This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32026R0463
Regulation (EU) 2026/463 of the European Parliament and of the Council of 24 February 2026 amending Regulation (EU) 2024/1348 as regards the application of the concept of safe third country
Verordening (EU) 2026/463 van het Europees Parlement en de Raad van 24 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de toepassing van het begrip “veilig derde land”
Verordening (EU) 2026/463 van het Europees Parlement en de Raad van 24 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de toepassing van het begrip “veilig derde land”
PE/68/2025/REV/1
PB L, 2026/463, 26.2.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/463/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force
|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/463 |
26.2.2026 |
VERORDENING (EU) 2026/463 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 24 februari 2026
tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de toepassing van het begrip “veilig derde land”
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 78, lid 2, punt d),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad (3) is een gemeenschappelijke procedure vastgesteld voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming in de Unie. De Commissie heeft de verschillende elementen van het begrip “veilig derde land” geëvalueerd, waaronder veiligheidscriteria, eerlijke procedures, het criterium van een band en de bepalingen inzake een doeltreffende voorziening in rechte. Die evaluatie leidde tot de conclusie dat er ruimte was om de toepasbaarheid van het begrip “veilig derde land” te verbeteren, met behoud van de wettelijke waarborgen voor verzoekers en de garantie dat de grondrechten worden geëerbiedigd. |
|
(2) |
Om het begrip “veilig derde land” als grond voor niet-ontvankelijkheid te kunnen toepassen, is het overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1348 nodig dat er tussen de verzoeker en het derde land een band bestaat, op grond waarvan het redelijk zou zijn dat de verzoeker naar dat derde land gaat. Het bestaan van een band tussen de verzoeker en het veilige derde land is echter niet vereist op grond van het internationaal vluchtelingenrecht, met name het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals aangevuld bij het Protocol van New York betreffende de status van vluchtelingen van 31 januari 1967, of het internationaal recht inzake de mensenrechten, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarom moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om, onder de voorwaarden van Verordening (EU) 2024/1348, zoals gewijzigd door deze verordening, het begrip “veilig derde land” toe te passen wanneer er geen band kan worden vastgesteld tussen de verzoeker en het betrokken veilige derde land. |
|
(3) |
De lidstaten moeten de mogelijkheid behouden om het begrip “veilig derde land” toe te passen als er tussen de verzoeker en het betrokken derde land een band bestaat op grond waarvan het redelijk zou zijn dat de verzoeker naar dat derde land gaat. De lidstaten moeten het begrip “veilig derde land”, met volledige inachtneming van de parameters die zijn vastgesteld in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, kunnen toepassen op basis van een band zoals gedefinieerd conform het nationale recht of de nationale praktijk, voor zover die daarin specifiek is bepaald. De band tussen de verzoeker en het derde land kan met name als vastgesteld worden beschouwd indien zich gezinsleden van de verzoeker in dat derde land bevinden, indien de verzoeker zich in dat derde land heeft gevestigd of er heeft verbleven, of indien de verzoeker taal-, culturele of soortgelijke banden heeft met dat derde land. |
|
(4) |
De lidstaten moeten ook de mogelijkheid hebben om het begrip “veilig derde land” toe te passen op verzoekers die, voordat zij de Unie zijn binnengekomen, door het grondgebied van een derde land zijn gereisd, aangezien in dat geval redelijkerwijs kan worden verondersteld dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, om doeltreffende bescherming had kunnen verzoeken in een veilig derde land van doorreis. Eerdere doorreis door een veilig derde land zorgt voor een objectieve band tussen de verzoeker en het betrokken derde land. Voor de toepassing van deze verordening kan doorreis door een derde land ook een situatie omvatten waarin een verzoeker op weg naar de Unie door het grondgebied van een derde land is gereisd of daar heeft verbleven, of waarin de verzoeker zich aan de grens of in een transitzone van een derde land heeft bevonden, waarbij die verzoeker de mogelijkheid heeft gehad om bij de autoriteiten van het betrokken derde land om doeltreffende bescherming te verzoeken. |
|
(5) |
Omdat de samenwerking met derde landen bij het aanpakken van irreguliere migratie naar de Unie moet worden versterkt, moeten de lidstaten tevens de mogelijkheid hebben het begrip “veilig derde land” toe te passen op basis van een overeenkomst of een regeling, ongeacht de formele aanwijzing ervan, die door de Unie of de lidstaten met het betrokken derde land is gesloten op een wijze die bevorderlijk is voor de rechtszekerheid en transparantie, mits de betrokken overeenkomst of regeling bepalingen bevat op grond waarvan de gegrondheid van de verzoeken om doeltreffende bescherming die in dat derde land zijn ingediend door verzoekers die onder die overeenkomst of regeling vallen, moet worden onderzocht. De behandelingen door de bevoegde autoriteiten van het derde land waarmee de Unie of de lidstaten een overeenkomst of regeling hebben gesloten, kunnen, uitsluitend met het oog op het verlenen van doeltreffende bescherming, verschillende soorten procedures voor de behandeling van zaken omvatten, zoals vereenvoudigde procedures, groepsprocedures of voorlopige procedures. |
|
(6) |
Met het oog op nauwere Uniebrede samenwerking en grotere invloed en samenwerking in overleg met derde landen, moeten de lidstaten in staat zijn het begrip “veilig derde land” toe te passen op verzoekers uit hoofde van overeenkomsten of regelingen waarbij de Unie, of een of meer van haar lidstaten, of een of meer lidstaten en derde landen enerzijds en een veilig derde land anderzijds partij zijn. Aangezien het onderwerp van overeenkomsten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, onder de gedeelde bevoegdheid van de Unie en de lidstaten kan vallen, moeten de Commissie en de lidstaten, met het oog op doeltreffendheid en het voorkomen van onverenigbaarheden, nauw samenwerken bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten, om te zorgen voor eenheid in de internationale vertegenwoordiging van de Unie en haar lidstaten. In aanvulling op en onverminderd de procedure van artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet de Commissie tijdens de onderhandelingen over een overeenkomst met een derde land (“overeenkomst op Unieniveau”) met name terdege rekening houden met bestaande bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen een lidstaat en hetzelfde derde land en terdege rekening houden met de gevolgen van de overeenkomst op Unieniveau voor die bilaterale of multilaterale overeenkomsten, en voor de samenwerking en de algemene betrekkingen van de lidstaat met dat derde land op het gebied van migratie, ook wat betreft de politieke en economische aangelegenheden die aan de orde zijn. |
|
(7) |
De Unie kan overeenkomsten of regelingen met derde landen sluiten, onverminderd de bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaten en de Unie. Dergelijke instrumenten op Unieniveau kunnen bijdragen tot het tot stand brengen van een gemeenschappelijk juridisch en procedureel Uniekader voor samenwerking op het gebied van asiel en migratie, het waarborgen van een consistente uitvoering van het recht en de normen van de Unie, en het versterken van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten bij de toepassing van het begrip “veilig derde land”. |
|
(8) |
Gezien de kwetsbaarheid van niet-begeleide minderjarigen en de behoefte aan gerichte steun, mag het begrip “veilig derde land” alleen op niet-begeleide minderjarigen worden toegepast indien een band met of doorreis door het betrokken derde land kan worden vastgesteld en aan de voorwaarden van artikel 59, lid 6, van Verordening (EU) 2024/1348 is voldaan. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat het belang van het kind vooropstaat bij alle besluiten met betrekking tot minderjarigen. De lidstaten moeten bij de toepassing van het begrip “veilig derde land” ook terdege rekening houden met het beginsel van eenheid van het gezin. |
|
(9) |
Er moet meer transparantie komen over de sluiting door de lidstaten van overeenkomsten en regelingen met veilige derde landen om de lidstaten en de Commissie te ondersteunen bij het tot stand brengen van een alomvattende aanpak van de externe dimensie van migratie en bij het coördineren van hun werkzaamheden ten aanzien van derde landen voor de toepassing van het begrip “veilig derde land”. Hierdoor kan ook worden nagegaan of overeenkomsten of regelingen met derde landen voldoen aan de voorwaarden van Verordening (EU) 2024/1348, zoals gewijzigd bij deze verordening. Een grotere transparantie moet ook een consistentere en coherentere toepassing van het begrip “veilig derde land” in de hele Unie mogelijk maken en bijdragen tot de algemene goede werking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel. Om die reden moeten de lidstaten bij de sluiting van een overeenkomst of regeling met een derde land worden verplicht de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte te brengen van die overeenkomst of regeling vóór deze voorlopig wordt toegepast of, indien dat eerder is, vóór deze in werking treedt. |
|
(10) |
Overeenkomstig de toepasselijke regels van de Verdragen moeten het Europees Parlement en de Raad relevante informatie krijgen over overeenkomsten of regelingen tussen de Unie en derde landen met betrekking tot het begrip “veilig derde land”. |
|
(11) |
Om ervoor te zorgen dat de legitieme belangen in verband met het beheer van de buitengrenzen en de interne veiligheid van de betrokken lidstaten voldoende worden beschermd, moeten, wanneer een lidstaat voor de toepassing van Verordening (EU) 2024/1348, zoals gewijzigd door deze verordening, met een van de aangrenzende derde landen van de Unie over een overeenkomst of regeling onderhandelt, de lidstaten die een gemeenschappelijke grens met dat derde land delen, op een passend tijdstip vóór de sluiting van de betrokken overeenkomst of regeling van die onderhandelingen in kennis worden gesteld, met volledige inachtneming van het beginsel van loyale samenwerking dat is neergelegd in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Om niet-naleving van het recht van de Unie te voorkomen en de transparantie met betrekking tot overeenkomsten of regelingen tussen lidstaten en derde landen verder te vergroten, moeten de lidstaten er voorts naar streven de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte te houden van de voortgang van de onderhandelingen met een derde land over overeenkomsten of regelingen die krachtens deze verordening zijn toegestaan, voordat de partijen een definitief akkoord hebben bereikt, onder meer om de Commissie te verzoeken te beoordelen of de overeenkomst of regeling waarover wordt onderhandeld, verenigbaar is met het recht van de Unie. |
|
(12) |
De lidstaten moeten alle nodige maatregelen kunnen nemen om het risico te voorkomen dat verzoekers op wie het begrip “veilig derde land” wordt toegepast, onderduiken, onder meer door de bewegingsvrijheid op grond van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad (4) te beperken of door de betrokken verzoeker in bewaring te houden overeenkomstig artikel 10 van die richtlijn, teneinde de ontvankelijkheid van verzoeken te kunnen beoordelen. |
|
(13) |
In Verordening (EU) 2024/1348 is bepaald dat, indien een verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van het begrip “veilig derde land”, de beslissingsautoriteit de verzoeker een document moet verschaffen waarin de autoriteiten van het derde land ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek als gevolg van de toepassing van het begrip “veilig derde land” niet inhoudelijk in de Unie is behandeld. De Unie en haar lidstaten kunnen dergelijke uit hoofde van deze verordening toegestane overeenkomsten of regelingen sluiten, die bepalingen kunnen bevatten inzake procedures om de autoriteiten van het betrokken derde land in kennis te stellen van de overdracht van verzoekers van het grondgebied van de lidstaten naar dat derde land die afwijken van de procedure van Verordening (EU) 2024/1348. Wanneer het begrip “veilig derde land” wordt toegepast met betrekking tot een derde land waarmee de Unie of een lidstaat een dergelijke overeenkomst of regeling heeft gesloten, moet de procedure van Verordening (EU) 2024/1348 worden toegepast onverminderd de procedures voor het in kennis stellen van de autoriteiten van het derde land die zijn vastgelegd in de desbetreffende bepalingen van die overeenkomst of regeling. |
|
(14) |
Om de procedurele efficiëntie te vergroten, mag de verzoeker niet automatisch het recht hebben om op het grondgebied van een lidstaat te blijven ten behoeve van een beroepsprocedure tegen een beslissing over de niet-ontvankelijkheid die is genomen op basis van het begrip “veilig derde land”. Bovendien mag de verzoeker niet automatisch het recht hebben om op het grondgebied van een lidstaat te blijven ten behoeve van een beroepsprocedure tegen een beslissing over de niet-ontvankelijkheid die is genomen op basis van het feit dat een andere lidstaat dan de lidstaat waar het beroep wordt ingesteld, de verzoeker internationale bescherming heeft verleend. Niettemin moet de uitvoering van het bijbehorende terugkeerbesluit worden opgeschort gedurende de periode waarin de betrokken verzoeker zijn of haar recht op een doeltreffende voorziening in rechte kan uitoefenen bij een rechter in eerste aanleg en, bij de instelling van een dergelijk beroep, waarbij het risico bestaat dat het beginsel van non-refoulement wordt geschonden. |
|
(15) |
Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het herzien van de voorwaarden voor de toepassing van het begrip “veilig derde land”, niet door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en enkel door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken. |
|
(16) |
Overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en aan het VWEU, heeft Ierland bij brief van 22 juli 2025 te kennen gegeven dat het aan de vaststelling en toepassing van deze verordening wenst deel te nemen. |
|
(17) |
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken. |
|
(18) |
Deze verordening neemt de grondrechten in acht en gaat uit van de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn vastgelegd. |
|
(19) |
In het licht van de toepassing van Verordening (EU) 2024/1348 vanaf 12 juni 2026 en om zo snel mogelijk rechtszekerheid te bieden, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan. |
|
(20) |
Verordening (EU) 2024/1348 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) 2024/1348 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
in artikel 68, lid 3, wordt punt b) vervangen door:
|
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel, 24 februari 2026.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
C. KOMBOS
(1) Advies van 23 oktober 2025 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 10 februari 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 februari 2026.
(3) Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU (PB L, 2024/1348, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1348/oj).
(4) Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L, 2024/1346, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1346/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/463/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)