Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52005AG0006

    Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 6/2005 van 15 november 2004, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”)

    PB C 38E van 15.2.2005, p. 1–20 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

    15.2.2005   

    NL

    Publicatieblad van de Europese Unie

    CE 38/1


    GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 6/2005

    vastgesteld door de Raad op 15 november 2004

    met het oog op de aanneming van Richtlijn 2005/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”)

    (Voor de EER relevante tekst)

    (2005/C 38 E/01)

    HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

    Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

    Gezien het voorstel van de Commissie,

    Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

    Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

    Overwegende hetgeen volgt:

    (1)

    In artikel 153, lid 1 en lid 3, onder a), van het Verdrag is bepaald dat de Gemeenschap dient bij te dragen tot de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming door middel van maatregelen die zij op grond van artikel 95 van het Verdrag neemt.

    (2)

    De interne markt omvat volgens artikel 14, lid 2, van het Verdrag een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen en diensten en de vrijheid van vestiging zijn gewaarborgd. De ontwikkeling van eerlijke handelspraktijken binnen die ruimte is van wezenlijk belang om grensoverschrijdende activiteiten te bevorderen.

    (3)

    De wetten van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken vertonen duidelijke verschillen, die aanzienlijke concurrentieverstoringen en belemmeringen voor een goede werking van de interne markt kunnen veroorzaken. Wat reclame betreft, worden bij Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame (3) minimumcriteria ter harmonisatie van wetgeving op het gebied van misleidende reclame vastgesteld, hetgeen de lidstaten echter niet belet voorschriften te handhaven of aan te nemen die consumenten een verdergaande bescherming bieden. Daardoor lopen de bepalingen van de lidstaten inzake misleidende reclame sterk uiteen.

    (4)

    Deze verschillen scheppen onduidelijkheid over de vraag welke nationale regels van toepassing zijn op oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, en werpen een groot aantal belemmeringen op voor ondernemingen en consumenten. Deze barrières verhogen de kosten voor ondernemingen die de vrijheden van de interne markt willen gebruiken, met name wanneer zij over de grenzen heen willen verkopen, reclamecampagnes willen voeren of aan verkoopbevordering willen doen. Daarnaast maken deze verschillen consumenten onzeker over hun rechten en wordt hun vertrouwen in de interne markt ondermijnd.

    (5)

    Bij gebreke van uniforme regels op communautair niveau, kunnen belemmeringen voor het grensoverschrijdend verrichten van diensten, het vrije verkeer van goederen en de vrijheid van vestiging volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gerechtvaardigd zijn, indien zij tot doel hebben erkende doelstellingen van algemeen belang te beschermen en indien zij met deze doelstellingen evenredig zijn. In het licht van de communautaire doelstellingen zoals neergelegd in de Verdragsbepalingen en het afgeleide communautaire recht inzake het vrije verkeer, en in overeenstemming met het beleid van de Commissie inzake commerciële communicatie zos vermeld in haar mededeling „De follow-up van het groenboek inzake commerciële communicatie in de interne markt”, moeten deze belemmeringen worden weggenomen. Dat kan alleen door op communautair niveau uniforme regels vast te stellen die een hoog niveau van consumentenbescherming waarborgen, en door bepaalde rechtsbegrippen op communautair niveau te verduidelijken tot het niveau dat noodzakelijk is om de goede werking van de interne markt en de rechtszekerheid te verzekeren.

    (6)

    Daarom wordt de wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die de economische belangen van de consumenten rechtstreeks en aldus de economische belangen van legitieme concurrenten onrechtstreeks schaden, bij deze richtlijn geharmoniseerd. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel beschermt deze richtlijn de consumenten tegen de gevolgen van oneerlijke handelspraktijken indien deze gevolgen substantieel zijn, maar erkent de richtlijn ook dat de gevolgen voor de consumenten in sommige gevallen verwaarloosbaar kunnen zijn. Deze richtlijn is niet van toepassing of van invloed op de nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren; met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel behouden de lidstaten de mogelijkheid om dergelijke praktijken aan banden te leggen, overeenkomstig de communautaire wetgeving, indien zij zulks wensen. Deze richtlijn is evenmin van toepassing of van invloed op de bepalingen van Richtlijn 84/450/EEG aangaande reclame die misleidend is voor ondernemingen, maar niet voor consumenten, en aangaande vergelijkende reclame. Deze richtlijn is evenmin van invloed op algemeen aanvaarde reclame- en marketingpraktijken zoals het op legitieme wijze in de markt zetten van een product („product placement”), merkdifferentiatie en het aanbieden van premies, die het beeld dat de consument van het product heeft, en zijn gedrag op wettige wijze kunnen beïnvloeden zonder daarom het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen, te beperken.

    (7)

    Deze richtlijn betreft handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met het beïnvloeden van beslissingen van de consument over transacties met betrekking tot producten. Deze richtlijn is niet van toepassing op handelspraktijken die hoofdzakelijk voor andere doeleinden bedoeld zijn, bijvoorbeeld commerciële communicatie gericht op beleggers, zoals jaarverslagen en promotiemateriaal over bedrijven. Deze richtlijn is niet van toepassing op wettelijke voorschriften in verband met smaak en fatsoen, die van lidstaat tot lidstaat sterk verschillen. Handelspraktijken zoals het op straat aanklampen van personen voor commerciële doeleinden, kunnen in sommige lidstaten om culturele redenen niet gewenst zijn. De lidstaten moeten dan ook, overeenkomstig de communautaire regelgeving, handelspraktijken op hun grondgebied aan banden kunnen blijven leggen om redenen van smaak en fatsoen, ook indien die praktijken de keuzevrijheid van de consument niet beperken.

    (8)

    Deze richtlijn beschermt de economische belangen van de consument op rechtstreekse wijze tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten. Daarnaast beschermt zij indirect legitieme ondernemingen tegen concurrenten die de regels in de richtlijn niet in acht nemen; hierdoor is binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn een eerlijke concurrentie gewaarborgd. Uiteraard zijn er andere handelspraktijken waardoor weliswaar niet de consumenten maar wel concurrenten en zakelijke klanten worden benadeeld. De Commissie dient zorgvuldig na te gaan in hoeverre buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn communautair optreden op het gebied van oneerlijke concurrentie noodzakelijk is en in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel betreffende die andere aspecten van oneerlijke concurrentie op te stellen.

    (9)

    Deze richtlijn vormt geen beletsel voor het instellen van individuele vorderingen door degenen die schade hebben geleden ten gevolge van oneerlijke handelspraktijken. Deze richtlijn doet evenmin afbreuk aan de communautaire en nationale regels inzake verbintenissenrecht, intellectuele-eigendomsrechten, gezondheids- en veiligheidsaspecten van producten, voorwaarden inzake vestiging en vergunning, met inbegrip van die regels die, conform het Gemeenschapsrecht, betrekking hebben op gokactiviteiten, of aan de communautaire regels inzake concurrentie en de desbetreffende nationale omzettingsbepalingen. De lidstaten behouden derhalve de mogelijkheid om beperkingen en verbodsbepalingen inzake handelspraktijken te handhaven om redenen van bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de consumenten op hun grondgebied, bijvoorbeeld met betrekking tot alcohol, tabak of farmaceutische producten, zulks ongeacht de plaats waar de handelaar is gevestigd. Met betrekking tot financiële diensten en onroerend goed moeten, gezien de complexiteit en de eraan verbonden ernstige risico's, uitgebreide eisen worden gesteld, waaronder positieve verplichtingen voor handelaren. Om die reden beperkt deze richtlijn op het gebied van financiële diensten en onroerend goed niet het recht van de lidstaten om verder te gaan dan de bepalingen van deze richtlijn, teneinde de economische belangen van de consumenten te beschermen. Het wordt niet dienstig geacht in deze richtlijn de certificering en de vermelding van het edelmetaalgehalte voor werken van edelmetaal te regelen.

    (10)

    Deze richtlijn moet in overeenstemming zijn met de bestaande communautaire wetgeving, met name ten aanzien van de gedetailleerde bepalingen betreffende oneerlijke handelspraktijken die op die specifieke sectoren van toepassing zijn. Deze richtlijn wijzigt bijgevolg Richtlijn 84/450/EEG, Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (4), Richtlijn 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen (5) en Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (6). Deze richtlijn is bijgevolg slechts van toepassing voorzover er geen specifieke communautaire wetsbepalingen bestaan betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, zoals de informatieverplichtingen en regels voor de wijze waarop de informatie aan de consument wordt gepresenteerd. Deze richtlijn beschermt de consument in gevallen waarvoor op communautair niveau geen specifieke, sectorale wetgeving bestaat, en verbiedt handelaren een verkeerde indruk te geven van de aard van producten. Dit is met name van belang voor complexe producten die veel risico's voor consumenten inhouden, zoals bepaalde financiële diensten. De richtlijn vormt bijgevolg een aanvulling op het „acquis communautaire” dat van toepassing is op handelspraktijken die de economische belangen van consumenten schaden.

    (11)

    Het hoge niveau van convergentie dat door de onderlinge afstemming van de nationale bepalingen door deze richtlijn wordt bereikt, zorgt voor een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming. Deze richtlijn voorziet in één algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van consumenten verstoren. De richtlijn geeft ook regels inzake agressieve handelspraktijken, die momenteel niet op communautair niveau gereglementeerd zijn.

    (12)

    Door de harmonisatie zullen zowel consumenten als ondernemingen aanzienlijk meer juridische zekerheden krijgen. Zij zullen zich kunnen verlaten op één regelgevend kader op basis van duidelijk omschreven rechtsbegrippen, dat alle aspecten van oneerlijke handelspraktijken in de gehele Europese Unie regelt. Daardoor zullen de belemmeringen worden weggenomen welke het gevolg zijn van de fragmentarische regels inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, en zal de interne markt op dit gebied kunnen worden voltooid.

    (13)

    Om de doelstellingen van de Gemeenschap te kunnen verwezenlijken door belemmeringen voor de interne markt weg te nemen, moeten de bestaande, uiteenlopende algemene bepalingen en rechtsbeginselen van de lidstaten worden vervangen. Het bij deze richtlijn ingestelde ene gemeenschappelijke, algemene verbod geldt voor oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van consumenten verstoren. Teneinde het consumentenvertrouwen te versterken, dient het algemene verbod evenzeer van toepassing te zijn op oneerlijke handelspraktijken die buiten een contractuele relatie tussen een handelaar en een consument staan of na de sluiting van een contract en gedurende de uitvoering daarvan worden toegepast. Dit algemene verbod wordt verder uitgewerkt in regels betreffende de twee soorten handelspraktijken die veruit het meeste voorkomen, namelijk misleidende handelspraktijken en agressieve handelspraktijken.

    (14)

    Het is wenselijk dat onder misleidende handelspraktijken die praktijken worden verstaan waarbij de consument wordt bedrogen en hem wordt belet een geïnformeerde en dus efficiënte keuze te maken, inclusief misleidende reclame. Overeenkomstig de wetten en praktijken van lidstaten met betrekking tot misleidende reclame, worden misleidende praktijken in de richtlijn onderverdeeld in misleidende handelingen en misleidende omissies. Met betrekking tot omissies wordt in deze richtlijn een beperkte hoeveelheid essentiële informatie bepaald die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen over een transactie. Deze informatie hoeft niet in alle reclame te worden vermeld, maar wel wanneer de handelaar een uitnodiging tot aankoop tot de consument richt, een begrip dat in deze richtlijn duidelijk wordt gedefinieerd. De in deze richtlijn gehanteerde aanpak van volledige harmonisatie belet niet dat de lidstaten in hun nationale wetgeving van bepaalde producten, zoals verzamelobjecten of elektrische apparaten, de hoofdkenmerken specifiëren, die in een uitnodiging tot aankoop niet mogen worden weggelaten. Deze richtlijn beoogt niet de keuze van de consument te beperken door de verkoopbevordering van „look-alike”-producten te verbieden, tenzij de gelijkenis bij de consument verwarring doet ontstaan over de commerciële oorsprong van het product en derhalve misleidend is. De richtlijn mag geen afbreuk doen aan het bestaande Gemeenschapsrecht dat de lidstaten ten aanzien van de consumentenbescherming op het gebied van handelspraktijken uitdrukkelijk de keuze tussen verschillende regelingen laat. Deze richtlijn laat met name artikel 13, lid 3, van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (7) onverlet.

    (15)

    Wanneer de communautaire wetgeving met betrekking tot commerciële communicatie, reclame en marketing de vereiste informatie voorschrijft, wordt die informatie in het kader van deze richtlijn als essentieel beschouwd. De lidstaten kunnen informatieverplichtingen handhaven of toevoegen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op het verbintenissenrecht, wanneer zulks mogelijk is op grond van de minimumbepalingen in de bestaande communautaire rechtsinstrumenten. In bijlage II staat een niet-limitatieve lijst van dergelijke informatieverplichtingen in het acquis. Gegeven de bij deze richtlijn ingevoerde volledige harmonisatie wordt alleen de uit hoofde van communautaire wetgeving vereiste informatie als essentieel beschouwd voor de toepassing van artikel 7, lid 5, van deze richtlijn. Het niet geven van informatie die door de lidstaten is vereist boven de minimumclausules in het Gemeenschapsrecht, is geen omissie in de zin van deze richtlijn. De lidstaten kunnen daarentegen, indien zulks krachtens de minimumclausules in het Gemeenschapsrecht mogelijk is, overeenkomstig het Gemeenschapsrecht strengere bepalingen handhaven dan wel invoeren om een hoger niveau van bescherming van de individuele contractuele rechten van consumenten te verzekeren.

    (16)

    De bepalingen betreffende agressieve handelspraktijken moeten van toepassing zijn op praktijken die de keuzevrijheid van de consument aanzienlijk beperken. Het gaat om intimidatie, dwang, met inbegrip van het gebruik van lichamelijk geweld, en ongepaste beïnvloeding.

    (17)

    Met het oog op een grotere rechtszekerheid is het wenselijk te bepalen welke handelspraktijken in alle omstandigheden oneerlijke zijn. Bijlage I bevat daarom een uitputtende lijst van deze praktijken. Alleen deze handelspraktijken worden verondersteld oneerlijk te zijn zonder een individuele toetsing aan het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 9.

    (18)

    Alle consumenten moeten tegen oneerlijke handelspraktijken worden beschermd; het Hof van Justitie heeft het sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 84/450/EEG evenwel noodzakelijk geacht om bij uitspraken in zaken over reclamekwesties na te gaan wat de gevolgen voor een fictieve doorsneeconsument zijn. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, en om de uit hoofde van dat beginsel geboden bescherming ook effectief te kunnen toepassen, wordt in deze richtlijn het door het Hof van Justitie ontwikkelde criterium van de gemiddelde of gewone consument als maatstaf genomen, maar wordt er tevens voorzien in bepalingen die voorkomen dat wordt geprofiteerd van consumenten die bijzonder vatbaar zijn voor oneerlijke handelspraktijken. Indien een handelspraktijk op een bepaalde groep consumenten gericht is, zoals bijvoorbeeld kinderen, is het wenselijk dat het effect van de handelspraktijk vanuit het gezichtspunt van het gemiddelde lid van die groep wordt beoordeeld. Het criterium van de gemiddelde consument is geen statistisch criterium. Nationale rechtbanken en autoriteiten moeten, rekening houdend met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, hun eigen oordeel volgen om vast te stellen wat de typische reactie van de gemiddelde consument in een bepaald geval is.

    (19)

    Indien bepaalde kenmerken, zoals leeftijd, lichamelijke of geestelijke handicap of lichtgelovigheid, consumenten bijzonder bevattelijk maken voor een handelspraktijk of het via die praktijk aangeboden product en het economische gedrag van alleen die groep consumenten door deze praktijk kan worden beïnvloed op een manier die de handelaar redelijkerwijs kan voorzien, is het dienstig ervoor te zorgen dat die groep consumenten op passende wijze beschermd wordt door de betrokken handelspraktijk vanuit het gezichtspunt van een gemiddeld lid van die groep te beoordelen.

    (20)

    Het is wenselijk een plaats in te ruimen voor gedragscodes aan de hand waarvan handelaren in bepaalde economische sectoren de beginselen van deze richtlijn effectief kunnen toepassen. In sectoren waar voor het gedrag van de handelaren specifieke bindende voorschriften gelden, moeten de handelaren ook het bewijs van de in die sector vereiste professionele toewijding leveren. Het op nationaal of communautair niveau uitoefenen van controle door codehouders om oneerlijke handelspraktijken uit te bannen, kan het inschakelen van een administratieve of rechterlijke instantie voorkomen en moet dan ook worden aangemoedigd. Met het oog op een hoog niveau van consumentenbescherming kunnen consumentenorganisaties worden geïnformeerd over en betrokken bij het opstellen van de gedragscodes.

    (21)

    Personen of organisaties die krachtens de nationale wetgeving in dezen een rechtmatig belang hebben, moeten over rechtsmiddelen beschikken om tegen oneerlijke handelspraktijken stappen te ondernemen, hetzij voor een rechterlijke instantie, hetzij bij een administratieve instantie die bevoegd is zelf een uitspraak te doen over een klacht of een passende gerechtelijke procedure in te leiden. Ofschoon de bewijslast op grond van de nationale wetgeving wordt vastgesteld, is het wenselijk om rechterlijke en administratieve autoriteiten de bevoegdheid te geven om van handelaren te verlangen dat zij bewijzen aandragen voor de juistheid van hun feitelijke beweringen.

    (22)

    De lidstaten moeten sancties vaststellen voor inbreuken op de bepalingen van deze richtlijn en moeten erop toezien dat deze worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.

    (23)

    Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het verwijderen van de barrières die de nationale wetten inzake oneerlijke handelspraktijken voor de werking van de interne markt opwerpen, en het bieden van een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming, door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken onderling aan te passen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter op communautair niveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag vermelde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om de belemmeringen voor de interne markt te verwijderen en een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen.

    (24)

    Het is gewenst deze richtlijn te toetsen om na te gaan of de belemmeringen voor de interne markt zijn aangepakt en een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand is gebracht. De toetsing zou kunnen leiden tot een Commissievoorstel tot wijziging van deze richtlijn, die zou kunnen bestaan in een beperkte uitbreiding van de in artikel 3, lid 5, bedoelde afwijking, en/of in wijzigingen van andere regelgeving inzake consumentenbescherming, als afspiegeling van de toezegging die de Commissie in het kader van haar strategie voor het consumentenbeleid heeft gedaan om het bestaande acquis opnieuw te bezien teneinde een hoog, gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen.

    (25)

    Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

    HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

    HOOFDSTUK 1

    ALGEMENE BEPALINGEN

    Artikel 1

    Doel

    Het doel van deze richtlijn is om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.

    Artikel 2

    Definities

    Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

    a)

    „consument”: een natuurlijke persoon die die handelspraktijken verricht die onder deze richtlijn vallen en die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen;

    b)

    „handelaar”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die die handelspraktijken verricht die onder deze richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt;

    c)

    „product”: een goed of dienst, met inbegrip van onroerend goed, rechten en verplichtingen;

    d)

    „handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten”: (hierna „handelspraktijken” genoemd) iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;

    e)

    „het economische gedrag van consumenten wezenlijk verstoren”: een handelspraktijk gebruiken om het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen, merkbaar te beperken, waardoor de consument tot een transactie besluit waartoe hij anders niet had besloten;

    f)

    „gedragscode”: een overeenkomst of een aantal niet bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat voorgeschreven regels waarin wordt vastgesteld hoe handelaren die zich aan de code binden, zich moeten gedragen met betrekking tot één of meer bepaalde handelspraktijken of bedrijfssectoren;

    g)

    „houder van een gedragscode”: een instantie, met inbegrip van een handelaar of een groep handelaren, die verantwoordelijk is voor het opstellen en herzien van een gedragscode en/of voor het toezicht op de naleving van de gedragscode door degenen die zich eraan hebben gebonden;

    h)

    „professionele toewijding”: het normale niveau van bijzondere vakkundigheid en zorgvuldigheid dat redelijkerwijs van een handelaar ten aanzien van consumenten mag worden verwacht, overeenkomstig eerlijke marktpraktijken en/of het algemene beginsel van goede trouw in de sector van de handelaar;

    i)

    „uitnodiging tot aankoop”: een commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen;

    j)

    „ongepaste beïnvloeding”: het uitbuiten van een machtspositie ten aanzien van de consument om, zelfs zonder gebruik van of dreiging met fysiek geweld, pressie uit te oefenen op een wijze die het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen, aanzienlijk beperkt;

    k)

    „besluit over een transactie”: een door een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument wel of niet tot handelen overgaat;

    l)

    „gereglementeerd beroep”: een beroepsactiviteit of een geheel van beroepsactiviteiten waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of een van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties.

    Artikel 3

    Toepassingsgebied

    1.   Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

    2.   Deze richtlijn laat het verbintenissenrecht en, in het bijzonder, de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten onverlet.

    3.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de communautaire of nationale voorschriften inzake gezondheids- en veiligheidsaspecten van producten.

    4.   In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze richtlijn en andere communautaire voorschriften betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, prevaleren laatstgenoemde voorschriften en zijn deze van toepassing op deze specifieke aspecten.

    5.   De lidstaten kunnen gedurende een periode van zes jaar, te rekenen vanaf … (8) op het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied nationale bepalingen toepassen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn en die uitvoering geven aan richtlijnen die clausules voor minimale harmonisatie bevatten. Deze maatregelen moeten onontbeerlijk zijn om een toereikende bescherming van de consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken te waarborgen en evenredig zijn met dit doel. De in artikel 18 bedoelde toetsing kan, in voorkomend geval, gepaard gaan met de indiening van een voorstel om deze afwijking voor een beperkte periode te verlengen.

    6.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de nationale bepalingen die uit hoofde van lid 5 worden toegepast.

    7.   Deze richtlijn laat de regels voor de bepaling van de rechtsmacht onverlet.

    8.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de vestigingsvoorwaarden, de vergunningsregelingen, de deontologische gedragscodes of andere specifieke voorschriften voor gereglementeerde beroepen ter handhaving van hoge integriteitsnormen van de beroepsbeoefenaar, die de lidstaten overeenkomstig het communautaire recht aan beroepsbeoefenaren kunnen opleggen.

    9.   Wat „financiële diensten” in de zin van Richtlijn 2002/65/EG en onroerend goed betreft, mogen de lidstaten vereisten opleggen die voor het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.

    10.   Deze richtlijn geldt niet voor de toepassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake certificering en vermelding van het edelmetaalgehalte voor artikelen van edelmetaal.

    Artikel 4

    Interne markt

    De lidstaten mogen geen beperkingen opleggen aan het vrij verrichten van diensten of aan het vrije verkeer van goederen om redenen die vallen binnen het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied.

    HOOFDSTUK 2

    ONEERLIJKE HANDELSPRAKTIJKEN

    Artikel 5

    Verbod op oneerlijke handelspraktijken

    1.   Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden.

    2.   Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:

    a)

    in strijd is met de vereisten van professionele toewijding, en

    b)

    het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is of, indien zij op een bepaalde groep consumenten gericht is, het economisch gedrag van het gemiddelde lid van deze groep, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.

    3.   Een handelspraktijk die zich richt tot de consument in het algemeen, maar die op voor de handelaar redelijkerwijs voorzienbare wijze het economische gedrag van slechts een groep consumenten wezenlijk verstoort of kan verstoren, namelijk van consumenten die wegens een mentale of lichamelijke handicap, hun leeftijd of goedgelovigheid bijzonder vatbaar zijn voor die handelspraktijken of voor de onderliggende producten, wordt beoordeeld vanuit het gezichtspunt van het gemiddelde lid van die groep. Dit laat onverlet de gangbare, legitieme reclamepraktijk waarbij overdreven uitspraken worden gedaan of uitspraken die niet letterlijk dienen te worden genomen.

    4.   Meer in het bijzonder zijn handelspraktijken oneerlijk die:

    a)

    misleidend zijn in de zin van de artikelen 6 en 7; of

    b)

    agressief zijn in de zin van de artikelen 8 en 9.

    5.   Bijlage I bevat de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd.

    DEEL 1

    MISLEIDENDE HANDELSPRAKTIJKEN

    Artikel 6

    Misleidende handelingen

    1.   Als misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen ten aanzien van één of meer van de volgende elementen, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen:

    a)

    het bestaan of de aard van het product;

    b)

    de voornaamste kenmerken van het product, zoals beschikbaarheid, voordelen, risico's, uitvoering, samenstelling, accessoires, klantenservice en klachtenbehandeling, procédé en datum van fabricage of verrichting, levering, geschiktheid voor het gebruik, gebruiksmogelijkheden, hoeveelheid, specificatie, geografische of commerciële oorsprong, van het gebruik te verwachten resultaten, of de resultaten en wezenlijke kenmerken van op het product verrichte tests of controles;

    c)

    de reikwijdte van de verplichtingen van de handelaar, de motieven voor de handelspraktijk en de aard van het verkoopproces, een verklaring of een symbool in verband met directe of indirecte sponsoring of erkenning van de handelaar of het product;

    d)

    de prijs of de wijze waarop de prijs wordt berekend, of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel;

    e)

    de noodzaak van een dienst, onderdeel, vervanging of reparatie;

    f)

    de hoedanigheid, kenmerken en rechten van de handelaar of zijn tussenpersoon, zoals zijn identiteit, vermogen, kwalificaties, status, erkenning, affiliatie, connecties, industriële, commerciële of intellectuele-eigendomsrechten of zijn prijzen, bekroningen en onderscheidingen;

    g)

    de rechten van de consument of de risico's die hij eventueel loopt.

    2.   Als misleidend wordt eveneens beschouwd een handelspraktijk die in de feitelijke context, alle kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, en die het volgende behelst:

    a)

    marketing van een product, onder andere door vergelijkende reclame, op zodanige wijze dat verwarring wordt geschapen met producten, handelsmerken, handelsnamen en andere onderscheidende kenmerken van een concurrent;

    b)

    niet-nakoming door de handelaar van verplichtingen die opgenomen zijn in een gedragscode waaraan hij zich heeft gebonden, voor zover:

    i)

    het niet gaat om een intentieverklaring maar om een verplichting die verifieerbaar is, en

    ii)

    de handelaar in de context van een handelspraktijk aangeeft dat hij aan de gedragscode gebonden is.

    Artikel 7

    Misleidende omissies

    1.   Als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die, in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naar gelang van de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen.

    2.   Als misleidende omissie wordt voorts beschouwd een handelspraktijk die essentiële informatie zoals bedoeld in lid 1 verborgen houdt, op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig verstrekt, of het commerciële oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken.

    3.   Indien het voor de handelspraktijk gebruikte medium beperkingen qua ruimte of tijd meebrengt, wordt bij de beoordeling of er informatie werd weggelaten, met deze beperkingen rekening gehouden, alsook met maatregelen die de handelaar genomen heeft om de informatie langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen.

    4.   In het geval van een uitnodiging tot aankoop wordt de volgende informatie als essentieel beschouwd, indien deze niet reeds uit de context blijkt:

    a)

    de voornaamste kenmerken van het product, in de mate waarin zulks gezien het medium en het product passend is;

    b)

    het geografische adres en de identiteit van de handelaar, in het bijzonder zijn handelsnaam, en, in voorkomend geval, het geografische adres en de identiteit van de handelaar namens wie hij optreedt;

    c)

    de prijs, inclusief belastingen, of, als het om een soort product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend, en, in voorkomend geval, alle extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat er eventueel deze extra kosten moeten worden betaald;

    d)

    de wijze van betaling, levering, uitvoering en het beleid inzake klachtenbehandeling, indien deze afwijken van de vereisten van professionele toewijding;

    e)

    voor producten en transacties met recht op herroeping of annulering, het bestaan van dit recht.

    5.   Overeenkomstig de communautaire wetgeving vereiste informatie met betrekking tot commerciële communicatie, inclusief reclame en marketing, wordt als essentieel beschouwd (een niet-limitatieve lijst staat in bijlage II).

    DEEL 2

    AGRESSIEVE HANDELSPRAKTIJKEN

    Artikel 8

    Agressieve handelspraktijken

    Als agressief wordt beschouwd een handelspraktijk die, in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor hij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen.

    Artikel 9

    Gebruik van intimidatie, dwang of ongepaste beïnvloeding

    Om te bepalen of er bij een handelspraktijk gebruik wordt gemaakt van intimidatie, dwang, inclusief lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, wordt rekening gehouden met:

    a)

    het tijdstip, de plaats, de aard en de persistentie van de handelspraktijk;

    b)

    het gebruik van dreigende of grove taal of gedragingen;

    c)

    het uitbuiten door de handelaar van bepaalde tegenslagen of omstandigheden die zo ernstig zijn dat zij het beoordelingsvermogen van de consument kunnen beperken, hetgeen de handelaar bekend is, met het oogmerk om het besluit van de consument met betrekking tot het product te beïnvloeden;

    d)

    door de handelaar opgelegde, kosten met zich meebrengende of bovenmatige niet-contractuele belemmeringen ten aanzien van rechten die de consument uit hoofde van het contract wil uitoefenen, waaronder het recht om het contract te beëindigen of een ander product of een andere handelaar te kiezen;

    e)

    het dreigen met maatregelen die wettelijk niet kunnen worden genomen.

    HOOFDSTUK 3

    GEDRAGSCODES

    Artikel 10

    Gedragscodes

    Deze richtlijn sluit eventueel door de lidstaten aangemoedigd toezicht op oneerlijke handelspraktijken door houders van gedragscodes en het inschakelen van deze instanties door de in artikel 11 bedoelde personen of organisaties niet uit, indien de mogelijkheid van behandeling door dergelijke instanties bestaat naast de gerechtelijke of de administratieve procedure bedoeld in dat artikel.

    HOOFDSTUK 4

    SLOTBEPALINGEN

    Artikel 11

    Handhaving

    1.   De lidstaten zorgen voor passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken en voor de naleving van deze richtlijn in het belang van de consumenten.

    Daartoe behoren wettelijke bepalingen op grond waarvan personen of organisaties die volgens de nationale wetgeving een rechtmatig belang hebben bij het bestrijden van oneerlijke handelspraktijken, met inbegrip van de concurrenten:

    in rechte kunnen optreden tegen die oneerlijke handelspraktijken, en/of

    die oneerlijke handelspraktijken kunnen voorleggen aan een administratieve instantie die bevoegd is om hetzij zelf een uitspraak te doen over een klacht, hetzij een passende gerechtelijke procedure in te leiden.

    Elke lidstaat beslist welke van deze procedures wordt gevolgd en of de rechterlijke of administratieve instantie mag eisen dat afdoening van de klacht eerst langs andere wegen, waaronder die bedoeld in artikel 10, wordt beproefd. Deze procedures kunnen worden gevolgd ongeacht of de getroffen consumenten zich bevinden op het grondgebied van de lidstaat waar de handelaar gevestigd is, of in een andere lidstaat.

    Elke lidstaat beslist

    of deze rechtsmiddelen afzonderlijk of gezamenlijk tegen een aantal handelaren uit dezelfde economische sector mogen worden gebruikt, en

    of deze rechtsmiddelen tegen een houder van een gedragscode mogen worden gebruikt als de gedragscode het niet-naleven van wettelijke voorschriften bevordert.

    2.   In het kader van de in lid 1 bedoelde wettelijke bepalingen verlenen de lidstaten aan rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden om, ingeval deze instanties dergelijke maatregelen, rekening houdend met alle belangen die op het spel staan en met name het algemeen belang, nodig achten:

    te bevelen dat de oneerlijke handelspraktijken worden gestaakt of een gerechtelijke procedure in te leiden ter verkrijging van zo'n bevel, of

    indien de oneerlijke handelspraktijk nog niet is uitgevoerd, maar op het punt staat om te worden uitgevoerd, de praktijk te verbieden of een gerechtelijke procedure in te leiden om de praktijk te laten verbieden,

    ook zonder bewijs van daadwerkelijk geleden verlies of schade of van opzet of onachtzaamheid van de handelaar.

    De lidstaten bepalen voorts dat de in de eerste alinea bedoelde maatregelen in het kader van een versnelde procedure kunnen worden getroffen

    bij wege van voorlopige voorziening, of

    bij wege van definitieve voorziening,

    met dien verstande dat elke lidstaat bepaalt welke van deze twee mogelijkheden wordt gekozen.

    Voorts kunnen de lidstaten aan rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden verlenen om, ter ondervanging van het voortdurende effect van oneerlijke handelspraktijken waarvan de stopzetting bij een definitieve beslissing is bevolen,

    de volledige of gedeeltelijke bekendmaking van die beslissing te bevelen in een vorm die zij passend achten, en

    bovendien de publicatie van een rechtzetting te bevelen.

    3.   De in lid 1 bedoelde administratieve instanties moeten:

    a)

    samengesteld zijn op een wijze die geen twijfel omtrent hun onpartijdigheid kan doen ontstaan;

    b)

    over voldoende bevoegdheden beschikken om een doeltreffende controle te kunnen uitoefenen en om hun beslissingen te doen naleven wanneer zij een uitspraak over klachten doen;

    c)

    hun beslissingen in beginsel met redenen omkleden.

    Wanneer de in lid 2 bedoelde bevoegdheden uitsluitend door een administratieve instantie worden uitgeoefend, moeten de beslissingen altijd met redenen omkleed zijn. In dat geval moet voorts worden voorzien in procedures die de mogelijkheid bieden tot beroep bij de rechter tegen onjuist of onredelijk uitoefenen van de bevoegdheden van de administratieve instantie en tegen onjuist of onredelijk verzuim om deze bevoegdheden uit te oefenen.

    Artikel 12

    Rechterlijke en administratieve instanties: staving van beweringen

    De lidstaten verlenen de rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden om, tijdens de in artikel 11 bedoelde civielrechtelijke of administratieve procedure,

    a)

    te eisen dat de handelaar bewijzen aandraagt voor de juistheid van de feitelijke beweringen in verband met een handelspraktijk indien, met inachtneming van de rechtmatige belangen van de handelaar en van elke andere partij bij de procedure, die eis passend lijkt, gelet op de omstandigheden van de zaak in kwestie, en

    b)

    feitelijke beweringen als onjuist te beschouwen, indien de overeenkomstig het bepaalde onder a) geëiste bewijzen niet worden aangedragen of door de rechterlijke of administratieve instantie onvoldoende worden geacht.

    Artikel 13

    Sancties

    De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn op schendingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en treffen alle maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van deze sancties. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.

    Artikel 14

    Wijzigingen in Richtlijn 84/450/EEG

    Richtlijn 84/450/EEG wordt als volgt gewijzigd:

    1)

    Artikel 1 wordt vervangen door:

    „Artikel 1

    Deze richtlijn beoogt handelaren te beschermen tegen misleidende reclame en de onbillijke gevolgen daarvan, en de voorwaarden vast te stellen waaronder vergelijkende reclame is geoorloofd.”.

    2)

    In artikel 2:

    wordt punt 3 vervangen door:

    „3.

    wordt onder „handelaar” verstaan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt voor doeleinden welke betrekking hebben op zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit, alsook eenieder die in naam van of namens een handelaar optreedt”;

    wordt het volgende punt toegevoegd:

    „4.

    wordt onder „houder van een gedragscode” verstaan een instantie, met inbegrip van een handelaar of een groep handelaren, die verantwoordelijk is voor het opstellen en herzien van een gedragscode en/of voor het toezicht op de naleving ervan door degenen die zich eraan hebben gebonden”.

    3)

    Artikel 3 bis wordt vervangen door:

    „Artikel 3 bis

    1.   Vergelijkende reclame is, wat de vergelijking betreft, geoorloofd op voorwaarde dat deze:

    a)

    niet misleidend is in de zin van artikel 2, lid 2, artikel 3 en artikel 7, lid 1, van deze richtlijn of de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2005/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … (9) betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (10);

    b)

    goederen of diensten vergelijkt die in dezelfde behoeften voorzien of voor hetzelfde doel zijn bestemd;

    c)

    op objectieve wijze één of meer wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken van deze goederen en diensten, waartoe ook de prijs kan behoren, met elkaar vergelijkt;

    d)

    niet de goede naam schaadt van en zich niet kleinerend uitlaat over de merken, handelsnamen, andere onderscheidende kenmerken, goederen, diensten, activiteiten of omstandigheden van een concurrent;

    e)

    voor producten met een oorsprongsbenaming in elk geval betrekking heeft op producten met dezelfde benaming;

    f)

    geen oneerlijk voordeel oplevert ten gevolge van de bekendheid van een merk, handelsnaam of andere onderscheidende kenmerken van een concurrent dan wel van de oorsprongsbenamingen van concurrerende producten;

    g)

    niet goederen of diensten voorstelt als een imitatie of namaak van goederen of diensten met een beschermd handelsmerk of beschermde handelsnaam;

    h)

    er niet toe leidt dat onder handelaren de adverteerder met een concurrent wordt verward of dat de merken, handelsnamen, andere onderscheidende kenmerken, goederen of diensten van de adverteerder met die van een concurrent worden verward.

    4)

    Artikel 4, lid 1, wordt vervangen door:

    „1.   De lidstaten dragen zorg voor passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van misleidende reclame en voor de naleving van de bepalingen inzake vergelijkende reclame, zulks in het belang van handelaren en concurrenten. Daartoe behoren wettelijke bepalingen op grond waarvan personen of organisaties die volgens de nationale wetgeving een rechtmatig belang hebben bij het bestrijden van misleidende reclame of het reguleren van vergelijkende reclame:

    a)

    in rechte kunnen optreden tegen dergelijke reclame of

    b)

    deze reclame kunnen voorleggen aan een administratieve instantie die bevoegd is, hetzij zelf een uitspraak te doen over een klacht, hetzij een passende gerechtelijke procedure in te leiden.

    Elke lidstaat beslist welke procedure wordt gevolgd en of de rechterlijke of administratieve instantie mag eisen dat afdoening van de klacht eerst langs andere wegen, waaronder die vermeld in artikel 5, wordt beproefd.

    Elke lidstaat beslist

    a)

    of deze rechtsmiddelen afzonderlijk of gezamenlijk tegen een aantal handelaren uit dezelfde economische sector mogen worden gebruikt en

    b)

    of deze rechtsmiddelen tegen de houder van een gedragscode mogen worden gebruikt als de gedragscode het niet-naleven van wettelijke voorschriften bevordert.”.

    5)

    Artikel 7, lid 1, wordt vervangen door:

    „1.   Deze richtlijn belet de lidstaten niet voorschriften te handhaven of aan te nemen met het oog op een verdergaande bescherming van handelaren en concurrenten met betrekking tot misleidende reclame.”.

    Artikel 15

    Wijziging van Richtlijn 97/7/EG en Richtlijn 2002/65/EG

    1)   Artikel 9 van Richtlijn 97/7/EG wordt vervangen door:

    „Artikel 9

    Niet-gevraagde leveringen

    Gezien het verbod op het verstrekken van niet-gevraagde leveringen in Richtlijn 2005/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … (11) betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (12) nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de consument vrij te stellen van elke tegenprestatie in geval van niet-gevraagde levering, waarbij het feit dat de consument niet reageert niet betekent dat hij met de levering instemt.

    2)   Artikel 9 van Richtlijn 2002/65/EG wordt vervangen door:

    „Artikel 9

    Gezien het verbod op het verstrekken van niet-gevraagde leveringen in Richtlijn 2005/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … (11) betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (13) en onverminderd de bepalingen van de lidstaten betreffende stilzwijgende verlenging van overeenkomsten op afstand, nemen de lidstaten, wanneer stilzwijgende verlenging is toegestaan, de nodige maatregelen om de consument vrij te stellen van elke verplichting in geval van niet-gevraagde levering, waarbij het feit dat de consument niet reageert niet betekent dat hij met de levering instemt.

    Artikel 16

    Wijziging van Richtlijn 98/27/EG en Verordening (EG) nr. 2006/2004

    1)   In de bijlage bij Richtlijn 98/27/EG wordt punt 1 vervangen door:

    „1.

    Richtlijn 2005/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van...... (11) betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (PB L …).”.

    2)   Aan de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende de samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming) (14) wordt het volgende punt toegevoegd:

    „15.

    Richtlijn 2005/.../EG van het Europees Parlement en de Raad van … (15) betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (PB L …).”.

    Artikel 17

    Informatie

    De lidstaten nemen passende maatregelen om de consumenten op de hoogte te brengen van de nationale wettelijke bepalingen die met het oog op de omzetting van deze richtlijn zijn vastgesteld en moedigen, waar passend, handelaren en houders van een gedragscode aan om de consumenten over hun rechten in te lichten.

    Artikel 18

    Toetsing

    1.   De Commissie legt uiterlijk vier jaar na … (16) aan het Europees Parlement en de Raad een uitvoerig verslag voor over de toepassing van de richtlijn, inzonderheid over de toepassing van artikel 4 en bijlage II, alsook over de mogelijkheden voor verdere harmonisatie en vereenvoudiging van de communautaire wetgeving inzake consumentenbescherming en, wat artikel 3, lid 5, betreft, over alle op communautair niveau vereiste maatregelen om te garanderen dat passende niveaus van consumentenbescherming worden gehandhaafd. Bij het verslag wordt indien nodig een voorstel tot herziening van deze richtlijn of van andere toepasselijke delen van het Gemeenschapsrecht gevoegd.

    2.   Het Europees Parlement en de Raad streven ernaar om binnen twee jaar in overeenstemming met het Verdrag een besluit te nemen over eventuele voorstellen die uit hoofde van lid 1 door de Commissie worden ingediend.

    Artikel 19

    Omzetting

    De lidstaten dragen zorg voor vaststelling en bekendmaking van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om vóór … (16) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van deze bepalingen en eventuele latere wijzigingen.

    Zij passen die bepalingen uiterlijk op … (17) toe. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

    Artikel 20

    Inwerkingtreding

    Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

    Artikel 21

    Adressaten

    Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

    Gedaan te Brussel, …

    Voor het Europees Parlement

    De voorzitter

    Voor de Raad

    De voorzitter


    (1)  PB C 108 van 30.4.2004, blz. 81.

    (2)  Advies van het Europees Parlement van 20 april 2004 (PB C 104 E van 30.4.2004), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 15 november 2004 en standpunt van het Europees Parlement van ….

    (3)  PB L 250 van 19.9.1984, blz. 17. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 290 van 23.10.1997, blz. 18).

    (4)  PB L 144 van 4.6.1997, blz. 19. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2002/65/EG (PB L 271 van 9.10.2002, blz. 16).

    (5)  PB L 166 van 11.6.1998, blz. 51. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/65/EG.

    (6)  PB L 271 van 9.10.2002, blz. 16.

    (7)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.

    (8)  24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

    (9)  Deze richtlijn.

    (10)  PB L …”.

    (11)  Deze richtlijn.

    (12)  PB L …”.

    (13)  PB L …”.

    (14)  PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1.

    (15)  Deze richtlijn.

    (16)  24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

    (17)  30 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.


    BIJLAGE I

    HANDELSPRAKTIJKEN DIE ONDER ALLE OMSTANDIGHEDEN ALS ONEERLIJK WORDEN BESCHOUWD

    Misleidende handelspraktijken

    1.

    Beweren een gedragscode te hebben ondertekend wanneer dit niet het geval is.

    2.

    Een vertrouwens-, kwaliteits- of ander soortgelijk label aanbrengen zonder daarvoor de vereiste toestemming te hebben gekregen.

    3.

    Beweren dat een gedragscode door een publieke of andere instantie is erkend wanneer dit niet het geval is.

    4.

    Beweren dat een product door een openbare of particuliere instelling is aanbevolen, erkend of goedgekeurd terwijl zulks niet het geval is, of iets dergelijks beweren zonder dat aan de voorwaarde voor de aanbeveling, erkenning of goedkeuring wordt voldaan.

    5.

    Producten tegen een genoemde prijs te koop aanbieden zonder dat de handelaar aangeeft dat er een gegrond vermoeden bestaat dat hij deze producten of gelijkwaardige producten niet tegen die prijs kan leveren of door een andere handelaar kan doen leveren gedurende een periode en in hoeveelheden die, rekening houdend met het product, de omvang van de voor het product gevoerde reclame en de aangeboden prijs, redelijk zijn (lokkertjes).

    6.

    Producten tegen een genoemde prijs te koop aanbieden en vervolgens:

    a)

    weigeren het aangeboden artikel aan de consument te tonen, of

    b)

    weigeren een bestelling op te nemen of het product binnen een redelijke termijn te leveren, of

    c)

    een exemplaar van het artikel met gebreken tonen,

    met de bedoeling om een ander product aan te prijzen („bait and switch”).

    7.

    Bedrieglijk beweren dat het product slechts gedurende een zeer beperkte tijd beschikbaar zal zijn om de consument onmiddellijk te doen beslissen en hem geen kans of onvoldoende tijd te geven om een geïnformeerd besluit te nemen.

    8.

    Beloven de consumenten, met wie de handelaar voorafgaand aan de transactie heeft gecommuniceerd in een taal die geen officiële taal is van de lidstaat waar de handelaar gevestigd is, een klantendienst te verschaffen en deze dienst vervolgens enkel beschikbaar stellen in een andere taal zonder dit duidelijk aan de consument te laten weten alvorens deze zich tot de transactie verbindt.

    9.

    Beweren of anderszins de indruk wekken dat een product legaal kan worden verkocht wanneer dit niet het geval is.

    10.

    Wettelijke rechten van consumenten voorstellen als een onderscheidend kenmerk van het aanbod van de handelaar.

    11.

    Redactionele inhoud in de media, waarvoor de handelaar heeft betaald, gebruiken om reclame te maken voor een product, zonder dat dit duidelijk uit de inhoud of uit duidelijk door de consument identificeerbare beelden of geluiden blijkt (advertorial), zulks onverminderd het bepaalde in Richtlijn 89/552/EEG (1).

    12.

    Feitelijk onjuiste beweringen doen betreffende de aard en de omvang van het gevaar dat de persoonlijke veiligheid van de consument of zijn gezin zou bedreigen indien de consument het product niet koopt.

    13.

    Een piramidesysteem opzetten, beheren of promoten waarbij de consument tegen betaling kans maakt op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen.

    14.

    Beweren dat de handelaar op het punt staat om zijn zaak stop te zetten of te verhuizen, indien zulks niet het geval is.

    15.

    Beweren dat producten het winnen bij kansspelen kunnen vergemakkelijken.

    16.

    Bedrieglijk beweren dat een product ziekten, gebreken of misvormingen kan genezen.

    17.

    Feitelijk onjuiste informatie verstrekken over marktomstandigheden of de mogelijkheid om het product te bemachtigen met de bedoeling om de consument het product te doen aanschaffen tegen voorwaarden die minder gunstig zijn dan de normale marktvoorwaarden.

    18.

    In de context van een handelspraktijk beweren dat er een wedstrijd wordt georganiseerd of prijzen worden uitgeloofd zonder de aangekondigde prijzen of een redelijk alternatief daadwerkelijk toe te kennen.

    19.

    Een product als „gratis”, „voor niets”, „kosteloos” e.d. omschrijven als de consument iets anders moet betalen dan de onvermijdelijke kosten om in te gaan op het aanbod, en het product af te halen dan wel dit te laten bezorgen.

    20.

    Marketingmateriaal voorzien van een factuur of een soortgelijk document waarin om betaling wordt gevraagd, waardoor bij de consument de indruk wordt gewekt dat hij het aangeprezen product al heeft besteld terwijl dat niet het geval is.

    Agressieve handelspraktijken

    21.

    De indruk geven dat de consument het pand niet mag verlaten alvorens er een overeenkomst is opgesteld.

    22.

    De consument thuis opzoeken en zijn verzoek om weg te gaan of niet meer terug te komen, negeren, behalve indien, en voorzover gerechtvaardigd volgens de nationale wetgeving, wordt beoogd een contractuele verplichting te doen naleven.

    23.

    Hardnekkig en ongewenst aandringen per telefoon, fax, e-mail of andere afstandsmedia behalve indien er, voorzover gerechtvaardigd volgens de nationale wetgeving, wordt beoogd een contractuele verplichting te doen naleven. Dit doet geen afbreuk aan artikel 10 van Richtlijn 97/7/EG en aan de Richtlijnen 95/46/EG (2) en 2002/58/EG.

    24.

    Een consument die op grond van een verzekeringspolis een vordering indient, om documenten vragen die redelijkerwijs niet relevant kunnen worden geacht om de geldigheid van de vordering te beoordelen, met de bedoeling om de consument ervan te weerhouden zijn contractuele rechten uit te oefenen.

    25.

    In reclame kinderen rechtstreeks oproepen om hun ouders of andere volwassenen ertoe over te halen voor hen geadverteerde producten te kopen. Deze bepaling laat artikel 16 van Richtlijn 89/552/EEG onverlet.

    26.

    Vragen om onmiddellijke dan wel uitgestelde betaling of om terugzending of bewaring van producten die de handelaar heeft geleverd, maar waar de consument niet om heeft gevraagd, tenzij het product een vervangingsgoed is zoals bedoeld in artikel 7, lid 3, van Richtlijn 97/7/EG (niet-gevraagde leveringen).

    27.

    De consument uitdrukkelijk meedelen dat, als hij het product of de dienst niet koopt, de baan of de bestaansmiddelen van de handelaar in het gedrang komen.

    28.

    De indruk wekken dat de consument al een prijs heeft gewonnen zonder een aankoop te verrichten, als de prijs in feite pas bij aankoop van een product kan worden gewonnen of toegekend.


    (1)  Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23). Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60).

    (2)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31). Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).


    BIJLAGE II

    COMMUNAUTAIRE WETSBEPALINGEN BETREFFENDE RECLAME EN COMMERCIËLE COMMUNICATIE

    De artikelen 4 en 5 van Richtlijn 97/7/EG

    Artikel 3 van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (1)

    Artikel 3, lid 3, van Richtlijn 94/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 1994 betreffende de bescherming van de verkrijger voor wat bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (2)

    Artikel 3, lid 4, van Richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (3)

    De artikelen 86 tot en met 100 van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (4)

    De artikelen 5 en 6 van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde aspecten van de elektronische handel in de interne markt (richtlijn elektronische handel) (5)

    Artikel 1 quinquies van Richtlijn 98/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 tot wijziging van Richtlijn 87/102/EEG betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (6)

    De artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2002/65/EG

    Artikel 1, lid 9, van Richtlijn 2001/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 januari 2002 tot wijziging van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) met het oog op de reglementering van beheermaatschappijen en vereenvoudigde prospectussen (7)

    De artikelen 12 en 13 van Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (8)

    Artikel 36 van Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (9)

    Artikel 19 van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (10)

    De artikelen 31 en 43 van Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf (derde richtlijn schadeverzekering) (11)

    De artikelen 5, 7 en 8 van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden (12)


    (1)  PB L 158 van 23.6.1990, blz. 59.

    (2)  PB L 280 van 29.10.1994, blz. 83.

    (3)  PB L 80 van 18.3.1998, blz. 27.

    (4)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2004/27/EG (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 34).

    (5)  PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

    (6)  PB L 101 van 1.4.1998, blz. 17.

    (7)  PB L 41 van 13.2.2002, blz. 20.

    (8)  PB L 9 van 15.1.2003, blz. 3.

    (9)  PB L 345 van 19.12.2002, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2004/66/EG van de Raad. (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 35)

    (10)  PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

    (11)  PB L 228 van 11.8.1992, blz.1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/87/EG (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1).

    (12)  PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64.


    MOTIVERING VAN DE RAAD

    I.   INLEIDING

    1.

    Op 24 juni 2003 heeft de Commissie bij de Raad een voorstel ingediend voor een op artikel 95 van het Verdrag gebaseerde richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van de Richtlijnen 84/450/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”).

    2.

    Het Europees Parlement heeft op 20 april 2004 advies in eerste lezing uitgebracht (1).

    Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft advies uitgebracht op 9 januari 2004 (2).

    3.

    Op 15 november 2004 heeft de Raad zijn gemeenschappelijke standpunt vastgesteld volgens artikel 251 van het Verdrag.

    II.   DOEL

    De richtlijn is bedoeld ter harmonisatie van de voorschriften in de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten waardoor de economische belangen van consumenten worden geschaad, en als bijdrage tot de goede werking van de interne markt en de totstandbrenging van een hoog niveau van consumentenbescherming.

    De tekst:

    bevat een omschrijving van de voorwaarden aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of sprake is van een oneerlijke handelspraktijk;

    voorziet in een algemeen verbod op dergelijke oneerlijke praktijken; er wordt veel aandacht besteed aan twee belangrijke soorten oneerlijke praktijken (misleidende en agressieve).

    III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJKE STANDPUNT

    1.   Algemeen

    In het algemeen heeft de Raad het advies in eerste lezing van het Europees Parlement en het standpunt van de Commissie over dit advies gevolgd. De Raad heeft 51 van de 58 door de Commissie aanvaarde amendementen verwerkt in zijn gemeenschappelijke standpunt, hetzij in hun geheel, hetzij ten dele. Ook heeft de Raad vier aanvankelijk voor de Commissie onaanvaardbare amendementen (43, 64, 91 en 110) bekrachtigd.

    Het gemeenschappelijke standpunt is het resultaat van een afweging van problemen en belangen, met als belangrijkste resultaten:

    handhaving van het algemene verbod op oneerlijke handelspraktijken (artikel 5), met in bijlage I een lijst van die praktijken welke onder alle omstandigheden als oneerlijk moeten worden beschouwd;

    handhaving van het voorstel om de gemiddelde consument als maatstaf te hanteren, maar met opneming van expliciete bepalingen ter bescherming van kwetsbare consumenten (met name in artikel 5, lid 3);

    schrapping van de clausule „land van oorsprong”, die aanvankelijk door de Commissie was voorgesteld;

    handhaving van de tekst betreffende het vrij verrichten van diensten en het vrije verkeer van goederen, waarbij aan het vrije verkeer geen beperkingen mogen worden opgelegd om redenen die vallen binnen het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied (artikel 4);

    tijdelijke toestemming voor de lidstaten om op het gebied dat bij deze richtlijn wordt geharmoniseerd, nationale bepalingen toe te passen die strenger of prescriptiever zijn dan deze richtlijn en de uitvoering vormen van richtlijnen die bepalingen bevatten betreffende minimale harmonisering (artikel 3, leden 5 en 6);

    verduidelijking van het toepassingsgebied van de richtlijn, met name ten aanzien van bepaalde beroepen, producten en activiteiten (artikel 3, leden 8, 9 en 10);

    invoeging van toetsingsclausule (artikel 18).

    De Commissie heeft ingestemd met het gemeenschappelijke standpunt waarover de Raad overeenstemming had bereikt.

    2.   De amendementen van het Europees Parlement

    In zijn plenaire stemming van 20 april 2004 heeft het Europees Parlement 94 amendementen op het voorstel aangenomen.

    De Raad:

    a)

    heeft in het gemeenschappelijke standpunt zeven amendementen ongewijzigd overgenomen:

    Overwegingen

    Amendement nr. 1 (overweging 6 - doel/toepassingsgebied)

    Amendement nr. 5 (overweging 10 - doel/toepassingsgebied)

    Amendement nr. 10 (overweging 14 - gedragscodes)

    Artikelen

    Amendement nr. 19 (artikel 2, onder h): definitie van „code op communautair niveau”)

    Amendement nr. 23 (artikel 2, onder l): definitie van „ongepaste beïnvloeding”)

    Bijlagen

    Amendement nr. 71 (bijlage 1, „Misleidende handelspraktijken”, punt 5)

    Amendement nr. 91 (bijlage 1, „Agressieve handelspraktijken”, punt 7);

    b)

    heeft in het gemeenschappelijke standpunt 48 amendementen, gedeeltelijk en/of geherformuleerd dan wel met andere wijzigingen, opgenomen:

    Overwegingen

    Amendement nr. 112 (aanhaling 1: toevoeging van artikel 153 van het Verdrag als aanvullende rechtsgrond): er is een nieuwe overweging 1 toegevoegd, waarin verwezen wordt naar artikel 153

    Amendement nr. 105 (overweging 5: doel/toepassingsgebied): amendement verwerkt in de nieuwe formulering van overweging 6, waarin het verband met nationale voorschriften op gebieden die buiten het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, wordt verduidelijkt

    Amendement nr. 6 (overweging 11: gelijkende of welhaast gelijke („look-alike”) producten en wederrechtelijk gebruik van een benaming („passing-off”)): het doel van het amendement is in aanmerking genomen bij de nieuwe formulering van overweging 14

    Amendement nr. 7 (overweging 11 bis (nieuw): status van bijlage I, „Misleidende handelspraktijken”): met de door het amendement beoogde gevolgen is rekening gehouden in de nieuwe formulering van overweging 17

    Amendement nr. 8 (overweging 13: kwetsbare consumenten): met het in het amendement aangesneden probleem is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van overweging 19, waarin verduidelijkt wordt wat wordt verstaan onder een kwetsbare consument

    Amendement nr. 106 (overweging 13 bis (nieuw): kwetsbare consumenten): met het in het amendement aangesneden probleem is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van overweging 19 (zie ook amendement nr. 8)

    Amendement nr. 9 (overweging 14: gedragscodes): het met het amendement beoogde doel is in aanmerking genomen bij de nieuwe formulering van overweging 20, waarbij de tekst enigermate is aangepast in overeenstemming met de bestaande wetgeving

    Artikelen

    Amendement nr. 107 (artikel 2, onder b): definitie van „gemiddelde of gewone consument”): met het amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van overweging 18

    Amendement nr. 13 (artikel 2, onder b bis) (nieuw): definitie van „bijzondere groep consumenten”): met dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van artikel 5, lid 3 (zie ook amendement nr. 8)

    Amendement nr. 14 (artikel 2, onder c): definitie van „verkoper of leverancier”): met het doel van het amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van onder b), waarbij in aanmerking genomen is dat aansprakelijkheid niet gereguleerd wordt in de onderhavige richtlijn

    Amendement nr. 17 (artikel 2, onder g): definitie van „gedragscode”): met dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van letter f)

    Amendement nr. 104 (artikel 2, onder g): definitie van „gedragscode”): in de nieuwe formulering van overweging 20 is rekening gehouden met dit amendement

    Amendementen nrs. 21 en 108 (artikel 2, onder j): definitie van „professionele toewijding”): de in deze amendementen vervatte concepten zijn verwerkt in de nieuwe formulering van letter h)

    Amendement nr. 24 (artikel 2, punt 1 bis) (nieuw): definitie van „vaste verbintenis”): met dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van artikel 6, lid 2, onder b)

    Amendement nr. 25 (artikel 3, lid 1: toepassingsgebied): het eerste deel van het amendement is overgenomen in dit lid, terwijl het tweede deel reeds bestreken wordt door artikel 2, onder k)

    Amendement nr. 27 (artikel 3, lid 6 bis (nieuw): toepassingsgebied): met dit amendement is rekening gehouden in artikel 3, leden 8, 9 en 10

    Amendement nr. 28 (artikel 4, lid 2 bis (nieuw): toepassingsgebied): met dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van overweging 9

    Amendement nr. 109 (artikel 4, leden 2 ter en 2 quater (nieuw) - tijdelijke afwijking): het amendement is, enigszins anders geformuleerd, overgenomen in artikel 3, leden 5 en 6

    Amendement nr. 29 (artikel 5, lid 2, eerste streepje: goede trouw): met dit amendement is rekening gehouden in de nieuwe formulering van artikel 2, onder h) (zie ook amendement nr. 108)

    Amendement nr. 110 (artikel 5, lid 2, tweede streepje: kwetsbare consument): met dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van artikel 5, lid 3 (zie ook amendement nr. 8)

    Amendement nr. 33 (artikel 5, lid 4: wijziging van de inhoud van bijlage I): met dit amendement is rekening gehouden in de nieuwe formulering van het lid, alsmede in overweging 17

    Amendement nr. 34 (artikel 6, lid 1, inleidend gedeelte: begrip „misleidende handelspraktijk”): met dit amendement is rekening gehouden in artikel 2, onder k)

    Amendement nr. 37 (artikel 6, lid 1, onder f): begrip „misleidende handelspraktijk”): door de schrapping van het punt is het in dit amendement genoemde probleem opgelost

    Amendement nr. 39 (artikel 6, lid 2, inleidende zin: begrip „misleidende handelspraktijk”): met dit amendement is rekening gehouden in artikel 2, onder k)

    Amendement nr. 40 (artikel 6, lid 2, onder b), derde streepje (nieuw): begrip „misleidende handelspraktijk” ): met dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van artikel 6, lid 2, onder b), tweede streepje

    Amendementen nrs. 43, 44 en 45 (artikel 7, lid 1: begrip „misleidende nalatingen”): met deze amendementen is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van artikel 7, leden 1 en 3

    Amendement nr. 47 (artikel 7, lid 2: begrip „misleidende nalatingen”): met het tweede deel van dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van het lid, terwijl het eerste gedeelte wordt bestreken door artikel 7, leden 1 en 3

    Amendementen nrs. 111 en 59 (artikel 9, onder c): uitbuiten van bepaalde tegenslagen of omstandigheden: het met het amendement beoogde doel is in aanmerking genomen bij de nieuwe formulering van het punt

    Amendement nr. 103 (artikel 10: naleving van gedragscodes): met dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van het artikel

    Amendement nr. 61 (artikel 10, lid 1 (nieuw): inhoud en opstelling van gedragscodes): met dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van overweging 20 (zie ook amendement nr. 9)

    Amendementen nrs. 64 en 65 (artikel 11, lid 1, vierde alinea: niet-aansprakelijkheid van de houder van een gedragscode): het in deze amendementen aangesneden probleem is opgelost door de nieuwe formulering van artikel 11, lid 1, vierde alinea, tweede streepje

    Amendement nr. 67 (artikel 14, lid 5: niet-aansprakelijkheid van de houder van een gedragscode): met dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van artikel 14, lid 4, tweede alinea, onder b) (zie de amendementen nrs. 64 en 65)

    Amendement nr. 68 (artikel 17: omzetting van de toekomstige richtlijn): met dit amendement is rekening gehouden bij de nieuwe formulering van dit punt

    Amendement nr. 69 (artikel 17 bis (nieuw): aanpassing): met dit amendement is rekening gehouden in artikel 18, met enige herformuleringen

    Bijlagen

    Amendement nr. 99 (bijlage 1, „Misleidende handelspraktijken”, punt 3): met dit amendement is rekening gehouden bij de formulering van punt 5

    Amendement nr. 73 (bijlage 1, „Misleidende handelspraktijken”, punt 9): met dit amendement is rekening gehouden bij de formulering van punt 12

    Amendement nr. 76 (bijlage 1, „Misleidende handelspraktijken”, punt 12): met dit amendement is rekening gehouden bij de formulering van het nieuwe punt 14

    Amendement nr. 84 (bijlage 1, „Misleidende handelspraktijken”, punt 12 nonies (nieuw)): met dit amendement is rekening gehouden bij de formulering van het nieuwe punt 18, met enkele wijzigingen ter verduidelijking van de toepassing ervan

    Amendement nr. 85 (bijlage 1, „Agressieve handelspraktijken”, punt 2); met dit amendement is rekening gehouden bij de formulering van het nieuwe punt 22, met enkele wijzigingen ter verduidelijking van de toepassing ervan

    Amendement nr. 87 (bijlage 1, „Agressieve handelspraktijken”, punt 3, alinea 1 bis) (nieuw)): met dit amendement is rekening gehouden bij de formulering van het nieuwe punt 23, ter verduidelijking van de toepassing ervan

    Amendement nr. 88 (bijlage 1, „Agressieve handelspraktijken”, punt 4): met dit amendement is rekening gehouden door het punt te schrappen

    Amendement nr. 90 (bijlage 1, „Agressieve handelspraktijken”, punt 6): met dit amendement is rekening gehouden bij de formulering van het nieuwe punt 25, waarbij enkele wijzigingen zijn aangebracht ter verduidelijking van de toepassing ervan

    Amendement nr. 92 (bijlage 1, „Agressieve handelspraktijken” punt 7): met dit amendement is rekening gehouden bij de formulering van het nieuwe punt 26, waarbij enkele wijzigingen zijn aangebracht ter verduidelijking van de toepassing ervan;

    c)

    heeft 39 amendementen niet in het gemeenschappelijke standpunt verwerkt (2, 3, 4, 15, 18, 20, 22, 26, 32, 36, 46, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 57, 60, 62, 63, 66, 70, 97, 72, 74, 75, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 86, 89 en 94).

    Ten aanzien van de amendementen nrs. 3, 15, 18, 20, 22, 26, 32, 36, 46, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 57, 63, 66, 70, 97, 74, 75, 77, 78, 79, 81, 82, 83, 86 en 94 heeft de Raad zich aangesloten bij het standpunt van de Commissie.

    Met betrekking tot de amendementen nrs. 2, 4, 60, 62, 72, 80 en 89, die geheel of ten dele door de Commissie aanvaard zijn maar niet in het gemeenschappelijke standpunt zijn verwerkt, dient het volgende te worden opgemerkt:

    Overwegingen

    Amendement nr. 2 (overweging 8: doel/toepassingsgebied van de toekomstige richtlijn): de in het amendement voorgestelde formulering zou ten koste gaan van de zekerheid omtrent de harmoniserende werking van de richtlijn, terwijl uit de nieuwe formulering van overweging 11 blijkt dat het toepassingsgebied van de tekst beperkt is

    Amendement nr. 4 (overweging 10: doel/toepassingsgebied): de in het amendement voorgestelde formulering zou ten koste gaan van de zekerheid dat, op het bij de richtlijn geharmoniseerde gebied, de lidstaten geen algemene verboden in stand kunnen houden die niet in overeenstemming zijn met het in de richtlijn bepaalde

    Artikelen

    Amendement nr. 60 (artikel 9, onder e): goede trouw): de bewijslast dient buiten het toepassingsgebied van de richtlijn te vallen, zoals in overweging 21 is aangegeven; het amendement kon derhalve niet worden aanvaard

    Amendement nr. 62 (artikel 10, lid 1 bis (nieuw): optionele procedures): de richtlijn reguleert niet de aard van de procedures waarop in het kader van artikel 10 een beroep kan worden gedaan, en de in het amendement bedoelde mogelijkheden zijn derhalve reeds voorhanden;

    Bijlagen

    Amendement nr. 72 (bijlage 1, „Misleidende handelspraktijken”, punt 8): het amendement kon niet worden aanvaard, omdat het geen omschrijving bevat van een praktijk die in alle omstandigheden oneerlijk is, terwijl dit nu juist het criterium is voor de vermelding in de bijlage

    Amendement nr. 80 (bijlage 1, „Misleidende handelspraktijken”, punt 12 quinquies (nieuw)): de in het amendement omschreven praktijk valt in de praktijk moeilijk te onderscheiden van een rechtmatige praktijk

    Amendement nr. 89 (bijlage 1, „Agressieve handelspraktijken”, punt 5): de bedoeling van het amendement is niet duidelijk, maar de formulering zou met name betrekking kunnen hebben op niet-consumenten (die buiten het toepassingsgebied van de richtlijn vallen).

    3.   Andere door de Raad toegevoegde nieuwe elementen

    De andere nieuwe elementen in het gemeenschappelijke standpunt zijn de volgende:

    de aanpassing van verschillende definities (de definities in artikel 2 van „uitnodiging tot aankoop” en „ongepaste beïnvloeding” zijn gewijzigd, er is een nieuwe definitie toegevoegd van „besluit over een transactie” en de definities van „gewone consument” en „code op communautair niveau” zijn geschrapt);

    aanpassingen in de criteria voor misleidende handelingen (artikel 6);

    verduidelijking omtrent de status en de inhoud van de bijlagen (de bijlagen zijn op enkele punten gewijzigd, nieuwe overwegingen 15 en 17 over de status van de bijlagen zijn toegevoegd, artikel 5, lid 5, betreffende bijlage I is dienovereenkomstig gewijzigd).

    IV.   CONCLUSIE

    De Raad is van mening dat zijn gemeenschappelijke standpunt, waarin de in onderdeel III, punt 2, onder a) en b), genoemde amendementen zijn verwerkt, naar behoren tegemoetkomt aan het advies van het Europees Parlement in eerste lezing.

    Deze oplossing is evenwichtig en staat borg voor consumentenbescherming én voor de goede werking van de interne markt, aangezien dit nieuwe gemeenschappelijke kader een vereenvoudiging betekent van het wetgevingsklimaat waarin handelaren en consumenten actief zijn, terwijl tegelijkertijd een hoog niveau van consumentenbescherming wordt gewaarborgd.


    (1)  PB C 104 E van 30.4.2004.

    (2)  PB C 108 van 30.4.2004, blz. 81.


    Top