Richtlijn 2011/98/EU voorziet in:
De richtlijn is van toepassing op niet-EU-onderdanen die toestemming hebben, onafhankelijk van hun aanvankelijke reden voor toelating, om in de EU te wonen of te werken. Dit omvat:
Bepaalde categorieën van niet-EU-onderdanen vallen niet onder de richtlijn, zoals degenen die de status van langdurig ingezetene hebben verworven (zij vallen onder andere EU-wetgeving).
Instanties in lidstaten moeten elke aanvraag voor deze gecombineerde vergunning voor verblijf en werk (nieuw, gewijzigd of vernieuwd) als een enkele aanvraagprocedure behandelen. Ze moeten beslissen of de aanvraag moet worden ingediend door de niet-EU-onderdaan of door hun werkgever (of door beiden).
De opmaak van de gecombineerde vergunning is dezelfde als beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002 betreffende de invoering van een uniforme verblijfstitel voor onderdanen van derde landen.
De gecombineerde vergunning geeft begunstigden van buiten de EU een aantal rechten, waaronder:
In de richtlijn staan specifieke criteria op basis waarvan lidstaten gelijke behandeling kunnen beperken voor bepaalde kwesties (toegang tot onderwijs/opleiding, socialezekerheidsuitkeringen als gezinsbijslag of huisvesting).
Richtlijn 2011/98/EU wordt met ingang van ingetrokken en vervangen door Richtlijn (EU) 2024/1233 (zie de samenvatting).
Richtlijn 2011/98/EU moest per in nationaal recht zijn omgezet. Deze regels zijn sinds van toepassing.
Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PB L 343 van , blz. 1-9).
laatste bijwerking