Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Energieprestaties van gebouwen (tot 2026)

Energieprestaties van gebouwen (tot 2026)

SAMENVATTING VAN:

Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen

WAT IS HET DOEL VAN DE RICHTLIJN?

  • Richtlijn 2010/31/EU heeft tot doel de energieprestatie van gebouwen in de Europese Unie (EU) te verbeteren, waarbij rekening wordt gehouden met diverse klimatologische en plaatselijke omstandigheden.
  • In de richtlijn worden minimumeisen en een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het berekenen van de energieprestatie.
  • Richtlijn 2010/31/EU is, na een beoordeling van de tenuitvoerlegging ervan, in 2018 gewijzigd met Richtlijn (EU) 2018/844. Het voornaamste doel was het versnellen van de kosteneffectieve renovatie van bestaande gebouwen en het bevorderen van slimme technologieën in gebouwen. Als onderdeel van het pakket schone energie vormt de herziene richtlijn een aanvulling van de wetgeving inzake energie-efficiëntie.

KERNPUNTEN

  • De EU-lidstaten moeten optimale minimumeisen voor de energieprestatie vaststellen. Deze dienen om de vijf jaar te worden herzien. Ze moeten betrekking hebben op het gebouw, de bestanddelen ervan en de energie die wordt gebruikt voor:
    • het verwarmen van ruimten
    • het koelen van ruimten
    • huishoudelijke warmwatervoorziening
    • ventilatie
    • ingebouwde verlichting
    • andere technische bouwsystemen*.
  • De Europese Commissie heeft een vergelijkend methodologisch kader vastgesteld voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de eisen voor energieprestatie.
  • Nieuwe gebouwen moeten voldoen aan de minimumnormen. Gebouwen waarin overheidsinstanties zijn gehuisvest die eigenaar zijn van deze gebouwen, moeten bijna-energieneutraal* zijn na en andere nieuwe gebouwen moeten dit na zijn.
  • Wanneer bestaande gebouwen een ingrijpende renovatie ondergaan, moet de energieprestatie ervan worden verbeterd om aan de toepasselijke eisen te voldoen.
  • Lidstaten moeten over een systeem voor energieprestatiecertificering beschikken. Het certificaat:
    • bevat informatie voor de toekomstige eigenaar of huurder over de energieprestatie van een gebouw;
    • bevat aanbevelingen voor kosteneffectieve verbeteringen;
    • moet in alle commerciële media worden vermeld wanneer een gebouw te koop of te huur wordt aangeboden.
  • De nationale autoriteiten van de lidstaten moeten ervoor zorgen dat er regelingen zijn voor de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen.

Wijzigingen van de oorspronkelijke richtlijn

  • Op grond van Richtlijn (EU) 2018/844 moeten de lidstaten langetermijnrenovatiestrategieën vaststellen om ertoe bij te dragen dat vóór het einde van 2050 het bestand van al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen is gerenoveerd tot een in hoge mate energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand. Deze strategieën moeten een stappenplan met maatregelen en meetbare voortgangsindicatoren bevatten met het oog op de langetermijndoelstelling voor 2050 van de EU om de broeikasgasemissies in vergelijking met 1990 met 80 tot 95 % te verminderen. In het stappenplan moeten indicatieve mijlpalen voor 2030, 2040 en 2050 worden opgenomen en moet nader worden bepaald hoe deze zullen bijdragen tot de verwezenlijking van de energie-efficiëntiedoelstellingen van de EU overeenkomstig Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (zie samenvatting).
  • Daarnaast voorziet de herziene richtlijn in:
    • de uitbreiding van het toepassingsgebied van de huidige inspectieregeling voor verwarmings- en airconditioningsystemen tot gecombineerde systemen (met ventilatie), en om rekening te houden met de prestatie van de systemen onder normale bedrijfsomstandigheden;
    • de bevordering van de toepassing van informatie- en communicatietechnologie en slimme automatiserings- en controletechnologieën in gebouwen;
    • de ondersteuning van de uitrol van de infrastructuur voor het opladen van elektrische voertuigen op parkeerterreinen van gebouwen door te verplichten tot de installatie van infrastructuur voor leidingen en oplaadpunten;
    • de invoering van een indicator van gereedheid voor slimme toepassingen (“smart readiness indicator”) ter waardering van de mogelijkheid om de werking van een gebouw aan te passen aan de behoeften van de gebruiker en aan het net, en om de werking te optimaliseren.

Facultatieve gemeenschappelijke EU-regeling voor de waardering van de mate waarin gebouwen gereed zijn voor slimme toepassingen

In 2020 heeft de Commissie een gedelegeerde wet en een uitvoeringswet vastgesteld.

  • Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2155 vult Richtlijn (EU) 2010/31/EU aan door een facultatieve gemeenschappelijke EU-regeling vast te stellen voor de waardering van de mate waarin gebouwen gereed zijn voor slimme toepassingen, dat wil zeggen dat de indicator van gereedheid voor slimme toepassingen ermee wordt vastgesteld, evenals een gemeenschappelijke methodologie aan de hand waarvan deze moet worden berekend. De methode bestaat uit het berekenen van de scores van gereedheid voor slimme toepassingen van gebouwen of gebouwunits en het daaruit afleiden van de waardering van de gereedheid voor slimme toepassingen van gebouwen of gebouwunits.
  • Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2156 bevat de technische details voor de uitvoering van de facultatieve gemeenschappelijke EU-regeling voor de waardering van de gereedheid voor slimme toepassingen van gebouwen. Aspecten die erin aan bod komen, zijn onder meer:
    • accreditatie en kwalificatie van deskundigen op het gebied van indicatoren van gereedheid voor slimme toepassingen;
    • afgifte van certificaten van indicatoren van gereedheid voor slimme toepassingen en de voorwaarden voor het gebruik daarvan,
    • proeven van de regeling voor indicatoren van de gereedheid voor slimme toepassingen.

Gedelegeerde verordening (EU) 2020/2155 en Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2156 zijn sinds van toepassing.

Intrekking

Richtlijn 2010/31/EU wordt met ingang van ingetrokken en vervangen door Richtlijn (EU) 2024/1275 (zie samenvatting).

VANAF WANNEER ZIJN DE RICHTLIJNEN VAN TOEPASSING?

  • Richtlijn 2010/31/EU moest per in nationaal recht zijn omgezet.
  • Wijzigingsrichtlijn (EU) 2018/844 moest per in nationaal recht zijn omgezet.

ACHTERGROND

De bouwsector in de EU absorbeert 40 % van de energie en is daarmee de grootste energieverbruiker in Europa, en ongeveer 75 % van de gebouwen is energie-inefficiënt. Vanwege deze slechte energie-efficiëntie is het koolstofarmer maken van het gebouwenbestand een van de langetermijndoelstellingen van de EU. Deze richtlijn is een belangrijk instrument om gebouwen efficiënter te maken.

Voor meer informatie raadpleegt u:

KERNBEGRIPPEN

  1. Technisch bouwsysteem: Technische uitrusting voor het verwarmen van ruimten, het koelen van ruimten, ventilatie, huishoudelijke warmwatervoorziening, ingebouwde verlichting, automatisering en controle van gebouwen, het ter plaatse opwekken van energie, of een combinatie daarvan, met inbegrip van de systemen die energie uit hernieuwbare bronnen gebruiken, van een gebouw of gebouwunit.
  2. Bijna-energieneutraal gebouw: Een gebouw met een zeer hoge energieprestatie. De zeer lage hoeveelheid energie die is vereist, dient in zeer aanzienlijke mate te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen, en dient energie die ter plaatse of dichtbij uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd te bevatten.

BELANGRIJKSTE DOCUMENT

Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PB L 153 van , blz. 13-35)

Achtereenvolgende wijzigingen aan Richtlijn 2010/31/EG werden in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie is enkel van documentaire waarde.

laatste update

Naar boven