Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 01990L0428-20080903

    Consolidated text: Richtlijn van de Raad van 26 juni 1990 inzake het handelsverkeer in voor wedstrijden bestemde paardachtigen en houdende vaststelling van de voorwaarden voor deelneming aan deze wedstrijden (90/428/EEG)

    ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1990/428/2008-09-03

    1990L0428 — NL — 03.09.2008 — 001.001


    Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

    ►B

    RICHTLIJN VAN DE RAAD

    van 26 juni 1990

    inzake het handelsverkeer in voor wedstrijden bestemde paardachtigen en houdende vaststelling van de voorwaarden voor deelneming aan deze wedstrijden

    (90/428/EEG)

    (PB L 224, 18.8.1990, p.60)

    Gewijzigd bij:

     

     

    Publicatieblad

      No

    page

    date

    ►M1

    RICHTLIJN 2008/73/EG VAN DE RAAD Voor de EER relevante tekst van 15 juli 2008

      L 219

    40

    14.8.2008




    ▼B

    RICHTLIJN VAN DE RAAD

    van 26 juni 1990

    inzake het handelsverkeer in voor wedstrijden bestemde paardachtigen en houdende vaststelling van de voorwaarden voor deelneming aan deze wedstrijden

    (90/428/EEG)



    DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

    Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 42 en 43,

    Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

    Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ),

    Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ),

    Overwegende dat paardachtigen als levende dieren in de lijst van produkten van bijlage II van het Verdrag zijn opgenomen;

    Overwegende dat het, om een rationele ontwikkeling van de produktie van paardachtigen te waarborgen en daardoor de produktiviteit van de betrokken sector te vergroten, van belang is om op communautair niveau voorschriften vast te stellen voor het intracommunautaire handelsverkeer in voor wedstrijden bestemde paardachtigen;

    Overwegende dat het fokken van paarden en vooral van renpaarden in het algemeen een onderdeel van de landbouwactiviteit vormt; dat het voor een deel van de landbouwbevolking een bron van inkomsten is;

    Overwegende dat er in de Gemeenschap inzake de voorschriften voor de toegang tot wedstrijden nog steeds verschillen bestaan; dat deze verschillen een belemmering kunnen vormen voor het intracommunautaire handelsverkeer;

    Overwegende dat het handelsverkeer in voor wedstrijden bestemde paardachtigen en de deelneming aan deze wedstrijden in gevaar kunnen worden gebracht door dispariteiten in de regels betreffende de toewijzing van een bepaald percentage van de prijzen of winsten aan het behoud, de ontwikkeling en de verbetering van de fokkerij in de Lid-Staten; dat het invoeren van vrije toegang tot de wedstrijden harmonisatie van deze regels veronderstelt;

    Overwegende dat in afwachting van deze harmonisatie, met name om de produktiviteit in deze sector te handhaven of te verbeteren, de Lid-Staten dienen te worden gemachtigd een percentage van de prijs of winst te reserveren voor het behoud, de ontwikkeling en de verbetering van de fokkerij; dat evenwel een maximum voor dit percentage dient te worden vastgesteld;

    Overwegende dat op bepaalde technische gebieden uitvoeringsmaatregelen dienen te worden vastgesteld; dat voor de tenuitvoerlegging van de voorgenomen maatregelen dient te worden voorzien in een procedure waarbij tussen de Lid-Staten en de Commissie een nauwe en doeltreffende samenwerking tot stand wordt gebracht in het kader van het Permanent Zoötechnisch Comité,

    HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



    Artikel 1

    Bij deze richtlijn worden de voorwaarden vastgesteld voor het handelsverkeer in voor wedstrijden bestemde paardachtigen, alsmede de voorwaarden voor deelneming van deze paardachtigen aan deze wedstrijden.

    Artikel 2

    Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn 90/427/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen ( 4 ).

    Voorts wordt in deze richtlijn onder wedstrijd verstaan: elke hippische wedstrijd, met name wedrennen, springconcoursen (jumping), dressuurproeven, menproeven, alsmede proeven inzake model en gangen.

    Artikel 3

    1.  De wedstrijdbepalingen mogen geen ongelijke behandeling inhouden tussen paardachtigen die zijn geregistreerd in de Lid-Staat waar de wedstrijd wordt georganiseerd en die welke in een andere Lid-Staat zijn geregistreerd.

    2.  De wedstrijdbepalingen mogen geen ongelijke behandeling inhouden tussen paardachtigen van oorsprong uit de Lid-Staat waar de wedstrijd wordt georganiseerd en die van oorsprong uit een andere Lid-Staat.

    Artikel 4

    1.  De in artikel 3 bedoelde verplichtingen gelden met name voor:

    a) de criteria voor toelating tot de wedstrijd, met name minimum- en maximumvoorwaarden;

    b) de beoordeling tijdens de wedstrijd;

    c) de aan de wedstrijd verbonden prijzen of winsten.

    ▼M1

    2.  Echter

     de in artikel 3 vermelde verplichtingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid tot het organiseren van:

     

    a) wedstrijden, uitsluitend voor paardachtigen die in éénzelfde stamboek zijn ingeschreven, met het oog op verbetering van het ras;

    b) regionale wedstrijden, met het oog op selectie van de paardachtigen;

    c) evenementen met een historisch of traditioneel karakter.

     De lidstaten die voornemens zijn van deze mogelijkheden gebruik te maken, stellen de andere lidstaten en het publiek vooraf in kennis van dit voornemen en de redenen daarvoor;

     voor elke wedstrijd of elk wedstrijdtype mogen de lidstaten via de daartoe officieel goedgekeurde of erkende organisaties een bepaald percentage van het totaalbedrag van de in lid 1, onder c), bedoelde prijzen of winsten bestemmen voor het behoud, de ontwikkeling en de verbetering van de fokkerij.

     Dit percentage mag vanaf 1993 niet meer bedragen dan 20 %.

     De criteria voor de verdeling van deze middelen in de betrokken lidstaat worden aan de andere lidstaten en aan het publiek meegedeeld.

    ▼B

    3.  De algemene uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 6.

    Artikel 5

    1.  In afwachting van de krachtens artikel 4 van Richtlijn 90/427/EEG te nemen besluiten, moeten, als de inschrijving van een in een Lid-Staat geregistreerde paardachtige voor een wedstrijd wordt geweigerd, de redenen voor die weigering schriftelijk aan de eigenaar of zijn gemachtigde worden meegedeeld.

    2.  In het in lid 1 bedoelde geval heeft de eigenaar of zijn gemachtigde het recht om het advies van een deskundige in te winnen onder de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 89/662/EEG ( 5 ) genoemde voorwaarden, die mutatis mutandis van toepassing zijn.

    3.  De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 6.

    Artikel 6

    In de gevallen waarin naar de in dit artikel omschreven procedure wordt verwezen, beraadslaagt het bij Besluit 77/505/EEG ( 6 ) ingestelde Permanent Zoötechnisch Comité overeenkomstig de bij artikel 11 van Richtlijn 88/661/ EEG ( 7 ) vastgestelde regels.

    Artikel 7

    De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 juli 1991 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

    Artikel 8

    Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.



    ( 1 ) PB nr. C 327 van 30.12.1989, blz. 61.

    ( 2 ) PB nr. C 149 van 18.6.1990.

    ( 3 ) PB nr. C 62 van 12.3.1990, blz. 46.

    ( 4 ) Zie bladzijde 55 van dit Publikatieblad.

    ( 5 ) PB nr. L 315 van 30.12.1989, blz. 13.

    ( 6 ) PB nr. L 206 van 12.8.1977, blz. 11.

    ( 7 ) PB nr. L 382 van 31.12.1988, blz. 36.

    Top