Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52025DP0068

P10_TA(2025)0068 — Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petras Gražulis — Besluit van het Europees Parlement van 6 mei 2025 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petras Gražulis (2024/2089(IMM))

PB C, C/2026/589, 24.2.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/589/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/589/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2026/589

24.2.2026

P10_TA(2025)0068

Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petras Gražulis

Besluit van het Europees Parlement van 6 mei 2025 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petras Gražulis (2024/2089(IMM))

(C/2026/589)

Het Europees Parlement,

gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Petras Gražulis, dat op 16 september 2024 bij het Parlement werd ingediend door de procureur-generaal van de Republiek Litouwen in verband met de strafrechtelijke procedure tegen hem, en van de ontvangst waarvan op 24 oktober 2024 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

na Petras Gražulis op 18 maart 2025 te hebben gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013, 19 december 2019 en 5 juli 2023  (1),

gezien artikel 62 van de grondwet van de Republiek Litouwen,

gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0078/2025),

A.

overwegende dat de procureur-generaal van de Republiek Litouwen bij brief van 16 september 2024 tot opheffing van de immuniteit van Petras Gražulis heeft verzocht in het kader van een vermeend strafbaar feit uit hoofde van artikel 170, lid 2, van het wetboek van strafrecht van de Republiek Litouwen, omdat hij een groep personen publiekelijk zou hebben beledigd en uiting zou hebben gegeven aan zijn misprijzen voor hen vanwege hun seksuele gerichtheid;

B.

overwegende dat in het verzoekschrift wordt gesteld dat Petras Gražulis ervan wordt verdacht publiekelijk opmerkingen te hebben gemaakt waardoor een groep mensen bespot, gekleineerd en vernederd werd, en zijn misprijzen voor hen vanwege hun seksuele gerichtheid te hebben geuit; en dat dit zou zijn gebeurd tijdens een door de media gefilmd en uitgezonden gesprek met een cameraman dat plaatsvond in de gangen van de Seimas van de Republiek Litouwen (hierna: “Seimas”) op 26 mei 2022, na een vergadering van de Seimas over geregistreerde partnerschappen; overwegende dat Petras Gražulis, destijds lid van de Seimas, het vermeende strafbare feit zou hebben gepleegd in 2022, overwegende dat het vooronderzoek plaatsvond in 2022 en 2023 en de zaak in januari 2024 werd doorverwezen naar de regionale rechterlijke instantie van Vilnius; overwegende dat Petras Gražulis destijds immuniteit genoot als lid van de Seimas, maar dat de Seimas op 16 november 2023 toestemming had gegeven voor het instellen van een strafrechtelijke vervolging tegen hem;

C.

overwegende dat Petras Gražulis bij de Europese verkiezingen van juni 2024 werd verkozen tot lid van het Parlement, en dat hij geen lid van het Europees Parlement was ten tijde van het vermeende strafbare feit;

D.

overwegende dat het vermeende strafbare feit en het daaropvolgende verzoek tot opheffing van de immuniteit geen verband houden met een mening of stem die Petras Gražulis in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

E.

overwegende dat artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voorziet dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

F.

overwegende dat in artikel 62 van de grondwet van de Republiek Litouwen het volgende is bepaald: “[d]e persoon van een lid van de Seimas is onschendbaar. Een lid van de Seimas mag zonder de toestemming van de Seimas niet strafrechtelijk worden vervolgd en niet worden aangehouden of anderszins in zijn vrijheid worden beknot. Een lid van de Seimas mag niet worden vervolgd voor het uitbrengen van zijn stem of zijn uitspraken in de Seimas. Hij kan echter wel krachtens het gewone recht worden vervolgd voor smaad of laster”;

G.

overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

H.

overwegende dat in artikel 5, lid 2, van zijn Reglement wordt bepaald dat de parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;

I.

overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de desbetreffende strafrechtelijke procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement te ondermijnen;

J.

overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt (2);

1.

besluit de immuniteit van Petras Gražulis op te heffen;

2.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Litouwse Republiek en aan Petras Gražulis.


(1)  Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115; arrest van het Gerecht van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement, T-272/21, ECLI:EU:T:2023:373.

(2)  Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/589/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)


Top