Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62008CJ0292

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 10 september 2009.
German Graphics Graphische Maschinen GmbH tegen Alice van der Schee.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Hoge Raad der Nederlanden - Nederland.
Insolventie - Toepassing van recht van lidstaat waar procedure wordt geopend - Eigendomsvoorbehoud - Plaats waar goed zich bevindt.
Zaak C-292/08.

European Court Reports 2009 I-08421

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2009:544

Zaak C‑292/08

German Graphics Graphische Maschinen GmbH

tegen

Alice van der Schee, optredend in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van Holland Binding BV

(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)

„Insolventie – Toepassing van recht van lidstaat waar procedure wordt geopend – Eigendomsvoorbehoud – Plaats waar goed zich bevindt”

Samenvatting van het arrest

1.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen – Beslissingen in zin van artikel 25, leden 1 en 2, van verordening nr. 1346/2000

(Verordeningen van de Raad nr. 1346/2000, art. 25, leden 1 en 2, en nr. 44/2001)

2.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Werkingssfeer – Uitgesloten gebieden – Faillissementen, akkoorden en andere soortgelijke procedures – Omvang

(Verordeningen van de Raad nr. 1346/2000, art. 4, lid 2, sub b, en 7, lid 1, alsmede nr. 44/2001, art. 1, lid 2, sub b)

1.        Artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat de woorden „voor zover dat verdrag van toepassing is” inhouden dat alvorens de erkennings‑ en tenuitvoerleggingsregeling van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van toepassing kan worden geacht op andere dan de in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 bedoelde beslissingen, moet worden nagegaan of die beslissingen niet buiten de materiële werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 vallen.

Een dergelijk onderzoek blijkt noodzakelijk nu het niet uitgesloten is dat een aantal van de in artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1346/2000 bedoelde beslissingen die niet binnen de werkingssfeer daarvan vallen, evenmin binnen die van verordening nr. 44/2001 vallen. In dit verband volgt uit de bewoordingen van artikel 25, lid 2, dat de toepassing van verordening nr. 44/2001 op een beslissing in de zin van die bepaling afhankelijk is van de voorwaarde dat die beslissing binnen de werkingssfeer van laatstgenoemde verordening valt. Wanneer de beslissing in kwestie geen betrekking heeft op burgerlijke of handelszaken, of wanneer een in artikel 1 van verordening nr. 44/2001 bedoelde uitsluiting van de werkingssfeer ervan geldt, kan deze verordening dus niet worden toegepast.

(cf. punten 17-18, 20, dictum 1)

2.        De uitzondering bedoeld in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken juncto artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures moet, gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 2, sub b, van laatstgenoemde verordening, aldus worden uitgelegd dat zij niet geldt voor een op een eigendomsvoorbehoud gegronde vordering van een verkoper tegen een koper in staat van faillissement, wanneer het goed waarop dat eigendomsvoorbehoud rust, zich op het tijdstip waarop jegens die koper een insolventieprocedure wordt geopend, bevindt in de lidstaat waar die procedure is geopend.

De intensiteit van het verband tussen een dergelijke rechtsvordering en de insolventieprocedure is namelijk beslissend om uit te maken of de betrokken uitzondering van toepassing is. Aangezien die vordering enkel de toepassing van het eigendomsvoorbehoud beoogt te waarborgen, blijkt dat verband evenwel noch voldoende rechtstreeks noch voldoende nauw om de toepassing van verordening nr. 44/2001 te kunnen uitsluiten. Bijgevolg is een dergelijke vordering een autonome vordering, die haar grondslag niet in het recht inzake insolventieprocedures vindt en de opening van een dergelijke procedure en het optreden van een curator niet verlangt. Het enkele feit dat de curator partij is bij het geding, blijkt niet toereikend om deze procedure te kwalificeren als een procedure die rechtstreeks uit het faillissement voortvloeit en geheel binnen het kader van een faillissement past.

(cf. punten 29-33, 38, dictum 2)







ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

10 september 2009 (*)

„Insolventie – Toepassing van recht van lidstaat waar procedure wordt geopend – Eigendomsvoorbehoud – Plaats waar goed zich bevindt”

In zaak C‑292/08,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 20 juni 2008, ingekomen bij het Hof op 2 juli 2008, in de procedure

German Graphics Graphische Maschinen GmbH

tegen

Alice van der Schee, optredend in de hoedanigheid van curator in het faillissement van Holland Binding BV,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident (rapporteur), M. Ilešič, A. Tizzano, A. Borg Barthet en E. Levits, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels en C. ten Dam als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door J. López-Medel Bascones als gemachtigde,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. Bruni als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door H. Walker en A. Henshaw als gemachtigden,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët en R. Troosters als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4, lid 2, sub b, 7, lid 1, en 25, lid 2, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1), en van artikel 1, lid 2, sub b, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen German Graphics Graphische Maschinen GmbH (hierna: „German Graphics”) en A. van der Schee, optredend in de hoedanigheid van curator in het faillissement van Holland Binding BV (hierna: „Holland Binding”), over de tenuitvoerlegging van een beschikking van een Duitse rechter.

 Toepasselijke bepalingen

3        Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 bepaalt:

„De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.”

4        Artikel 4, leden 1 en 2, sub b, van deze verordening luidt:

„1.      Tenzij deze verordening iets anders bepaalt, worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend, hierna te noemen ‚lidstaat waar de procedure wordt geopend’.

2.      Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:

[...]

b)      welk deel van het vermogen van de schuldenaar tot de boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren.”

5        Artikel 7, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„De opening van een insolventieprocedure tegen de koper van een goed laat de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper onverlet wanneer dat goed zich op het tijdstip waarop de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend.”

6        Artikel 25, leden 1 en 2, van deze verordening luidt:

„1.      De inzake het verloop en de beëindiging van een insolventieprocedure gegeven beslissingen van een rechter wiens beslissing tot opening van de procedure krachtens artikel 16 is erkend, alsmede een door die rechter bevestigd akkoord, worden eveneens zonder verdere formaliteiten erkend. Die beslissingen worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de artikelen 31 tot en met 51 (met uitzondering van artikel 34, lid 2) van het Verdrag van [27 september 1968] betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [(PB 1972, L 299, blz. 32)], als gewijzigd bij de verdragen inzake de toetreding tot dat verdrag [(hierna: ‚Executieverdrag’].

De eerste alinea geldt eveneens voor beslissingen die rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure en daar nauw op aansluiten, zelfs indien die beslissingen door een andere rechter worden gegeven.

De eerste alinea geldt eveneens voor beslissingen betreffende na het verzoek tot opening van een insolventieprocedure genomen conservatoire maatregelen.

2.      De erkenning en de tenuitvoerlegging van andere beslissingen dan die bedoeld in lid 1 worden beheerst door het in lid 1 bedoelde verdrag voor zover dat verdrag van toepassing is.”

7        Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 definieert de werkingssfeer van deze verordening. Zij wordt toegepast in alle burgerlijke en handelszaken en heeft geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

8        Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„[Deze verordening] is niet van toepassing op:

[...]

b)       het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures;

[...].”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9        German Graphics, een vennootschap naar Duits recht, sloot als verkoopster met Holland Binding, een vennootschap naar Nederlands recht, een overeenkomst voor de verkoop van machines met eigendomsvoorbehoud.

10      Bij vonnis van 1 november 2006 verklaarde de Rechtbank Utrecht (Nederland) Holland Binding in staat van faillissement en stelde zij een curator aan.

11      Bij beschikking van 5 december 2006 wees het Landgericht Braunschweig (Duitsland) het verzoek van German Graphics toe, strekkende tot het treffen van bewarende maatregelen met betrekking tot een aantal machines dat zich bij Holland Binding in Nederland bevond. Dat verzoek berustte op het genoemde beding van eigendomsvoorbehoud.

12      Op 18 december 2006 verklaarde de voorzieningenrechter te Utrecht de beschikking van het Landgericht Braunschweig uitvoerbaar. Tegen die beslissing stelde Van der Schee, optredend in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van Holland Binding, hoger beroep in bij de Rechtbank Utrecht, die bij beschikking van 28 maart 2007 de beschikking van de voorzieningenrechter introk. German Graphics stelde tegen de beschikking van de Rechtbank Utrecht cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

13      Bij arrest van 20 juni 2008 heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 25, lid 2, van [...] verordening [nr. 1346/2000] aldus worden uitgelegd dat de daarin opgenomen woorden ‚voor zover dat verdrag [namelijk verordening nr. 44/2001] van toepassing is’ inhouden dat alvorens met betrekking tot andere dan de in artikel 25, lid 1, [van verordening nr. 1346/2000] bedoelde beslissingen kan worden besloten tot toepasselijkheid van de erkennings‑ en tenuitvoerleggingsregeling van [verordening nr. 44/2001], eerst nog moet worden onderzocht of zij op grond van artikel 1, lid 2, aanhef en sub b, [van verordening nr. 44/2001] buiten het materiële toepassingsgebied van deze verordening vallen?

2)      Moet artikel 1, lid 2, aanhef en sub b, [van verordening nr. 44/2001] in verbinding met artikel 7, lid 1, [van verordening nr. 1346/2000] aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een goed waarop het eigendomsvoorbehoud rust, zich op het tijdstip waarop een insolventieprocedure tegen de koper wordt geopend, bevindt in de lidstaat waar die insolventieprocedure is geopend, ertoe leidt dat een op het eigendomsvoorbehoud gegronde vordering van de verkoper als die van German Graphics moet worden beschouwd als een vordering die betrekking heeft op het faillissement, als bedoeld in artikel 1, lid 2, aanhef en sub b, [van verordening nr. 44/2001] en die daarom buiten het materiële toepassingsgebied van die verordening valt?

3)      Is in het kader van vraag 2 van belang dat ingevolge artikel 4, lid 2, aanhef en sub b, [van verordening nr. 1346/2000] het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, bepaalt welke goederen tot de boedel behoren?”

 Beantwoording van de eerste vraag

14      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de met de tenuitvoerlegging belaste rechter, alvorens te kunnen concluderen tot erkenning, overeenkomstig het bepaalde in verordening nr. 44/2001, van een beslissing in de zin van artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1346/2000, moet nagaan of die beslissing binnen de werkingssfeer van eerstgenoemde verordening valt.

15      De erkenning van beslissingen inzake insolventieprocedures wordt geregeld in de artikelen 16 tot en met 26 van verordening nr. 1346/2000. In dit verband ziet artikel 25 van deze verordening met name op de erkenning en het executoire karakter van andere beslissingen dan die welke rechtstreeks betrekking hebben op de opening van een insolventieprocedure.

16      Lid 1, eerste alinea, van genoemd artikel 25 heeft betrekking op „de inzake het verloop en de beëindiging” van een dergelijke procedure gegeven beslissingen, en lid 1, tweede en derde alinea, ervan op beslissingen „die rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure en daar nauw op aansluiten” alsmede op beslissingen betreffende bepaalde conservatoire maatregelen. Lid 2 ervan betreft „andere beslissingen dan die bedoeld in lid 1 [...] voor zover dat verdrag [te weten, het Executieverdrag] van toepassing is”.

17      Bijgevolg gaat het bij de in artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1346/2000 bedoelde beslissingen niet om beslissingen die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen. Voorts is het niet uitgesloten dat een aantal van die beslissingen noch binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000, noch binnen die van verordening nr. 44/2001 valt. In dit verband volgt uit de bewoordingen van artikel 25, lid 2, dat de toepassing van verordening nr. 44/2001 op een beslissing in de zin van die bepaling afhankelijk is van de voorwaarde dat die beslissing binnen de werkingssfeer van laatstgenoemde verordening valt.

18      Wanneer de beslissing in kwestie geen betrekking heeft op burgerlijke of handelszaken, of wanneer een in artikel 1 van verordening nr. 44/2001 bedoelde uitsluiting van de werkingssfeer ervan geldt, kan deze verordening dus niet worden toegepast.

19      Bijgevolg moet de met de tenuitvoerlegging belaste rechter, alvorens te concluderen tot erkenning, overeenkomstig het bepaalde in verordening nr. 44/2001, van een beslissing die niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 valt, nagaan of de betrokken beslissing binnen de werkingssfeer van eerstgenoemde verordening valt.

20      Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat de woorden „voor zover dat verdrag van toepassing is” inhouden dat alvorens de erkennings‑ en tenuitvoerleggingsregeling van verordening nr. 44/2001 van toepassing kan worden geacht op andere dan de in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 bedoelde beslissingen, moet worden nagegaan of die beslissingen niet buiten de materiële werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 vallen.

 Beantwoording van de tweede en de derde vraag

21      Met zijn tweede en zijn derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de omstandigheid dat tegen een koper een insolventieprocedure wordt geopend, en het goed waarop het eigendomsvoorbehoud rust, zich bevindt in de lidstaat waar die procedure is geopend, tot gevolg heeft dat de op dat eigendomsvoorbehoud gebaseerde vordering van de verkoper tegen die koper buiten de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt.

22      Ter beantwoording van deze vragen zij verwezen naar de considerans van verordening nr. 44/2001. Volgens punt 2 van deze considerans bemoeilijken sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen de goede werking van de interne markt. In punt 7 ervan heet het dat het van belang is dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht. In punt 15 ervan wordt benadrukt dat met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven.

23      Uit deze punten van de considerans blijkt dat de gemeenschapswetgever heeft willen kiezen voor een ruime opvatting van het begrip „burgerlijke en handelszaken” in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001, en, bijgevolg, voor een ruime werkingssfeer van deze verordening.

24      Een dergelijke uitlegging wordt ook geschraagd door punt 6, eerste zin, van de considerans van verordening nr. 1346/2000, waarin het heet dat deze verordening op grond van het proportionaliteitsbeginsel alleen voorschriften mag behelzen tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en de beslissingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen.

25      Bijgevolg mag de werkingssfeer van laatstgenoemde verordening niet ruim worden uitgelegd.

26      Dit gezegd zijnde, zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van zijn rechtspraak over het Executieverdrag heeft geoordeeld dat een vordering verband houdt met een faillissementsprocedure, wanneer zij rechtstreeks uit het faillissement voortvloeit en geheel binnen het kader van een faillissement of surseance van betaling past (zie arrest van 22 februari 1979, Gourdain, 133/78, Jurispr. blz. 733, punt 4). Een vordering met die kenmerken valt bijgevolg niet binnen de werkingssfeer van voormeld verdrag (zie arrest van 12 februari 2009, Seagon, C‑339/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19).

27      Voor zover verordening nr. 44/2001 in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats is getreden van het Executieverdrag, geldt de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot de bepalingen van dit verdrag ook voor de bepalingen van die verordening, wanneer de bepalingen van het Executieverdrag en die van verordening nr. 44/2001 als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt. Bovendien volgt uit punt 19 van de considerans van verordening nr. 44/2001 dat de continuïteit in de uitlegging tussen het Executieverdrag en deze verordening moet worden gewaarborgd (arrest van 23 april 2009, Draka NK Cables e.a., C‑167/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 20).

28      In het door verordening nr. 44/2001 ingevoerde stelsel neemt artikel 1, lid 2, sub b, ervan dezelfde plaats in en vervult het dezelfde functie als artikel 1, tweede alinea, punt 2, van het Executieverdrag. Bovendien zijn deze twee bepalingen in identieke bewoordingen geformuleerd (arrest van 2 juli 2009, SCT Industri, C‑111/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 23).

29      Gelet op het voorgaande, is het dus de intensiteit van het verband – in de zin van de rechtspraak voortvloeiend uit het reeds aangehaalde arrest Gourdain – tussen een rechtsvordering als die aan de orde in het hoofdgeding en de insolventieprocedure die beslissend is om uit te maken of de in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001 geformuleerde uitsluiting van toepassing is.

30      Vastgesteld zij evenwel dat in een situatie als die in het hoofdgeding dat verband noch voldoende rechtstreeks noch voldoende nauw blijkt om de toepassing van verordening nr. 44/2001 te kunnen uitsluiten.

31      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat German Graphics, verzoekster in de bij het Landgericht Braunschweig geopende procedure, heeft verzocht om teruggave van de goederen waarvan zij eigenaar is, en dat die rechter enkel duidelijkheid moest scheppen over de eigendom van een aantal machines dat zich bij Holland Binding in Nederland bevindt. Het antwoord op deze rechtsvraag staat los van de opening van een insolventieprocedure. De door German Graphics ingestelde vordering beoogde enkel de toepassing te waarborgen van het eigendomsvoorbehoud te haren gunste.

32      Met andere woorden, de vordering betreffende dat eigendomsvoorbehoud is een autonome vordering, die haar grondslag niet in het recht inzake insolventieprocedures vindt en de opening van dit soort procedure en het optreden van een curator niet verlangt.

33      In die omstandigheden blijkt het enkele feit dat de curator partij is bij het geding, niet toereikend om de bij het Landgericht Braunschweig geopende procedure te kwalificeren als rechtstreeks uit het faillissement voortvloeiend en geheel binnen het kader van een faillissement passend.

34      Derhalve zij vastgesteld dat een vordering als die welke German Graphics bij het Landgericht Braunschweig heeft ingesteld, niet buiten de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt.

35      De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 van invloed kan zijn op de kwalificatie van vorderingen die verband houden met een insolventieprocedure. In deze bepaling wordt echter alleen gepreciseerd dat „[d]e opening van een insolventieprocedure tegen de koper van een goed [...] de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper onverlet [laat] wanneer dat goed zich op het tijdstip waarop de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend”. Met andere woorden, deze bepaling vormt slechts een materieelrechtelijke bepaling die de verkoper bescherming wil bieden met betrekking tot goederen die zich bevinden buiten de lidstaat waar de insolventieprocedure wordt geopend.

36      Verder is genoemd artikel 7, lid 1, in het hoofdgeding niet van toepassing, aangezien de goederen van German Graphics zich ten tijde van de opening van de insolventieprocedure in Nederland bevonden, dat wil zeggen op het grondgebied van de lidstaat waar die procedure is geopend.

37      Met betrekking tot de mogelijke weerslag van artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 1346/2000 op het antwoord van het Hof inzake de kwalificatie van de vordering in het hoofdgeding zij vastgesteld dat die bepaling slechts een bepaling is ter voorkoming van wetsconflicten, doordat daarin wordt voorgeschreven dat het recht van de staat waar de insolventieprocedure wordt geopend van toepassing is ter bepaling „welk deel van het vermogen van de schuldenaar tot de boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren”. Deze bepaling heeft geen weerslag op de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001.

38      Gelet op het voorgaande, moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat de uitzondering bedoeld in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001 juncto artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1346/2000, gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 2, sub b, van laatstgenoemde verordening, aldus moet worden uitgelegd dat zij niet geldt voor een op een eigendomsvoorbehoud gegronde vordering van een verkoper tegen een koper in staat van faillissement, wanneer het goed waarop dat eigendomsvoorbehoud rust, zich op het tijdstip waarop tegen die koper een insolventieprocedure wordt geopend, bevindt in de lidstaat waar die procedure is geopend.

 Kosten

39      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 25, lid 2, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, moet aldus worden uitgelegd dat de woorden „voor zover dat verdrag van toepassing is” inhouden dat alvorens de erkennings‑ en tenuitvoerleggingsregeling van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van toepassing kan worden geacht op andere dan de in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 bedoelde beslissingen, moet worden nagegaan of die beslissingen niet buiten de materiële werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 vallen.

2)      De uitzondering bedoeld in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001 juncto artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 moet, gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 2, sub b, van laatstgenoemde verordening, aldus worden uitgelegd dat zij niet geldt voor een op een eigendomsvoorbehoud gegronde vordering van een verkoper tegen een koper in staat van faillissement, wanneer het goed waarop dat eigendomsvoorbehoud rust, zich op het tijdstip waarop tegen die koper een insolventieprocedure wordt geopend, bevindt in de lidstaat waar die procedure is geopend.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.

Top