Help Print this page 
Title and reference
Verordening (EG) nr. 181/2006 van de Commissie van 1 februari 2006 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat andere biologische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest betreft en tot wijziging van die verordening (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 330M , 28.11.2006, p. 77–80 (MT)
OJ L 29, 2.2.2006, p. 31–34 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 082 P. 10 - 13
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 082 P. 10 - 13
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

2.2.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/31


VERORDENING (EG) Nr. 181/2006 VAN DE COMMISSIE

van 1 februari 2006

ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat andere biologische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest betreft en tot wijziging van die verordening

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (1), en met name op artikel 20, lid 2, artikel 22, lid 2, en artikel 32, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1774/2002 verbiedt het gebruik op weiden van andere biologische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest. Dit verbod is in overeenstemming met het huidige binnen de Europese Unie geldende voederverbod en is bedoeld om mogelijke risico's op besmetting door weiden waarop categorie 2-materiaal en categorie 3-materiaal aanwezig zou kunnen zijn, te voorkomen. Dergelijke risico's kunnen ontstaan als gevolg van directe begrazing of van het gebruik van gras als kuilvoer of hooi voor vee. De verordening bepaalt dat maatregelen tot uitvoering van het verbod, met inbegrip van controlemaatregelen, na raadpleging van het bevoegde wetenschappelijke comité aangenomen dienen te worden.

(2)

Verscheidene wetenschappelijke comités hebben een aantal wetenschappelijke adviezen met betrekking tot het gebruik op het land van biologische meststoffen en bodemverbeteraars uitgebracht. Dit zijn het advies van 24 en 25 september 1998 van de Wetenschappelijke Stuurgroep over de veiligheid van organische meststoffen afkomstig van zoogdieren, het advies van 24 april 2001 van het Wetenschappelijk Comité voor de toxiciteit, de ecotoxiciteit en het milieu over de evaluatie van slibbehandelingen ter bestrijding van ziekteverwekkers, het advies van 10 en 11 mei 2001 van de Wetenschappelijke Stuurgroep over de veiligheid van biologische meststoffen afkomstig van materiaal van herkauwers en het advies van 3 maart 2004 van het wetenschappelijk panel voor biologische gevaren van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid over de veiligheid ten aanzien van biologische risico's, waaronder TSE's, van het gebruik op weiden van biologische meststoffen en bodemverbeteraars.

(3)

In deze wetenschappelijke adviezen wordt de verwerking van dierlijke weefsels die mogelijk TSE-agentia bevatten in biologische meststoffen en bodemverbeteraars voor gebruik op land waar runderen kunnen komen, afgeraden. Andere materialen mogen bij de vervaardiging van biologische meststoffen en bodemverbeteraars worden gebruikt wanneer aan bepaalde gezondheidsvoorschriften betreffende verhitting en veilig bronmateriaal wordt voldaan, hetgeen eventuele risico's verder beperkt.

(4)

In het licht van deze wetenschappelijke adviezen dienen uitvoeringsbepalingen, met inbegrip van controlemaatregelen, inzake het gebruik op het land van biologische meststoffen en bodemverbeteraars alsmede gistingsresiduen en compost te worden vastgesteld.

(5)

De in deze verordening vervatte uitvoeringsbepalingen mogen geen afbreuk doen aan de thans op grond van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van toepassing zijnde overgangsmaatregelen.

(6)

Biologische meststoffen en bodemverbeteraars moeten in de handel gebracht en uitgevoerd kunnen worden op voorwaarde dat aan de in deze verordening bepaalde voorschriften wordt voldaan.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 vastgestelde overgangsmaatregelen.

2.   De lidstaten mogen nationale voorschriften toepassen die strenger zijn dan in deze verordening is voorzien betreffende de manier waarop biologische meststoffen en bodemverbeteraars op hun grondgebied worden gebruikt, mits die voorschriften gerechtvaardigd zijn met het oog op de gezondheid van mens en dier.

Artikel 2

Wijziging

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 wordt punt 39 vervangen door:

„39)

weiden: met gras of andere weidegewassen bedekt land dat door vee wordt begraasd of als voeder voor vee wordt gebruikt, met uitzondering van land waarop biologische meststoffen en bodemverbeteraars in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 181/2006 van de Commissie (2) zijn gebruikt.

Artikel 3

Eisen voor biologische meststoffen en bodemverbeteraars

Biologische meststoffen en bodemverbeteraars worden uitsluitend uit categorie 2-materiaal en categorie 3-materiaal vervaardigd.

Artikel 4

Bestrijding van ziekteverwekkers en verpakking en etikettering

Biologische meststoffen en bodemverbeteraars voldoen aan de in deel I en deel II van de bijlage opgenomen eisen inzake bestrijding van ziekteverwekkers en verpakking en etikettering.

Artikel 5

Vervoer

Biologische meststoffen en bodemverbeteraars worden overeenkomstig de in deel III van de bijlage opgenomen eisen vervoerd.

Artikel 6

Beperkingen van het gebruik en speciale beperkingen inzake begrazing

1.   De in deel IV van de bijlage opgenomen speciale beperkingen inzake begrazing zijn van toepassing indien biologische meststoffen en bodemverbeteraars op het land worden gebruikt.

2.   Verwerkte producten die bij de verwerking van dierlijke bijproducten in een verwerkingsbedrijf zijn verkregen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 worden niet als zodanig direct op land gebruikt waar vee kan komen.

Artikel 7

Registers

De persoon die verantwoordelijk is voor land waarop biologische meststoffen en bodemverbeteraars worden gebruikt en waar vee kan komen, houdt gedurende een periode van ten minste twee jaar registers bij van:

a)

de hoeveelheden gebruikte biologische meststoffen en bodemverbeteraars;

b)

de datum waarop en de plaatsen waar biologische meststoffen en bodemverbeteraars op het land zijn gebruikt;

c)

de data waarop vee het land mag begrazen of waarop het land voor de productie van diervoeder wordt bebouwd.

Artikel 8

In de handel brengen, uitvoer en doorvoer

Bij het in de handel brengen, uitvoeren en doorvoeren van biologische meststoffen en bodemverbeteraars wordt aan de in deel I en deel II van de bijlage opgenomen eisen voldaan.

Artikel 9

Controlemaatregelen

1.   De bevoegde autoriteit neemt de nodige maatregelen om de naleving van deze verordening te waarborgen.

2.   De bevoegde autoriteit voert regelmatig controles uit op land waarop biologische meststoffen en bodemverbeteraars worden gebruikt en waar vee kan komen.

3.   Als door de bevoegde autoriteit uitgevoerde controles uitwijzen dat niet aan deze verordening wordt voldaan, treft de bevoegde autoriteit passende maatregelen.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 april 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 februari 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 416/2005 (PB L 66 van 12.3.2005, blz. 10).

(2)  PB L 29 van 2.2.2006, blz. 31”.


BIJLAGE

EISEN VOOR BIOLOGISCHE MESTSTOFFEN EN BODEMVERBETERAARS VOOR GEBRUIK OP HET LAND

I.   Bestrijding van ziekteverwekkers

Producenten van biologische meststoffen en bodemverbeteraars moeten waarborgen dat voordat deze producten op het land worden gebruikt ziekteverwekkers zijn vernietigd overeenkomstig:

hoofdstuk I, onder D, punt 10, van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 voor verwerkte dierlijke eiwitten of verwerkte producten afkomstig van categorie 2-materiaal;

hoofdstuk II van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 voor compost en biogasresiduen.

II.   Verpakking en etikettering

1.

Na verwerking en/of transformatie in overeenstemming met, naar gelang het geval, artikel 5, lid 2, of artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1774/2002 moeten biologische meststoffen en bodemverbeteraars adequaat worden opgeslagen en verpakt worden vervoerd.

2.

De verpakking moet een duidelijk en leesbaar etiket met de naam en het adres van de productie-inrichting dragen alsmede het volgende opschrift: „biologische meststoffen en bodemverbeteraars/vee mag niet op het land komen gedurende ten minste 21 dagen na het gebruik hiervan op het land”.

III.   Vervoer

1.

De bevoegde autoriteit mag besluiten de punten 1 en 2 van deel II niet toe te passen op biologische meststoffen en bodemverbeteraars die worden vervoerd binnen en/of gebruikt in dezelfde lidstaat of die worden vervoerd naar en/of gebruikt in een andere lidstaat wanneer de betrokken lidstaten zulks onderling overeen zijn gekomen, mits dit besluit geen risico voor de gezondheid van mens en dier oplevert.

2.

Het handelsdocument dat met biologische meststoffen en bodemverbeteraars wordt meegezonden, moet het volgende opschrift dragen: „biologische meststoffen en bodemverbeteraars/vee mag niet op het land komen gedurende ten minste 21 dagen na het gebruik hiervan op het land”.

3.

Een handelsdocument is niet vereist indien de biologische meststoffen en bodemverbeteraars door detailhandelaars worden geleverd aan eindgebruikers die geen bedrijven zijn.

IV.   Speciale beperkingen inzake begrazing

1.

De bevoegde autoriteit moet alle nodige maatregelen treffen om te waarborgen dat vee niet op land komt waarop biologische meststoffen en bodemverbeteraars zijn gebruikt voordat 21 dagen zijn verstreken vanaf het moment waarop deze voor het laatst zijn gebruikt.

2.

Indien meer dan 21 dagen zijn verstreken vanaf het moment waarop biologische meststoffen en bodemverbeteraars voor het laatst zijn gebruikt, mag begrazing worden toegestaan of mogen gras of andere weidegewassen voor gebruik in diervoeder worden gemaaid, mits de bevoegde autoriteit niet van mening is dat deze praktijk een risico voor de gezondheid van mens of dier oplevert.

3.

De bevoegde autoriteit mag een langere periode dan vermeld in punt 2 vaststellen gedurende welke begrazing met het oog op de gezondheid van mens en dier is verboden.

4.

De bevoegde autoriteit moet waarborgen dat gidsen voor goede landbouwpraktijken worden opgesteld en aan diegenen die biologische meststoffen en bodemverbeteraars op het land gebruiken ter beschikking worden gesteld, waarbij met lokale omstandigheden rekening wordt gehouden.


Top