raad op welke wijze het best bijstand kan worden geboden aan lidstaten die bijzonder zwaar zijn getroffen door de massale instroom van personen die internationale bescherming behoeven.

Artikel 6

Verblijfsvergunning

De lidstaten verstrekken de personen die voor de regeling inzake tijdelijke bescherming in aanmerking komen, voor de duur van de regeling een verblijfsvergunning.

Artikel 7

Gezinshereniging

1. De lidstaten dragen ervoor zorg, dat aan begunstigden van een regeling inzake tijdelijke bescherming het recht op gezinshereniging wordt toegekend ten aanzien van hun echtgenoten en hun minderjarige ten laste komende kinderen.

2. Wanneer een besluit omtrent gezinshereniging moet worden genomen, mag het ontbreken van schriftelijke bewijsstukken betreffende huwelijk of verwantschap op zichzelf niet een beletsel vormen. Alle terzake strekkende feiten en omstandigheden moeten bij de beoordeling van de geldigheid van het bewijsmateriaal en de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verzoeker in aanmerking worden genomen.

Artikel 8

Tewerkstelling en sociale zekerheid

De lidstaten dragen ervoor zorg, dat aan begunstigden van een regeling inzake tijdelijke bescherming een vergunning voor een winstgevende bezigheid wordt verleend. Begunstigden van een regeling inzake tijdelijke bescherming en erkende vluchtelingen worden met betrekking tot bezoldiging, sociale zekerheid en andere arbeidsvoorwaarden gelijk behandeld.

Artikel 9

Huisvesting, sociale voorzieningen en onderwijs

1. De lidstaten streven ernaar, aan begunstigden van een regeling inzake tijdelijke bescherming dezelfde huisvestingsvoorzieningen ter beschikking te stellen als aan erkende vluchtelingen. Bij wijze van voorlopige maatregel kan evenwel tijdelijke opvang worden geboden voor een periode van een jaar na het begin van de toepassing van de regeling inzake de tijdelijke bescherming.

2. De lidstaten dragen ervoor zorg, dat aan begunstigden van een regeling inzake tijdelijke bescherming de nodige bijstand wordt verstrekt, in het bijzonder met betrekking tot levensonderhoud en gezondheidszorg. Wanneer de begunstigden toegang tot de arbeidsmarkt hebben, moet bij de bepaling van de omvang en de aard van de bijstandsregelingen rekening worden gehouden met de mogelijkheden die deze personen hebben om in hun eigen onderhoud te voorzien.

3. De lidstaten dragen ervoor zorg, dat de begunstigden van een regeling inzake tijdelijke bescherming onder dezelfde voorwaarden als erkende vluchtelingen toegang tot het openbare onderwijs krijgen.

Artikel 10

Asiel

Het onderzoek van een asielaanvraag in de zin van het Verdrag van Genève die door een begunstigde van een regeling inzake tijdelijke bescherming is ingediend, kan worden opgeschort zolang de Raad geen besluit heeft genomen betreffende de opheffing van de regeling zoals bedoeld in artikel 4, tweede streepje; deze opschorting mag evenwel niet langer duren dan vijf jaar na het begin van de toepassing van de regeling inzake tijdelijke bescherming.

Artikel 11

Uitsluitingsbepalingen

De regeling inzake tijdelijke bescherming is niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij:

- een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

- een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan, buiten het land van toevlucht, voordat hij op het grondgebied van de lidstaten is aangekomen;

- zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

Een lidstaat kan de voordelen van de regeling inzake de tijdelijke bescherming weigeren aan een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van die lidstaat, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van deze lidstaat.

Artikel 12

Uitvoeringsmaatregelen

1. Op initiatief van een lidstaat of van de Commissie, die de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen om advies kan vragen, stelt de Raad bij gekwalificeerde meerderheid de in de artikelen 3 en 4 bedoelde maatregelen ter uitvoering van het gemeenschappelijke optreden vast.

2. De in lid 1 genoemde uitvoeringsmaatregelen worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt.

Artikel 13

Beschermingsmaatregelen op lange termijn

Wanneer de Raad na een periode van vijf jaar na de invoering van een regeling inzake tijdelijke bescherming niet een besluit heeft genomen tot opheffing van de regeling overeenkomstig artikel 4, onderzoeken de lidstaten of maatregelen op langere termijn moeten worden genomen ten aanzien van onder tijdelijke bescherming vallende personen.

Artikel 14

Slotbepaling

Dit gemeenschappelijke optreden treedt in werking op de dag waarop het in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt bekendgemaakt.

(1) COM(94) 23 def. van 23. 2. 1994.

(2) PB nr. C 269 van 16. 10. 1995, blz. 156.

(3) PB nr. C 262 van 7. 10. 1995, blz. 1.

(4) PB nr. L 63 van 13. 3. 1996, blz. 10.

Top