Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31996R2208

VERORDENING (EG) Nr. 2208/96 VAN DE COMMISSIE van 18 november 1996 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van ongebleekte weefsels van katoen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, India, Indonesië, Pakistan en Turkije

PB L 295 van 20.11.1996, pp. 3–23 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 21/05/1997

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1996/2208/oj

31996R2208

VERORDENING (EG) Nr. 2208/96 VAN DE COMMISSIE van 18 november 1996 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van ongebleekte weefsels van katoen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, India, Indonesië, Pakistan en Turkije

Publicatieblad Nr. L 295 van 20/11/1996 blz. 0003 - 0023


VERORDENING (EG) Nr. 2208/96 VAN DE COMMISSIE van 18 november 1996 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van ongebleekte weefsels van katoen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, India, Indonesië, Pakistan en Turkije

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), en met name op artikel 7,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

(1) Op 21 februari 1996 heeft de Commissie door middel van een bericht in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (2) de inleiding aangekondigd van een anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van ongebleekte katoenen weefsels van oorsprong uit de Volksrepubliek China, hierna "China" genoemd, Egypte, India, Indonesië, Pakistan en Turkije, hierna "bericht van inleiding" genoemd, en heeft zij een onderzoek geopend.

(2) De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 8 januari 1996 door het Comité van de katoen en aanverwante vezels verwerkende nijverheden van de EG (Eurocoton) namens de bedrijfstak van de Gemeenschap werd ingediend. De klacht werd onderschreven door 21 producenten in de Gemeenschap die het grootste gedeelte van de communautaire produktie van het soortgelijke produkt vertegenwoordigen. De klacht bevatte bewijs van dumping van het genoemde produkt en van daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade, hetgeen voor de inleiding van een procedure toereikend werd geacht.

(3) De Commissie heeft de haar als daarbij betrokken bekendstaande producenten/exporteurs en importeurs, hun verenigingen en de vertegenwoordigers van de betrokken exporterende landen alsmede de indieners van de klacht officieel ervan in kennis gesteld dat de procedure werd ingeleid. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken om te worden gehoord binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn.

(4) Een aantal producenten/exporteurs in de betrokken landen evenals een aantal producenten, gebruikers en importeurs in de Gemeenschap hebben hun standpunt schriftelijk bekendgemaakt. Alle partijen die binnen de bovengenoemde termijn een daartoe strekkend met redenen omkleed verzoek indienden, werden gehoord.

(5) Gezien het grote aantal producenten in de Gemeenschap dat de klacht uitdrukkelijk had onderschreven, besloot de Commissie gebruik te maken van steekproeven. Zij heeft vragenlijsten doen toekomen aan en gedetailleerde informatie ontvangen van een representatieve steekproef van producenten in de Gemeenschap, zoals in de overwegingen 8, 89 en 90 is uiteengezet.

(6) Gezien het grote aantal producenten/exporteurs in de betrokken exporterende landen werd voor deze categorie van belanghebbenden eveneens van een steekproefsysteem gebruik gemaakt. De Commissie heeft vragenlijsten gezonden aan en gedetailleerde informatie ontvangen van een representatieve steekproef van producenten/exporteurs, zoals in de overwegingen 8 en 14 tot en met 25 is uiteengezet.

(7) Bovendien heeft de Commissie vragenlijsten doen toekomen aan alle haar als betrokken bekendstaande importeurs, waarvan er evenwel slechts zes de vragenlijst hebben beantwoord.

(8) De Commissie heeft alle informatie die zij voor haar voorlopig onderzoek van dumping en schade noodzakelijk achtte, verzameld en geverifieerd en heeft een onderzoek ingesteld bij de volgende ondernemingen:

a) Producenten in de Gemeenschap

- F.A. Kümpers GmbH & Co., Rheine (Duitsland)

- Velener Textilwerk Grimmelt, Wevers & Co. GmbH, Velen (Duitsland)

- Tenthorey SA, Eloyes (Frankrijk)

- H.G.P.-G.A.T. Tissages SA, Cornimont (Frankrijk)

- Ets des Fils de Victor Perrin S.à.r.l., Thiéfosse (Frankrijk)

- Filatures et Tissages de Saulxures-sur-Moselotte SA, Saulxures-sur-Moselotte (Frankrijk)

- Niggeler & Küpfer SpA, Capriolo BS (Italië)

b) Importeurs

- G. Koppermann & Co. GmbH, Baierbrunn (Duitsland)

c) Producenten/exporteurs

Egypte

- Misr Spinning and Weaving Co., Mehalla el-Kubra

- Misr Fine Spinning and Weaving Co., Kafr el-Dawa

- Misr El Amria Spinning and Weaving Co., Alexandrië

India

- Century Textiles & Industries Ltd, Bombay

- Mafatlal Industries Limited, Bombay

- The Mafatlal Fine Spinning & Manufacturing Company Ltd, Bombay

- Coats Viyella India Ltd, Bangalore

- Vardhman Spinning & General Mills Ltd, Ludhiana

Indonesië

- Argo Pantes, Jakarta

- Daya Manunggal, Jakarta

- Grand Textile Industries, Jakarta

- Apac Inti Corpora (voorheen P.T. Kanindo Prima Perkasa), Jakarta

- Eratex Djaja, Surabaya

Pakistan

- Lucky Textile Mills, Karachi

- Diamond Fabrics Ltd, Sheikhupura, Lahore

- Nishat Mills Ltd, Faisalabad

- Kohinoor Raiwind Mills Ltd, Lahore

Turkije

- Birlik Mensucat Ticaret ve Sanayi Isletmesi AS Kayseri, hierna "Birlik Mensucat" genoemd

- Söktas Pamuk ve Tarim Ürünlerini Degerlendirme Ticaret ve Sanayi AS, Söke, hierna "Söktas" genoemd.

(9) Het onderzoektijdvak bestreek de periode van 1 januari tot en met 31 december 1995.

(10) Eén Turkse onderneming, Söktas, maakte de zaak aanhangig bij het Gerecht van eerste aanleg (zaak T-75/96). Zij verzocht om nietigverklaring van de inleiding van de procedure en om tussentijds herstel in de vorm van een onmiddellijke opschorting van de procedure. In zijn uitspraak van 26 augustus 1996 wees de Voorzitter van genoemd Gerecht het verzoek om tussentijds herstel van de hand.

B. BETROKKEN PRODUKT EN SOORTGELIJK PRODUKT

(11) De procedure heeft betrekking op platte ongebleekte katoenen weefsels bevattende 85 of meer gewichtspercenten katoen, dit wil zeggen op gewone weefgetouwen door orthogonale binding van textielgarens vervaardigde weefsels, hoofdzakelijk bestemd voor de kleding-, linnengoed- en meubelindustrie.

Het betrokken produkt wordt in veel verschillende types of constructies vervaardigd. Constructies worden omschreven als een combinatie van de volgende elementen: het gewicht van de gebruikte garens, het aantal garens voor zowel schering als inslag en de wijze waarop de garens met elkaar zijn verbonden.

(12) De Commissie kwam tot de bevinding dat aangezien er geen verschillen waren in de basiskenmerken van de verschillende types en kwaliteiten van de ongebleekte weefsels van katoen, de op de binnenlandse markt verkochte types en de door de betrokken landen uitgevoerde types soortgelijke produkten waren in de zin van artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96, hierna "de basisverordening" genoemd. Dit geldt eveneens voor de types die op de binnenlandse markt in India worden verkocht en die welke door de Chinese ondernemingen worden uitgevoerd (zie overwegingen 47 en 48). Bovendien zijn de door alle betrokken landen uitgevoerde en de door de producenten in de Gemeenschap vervaardigde types soortgelijke produkten.

(13) De betrokken verwerkende ondernemingen in de Gemeenschap gaven de wens te kennen dat gaas van de procedure zou worden uitgesloten omdat dit produkt niet meer in de Gemeenschap wordt vervaardigd. Bij gebrek aan voldoende gegevens hieromtrent besloot de Commissie evenwel, in afwachting van nader onderzoek, het gaas mede onder de voorlopige maatregelen te betrekken.

C. EXPORTEURS EN PRODUCENTEN IN DE LANDEN VAN OORSPRONG

1. Steekproef

a) Algemeen

(14) Wegens het grote aantal exporteurs in de betrokken landen besloot de Commissie overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van steekproeven. Zij heeft hiervan melding gemaakt in punt 5 van het bericht van inleiding.

(15) Teneinde de Commissie in staat te stellen een steekproef samen te stellen, werden de producenten/exporteurs en hun vertegenwoordigers verzocht zich binnen drie weken na de inleiding van de procedure bekend te maken en basisgegevens over hun binnenlandse omzet en over hun uitvoerresultaten te verstrekken. De Commissie heeft eveneens contact opgenomen met de autoriteiten van de betrokken landen.

(16) De ondernemingen die zich kenbaar maakten en de gevraagde informatie binnen de genoemde termijn verstrekten, werden als medewerkende ondernemingen beschouwd, in tegenstelling tot de onder overweging 19 bedoelde ondernemingen.

(17) De ondernemingen die uiteindelijk niet in de steekproef werden opgenomen, werden ervan in kennis gesteld dat zij zouden worden onderworpen aan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die voor de in de steekproef opgenomen partijen werd vastgesteld.

(18) Voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen die aan het onderzoek hun volledige medewerking verleenden, werd een individuele dumpingmarge en een individueel anti-dumpingrecht vastgesteld.

(19) De ondernemingen die zich binnen de termijn van drie weken kenbaar maakten, maar vervolgens, nadat zij voor de steekproef waren geselecteerd, aan het onderzoek geen medewerking verleenden, werden als niet-medewerkende ondernemingen beschouwd.

(20) Een aantal ondernemingen werd als reserve voor de steekproef geselecteerd en zij werden ervan in kennis gesteld, dat hoewel zij de vragenlijst van de Commissie zouden moeten beantwoorden, hun antwoord niet zou worden onderzocht, tenzij een of meer van de in de steekproef opgenomen ondernemingen geen medewerking aan het onderzoek zou verlenen. Voorts werd de genoemde ondernemingen medegedeeld dat zij aan de gemiddelde dumpingmarge van de steekproef en aan het gemiddelde anti-dumpingrecht zullen worden onderworpen, indien een dergelijk recht en een dergelijke marge worden vastgesteld, tenzij zij worden geselecteerd om een onderneming van de steekproef te vervangen, in welk geval zij aan een individuele marge en een individueel recht worden onderworpen, indien een dergelijk recht en een dergelijke marge worden vastgesteld.

(21) De ondernemingen die zich niet binnen de termijn van drie weken kenbaar maakten, zijn als niet-medewerkende ondernemingen behandeld.

b) China, Egypte, Indonesië, Pakistan

(22) Voor China, Egypte, Indonesië en Pakistan werd de steekproef in overleg met de vertegenwoordigers van de betrokken ondernemingen, verenigingen en/of regeringen samengesteld.

c) India

(23) Voor India kon geen overeenstemming worden bereikt over de samenstelling van de steekproef omdat dit land tegen de opneming van zijn grootste producent/exporteur bezwaar maakt. De Commissie had derhalve geen andere keuze dan haar eigen selectie te maken en nam in de steekproef bijgevolg, wat binnenlandse verkoop en uitvoer betreft, de zes grootste ondernemingen op.

d) Turkije

(24) Met Turkije kon evenmin overeenstemming worden bereikt en dit vooral omdat de Turkse producenten/exporteurs de rechtmatigheid van een anti-dumpingprocedure in het kader van de Douane-unie (3) betwistten. De Commissie had derhalve geen andere keuze dan zelf een keuze te maken en zij selecteerde de grootste producenten/exporteurs met voldoende binnenlandse afzet.

(25) Hoewel de vijf, door de Commissie geselecteerde ondernemingen aanvankelijk te kennen gaven dat zij hun medewerking zouden verlenen, gebeurde dit uiteindelijk door drie ervan niet. Nadat zij door de Commissie ervan in kennis waren gesteld dat voor Turkije geen steekproef kon worden samengesteld, verklaarden de vertegenwoordigers van dit land dat de twee resterende ondernemingen nog altijd een groot gedeelte van de Turkse binnenlandse en exportomzet van het betrokken produkt vertegenwoordigden en derhalve nog representatief waren. De Commissie aanvaardde dit argument en baseerde haar steekproef op de twee resterende ondernemingen. Vervolgens werd besloten de drie ondernemingen die zich van medewerking onthielden, namelijk Çukurova San Isl AS, te Tarsus, Isko Tekstil Sanayi ve Ticaret AS, te Bursa, en GAP Güncydogu Tekstil Sanayi ve Tivaret AS, te Istanbul, als niet-medewerkende ondernemingen te behandelen.

2. Individueel onderzoek in het kader van de steekproef

(26) De Commissie heeft binnen de gestelde termijnen elf verzoeken om een individueel onderzoek ontvangen, waarvan er slechts acht van een beantwoorde vragenlijst vergezeld gingen, zoals artikel 17, lid 3, van de basisverordening dit voorschrijft. De Commissie besliste derhalve dat de drie ondernemingen die de vragenlijst niet volledig hadden beantwoord, niet voor een individueel onderzoek in aanmerking konden komen.

Na onderzoek van de antwoorden van de resterende ondernemingen en gelet op het bepaalde in artikel 17, lid 3, van de basisverordening besliste de Commissie geen individueel onderzoek toe te staan omdat het aantal ondernemingen daarvoor te groot was, individuele onderzoeken te omslachtig waren en het onderzoek daardoor niet tijdig zou kunnen worden voltooid. De betrokken ondernemingen werden hiervan in kennis gesteld.

(27) De ondernemingen die binnen 37 dagen na de datum van verzending van het bericht van inleiding van de procedure een volledig antwoord op de vragenlijst indienden of zich bekendmaakten binnen de termijn van drie weken die voor de samenstelling van de steekproef was vastgesteld, maar waarvan de verzoeken om een individueel onderzoek werden afgewezen, werden onderworpen aan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die voor de in de steekproef opgenomen partijen werd vastgesteld.

(28) Ondernemingen die om een individueel onderzoek verzochten doch niet binnen 37 dagen een volledig antwoord indienden en zich niet binnen de termijn van drie weken die voor de selectie van de steekproef was vastgesteld, bekendmaakten, werden als niet-medewerkende ondernemingen beschouwd. Dit gold voor slechts één onderneming in Turkije, namelijk Bisas Tekstil Sanayi ve Ticaret AS, te Merter (Istanbul).

D. DUMPING

1. Normale waarde

a) Landen met een markteconomie

i) Algemene methode

(29) Bij het vaststellen van de normale waarde voor landen met een markteconomie heeft de Commissie eerst voor elke producent/exporteur bepaald of de totale binnenlandse verkoop van ongebleekte weefsels van katoen van deze producent/exporteur representatief was in vergelijking met zijn totale uitvoer van ongebleekte katoenen weefsels naar de Gemeenschap. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd de binnenlandse verkoop als representatief beschouwd wanneer de totale binnenlandse verkoop van elke producerende onderneming minstens 5 % van zijn totale uitvoer naar de Gemeenschap bedroeg.

(30) De Commissie heeft vervolgens onderzocht of de verschillende types ongebleekt katoenen weefsel die op de binnenlandse markt door ondernemingen met representatieve verkopen op deze binnenlandse markt werden verkocht, als identiek of rechtstreeks vergelijkbaar met de voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte soorten konden worden beschouwd. De op de binnenlandse markt aangeboden en de voor uitvoer verkochte soorten weefsel van ongebleekt katoen werden als vergelijkbare produkten beschouwd wanneer zij op identieke wijze waren vervaardigd (zie overwegingen 11 en 12).

(31) Voor elk van de door de producenten/exporteurs op de binnenlandse markt verkochte types die vergelijkbaar werden geacht met de voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte types, heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een bepaald type werd voldoende representatief geacht wanneer de verkoop van dat type ongebleekt weefsel van katoen op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak in hoeveelheid 5 % of meer bedroeg van de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden van dat type.

(32) Ten slotte heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop van elk type kon worden beschouwd als in het kader van normale handelstransacties te hebben plaatsgevonden, door na te gaan welke hoeveelheid van het betrokken type met winst werd verkocht. Wanneer de hoeveelheid ongebleekt weefsel van katoen die tegen een nettoverkoopprijs die gelijk was aan of hoger was dan de berekende produktiekosten werd verkocht (winstgevende verkoop), 80 % of meer van de totale verkoop bedroeg, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, berekend als een gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen, zowel winstgevende als andere, gedurende het onderzoektijdvak. Wanneer de winstgevende verkoop van ongebleekte weefsels van katoen minder dan 80 % doch 10 % of meer van de totale verkoop vertegenwoordigde, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, berekend als een gewogen gemiddelde van uitsluitend de winstgevende verkoop.

(33) Wanneer de winstgevende verkoop van ongebleekte weefsels van katoen minder dan 10 % van het totale afzetvolume vertegenwoordigde, werd geacht dat dit type in onvoldoende hoeveelheden werd verkocht om de prijs op de binnenlandse markt als grondslag voor de normale waarde te kunnen nemen.

(34) Wanneer aan de in de overwegingen 29 tot en met 32 gestelde eisen was voldaan, werd de normale waarde overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 1, van de basisverordening voor elk type gebaseerd op de prijzen die in het normale handelsverkeer door onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt van het exporterende land worden betaald of dienen te worden betaald.

(35) In gevallen waarin geen gebruik kon worden gemaakt van de binnenlandse prijzen van een bepaald door een producent verkocht type, was het noodzakelijk, in plaats van de binnenlandse prijzen van andere producenten/exporteurs, de berekende normale waarde te gebruiken, wegens het grote aantal verschillende factoren dat in aanmerking diende te worden genomen bij het beoordelen van een bepaald type dat door een bepaalde onderneming wordt geproduceerd (oorsprong, mengsel van ruwe katoensoorten, soort van weefgetouw, enzovoort). Het gebruik van de prijzen van een andere onderneming zou de Commissie in dit geval genoodzaakt hebben tot talrijke aanpassingen, waarvan de meeste op ramingen dienden te worden gebaseerd.

(36) Dientengevolge werd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening de normale waarde berekend aan de hand van de produktiekosten van het uitgevoerde type produkt, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten, hierna "VAA" genoemd en een redelijke winstmarge. De Commissie heeft in dit verband onderzocht of de VAA en de winst van elke betrokken producent/exporteur op de binnenlandse markt betrouwbare gegevens waren. De werkelijke binnenlandse uitgaven voor VAA werden betrouwbaar geacht wanneer de binnenlandse verkoop van de betrokken onderneming als representatief kon worden aangemerkt (zie overweging 29). De werkelijke winstmarge op de binnenlandse markt werd betrouwbaar geacht wanneer een voldoende hoeveelheid ongebleekt weefsel van katoen met winst werd verkocht.

ii) Egypte

(37) Voor in totaal acht types ongebleekt weefsel van katoen die door de twee ondernemingen voor uitvoer naar de Gemeenschap werden verkocht, kon de normale waarde evenals in overweging 34 op de werkelijke binnenlandse prijs van op de binnenlandse markt verkochte vergelijkbare types worden gebaseerd.

(38) Voor alle andere types die deze twee ondernemingen voor uitvoer naar de Gemeenschap verkopen en voor alle door de andere onderneming voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte types diende de normale waarde te worden berekend zoals in overweging 36.

Aangezien slechts één onderneming gedurende het onderzoektijdvak een voldoende hoeveelheid van het betrokken produkt met winst had verkocht, heeft de Commissie gebruik gemaakt van de winstmarge van de genoemde onderneming en deze voor de berekening van de normale waarde op de twee andere ondernemingen toegepast. Voor de eerste onderneming was de berekende normale waarde gebaseerd op de produktiekosten vermeerderd met de eigen uitgaven voor VAA en de winstmarge van deze onderneming. Voor de overige twee ondernemingen werden voor de berekening van de normale waarde de eigen produktiekosten en uitgaven voor VAA genomen, vermeerderd met de winstmarge van de onderneming met voldoende winstgevende verkopen.

iii) India

(39) De normale waarde kon voor in totaal 19 types die door vier ondernemingen voor uitvoer naar de Gemeenschap worden verkocht, evenals in overweging 34 op de werkelijke binnenlandse prijs van vergelijkbare, op de binnenlandse markt verkochte types worden gebaseerd.

(40) Voor alle andere types die deze vier Indiase ondernemingen naar de Gemeenschap uitvoeren en voor alle types die door de vijfde onderneming naar de Gemeenschap worden uitgevoerd, diende de normale waarde te worden berekend zoals in overweging 36.

Voor alle ondernemingen werd gebruik gemaakt van de werkelijke binnenlandse uitgaven voor VAA. Voor drie van deze ondernemingen werden bovendien de werkelijke winstmarges op de binnenlandse markt gebruikt, terwijl voor een andere onderneming met onvoldoende winstgevende verkopen de winstmarge van een tot dezelfde groep behorende onderneming werd toegepast. Voor de resterende onderneming werd de normale waarde berekend op basis van de gewogen gemiddelde winstmarge van de andere ondernemingen.

Een onderneming verzocht om bij de vaststelling van berekende waarden rekening te houden met de specifieke winstmarge die met inachtneming van het gebruik en de afzetmarkten van de verschillende produkten wordt berekend. Het verzoek werd afgewezen omdat het passend werd geacht, overeenkomstig de vaste praktijk, overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening, voor alle types van het betrokken produkt die gedurende het onderzoektijdvak op de binnenlandse markt werden verkocht, een gewogen gemiddelde winstmarge vast te stellen.

iv) Indonesië

(41) Voor in totaal vijf types die door drie ondernemingen naar de Gemeenschap worden uitgevoerd, kon de normale waarde op de werkelijke binnenlandse prijs van vergelijkbare, op de binnenlandse markt vekochten types worden gebaseerd zoals in overweging 34.

(42) Voor alle andere naar de Gemeenschap uitgevoerde types diende de normale waarde te worden berekend zoals in overweging 36.

De normale waarde werd berekend door de produktiekosten van de uitgevoerde types te vermeerderen met een redelijk percentage voor VAA en een redelijke winstmarge. Voor vier ondernemingen werden de werkelijke op de binnenlandse markt gemaakte VAA-kosten gebruikt. Voor drie van deze ondernemingen omvatten de binnenlandse uitgaven voor VAA eveneens de VAA van verbonden ondernemingen die het produkt op de binnenlandse markt distribueerden en die, zij het in uiteenlopende mate, bij de financiering, de aankoop van grondstoffen en/of de binnenlandse verkoop of de verkoop voor uitvoer betrokken waren. Voor drie ondernemingen werd de werkelijke winstmarge op de binnenlandse markt gebruikt. Voor de resterende onderneming werd de winstmarge van een tot dezelfde groep behorende onderneming toegepast.

v) Pakistan

(43) Geconstateerd werd dat slechts twee ondernemingen van de steekproef gedurende het onderzoektijdvak een representatieve hoeveelheid van het betrokken produkt op de binnenlandse markt hadden verkocht. Voor één onderneming waren de verkopen op de binnenlandse markt representatief en winstgevend. Slechts één op de binnenlandse markt verkocht type was evenwel vergelijkbaar met het uitgevoerde type. De verkoop van dit type van het betrokken produkt kon evenwel niet als representatief worden beschouwd. De verkoop van het betrokken produkt op de binnenlandse markt door de andere onderneming was wel representatief maar gebeurde met verlies en kon derhalve niet als verkoop in het normale handelsverkeer worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden was de Commissie genoodzaakt in alle gevallen de normale waarde te berekenen.

Voor één onderneming werd de normale waarde berekend door overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening de produktiekosten van de uitgevoerde modellen te vermeerderen met de eigen binnenlandse uitgaven voor VAA van de onderneming en de in het binnenland verwezenlijkte winstmarge op de binnenlandse verkoop van het betrokken produkt.

Voor een andere onderneming werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder a), van de basisverordening berekend door de produktiekosten van de uitgevoerde modellen te vermeerderen met de eigen VAA-uitgaven van de onderneming en met de op de binnenlandse markt verwezenlijkte winstmarge van de producent die zijn produkten met winst op de binnenlandse markt had verkocht.

De andere twee ondernemingen in de steekproef hadden het betrokken produkt niet op de binnenlandse markt verkocht. Overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde voor deze ondernemingen berekend door de produktiekosten van hun uitgevoerde modellen te vermeerderen met het gewogen gemiddelde van de op de binnenlandse markt gemaakte kosten van VAA van de twee ondernemingen die het produkt wel op de binnenlandse markt hadden verkocht en met de binnenlandse winstmarge van de onderneming die het produkt op de binnenlandse markt met winst had verkocht.

vi) Turkije

(44) Ter compensatie van de aanzienlijke inflatie in het onderzoektijdvak heeft de Commissie voor elk type een maandelijkse normale waarde berekend.

(45) Voor 20 types die door één onderneming naar de Gemeenschap worden uitgevoerd en voor 19 types die door de andere onderneming naar de Gemeenschap worden uitgevoerd, kon op basis van de werkelijke binnenlandse prijs van vergelijkbare binnenlandse types een maandelijkse normale waarde worden berekend zoals in overweging 34.

(46) In alle andere gevallen diende de normale waarde te worden berekend zoals in overweging 36. Dit geschiedde voor elke maand van het onderzoektijdvak. De produktiekosten van de betrokken uitgevoerde types werden vermeerderd met de maandelijkse uitgaven voor VAA en een maandelijkse binnenlandse winstmarge.

b) Land zonder markteconomie: China

(47) Aangezien China als een land zonder markteconomie wordt beschouwd, heeft de Commissie de normale waarde voor China overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening bepaald op basis van de in een vergelijkbaar land vastgestelde normale waarde.

(48) Zoals vermeld in het bericht van inleiding was de Commissie van mening dat voor het vaststellen van de normale waarde India een geschikt derde land met een markteconomie was. De bij het onderzoek betrokken partijen werden verzocht commentaar te geven op de keuze van de Commissie. Aangezien geen bezwaren naar voren werden gebracht, besloot de Commissie India als referentieland te nemen.

De normale waarde voor de Chinese ondernemingen werd berekend op basis van de normale waarden die voor de medewerkende Indiase ondernemingen werden vastgesteld. Hiervoor werden de op de binnenlandse markt van India verkochte types gebruikt die op dezelfde wijze zijn vervaardigd als de naar de Gemeenschap uitgevoerde Chinese types. De Commissie heeft rekening gehouden met de normale waarden van alle Indiase producenten/exporteurs in de steekproef teneinde zodoende een hoge mate van representativiteit te waarborgen.

2. Uitvoerprijs

(49) In alle gevallen waarin ongebleekte weefsels van katoen naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap werden uitgevoerd, werd de uitvoerprijs berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 8, van de basisverordening, met andere woorden op basis van de werkelijk betaalde of te betalen uitvoerprijzen.

(50) Wanneer de goederen naar een verbonden partij werden uitgevoerd, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening berekend op basis van de prijs waartegen de ingevoerde produkten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer werden doorverkocht. In dergelijke gevallen werd voor alle tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten en voor winst een correctie toegepast teneinde een betrouwbare uitvoerprijs franco grens Gemeenschap vast te stellen.

(51) Één van de Chinese exporteurs verkocht zijn produkten ten dele via een verbonden importeur in Duitsland. Voor de transacties die over deze verbonden importeur liepen, werden de uitvoerprijzen op basis van de aan de eerste onafhankelijke afnemer betaalde of te betalen prijs van het betrokken produkt, verminderd met de uitgaven voor VAA en een redelijke winstmarge, berekend, zoals in overweging 50. De winstmarge werd bij gebrek aan betrouwbare informatie betreffende de door de onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap verwezenlijkte winstmarges voorlopig op 5 % geraamd.

(52) De twee Indiase ondernemingen die deel uitmaakten van dezelfde groep, verkochten een gedeelte van hun produktie in de Gemeenschap via drie verbonden handelsmaatschappijen. De uitvoerprijzen van de via de verbonden ondernemingen verkochte produkten werden door berekening vastgesteld als in overweging 50.

(53) De Pakistaanse exporteurs waren van mening dat voor het vaststellen van de verkoopdatum de datum van het contract veeleer dan de factuurdatum diende te worden gebruikt. Dit voorstel werd afgewezen met het argument dat de Commissie normaal de factuurdatum als verkoopdatum neemt, tenzij wordt aangetoond dat een andere datum meer met de werkelijke verkoopvoorwaarden in overeenstemming is (artikel 2, lid 10, onder j), van de basisverordening). Aangezien in onvoldoende mate het bewijs werd geleverd dat de datum van het contract meer met de verkoopvoorwaarden in overeenstemming was en een onderzoek ter plaatse uitwees dat de contracten integendeel slechts een algemeen kader vormden en dat de gedetailleerde voorwaarden van elke verkoop op de factuur werden vermeld, besloot de Commissie overeenkomstig de normaal door haar gevolgde praktijk, de factuurdatum als verkoopdatum te nemen.

3. Vergelijking

a) Algemeen

(54) Met het oog op een billijke vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening naar behoren rekening gehouden met verschillen die van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen.

Correcties werden toegestaan in alle gevallen waarin het daartoe strekkende verzoek binnen de gestelde termijn werd ingediend en de betrokken partij het effect van beweerde verschillen op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen kon aantonen.

(55) Er werden bijgevolg correcties toegestaan voor verschillen met betrekking tot de kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten en de kosten van kredietverlening, kortingen en commissies in gevallen waarin deze van toepassing en gerechtvaardigd waren.

b) China

(56) Wat de normale waarde betreft, werden alle aan de Indiase ondernemingen toegestane correcties eveneens aan China toegekend.

c) Egypte

(57) Alle ondernemingen verzochten, wat de normale waarde betreft, om een correctie voor de kosten van kredietverlening. De Commissie wees deze verzoeken van de hand met het argument dat er geen bewijs was dat de betalingsvoorwaarden op het tijdstip van de verkoop waren overeengekomen. Bovendien waren de gestelde eisen onjuist wat het aantal dagen en de intrestvoeten betreft.

d) India

(58) Alle ondernemingen verzochten om een correctie voor beweerde verschillen in handelsstadium tussen de uitvoer en de binnenlandse verkoop. Vier ondernemingen voerden het argument aan dat zij in de Gemeenschap in hoofdzaak aan distributeurs en op hun binnenlandse markt vooral aan eindgebruikers verkochten en dat de gemiddelde transacties op de binnenlandse markt veel kleiner in volume waren dan de op de Gemeenschap gerichte transacties. Geen enkele van deze vier ondernemingen kon echter aantonen dat er al naar gelang het handelsstadium waarin de goederen werden verkocht, een systematisch prijsverschil was. Gezien het bovenstaande kon geen correctie voor handelsstadium worden toegekend.

(59) Eén onderneming verzocht om een correctie voor de salarissen van verkopers. Aangezien de basisverordening niet in een dergelijke correctie voorziet en de onderneming op geen enkele wijze het effect van deze salarissen op de prijzen kon aantonen, werd dit verzoek afgewezen.

e) Indonesië

(60) Twee ondernemingen verzochten om een correctie voor verschillen in fysieke kenmerken omdat zij op de markt van de Gemeenschap produkten van geringere kwaliteit verkochten. Zij beweerden eveneens weefsels van lagere kwaliteit op de binnenlandse markt te hebben verkocht maar konden niet aantonen dat er bij verkoop op de binnenlandse markt of op de markt van de Gemeenschap een systematisch prijsverschil is tussen weefsels van normale en die van lage kwaliteit. Aangezien dit geen gevolgen had voor de vergelijkbaarheid van de prijzen, besloot de Commissie de verzoeken niet in te willigen.

(61) Drie ondernemingen verzochten om een aanpassing voor verschillen in handelsstadium. Zij beweerden in hoofdzaak te verkopen aan distributeurs in de Gemeenschap en aan verwerkers van ongebleekte weefsels van katoen op hun binnenlandse markt. Geen enkele van deze drie ondernemingen was evenwel in staat enig systematisch verschil aan te tonen tussen de prijzen die zij ten aanzien van de distributeurs en de verwerkende bedrijven toepaste. Eén onderneming bevestigde tijdens het onderzoek dat, wat de prijzen betreft, geen onderscheid werd gemaakt tussen afnemers van verschillend niveau. Bij gebrek aan bewijs van het effect op de prijs werd de gevraagde correctie derhalve niet toegekend.

(62) Twee ondernemingen verzochten om een correctie voor de kosten van kredietverlening bij verkoop op de exportmarkten waar de betalingen van de bank vóór de in de verkoopvoorwaarden overeengekomen datum werden ontvangen. Deze ondernemingen verzochten de Commissie geen rekening te houden met de overeengekomen betalingstermijn en in plaats daarvan de werkelijke betaling door de bank in aanmerking te nemen. Deze eis werd niet ingewilligd omdat krachtens artikel 2, lid 10, onder g), van de basisverordening uitsluitend een correctie kan worden toegekend voor het op het tijdstip van de verkoop overeengekomen aantal dagen. Enkel de kosten van dat aantal dagen kunnen immers worden geacht in de prijs te zijn begrepen.

f) Pakistan

(63) Een verzoek om een correctie voor invoerheffingen overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening werd als irrelevant geweigerd omdat de heffing niet was begrepen in de kosten van de grondstoffen die voor de berekening van de normale waarde werden gebruikt.

g) Turkije

(64) Voor dit land werd om een correctie voor wisselkoersverschillen verzocht teneinde rekening te houden met de gestage ontwaarding van de Turkse munt. De Commissie was evenwel van mening dat met deze geldontwaarding reeds rekening was gehouden in de correcties voor kosten van kredietverlening, waarbij de normale waarde op maandbasis werd berekend met gebruikmaking van maandelijkse gemiddelde wisselkoersen. Dit verzoek werd derhalve niet ingewilligd.

4. Dumpingmarges

a) Algemene methode

(65) Aangezien de Commissie regelmatig optredende verschillen in de exportprijzen had vastgesteld al naar gelang de afnemers, regio's en/of tijdvakken en dat een vergelijking tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en een gewogen gemiddelde van de uitvoerprijzen van alle transacties met de Gemeenschap geen volledig beeld van de dumping gaven, dienden de uitvoerprijzen per transactie met de gewogen gemiddelde normale waarde te worden vergeleken overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 11, van de basisverordening.

(66) Voor de medewerkende ondernemingen waarvoor ter plaatse een onderzoek werd ingesteld, werden individuele dumpingmarges berekend.

(67) De dumpingmarges voor de medewerkende ondernemingen die niet aan een onderzoek werden onderworpen (zie overwegingen 17, 20 en 27) werden vastgesteld op basis van het gemiddelde van de individuele dumpingmarges van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, gewogen voor de omzet bij uitvoer, voor elk van de betrokken landen.

(68) Ten slotte werd, behalve voor China, op basis van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening een residuele dumpingmarge berekend voor de niet medewerkende producenten/exporteurs in elk land. Om te voorkomen dat het niet-verlenen van medewerking zou worden beloond, werden voor elke onderneming in de steekproef de vijf types met de hoogste dumpingmarge bepaald. Vervolgens werd daaruit het meest representatieve type gekozen voorzover dit niet resulteerde in een marge die lager was dan die welke voor de betrokken onderneming van de steekproef was vastgesteld. Ten slotte werd de residuele dumpingmarge bepaald op basis van de gewogen gemiddelde marges van al de types die op deze wijze voor elke onderneming werden geselecteerd.

b) Methode voor groepen van ondernemingen

(69) De Commissie heeft als vaste praktijk verbonden ondernemingen of ondernemingen die tot dezelfde groep behoren, als één geheel te beschouwen en stelt voor dergelijke ondernemingen derhalve één enkele dumpingmarge vast. Afzonderlijke dumpingmarges en -rechten voor ondernemingen die tot dezelfde groep behoren, zouden tot ontduiking van anti-dumpingmaatregelen kunnen leiden (waardoor deze geen effect meer zouden sorteren), wanneer deze producenten hun uitvoer naar de Gemeenschap over de onderneming waarop het laagste anti-dumpingrecht van toepassing is, laten lopen.

Met het oog hierop werd voor elk onderzochte onderneming in de groep een dumpingmarge berekend, waarna op basis van deze dumpingmarges voor de groep als geheel één enkele marge werd bepaald.

c) China

(70) Alle ondernemingen in de steekproef verzochten om individuele dumpingmarges, met het argument dat zij volledig autonoom waren en verantwoordelijk voor hun eigen winst en verlies. Voor uitvoer uit landen met staatshandel is het een vaste praktijk dat de individuele behandeling in uitzonderingsgevallen wordt toegestaan wanneer de betrokken exporteur het onomstotelijke bewijs levert dat hij aan de regels van de vrije markteconomie onderworpen is en de overheid van zijn land daarop geen invloed uitoefent. In het kader van deze procedure, waarbij alle exporterende organisaties in handen bleken te zijn van de overheid, werd een dergelijk bewijs niet geleverd. Besloten werd derhalve dat individuele dumpingmarges niet aan de orde waren en dat één enkele dumpingmarge diende te worden vastgesteld op basis van het (volgens de omzet bij uitvoer naar de Gemeenschap) gewogen gemiddelde van de dumpingmarges van de steekproef.

(71) De vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs toonde voor de drie Chinese ondernemingen dumping aan. De dumpingmarge werd berekend als het gemiddelde van de marges die voor de drie ondernemingen werden vastgesteld, gewogen op basis van de omzet bij uitvoer. Deze voorlopige marge, uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt 22,6 %.

d) Egypte

(72) Gezien de bijzondere situatie van de bedrijfstak van de weefsels van katoen in Egypte, waar alle medewerkende ondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks in handen zijn van de Staat en door de overheid worden geëxploiteerd, en gegeven de praktijk van de Commissie om ondernemingen die tot een groep behoren, als één geheel te beschouwen, werd besloten alle medewerkende Egyptische ondernemingen als één groep te beschouwen en de in overweging 69 beschreven algemene regel toe te passen.

De voorlopige dumpingmarge voor medewerkende ondernemingen, uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt 13,3 %.

(73) Voor de niet-medewerkende ondernemingen diende de dumpingmarge op basis van de beschikbare gegevens te worden bepaald zoals in overweging 68. Uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt deze marge 36,1 %.

e) India

(74) De dumpingmarge voor Indiase ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep, werd berekend volgens de algemene regel voor ondernemingen die deel uitmaken van een groep (zie overweging 69).

(75) De vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs toonde voor alle producenten van de steekproef het bestaan van dumping aan. De voorlopige dumpingmarges uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap zijn:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(76) Besloten werd de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef waren opgenomen aan de gemiddelde dumpingmarge van de steekproef, gewogen op basis van de omzet bij uitvoer naar de Gemeenschap, te onderwerpen. Uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt deze marge 15,9 %.

(77) Voor niet-medewerkende ondernemingen diende de voorlopige dumpingmarge op basis van de beschikbare informatie te worden bepaald zoals in overweging 68. Uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt deze marge 22,7 %.

f) Indonesië

(78) De dumpingmarge voor Indonesische ondernemingen die tot dezelfde groep behoren, werd berekend volgens de algemene regel die geldt voor ondernemingen die tot een groep behoren (zie overweging 69).

(79) Een vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs toonde het bestaan van dumping aan voor alle producenten die hun volledige medewerking verleenden aan de Commissie. De voorlopige dumpingmarges uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap zijn:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(80) Besloten werd de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef waren opgenomen, aan de gewogen gemiddelde dumpingmarge van de steekproef, gewogen op basis van de omzet bij uitvoer van de Gemeenschap, te onderwerpen. Uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt deze marge 13,1 %.

(81) Voor de niet-medewerkende ondernemingen werd de dumpingmarge op basis van de beschikbare gegevens vastgesteld zoals in overweging 68. Uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt deze marge 18,3 %.

g) Pakistan

(82) De dumpingmarge voor Pakistaanse ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep, werd vastgesteld volgens de algemene regel die van toepassing is op ondernemingen die deel uitmaken van een groep (zie overweging 69).

(83) Een vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs toonde voor alle ondernemingen van de steekproef het bestaan van dumping aan. De voorlopige dumpingmarges uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap zijn:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(84) Voor medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef waren opgenomen, werd de gemiddelde dumpingmarge van de steekproef genomen, gewogen op basis van de omzet bij uitvoer naar de Gemeenschap. Uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt de marge 27,8 %.

(85) Voor de niet-medewerkende ondernemingen diende de voorlopige dumpingmarge op basis van de beschikbare informatie te worden vastgesteld zoals in overweging 68. Uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt de marge 32,5 %.

h) Turkije

(86) Een vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs toonde voor de twee ondernemingen het bestaan van dumping aan. De voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap, zijn:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(87) Aan de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef waren opgenomen, werd de gemiddelde dumpingmarge van de steekproef toegekend, gewogen op basis van de omzet bij uitvoer naar de Gemeenschap. Uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt de marge 15,3 %.

(88) Voor niet-medewerkende ondernemingen diende de voorlopige dumpingmarge op basis van de beschikbare informatie te worden vastgesteld zoals in overweging 68. Uitgedrukt als een percentage van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap bedraagt de marge 25,2 %.

E. BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

Steekproef

(89) Gezien het grote aantal producenten dat de klacht onderschrijft, hierna "bedrijfstak van de Gemeenschap" genoemd (zie overweging 2), het feit dat dit vooral kleine en middelgrote ondernemingen zijn en gegeven de in artikel 6, lid 9, van de basisverordening vastgestelde termijnen, heeft de Commissie besloten zich voor het onderzoek naar de schade, overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening, op een representatieve selectie van communautaire producenten te baseren. De steekproef werd in overleg met de indieners van de klacht samengesteld met inachtneming van de geografische vestigingsplaats en de omvang van de ondernemingen in termen van produktie- en afzetvolume, teneinde ervoor te zorgen dat binnen de gestelde termijn een representatief deel van de communautaire produktie kon worden onderzocht.

Geen enkele andere belanghebbende gaf binnen de in punt 7, onder b), van het bericht van inleiding gestelde termijn de wens te kennen om over de samenstelling van de steekproef te worden geraadpleegd.

(90) De in de steekproef opgenomen ondernemingen vertegenwoordigden ongeveer 30 % van de communautaire produktie van het betrokken produkt in het onderzoektijdvak.

Alle in de steekproef opgenomen ondernemingen verleenden de Commissie tijdens het onderzoek hun volledige medewerking.

(91) Vertegenwoordigers van één van de exporterende ondernemingen verzochten de Commissie, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de basisverordening, twee van de in de steekproef van communautaire producenten opgenomen ondernemingen van het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap" uit te sluiten omdat deze ook importeurs van het betrokken produkt waren. De Commissie constateerde evenwel bij haar onderzoek dat voor één van deze ondernemingen de ingevoerde hoeveelheden onbeduidend waren, dat voor de andere onderneming deze invoer slechts 5 % van de door haarzelf verkochte hoeveelheid vertegenwoordigde en dat de betrokken ondernemingen de kern van hun bedrijfsactiviteiten in de Gemeenschap hadden behouden. Het verzoek om uitsluiting van deze ondernemingen werd derhalve overeenkomstig de vaste praktijk van de Commissie niet ingewilligd.

F. SCHADE

1. Voorafgaande opmerkingen

(92) De Commissie heeft de schade in het kader van deze procedure vastgesteld op basis van gegevens voor het tijdvak 1992 tot en met 1995. De noodzakelijke informatie is afkomstig van communautaire producenten en importeurs en van exporteurs in de betrokken landen, evenals uit andere informatiebronnen waarover de Commissie beschikt. De geografische reikwijdte van het onderzoek in deze periode bestreek de huidige Gemeenschap van 15 Lid-Staten.

2. Verbruik in de Gemeenschap

(93) De Commissie heeft het totale zichtbare verbruik op de markt van de Gemeenschap berekend door de produktie van de communautaire producenten (op basis van door de nationale producentenorganisaties verstrekte statistische gegevens) op te tellen bij de totale invoer in de Gemeenschap (statistieken van Eurostat) in mindering te brengen.

(94) Hieruit bleek dat het zichtbare verbruik van 1992 tot en met 1994 met 12,9 % was toegenomen, namelijk van 260 104 ton in 1992, 259 201 ton in 1993 tot 293 582 ton in 1994. De periode 1994-1995 gaf een daling van 9 % te zien tot 266 699 ton. Over de gehele periode 1992-1995 nam het zichtbare verbruik in de Gemeenschap met 2,5 % toe.

3. Cumulatieve beoordeling van het effect van de invoer met dumping

(95) De Commissie heeft onderzocht of de invoer van ongebleekte weefsels van katoen uit de betrokken landen cumulatief dient te worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening.

(96) De Egyptische producenten/exporteurs voerden aan dat hun invoer niet met die uit andere bij de procedure betrokken landen mocht worden gecumuleerd omdat de invoer uit Egypte in de Gemeenschap in de periode 1994-1995 was gedaald en de prijzen van de Egyptische producenten/exporteurs hoger waren dan die van de exporteurs in de andere bij het onderzoek betrokken landen. De Indonesische exporteurs waren eveneens tegen cumulatie gekant en voerden aan dat hun uitvoerprijzen aanzienlijk hoger waren dan die van de andere betrokken landen.

(97) De Commissie constateerde dat hoewel de invoer uit Egypte inderdaad in volume is teruggelopen van 19 094 ton in 1994 tot 11 957 ton in 1995, deze uitvoer over de gehele periode 1992-1995 met bijna een derde is toegenomen. Deze invoer had in 1995 een aandeel van 4,48 % op de communautaire markt, hetgeen niet onbeduidend is, terwijl de prijzen niet veel hoger waren dan die van de andere betrokken landen en in elk geval aanzienlijk lager dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

De invoer uit Indonesië, die in 1993 was teruggelopen, heeft sindsdien opnieuw zijn niveau van 1992 bereikt en bedroeg in 1995 ongeveer 11 000 ton. De prijzen lagen inderdaad boven het gemiddelde van de andere betrokken landen maar waren niettemin lager dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De Indonesische exporteurs zijn niettemin erin geslaagd in 1995 hun marktaandeel van 1992 (even boven 4 %) te heroveren, welk aandeel niet als onbeduidend kan worden aangemerkt.

(98) De Commissie concludeerde dat, voor al de bij deze anti-dumpingprocedure betrokken landen, de vastgestelde dumpingmarges niet onbeduidend en de ingevoerde hoeveelheden aanzienlijk waren, alsmede dat de door alle landen ingevoerde ongebleekte weefsels van katoen soortgelijke produkten waren die onder vergelijkbare mededingingsvoorwaarden in de Gemeenschap op de markt werden gebracht. Deze conclusie houdt in het bijzonder rekening met het feit dat de door de producenten van de betrokken landen in de Gemeenschap toegepaste prijzen niet sterk uiteenliepen.

Gezien het bovenstaande en overeenkomstig de vaste handelwijze van de Commissie werd geacht dat er voldoende redenen waren om de invoer uit al de betrokken landen te cumuleren.

4. Omvang en marktaandeel van de invoer met dumping

(99) De totale omvang van de invoer met dumping in de Gemeenschap van het betrokken produkt uit de landen waarop het onderzoek betrekking had, is tussen 1992 en 1994 met 12,5 % toegenomen, namelijk van 111 497 ton in 1992, 118 498 ton in 1993 tot 125 448 ton in 1994. Het volume daalde in 1995 als gevolg van de teruglopende vraag in de Gemeenschap tot 111 788 ton, zoals in overweging 94 is uiteengezet.

(100) De ontwikkeling van de invoervolumes, in verhouding tot het verbruik in de Gemeenschap, leidde tot een aanzienlijk gecombineerd marktaandeel van de betrokken landen in de Gemeenschap, namelijk 42,9 % in 1992, 45,7 % in 1993, 42,7 % in 1994 en 41,9 % in het onderzoektijdvak.

5. Prijzen van de met dumping ingevoerde produkten

(101) De Commissie heeft onderzocht of de exporterende producenten hun produkten in de Gemeenschap verkochten tegen prijzen die lager waren dan die van de communautaire producenten in het onderzoektijdvak.

(102) Niettegenstaande het grote aantal mogelijke weefselconstructies was de Commissie van mening dat, gezien de hoge mate van onderlinge verwisselbaarheid van de verschillende constructies van het betrokken produkt, het redelijk zou zijn de prijzen van de met dumping ingevoerde produkten op algemene grondslag met de door de bedrijfstak van de Gemeenschap toegepaste prijzen te vergelijken.

De Commissie besloot derhalve de prijsonderbieding te beoordelen op basis van een vergelijking tussen de gewogen gemiddelde verkoopprijzen van de communautaire producenten en de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van alle transacties door elke producent/exporteur voor het produkt in zijn geheel.

(103) De exporterende producenten in India en een aantal importeurs verzochten de Commissie bij haar prijsvergelijkingen rekening te houden met verschillen in fysieke kenmerken tussen de door de communautaire producenten vervaardigde produkten en de ingevoerde produkten. Zij voerden wat dit betreft, aan dat de ingevoerde produkten van geringere kwaliteit waren dan de communautaire produkten aangezien de eerstgenoemde werden vervaardigd met verouderde machines die meer uitval veroorzaakten. Bovendien worden de ingevoerde goederen volgens deze producenten/exporteurs in veel minder lange banen en in andere verpakkingen verkocht dan de communautaire produkten, hetgeen voor de verwerkers van de weefsels bijkomende kosten meebracht. Dit zou een aanzienlijke negatieve invloed hebben op de marktwaarde van de ingevoerde produkten.

Bij het onderzoek werd geen bewijs gevonden dat de ingevoerde goederen van geringere kwaliteit zouden zijn dan de door de communautaire producenten vervaardigde produkten, noch werden, wat de onderzochte exporteurs en communautaire producenten betreft, enige verschillen geconstateerd in de lengten waarin het produkt werd geleverd en in de verpakking daarvan. De Commissie heeft bij de prijsvergelijking derhalve met deze beweerde verschillen geen rekening gehouden.

(104) De vergelijking brengt marges van prijsonderbieding aan het licht voor alle onderzochte producenten in de betrokken uitvoerlanden. De gewogen gemiddelde marges zijn:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

6. Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

a) Gegevens betreffende de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel

i) Verkoop en martktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel

(105) De totale omzet van de communautaire producenten daalde in deze periode met 11,8 %, namelijk van 79 940 ton in 1992, 70 217 ton in 1993, 70 963 in 1994 tot 70 507 ton in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel daalde dienovereenkomstig met 30,7 % in 1992 tot 27,1 % in 1993, 24,2 % in 1994 en 26,4 % in het onderzoektijdvak. Dit vertegenwoordigt over deze periode een relatieve teruggang van 14 %.

ii) Sluitingen van fabrieken en verlies van werkgelegenheid

(106) Tijdens het onderzoek werd geconstateerd dat tussen 1992 en 1995 in Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk 88 fabrieken van het betrokken produkt werden gesloten. Hierdoor gingen in deze Lid-Staten 8 625 arbeidsplaatsen verloren.

b) Gegevens betreffende de in de steekproef opgenomen communautaire producenten

i) Produktie

(107) De produktie van het betrokken produkt liep terug met 9,7 %, namelijk van 28 153 ton in 1992 tot 25 431 ton in 1995. Zij bereikte een hoogtepunt in 1993 met 30 826 ton en daalde vervolgens tot 28 973 ton in 1994.

ii) Produktiecapaciteit

(108) De totale produktiecapaciteit, gemeten in machine-uren per jaar, liep in de periode 1992-1995 met 11,9 % terug, van ongeveer 13,6 miljoen machine-uren in 1992 tot 13,1 miljoen in 1993 en ongeveer 12 miljoen in 1994 en 1995. Het werkelijke aantal werkuren daalde eveneens met 11,8 %, hetgeen aantoonde dat de betrokken ondernemingen in deze periode een stabiele capaciteitsbezetting van ongeveer 85 % hadden. Deze stabiliteit was mogelijk dankzij de aanzienlijke inspanningen die deze ondernemingen zich hebben getroost om hun produktie te rationaliseren door het aantal werkuren te beperken en het machinepark te moderniseren. Zo werd bij voorbeeld geconstateerd dat meer dan 40 % van de machines minder dan zeven jaar oud was.

iii) Voorraden

(109) Een analyse van de voorraadontwikkeling van alle in de steekproef opgenomen communautaire producenten in de periode 1992-1995 werd bemoeilijkt door het feit dat één van de producenten zijn verkoopbeleid in de loop van deze periode had gewijzigd en nog enkel op bestelling verkocht.

Voor de zes resterende ondernemingen in de steekproef waren de eindejaarsvoorraden in de periode 1992-1995 evenwel met 7 % toegenomen, met een aanzienlijke stijging van 33,1 % tussen 1994 en het onderzoektijdvak.

iv) Verkoopvolume

(110) Het verkoopvolume van het betrokken produkt op de markt van de Gemeenschap nam in de periode 1992-1993 toe van 23 228 ton tot 25 798 ton (11 %). Vervolgens liep deze verkoop terug tot 24 283 ton in 1994 en 19 345 ton in 1995, een teruggang van 17 % over deze periode.

v) Omzet

(111) De totale ontvangsten liepen met 5 % terug, namelijk van 92,9 miljoen ecu in 1992 tot 88,2 miljoen ecu in 1995.

vi) Ontwikkeling van prijzen en kosten

(112) De Commissie heeft de ontwikkeling van de eenheidsprijzen van het betrokken produkt in de periode 1992-1995 onderzocht.

Teneinde te voorkomen dat wijzigingen in het produktenassortiment de berekening van de gemiddelde prijzen zou scheeftrekken, heeft de Commissie de ontwikkeling van de eenheidsprijs op basis van een constant produktenassortiment geanalyseerd. Hiertoe werden vijf referentieconstructies gekozen. Deze vertegenwoordigden permanent ten minste 24 % van de totale verkoop van de communautaire producenten die in de periode 1992-1995 in steekproef waren opgenomen. Op deze grondslag werd vastgesteld dat de gemiddelde verkoopprijzen van de communautaire producenten, uitgedrukt als een indexcijfer, in 1993 van 100 tot 93 daalden en daarna opnieuw tot 98 in 1994 en 107 in 1995 stegen.

(113) Deze prijsbewegingen dienen te worden geïnterpreteerd in het licht van de ontwikkeling van de produktiekosten in dezelfde periode. In de periode 1992-1995 werden de communautaire producenten met sterke stijgingen van de produktiekosten van het soortgelijke produkt geconfronteerd. Vooral de prijs van ruwe katoen, de belangrijkste grondstof voor de vervaardiging van het betrokken produkt die op zich reeds een derde van de totale produktiekosten vertegenwoordigt, steeg aanzienlijk. De katoenprijzen op de wereldmarkt stegen in de periode 1992-1994 met 38 % en vervolgens nogmaals met 15 % in de periode 1994-1995. Over de gehele periode 1992-1995 stegen de prijzen van ruwe katoen met 59 %.

Uit een vergelijking van de bovenomschreven tendensen van de prijzen en de kosten bleek dat de prijsdalingen in de periode 1992-1993 het gevolg waren van een sterke neerwaartse druk op de prijzen en dat zelfs de prijsstijgingen van de daaropvolgende jaren volkomen ontoereikend waren om de toenemende produktiekosten te compenseren. Dit wordt bevestigd door de prijsontwikkelingen die op basis van een constant productenassortiment werden vastgesteld. Derhalve kan worden gesteld dat de evolutie van de prijzen over de gehele periode door sterke druk op de prijzen werd gekenmerkt.

vii) Winstgevendheid

(114) Deze ontwikkeling van de prijzen en de kosten had een ongunstige invloed op de winstgevendheid die als percentage van de omzet daalde van 2,04 % in 1992 tot 1,66 % in 1993, 1,53 % in 1994 en tot een verlies van - 0,51 % in 1995.

viii) Werkgelegenheid

(115) Het aantal arbeidsplaatsen in de ondernemingen van de steekproef liep in de betrokken periode terug van 1 597 tot 1 360, een daling van 15 %.

7. Conclusies in verband met de schade

(116) De situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de periode 1992-1995 voortdurend verslechterd, vooral wat de produktie, de verkoop, de werkgelegenheid en de winstgevendheid betreft.

Ondanks de inspanningen die hij zich heeft getroost om de produktie te rationaliseren, hetgeen blijkt uit de vermindering van het aantal arbeidsplaatsen, de beperking van de werktijden en de modernisering van het machinepark, is de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de betrokken periode geleidelijk verslechterd. Op een schaal van 100 in 1992 is deze winstgevendheid teruggelopen tot 81 in 1993, 75 in 1994 en - 25 in 1995. Dit is een gevolg van het feit dat de door deze bedrijfstak toegepaste prijzen, die weliswaar zijn gestegen, niet hoog genoeg waren om de produktiekosten te dekken.

De Commissie concludeert uit het bovenstaande dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade lijdt.

G. OORZAKELIJK VERBAND

1. Inleiding

(117) De Commissie heeft de omvang van de invoer met dumping uit de betrokken exporterende landen en de prijzen van deze produkten onderzocht, evenals de invloed daarvan op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bij dit onderzoek heeft de Commissie bovendien ervoor gezorgd dat de door andere factoren veroorzaakte schade niet aan de uitvoer met dumping werd toegeschreven.

Bij dit onderzoek diende rekening te worden gehouden met het bestaan van contingenten en vrijwillige uitvoerbeperkingen, die beide de groei van de verkoop op de markt van de Gemeenschap door de betrokken landen en andere derde landen kunnen hebben beïnvloed. De aandacht zij, wat dit betreft, gevestigd op het feit dat de bij het onderzoek betrokken landen de hen toegewezen contingenten in het algemeen volledig hebben uitgeput en daarbij prijzen hebben gehanteerd die aanzienlijk lager waren dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

2. Gevolgen van de invoer met dumping voor de betrokken landen

(118) Bij het onderzoek van de communautaire producenten kwam als belangrijkste oorzaak van de schade naar voren de onbevredigende ontwikkeling van de verkoopprijzen en de daaruit voortvloeiende verslechtering van de winstgevendheid in de periode 1992-1995. Tevens werd vastgesteld dat de in deze periode met dumping ingevoerde produkten in de Gemeenschap werden verkocht tegen prijzen die de prijzen van de communautaire producenten aanzienlijk onderboden.

Tevens constateerde de Commissie dat hoewel het marktaandeel van de met dumping ingevoerde produkten in de onderzochte periode enigermate terugliep, namelijk van 42,9 % tot 41,9 % dit marktaandeel zich toch steeds op een hoog niveau bevond. Dit stabiele marktaandeel van de betrokken landen wordt toegeschreven aan het bestaan van invoercontingenten.

(119) Bij de interpretatie van deze bevindingen moet rekening worden gehouden met het feit dat de markt voor ongebleekte katoen door een zeer hoge mate van onderlinge verwisselbaarheid en prijsgevoeligheid van de produkten wordt gekenmerkt. Daar komt nog bij dat, hoewel de handel in ongebleekte weefsels van katoen gecontingenteerd is, de invoer uit de betrokken landen in de Gemeenschap toch een marktaandeel van 40 % heeft. Gezien de betekenis van deze goederen op de markt van de Gemeenschap, waar zij werden verkocht tegen prijzen die aanzienlijk lager waren dan die van de communautaire producenten, concludeert de Commissie dat deze invoer de belangrijkste oorzaak van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade vormt.

3. Invloed van andere factoren

a) Invoer uit derde landen

(120) Een aantal exporteurs voerde aan dat de invoer uit andere derde landen waarop deze procedure niet van toepassing is, de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade heeft veroorzaakt.

(121) De invoer uit derde landen is inderdaad in volume toegenomen van 75 511 ton in 1992 tot 94 415 ton in 1995 en bereikte zijn hoogtepunt met 106 111 ton in 1994. Het marktaandeel van deze invoer nam toe van 26,4 % in 1992 tot 31,6 % in 1995. De exporterende landen die hun marktaandeel het sterkst zagen groeien, waren Rusland en de Verenigde Arabische Emiraten. Andere derde landen hadden in het algemeen een marktaandeel van minder dan 2 %, hetgeen aanzienlijk minder is dan de aan het onderzoek onderworpen landen.

De enige informatie over de prijzen van de uit derde landen ingevoerde produkten bevindt zich in de Eurostat-statistieken betreffende de prijsindexcijfers bij invoer en daaruit blijkt dat de door bijna alle derde landen, met uitzondering van Rusland en de Verenigde Arabische Emiraten, gehanteerde prijzen hoger zijn dan die van de aan het onderzoek onderworpen landen.

(122) Het marktaandeel van Rusland nam toe van 1,3 % in 1992 tot 3,1 % in 1995. Het in Eurostat vermelde prijsindexcijfer bij invoer in 1995 bedroeg 2,33 ecu/kg.

(123) Het marktaandeel van de Verenigde Arabische Emiraten steeg van 0,2 % in 1992 tot 2,4 % in 1995. Het in Eurostat vermelde prijsindexcijfer bij invoer in 1995 bedroeg 3,24 ecu/kg.

In het licht van deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat de invoer uit Rusland en uit de Verenigde Arabische Emiraten eveneens schade heeft veroorzaakt. De Commissie heeft evenwel geen aanwijzingen dat deze invoer in de Gemeenschap tegen dumpingprijzen geschiedt.

b) Stijging van de prijzen van ruwe katoen

(124) De gemiddelde prijs van ruwe katoen is in de betrokken periode wereldwijd gestegen van 1,17 ecu/kg in 1992 tot 1,86 ecu/kg in 1995, een toename van 59 %. In dezelfde periode werd op de markt van de Gemeenschap een sterke neerwaartse druk op de prijzen geconstateerd als gevolg van de prijsonderbieding door de met dumping uit de betrokken landen ingevoerde produkten. Niettegenstaande de prijsstijging van 7 % tussen 1992 en 1995 was de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in staat kostendekkend te produceren.

De Commissie concludeert dat het niet de stijging van de prijs van ruwe katoen op zich is die de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft veroorzaakt, maar de neerwaartse druk op de prijzen als gevolg van de prijsonderbieding door de invoer met dumping uit de betrokken landen hetgeen de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft belet de gestegen katoenprijzen volledig te compenseren.

4. Conclusie ten aanzien van het oorzakelijk verband

(125) De neerwaartse druk op de prijzen en de daaropvolgende prijsdalingen veroorzaakt door de invoer met dumping hebben de communautaire producenten belet de gestegen grondstoffenkosten en, in aanzienlijk geringere mate, de gestegen kosten van andere produktiefactoren volledig in hun verkoopprijzen tot uitdrukking te brengen.

Terzelfder tijd oefenden de zeer lage invoerprijzen van de met dumping exporterende landen een sterke neerwaartse druk uit op de prijzen van de communautaire industrie. Dit had negatieve gevolgen voor de winstgevendheid, de produktie, de produktiecapaciteit, het marktaandeel en de werkgelegenheid van de communautaire producenten.

Geconcludeerd wordt derhalve dat, hoewel niet kan worden uitgesloten dat andere factoren zoals invoer uit derde landen mede oorzaak van de onbevredigende financiële resultaten van de bedrijfstak van de Gemeenschap kunnen zijn geweest, de door deze bedrijfstak geleden schade als gevolg van de invoer met dumping uit de betrokken landen, die een aanzienlijk marktaandeel hadden en waarvoor hoge marges van prijsonderbieding werden vastgesteld, niettemin aanmerkelijk moet worden genoemd.

H. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1. Algemeen

(126) Overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie aan de hand van al het voorgelegde bewijsmateriaal een onderzoek ingesteld naar de elementen die in aanmerking moeten worden genomen bij het beoordelen van het belang van de Gemeenschap. Bij dit onderzoek diende bijzondere aandacht te worden besteed aan de noodzaak de handelsverstorende effecten van de schade veroorzakende dumping weg te nemen teneinde op de markt van de Gemeenschap eerlijke mededingingsvoorwaarden te herstellen. Hierbij moet echter ook worden nagegaan, in gevallen waarin dumping, schade en een oorzakelijk verband worden vastgesteld, of maatregelen niet duidelijk met het belang van de Gemeenschap in strijd zouden zijn.

2. Gevolgen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap

(127) Het wordt zeer waarschijnlijk geacht dat indien geen maatregelen worden getroffen die de gevolgen van de invoer met dumping teniet doen, de bedrijfstak van de Gemeenschap met een aanhoudende neerwaartse druk op de prijzen en prijsdalingen zal worden geconfronteerd die ernstige gevolgen zullen hebben voor zijn financiële situatie. Indien deze bedrijfstak verlies blijft lijden, zal de produktie in de Gemeenschap over enige tijd en niettegenstaande de inspanningen die de communautaire producenten zich getroosten om hun produktie efficiënter te maken, niet langer leefbaar zijn en zal de produktie worden stopgezet of naar een plaats buiten de Gemeenschap worden overgebracht, met alle daaruit voortvloeiende negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid. Deze zienswijze wordt gestaafd door de in overweging 106 beschreven ontwikkelingen.

3. Gevolgen voor gebruikers en leveranciers

(128) De importeurs en de gebruikers van de met dumping ingevoerde produkten voerden aan dat anti-dumpingmaatregelen in bepaalde gevallen ernstige gevolgen zouden hebben voor de verwerkende industrie en een opwaartse druk zouden uitoefenen op de produktiekosten van deze sector. De verwerkende industrie zou met stijgende grondstoffenkosten en rechtstreekse concurrentie van de bij deze anti-dumpingprocedure betrokken landen worden geconfronteerd indien de anti-dumpingmaatregelen ertoe leiden dat deze exporteurs hun produktie verder in de produktiekolom verleggen.

Opgemerkt zij evenwel dat slechts een zeer klein aantal importeurs en gebruikers in de Gemeenschap zich hebben bekendgemaakt en binnen de in het bericht van inleiding gestelde termijn informatie hebben verstrekt. Deze informatie kan derhalve niet als representatief in de zin van artikel 21 van de basisverordening worden beschouwd. Bovendien bevatten de naar voren gebrachte opmerkingen onvoldoende informatie of bewijsmateriaal om de Commissie in staat te stellen de gevolgen van anti-dumpingrechten voor de zich verder in de produktiekolom bevindende industrie volledig te kunnen beoordelen.

Uit de opmerkingen van de zich verder in de produktiekolom bevindende industrieën blijkt evenwel dat ongebleekt weefsel van katoen diverse bewerkingen ondergaat die het beoordelen van de mogelijke gevolgen van maatregelen bijzonder moeilijk maakt. Het ongebleekte weefsel wordt eerst gebleekt, vervolgens bedrukt of geverfd en daarna gesneden en genaaid. Elke bijkomende bewerking in de produktieketen voegt aanzienlijke waarde toe en vergroot het produktenassortiment. De informatie waarover de Commissie beschikt, wijst erop dat, gezien het belangrijke aandeel van de ongebleekte weefsels van katoen in de produktiekosten geen duidelijke conclusie over de gevolgen van de voorgestelde rechten voor de zich verder in de produktiekolom bevindende industrieën mogelijk maakt. Gezien het grote aantal bronnen waaruit de textielverwerkende sector zich kan bevoorraden, en de daaruit voortvloeiende concurrentie op de markt van de Gemeenschap, kan in elk geval worden geconcludeerd dat deze sector van de beoogde maatregelen geen ernstige gevolgen zal ondervinden.

Voorts werd beweerd dat de voorlopige anti-dumpingmaatregelen de invoer van afgewerkte textielprodukten op lange termijn zouden doen toenemen. Hierbij zij evenwel opgemerkt dat de markt voor afgewerkte weefsels en eindprodukten een ander karakter heeft dan die van ongebleekte weefsels. Vooral de hoge kwaliteit van de door de verwerkende industrie in de Gemeenschap vervaardigde confectieprodukten en afgewerkte textielprodukten en haar vermogen zich snel aan de veranderende behoeften en modetrends aan te passen, geeft deze sector een concurrentievoordeel ten aanzien van hun concurrenten buiten de Europese Gemeenschap, dat niet zal worden aangetast door anti-dumpingrecht op ongebleekte weefsels van katoen.

(129) Aan de andere kant is het duidelijk in het belang van bepaalde leveranciers van basisprodukten in de Gemeenschap, vooral garenfabrikanten, dat de weefnijverheid in de Gemeenschap in stand wordt gehouden, aangezien deze een onontbeerlijk onderdeel is van de Europese textielsector. Het bestaan van deze industrie wordt duidelijk bedreigd door oneerlijke handelspraktijken die de oorzaak ervan zijn dat deze sector meer dan 4 procentpunten aan marktaandeel heeft verloren, zodat deze thans nog slechts 24 % van de communautaire markt vertegenwoordigen.

4. Conclusie

(130) In het stadium van de voorlopige maatregelen komt de Commissie derhalve tot de conclusie dat anti-dumpingmaatregelen niet strijdig zijn met de belangen van de Gemeenschap aangezien dergelijke maatregelen de marktverstorende invloeden zullen wegnemen, eerlijke mededingingsvoorwaarden en prijzen zullen herstellen en verdere schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het onderzoek zullen voorkomen.

I. VOORLOPIG RECHT

(131) Rekening houdend met de conclusies betreffende dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap heeft de Commissie de vorm en de hoogte van de anti-dumpingmaatregelen in beschouwing genomen.

Gezien de grote diversiteit van de constructies uit de betrokken landen is de Commissie van mening dat een ad-valorem anti-dumpingrecht de passendste vorm van maatregel is.

(132) Bij het bepalen van de hoogte van het voorlopige recht is rekening gehouden met de vastgestelde dumpingmarges en met het recht dat noodzakelijk is om verdere schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap te voorkomen.

(133) Aangezien de schade voornamelijk in te lage prijzen, een teruglopend marktaandeel en, in het bijzonder, in te lage winstmarges of verlies bestaat, is het voor het voorkomen van verdere schade noodzakelijk dat de bedrijfstak in staat wordt gesteld zijn prijzen tot een winstgevend niveau te verhogen. Om dit te bereiken dienen de prijzen van de produkten die uit de bij het onderzoek betrokken landen worden ingevoerd, dienovereenkomstig te worden verhoogd.

Bij het berekenen van de noodzakelijke prijsverhoging is de Commissie ervan uitgegaan dat de werkelijke prijzen van deze ingevoerde goederen dienen te worden vergeleken met een verkoopprijs die juister de produktiekosten van de producenten in de Gemeenschap, vermeerderd met een redelijke winstmarge, weerspiegelt.

Aangezien hiervoor aanzienlijke investeringen vereist zijn, werd geoordeeld dat een winstmarge van ten minste 8 % op de omzet noodzakelijk is om de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap veilig te stellen.

De gewogen gemiddelde verkoopprijzen die tijdens het onderzoektijdvak door de bedrijfstak van de Gemeenschap werden toegepast, werden verhoogd teneinde de vereiste globale minimumwinstmarge mogelijk te maken. De daaruit resulterende prijzen werden vergeleken met die van de met dumping ingevoerde produkten die voor de berekening van de bovenomschreven marge van onderbieding werden gebruikt.

(134) De verschillen tussen deze twee prijzen, uitgedrukt als een gewogen gemiddeld percentage van de prijs franco grens Gemeenschap zijn:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(135) Wanneer de voor een bepaalde exporterende producent vastgestelde dumpingmarges lager zijn dan de overeenkomstige verhogingen van de uitvoerprijzen die noodzakelijk zijn om verdere schade te voorkomen, mag het voorlopige recht niet hoger zijn dan de vastgestelde dumpingmarge. Dit was het geval voor alle ondernemingen, met uitzondering van zes ervan, waarvoor het recht derhalve werd vastgesteld op het niveau dat noodzakelijk is om verdere schade te voorkomen.

(136) Het anti-dumpingrecht dat wordt voorgesteld voor ondernemingen die hun medewerking verleenden maar niet in de steekproef waren opgenomen, is gelijk aan de gemiddelde dumpingmarge voor de steekproef, gewogen op basis van de omzet bij uitvoer naar de Gemeenschap, die lager was dan de gemiddelde marge die noodzakelijk is om in alle gevallen verdere schade te voorkomen.

(137) Het anti-dumpingrecht voor niet-medewerkende ondernemingen is gebaseerd op de dumpingmarge die voor deze ondernemingen op de in overweging 68 omschreven wijze werd berekend en die in alle gevallen lager was dan de residuele marge die noodzakelijk is om verdere schade te voorkomen.

(138) Gezien de aan deze procedure verbonden termijnen dienen de voorlopige anti-dumpingrechten voor een periode van ten hoogste zes maanden te worden ingesteld.

J. SLOTBEPALINGEN

(139) Omdat haar onderzoek had uitgewezen dat de Turkse exporteurs van het betrokken produkt zich schuldig maakten aan dumping, heeft de Commissie deze zaak overeenkomstig artikel 47, lid 1, van het Aanvullend Protocol bij de Associatie-Overeenkomst EG-Turkije aan de Associatieraad EG-Turkije van 8 augustus 1996 voorgelegd. Aangezien de Associatieraad niet binnen de in artikel 47, lid 2, onder a), van het Aanvullend Protocol vastgestelde termijn van drie maanden na de indiening van het verzoek een besluit heeft genomen, stelt de Commissie thans voor, overeenkomstig het vorengenoemde artikel en overeenkomstig artikel 7 van de basisverordening, een voorlopig anti-dumpingrecht in te stellen op de invoer van het betrokken produkt van oorsprong uit Turkije.

(140) In het belang van een goed beheer dient een termijn te worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden hun standpunt schriftelijk kunnen bekendmaken en kunnen verzoeken om te worden gehoord. Voorts dient te worden bepaald dat alle bevindingen in het kader van deze verordening een voorlopig karakter dragen en kunnen worden herzien indien de Gemeenschap besluit een definitief recht voor te stellen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Op de invoer van ongebleekte weefsels van katoen van de GN-codes 5208 11 tot 5208 19 en 5209 11 tot 5209 19, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, India, Indonesië, Pakistan en Turkije, wordt een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld.

2. Het voorlopige anti-dumpingrecht dat wordt toegepast op de nettoprijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, van de produkten van oorsprong uit de hiernavolgende landen bedraagt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De vorengenoemde rechten zijn niet van toepassing op de in de bijlage genoemde producenten/exporteurs. Deze zijn aan de hiernavolgende anti-dumpingrechten onderworpen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De hierna genoemde ondernemingen worden aan de volgende anti-dumpingrechten onderworpen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Tenzij anders bepaald zijn de bepalingen betreffende de douanerechten van toepassing.

4. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van het in lid 1 bedoelde produkt dient zekerheid te worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

Artikel 2

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden hun standpunt schriftelijk bekendmaken en verzoeken om door de Commissie te worden gehoord binnen vijftien dagen na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen één maand na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening commentaar geven op de toepassing daarvan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de datum volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 7, 9, 10 en 14 van Verordening (EG) nr. 384/96 geldt de onderhavige verordening gedurende een periode van zes maanden tenzij de Raad vóór het verstrijken van die periode definitieve maatregelen neemt.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 18 november 1996.

Voor de Commissie

Leon BRITTAN

Vice-Voorzitter

(1) PB nr. L 56 van 6. 3. 1996, blz. 1.

(2) PB nr. C 50 van 21. 2. 1996, blz. 3.

(3) Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije (PB nr. L 35 van 13. 2. 1996, blz. 1).

BIJLAGE

EGYPTE

Misr Spinning and Weaving Co., Mehalla el-KubraMisr Fine Spinning and Weaving Co., Kafr el-Dawar

Misr El Amria Spinning and Weaving Co., Alexandrie

El Siouf Spinning & Weaving Co., Siouf, Alexandria

El-Nasr Wool & Selected Textiles Co., Alexandria

Damietta Spinning & Weaving Co., Damietta

Port Said Spinning & Weaving Co., Port Said

Unirab Spinning & Weaving Co., Siouf, Alexandria

National Spinning & Weaving Co., Alexandria

Misr/Helwan Spinning & Weaving Co., Cairo

Delta Spinning & Weaving Co., Tanta

Orient Linen and Cotton Co., Ras El Soda, Alexandria

El Sharkia Spinning & Weaving Co., Zagazig

Moselay Weaving Mill, Cairo

INDIA

A.S.P.G. Subbiah Nadar & Sons, DhalavaipuramAll India Handloom Fabrics Marketing Co-operative Society Ltd, Madras

Alpha Mills Pvt Ltd, Karur

Amex Exports, Karur

Anglo French Textiles, Pondicherry

Arcot Textile Mill Ltd, Madurai

Arun Fabrics, Tirupur

Arun Textiles, Rajapalayam

Ashima Fabrics, Bombay

Atlas Export Enterprises, Karur

Ayyappan Textiles Ltd, Madurai

B.K.S. Mills, Tirupur

B.N. Sardar & Sons, Calcutta

Bharat Vijay Mills, Kalol

Bhiwani Denim & Apparels Ltd, Faridabad

Bonanza Overseas Pvt. Ltd, Bombay

Chhaganlal Kasturchand & Co. Ltd, Bombay

Emperor Trading Co., Tirupur

Esskay International, Bombay

Forbes Gokak Ltd, Bombay

Garden Weaves Pvt. Ltd, Tirupur

GDJD Exports, Madras

Govindji Trikamdas & Co., Bombay

I A Intercontinental, Madras

Ideal Expo Fabrics, Salem

Inter Globe Services, Bombay

Indra Exports, Jalandhar

Kanoria Chemicals & Industries Ltd, Ahmedabad

Karamal Garment Exports, Madras

Keshavlal Talakchand, Bombay

Kishandas Kikani, Bombay

Kothari Industrial Corporation Ltd, Madras

Loyal Textile Mills Ltd, Kovilpatti

M.S. Mathivanan, Komarapalayam

M.U.A. Arumugaperumal & Sons, Chatrapatti

Maharashta State Textile Corporation Ltd, Bombay

Naatchiar Textile Exporters, Chatrapatti

Navnitlal & Company, Bombay

Niyati Overseas, Madras

Nowrosjee Wadia & Sons Ltd, Bombay

Parag Trading Corporation, Bombay

Patodia Syntex Ltd, Bombay

Piramal Sons Ltd, Bombay

Pradeep Investments Pvt. Ltd, Bombay

Prathishta Weaving & Knitting Company Ltd, Coimbatore

Preemier Textile, Tirupur

Preeti Impex, Tiruchengodu

Premier Enterprises

Premier Mills Ltd, Coimbatore

Premier Textile Exporters, Chatrapatti

R.D. Traders, Bombay

Rajnarayan Hosiery Exports Pvt Ltd, Coimbatore

Rama Qualitex Ltd, Bangalore

Ramkumar Mills Ltd, Bangalore

Rawsitasa Exports, New Delhi

Rega Textiles, Komarapalayam

Ruchi Fabrics Ltd, Indore

S. Nikhil, Bombay

Sadhaka Exports

Sajjan Textiles Mills Ltd, Bombay

Sajjan Udyog Export Ltd, Bombay

Senthil Textiles, Tirupur

Shanker Kapda Niryat Pvt. Ltd, Bombay

Sheela Apparel Exports Pvt. Ltd, Bombay

Sheth Exports, Bombay

Sheth Investments & Trading Company Ltd, Bombay

Singhania Exports, Bombay

Sitalakshmi Mills Ltd, Madurai

Sivakkumar Mills, Palladam

Sree Rangsan Textiles Pvt. Ltd, Komarapalayam

Sri Adhilakshmi Warping & Sizing Mills, Erode

Sri Balaji Fabric, Tirupur

Sri Dhavamani Textiles, Erode

Sri Rajasekar Textiles, Chatrapatti

Sri Rani Lakshmi Gng. Spg. & Wvg. Mills P. Ltd, Madurai

Sri Saravanaa Exports Company, Tamil Nadu

Srinivasa Textiles, Chatrapatti

Standard Industries Ltd, Bombay

Sudha Mills (India) Pvt. Ltd, Bombay

Tamarai Mills Ltd, Coimbatore

Texcot Exports Pvt. Ltd, Bombay

The Bombay Dyeing & Manufacturing Co. Ltd, Bombay

The Hindoostan Spinning & Weaving Mills Ltd, Bombay

The Lakshmi Mills Company Ltd, Coimbatore

The Morarjee Gokuldas Spinning & Weaving Company Ltd, Bombay

The Ruby Mills Ltd, Bombay

Thiagarajar Mills Ltd, Madurai

Trident Textile Mills Ltd, Madras

Vadivel Sizing & Weaving Mills Pvt. Ltd, Tirupur

Varadhalakshmi Mills Ltd, Madurai

Virudhunagar Textile Mills Ltd, Madurai

World-Tex Limited, Chaziabad

Yarn Syndicate Ltd, Calcutta

INDONESIË

P.T Tyfountex Indonesia, SoloP.T. Sandratex, Jakarta

P.T. Batik Keris, Jakarta

P.T. Danliris, Jakarta

P.T. Catur Jantra, Jakarta

P.T. Panca Bintang, Jakarta

P.T. Gabungan Koperasi Batik Indonesia, Jakarta

P.T. Primatexco, Jakarta

P.T. Bina Nusantara Prima, Bandung

P.T. Batam Textile, Jakarta

P.T. Tata Adi Pratama, Bandung

P.T. Pacific Express, Denpasar

P.T. Bintang Agung, Jakarta

P.T. Adetex, Bandung

P.T. Maha Mujur Textile, Bandung

P.T. Five Star Industries, Bandung

P.T. Bandung Djaja Textile Mills, Bandung

PAKISTAN

Abdur Rahman Corporation Ltd, KarachiAdamjee Enterprise

ACME Mills (Pvt) Ltd, Karachi

Ajaz Enterprise

Akhtar Textile Industries

Al-Aziz Hosiery International, Faisalabad

Al-Karam Textile Mills, Karachi

Al-Shahid Weaving Industries

Al-Rehmat Traders (Pvt) Ltd, Faisalabad

Anjum Textile Mills (Pvt) Ltd, Faisalabad

Arshad Corporation (Pvt) Ltd, Faisalabad

Arzoo Textile Mills Ltd, Faisalabad

Asjad Textile (Pvt) Ltd

Associated Knitwear (Pvt) Ltd, Karachi

Ayaz Textile Mills Ltd, Lahore

Aziz Sons

Be Be Jan Pakistan (Pvt) Ltd, Faisalabad

Bismillah Fabrics (Pvt) Ltd

Bismillah Textiles (Pvt) Ltd

Chawala Enterprises

Chenas Fabrics & Processing

Colony Sarhad Textile Mills Ltd, Karachi

Cotton Arts (Pvt) Ltd

Dawood Textile Printing Indu

Decent Industries, Faisalabad

Decent Textiles, Faisalabad

Elahi Enterprises Limited, Lahore

Elahi Spinning & Weaving Mills Ltd, Lahore

En Em Industries Ltd

Excel Textile Mills, Karachi

Fabrics International

Fabtex Corporation, Karachi

Faizan Shehzad (Pvt) Ltd

Falcon Textile Corporation

Fazal Abdullah Exports (Pvt) Ltd, Faisalabad

Fine Fabrics (Pvt) Ltd

First Textile Ltd

Ghazi Fabrics International Ltd, Lahore

Glode Managements (Pvt) Ltd

Gohar Enterprises

Gul Ahmed Textile Mills Ltd, Karachi

Gulistan Weaving Mills Ltd, Karachi

Gulshan Weaving Mills Ltd, Karachi

H.A. Industries (Pvt) Ltd, Faisalabad

H.K. M. Exports (Pvt) Ltd

Haji Khuda Bux Amir Umer

Hajra Textiles, KarachiHusein Ind., Karachi

ICC Textiles Ltd, Lahore

Image Fabrics (Pvt) Ltd, Faisalabad

Imran Textiles

Ishan Yousuf Textile (Pvt) Ltd

Ishaq Textile Mills Ltd, Faisalabad

J.K. Brothers Pakistan (Pvt) Ltd, Faisalabad

J.K. Sons (Pvt) Ltd, Karachi

Jetex Industries (Pvt) Ltd, Karachi

Kam International, Karachi

Kausar Textile Industries (Pvt) Ltd

Latif Hansel (Pvt) Ltd

Linox International (Pvt) Ltd

Lucky Impex, Karachi

Lucky Tex., Karachi

M.A.S. Textiles (Pvt) Ltd

M.F.M.Y. Industries Ltd, Karachi

M.K. Sons (Pvt) Ltd, Faisalabad

M.N. Textiles (Pvt) Ltd, Karachi

Mabro Tex Industries

Mahmood Textile Mills Ltd, Multan

Majeeda Textiles (Pvt) Ltd, Faisalabad

Master Textile Mills Ltd, Lahore

Megatex Limited, Karachi

Mian Textile Industries Ltd, Lahore

Modern Textile Mills, Karachi

Mohammad Farooq Textile Mills Ltd, Karachi

Mohib Exports Ltd, Lahore

Mohib Fabric Industries Ltd, Lahore

Mohib Textile Mills Ltd, Lahore

Mukati Corporation

Mutual Trading Corporation, Karachi

Nakshbandi Industries Ltd, Karachi

Nash Garments (Pvt) Ltd, Karachi

Naveed Industries (Pvt) Ltd, Karachi

Naveena Industries (Pvt) Ltd, Karachi

Nisar Textiles Corporation

Nishatex Enterprises

Nu-Tex (Pvt) Ltd

Oberoi Textile Mills, Lahore

Orient Textile Pakistan (Pvt) Ltd

Parsons Industries (Pvt) Ltd, Karachi

Prosperity Weaving Mills Ltd, Lahore

Regency Textiles Ltd, Lahore

Reliance Weaving Mills Ltd, Multan

Reliance Exports Ltd, Multan

Rizwan Enterprises

Roomi Enterprises (Pvt) Ltd, Multan

S.S. Textiles

Saaqis Fabrics

Saba Textiles (Pvt) Ltd, Karachi

Sadaqat Textile Mills (Pvt) Ltd, Faisalabad

Sadiq Sons Textiles (Pvt) Ltd

Sakina Textile Industries (Pvt) Ltd, Karachi

Samin Textiles Ltd, Lahore

Saya Weaving Mills (Pvt) Ltd, Karachi

Service Fabrics Ltd, Lahore

Shahzad Siddique (Pvt) Ltd, Faisalabad

Shams Textile Mills Ltd, Karachi

Shahraj Fabrics (Pvt) Ltd, Lahore

Sharif Textile Industries (Pvt) Ltd, Faisalabad

Sitara Textile Industries

Sleep & Style, Karachi

Sumira Fabrics (Pvt) Ltd, Faisalabad

Suraj Cotton Mills Ltd, Karachi

Syncotex Agencies, Karachi

Taha Textile (Pvt) Ltd, Karachi

Tanveer Weaving (Pvt) Ltd, Lahore

Tariq Enterprises

Tex Arts, Faisalabad

The Cresent Textile Mills Limited, Faisalabad/Karachi

United Textile Printing Industries (Pvt) Ltd, Faisalabad

Worldover Enterprises (Pvt) Ltd, Faisalabad

Xebec Textiles, Faisalabad

Yakoob Trading Co., Karachi

Yousaf Weaving Mills Ltd, Lahore

Yunus Brothers, Karachi

Zahidjec Fabrics (Pvt) Ltd, Faisalabad

Zahoor Industries (Pvt) Ltd, Faisalabad

Zamzam Weaving & Processing Mills, Faisalabad

Zaur Textile Mills, Karachi

Zebtex Corporation

TURKIJE

Bossa Ticaret ve Sanayi Isletmeleri TAS, AdanaExsa Export Sanayi Mamulleri Satis ve Arastirma AS, Adana

Teksmobili Tekstil Sanayi ve Ticaret AS, Istanbul

Kipas - Kahramanmaras Iplik Pamuk Ticaret ve Sanayi AS, Kahramanmaras

Kipas Textile Industries Inc., Kahramanmaras

Burdur Mensucat Sanayi ve Ticaret AS, Ulus/Ankara

Ataç Anteks Dokuma Fabrikasi Hikmet Ataman ve Ortaklari Ticaret ve San. AS, Yeniköy/Antalya

Top