Dit document is overgenomen van EUR-Lex
Document 62022CJ0305
Judgment of the Court (Grand Chamber) of 4 September 2025.#C.J.#Request for a preliminary ruling from the Curtea de Apel Bucureşti.#Reference for a preliminary ruling – Area of freedom, security and justice – Judicial cooperation in criminal matters – Framework Decision 2002/584/JHA – European arrest warrant issued for the purposes of executing a custodial sentence – Article 4(6) – Grounds for optional non-execution of the European arrest warrant – Conditions for an executing Member State’s assumption of responsibility for the execution of that sentence – Article 3(2) – Concept of ‘finally judged … in respect of the same acts’ – Framework Decision 2008/909/JHA – Mutual recognition of judgments in criminal matters for the purpose of their enforcement in another Member State – Article 25 – Compliance with the conditions and procedure laid down by the framework decision in the event that a Member State undertakes to enforce a sentence handed down by a judgment delivered by an issuing State – Requirement of consent on the part of the issuing State as regards another Member State’s assumption of responsibility for the enforcement of such a sentence – Article 4 – Possibility for the issuing State to forward the judgment and certificate referred to in that article to the executing State – Consequences where forwarding does not take place – Principle of sincere cooperation – Article 22 – Right of the issuing State to enforce that sentence – Maintenance of the European arrest warrant – Obligation on the part of the executing judicial authority to enforce a European arrest warrant.#Case C-305/22.
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 4 september 2025.
C.J.
Verzoek van de Curte de Apel Bucureşti om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd met oog op de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf – Artikel 4, punt 6 – Grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel – Voorwaarden voor de overname van de tenuitvoerlegging van die straf door de tenuitvoerleggingsstaat – Artikel 3, punt 2 – Begrip ‚onherroepelijk berecht voor dezelfde feiten’ – Kaderbesluit 2008/909/JBZ – Wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat – Artikel 25 – Inachtneming van de voorwaarden en de procedure van dit kaderbesluit in het geval dat een lidstaat zich ertoe verbonden heeft om een sanctie ten uitvoer te leggen die is opgelegd bij een vonnis van een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat – Vereiste dat de beslissingsstaat toestemming verleent voor de overname door een andere lidstaat van de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie – Artikel 4 – Mogelijkheid voor de beslissingsstaat om het vonnis en certificaat als bedoeld in dit artikel aan de tenuitvoerleggingsstaat toe te zenden – Gevolgen van het ontbreken van een dergelijke toezending – Beginsel van loyale samenwerking – Artikel 22 – Recht van de beslissingsstaat om die sanctie ten uitvoer te leggen – Handhaving van een Europees aanhoudingsbevel – Verplichting van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
Zaak C-305/22.
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 4 september 2025.
C.J.
Verzoek van de Curte de Apel Bucureşti om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd met oog op de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf – Artikel 4, punt 6 – Grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel – Voorwaarden voor de overname van de tenuitvoerlegging van die straf door de tenuitvoerleggingsstaat – Artikel 3, punt 2 – Begrip ‚onherroepelijk berecht voor dezelfde feiten’ – Kaderbesluit 2008/909/JBZ – Wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat – Artikel 25 – Inachtneming van de voorwaarden en de procedure van dit kaderbesluit in het geval dat een lidstaat zich ertoe verbonden heeft om een sanctie ten uitvoer te leggen die is opgelegd bij een vonnis van een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat – Vereiste dat de beslissingsstaat toestemming verleent voor de overname door een andere lidstaat van de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie – Artikel 4 – Mogelijkheid voor de beslissingsstaat om het vonnis en certificaat als bedoeld in dit artikel aan de tenuitvoerleggingsstaat toe te zenden – Gevolgen van het ontbreken van een dergelijke toezending – Beginsel van loyale samenwerking – Artikel 22 – Recht van de beslissingsstaat om die sanctie ten uitvoer te leggen – Handhaving van een Europees aanhoudingsbevel – Verplichting van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
Zaak C-305/22.
ECLI-code: ECLI:EU:C:2025:665
Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
4 september 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf – Artikel 4, punt 6 – Grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel – Voorwaarden voor de overname van de tenuitvoerlegging van die straf door de tenuitvoerleggingsstaat – Artikel 3, punt 2 – Begrip ‚onherroepelijk berecht voor dezelfde feiten’ – Kaderbesluit 2008/909/JBZ – Wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat – Artikel 25 – Inachtneming van de voorwaarden en de procedure van dit kaderbesluit in het geval dat een lidstaat zich ertoe verbonden heeft om een sanctie ten uitvoer te leggen die is opgelegd bij een vonnis van een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat – Vereiste dat de beslissingsstaat toestemming verleent voor de overname door een andere lidstaat van de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie – Artikel 4 – Mogelijkheid voor de beslissingsstaat om het vonnis en certificaat als bedoeld in dit artikel aan de tenuitvoerleggingsstaat toe te zenden – Gevolgen van het ontbreken van een dergelijke toezending – Beginsel van loyale samenwerking – Artikel 22 – Recht van de beslissingsstaat om die sanctie ten uitvoer te leggen – Handhaving van een Europees aanhoudingsbevel – Verplichting van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen ”
In zaak C‑305/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 11 april 2022, ingekomen bij het Hof op 6 mei 2022, in de procedure met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen
C.J.,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, M. L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen (rapporteur), D. Gratsias en M. Gavalec, kamerpresidenten, E. Regan, I. Ziemele, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 maart 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– C.J., die zelf in rechte optreedt,
– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door M. Chicu en E. Gane als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Halajová, M. Smolek, T. Suchá en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe als gemachtigde,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, M. H. S. Gijzen en C. S. Schillemans als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Leupold en L. Nicolae als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juni 2024,
gezien de beschikking van 13 september 2024 tot heropening van de mondelinge behandeling en na de terechtzitting op 14 oktober 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door M. Chicu, E. Gane en L. Liţu als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Halajová, M. Smolek, T. Suchá en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe als gemachtigde,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. S. Schillemans als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Leupold, L. Nicolae en J. Vondung als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, punten 5 en 6, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), en van artikel 4, lid 2, artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat door de Curte de Apel București – Biroul executări penale (rechter in tweede aanleg Boekarest – bureau voor tenuitvoerlegging van straffen, Roemenië) is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een aan C. J. opgelegde vrijheidsstraf.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3 Artikel 3 („Voorwaarden voor overbrenging”) van het op 21 maart 1983 te Straatsburg ondertekende Europese Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, bepaalt in lid 1:
„Een gevonniste persoon kan overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, slechts onder de navolgende voorwaarden worden overgebracht:
[...]
f) indien de Staat van veroordeling en de Staat van tenuitvoerlegging het eens zijn over de overbrenging.”
Unierecht
Kaderbesluit 2002/584
4 Overweging 6 van kaderbesluit 2002/584 luidt:
„Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.”
5 Artikel 1 („Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel”) van dit kaderbesluit bepaalt:
„1. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
2. De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
[...]”
6 Artikel 3 („Gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging”) van dit kaderbesluit luidt als volgt:
„De rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, hierna ‚de uitvoerende rechterlijke autoriteit’ genoemd, weigert de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in de volgende gevallen:
[...]
2. uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat;
[...]”
7 Artikel 4 („Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging”) van dit kaderbesluit is geformuleerd als volgt:
„De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:
[...]
5. uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling;
6. het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen;
[...]”
8 Artikel 5 („Garanties van de uitvaardigende lidstaat in bijzondere gevallen”) van kaderbesluit 2002/584 bepaalt:
„De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk worden gesteld van een van de volgende voorwaarden:
[...]
3. indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.”
9 In artikel 8 („Inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel”) van dat kaderbesluit is het volgende bepaald:
„1. In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:
[...]
c) de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;
[...]”
10 Artikel 12 („Voortgezette hechtenis van de persoon”) van dat kaderbesluit luidt als volgt:
„Wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit of betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. [...]”
11 Artikel 26 („Verrekening van de periode van vrijheidsbeneming in de uitvoerende staat”) van dat kaderbesluit bepaalt in lid 1:
„De uitvaardigende lidstaat brengt elke periode van vrijheidsbeneming ten gevolge van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in mindering op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan in geval van veroordeling tot een tot vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.”
Kaderbesluit 2008/909
12 De overwegingen 2, 8 en 12 van kaderbesluit 2008/909 luiden als volgt:
„(2) Op 29 november 2000 heeft de Raad, overeenkomstig de conclusies van Tampere, zijn goedkeuring gehecht aan een programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen; hij heeft daarin opgeroepen tot een evaluatie van de behoefte aan modernere mechanismen voor wederzijdse erkenning van onherroepelijke veroordelingen tot een vrijheidsstraf [...], en tevens voor uitbreiding van overbrenging van gevonniste personen tot personen die hun verblijfplaats hebben in een lidstaat [...] bepleit.
[...]
(8) In de gevallen bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), dient vóór de toezending van het vonnis en het certificaat aan de tenuitvoerleggingsstaat overleg plaats te vinden tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, en dient de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat toestemming voor de toezending te verlenen. [...]
[...]
(12) Dit kaderbesluit dient overeenkomstig te worden toegepast op de tenuitvoerlegging van sancties in de gevallen, bedoeld in artikel 4, [punt] 6, en artikel 5, [punt] 3, van kaderbesluit [2002/584]. Dit betekent onder meer dat, onverminderd dat kaderbesluit, de lidstaat kan nagaan of er gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van artikel 9 van dit kaderbesluit voorhanden zijn, en meer bepaald dat hij, indien door hem een verklaring in de zin van artikel 7, lid 4, van dit kaderbesluit is afgelegd, in de gevallen bedoeld in artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit [2002/584], alvorens het vonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen kan onderzoeken of er sprake is van dubbele strafbaarheid, zodat overlevering van de betrokkene of tenuitvoerlegging van de sanctie kan worden overwogen.”
13 Artikel 3 („Doel en werking”) van dat kaderbesluit bepaalt in lid 1:
„Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.”
14 Artikel 4 („Criteria voor toezending van het vonnis en een certificaat aan een andere lidstaat”) van dat kaderbesluit is geformuleerd als volgt:
„1. Mits de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt en hij zijn toestemming heeft verleend voor zover deze krachtens artikel 6 is vereist, kan het vonnis, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I is opgenomen, aan een van de volgende lidstaten worden toegezonden:
a) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft, of
b) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen [...], of
c) een andere dan de onder a) of b) bedoelde lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden.
2. Het vonnis en het certificaat kunnen worden toegezonden wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, eventueel na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen.
3. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat kan vóór de toezending van het vonnis en het certificaat via passende kanalen overleg plegen met de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat. In de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen is overleg verplicht. In die gevallen brengt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de beslissingsstaat terstond op de hoogte van haar besluit om al dan niet toe te stemmen in de toezending van het vonnis.
[...]
5. De tenuitvoerleggingsstaat kan uit eigen beweging de beslissingsstaat verzoeken om toezending van het vonnis, vergezeld van een certificaat. [...] Een verzoek op grond van dit lid, schept voor de beslissingsstaat geen verplichting om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden.
6. Ter uitvoering van dit kaderbesluit stellen de lidstaten maatregelen vast die in het bijzonder recht doen aan de beoogde bijdrage tot de reclassering van de gevonniste persoon, en op grond waarvan hun bevoegde autoriteiten besluiten al dan niet in te stemmen met de toezending van het vonnis en het certificaat in de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen.
[...]”
15 Artikel 8 („Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie”) van dat kaderbesluit luidt als volgt:
„1. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 toegezonden vonnis en neemt onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging.
2. Indien de duur van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat alleen besluiten de sanctie aan te passen voor zover deze zwaarder is dan de maximumsanctie welke naar het recht van die staat op vergelijkbare strafbare feiten is gesteld. De aangepaste sanctie mag niet lager zijn dan de maximumsanctie die krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor vergelijkbare strafbare feiten geldt.
3. Indien de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Deze sanctie of maatregel stemt zoveel mogelijk overeen met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie en derhalve wordt de sanctie niet gewijzigd in een geldboete.
4. De aangepaste sanctie houdt, naar aard of duur, geen verzwaring van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie in.”
16 In artikel 13 („Intrekking van het certificaat”) van kaderbesluit 2008/909 is het volgende bepaald:
„De beslissingsstaat kan, zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, onder opgave van redenen het certificaat intrekken. Zodra het certificaat is ingetrokken, wordt de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat gestaakt.”
17 Artikel 22 („Gevolgen van de overbrenging van de gevonniste persoon”) van dit kaderbesluit bepaalt in lid 1:
„Behoudens lid 2 gaat de beslissingsstaat niet tot de verdere tenuitvoerlegging van de sanctie over, zodra de tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat is ingegaan.”
18 Artikel 23 („Talen”) van dit kaderbesluit bepaalt in lid 1 het volgende:
„Het certificaat wordt vertaald in de officiële taal of een der officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat. Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of later, in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neer te leggen verklaring meedelen dat hij een vertaling in één of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie aanvaardt.”
19 Artikel 25 („Tenuitvoerlegging van vonnissen volgend op een Europees aanhoudingsbevel”) van dit besluit luidt:
„Onverminderd kaderbesluit [2002/584] zijn de bepalingen van het onderhavige kaderbesluit, voor zover verenigbaar met kaderbesluit [2002/584], van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit [2002/584] ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen, dan wel op grond van artikel 5, [punt] 3, van genoemd kaderbesluit als voorwaarde heeft gesteld dat de betrokkene naar de uitvoerende lidstaat zal worden teruggezonden om er de sanctie te ondergaan, zulks teneinde straffeloosheid te voorkomen.”
20 Artikel 26 („Verhouding tot andere overeenkomsten en regelingen”) van kaderbesluit 2008/909 bepaalt in lid 1 het volgende:
„Onverminderd de toepassing ervan tussen de lidstaten en derde landen en de voorlopige toepassing ervan overeenkomstig artikel 28, vervangt dit kaderbesluit met ingang van 5 december 2011 de overeenkomstige bepalingen van de volgende verdragen die in de betrekkingen tussen de lidstaten van toepassing zijn:
– het Verdrag [...] inzake de overbrenging van gevonniste personen [(Serie Europese Verdragen, nr. 112), ondertekend te Straatsburg op 21 maart 1983] en het aanvullend protocol van 18 december 1997;
– het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen [(Serie Europese Verdragen, nr. 70), ondertekend te Den Haag op 28 mei 1970];
– titel III, hoofdstuk 5, van de Overeenkomst [...] ter uitvoering van het [tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek] te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen[, ondertekend te Schengen op 19 juni 1990 (PB 2000, L 239, blz. 19)],
– het Verdrag tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen van 13 november 1991 inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
21 Op 25 november 2020 heeft de Curte de Apel București, de verwijzende rechter, een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen C.J. met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf die hem is opgelegd bij arrest van zijn tweede strafkamer van 27 juni 2017. Dat arrest is onherroepelijk geworden na de uitspraak van een arrest van de strafkamer van de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) van 10 november 2020 (hierna: „strafrechtelijke veroordeling”).
22 Op 29 december 2020 is C.J. aangehouden in Italië.
23 Op 31 december 2020 heeft het Ministero della Giustizia (ministerie van Justitie, Italië) de verwijzende rechter in kennis gesteld van deze aanhouding. Op verzoek van dit ministerie werd het tegen C.J. uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel toegezonden aan de Corte d’appello di Roma (rechter in tweede aanleg Rome, Italië), de uitvoerende rechterlijke autoriteit.
24 Op 14 januari 2021 heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de Italiaanse autoriteiten de strafrechtelijke veroordeling op hun verzoek toegezonden. De verwijzende rechter heeft daarbij meegedeeld het niet eens te zijn met de erkenning van die veroordeling en de overname van de tenuitvoerlegging van de aan C.J. opgelegde sanctie door Italië.
25 Naar aanleiding van een vraag om verduidelijking van de Italiaanse rechterlijke autoriteiten heeft de Curte de Apel București op 20 januari 2021 meegedeeld dat zij, in geval van een weigering van de tenuitvoerlegging van het tegen C.J. uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel in de zin van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, geen toestemming zou verlenen voor de incidentele erkenning van die veroordeling en de overname door de Italiaanse Republiek van de tenuitvoerlegging van de aan C.J. opgelegde straf, en later zou verlangen dat er op grond van kaderbesluit 2008/909 om die erkenning en overname wordt verzocht.
26 Bij beslissing van 6 mei 2021 heeft de Corte d’appello di Roma de overlevering van C.J. geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling erkend en de tenuitvoerlegging ervan in Italië gelast (hierna: „beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging”). Deze rechter was van oordeel dat die veroordeling in Italië ten uitvoer moest worden gelegd om de kansen op reclassering van C.J., die legaal en daadwerkelijk in Italië woonde, te verhogen.
27 De totale nog uit te zitten straf bedroeg volgens die rechter, na aftrek van de reeds door C.J. ondergane perioden van vrijheidsbeneming van 17 september tot en met 16 december 2019 en van 29 december 2020 tot en met de datum van uitspraak van de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging, 3 jaar, 6 maanden en 21 dagen.
28 Op 20 mei 2021 werd de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging aan de verwijzende rechter toegezonden.
29 Vervolgens heeft het bureau voor tenuitvoerlegging van straffen van het parket van Rome aan de Roemeense autoriteiten een certificaat van 11 juni 2021 toegezonden, waaruit blijkt dat op 20 mei 2021 een bevel tot tenuitvoerlegging tegen C.J. werd uitgevaardigd in de vorm van „huisarrest, met gelijktijdige opschorting”, en dat de door hem nog uit te zitten straf drie jaar en elf maanden gevangenisstraf is, waarbij het begin van de uitvoering van deze straf is vastgesteld op 29 december 2020 en het einde ervan op 28 november 2024.
30 Bij een aan het ministerie van Justitie en de Corte d’appello di Roma gerichte brief van 28 juni 2021 hebben de Roemeens rechterlijke autoriteiten hun in punt 24 van dit arrest uiteengezette standpunt herhaald en meegedeeld dat, zolang er geen mededeling van het begin van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van C.J. is gedaan, zij het recht behouden om de strafrechtelijke veroordeling ten uitvoer te leggen. Zij hebben tevens opgemerkt dat het nationale bevel tot tenuitvoerlegging van de aan C.J. opgelegde gevangenisstraf en het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel niet waren ingetrokken en nog steeds van kracht waren.
31 Op 15 oktober 2021 heeft het bureau voor tenuitvoerlegging van straffen van de tweede strafkamer van de Curte de Apel București bij de verwijzende rechter verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging met het oog op de strafrechtelijke veroordeling.
32 Om op dit verzet te beslissen moet deze rechter uitspraak doen over de geldigheid van het nationale bevel tot tenuitvoerlegging van de aan C.J. opgelegde gevangenisstraf en het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel.
33 In die omstandigheden heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet artikel 25 van kaderbesluit [2008/909] aldus worden uitgelegd dat, wanneer de rechter die een Europees aanhoudingsbevel uitvoert, artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584] wenst toe te passen met het oog op de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling, hij moet verzoeken om het krachtens kaderbesluit [2008/909] afgegeven vonnis en certificaat en toestemming moet verkrijgen van de veroordelende staat krachtens artikel 4, lid 2, van kaderbesluit [2008/909]?
2) Moet artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584] junctis artikel 4, lid 2, en artikel 25 van kaderbesluit [2008/909] aldus worden uitgelegd dat de weigering om een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf afgegeven Europees aanhoudingsbevel uit te voeren en de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling zonder dat deze daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd door middel van de hechtenis van de veroordeelde – omdat aan betrokkene gratie is verleend en de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat is geschorst – en zonder dat in de erkenningsprocedure toestemming van de veroordelende staat is verkregen, ertoe leiden dat de veroordelende staat overeenkomstig artikel 22, lid 1, van kaderbesluit [2008/909] het recht verliest om de straf ten uitvoer te leggen?
3) Moet artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit [2002/584] aldus worden uitgelegd dat een vonnis houdende veroordeling tot een vrijheidsstraf op grond waarvan een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd waarvan de tenuitvoerlegging is geweigerd krachtens artikel 4, punt 6, [van dat kaderbesluit], indien het vonnis is erkend, maar niet daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd door middel van de hechtenis van de veroordeelde – omdat aan betrokkene gratie is verleend en de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat is geschorst – zonder dat in de erkenningsprocedure toestemming van de veroordelende staat is verkregen, niet meer uitvoerbaar is?
4) Moet artikel 4, punt 5, van kaderbesluit [2002/584] aldus worden uitgelegd dat een beslissing om geen uitvoering te geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat is afgegeven met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en om de strafrechtelijke veroordeling te erkennen op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584], maar deze niet daadwerkelijk ten uitvoer te leggen door middel van de hechtenis van de veroordeelde – omdat hem gratie is verleend en de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat (een lidstaat van de Unie) is geschorst – zonder dat in de erkenningsprocedure toestemming van de veroordelende staat is verkregen, een ‚strafrechtelijke veroordeling door een derde land voor dezelfde feiten’ is?
Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord,
5) Moet artikel 4, punt 5, van kaderbesluit [2002/584] aldus worden uitgelegd dat een beslissing om geen uitvoering te geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat is afgegeven met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en om de strafrechtelijke veroordeling te erkennen op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584], waarbij de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat wordt geschorst, een veroordeling is die ten uitvoer wordt gelegd, indien het toezicht op de veroordeelde nog niet is begonnen?”
Procedure bij het Hof
34 Op 23 januari 2024 heeft het Hof besloten de onderhavige zaak naar de Eerste kamer te verwijzen. Op 13 maart 2024 heeft een terechtzitting plaatsgevonden en op 13 juni 2024 heeft de advocaat-generaal conclusie genomen. Vervolgens werd de mondelinge behandeling gesloten.
35 Op verzoek van de Eerste kamer van het Hof, dat is gedaan overeenkomstig artikel 60, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering, heeft het Hof op 9 juli 2024 besloten om de zaak naar de Grote kamer te verwijzen.
36 Bij beschikking van 13 september 2024, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) (C‑305/22, EU:C:2024:783), heeft het Hof, de advocaat-generaal gehoord, overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge behandeling gelast. Op 14 oktober 2024 vond een tweede terechtzitting plaats.
37 Op 12 december 2024 heeft de advocaat-generaal een aanvullende conclusie genomen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met derde vraag
38 Met zijn eerste tot en met derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 en de artikelen 4, 22 en 25 van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat:
– ten eerste, de weigering door de uitvoerende rechterlijke autoriteit, op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, om een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf over te leveren, veronderstelt dat die rechterlijke autoriteit de voorwaarden en de procedure in acht neemt die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf, en
– ten tweede, de beslissingsstaat in voorkomend geval het recht behoudt om diezelfde straf ten uitvoer te leggen, en dus het Europees aanhoudingsbevel te handhaven in de omstandigheden waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit op basis van die grond heeft geweigerd om dit Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen zonder de voorwaarden en de procedure in acht te nemen die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van die veroordeling en die overname.
Invloed van kaderbesluit 2008/909 op de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging
39 Meteen dient in herinnering te worden gebracht dat kaderbesluit 2002/584 met de instelling van een vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking beoogt te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan [arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
40 Op het door kaderbesluit 2002/584 geregelde gebied komt het beginsel van wederzijdse erkenning, dat blijkens met name overweging 6 daarvan de hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken vormt, tot uitdrukking in artikel 1, lid 2, van dit kaderbesluit, waarin de regel is neergelegd dat de lidstaten zich ertoe verbinden om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van ditzelfde kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen [zie in die zin arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), C‑700/21, EU:C:2023:444, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41 Hieruit volgt ten eerste dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel slechts kunnen weigeren om redenen die voortvloeien uit kaderbesluit 2002/584, zoals uitgelegd door het Hof. Ten tweede is de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel de regel en de weigering van de tenuitvoerlegging de uitzondering, die dus strikt moet worden uitgelegd [arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), C‑700/21, EU:C:2023:444, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42 Met betrekking tot dergelijke redenen noemt dit kaderbesluit in artikel 3 de gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, en, in de artikelen 4 en 4 bis, de gronden tot facultatieve weigering van die tenuitvoerlegging.
43 Wat betreft de in artikel 4 van kaderbesluit 2002/584 genoemde gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, moet voor de toepassing van de in punt 6 van dit artikel vastgestelde grond aan twee voorwaarden zijn voldaan, te weten, ten eerste, de gezochte persoon verblijft in of is onderdaan of ingezetene van de tenuitvoerleggingsstaat en, ten tweede, deze staat verbindt zich ertoe de straf of maatregel waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd overeenkomstig zijn nationale recht ten uitvoer te leggen [arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), C‑700/21, EU:C:2023:444, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44 Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit vaststelt dat is voldaan aan die twee voorwaarden, moet zij nog beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende staat opgelegde straf op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd. Die beoordeling stelt deze autoriteit in staat rekening te houden met de doelstelling van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, die er volgens vaste rechtspraak in bestaat de kansen op reclassering van de gezochte persoon te verhogen wanneer hij de straf waartoe hij is veroordeeld, heeft uitgezeten [zie in die zin arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), C‑700/21, EU:C:2023:444, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
45 Wat betreft de invloed van kaderbesluit 2008/909 op de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, moet worden opgemerkt dat, net als kaderbesluit 2002/584, kaderbesluit 2008/909 op strafrechtelijk gebied invulling geeft aan de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning, die met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, vereisen dat elke lidstaat, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat de andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Laatstgenoemd kaderbesluit breidt dus de justitiële samenwerking uit met betrekking tot de erkenning en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wanneer personen in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen, ter bevordering van hun reclassering [zie in die zin arrest van 9 november 2023, Staatsanwaltschaft Aachen, C‑819/21, EU:C:2023:841, punt 19].
46 Kaderbesluit 2008/909 beoogt, volgens artikel 3, lid 1, ervan, regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de door een andere lidstaat opgelegde sanctie ten uitvoer legt. Kaderbesluit 2008/909 vervangt overeenkomstig artikel 26, lid 1, ervan de bepalingen van de verdragen betreffende de overbrenging van gevonniste personen, als bedoeld in dit artikel, die in de betrekkingen tussen de lidstaten van toepassing zijn (zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 36 en 37).
47 Gelet op de overeenstemming tussen het doel dat wordt nagestreefd door de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, en het doel dat wordt nagestreefd door de regels van kaderbesluit 2008/909, te weten, het doel om de reclassering van in een andere lidstaat gevonniste personen te bevorderen, moet dus worden geoordeeld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit van een tenuitvoerleggingsstaat met die regels rekening moet houden wanneer zij deze grond wenst toe te passen.
48 In dat verband moet worden benadrukt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie van 13 juni 2024 heeft uiteengezet, niets erop wijst dat de Uniewetgever voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van strafvonnissen twee onderscheiden rechtsregelingen heeft willen invoeren, afhankelijk van de vraag of er al dan niet een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.
49 Zo bepaalt artikel 25 van kaderbesluit 2008/909, gelezen in het licht van overweging 12 ervan, dat dit kaderbesluit, voor zover verenigbaar met kaderbesluit 2002/584, van overeenkomstige toepassing is op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, punt 6, van dat laatste kaderbesluit ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen. Dat is ook het geval wanneer een lidstaat op grond van artikel 5, punt 3, van laatstgenoemd kaderbesluit voor de tenuitvoerlegging van een met het oog op strafvervolging in de uitvaardigende lidstaat uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel de voorwaarde stelt dat de betrokkene naar de uitvoerende lidstaat wordt teruggezonden om daar de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde sanctie te ondergaan.
50 Met betrekking tot deze laatste hypothese, zoals bedoeld in artikel 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de uitvoering van de sanctie wordt geregeld door kaderbesluit 2008/909. Zoals het Hof heeft opgemerkt, moet, wanneer de tenuitvoerlegging van een met het oog op strafvervolging uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel afhankelijk wordt gesteld van de in dit artikel 5, punt 3, genoemde voorwaarde, de tenuitvoerleggingsstaat bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die in de beslissingsstaat aan de betrokkene is opgelegd, namelijk de relevante regels van kaderbesluit 2008/909 in acht nemen [zie in die zin arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat), C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 68].
51 Op dezelfde wijze als voor de in artikel 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde situatie moet worden geoordeeld dat wanneer een uitvoerende rechterlijke autoriteit voornemens is om de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel te weigeren op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die sanctie en de overname van de tenuitvoerlegging van die sanctie door kaderbesluit 2008/909 worden geregeld.
52 Een weigering op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen vooronderstelt namelijk dat de tenuitvoerleggingsstaat zich daadwerkelijk ertoe verbindt om de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen [zie in die zin arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), C‑700/21, EU:C:2023:444, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Aangezien die persoon in de beslissingsstaat is veroordeeld, betekent dit noodzakelijkerwijs dat de autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat de strafrechtelijke veroordeling waarbij die sanctie aan die persoon wordt opgelegd, erkennen overeenkomstig de bepalingen van kaderbesluit 2008/909.
53 Het is juist dat het Hof uit artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 heeft afgeleid dat geen enkele bepaling van dat kaderbesluit afbreuk kan doen aan de strekking of aan de wijze van toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging (arrest van 13 december 2018, Sut, C‑514/17, EU:C:2018:1016, punt 48).
54 Deze vaststelling houdt echter niet in dat de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen niet van toepassing zijn wanneer een lidstaat zich op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 ertoe verbonden heeft om een vonnis ten uitvoer te leggen, ook al zou de toepassing van kaderbesluit 2008/909 niet tot enige onverenigbaarheid of incoherentie leiden bij de gecombineerde toepassing van die twee handelingen. Zoals de advocaat-generaal in punt 63 van zijn conclusie van 13 juni 2024 heeft opgemerkt, zijn de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen van toepassing wanneer de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging wordt toegepast, voor zover, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 en zoals het Hof zelf heeft opgemerkt in punt 48 van het arrest van 13 december 2018, Sut (C‑514/17, EU:C:2018:1016), deze voorwaarden in overeenstemming zijn met de bepalingen van kaderbesluit 2002/584. Hierdoor kan de goede werking van de vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van gezochte personen worden gewaarborgd die bij laatstgenoemd kaderbesluit is ingesteld.
55 In dit verband moet worden opgemerkt dat kaderbesluit 2008/909, overeenkomstig artikel 26, lid 1, ervan, met ingang van 5 december 2011 de overeenkomstige bepalingen van het verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen en het aanvullend protocol van 18 december 1997 heeft vervangen.
56 Zoals met name de Franse regering tijdens de pleitzitting van 14 oktober 2024 heeft opgemerkt, bepaalt artikel 3, lid 1, onder f), van dit verdrag dat de staat van veroordeling en de staat van tenuitvoerlegging het eens moeten zijn over de overbrenging van de gevonniste persoon.
57 Dit artikel 3, lid 1, onder f), is na de vaststelling van kaderbesluit 2008/909 vervangen door het vereiste dat de beslissingsstaat toestemming verleent voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf. Deze toestemming wordt uitgedrukt door de toezending, volgens de in artikel 4 van dat kaderbesluit bepaalde voorschriften, van de door een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling aan de tenuitvoerleggingsstaat, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I bij dat kaderbesluit is opgenomen.
58 Uit punt f), van het modelcertificaat in bijlage I bij kaderbesluit 2008/909 blijkt namelijk uitdrukkelijk dat de bepalingen van kaderbesluit 2008/909 juist van toepassing kunnen zijn wanneer de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging wordt ingeroepen, aangezien dit certificaat naar die grond moet verwijzen wanneer die wordt aangevoerd.
59 De noodzaak om de toestemming te verkrijgen van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie blijkt ook uit artikel 13 van kaderbesluit 2008/909. Uit dat artikel volgt namelijk dat de beslissingsstaat, zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, het bijbehorende certificaat kan intrekken, en dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat wordt gestaakt zodra het certificaat is ingetrokken.
60 Wanneer de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging wordt ingeroepen, is de toepassing van de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning in de tenuitvoerleggingsstaat van de sanctie die aanleiding heeft gegeven tot de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, en voor de overname van de tenuitvoerlegging van de straf door diezelfde lidstaat, in het bijzonder het vereiste dat de beslissingsstaat toestemming verleent voor een dergelijke overname, verenigbaar met het door die bepaling nagestreefde doel om de kansen op reclassering van de gezochte persoon na het einde van de straf te verhogen.
61 Ten eerste volgt namelijk uit de gecombineerde bepalingen van artikel 4, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2008/909 en lid 2 van dat artikel, gelezen in het licht van overweging 8 van dat kaderbesluit, dat alleen wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen, zij aan de bevoegde autoriteit van die laatste staat de strafrechtelijke veroordeling en het bijbehorende certificaat, waarvan het model is opgenomen in bijlage I bij dat kaderbesluit, kan toezenden.
62 Ten tweede blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het doel om de kansen op reclassering van de gezochte persoon na het einde van de straf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen, hoe belangrijk het ook is, geen absoluut karakter heeft, aangezien dat doel in het bijzonder met de wezenlijke regel van artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, volgens welke de lidstaten zich in beginsel ertoe verbinden om elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, in overeenstemming moet worden gebracht (zie in die zin arrest van 6 oktober 2009, Wolzenburg, C‑123/08, EU:C:2009:616, punt 62, en 13 december 2018, Sut, C‑514/17, EU:C:2018:1016, punt 46).
63 Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie van 13 juni 2024 heeft opgemerkt, kan de lidstaat waar een persoon is veroordeeld, gelet op de verschillende functies van een straf in de samenleving, dus rechtmatig eigen overwegingen van strafrechtelijk beleid aanvoeren om te rechtvaardigen dat de opgelegde straf op zijn grondgebied ten uitvoer wordt gelegd, en derhalve de toezending weigeren van de strafrechtelijke veroordeling en het certificaat waarvan deze krachtens kaderbesluit 2008/909 vergezeld moet gaan, zelfs wanneer de overwegingen in verband met de reclassering van de gezochte persoon ervoor kunnen pleiten dat deze straf ten uitvoer wordt gelegd op het grondgebied van een andere lidstaat.
64 De beoordelingsmarge van de beslissingsstaat met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, onder c), en lid 2, van kaderbesluit 2008/909 bedoelde toestemming, zoals uiteengezet in de punten 61 tot en met 63 van dit arrest, wordt overigens bevestigd door lid 5 van dat artikel, dat bepaalt dat wanneer de tenuitvoerleggingsstaat die eerste staat uit eigen beweging verzoekt om toezending van het vonnis vergezeld van een certificaat, dat verzoek geen verplichting schept voor de beslissingsstaat om daar gevolg aan te geven.
65 Bovendien bevat noch dit kaderbesluit, noch kaderbesluit 2002/584 een bepaling op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het feit dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de in artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging inroept, tot gevolg zou hebben dat aan die beoordelingsmarge van de beslissingsstaat wordt afgedaan.
66 In dat verband getuigt een door een lidstaat met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel er juist van dat deze staat in beginsel voorrang geeft aan de tenuitvoerlegging van de straf op zijn grondgebied boven de toepassing van de regeling van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen met het oog op een dergelijke tenuitvoerlegging in een andere lidstaat. In die omstandigheden zou, indien de tenuitvoerleggingsstaat in een dergelijk geval op basis van de toepassing van de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging eenzijdig kan afwijken van het beginsel van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, zonder dat is voldaan aan de in kaderbesluit 2008/909 gestelde voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling, de efficiëntie van de bij kaderbesluit 2002/584 ingestelde regeling voor de overlevering tussen de lidstaten worden ondermijnd.
67 Hieruit volgt dat, in het kader van de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, de tenuitvoerleggingsstaat de tenuitvoerlegging van de sanctie die in de beslissingsstaat bij de strafrechtelijke veroordeling is opgelegd en die de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel heeft gerechtvaardigd, slechts kan overnemen mits de beslissingsstaat daarvoor toestemming heeft verleend overeenkomstig de regels van kaderbesluit 2008/909.
68 Indien de toezending door de beslissingsstaat van de strafrechtelijke veroordeling en het bijbehorende certificaat dus wordt opgevat als een loutere mogelijkheid, ook wanneer de tenuitvoerleggingsstaat de uitvoering van die straf wenst over te nemen door die weigeringsgrond toe te passen, dient eraan te worden herinnerd dat, teneinde met name te verzekeren dat de werking van het Europees aanhoudingsbevel niet wordt verlamd, de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU neergelegde verplichting tot loyale samenwerking een dialoog tussen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten impliceert. Uit dat beginsel volgt immers dat de lidstaten elkaar respecteren en steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
69 Bijgevolg moeten de uitvaardigende en de uitvoerende rechterlijke autoriteiten, teneinde een doeltreffende justitiële samenwerking in strafzaken te waarborgen, ten volle gebruikmaken van de instrumenten waarin kaderbesluiten 2002/584 en 2008/909 voorzien, zoals het overleg voor de toezending van de door een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling en het certificaat waarvan het model in bijlage I bij kaderbesluit 2008/909 is opgenomen, om zo het aan die samenwerking ten grondslag liggende wederzijdse vertrouwen te bevorderen [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat een dergelijk overleg overeenkomstig artikel 4, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 verplicht is wanneer, zoals in casu, wordt overwogen de sanctie ten uitvoer te leggen in een andere lidstaat dan die waarvan de betrokkene onderdaan is, namelijk in de in artikel 4, lid 1, onder c), van dat kaderbesluit bedoelde omstandigheid.
70 Indien een daadwerkelijke overname van de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat niet mogelijk is om welke reden dan ook, met inbegrip van de niet-inachtneming van de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909, vloeit uit het beginsel van wederzijdse erkenning voort dat een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer moet worden gelegd teneinde straffeloosheid van de gezochte persoon te voorkomen. Zoals in punt 41 van dit arrest is opgemerkt, is de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel immers de regel en de weigering ervan de uitzondering, die dus strikt moet worden uitgelegd.
71 Wat de verplichtingen van de beslissingsstaat betreft, moet worden beklemtoond dat deze ervoor moet zorgen dat het hem bij kaderbesluit 2008/909 toegekende recht om de door een van zijn rechters uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, alsook het certificaat waarvan het model in bijlage I bij dit kaderbesluit is opgenomen, niet aan de tenuitvoerleggingsstaat toe te zenden, wordt uitgeoefend op een wijze die een doeltreffende justitiële samenwerking in strafzaken tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten mogelijk maakt en die verzekert dat de werking van het Europees aanhoudingsbevel en de wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat niet worden verlamd.
72 Wanneer een uitvoerende rechterlijke autoriteit voornemens is om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, kan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat bijgevolg een dergelijke toezending weigeren indien zij op grond van objectieve omstandigheden vaststelt dat de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat niet daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd of dat de tenuitvoerlegging van die sanctie in die staat niet zal bijdragen aan het doel om de kansen op reclassering van de gezochte persoon na het einde van de vrijheidsstraf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan die overname nog weigeren op basis van overwegingen van het eigen strafrechtelijk beleid van de beslissingsstaat.
Het recht van de beslissingsstaat om een vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van die straf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel heeft geweigerd op basis van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, zonder de voorwaarden en de procedure in acht te nemen die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die sanctie en de overname van de tenuitvoerlegging ervan
73 Onderzocht moet worden of in de omstandigheden waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel heeft geweigerd op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering zonder de voorwaarden en de procedure van kaderbesluit 2008/909 in acht te nemen, de beslissingsstaat het recht behoudt om die straf ten uitvoer te leggen.
74 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit waaraan een Europees aanhoudingsbevel is voorgelegd dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een aan C.J. opgelegde vrijheidsstraf, van oordeel was dat die straf in Italië ten uitvoer moest worden gelegd om de kansen op reclassering van die persoon te verhogen. Die autoriteit heeft bij de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging de overlevering van die persoon geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling erkend en de tenuitvoerlegging van die sanctie in Italië gelast. Deze beslissing is genomen hoewel de verwijzende rechter de uitvoerende rechterlijke autoriteit in kennis had gesteld van die veroordeling, maar niet van het certificaat waarvan het model in bijlage I bij kaderbesluit 2008/909 is opgenomen, en die rechter had meegedeeld het niet eens te zijn met de erkenning van die veroordeling en de overname van de tenuitvoerlegging van de aan C.J. in Italië opgelegde gevangenisstraf.
75 Zoals blijkt uit de punten 54 tot en met 67 van dit arrest, moeten de erkenning van de door een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling tot een gevangenisstraf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf door de tenuitvoerleggingsstaat in het kader van de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging in dat verband gebeuren met inachtneming van de voorwaarden en de procedure van kaderbesluit 2008/909, hetgeen met name impliceert dat de beslissingsstaat toestemming verleent voor die overname.
76 Vastgesteld dient te worden dat wanneer, zoals in casu, de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit werd geweigerd in strijd met de voorwaarden en de procedure van kaderbesluit 2008/909, dit aanhoudingsbevel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan worden gehandhaafd. Evenzo behoudt de beslissingsstaat het recht om die sanctie ten uitvoer te leggen.
77 Het Hof heeft namelijk reeds geoordeeld dat de handhaving van een Europees aanhoudingsbevel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit noodzakelijk kan zijn – met name wanneer de beslissing tot weigering niet in overeenstemming was met het Unierecht – teneinde de procedure tot overlevering van een gezocht persoon te voeren en aldus de verwezenlijking van de door dit kaderbesluit nagestreefde doelstelling van bestrijding van straffeloosheid te bevorderen. De enkele omstandigheid dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit heeft geweigerd een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, kan dus op zich geen beletsel vormen voor de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om dat aanhoudingsbevel te handhaven (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Breian, C‑318/24 PPU, EU:C:2024:658, punten 51 en 53).
78 Deze overwegingen gelden mutatis mutandis voor het recht van de beslissingsstaat om de gevangenisstraf die is opgelegd aan de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ten uitvoer te leggen in omstandigheden als bedoeld in punt 76 van het onderhavige arrest, en kunnen niet in twijfel worden getrokken vanuit het oogpunt van artikel 22, lid 1, van kaderbesluit 2008/909, dat bepaalt dat de beslissingsstaat niet langer mag overgaan tot de verdere tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie zodra de tenuitvoerlegging ervan in de uitvoerende lidstaat is ingegaan.
79 Deze bepaling is namelijk niet van toepassing wanneer, zoals in casu, de weigering van de overlevering op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 door de tenuitvoerleggingsstaat niet in overeenstemming met de regels van kaderbesluit 2008/909 is gebeurd. Zoals de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie van 12 december 2024 heeft uiteengezet, wordt de deur opengezet voor omzeiling van de regels van kaderbesluit 2008/909 indien wordt aanvaard dat het begin van de tenuitvoerlegging van de straf in de uitvoerende lidstaat in een dergelijke situatie de uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid kan ontnemen om die straf ten uitvoer te leggen.
80 Het feit dat de beslissingsstaat in een dergelijke situatie zijn bevoegdheid verliest om die straf uit te voeren, zou er niet enkel toe leiden dat de regels van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen van de beslissingsstaat worden geschonden, maar ook dat er afbreuk wordt gedaan aan de werking van de bij kaderbesluit 2002/584 ingestelde vereenvoudigde en efficiënte regeling voor de overlevering van gezochte personen, waardoor met name kan worden afgedaan aan de door dit kaderbesluit nagestreefde doelstelling van bestrijding van straffeloosheid [zie in die zin arresten van 6 juli 2023, Minister for Justice and Equality (Verzoek tot toestemming – Gevolgen van het oorspronkelijke Europees aanhoudingsbevel), C‑142/22, EU:C:2023:544, punt 51, en 29 juli 2024, Breian, C‑318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
81 Het is juist dat uit de rechtspraak blijkt dat de door de Uniewetgever beoogde samenhang tussen kaderbesluit 2002/584 en kaderbesluit 2008/909 moet bijdragen tot de verwezenlijking van de in punt 46 van het onderhavige arrest bedoelde doelstelling om de reclassering van de betrokkene te vergemakkelijken [arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat), C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
82 Indien de tenuitvoerleggingsstaat, door zich op deze doelstelling te beroepen, de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel echter mag weigeren zonder dat de beslissingsstaat toestemming heeft verleend voor de overname van die tenuitvoerlegging door die eerste lidstaat, kan dat echter leiden tot een groot risico dat personen die aan de rechtspleging proberen te ontsnappen nadat zij in een staat zijn veroordeeld, onbestraft blijven, en zou dat uiteindelijk afbreuk doen aan de efficiënte werking van de bij kaderbesluit 2002/584 ingestelde vereenvoudigde regeling voor de overlevering tussen de lidstaten.
83 Hieraan moet worden toegevoegd dat de in punt 79 van dit arrest gegeven uitlegging van artikel 22 van kaderbesluit 2008/909 – volgens welke de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging slechts kan worden toegepast mits de beslissingsstaat toestemming verleent om de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat ten uitvoer te leggen – wordt bevestigd door het feit dat, zoals in punt 57 van dit arrest is aangegeven, deze toestemming wordt uitgedrukt door de toezending van de strafrechtelijke veroordeling en het certificaat waarvan het model in bijlage I bij kaderbesluit 2008/909 is opgenomen. Deze documenten, en in het bijzonder dit certificaat, bevatten namelijk belangrijke aanwijzingen om de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie mogelijk te maken. Daartoe bepaalt artikel 23, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 overigens dat dit certificaat moet worden vertaald in de officiële taal of een der officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat.
84 Hieruit vloeit voort dat kaderbesluiten 2002/584 en 2008/909 zich er in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet tegen verzetten dat het tegen C.J. uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel wordt gehandhaafd en de hem opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd in de beslissingsstaat, namelijk Roemenië.
85 Aangezien een dergelijke handhaving echter een inbreuk kan vormen op de persoonlijke vrijheid van de gezochte persoon, moet nog worden gepreciseerd dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet nagaan of die handhaving, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, evenredig is. In het kader van een dergelijk onderzoek dient die autoriteit met name rekening te houden met de gevolgen voor die persoon van de handhaving van het Europees aanhoudingsbevel dat tegen hem is uitgevaardigd, en met de vooruitzichten betreffende de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Breian, C‑318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 Indien de beslissingsstaat na afloop van dat onderzoek zou beslissen om het Europees aanhoudingsbevel te handhaven, moet die staat in voorkomend geval, wanneer de gezochte persoon aan die staat wordt overgeleverd of wanneer die persoon vrijwillig terugkeert naar het grondgebied van die staat, rekening houden met artikel 26, lid 1, van kaderbesluit 2002/584. Deze bepaling, die vereist dat er rekening wordt gehouden met elke periode waarin de gevonniste persoon zich in de tenuitvoerleggingsstaat in hechtenis bevindt, garandeert dat de totale duur van de hechtenis van deze persoon – zowel in de tenuitvoerleggingsstaat als in de uitvaardigende staat – uiteindelijk niet langer is dan de duur van de vrijheidsstraf waartoe hij in de uitvaardigende staat was veroordeeld (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, JZ, C‑294/16 PPU, EU:C:2016:610, punt 43).
87 Gelet op het voorgaande moet op de eerste tot en met de derde vraag worden geantwoord dat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 en de artikelen 4, 22 en 25 van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat:
– ten eerste, de weigering door de uitvoerende rechterlijke autoriteit, op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, om een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf over te leveren, veronderstelt dat die rechterlijke autoriteit de voorwaarden en de procedure in acht neemt die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf, en
– ten tweede, de beslissingsstaat het recht behoudt om diezelfde straf ten uitvoer te leggen, en dus het Europees aanhoudingsbevel te handhaven in de omstandigheden waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit op basis van die grond heeft geweigerd om dit Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen zonder de voorwaarden en de procedure in acht te nemen die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van die veroordeling en die overname.
Vierde vraag
88 Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren (arrest van 25 februari 2025, Alphabet e.a., C‑233/23, EU:C:2025:110, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 Krachtens artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, waarop de vierde vraag betrekking heeft, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren wanneer uit de gegevens waarover deze beschikt, blijkt dat de gezochte persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling. In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging werd vastgesteld door een rechterlijke instantie van een lidstaat van de Unie, namelijk de Italiaanse Republiek.
90 In deze omstandigheden is enkel de in artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging relevant, die het ne-bis-in-idembeginsel concretiseert, waarvan de lidstaten de eerbiediging moeten waarborgen.
91 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vierde vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat een beslissing waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit op basis van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit de overlevering van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf heeft geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling tot die straf heeft erkend en de tenuitvoerlegging van die straf heeft gelast, een „onherroepelijke berechting voor dezelfde feiten” vormt in de zin van deze bepaling.
92 Overeenkomstig artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigeren indien uit de gegevens waarover zij beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat.
93 Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat een gezochte persoon wordt geacht al onherroepelijk te zijn berecht ter zake van dezelfde feiten in de zin van dat artikel 3, punt 2, wanneer na een strafprocedure de strafvervolging definitief is beëindigd, of wanneer de rechterlijke instanties van een lidstaat een beslissing hebben genomen waarmee een verdachte definitief wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten (zie in die zin arrest van 16 november 2010, Mantello, C‑261/09, EU:C:2010:683, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94 Wat meer in het bijzonder een verzoek tot overlevering betreft, blijkt bovendien uit de rechtspraak dat een beslissing van een uitvoerende rechterlijke autoriteit om de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel te weigeren niet kan worden beschouwd als een onherroepelijke berechting voor dezelfde feiten in de zin van artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584. Het onderzoek van een dergelijk verzoek betekent namelijk niet dat de tenuitvoerleggingsstaat strafvervolging instelt tegen de persoon om wiens overlevering wordt verzocht en omvat evenmin een beoordeling van de zaak ten gronde [zie naar analogie arrest van 14 september 2023, Sofiyska gradska prokuratura (Opeenvolgende aanhoudingsbevelen), C‑71/21, EU:C:2023:668, punten 52‑54].
95 Hetzelfde geldt voor een beslissing, zoals de beslissing tot erkenning en tot tenuitvoerlegging, waarbij een in een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling wordt erkend en waarbij de tenuitvoerlegging van de bij die veroordeling opgelegde sanctie wordt gelast.
96 Zoals blijkt uit de in punt 94 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak, betekent het in dit kader verrichte onderzoek niet dat er strafvervolging tegen de gevonniste persoon wordt ingesteld en omvat het evenmin een beoordeling van de zaak ten gronde. Een dergelijke beslissing leidt niet tot een nieuwe veroordeling voor dezelfde feiten, maar zorgt ervoor dat de in de beslissingsstaat opgelegde veroordeling ten uitvoer kan worden gelegd in de tenuitvoerleggingsstaat.
97 Een beslissing waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel heeft geweigerd op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, de strafrechtelijke veroordeling tot die straf heeft erkend en de tenuitvoerlegging van die straf heeft gelast, kan niet worden beschouwd als een „onherroepelijke berechting voor dezelfde feiten” in de zin van artikel 3, punt 2, van dat kaderbesluit.
98 Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat een beslissing waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit op grond van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit de overlevering van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf heeft geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling tot die straf heeft erkend en de tenuitvoerlegging van die straf in de tenuitvoerleggingsstaat heeft gelast, geen „onherroepelijke berechting voor dezelfde feiten” vormt in de zin van deze bepaling.
Vijfde vraag
99 Gelet op het antwoord op de vierde vraag, hoeft de vijfde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
100 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, en de artikelen 4, 22 en 25 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
– ten eerste, de weigering door de uitvoerende rechterlijke autoriteit, op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, om een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf over te leveren, veronderstelt dat die rechterlijke autoriteit de voorwaarden en de procedure in acht neemt die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf, en
– ten tweede, de beslissingsstaat het recht behoudt om diezelfde straf ten uitvoer te leggen, en dus het Europees aanhoudingsbevel te handhaven in de omstandigheden waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit op basis van die grond heeft geweigerd om dit Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen zonder de voorwaarden en de procedure in acht te nemen die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van die veroordeling en die overname.
2) Artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584
moet aldus worden uitgelegd dat
een beslissing waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit op grond van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit de overlevering van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf heeft geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling tot die straf heeft erkend en de tenuitvoerlegging van die straf in de tenuitvoerleggingsstaat heeft gelast, geen „onherroepelijke berechting voor dezelfde feiten” vormt in de zin van deze bepaling.
ondertekeningen
* Procestaal: Roemeens.