EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32013R1106

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1106/2013 van de Raad van 5 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India

PB L 298 van 8.11.2013, p. 1–16 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 09/11/2018: This act has been changed. Current consolidated version: 10/02/2017

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2013/1106/oj

8.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 298/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1106/2013 VAN DE RAAD

van 5 november 2013

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap („de basisverordening”) (1), en met name artikel 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   DE PROCEDURE

1.   Voorlopige maatregelen

(1)

Op 3 mei 2013, heeft de Europese Commissie („de Commissie”) door middel van Verordening (EU) nr. 418/2013 (2) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht op invoer in de Europese Unie („de Unie”) van bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India ingesteld („het betrokken land”).

(2)

Het onderzoek werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 28 juni 2012 was ingediend door de Europese Vereniging van IJzer- en Staalproducerende Industrieën (European Confederation of Iron and Steel Industries — Eurofer) („de klager”) namens producenten die meer dan 50 % van de totale productie van bepaalde draad van roestvrij staal in de Unie voor hun rekening namen.

(3)

Naar aanleiding van het parallelle antisubsidieonderzoek heeft de Commissie door middel van Verordening (EU) nr. 419/2013 (3) een voorlopig compenserend recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit het betrokken land ingesteld, en door middel van Verordening (EU) nr. 861/2013 (4) een definitief compenserend recht.

2.   Bij het onderzoek betrokken partijen

(4)

In de voorlopige fase van het onderzoek werd zowel voor de producenten-exporteurs in India als voor de producenten in de Unie gebruikgemaakt van een steekproef. In de voorlopige fase werd ook overwogen om voor de niet-verbonden importeurs gebruik te maken van een steekproef. Omdat twee van de drie voor de steekproef geselecteerde importeurs echter geen ingevulde vragenlijst hebben teruggestuurd, kon voor de importeurs geen steekproef worden vastgesteld. Voor de definitieve bevindingen, met name die welke op het belang van de Unie betrekking hebben, werd bijgevolg gebruikgemaakt van alle van medewerkende importeurs ontvangen informatie.

(5)

Eén producent-exporteur voerde aan dat de samengestelde steekproef van producenten in de Unie niet als representatief kon worden beschouwd omdat voor de vaststelling van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade geen gebruik werd gemaakt van de verkoop van niet-klagers. Dat argument werd afgewezen omdat de steekproef werd samengesteld op basis van de antwoorden van alle medewerkende producenten in de Unie, ongeacht of zij de klacht in de fase van de vaststelling van de representativiteit steunden, en gebaseerd was op de productievolumes.

(6)

Een met een producent in de Unie verbonden producent-exporteur maakte bezwaar tegen de klacht en verzocht om een individueel onderzoek omdat hij ingevolge zijn lage uitvoervolumes niet in de steekproef van producenten-exporteurs was opgenomen. De producent in de Unie zelf was evenmin in de steekproef opgenomena wegens zijn lage productievolumes. De Commissie heeft ingestemd met een individueel onderzoek, maar de producent-exporteur heeft zijn verzoek ingetrokken.

(7)

Zeven niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in India verzochten om een individueel onderzoek. Twee van hen vulden de vragenlijst in, vijf anderen niet. Van de twee die de vragenlijst invulden, trok één het verzoek om een individueel onderzoek later weer in. Bijgevolg heeft de Commissie het verzoek onderzocht van één van de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in India, met name:

KEI Industries Limited, New Delhi (KEI).

(8)

In de voorlopige fase bleek geen van de oorspronkelijk in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voldoende betrouwbare informatie te hebben verstrekt. Bijgevolg werd artikel 18 van de basisverordening toegepast. De Commissie heeft besloten de steekproef met drie ondernemingen uit te breiden en heeft zich daarvoor gebaseerd op hun uitvoervolumes en hun bereidheid om mee te werken waarvan zij na de inleiding van de procedure blijk hadden gegeven. Bijgevolg heeft de Commissie de antwoorden van de onderstaande Indiase producenten-exporteurs op de vragenlijsten onderzocht en bij hen controlebezoeken uitgevoerd:

Garg Inox, Bahadurgarh, Haryana;

Macro Bars and Wires, Mumbai, Maharashtra;

Nevatia Steel & Alloys, Mumbai, Maharashtra.

(9)

Afgezien van het bovenstaande worden de overwegingen 4 tot en met 7 en 14 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(10)

Zoals in overweging 20 van de voorlopige verordening wordt uiteengezet, had het onderzoek naar dumping en schade betrekking op de periode van 1 april 2011 tot en met 31 maart 2012 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2012 („de beoordelingsperiode”).

4.   Vervolg van de periode

(11)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan werd besloten voorlopige antidumpingmaatregelen in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben verscheidene belanghebbenden opmerkingen gemaakt, namelijk: de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, de ene producent-importeur die zijn verzoek om een individueel onderzoek heeft ingetrokken, de klager en elf gebruikers. De partijen die hierom verzochten, werden gehoord. De Commissie ging vervolgens door met het verzamelen van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte. Alle gemaakte opmerkingen werden onderzocht en in aanmerking genomen indien zij gegrond werden geacht.

(12)

De Commissie stelde de belanghebbenden in kennis van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit het betrokken land alsmede de definitieve inning van de bedragen die voor het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, aan te bevelen („mededeling van de definitieve bevindingen”). De belanghebbenden konden binnen een bepaalde termijn ook opmerkingen maken over deze mededeling van de definitieve bevindingen. Alle gemaakte opmerkingen werden onderzocht en in aanmerking genomen indien zij gegrond werden geacht.

(13)

Na onderzoek van de opmerkingen op de mededeling van de definitieve bevindingen, heeft de Commissie de belanghebbende partijen in kennis gesteld van wijzigingen in de bevindingen inzake het dumpingniveau van bepaalde producenten-exporteurs. De belanghebbenden konden binnen een bepaalde termijn weer opmerkingen maken over deze mededeling van de definitieve bevindingen. Alle gemaakte opmerkingen werden onderzocht en in aanmerking genomen indien zij gegrond werden geacht. Één belanghebbende, de klager, had kritiek op het feit dat de bevindingen inzake het dumpingniveau van bepaalde producenten-exporteurs werden gewijzigd op basis van nieuwe gegevens en opmerkingen die na de mededeling van de voorlopige bevindingen en in het definitieve stadium van het onderzoek werden ontvangen. Verder voerde hij aan dat zijn procedurele rechten waren geschonden.

(14)

De Commissie was echter van oordeel dat zij rekening moest houden met de opmerkingen van de belanghebbenden en zo nodig de bevindingen moest aanpassen wanneer de opmerkingen gerechtvaardigd waren. In geen van deze gevallen zijn er nieuwe, niet-gecontroleerde gegevens gebruikt om dumping vast te stellen. Bovendien zijn de procedurele rechten van alle partijen gerespecteerd, aangezien zij naar behoren en tijdig waren geïnformeerd en gezien dezelfde termijnen voor het indienen van opmerkingen golden.

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(15)

Zoals opgemerkt in overweging 21 van de voorlopige verordening wordt het betrokken product omschreven als draad van roestvrij staal bevattende:

2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat,

minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat,

momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7223 00 19 en 7223 00 99 en van oorsprong uit het betrokken land.

(16)

Sommige gebruikers uitten hun bezorgdheid over het kennelijke gebrek aan onderscheid tussen de verschillende soorten van het betrokken product en het soortgelijk product, omdat binnen alle productsoorten een breed productassortiment bestaat. Men toonde zich met name bezorgd over de vraag hoe in het onderzoek een eerlijke vergelijking van alle productsoorten kon worden verzekerd. Zoals voor de meeste onderzoeken het geval is, geldt ook voor dit onderzoek dat de omschrijving van het betrokken product een grote verscheidenheid aan productsoorten bestrijkt die allemaal dezelfde of vergelijkbare fysische, technische en chemische basiseigenschappen hebben. Het feit dat deze eigenschappen van productsoort tot productsoort kunnen variëren, kan inderdaad tot gevolg hebben dat een grote verscheidenheid aan productsoorten onder de omschrijving valt. Dit is het geval in het onderhavige onderzoek. De Commissie hield rekening met de verschillen tussen de productsoorten en zorgde voor een eerlijke vergelijking. Elke productsoort die door producenten-exporteurs in India werd geproduceerd en verkocht en elke productsoort die door de bedrijfstak van de Unie werd geproduceerd en verkocht, kreeg een uniek productcontrolenummer (PCN). Dit nummer was afhankelijk van de belangrijkste eigenschappen van het product. In het onderhavige geval, hadden die betrekking op de staalsoort, de treksterkte, de coating, het oppervlak, de diameter en vorm. De soorten draad die naar de Unie werden uitgevoerd, werden bijgevolg op PCN-basis vergeleken met de door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde en verkochte producten die dezelfde of vergelijkbare eigenschappen hadden. Al die soorten vielen onder de omschrijving van het betrokken product en het soortgelijk product zoals die in het bericht van inleiding (5) en de voorlopige verordening werd gegeven.

(17)

Een partij herhaalde haar argument dat de zogenaamde „hoogtechnische” productsoorten verschillend waren en niet verwisselbaar met de andere soorten van het betrokken product. Bijgevolg zouden zij van de productomschrijving moeten worden uitgesloten. Om te kunnen bepalen of producten voldoende gelijk zijn om hen als hetzelfde product te kunnen beschouwen, moet volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (6) worden vastgesteld of zij dezelfde technische en fysische eigenschappen, basisgebruiksdoeleinden, en prijs-kwaliteitverhouding hebben. In dat verband moet ook worden gekeken naar de onderlinge verwisselbaarheid en de concurrentie tussen die producten. Uit het onderzoek is gebleken dat de door de partij bedoelde „hoogtechnologische” productsoorten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben als de andere producten die voorwerp van het onderzoek waren. Het is eveneens draad, het is gemaakt van roestvrij staal, het productieproces is gelijkaardig en er worden vergelijkbare machines gebruikt, zodat producenten naar gelang van de vraag tussen verschillende varianten van het product kunnen wisselen. Hoewel de verschillende soorten draad onderling niet rechtstreeks verwisselbaar zijn en geen rechtstreeks concurrerende producten zijn, moet dus in aanmerking worden genomen dat producenten naar opdrachten dingen die een breed scala aan draden van roestvrij staal bestrijken. Bovendien worden deze productsoorten zowel door de bedrijfstak van de Unie als door de producenten-exporteurs in India geproduceerd en verkocht, waarbij gebruik wordt gemaakt van een vergelijkbare productiemethode. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

(18)

In antwoord op de mededeling van de definitieve bevindingen voerde een partij aan dat de analyse van de Commissie met betrekking tot het al of niet in het onderzoek opnemen van zogenaamde „hoogtechnische” productsoorten onvoldoende was. Dit argument wordt verworpen. Uit het onderzoek blijkt dat de hoogtechnische productsoorten binnen de definitie van het product vallen, zoals aangegeven in overweging 17. Deze partij neemt ten onrechte aan dat aan alle in de jurisprudentie genoemde criteria tegelijkertijd voldaan moet worden. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Jusitie van de Europese Unie (7), heeft de Commissie een ruime beoordelingsbevoegdheid bij het bepalen welke producten soortgelijk zijn, en dient zij deze beoordeling te baseren op de door het hof genoemde criteria. Het komt vaker voor, zoals ook in dit geval, dat verschillende criteria in verschillende richtingen wijzen; in een dergelijke situatie moet de Commissie een globale beoordeling verrichten, wat zij in dit geval ook gedaan heeft. Deze belanghebbende neemt dan ook ten onrechte aan dat productsoorten alle kenmerken gemeenschappelijk moeten hebben om onder dezelfde definitie te vallen.

(19)

Sommige gebruikers argumenteerden dat draad van roestvrij staal van de „serie 200” van de productomschrijving moest worden uitgesloten. Deze soort draad zou nauwelijks door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd. Dit argument is ongegrond. Ten eerste is het feit dat een bepaalde productsoort niet door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd, onvoldoende reden om het buiten de reikwijdte van het onderzoek te plaatsen wanneer het productieproces voor die productsoort zodanig is dat de producenten in de Unie met de productie ervan zouden kunnen beginnen. Ten tweede is voor deze soorten van het betrokken product hetzelfde gebleken als voor „hoogtechnische” draad, namelijk dat zij dezelfde of vergelijkbare fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben als andere soorten van het soortgelijk product die door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

(20)

Volgens dezelfde gebruikers zou walsdraad juist wel in de productomschrijving moeten worden opgenomen. Walsdraad wordt als grondstof voor de productie van het betrokken product gebruikt, maar kan ook voor de productie van andere producten worden gebruikt, zoals bevestigingsmiddelen en nagels. In tegenstelling tot het betrokken product is walsdraad dus geen staal-eindproduct. Walsdraad kan, net als andere producten, door het koudvervormen worden omgevormd tot het betrokken product of het soortgelijk product. Op grond hiervan kan walsdraad niet in de productomschrijving van de basisverordening worden opgenomen.

(21)

Op grond van het bovenstaande wordt de in de overwegingen 21 tot en met 24 van de voorlopige verordening gegeven omschrijving van het betrokken product en het soortgelijk product bevestigd.

C.   DUMPING

1.   Inleiding

(22)

Tijdens de controlebezoeken bij de drie oorspronkelijk in de steekproef opgenomen Indiase producenten-exporteurs en de daaropvolgende analyse van de verzamelde gegevens werd geconstateerd dat deze ondernemingen enkele gegevens hadden ingediend die niet als betrouwbaar konden worden beschouwd. De Commissie heeft haar onderzoek voortgezet en heeft alle informatie onderzocht die na de voorlopige mededeling van feiten en overwegingen en tijdens de daaropvolgende hoorzittingen werd ingediend.

(23)

Zoals vermeld in overweging 26 van de voorlopige verordening was de Commissie in het geval van één producent-exporteur tot de bevinding gekomen dat de kosten die in het antwoord op de vragenlijst waren gerapporteerd, niet in overeenstemming konden worden gebracht met de kosten die in het interne boekhoudsysteem van de onderneming waren gerapporteerd. De onderneming had geargumenteerd dat het gebrek aan overeenstemming te wijten was aan registratiefouten en een waarderingsmethode voor de voorraden die verschilde voor het interne boekhoudsysteem en de in de jaarrekeningen gepubliceerde gegevens.

(24)

Zoals uiteengezet in overweging 28 van de voorlopige verordening was het, hoewel de gegevens in het interne boekhoudsysteem overeenkwamen met de aan accountantscontrole onderworpen financiële overzichten voor de hele onderneming, niet mogelijk om de in het interne boekhoudsysteem opgenomen gegevens voor de draad producerende afdeling in overeenstemming te brengen met de kostentabellen die de onderneming specifiek voor de vragenlijst voor het onderzoek heeft opgesteld. Derhalve werd op grond van artikel 18 van de basisverordening geoordeeld dat de gegevens van het interne boekhoudsysteem voor het antidumpingonderzoek moeten worden gebruikt.

(25)

Om die reden heeft de Commissie een voorlopige correctie uitgevoerd op de kostengegevens die de producent-exporteur in zijn antwoord op de vragenlijst heeft verstrekt door gebruik te maken van de gegevens van het interne boekhoudsysteem.

(26)

Zoals opgemerkt in overweging 27 van de voorlopige verordening voerde de producent-exporteur aan dat de gegevens in het interne boekhoudsysteem niet betrouwbaar waren en niet gebruikt zouden moeten worden voor het onderzoek. De onderneming wees op verschillende fouten en conceptuele problemen in de cijfers in de interne boekhouding waarop de Commissie haar correcties van de kosten had gebaseerd. De onderneming voerde aan dat de Commissie haar analyse had moeten baseren op de kosten die zij in het antwoord op de vragenlijst had vermeld. Bovendien bracht de onderneming de kosten van de afdeling in de interne boekhouding in een latere fase, na de instelling van de voorlopige maatregelen, in overeenstemming met haar antwoord op de vragenlijst. Op die basis en rekening houdend met het bewijsmateriaal dat tijdens het controlebezoek werd verzameld, konden bepaalde productiekosten die oorspronkelijk door de onderneming in haar antwoord op de vragenlijst werden gerapporteerd vervolgens worden geaccepteerd.

(27)

Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal kon de allocatie van bepaalde door de onderneming in haar antwoord op de vragenlijst vermelde kosten, zoals algemene en financieringskosten, echter niet als betrouwbaar worden beschouwd voor gebruik in het onderzoek. De Commissie is van oordeel dat de kostenallocatie overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening moet gebeuren op basis van de totale omzet van de onderneming en de kosten van verkochte goederen. Op basis van het bovenstaande konden de meeste in het antwoord op de vragenlijst vermelde kosten worden geaccepteerd. In de definitieve fase van het onderzoek heeft de onderneming ingestemd met de kostenallocatie op basis van de omzet. De dumpingmarge is lager geworden na een herziening van de verpakkingskosten en bepaalde algemene kosten. Bijgevolg wordt geoordeeld dat artikel 18 van de basisverordening niet langer moet worden toegepast voor de vaststelling van de dumpingmarge van deze producent-exporteur.

(28)

Zoals uiteengezet in overweging 30 van de voorlopige verordening heeft de Commissie in het geval van een tweede producent-exporteur vastgesteld dat de aankopen en het verbruik van grondstoffen die deze producent-exporteur in zijn antwoord op de vragenlijst heeft gerapporteerd, niet worden gestaafd door de gegevens die in het voorraadbeheersysteem van deze producent zijn aangetroffen. Met name bleek de onderverdeling in staalsoorten voor elke bron verschillend te zijn. De Commissie heeft geconstateerd dat de staalsoort een sleutelelement is bij het vaststellen van de kosten van het eindproduct en dat onbetrouwbare informatie over de staalsoort de vaststelling van de kosten en de verkoopprijzen van individuele productsoorten ernstig kan verstoren en bijgevolg misleidend kan zijn; zij heeft de producent-exporteur meermaals op deze essentiële overweging gewezen.

(29)

Zoals vermeld in overweging 31 van de voorlopige verordening stelde de producent-exporteur echter dat de computerbestanden met de aankopen van grondstoffen die door de Commissie tijdens het controlebezoek waren verzameld niet compleet waren, omdat door andere eenheden binnen het bedrijf aanvullende aankopen waren gedaan, die echter niet waren opgenomen in de tijdens het controlebezoek door de Commissie verzamelde en gecontroleerde computerbestanden. Daarnaast stelde de producent-exporteur dat de waargenomen verschillen in de hoeveelheden per staalsoort verband hielden met het feit dat sommige staalsoorten elkaar gedeeltelijk overlapten en dat sommige delen van het productieproces niet traceerbaar waren op het niveau van individuele staalsoorten.

(30)

In overweging 32 van de voorlopige verordening merkte de Commissie echter op dat bovenstaande beweringen van de onderneming met betrekking tot de aanvullende aankopen van grondstoffen niet waren onderbouwd en in geen geval toereikend waren om de waargenomen verschillen op het niveau van de individuele staalsoorten te verklaren. De Commissie merkte tevens op dat de onderneming stelde dat het niet mogelijk was om afzonderlijke staalsoorten in alle fasen van het productieproces precies te traceren. Dit argument ondermijnt de betrouwbaarheid van het hele rapportagesysteem voor staalsoorten nog meer. De informatie die over staalsoorten werd verstrekt, werd bijgevolg voorlopig als misleidend aangemerkt.

(31)

In overweging 33 van de voorlopige verordening oordeelde de Commissie dat de gerapporteerde onderverdeling van grondstoffen per staalsoort niet betrouwbaar was en voorlopig buiten beschouwing moest worden gelaten en dat de bevindingen moesten worden gebaseerd op de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. Wegens de onbetrouwbaarheid van het rapportagesysteem in zijn geheel bezien, konden de vaststellingen niet op basis van de gerapporteerde staalsoorten plaatsvinden. Derhalve is voor het berekenen van een algemene dumpingmarge voor alle producten gebruikgemaakt van het totale verbruik van alle grondstoffen bij elkaar, zonder de onderverdeling per staalsoort in beschouwing te nemen.

(32)

Na de bekendmaking van de voorlopige bevindingen heeft de onderneming deze voorlopige benadering in algemene termen betwist, maar kon zij nog steeds geen productcontrolenummers (PCN’s) verstrekken die één op één overeenstemden. Later in het onderzoek heeft het bedrijf echter voldoende overeenstemmende gegevens voorgelegd. Daarbij werd de grondstof gegroepeerd in de hoofdreeksen van soorten roestvrij staal volgens hun chemische samenstelling (de 200-, 300- en 400-reeksen in de AISI-classificatie). Het bedrijf stelde ook een alternatieve groepering voor waarin het eindgebruik als extra groeperingsfactor was opgenomen. Aangezien het eindgebruik echter niet kan worden gecontroleerd, heeft de Commissie de dumpingmarge herberekend op basis van de staalsoorten die werden gegroepeerd volgens de chemische samenstelling zoals weergegeven door de reeksen staalsoorten (de 200-, 300- en 400-reeksen in de AISI-classificatie). De reeksen staalsoorten zijn een algemeen gebruikt, objectief en verifieerbaar criterium, terwijl voor deze onderneming het gebruik van de PCN’s geen volledige afstemming mogelijk maakte en daarom geen eerlijke vergelijking op basis van betrouwbare gegevens in de zin van de basisverordening garandeerde.

(33)

Aangezien de gegevens met de aanvullende informatie die de onderneming heeft verstrekt niet met het voor het onderzoek vereiste gedetailleerde niveau in overeenstemming konden worden gebracht, werd de voorlopige conclusie dat de traceersystemen van de onderneming onvoldoende betrouwbaar waren, bevestigd, en wordt artikel 18 van de basisverordening toegepast voor de definitieve vaststelling van de productiekosten en de berekening van de dumpingmarge, die bijgevolg gebaseerd is op de in de vorige overweging bedoelde benadering.

(34)

Zoals vermeld in overweging 34 van de voorlopige verordening stelde de Commissie in het geval van de derde producent-exporteur tijdens het controlebezoek vast dat de stromen van grondstoffen die waren gerapporteerd in het antwoord op de vragenlijst, niet overeenkwamen met de gegevens in het boekhoudsysteem van de producent. De onderverdeling per staalsoort bleek binnen elk van de twee bronnen verschillend te zijn.

(35)

Zoals vermeld in overweging 35 van de voorlopige verordening gaf de producentexporteur weliswaar toe enkele fouten te hebben gemaakt in het antwoord op de vragenlijst, maar stelde hij dat de verschillen in de totale hoeveelheden grondstoffen afgestemd konden worden door de wijzigingen in voorraden in aanmerking te nemen. De onderneming stelde echter tevens dat het door de gedeeltelijke overlapping van staalsoorten onmogelijk was om tot een precieze afstemming te komen op basis van individuele staalsoorten. In haar opmerkingen na de bekendmaking van de voorlopige bevindingen stelde de onderneming eveneens dat het af en toe voorkwam dat de staalsoort die op de verkoopfactuur werd vermeld, niet overeenstemde met de werkelijk uitgevoerde staalsoort. Voorts argumenteerde de onderneming dat staalsoorten in de sector roestvrij staal niet op een precieze manier werden gebruikt, maar dat er variaties waren tussen de gepubliceerde chemische samenstellingen van staalsoorten en de werkelijke producten. De onderneming voerde aan dat, indien rekening werd gehouden met deze verklaring, de discrepanties die de Commissie heeft vastgesteld slechts een verwaarloosbaar deel van haar uitvoer zouden uitmaken.

(36)

De Commissie was van oordeel dat de omvang van de vastgestelde discrepanties niet door occasionele onnauwkeurigheden kon worden verklaard. De aangevoerde argumenten hebben de betrouwbaarheid van het rapportagesysteem voor staalsoorten van de onderneming als geheel daarentegen nog verder ondermijnd, in het bijzonder in het licht van het belang van de staalsoort voor de vaststelling van de kosten van het eindproduct.

(37)

Later in het onderzoek argumenteerde het bedrijf echter dat indien de Commissie de oorspronkelijke rapportering van staalsoorten niet aanvaardde, er een accurater resultaat kon worden bereikt indien de Commissie, in plaats van alle PCN’s samen te nemen zoals in de voorlopige fase was gebeurd, slechts die specifieke staalsoorten samen zou nemen waartussen discrepanties werden vastgesteld, dan wel de staalsoorten zou groeperen volgens hun chemische samenstelling zoals wordt weergegeven door de reeksen staalsoorten (de 200-, 300- en 400-reeksen in de AISI-classificatie). Het bedrijf stelde nog een andere manier voor, die erin bestond de staalsoorten in de 300-reeks in kleinere subgroepen op te delen.

(38)

Vervolgens heeft de Commissie de dumpingmarge herberekend op basis van de groepen roestvrij staal volgens de chemische samenstelling zoals wordt weergegeven door de reeksen staalsoorten (de 200-, 300- en 400-reeksen in de AISI-classificatie), zodat dezelfde methode wordt gevolgd als beschreven in overweging 30. De reeksen staalsoorten zijn een algemeen gebruikt, objectief en verifieerbaar criterium, terwijl voor deze onderneming het gebruik van de PCN’s geen volledige afstemming mogelijk maakte en daarom geen eerlijke vergelijking op basis van betrouwbare gegevens in de zin van de basisverordening garandeerde.

(39)

Aangezien de gegevens met de aanvullende informatie die de onderneming heeft verstrekt niet op het voor het onderzoek vereiste gedetailleerde niveau in overeenstemming konden worden gebracht, werd de voorlopige conclusie dat de traceersystemen van de onderneming onvoldoende betrouwbaar waren, bevestigd, en wordt artikel 18 van de basisverordening toegepast voor de definitieve vaststelling van de productiekosten en de berekening van de dumpingmarge, die bijgevolg gebaseerd is op de in de vorige overweging bedoelde benadering.

(40)

De klager heeft opgemerkt dat de Commissie door de indeling van het betrokken product in staalsoorten geen correcte winstgevendheidtest kon verrichten om de normale waarden per PCN vast te stellen.

(41)

De Commissie verricht haar analyse op een niveau dat consistent is met de interne boekhoudsystemen van de producenten-exporteurs en de producenten in de Unie, die als basis kunnen dienen voor de onderbouwing van de gerapporteerde cijfers. Het argument wordt daarom afgewezen.

(42)

Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 37 en 38 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Normale waarde

(43)

Voor één producent-exporteur voor wie artikel 18 van de basisverordening wordt toegepast, werd de vaststelling van de normale waarde na de herbeoordeling van zijn productiekosten herzien. In de definitieve fase werden de productiekosten vastgesteld op basis van de gerapporteerde vervaardigingskosten, waaraan verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten, inclusief financieringskosten, werden toegevoegd met gebruikmaking van een overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening toegestane allocatiemethode.

(44)

Voor de drie nieuwe producenten-exporteurs die in de steekproef werden opgenomen en voor de producent-exporteur voor wie met een individueel onderzoek werd ingestemd, werd het volume van de binnenlandse verkoop algemeen representatief geacht, aangezien het minstens 5 % vertegenwoordigde van de totale uitvoer van het betrokken product naar de Unie door de onderneming. Dezelfde representativiteitstest werd ook uitgevoerd voor elke productsoort die de nieuwe producenten-exporteurs die in de steekproef werden opgenomen op hun binnenlandse markt hadden verkocht. Deze werden overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening vergelijkbaar bevonden met de naar de Unie uitgevoerde productsoorten.

(45)

Door het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt tijdens het OT vast te stellen, heeft de Commissie verder onderzocht of de binnenlandse verkoop van elk van de nieuwe producenten-exporteurs die in de steekproef werden opgenomen en van de producent-exporteur voor wie met een individueel onderzoek werd ingestemd, kon worden beschouwd als verkoop die overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden.

(46)

In het geval van één van de nieuwe producenten-exporteurs die in de steekproef werden opgenomen, werd de oorspronkelijk door het bedrijf ingediende kostentoerekening ongeschikt bevonden, aangezien deze geen rekening houdt met de dikte van de draad, die een belangrijke kostenfactor is. De methode voor de kostentoerekening werd met instemming van het bedrijf gecorrigeerd.

(47)

In het geval van een tweede nieuwe producent-exporteur die in de steekproef werd opgenomen, werd een administratieve fout in de vaststelling van de dumpingmarge gecorrigeerd. Voorts heeft de producent de Commissie verzocht nog extra correcties aan te brengen in de winstgevendheidstest en de prijscorrecties. Deze argumenten werden ongegrond bevonden.

(48)

In het geval van de producent/exporteur aan wie een individuele behandeling was toegekend, werd een administratieve fout in de berekeningen gecorrigeerd. Dezelfde producent-exporteur kwam met meer argumenten over de vaststelling door de Commissie van de hoogte van de verkoop-, algemene en administratieve kosten en de binnenlandse vervoerskosten en verzocht om een correctie voor de fysieke verschillen van het betrokken product tussen de binnenlandse en de exportmarkten. Deze argumenten werden afgewezen, omdat de berekeningen waren gebaseerd op de door de onderneming verstrekte gegevens over de kosten die tijdens het controlebezoek waren geverifieerd, en omdat het argument met betrekking tot de fysieke verschillen niet met bewijsmateriaal werd gestaafd.

(49)

Bijgevolg wordt de methodiek voor de vaststelling van de normale waarde zoals beschreven in de overwegingen 39 tot en met 48 van de voorlopige verordening bevestigd. Deze werd toegepast op de drie nieuwe producenten-exporteurs die in de steekproef werden opgenomen en op de producent-exporteur voor wie met een individueel onderzoek werd ingestemd.

3.   Uitvoerprijs

(50)

Voor één producent-exporteur werden op basis van zijn argumenten bepaalde administratieve fouten rechtgezet die verband hielden met het occasionele gebruik van een verkeerde wisselkoers en het foutief meetellen van bepaalde verkoop binnen de groep in de berekening van de dumping.

(51)

Voor een tweede producent-exporteur werd de verkoop via een verbonden onderneming in de Unie opgenomen in de berekening van de dumping.

(52)

Eén van de nieuwe producenten-exporteurs die in de steekproef werden opgenomen, voerde aan dat de voordelen die hij in het kader van de subsidieregelingen DEPB en DDS had genoten, aan de uitvoerprijzen moesten worden toegevoegd.

(53)

Een andere nieuwe producent-exporteur die in de steekproef werd opgenomen, heeft de voordelen die hij in het kader van de subsidieregeling DDS had genoten, gerapporteerd als negatieve prijscorrecties, die de uitvoerprijzen kunstmatig opdreven.

(54)

De Commissie heeft het prijsgedrag van beide ondernemingen op de markt van de Unie geanalyseerd en kwam tot haar bevindingen, die resulteren uit de toepassing van artikel 2, lid 8, van de basisverordening en bijgevolg geen verdere correcties vereisen. Bijgevolg werd het argument van de eerste onderneming verworpen en werd geen rekening gehouden met de gerapporteerde correctie van de laatste onderneming.

(55)

Eén van de nieuwe producenten-exporteurs die in de steekproef werden opgenomen, argumenteerde dat zijn uitvoerprijzen naar boven moesten worden bijgesteld om deze op zijn binnenlandse prijzen af te stemmen omdat zijn binnenlandse verkoop onder een eigen merknaam plaatsvond, wat hogere prijzen oplevert. De onderneming kon echter niet staven dat de facturen waarop haar argument betrekking had wel degelijk verkoop onder een eigen merknaam betroffen. Het argument werd bijgevolg verworpen.

(56)

Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 50 tot en met 52 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   Vergelijking

(57)

Een producent-exporteur argumenteerde dat, aangezien voor de vaststelling van de productiekosten alle PCN’s werden samengenomen, de uitvoerprijzen op dezelfde manier moesten worden behandeld en voor de vergelijking met de normale waarde gebruik had moeten worden gemaakt van één uitvoerprijs.

(58)

Tijdens haar onderzoek heeft de Commissie gepoogd voor elke PCN afzonderlijk gegevens over de kosten en de uitvoerprijs te verkrijgen. Van de betrokken onderneming ontving zij niet de nodige overeenstemmingen op basis waarvan voor elk PCN betrouwbare productiekosten konden worden vastgesteld. Tijdens het onderzoek werd evenwel niet vastgesteld dat gegevens ontbraken wat de per PCN gerapporteerde uitvoerprijzen betrof. Het zou dan ook ongepast zijn geweest om artikel 18 van de basisverordening toe te passen voor de vaststelling van de werkelijke uitvoerprijzen. Daar de Commissie minder gedetailleerde gerapporteerde prijzen ongeschikt achtte voor een billijke vergelijking,, gezien de normen van het onderzoek, werd het argument verworpen.

(59)

Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 53 tot en met 55 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   Dumpingmarges

(60)

Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werd voor elke in de steekproef opgenomen onderneming de vastgestelde gewogen gemiddelde normale waarde per productsoort vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van het betrokken product.

(61)

Vanwege de toepassing van artikel 18 van de basisverordening op twee van de drie oorspronkelijk in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werd de dumpingmarge van de niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs krachtens artikel 9, lid 6, van de basisverordening vastgesteld op basis van de gemiddelde dumpingmarge van de ene oorspronkelijk in de steekproef opgenomen producent-exporteur op wie artikel 18 van de basisverordening niet langer wordt toegepast en de twee nieuwe ondernemingen die in de steekproef werden opgenomen en geen de-minimisdumpingmarges hebben. Op grond hiervan werd de dumpingmarge voor de medewerkende, niet in de steekproef opgenomen ondernemingen vastgesteld op 8,4 %.

(62)

Wat alle andere producenten-exporteurs in het betrokken land betreft, stelde de Commissie eerst de mate van medewerking vast. Hiertoe werd een vergelijking gemaakt tussen de totale uitvoerhoeveelheden die zijn gerapporteerd in de steekproefantwoorden en de totale invoer uit het betrokken land op grond van de invoerstatistieken van Eurostat. Gezien het hoge medewerkingsniveau werd de residuele dumpingmarge vastgesteld op het niveau van de hoogste dumpingmarge voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Op grond hiervan werd de voor het gehele land geldende dumpingmarge vastgesteld op 16,2 %.

(63)

Op grond hiervan zijn de gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

GARG Inox

11,8 %

KEI Industries

7,7 %

Macro Bars and Wires

0,0 %

Nevatia Steel & Alloys

4,1 %

Raajratna Metal Industries

16,2 %

Venus Group

11,6 %

Viraj Profiles

6,8 %

Niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen

8,4 %

Alle andere ondernemingen

16,2 %

D.   BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE

1.   Bedrijfstak van de Unie

(64)

Sommige gebruikers zetten vraagtekens bij het aantal producenten in de Unie in overweging 63 van de voorlopige verordening. Zij stellen dat dit aantal onjuist is vastgesteld en dat er in werkelijkheid minder producenten op de markt van de Unie zijn.

(65)

De Commissie wijst erop dat het bovenstaande argument niet met bewijsmateriaal werd gestaafd. Tijdens het onderzoek en bij de verificatie van de representativiteit heeft de Commissie het aantal in de klacht vermelde producenten in de Unie gecontroleerd. De Commissie heeft hierover alle 27 haar bekende producenten in de Unie gecontacteerd. Het onderzoek heeft bevestigd dat 27 producenten in de Unie het soortgelijke product tijdens het OT in de Unie hebben vervaardigd. Derhalve wordt het argument afgewezen en wordt overweging 63 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Productie in de Unie en steekproef van producenten in de Unie

(66)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 64 tot en met 67 van de voorlopige verordening bevestigd.

E.   SCHADE

1.   Verbruik in de Unie

(67)

Enkele gebruikers stelden dat de gegevens voor 2009 niet in de schadeanalyse hadden moeten worden meegenomen, omdat de financiële crisis van dat jaar verstorende effecten had, met name op het verbruik in de Unie. Maar zelfs als de gegevens voor dat jaar niet waren meegenomen, dan nog zouden de verbruikscijfers een stijgende trend hebben laten zien (+ 5 %), wat duidt op een verbeterende markt. Bovendien worden de negatieve effecten van de financiële crisis in overweging 68 van de voorlopige verordening expliciet genoemd. Aangezien geen andere opmerkingen zijn ontvangen, wordt overweging 68 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Invoer in de Unie uit het betrokken land

(68)

De voor de producent-exporteur, Macro Bars and Wires, vastgestelde dumpingmarge ligt onder de de-minimisdrempel bedoeld in artikel 9, lid 3, van de basisverordening. Bijgevolg wordt deze producent-exporteur niet geacht tijdens het OT met dumping te hebben verkocht in de zin van artikel 1, lid 2, van de basisverordening. De omvang van de invoer afkomstig van die onderneming werd dan ook niet opgenomen in de totale omvang van de voorlopig vastgestelde invoer met dumping uit het betrokken land. Een andere producent-exporteur, de Venus Group, merkte op dat bepaalde transacties bij vergissing dubbel waren geteld. De Commissie was het hiermee eens en heeft het totale volume van de invoer met dumping gecorrigeerd door deze transacties eruit te verwijderen.

(69)

De omvang, het marktaandeel en de gemiddelde prijs van de invoer met dumping werden dienovereenkomstig gecorrigeerd.

(70)

Omvang en marktaandeel van de invoer met dumping:

 

2009

2010

2011

OT

Hoeveelheid

15 826

27 291

34 494

33 252

Index (2009 = 100)

100

172

218

210

Marktaandeel

12,0 %

14,6 %

17,6 %

16,9 %

Index (2009 = 100)

100

121

146

140

Bron: Eurostat en antwoorden op de vragenlijst

(71)

Macro Bars and Wires heeft tijdens het OT slechts beperkte hoeveelheden van het betrokken product uitgevoerd en de transacties van de Venus Group hadden slechts betrekking op de invoer van een beperkte hoeveelheid van het betrokken product. Om die redenen, heeft de aftrek van deze ingevoerde hoeveelheden van de totale hoeveelheid van de invoer met dumping uit het betrokken land geen aanzienlijke gevolgen voor de in de overwegingen 69 en 71 van de voorlopige verordening beschreven trends. Deze overwegingen van de voorlopige verordening worden bijgevolg bevestigd.

(72)

Gemiddelde prijs van de invoer met dumping:

 

2009

2010

2011

OT

Gemiddelde prijs

2 380

2 811

3 259

3 207

Index (2009 = 100)

100

118

137

135

Bron: Eurostat en antwoorden op de vragenlijst

(73)

De correctie van de omvang van de invoer met dumping heeft geen aanzienlijke wijziging van de gemiddelde prijzen van de invoer met dumping uit India of van de berekening van de prijsonderbiedingsmarge tot gevolg. De gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge bedraagt 15 %, wat de bevinding in de voorlopige verordening bevestigt.

(74)

Een Indische producent-exporteur argumenteerde dat de verkoopprijzen van de producenten in de Unie zeer onwaarschijnlijk leken en waarschijnlijk waren vertekend. Er wordt echter op gewezen dat de prijzen die voor de berekening van de prijsonderbieding werden gebruikt, het resultaat waren van informatie die tijdens controlebezoeken bij de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie werd verzameld en gecontroleerd.

(75)

De conclusies die werden getrokken uit de in de overwegingen 75 tot en met 77 van de voorlopige verordening beschreven bevindingen, worden bevestigd.

3.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

(76)

Sommige partijen merkten op dat de resultaten van de bedrijfstak van de Unie gezien de wereldwijde economische crisis toch redelijk positief waren en dat behalve de schade-indicator „marktaandeel” geen enkele indicator op het bestaan van schade wees.

(77)

Eén partij merkte op dat de gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode veel meer was gestegen dan de productiekosten, respectievelijk 34 % en 13 %. In dit verband wordt opgemerkt dat in het begin van de beoordelingsperiode, in 2009, de bedrijfstak van de Unie onder de kostprijs verkocht en de bedrijfstak er pas vanaf 2011 in slaagde om boven de kostprijs te verkopen.

(78)

Uit het onderzoek is gebleken dat sommige schade-indicatoren, zoals productieomvang en bezettingsgraad, weliswaar een positieve trend voor de beoordelingsperiode laten zien, of een stabiele trend, zoals werkgelegenheid, maar dat een aantal andere, die verband houden met de financiële situatie van de bedrijfstak, namelijk winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen, voor die periode geen bevredigende trend vertonen. De indicator voor investeringen verbeterde in 2010, maar viel in 2011 en het OT terug onder het niveau van 2009. Weliswaar verbeterde het rendement van investeringen tussen 2009 en 2011 (tot 6,7 %), maar het daalde opnieuw tot 0,8 % in het OT. Ook de indicatoren voor de winstgevendheid en de kasstroom verbeterden tot 2011 en begonnen opnieuw te verslechteren in het OT. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie het na 2009 beter begon te doen, maar haar herstel werd vervolgens vertraagd door de invoer met dumping uit het betrokken land.

(79)

Op verzoek van een belanghebbende partij wordt bevestigd dat de in overweging 100 van de voorlopige verordening genoemde voorraadniveaus betrekking hebben op de activiteiten van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in de Unie.

(80)

De bedrijfstak van de Unie stelde dat de in het voorlopige stadium vastgestelde streefwinstmarge van 5 % te laag was. Deze stelling werd onvoldoende onderbouwd. In overweging 95 van de voorlopige verordening wordt aangegeven waarom voor deze winstmarge is gekozen. Uit het onderzoek zijn geen redenen naar voren gekomen om deze winstmarge te veranderen. Vandaar dat de winstmarge van 5 % voor de definitieve bevindingen wordt gehandhaafd.

(81)

Eén producent-exporteur stelde dat de moeilijkheden van de bedrijfstak van de Unie grotendeels het gevolg waren van structurele problemen en dat de streefwinstmarge van 5 % daarom niet realistisch was.

(82)

De Commissie wijst erop dat de instellingen volgens de rechtspraak (8) een winstmarge moeten vaststellen die de bedrijfstak van de Unie onder normale concurrentievoorwaarden, zonder invoer met dumping, in redelijkheid mag verwachten. In 2007 bedroeg de winstmarge 3,7 %; vanaf 2008 was de winstmarge negatief als gevolg van de financiële en economische crisis. In de klacht wordt aangevoerd, en het onderzoek heeft dit bevestigd, dat de invoer met dumping in 2007 begon: de omvang van de invoer steeg dat jaar van 17 727 ton naar 24 811 ton. Bijgevolg kon de streefwinstmarge niet worden vastgesteld op basis van de winst waarop de producenten in de Unie van het soortgelijke product redelijkerwijze konden rekenen. Zoals uiteengezet in overweging 95 van de voorlopige verordening achtte de Commissie het dan ook passend een winstmarge van 5 % te gebruiken op basis van de werkelijke winsten in andere delen van de staalsector die niet te lijden hadden onder invoer met dumping en subsidiëring, zoals bij andere recente onderzoeken in verband met vergelijkbare producten in dezelfde sector (9). Bovendien zij opgemerkt dat de winstmarge van 3,7 % die in 2007 werd vastgesteld in elk geval te laag wordt geacht gezien de aanwezigheid en de toename van de invoer met dumping. Vandaar dat de winstmarge van 5 % voor de definitieve bevindingen wordt gehandhaafd.

4.   Conclusie over schade

(83)

De Commissie concludeert bijgevolg dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 78 tot en met 105 van de voorlopige verordening bevestigd.

F.   OORZAKELIJK VERBAND

1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(84)

Eén producent-exporteur voerde aan dat in de voorlopige verordening voorbij werd gegaan aan het feit dat de bedrijfstak van de Unie sinds 2009 kon profiteren van een stijging van het verbruik en dat de Commissie er niet van uit kon gaan dat de bedrijfstak zijn marktaandeel voor eeuwig zou handhaven.

(85)

Als reactie op deze argumenten wordt opgemerkt dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat het marktaandeel van de invoer met dumping uit India sneller groeide dan het verbruik in de Unie. De omvang van de invoer met dumping uit India steeg met 110 %, terwijl het verbruik in de Unie in dezelfde periode met 50 % steeg. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat de gemiddelde Indiase prijs tijdens dezelfde periode constant onder de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie lag en de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie in het OT met 15 % onderbood. Bijgevolg kon de bedrijfstak van de Unie, hoewel zij inderdaad in bepaalde mate profiteerde van het gestegen verbruik en haar verkoopvolume met 40 % kon verhogen, haar marktaandeel niet behouden zoals kon worden verwacht gezien de verbeterende marktomstandigheden en gezien de onbenutte productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie.

2.   Gevolgen van andere factoren

2.1.   Invoer zonder dumping

(86)

Tijdens de beoordelingsperiode is de ontwikkeling van de invoer zonder dumping vergelijkbaar met die van de invoer met dumping en van de prijzen. Bovendien waren de prijsniveaus van de invoer met dumping in essentie gelijk aan die van de invoer zonder dumping, met dien verstande dat de prijzen van de invoer zonder dumping gemiddeld 0,4 % lager waren. Voorts bedraagt de omvang van de invoer zonder dumping minder dan zes procent van de totale invoer uit het betrokken land en iets meer dan één procent van het marktaandeel. Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat de schade die werd veroorzaakt door de invoer zonder dumping uit het betrokken land het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit het betrokken land en de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Unie tijdens het OT heeft geleden, niet verbreekt.

2.2.   Invoer uit derde landen

(87)

Twee producenten-exporteurs in India en de Indiase overheid herhaalden de stelling dat de invoer van draad van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China („China”) in het onderzoek had moeten worden meegenomen en dat de gevolgen van de invoer uit China voor de markt en de bedrijfstak van de Unie waren onderschat.

(88)

Zoals opgemerkt in overweging 115 van de voorlopige verordening werd sinds de inleidingsfase geen enkel bewijs van schade veroorzakende dumping overgelegd dat de opening van een antidumpingonderzoek met betrekking tot invoer van oorsprong uit China gerechtvaardigd zou hebben. De stelling dat het onderzoek tot China had moeten worden uitgebreid, wordt derhalve als ongegrond verworpen.

(89)

Dat neemt niet weg dat de invoer uit China in de beoordelingsperiode een stijgende trend vertoonde en aan het einde van het OT een marktaandeel van 8,3 % vertegenwoordigde, zoals vermeld in punt 113 van de voorlopige verordening. Verder waren de prijzen van de invoer uit Chinalager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en ook lager dan de prijzen van de Indiase producenten-exporteurs op de markt van de Unie. Vandaar dat nader werd onderzocht of de invoer uit China aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade had kunnen bijdragen en zo het oorzakelijk verband tussen die schade en de invoer met dumping uit India zou hebben verbroken.

(90)

De informatie die in de voorlopige fase van het onderzoek beschikbaar was, duidt er echter op dat de invoer uit China uit een andere productmix bestond en tot andere productcategorieën behoorde dan de producten van de bedrijfstak van de Unie of de producten van oorsprong uit het betrokken land die op de markt van de Unie werden verkocht.

(91)

Na publicatie van de voorlopige maatregel ontving de Commissie verschillende opmerkingen die wezen op de mogelijkheid dat Chinese laaggeprijsde invoer gedurende het OT het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit India en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade had kunnen verbreken.

(92)

Uit een analyse van de invoerstatistieken voor de producten die onder de twee onderzochte GN-codes vallen, is naar voren gekomen dat 29 % van de invoer uit China was bedoeld voor het lagere marktsegment (producten die vallen onder GN-code 7223 00 99). Dit verklaart deels waarom de prijzen van de invoer uit China gemiddeld lager waren dan die van de bedrijfstak van de Unie en van de producenten-exporteurs in India. De statistieken voor producten die onder GN-code 7223 00 99 vallen, laten ook zien dat de afnemers van Chinese producenten waren geconcentreerd in het Verenigd Koninkrijk, waar de bedrijfstak van de Unie nauwelijks produceerde.

Gemiddelde prijs (EUR/t)

2009

2010

2011

OT

72 230 019

2 974

3 286

3 436

2 995

72 230 099

765

1 458

1 472

1 320

Bron: Eurostat

(93)

Wat de producten onder GN-code 7223 00 19 betreft, bleek uit een analyse op PCN-basis dat zowel de bedrijfstak van de Unie als de producenten-exporteurs in India vooral in het hogere marktsegment actief waren, waar de prijzen soms wel vier keer hoger waren dan in het lagere marktsegment van dezelfde GN-code (10). Uit het onderzoek bleek ook dat prijsverschillen over het algemeen verband hielden met verschillen in productsoort en nikkelgehalte.

(94)

Wat het prijspeil van de invoer vanuit de Volksrepubliek China betreft, zij erop gewezen dat de gemiddelde prijs van de Chinese invoer van 2009 tot het eind van het OT hoger lag dan die van de invoer met dumping uit India van het betrokken product, zoals blijkt uit de volgende tabel die de gemiddelde prijs weergeeft van onder GN-code 7223 00 19 vallende Chinese uitvoer.

Gemiddelde prijs (EUR/t)

2009

2010

2011

OT

OT + 1

72 230 019

2 974

3 286

3 436

2 995

3 093

Bron: Eurostat

(95)

Tijdens het OT daalde de gemiddelde prijs van de invoer uit China voor het eerst onder die van de Indiase invoerprijs voor invoer met dumping. Deze waarneming bleek echter van tijdelijke aard te zijn aangezien het Chinese prijspeil in het jaar na het OT weer steeg en hoger was dan de Indiase prijzen.

(96)

Voorts bleek uit een vergelijking van de omvang van de invoer uit het betrokken land met die uit de Volksrepubliek China dat de invoer uit de Volksrepubliek China over de gehele beoordelingsperiode en met name in het OT veel lager was dan die uit India. De omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China bedroeg minder dan de helft van die uit India.

(97)

Ook al heeft de invoer vanuit de Volksrepubliek China bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, kan deze de situatie van de bedrijfstak van de Unie dus niet zodanig hebben beïnvloed dat daardoor het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping vanuit het betrokken land en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade werd verbroken. Overweging 113 van de voorlopige verordening wordt derhalve bevestigd.

2.3.   Concurrentie van andere producenten in de Unie

(98)

Een partij voerde aan dat de zwakke financiële prestaties van de producenten van de Unie te wijten zouden kunnen zijn aan concurrentie van andere producenten in de Unie die zich niet bij de klacht hadden aangesloten en geen steun hadden uitgesproken bij de opening van het onderzoek.

(99)

Het marktaandeel van andere producenten in de Unie ontwikkelde zich als volgt:

 

2009

2010

2011

OT

Verkoop van andere producenten in de Unie op de markt van de Unie (ton)

34 926

55 740

55 124

55 124

Index (2009 = 100)

100

160

158

158

Marktaandeel van andere producenten in de Unie

26,6 %

29,8 %

28,1 %

27,9 %

Bron: klacht en antwoorden inzake representativiteit

(100)

De producenten in de Unie die geen klacht hadden ingediend en niet uitdrukkelijk hun steun hadden uitgesproken voor het onderzoek, vertegenwoordigden 44 % van het totale verkoopvolume van de Unie dat in overweging 86 van de voorlopige verordening wordt vermeld. Hun verkoopvolume steeg in de beoordelingsperiode met 58 %: van naar schatting 34 926 ton in 2009 tot 55 124 ton aan het eind van het OT. Vergeleken met de groei van de invoer met dumping uit het betrokken land in dezelfde periode (+ 110 %), is deze groei echter relatief bescheiden. Bovendien bleef het marktaandeel van deze producenten gedurende de beoordelingsperiode vrij stabiel en duidt niets erop dat hun prijzen lager waren die van de in de steekproef opgenomen producenten. Bijgevolg wordt geconcludeerd dat hun afzet op de markt van de Unie niet bijdroeg aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade.

3.   Conclusie inzake het oorzakelijk verband

(101)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 121 tot en met 124 van de voorlopige verordening bevestigd.

G.   BELANG VAN DE UNIE

1.   Algemene overwegingen

(102)

Aangezien geen opmerkingen zijn ontvangen, wordt overweging 125 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(103)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 126 tot en met 133 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Belang van niet-verbonden importeurs

(104)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 142 tot en met 144 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   Belang van de gebruikers

(105)

Na de instelling van voorlopige maatregelen lieten zeven gebruikers en één vereniging van gebruikers weten hun medewerking aan het onderzoek te willen verlenen. Naar aanleiding van hun verzoek stuurde de Commissie hun in april 2013 een vragenlijst. Deze vragenlijst werd echter slechts door twee gebruikers volledig ingevuld teruggestuurd. Samen vertegenwoordigden de medewerkende gebruikers in het OT 12 % van de totale invoer uit het betrokken land en 2,5 % van het totale verbruik in de Unie. Zij hadden 32 personen in dienst die betrokken waren bij de vervaardiging van eindproducten waarin het betrokken product is verwerkt. Op basis van de nieuwe gegevens uit de ingevulde vragenlijsten en de bevindingen van een controlebezoek aan twee gebruikers voor het verifiëren van de verstrekte gegevens, werden de economische gevolgen van de maatregelen voor gebruikers opnieuw beoordeeld.

(106)

De gebruikers stelden dat het winstgevendheidspercentage van 9 % dat in overweging 136 van de voorlopige verordening wordt genoemd, te hoog was en niet representatief voor de verwerkende ondernemingen. Na ontvangst van de antwoorden op een aanvullende vragenlijst werd de gemiddelde winstgevendheid van alle medewerkende gebruikers opnieuw berekend en vastgesteld op 2 % van de omzet.

(107)

Ook bleek dat de medewerkende gebruikers gemiddeld 44 % van hun aankopen van het betrokken product uit het betrokken land uitmaakte en dat voor twee van hen het betrokken land de enige voorzieningsbron was. De omzet van het product waarin het betrokken product werd opgenomen, bedroeg in het OT gemiddeld 14 % van de totale omzet van de medewerkende gebruikers.

(108)

Uitgaande van het worst-casescenario voor de markt van de Unie, namelijk dat eventuele prijsstijgingen niet aan de distributieketen kunnen worden doorberekend en de gebruikers dezelfde hoeveelheden uit het betrokken land blijven betrekken als voorheen, zou de instelling van het recht voor gebruikers tot gevolg hebben dat de winstgevendheid van activiteiten waarbij het betrokken product wordt gebruikt, afneemt tot het punt waarop de gebruikers verliesgevend zouden worden en een (negatieve) winstgevendheid van – 0,6 % zouden bereiken.

(109)

De Commissie erkent dat de gevolgen op individueel niveau op korte en middellange termijn groter zijn voor gebruikers die hun volledige invoer uit India betrekken. Dit betreft echter een relatief klein aantal (twee van de medewerkende gebruikers). Verder kan krachtens artikel 11 van de basisverordening, mits de Indiase producente meewerkt, om terugbetaling van de rechten worden verzocht als aan alle voorwaarden voor een dergelijke terugbetaling is voldaan.

(110)

Enkele gebruikers gaven opnieuw uiting aan de zorg dat compenserende maatregelen gevolgen zouden hebben voor bepaalde soorten draad die niet in Europa worden geproduceerd, namelijk soorten van de zogeheten „serie 200”, zoals beschreven in overweging 139 van de voorlopige verordening. Volgens die gebruikers zouden die soorten draad niet in de Unie worden geproduceerd omdat er in de Unie maar een beperkte vraag naar bestaat en het heel specifieke productieprocessen betreft.

(111)

Uit het onderzoek is echter gebleken dat dergelijke soorten draad van roestvrij staal wel degelijk door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd en een beperkt aandeel van de markt van de Unie vertegenwoordigen. Daarnaast zijn er voor gebruikers alternatieve voorzieningsbronnen in landen waartegen geen antidumping- of antisubsidiemaatregelen zijn ingesteld. Verder kunnen voor dezelfde doeleinden ook andere soorten draad van roestvrij staal worden gebruikt. Vandaar dat het instellen van de maatregelen geen aanzienlijke negatieve gevolgen kan hebben voor de markt van de Unie en deze gebruikers. Dit argument wordt derhalve afgewezen.

(112)

Enkele gebruikers wezen erop dat voor de levering van het soortgelijk product door producenten in de Unie een langere leveringstijd geldt dan voor de levering van het betrokken product door producenten-exporteurs in India. Aangezien handelaren een voorraad van de producten kunnen aanleggen, doet dit geen afbreuk aan het feitelijk bewijs voor de negatieve gevolgen van de invoer met dumping uit India. Dit argument wordt derhalve afgewezen.

(113)

Gelet op het bovenstaande en ondanks het feit dat sommige gebruikers vermoedelijk meer negatieve gevolgen van de maatregelen tegen de invoer uit het betrokken land zullen ondervinden dan andere, wordt aangenomen dat de markt van de Unie per saldo profijt zal hebben van de instelling van de maatregelen. Het is met name te verwachten dat het herstel van eerlijke concurrentievoorwaarden op de markt van de Unie, de bedrijfstak van de Unie in staat zal stellen om de prijzen aan te passen aan de productiekosten, productie en werkgelegenheid in stand te houden, het verloren marktaandeel te heroveren en te profiteren van meer schaalvoordelen. Het zou de bedrijfstak in staat stellen om redelijke winstmarges te behalen die het mogelijk maken om op de middellange en lange termijn efficiënt te functioneren. Tegelijkertijd zal ook de algehele financiële situatie van de bedrijfstak worden verbeterd. Verder is uit het onderzoek gebleken dat de maatregelen in het algemeen maar beperkte negatieve gevolgen voor gebruikers en niet-verbonden importeurs zullen hebben. Derhalve wordt geconcludeerd dat de voordelen van de maatregelen de negatieve gevolgen voor gebruikers van het betrokken product op de markt van de Unie compenseren.

5.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(114)

Gezien het bovenstaande worden de conclusies in de overwegingen 145 en 146 van de voorlopige verordening bevestigd.

H.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

1.   Schademarge

(115)

Voor één producent-exporteur werd de schademarge naar beneden bijgesteld op grond van zijn argument dat er administratieve fouten werden gemaakt door voor bepaalde transacties een verkeerde wisselkoers toe te passen en door transacties binnen de groep in de berekening op te nemen. Aangezien geen andere opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 148 tot en met 151 van de voorlopige verordening bevestigd.

(116)

Dezelfde producent-exporteur voerde aan dat het betrokken product dat door India naar de Unie wordt uitgevoerd, aan groothandelaren wordt verkocht, dat de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie aan eindgebruikers verkoopt, en dat de vergelijking door de Commissie bijgevolg niet op hetzelfde handelsstadium betrekking had. Uit het onderzoek is evenwel gebleken dat de producenten-exporteurs in India aan beide categorieën van afnemers verkopen en dat zij met de producenten in de Unie om dezelfde categorieën van klanten wedijveren.

2.   Conclusie over de schademarge

(117)

Omdat de definitieve subsidiemarge voor Macro Bars and Wires onder de de-minimisdrempel ligt (zie overweging 51), is voor deze onderneming geen individuele dumpingmarge berekend.

(118)

De in de voorlopige verordening gebruikte berekeningsmethode wordt bevestigd.

3.   Definitieve maatregelen

(119)

Gelet op het voorgaande moet overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening een definitief antidumpingrecht worden ingesteld dat hoog genoeg is om een einde te maken aan de door de invoer met dumping veroorzaakte schade, rekening houdend met de bij Verordening (EU) nr. 419/2013 ingestelde subsidiemarge.

(120)

Bijgevolg zijn de dumpingrechten vastgesteld door de schademarges met de dumpingmarges te vergelijken; daarbij werd ook rekening gehouden met de subsidiemarges door deze volledig af te trekken van de desbetreffende dumpingmarge. Bijgevolg bedragen de definitieve antidumpingrechten:

Onderneming

Dumpingmarge

Compenserend recht

Schademarge

Definitief antidumpingrecht

GARG Inox

11,8 %

3,4 %

22,6 %

8,4 %

KEI Industries

7,0 %

0,0 %

41,9 %

7,7 %

Macro Bars and Wires

0,0 %

3,4 %

30,3 %

0,0 %

Nevatia Steel & Alloys

4,1 %

3,4 %

23,8 %

0,7 %

Raajratna Metal Industries

16,2 %

3,7 %

17,2 %

12,5 %

Venus-groep

11,6 %

3,0 %

23,4 %

8,6 %

Viraj Profiles Vpl.

6,8 %

0,0 %

32,1 %

6,8 %

Niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen

8,4 %

3,4 %

23,7 %

5,0 %

Alle andere ondernemingen

16,2 %

3,7 %

41,9 %

12,5 %

(121)

De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten gelden (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) uitsluitend voor de invoer van producten van oorsprong uit India die vervaardigd zijn door de vermelde specifieke juridische entiteiten. Deze rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen. Op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(122)

Een van de producenten-exporteurs in het betrokken land heeft in overeenstemming met artikel 8, lid 1, van de basisverordening een prijsverbintenis aangeboden.

(123)

De afgelopen jaren vertoonde het betrokken product aanzienlijke prijsschommelingen, zodat een vaste prijsverbintenis geen passende oplossing zou zijn. Om dit probleem te ondervangen, heeft de Indiase producent-exporteur een indexeringsclausule op basis van de grondstoffenprijzen voorgesteld. In dit verband zij opgemerkt dat er geen rechtstreeks en exact verband tussen de prijsschommeling en de index kon worden vastgesteld, zodat indexering niet geschikt lijkt. Bovendien werd in het onderzoek vastgesteld dat er verschillende soorten van het betrokken product zijn, die niet gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn, maar waarvan de prijzen sterk uiteenlopen.

(124)

Voorts vervaardigt de producent-exporteur een reeks producten van roestvrij staal en kan hij deze producten aan dezelfde afnemers in de Unie verkopen via verbonden handelsondernemingen. Dat zou een ernstig risico voor kruiscompensatie opleveren en een effectief toezicht op de verbintenis uiterst moeilijk maken.

(125)

Op basis van bovenstaande overwegingen werd geconcludeerd dat de aangeboden verbintenissen onaanvaardbaar zijn,

(126)

Verzoeken in verband met de toepassing van individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen (bv. na een naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie (11) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening tot instelling van het definitieve antidumpingrecht dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.

4.   Definitieve inning van de voorlopige rechten

(127)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht, definitief te innen tot het bedrag van de ingestelde definitieve rechten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Een definitief antidumpingrecht wordt ingesteld op draad van roestvrij staal bevattende:

2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat,

minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat,

momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7223 00 19 en 7223 00 99 en van oorsprong uit India.

2.   Het definitieve antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor het in lid 1 omschreven product dat door onderstaande ondernemingen is geproduceerd, is als volgt:

Onderneming

Recht (%)

Aanvullende Taric-code

Garg Inox, Bahadurgarh, Haryana and Pune, Maharashtra

8,4

B931

KEI Industries Ltd, New Delhi

7,7

B925

Macro Bars and Wires, Mumbai, Maharashtra

0,0

B932

Nevatia Steel & Alloys, Mumbai, Maharashtra

0,7

B933

Raajratna Metal Industries, Ahmedabad, Gujarat

12,5

B775

Venus Wire Industries Pvt. Ltd, Mumbai, Maharashtra

8,6

B776

Precision Metals, Mumbai, Maharashtra

8,6

B777

Hindustan Inox Ltd, Mumbai, Maharashtra

8,6

B778

Sieves Manufacturer India Pvt. Ltd, Mumbai, Maharashtra

8,6

B779

Viraj Profiles Ltd, Thane, Maharashtra and Mumbai, Maharashtra

6,8

B780

In de bijlage vermelde ondernemingen

5,0

B781

Alle andere ondernemingen

12,5

B999

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Wanneer een producent-exporteur uit India de Commissie voldoende bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat

a)

hij de in artikel 1, lid 1, beschreven goederen van oorsprong uit India tijdens het onderzoektijdvak (1 april 2011 - 31 maart 2012) niet heeft uitgevoerd;

b)

hij niet verbonden is met een exporteur of producent op wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn, en

c)

hij de betrokken goederen hetzij werkelijk heeft uitgevoerd, dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om na het eind van het onderzoektijdvak een aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie uit te voeren,

kan artikel 1, lid 2, worden gewijzigd door de nieuwe producent-exporteur aan de lijst in de bijlage toe te voegen.

Artikel 3

De bedragen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 418/2003 van de Commissie als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige antidumpingrechten die zijn ingesteld op draad van roestvrij staal bevattende:

2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat,

minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat,

momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7223 00 19 en 7223 00 99 en van oorsprong uit India, worden definitief geïnd. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 november 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

L. LINKEVIČIUS


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  PB L 126 van 8.5.2013, blz. 1.

(3)  PB L 126 van 8.5.2013, blz. 19.

(4)  PB L 240 van 7.9.2013, blz. 1.

(5)  PB C 240 van 10.8.2012, blz. 6.

(6)  Zaak C-595/11: Steinel Vertrieb GMBH v. Hauptzollamt Bielefeld [Arrest van het Hof (Tweede Kamer) van 18 april 2013], nog niet gepubliceerd.

(7)  Zaak T-170/94, Jurispr. 1997, II-1383, punt 64.

(8)  Zaak T-210/95, Jurispr. 1999 II-3291, punt 60.

(9)  Verordening (EG) nr. 383/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde voor- en naspandraad en voor- en naspanstrengen van niet-gelegeerd staal (PSC-draad en -strengen) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 118 van 13.5.2009, blz. 1); Verordening (EU) nr. 1071/2012 van de Commissie van 14 november 2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand (PB L 318 van 15.11.2012, blz. 10); Verordening (EU) nr. 845/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 33).

(10)  Zowel de bedrijfstak van de Unie als de producenten-exporteurs in India zijn echter ook in het lagere marktsegment actief, zij het in mindere mate.

(11)  Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat H, 1049 Brussel, België.


BIJLAGE

NIET IN DE STEEKPROEF OPGENOMEN MEDEWERKENDE PRODUCENTEN-EXPORTEURS IN INDIA

Aanvullende Taric-code B781

Naam van de onderneming

Stad

Bekaert Mukand Wire Industries

Lonand, Tal. Khandala, Satara District, Maharastra

Bhansali Bright Bars Pvt. Ltd

Mumbai, Maharashtra

Bhansali Stainless Wire

Mumbai, Maharashtra

Chandan Steel

Mumbai, Maharashtra

Drawmet Wires

Bhiwadi, Rajastan

Jyoti Steel Industries Ltd

Mumbai, Maharashtra

Mukand Ltd

Thane

Panchmahal Steel Ltd

Dist. Panchmahals, Gujarat


Top