EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32023R0857

Verordening (EU) 2023/857 van het Europees Parlement en de Raad van 19 april 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2018/842 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en van Verordening (EU) 2018/1999 (Voor de EER relevante tekst)

PE/72/2022/REV/1

OJ L 111, 26.4.2023, p. 1–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/857/oj

26.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 111/1


VERORDENING (EU) 2023/857 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 19 april 2023

tot wijziging van Verordening (EU) 2018/842 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en van Verordening (EU) 2018/1999

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst van Parijs (4), die op 12 december 2015 in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change — UNFCCC) is ondertekend (de “Overeenkomst van Parijs”), is op 4 november 2016 in werking getreden. De partijen bij de Overeenkomst van Parijs zijn overeengekomen de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C boven het pre-industriële niveau te houden, en te blijven streven naar een maximale temperatuurstijging van 1,5 °C boven dit pre-industriële niveau. Die toezegging is versterkt door de goedkeuring, in het kader van het UNFCCC, van het klimaatpact van Glasgow op 13 november 2021, waarin de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC, die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert, erkent dat de gevolgen van klimaatverandering veel geringer zullen zijn bij een temperatuurstijging van 1,5 °C ten opzichte van 2 °C, en waarin zij besluit de inspanningen voort te zetten om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C.

(2)

Het wordt steeds dringender maatregelen te nemen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, zoals de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) heeft verklaard in zijn verslagen van 7 augustus 2021 getiteld “Climate change 2021: The Physical Science Basis” (“Klimaatverandering 2021: de natuurkundige basis”), van 28 februari 2022 getiteld “Climate Change 2022: Impacts, Adaptation and Vulnerability” (“Klimaatverandering 2022: impact, aanpassing en kwetsbaarheid”), en van 4 april 2022 getiteld “Climate Change 2022: Mitigation of Climate Change” (“Klimaatverandering 2022: beperking van de klimaatverandering”). De Unie moet daarom op die urgentie reageren door haar inspanningen op te voeren.

(3)

De Unie beschikt over een regelgevingskader voor de verwezenlijking van de broeikasgasemissiereductiedoelstelling van ten minste 40 % voor 2030, die in 2014 — vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst van Parijs — door de Europese Raad is bekrachtigd. Dat regelgevingskader omvat onder meer Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie (EU-ETS), Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad (6) op grond waarvan de lidstaten broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (land use, land use change and forestry — LULUCF) met elkaar in evenwicht moeten brengen, en Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad (7) tot vaststelling van nationale streefcijfers voor de vermindering van broeikasgasemissies tegen 2030 voor de sectoren die noch onder Richtlijn 2003/87/EG, noch onder Verordening (EU) 2018/841 vallen.

(4)

De mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal vormt een uitgangspunt voor de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit en vervolgens negatieve emissies te bereiken, zoals vastgelegd in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (8) (“Europese klimaatwet”). De Europese Green Deal omvat een uitgebreide reeks elkaar versterkende maatregelen en initiatieven die erop gericht zijn uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de Unie te bereiken, en er wordt een nieuwe groeistrategie in vastgesteld die tot doel heeft de Unie om te vormen tot een eerlijke en welvarende samenleving, met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie waarin economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. De Green Deal moet daarnaast het natuurlijk kapitaal van de Unie beschermen, behouden en verbeteren, en de gezondheid en het welzijn van de burgers beschermen tegen milieugerelateerde risico’s en effecten. Tegelijkertijd heeft die transitie gendergelijkheidsaspecten en een bijzonder effect op bepaalde kansarme en kwetsbare groepen, zoals ouderen, personen met een handicap en personen die tot een raciale of etnische minderheid behoren. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat de transitie rechtvaardig en inclusief is en dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten.

(5)

Op 16 juni 2022 heeft de Raad een aanbeveling inzake het garanderen van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit (9) aangenomen, waarin wordt gewezen op de noodzaak van begeleidende maatregelen en bijzondere aandacht voor de ondersteuning van regio’s, industrieën, micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, werknemers, huishoudens en consumenten die voor de grootste uitdagingen zullen staan. In die aanbeveling worden de lidstaten aangemoedigd een reeks maatregelen te overwegen op het gebied van werkgelegenheid en arbeidsmarkttransities, het scheppen van banen en ondernemerschap, gezondheid en veiligheid op het werk, overheidsopdrachten, belasting- en socialebeschermingsstelsels, essentiële diensten en huisvesting, alsook, onder meer met het oog op meer gendergelijkheid, op het gebied van onderwijs en opleiding.

(6)

Door de vaststelling van Verordening (EU) 2021/1119 heeft de Unie de bindende doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit voor de hele economie te bereiken, waardoor de emissies tegen die datum tot nul worden teruggebracht, én de doelstelling om daarna negatieve emissies te bereiken, in wetgeving vastgelegd. Bij die verordening is ook de bindende doelstelling van de Unie vastgesteld om de nettobroeikasgasemissies (emissies na aftrek van verwijderingen) in de Unie tegen 2030 met ten minste 55 % te reduceren ten opzichte van de niveaus van 1990. Voorts wordt in die verordening bepaald dat de bijdrage van nettoverwijderingen aan de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 moet worden beperkt tot 225 miljoen ton CO2-equivalent.

(7)

Om de in Verordening (EU) 2021/1119 vastgestelde verbintenissen na te komen en de bijdragen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs ten uitvoer te leggen, moet het regelgevingskader van de Unie voor het bereiken van de broeikasgasemissiereductiedoelstelling voor 2030 worden aangepast.

(8)

Verordening (EU) 2018/842 legt verplichtingen vast voor de lidstaten met betrekking tot de minimumbijdragen die zij in de periode 2021 tot en met 2030 moeten leveren om het huidige streefdoel van de Unie te halen, namelijk haar uitstoot van broeikasgassen in de door artikel 2 van die verordening bestreken sectoren in 2030 met 30 % te hebben verminderd in vergelijking met de niveaus van 2005. Bij die verordening worden tevens regels vastgesteld voor het bepalen van de jaarlijkse emissieruimten en voor de evaluatie van de vorderingen van de lidstaten bij het leveren van hun minimumbijdrage.

(9)

De handel in emissierechten zal weliswaar ook van toepassing zijn op broeikasgasemissies van zeevervoer en van gebouwen, wegvervoer en aanvullende sectoren maar het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2018/842 moet ongewijzigd blijven. Verordening (EU) 2018/842 moet daarom van toepassing blijven op de broeikasgasemissies van de binnenlandse scheepvaart, maar niet op die van de internationale scheepvaart. Het feit dat installaties voor de verbranding van huishoudelijk afval zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG, voor de toepassing van de artikelen 14 en 15 van die richtlijn, mag evenmin gevolgen hebben voor het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2018/842. De voor nalevingscontroles in aanmerking te nemen broeikasgasemissies van een lidstaat die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2018/842 vallen, zullen verder worden bepaald na de voltooiing van de inventarisevaluaties uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (10).

(10)

Overeenkomstig de IPCC-richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen van 2006 worden CO2-emissies uit biomassa voor energie gerapporteerd onder de categorieën landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het kader van Verordening (EU) 2018/841. Om dubbeltelling te voorkomen, geldt voor broeikasgasemissies uit biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen een nultarief voor de bepaling van broeikasgasemissies overeenkomstig Verordening (EU) 2018/842. Om rekening te houden met de effecten van indirecte veranderingen in landgebruik en om de duurzaamheid van dergelijke brandstoffen te bevorderen, is het belangrijk dat alle lidstaten Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (11), inclusief de daarin opgenomen criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereductie voor dergelijke brandstoffen, integraal uitvoeren.

(11)

In sommige sectoren zijn de broeikasgasemissies gestegen of stabiel gebleven. In haar mededeling van 17 september 2020 inzake “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030 — Investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” heeft de Commissie aangegeven dat de verhoogde algemene broeikasgasemissiereductiedoelstelling voor 2030 alleen haalbaar is als alle sectoren bijdragen.

(12)

In zijn conclusies van 11 december 2020 heeft de Europese Raad verklaard dat de nieuwe broeikasgasemissiereductiedoelstelling voor 2030 collectief door de Unie op een zo kosteneffectief mogelijke manier zal worden verwezenlijkt, en dat alle lidstaten hieraan zullen meewerken op basis van billijkheid en solidariteit, zonder iemand aan zijn lot over te laten, en dat de nieuwe doelstelling voor 2030 op zodanige wijze moet worden verwezenlijkt dat het concurrentievermogen van de Unie wordt gevrijwaard en rekening wordt gehouden met de verschillende uitgangsposities, de specifieke nationale omstandigheden en het potentieel op het gebied van de reductie van broeikasgasemissies van elk van de lidstaten, inclusief met die van insulaire lidstaten en eilanden, alsook met de reeds geleverde inspanningen.

(13)

Om de nieuwe doelstelling van de Unie voor 2030 betreffende een vermindering van de nettobroeikasgasemissies met ten minste 55 % ten opzichte van het niveau van 1990 te verwezenlijken, zullen de sectoren die onder Verordening (EU) 2018/842 vallen hun broeikasgasemissies geleidelijk moeten terugdringen tot zij in 2030 een reductie van 40 % ten opzichte van de niveaus van 2005 hebben behaald. Verordening (EU) 2018/842 draagt ook bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en van de doelstelling van de Unie, krachtens Verordening (EU) 2021/1119, om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, hetgeen vereist dat de inspanningen van alle lidstaten na verloop van tijd op elkaar worden afgestemd, met inaanmerkingneming van specifieke nationale omstandigheden.

(14)

Het in Verordening (EU) 2018/842 vastgestelde broeikasgasemissiereductiestreefcijfer voor 2030 moet voor elke lidstaat worden herzien. Voor de herziening van de nationale broeikasgasemissiereductiestreefcijfers voor 2030 moet dezelfde methode worden gebruikt als bij de vaststelling van Verordening (EU) 2018/842, waarvoor bij het vaststellen van de nationale bijdragen rekening werd gehouden met de verschillende capaciteiten van en mogelijkheden wat betreft kostenefficiëntie in de lidstaten, met het oog op een billijke en evenwichtige verdeling van de inspanningen. De broeikasgasemissiereductiestreefcijfers voor elke lidstaat in 2030 moeten derhalve worden bepaald op basis van het niveau van zijn broeikasgasemissies in 2005 die onder die verordening vallen, zoals herzien overeenkomstig artikel 4, lid 3, van die verordening, met uitzondering van geverifieerde broeikasgasemissies van installaties die in 2005 in bedrijf waren en die pas na 2005 in het EU-ETS waren opgenomen.

(15)

Bijgevolg zijn vanaf het jaar van inwerkingtreding van deze verordening nieuwe bindende nationale grenswaarden nodig, uitgedrukt in jaarlijkse emissieruimten. Die grenswaarden zullen geleidelijk leiden tot het broeikasgasemissiereductiestreefcijfer voor 2030 van elke lidstaat. De jaarlijkse grenswaarden voor de jaren die voorafgaan aan het jaar van inwerkingtreding van deze verordening, zoals vastgesteld in Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/2126 van de Commissie (12), worden gehandhaafd.

(16)

De COVID-19-pandemie en de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne hebben gevolgen voor de economie van de Unie en het niveau van haar broeikasgasemissies in een mate die nog niet volledig kan worden gekwantificeerd. Aan de andere kant zet de Unie haar grootste stimuleringspakket ooit in en stapt zij sneller af van fossiele brandstoffen, wat ook gevolgen kan hebben voor het niveau van de broeikasgasemissies. Gezien deze onzekerheden en andere onvoorziene gebeurtenissen die gevolgen hebben voor de broeikasgasemissies, is het passend om in 2025 de emissiegegevens te evalueren en de jaarlijkse emissieruimten voor de jaren 2026 tot en met 2030 zo nodig bij te stellen. Dat moet gebeuren op basis van een uitgebreide evaluatie van de nationale inventarisgegevens die door de Commissie wordt uitgevoerd om de gemiddelde broeikasgasemissies van elke lidstaat voor de jaren 2021, 2022 en 2023 te bepalen.

(17)

In overeenstemming met Verordening (EU) 2021/1119 moet prioriteit worden gegeven aan reducties van directe broeikasgasemissies, die zullen moeten worden aangevuld met extra koolstofverwijderingen om klimaatneutraliteit te bereiken. In Verordening (EU) 2021/1119 wordt erkend dat koolstofputten natuurlijke en technologische oplossingen omvatten. Het is belangrijk dat er een Unieregeling wordt ingevoerd voor de certificering van veilig en permanent opgeslagen koolstofverwijderingen die door middel van technologische oplossingen zijn verkregen, waardoor de lidstaten en marktdeelnemers duidelijkheid wordt geboden om het aantal koolstofverwijderingen te kunnen vergroten. Wanneer een dergelijke certificeringsregeling van kracht is, kan een analyse worden gemaakt van de boekhouding van dergelijke koolstofverwijderingen in het kader van het Unierecht.

(18)

Om eerdere maatregelen te stimuleren en de milieu-integriteit verder te waarborgen, is het noodzakelijk en passend de maxima voor het lenen en reserveren van jaarlijkse emissieruimten voor de hele periode van 2021 tot en met 2030 te verlagen. Aan de andere kant moeten de lidstaten in staat zijn hun broeikasgasemissies geleidelijk te verminderen en op kosteneffectieve wijze hun verhoogde nationale broeikasgasemissiereductiestreefcijfers voor 2030 te bereiken. Met het oog op de nieuwe, stringentere jaarlijkse emissieruimten die deze verordening voorschrijft, is het passend de bestaande maxima voor het overhevelen van jaarlijkse emissieruimten tussen lidstaten te verhogen. De mogelijkheid om jaarlijkse emissieruimten over te dragen, werkt samenwerking tussen de lidstaten in de hand, waardoor zij hun broeikasgasemissiereductiestreefcijfers op kosteneffectieve wijze en met behoud van de milieu-integriteit kunnen bereiken. Dit overhevelen moet op transparante en aldus op een voor beide partijen geschikte wijze gebeuren, onder meer via veilingen, waarbij tussenpersonen worden ingeschakeld die als agent optreden, op basis van bilaterale regelingen of met een elektronische interface ter vergemakkelijking van de uitwisseling van informatie over voorgenomen overdrachten en ter verlaging van de transactiekosten.

De lidstaten zijn overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1208 van de Commissie (13) reeds verplicht de beknopte informatie over afgesloten overdrachten te verstrekken. Nadat de Commissie de informatie heeft verzameld, wordt binnen drie maanden na ontvangst van de verslagen van de lidstaten een samenvatting van de verstrekte informatie in elektronische vorm beschikbaar gesteld, met vermelding van de bandbreedte van de prijzen die voor elke jaarlijkse toewijzingstransactie met betrekking tot de emissieruimte zijn betaald. Voorts kunnen de lidstaten, binnen de twee perioden tussen de bekendmaking van de in artikel 38, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1999 bedoelde uitvoeringshandelingen en de aanvang van de nalevingscontroleprocedure, op de 15e van elke maand aan de Commissie verslag uitbrengen over de afgesloten overdrachten. Bovendien wordt de lidstaten verzocht de betreffende informatie voortdurend bij te werken teneinde de uitwisseling van informatie over voorgenomen overdrachten te vergemakkelijken. Door de Commissie wordt een samenvatting van de ontvangen informatie opgesteld, die tijdig en in elektronische vorm beschikbaar wordt gesteld. Ten behoeve van een betere transparantie vóór elke daadwerkelijke overdracht moeten de lidstaten het bij Verordening (EU) 2018/1999 ingestelde Comité klimaatverandering in kennis stellen van hun voornemen om een deel van hun jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar over te dragen. Derhalve moet Verordening (EU) 2018/1999 worden gewijzigd.

(19)

Voor bepaalde lidstaten is het mogelijk dat er met het oog op de naleving van Verordening (EU) 2018/842 rekening wordt gehouden met de annulering van een beperkte hoeveelheid emissierechten in het EU-ETS (de “EU-ETS-flexibiliteit”). Van de lidstaten die in aanmerking komen, hebben er twee geen gebruik gemaakt van de EU-ETS-flexibiliteit, en heeft één er niet volledig gebruik van gemaakt. Gezien het verhoogde ambitieniveau dat bij deze verordening is vastgesteld, moeten die lidstaten een nieuwe mogelijkheid krijgen om van die flexibiliteit gebruik te maken of er verder gebruik van te maken. Daarom moet een nieuwe termijn worden vastgesteld waarbinnen het voor die lidstaten mogelijk is de Commissie in kennis te stellen van hun voornemen om van die flexibiliteit gebruik te maken of er verder gebruik van te maken. Daarnaast is, gezien de specifieke structuur van de Maltese economie, het nationale broeikasgasemissiereductiestreefcijfer van die lidstaat op basis van het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking aanzienlijk hoger dan zijn kosteneffectief reductiepotentieel. Het is daarom passend Malta uitgebreider toegang tot die flexibiliteit te geven, zonder daarbij de doelstelling van de Unie inzake emissiereducties voor 2030 in het gedrang te brengen.

(20)

Naast de EU-ETS-flexibiliteit kan een beperkte hoeveelheid nettoverwijderingen en netto-emissies uit LULUCF in aanmerking worden genomen voor de naleving van de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van Verordening (EU) 2018/842 (de “LULUCF-flexibiliteit”). Om ervoor te zorgen dat tot 2030 voldoende beperkingsinspanningen worden geleverd, is het passend het gebruik van de LULUCF-flexibiliteit te beperken door het gebruik van de LULUCF-flexibiliteit op te splitsen in twee afzonderlijke perioden, met voor elk een bovengrens die overeenkomt met de helft van de in bijlage III bij Verordening (EU) 2018/842 vastgestelde maximumhoeveelheid totale nettoverwijderingen. Het is ook passend de titel van die bijlage in overeenstemming te brengen met Verordening (EU) 2018/841 zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/268 van de Commissie (14). Bijgevolg hoeft Verordening (EU) 2018/842 niet langer aan de Commissie de bevoegdheid te verlenen om gedelegeerde handelingen vast te stellen om de titel van bijlage III bij die verordening te wijzigen. Artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) 2018/842 moet daarom worden geschrapt.

(21)

Indien de Commissie vaststelt dat een lidstaat onvoldoende vooruitgang boekt om zijn jaarlijkse emissieniveaus uit hoofde van Verordening (EU) 2018/842 te halen, moeten de correctiemechanismen uit hoofde van die verordening worden versterkt om snelle en doeltreffende maatregelen mogelijk te maken. Daarom is het passend de voorschriften te herzien die van toepassing zijn op door de lidstaten bij de Commissie in te dienen corrigerende actieplannen wanneer onvoldoende vooruitgang wordt geboekt.

(22)

De Unie en de lidstaten zijn partij bij het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (15) (het “Verdrag van Aarhus”). Publieke toetsing en toegang tot de rechter zijn essentiële onderdelen van de democratische waarden van de Unie en instrumenten om de rechtsstaat te waarborgen.

(23)

Bij de klimaatactie van de Unie moet worden gebruikgemaakt van de meest recente wetenschap. Het advies van de bij artikel 10 bis van Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad (16) opgerichte Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering moet daarom in de context van Verordening (EU) 2018/842 worden beschouwd.

(24)

Gezien de invoering van een striktere nalevingsregeling in Verordening (EU) 2018/841 met ingang van 2026 is het passend de regeling dat indien de broeikasgasemissies die elke lidstaat in de periode van 2026 tot en met 2030 voor de LULUCF-sector heeft gegenereerd hoger uitvielen dan zijn verwijderingen, de jaarlijkse emissieruimten dienovereenkomstig worden verkleind, af te schaffen. Artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) 2018/842 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(25)

Het is passend dat bij de herziening van Verordening (EU) 2018/842 in 2024 rekening wordt gehouden met de broeikasgasemissiereductiestreefcijfers van de Unie uit hoofde van Verordening (EU) 2021/1119, de verbintenis van de Unie ten aanzien van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en alle betreffende verbintenissen die voortvloeien uit de conferenties van de partijen bij het UNFCCC. Bovendien moet die herziening een reductietraject voor broeikasgasemissies omvatten dat verenigbaar is met de bindende doelstelling van klimaatneutraliteit in de Unie tegen 2050 uit hoofde van Verordening (EU) 2021/1119.

(26)

Niet-CO2-broeikasgasemissies, zoals methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen, zijn verantwoordelijk voor meer dan 20 % van de broeikasgasemissies van de Unie. Niet-CO2-broeikasgasemissies vallen onder Verordening (EU) 2018/842 en zullen daarom noodzakelijkerwijs deel uitmaken van de maatregelen die de lidstaten zullen nemen om te voldoen aan hun verhoogde broeikasgasemissiereductiestreefcijfers voor 2030 uit hoofde van deze verordening. Uiterlijk op 30 juni 2023 moeten de lidstaten een ontwerpactualisering van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen indienen bij de Commissie. De Commissie zal in dat verband richtsnoeren uitvaardigen, onder meer om de lidstaten aan te moedigen streefcijfers en beleid vast te stellen om methaanemissies terug te dringen. Evenzo moeten de lidstaten beoordelen of hun strategische plannen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten worden herzien om rekening te houden met de verhoogde ambitie die in Verordening (EU) 2018/842 is ingeschreven sinds de wijziging ervan door de onderhavige verordening. De Commissie zal informatie over de resultaten van de gecombineerde inspanningen van de Unie en de lidstaten met betrekking tot niet-CO2-emissies opnemen in de jaarverslagen op grond van artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) 2018/1999. De Commissie moet ook ontwerpen van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen beoordelen en kan aanbevelingen doen aan lidstaten die onvoldoende vooruitgang boeken. De Commissie zal in het kader van de herziening van Verordening (EU) 2018/841 de huidige trends en toekomstige prognoses van broeikasgasemissies door de landbouw beoordelen, alsook regelgevingsopties om ervoor te zorgen dat zij consistent zijn met de doelstelling om broeikasgasemissiereducties op lange termijn in alle sectoren van de economie te verwezenlijken overeenkomstig de doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit en de tussentijdse klimaatdoelstellingen van de Unie als vastgesteld in Verordening (EU) 2021/1119. Bij de herziening van Verordening (EU) 2018/842 zal de Commissie beoordelen hoe alle sectoren die onder die verordening vallen, ook andere sectoren dan de landbouw, bijdragen tot de vermindering van broeikasgasemissies, met inbegrip van met name de bereikte vermindering van niet-CO2-broeikasgasemissies.

(27)

Daar de doelstellingen van deze verordening, met name bijstelling, in het licht van Verordening (EU) 2021/1119, van verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot hun minimumbijdragen voor de periode 2021 tot en met 2030 voor de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie om haar broeikasgasemissies te reduceren en bij te dragen tot het bereiken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(28)

De Verordeningen (EU) 2018/842 en (EU) 2018/1999 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2018/842

Verordening (EU) 2018/842 wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 1 wordt vervangen door:

“Artikel 1

Voorwerp

Deze verordening legt verplichtingen vast voor de lidstaten met betrekking tot de minimumbijdragen die zij in de periode 2021 tot en met 2030 moeten leveren om het streefdoel van de Unie te halen, namelijk haar uitstoot van broeikasgassen in de door artikel 2 van deze verordening bestreken sectoren tegen 2030 met 40 % te verminderen in vergelijking met de niveaus van 2005. Zij draagt bij aan de langetermijndoelstelling van de Unie om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn met het doel om daarna negatieve emissies te bereiken. De verordening draagt op die manier ook bij aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (*1) (“Europese klimaatwet”) en de Overeenkomst van Parijs. Bij deze verordening worden tevens regels vastgesteld voor het bepalen van de jaarlijkse emissieruimten en voor de evaluatie van de vorderingen van de lidstaten bij het leveren van hun minimumbijdrage.

(*1)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).”;"

2)

in artikel 2 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Deze verordening is van toepassing op de broeikasgasemissies van de IPCC-broncategorieën energie, industriële processen en gebruik van producten, landbouw en afval zoals bepaald in het kader van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (*2), met uitzondering van de broeikasgasemissies afkomstig van de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG, met uitzondering van de activiteit “zeevervoer” en activiteiten die daarin uitsluitend zijn opgenomen voor de toepassing van de artikelen 14 en 15 van die richtlijn.

(*2)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).”;"

3)

artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1 tot en met 4 worden vervangen door:

“1.   Iedere lidstaat beperkt in 2030 zijn broeikasgasemissies met ten minste het percentage dat voor die lidstaat in kolom 2 van bijlage I is vastgesteld ten opzichte van de broeikasgasemissies van die lidstaat in 2005, vastgesteld krachtens lid 3 van dit artikel.

2.   Met inachtneming van de in de artikelen 5, 6 en 7 van deze verordening genoemde vormen van flexibiliteit en de aanpassing overeenkomstig artikel 10, lid 2, van deze verordening, en rekening houdend met een eventuele verkleining van de emissieruimte ingevolge artikel 7 van Beschikking nr. 406/2009/EG, zorgt elke lidstaat ervoor dat zijn broeikasgasemissies:

a)

in de jaren 2021 en 2022 niet hoger liggen dan de grenswaarde bepaald door een lineair traject, beginnend met het gemiddelde van de broeikasgasemissies van die lidstaat in 2016, 2017 en 2018, zoals bepaald op grond van lid 3 van dit artikel, en eindigend in 2030 op de grenswaarde die voor die lidstaat in kolom 1 van bijlage I bij deze verordening is vastgelegd; het lineair traject van een lidstaat begint hetzij op vijf twaalfde van de afstand van 2019 tot 2020, hetzij in 2020 indien dat in een kleinere jaarlijkse emissieruimte voor die lidstaat resulteert;

b)

in de jaren 2023, 2024 en 2025 niet hoger liggen dan de grenswaarde bepaald door een lineair traject, beginnend in 2022 met de jaarlijkse emissieruimte voor die lidstaat, zoals bepaald op grond van lid 3 van dit artikel, en eindigend in 2030 op de grenswaarde die voor die lidstaat in kolom 2 van bijlage I bij deze verordening is vastgelegd;

c)

in de jaren 2026 tot en met 2030 niet hoger liggen dan de grenswaarde bepaald door een lineair traject, beginnend met het gemiddelde van de broeikasgasemissies van die lidstaat in 2021, 2022 en 2023, zoals ingediend door die lidstaat op grond van artikel 26 van Verordening (EU) 2018/1999 en overeenkomstig lid 3 van dit artikel, en eindigend in 2030 op de grenswaarde die voor die lidstaat in kolom 2 van bijlage I bij deze verordening is vastgelegd; het lineair traject van een lidstaat begint op negen twaalfde van de afstand van 2023 tot 2024.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot bepaling van de jaarlijkse emissieruimten voor elke lidstaat voor de jaren 2021 tot en met 2030, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, overeenkomstig de in lid 2 van dit artikel bedoelde lineaire trajecten.

Voor de jaren 2021 en 2022 bepaalt de Commissie de jaarlijkse emissieruimten op basis van een uitgebreide evaluatie van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingediende recentste nationale inventarisgegevens betreffende de jaren 2005, 2016, 2017 en 2018 en vermeldt zij voor elke lidstaat de waarde van de broeikasgasemissies uit 2005 die wordt gebruikt om die jaarlijkse emissieruimten te bepalen.

Voor de jaren 2023, 2024 en 2025 bepaalt de Commissie voor elke lidstaat de jaarlijkse emissieruimten op basis van de in de tweede alinea van dit lid bedoelde waarde van de broeikasgasemissies uit 2005 en de waarden van de krachtens die tweede alinea geëvalueerde nationale inventarisgegevens voor de jaren 2016, 2017 en 2018.

Voor de jaren 2026 tot en met 2030 bepaalt de Commissie de jaarlijkse emissieruimten op basis van de overeenkomstig de tweede alinea van dit lid vermelde waarde van de broeikasgasemissies uit 2005 voor elke lidstaat en een uitgebreide evaluatie van de recentste nationale inventarisgegevens voor de jaren 2021, 2022 en 2023 die door de lidstaten zijn ingediend overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2018/1999.

4.   In de in lid 3 bedoelde uitvoeringshandelingen worden, op basis van de percentages die door de lidstaten uit hoofde van artikel 6, leden 3, 3 bis en 3 ter, worden meegedeeld, eveneens de totale hoeveelheden gespecificeerd die kunnen worden meegerekend om te bepalen of een lidstaat zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 tussen 2021 en 2030 is nagekomen. Indien de som van de totale hoeveelheden in alle lidstaten hoger ligt dan de collectieve totaalhoeveelheid van 100 miljoen, worden de totale hoeveelheden voor elke lidstaat naar verhouding verminderd zodat de collectieve totaalhoeveelheid niet wordt overschreden.”

;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

“6.   Bij het nemen van de maatregelen om de broeikasgasemissies overeenkomstig de leden 1 en 2 te beperken, houden de lidstaten rekening met de noodzaak om te zorgen voor een eerlijke en sociaal rechtvaardige transitie voor iedereen. De Commissie kan richtsnoeren uitvaardigen om de lidstaten in dat verband te ondersteunen.”

;

4)

artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 kan een lidstaat maximaal 7,5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen.”

;

b)

de leden 3 en 4 worden vervangen door:

“3.   Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, het gebruik van de flexibiliteit krachtens dit artikel en artikel 6 meegerekend, kan deze lidstaat:

a)

wat betreft het jaar 2021, het resterende deel van zijn jaarlijkse emissieruimte tot een niveau van 75 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor 2021 in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot en met 2030, en

b)

wat betreft de jaren 2022 tot en met 2029, het resterende deel van zijn jaarlijkse emissieruimte tot een niveau van 25 % van zijn jaarlijkse emissieruimten tot dat jaar in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot en met 2030.

4.   Een lidstaat kan maximaal 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar overdragen aan andere lidstaten met betrekking tot de jaren 2021 tot en met 2025, en maximaal 15 % met betrekking tot de jaren 2026 tot en met 2030. De ontvangende lidstaat kan die hoeveelheid gebruiken om te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 9 voor het betrokken jaar of de daaropvolgende jaren tot en met 2030.”

;

c)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“5 bis.   Voorafgaand aan elke overdracht van jaarlijkse emissieruimten overeenkomstig de leden 4 en 5 stelt een lidstaat het bij Verordening (EU) 2018/1999 opgerichte Comité klimaatverandering via elektronische weg in kennis van zijn voornemen om een deel van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar over te dragen.”

;

d)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   De inkomsten, of het financiële waarde-equivalent daarvan, die voortvloeien uit overdrachten van jaarlijkse emissieruimten overeenkomstig de leden 4 en 5, moeten door de lidstaten worden gebruikt om klimaatverandering in de Unie of in derde landen aan te pakken. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van acties die overeenkomstig dit lid worden ondernomen en maken die informatie op een gemakkelijk toegankelijke wijze openbaar.”

;

5)

artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt de tweede alinea vervangen door:

“De in bijlage II vermelde lidstaten kunnen eenmaal in 2024 en eenmaal in 2027 besluiten het meegedeelde percentage te herzien. In dat geval stelt de betrokken lidstaat de Commissie daarvan uiterlijk op 31 december 2024, respectievelijk op 31 december 2027 in kennis.”;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

“3 bis.   Malta stelt de Commissie uiterlijk op 31 december 2023 in kennis of het voornemens is gebruik te maken van de in lid 1 van dit artikel genoemde beperkte annulering van EU-ETS-emissierechten tot maximaal het in bijlage II opgenomen percentage voor ieder jaar van de periode van 2025 tot en met 2030 om aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 te voldoen.

3 ter.   Niettegenstaande lid 3 stellen de in bijlage II vermelde lidstaten die de Commissie uiterlijk op 31 december 2019 niet in kennis hebben gesteld van een voornemen om gebruik te maken of volledig gebruik te maken van de in lid 1 van dit artikel genoemde beperkte annulering van EU-ETS-emissierechten, de Commissie uiterlijk op 31 december 2023 in kennis als zij voornemens zijn gebruik te maken of gebruik te blijven maken van die beperkte annulering van EU-ETS-rechten tot maximaal het in bijlage II opgenomen percentage voor ieder jaar van de periode van 2025 tot en met 2030 voor elke betrokken lidstaat om aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 te voldoen.”

;

c)

de leden 4 en 5 worden vervangen door:

“4.   De overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG benoemde centrale administrateur (de “centrale administrateur”) houdt op verzoek van een lidstaat rekening met een hoeveelheid tot maximaal de overeenkomstig artikel 4, lid 4, van deze verordening bepaalde totale hoeveelheid voor de naleving door die lidstaat overeenkomstig artikel 9 van deze verordening. Van 2021 tot en met 2030 wordt voor elk jaar voor die lidstaat een tiende van de overeenkomstig artikel 4, lid 4, van deze verordening vastgestelde totale hoeveelheid EU-ETS-emissierechten geannuleerd krachtens artikel 12, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG. Van 2025 tot en met 2030 wordt voor elk jaar voor lidstaten die overeenkomstig de leden 3 bis en 3 ter van dit artikel de Commissie in kennis hebben gesteld, een zesde van de overeenkomstig artikel 4, lid 4, van deze verordening vastgestelde totale hoeveelheid EU-ETS-emissierechten geannuleerd krachtens artikel 12, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG.

5.   Wanneer een lidstaat overeenkomstig lid 3 de Commissie in kennis heeft gesteld van zijn besluit tot herziening van het eerder meegedeelde percentage, wordt voor die lidstaat een dienovereenkomstig geringere of grotere hoeveelheid EU-ETS-emissierechten geannuleerd voor elk jaar van 2026 tot en met 2030, respectievelijk van 2028 tot en met 2030.”

;

6)

artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

“Extra gebruik van nettoverwijderingen afkomstig van LULUCF”;

b)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de inleidende zin wordt vervangen door:

“1.   In zoverre voor een bepaald jaar de broeikasgasemissies van een lidstaat hoger liggen dan zijn jaarlijkse emissieruimten, met inbegrip van eventuele jaarlijkse emissieruimten in reserve uit hoofde van artikel 5, lid 3, van deze verordening, kan een hoeveelheid van maximaal de som van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissies afkomstig uit de gecombineerde landgerelateerde boekhoudcategorieën die vallen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2018/841 worden meegerekend voor de naleving van de verplichtingen van die lidstaat overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor dat jaar, op voorwaarde dat:”

;

ii)

punt a) wordt vervangen door:

“a)

de totale hoeveelheid die voor die lidstaat wordt meegerekend voor de jaren 2021 tot en met 2025 niet hoger ligt dan de helft van de in bijlage III bij deze verordening voor die lidstaat vastgestelde maximumhoeveelheid totale nettoverwijderingen;

a bis)

de totale hoeveelheid die voor die lidstaat wordt meegerekend voor de jaren 2026 tot en met 2030 niet hoger ligt dan de helft van de in bijlage III bij deze verordening voor die lidstaat vastgestelde maximumhoeveelheid totale nettoverwijderingen;”;

c)

lid 2 wordt geschrapt;

7)

artikel 8 wordt vervangen door:

“Artikel 8

Corrigerende maatregelen

1.   Indien de Commissie bij haar jaarlijkse beoordeling overeenkomstig artikel 29 van Verordening (EU) 2018/1999, rekening houdend met het beoogd gebruik van de flexibiliteit als bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 van de onderhavige verordening, constateert dat een lidstaat onvoldoende vooruitgang boekt bij het voldoen aan zijn verplichtingen op grond van artikel 4 van deze verordening, dient die lidstaat binnen drie maanden bij de Commissie een actieplan met corrigerende maatregelen in dat het volgende omvat:

a)

een gedetailleerde toelichting waarom die lidstaat onvoldoende vooruitgang boekt bij het voldoen aan zijn verplichtingen;

b)

een beoordeling van de wijze waarop de financiering van de Unie de inspanningen van die lidstaat om aan die verplichtingen te voldoen heeft ondersteund en hoe die lidstaat van plan is die financiering te gebruiken om vooruitgang te boeken bij het nakomen van die verplichtingen;

c)

aanvullende maatregelen ter aanvulling van het geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan van die lidstaat overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 of ter versterking van de uitvoering daarvan, die de lidstaat moet uitvoeren om aan die verplichtingen te voldoen, via nationale beleidsinitiatieven en maatregelen en de uitvoering van maatregelen van de Unie, vergezeld van een gedetailleerde beoordeling, die wordt onderbouwd met kwantitatieve gegevens, indien beschikbaar, van de beoogde broeikasgasemissiereducties die uit die maatregelen voortvloeien;

d)

een strikt tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen, zodat de jaarlijkse vooruitgang bij de uitvoering kan worden beoordeeld.

Indien een lidstaat een nationale adviesraad voor het klimaat heeft opgericht, kan hij bij het vaststellen van de in punt c) van de eerste alinea bedoelde noodzakelijke maatregelen advies van deze raad inwinnen.

2.   Het Europees Milieuagentschap staat, overeenkomstig zijn jaarlijkse werkprogramma, de Commissie bij in haar werkzaamheden om zulke actieplannen met corrigerende maatregelen te beoordelen.

3.   De Commissie kan over de soliditeit van de overeenkomstig lid 1 ingediende actieplannen met corrigerende maatregelen advies uitbrengen; zij doet dat in voorkomend geval binnen vier maanden na de ontvangst van die plannen. De betrokken lidstaat houdt zo veel mogelijk rekening met het advies van de Commissie en kan zijn actieplan met corrigerende maatregelen dienovereenkomstig herzien. Indien een lidstaat besluit geen gevolg te geven aan het advies van de Commissie of een aanzienlijk deel daarvan, legt zij daarover verantwoording af aan de Commissie.

4.   Elke lidstaat maakt zijn in lid 1 bedoelde actieplan met corrigerende maatregelen en de in lid 3 bedoelde verantwoording openbaar. De Commissie maakt haar in lid 3 genoemde advies openbaar.”

;

8)

in artikel 9 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in de in artikel 4 van Verordening (EU) 2018/841 bedoelde periode van 2021 tot en met 2025 hoger lagen dan de verwijderingen, zoals bepaald overeenkomstig artikel 12 van die verordening, verkleint de centrale administrateur de jaarlijkse emissieruimten voor deze lidstaat met een hoeveelheid gelijk aan de omvang in ton CO2-equivalent van die bovenmatige broeikasgasemissies voor de betrokken jaren.”

;

9)

artikel 15 wordt vervangen door:

“Artikel 15

Evaluatie

1.   Deze verordening wordt voortdurend geëvalueerd, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de veranderende nationale omstandigheden, de wijze waarop alle sectoren van de economie bijdragen tot de vermindering van broeikasgasemissies, de internationale ontwikkelingen en de inspanningen ter verwezenlijking van de doelstellingen op lange termijn van de Overeenkomst van Parijs en van Verordening (EU) 2021/1119.

2.   De Commissie brengt binnen zes maanden na elke algemene inventarisatie zoals overeengekomen krachtens artikel 14 van de Overeenkomst van Parijs verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van deze verordening, waaronder het evenwicht tussen aanbod van en vraag naar jaarlijkse emissieruimten, alsmede over de geschiktheid van de nationale broeikasgasemissiereductiestreefcijfers in bijlage I bij deze verordening wat betreft hun bijdrage aan de klimaatdoelstellingen van de Unie uit hoofde van Verordening (EU) 2021/1119 en aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Dat verslag moet met name een beoordeling bevatten van de behoefte aan aanvullende beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie met het oog op de noodzakelijke broeikasgasemissiereducties door de Unie en haar lidstaten, met inbegrip van een kader voor de periode na 2030. Het moet ook een beoordeling bevatten van een reductietraject voor de onder deze verordening vallende broeikasgasemissies dat verenigbaar is met de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn, rekening houdend met de geraamde indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie als bedoeld in artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) 2021/1119, alsook met het belang om bij het verwezenlijken van die doelstelling zowel meer rechtvaardigheid en solidariteit tussen de lidstaten als kosteneffectiviteit na te streven. Dat verslag kan zo nodig vergezeld gaan van wetgevingsvoorstellen.

In het in de eerste alinea bedoelde verslag wordt rekening gehouden met de langetermijnstrategieën van de lidstaten die zijn opgesteld en ingediend overeenkomstig artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1999 en met de beoordeling daarvan door de Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 9, van die verordening.”

;

10)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 15 bis

Wetenschappelijk advies

De bij artikel 10 bis van Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad (*3) opgerichte Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering (de “adviesraad”) kan op eigen initiatief wetenschappelijk advies verstrekken of rapporten publiceren over maatregelen, klimaatdoelstellingen, jaarlijkse emissieniveaus en flexibiliteitsinstrumenten van de Unie uit hoofde van deze verordening. De Commissie houdt rekening met de relevante adviezen en rapporten van de adviesraad, met name wat betreft toekomstige maatregelen die gericht zijn op verdere broeikasgasemissiereducties in de sectoren die onder deze verordening vallen.

(*3)  Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (PB L 126 van 21.5.2009, blz. 13).”;"

11)

de bijlagen I, II en III worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Wijzigingen in Verordening (EU) 2018/1999

Verordening (EU) 2018/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1)

in artikel 26 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   Vanaf 2023 stellen de lidstaten uiterlijk op 15 maart van elk jaar (jaar X) de definitieve gegevens voor de opmaak van de broeikasgasinventaris en uiterlijk op 15 januari van elk jaar de voorlopige gegevens voor de opmaak van de broeikasgasinventaris op, met inbegrip van de in bijlage V vermelde broeikasgassen en inventarisgegevens, en dienen zij deze uiterlijk op die data in bij de Commissie. Het verslag over de definitieve gegevens voor de opmaak van de broeikasgasinventaris omvat ook een volledig en actueel nationaal inventarisatieverslag. Binnen drie maanden na ontvangst van de verslagen stelt de Commissie de informatie bedoeld in bijlage V, deel 1, eerste alinea, punt n), in elektronische vorm beschikbaar voor het in artikel 44, lid 1, punt a), bedoelde Comité klimaatverandering.”

;

2)

in bijlage V, deel 1, eerste alinea, wordt punt n) vervangen door:

“n)

informatie over:

i)

het voornemen van de lidstaat om gebruik te maken van de flexibiliteit als bedoeld in artikel 5, leden 4 en 5, van Verordening (EU) 2018/842, met inbegrip van, waar mogelijk, informatie over de hoeveelheden, de aard van de overdracht en de geraamde bandbreedte van de prijzen;

ii)

het gebruik van opbrengsten op grond van artikel 5, lid 6, van Verordening (EU) 2018/842;

iii)

het voornemen van de lidstaat om gebruik te maken van de flexibiliteit als bedoeld in artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) 2018/842.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 19 april 2023.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

J. ROSWALL


(1)  PB C 152 van 6.4.2022, blz. 189.

(2)  PB C 301 van 5.8.2022, blz. 221.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 14 maart 2023 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 maart 2023.

(4)  PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(5)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(6)  Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 26).

(8)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).

(9)  Aanbeveling van de Raad van 16 juni 2022 inzake het garanderen van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit (PB C 243 van 27.6.2022, blz. 35).

(10)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

(11)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

(12)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/2126 van de Commissie van 16 december 2020 tot vaststelling van de jaarlijkse emissieruimten voor de lidstaten voor de periode 2021 tot en met 2030 overeenkomstig Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 426 van 17.12.2020, blz. 58).

(13)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1208 van de Commissie van 7 augustus 2020 betreffende de structuur, de indeling, de indieningsprocedure en de beoordeling van de informatie die door de lidstaten is verstrekt op grond van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 749/2014 van de Commissie (PB L 278 van 26.8.2020, blz. 1).

(14)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/268 van de Commissie van 28 oktober 2020 tot wijziging van bijlage IV bij Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de referentieniveaus voor bossen die door de lidstaten moeten worden toegepast voor de periode van 2021 tot en met 2025 (PB L 60 van 22.2.2021, blz. 21).

(15)  PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.

(16)  Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (PB L 126 van 21.5.2009, blz. 13).


BIJLAGE

De bijlagen I, II en III bij Verordening (EU) 2018/842 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt vervangen door:

“BIJLAGE I

BROEIKASGASEMISSIEREDUCTIES VAN DE LIDSTATEN KRACHTENS ARTIKEL 4, LID 1

 

Reductie van de broeikasgasemissies van de lidstaten in 2030 in verhouding tot hun niveau van 2005, als bepaald overeenkomstig artikel 4, lid 3

 

Kolom 1

Kolom 2

België

-35  %

-47  %

Bulgarije

-0  %

-10  %

Tsjechië

-14  %

-26  %

Denemarken

-39  %

-50  %

Duitsland

-38  %

-50  %

Estland

-13  %

-24  %

Ierland

-30  %

-42  %

Griekenland

-16  %

-22,7  %

Spanje

-26  %

-37,7  %

Frankrijk

-37  %

-47,5  %

Kroatië

-7  %

-16,7  %

Italië

-33  %

-43,7  %

Cyprus

-24  %

-32  %

Letland

-6  %

-17  %

Litouwen

-9  %

-21  %

Luxemburg

-40  %

-50  %

Hongarije

-7  %

-18,7  %

Malta

-19  %

-19  %

Nederland

-36  %

-48  %

Oostenrijk

-36  %

-48  %

Polen

-7  %

-17,7  %

Portugal

-17  %

-28,7  %

Roemenië

-2  %

-12,7  %

Slovenië

-15  %

-27  %

Slowakije

-12  %

-22,7  %

Finland

-39  %

-50  %

Zweden

-40  %

-50  %

”.

2)

in bijlage II worden de gegevens voor Malta vervangen door:

“Malta

7 %”

3)

bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel van bijlage III wordt vervangen door:

“TOTALE NETTOVERWIJDERINGEN AFKOMSTIG VAN DE ONDER VERORDENING (EU) 2018/841 VALLENDE CATEGORIEËN LAND DIE DE LIDSTATEN MOGEN MEEREKENEN VOOR NALEVING VOOR DE PERIODE 2021-2030 KRACHTENS ARTIKEL 7, LID 1, PUNTEN a) EN a bis), VAN DEZE VERORDENING”;

b)

de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt geschrapt;

c)

in de laatste rij van de tabel wordt “280” vervangen door “262,2”.


Top