Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62024TN0483

Zaak T-483/24: Beroep ingesteld op 19 september 2024 – FE/Parlement

PB C, C/2024/7036, 2.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7036/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7036/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2024/7036

2.12.2024

Beroep ingesteld op 19 september 2024 – FE/Parlement

(Zaak T-483/24)

(C/2024/7036)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: FE (vertegenwoordigers: M. Martínez Gimeno, X. Codina García-Andrade, F. Díaz-Grande Rojo en S. Fernández Tourné, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de aan de verzoekende partij verrichte uitbetaling nietig te verklaren op de grond dat artikel 76, lid 1 respectievelijk 1 bis, van de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement, zoals gewijzigd bij het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 12 juni 2023 tot wijziging van de bepalingen ter uitvoering van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (1), onrechtmatig is, alsook alle na die uitbetaling uit hoofde van de aanvullende vrijwillige pensioenregeling verrichte uitbetalingen op dezelfde grond nietig te verklaren;

het Europees Parlement te gelasten om de rechten die voor de verzoekende partij voortvloeien uit de aanvullende vrijwillige pensioenregeling opnieuw te berekenen op basis van het bedrag dat van toepassing zou zijn geweest overeenkomstig artikel 76 van de genoemde uitvoeringsbepalingen zoals dat was geformuleerd voordat het is gewijzigd bij het besluit van 2023, en om dit zowel voor de aan de orde zijnde uitbetaling als voor alle sindsdien verrichte uitbetalingen te doen;

het Europees Parlement te gelasten om bij die nieuwe uitbetalingen de bedragen die reeds aan de verzoekende partij zijn betaald uit hoofde van de aanvullende vrijwillige pensioenregeling te behouden en het verschil te betalen tussen het bedrag van de verrichte uitbetaling (en de tot aan de uitspraak verrichte uitbetalingen) en het bedrag dat van toepassing zou zijn geweest overeenkomstig artikel 76 van de genoemde uitvoeringsbepalingen zoals dat was geformuleerd voordat het is gewijzigd bij het besluit van 2023, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop dat verschil betaald had moeten worden totdat de volledige betaling heeft plaatsgevonden, en

het Europees Parlement te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 27, lid 2, van besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (2), alsmede van artikel 25, lid 2, van het Reglement van het Europees Parlement, volgens welke artikelen de uit hoofde van de aanvullende vrijwillige pensioenregeling verworven rechten en aanspraken in volle omvang blijven bestaan en het Bureau slechts voor het verwerven van nieuwe rechten of aanspraken vereisten en voorwaarden kan vastleggen.

2.

Tweede middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van de rechten die de verzoekende partij heeft verworven voordat het besluit van 2023 is vastgesteld, zonder dat er sprake is van enige onderbouwing of van een afweging van de aan de orde zijnde belangen die een dergelijke ingreep mogelijk maakt.

3.

Derde middel: schending van de kern van het grondrecht op eigendom als neergelegd in artikel 17 van het Handvest, van het algemeen beginsel met betrekking tot de onafhankelijkheid van de leden van het Parlement en van het gelijkheidsbeginsel. De bij het besluit van 2023 vastgestelde bepalingen hebben tot gevolg dat het recht op een pensioen van de verzoekende partij, zoals dat wordt beschermd door artikel 17 van het Handvest, betekenisloos wordt, aangezien deze bepalingen niet voldoen aan de minimumeisen die worden gesteld in de rechtspraak over richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever en voorts afbreuk doen aan de minimale kern van de pensioenrechten van de verzoekende partij die voortvloeien uit de aanvullende vrijwillige pensioenregeling. Ook schenden de genoemde bepalingen het algemeen beginsel met betrekking tot de onafhankelijkheid van de leden van het Parlement, dat concreet gestalte krijgt in het recht op een pensioen van de verzoekende partij, en het gelijkheidsbeginsel doordat er geen soortgelijke bepalingen zijn waar het gaat om de pensioenrechten van de huidige leden van het Europees Parlement.

4.

Vierde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel, aangezien de bij het besluit van 2023 vastgestelde bepalingen helemaal niet voorzien in een afweging van de belangen die aan de orde zijn. Met deze bepalingen wordt op abstracte wijze een doelstelling van algemeen belang nagestreefd, welke doelstelling niet legitiem is in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak die zien op de door het Europees Parlement zelf opgezette aanvullende vrijwillige pensioenregeling; de bepalingen gaan hoe dan ook veel verder dan de bepalingen die hadden kunnen worden vastgesteld.

5.

Vijfde middel: schending van het vertrouwensbeginsel doordat het Europees Parlement de verzoekende partij consequent nauwkeurige en onvoorwaardelijke garanties heeft gegeven dat de verworven pensioenrechten zouden worden geëerbiedigd en dat het zijn wettelijke verantwoordelijkheid zou nemen wanneer de activa van het fonds uitgeput zijn.


(1)  Besluit tot wijziging van de bepalingen ter uitvoering van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (2023/C 227/05) (PB 2023, C 227, blz. 5).

(2)   PB 2005, L 262, blz.1.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7036/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)


Top