Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016PC0811

    Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel

    COM/2016/0811 final - 2016/0406 (CNS)

    Brussel, 21.12.2016

    COM(2016) 811 final

    2016/0406(CNS)

    Voorstel voor een

    RICHTLIJN VAN DE RAAD

    tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel

    {SWD(2016) 457 final}
    {SWD(2016) 458 final}


    TOELICHTING

    1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

    Motivering en doel van het voorstel

    Op 7 april 2016 hechtte de Commissie haar goedkeuring aan het actieplan betreffende de btw 1 , bestaande uit doelstellingen en maatregelen ter modernisering van het btw-stelsel van de EU. Met dit plan wordt voortgebouwd op de werkzaamheden die zijn uitgevoerd sinds de mededeling over de toekomst van de btw 2 die voortvloeide uit het uitgebreide raadplegingsproces dat de Commissie had opgestart met haar groenboek over de toekomst van de btw 3 .

    De verwezenlijking van een solide, gemeenschappelijke, Europese btw-ruimte is een van de voornaamste maatregelen in het actieplan van de Commissie. Dit vraagt om het opzetten van het definitieve btw-stelsel voor grensoverschrijdende handel tussen ondernemingen (b2b) binnen de EU ter vervanging van het huidige stelsel dat bedoeld was als overgangsstelsel.

    Zoals overeengekomen door het Europees Parlement en de Raad, zal dit definitieve btw-stelsel berusten op het beginsel van belastingheffing in het land van bestemming van de goederen (het zogenaamde “bestemmingsbeginsel”), terwijl het huidige stelsel gebaseerd is op de vrijstelling van de levering van goederen in de lidstaat van vertrek. Daarom heeft de Commissie aangekondigd dat zij voornemens is in 2017 een wetgevingsvoorstel te doen voor het definitieve btw-stelsel voor grensoverschrijdende handel dat op dit type “belastingheffing” gebaseerd is.

    Aangezien het echter niet ondenkbeeldig is dat de voorbereiding, vaststelling en tenuitvoerlegging van een dergelijke grote wijziging enige tijd zal kosten, heeft de Commissie erkend dat er tegelijk aan andere initiatieven moet worden gewerkt, met name aan dringende maatregelen tegen btw-fraude en dus ook de btw-kloof (d.w.z. het verschil tussen de verwachte btw-inkomsten en de daadwerkelijk door de belastingautoriteiten geïnde btw). Deze btw-kloof heeft een alarmerend peil van bijna 160 miljard EUR 4 bereikt, waarvan jaarlijks ongeveer 50 miljard EUR 5 aan inkomstenderving het gevolg is van grensoverschrijdende fraude.

    Als onderdeel van die dringende maatregelen heeft de Commissie op verzoek van bepaalde lidstaten de mogelijkheid onderzocht om die lidstaten toe te staan een tijdelijke veralgemeende verleggingsregeling toe te passen in afwijking van een van de algemene beginselen van de btw-richtlijn 6 , namelijk de gespreide afdracht. Daarom heeft de Commissie zich bereid verklaard de politieke, juridische en economische gevolgen van een dergelijke tijdelijke veralgemeende verleggingsregeling grondig te analyseren alvorens haar conclusies voor te stellen.

    Er is een diepgaande technische analyse van een veralgemeende verleggingsregeling voor factuurbedragen van meer dan 10 000 EUR uitgevoerd en deze is tijdens de zitting van de Raad Ecofin van 17 juni 2016 gepresenteerd. In het kader van een politieke overeenkomst over het alomvattende fraudebestrijdingsbeleid binnen de EU heeft de Commissie voor de notulen van de Ecofin-zitting het volgende verklaard: “De Commissie zegt toe vóór het eind van het jaar een wetgevingsvoorstel te zullen indienen waardoor afzonderlijke lidstaten kunnen afwijken van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde zodat een veralgemeende verleggingsregeling op binnenlandse leveringen boven een bepaalde drempel kan worden toegepast, zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan de interne markt.”

    Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

    Het doel van het wetgevingsvoorstel is beperkt in werkingssfeer en in tijd en doet geen afbreuk aan de ontwikkeling van het definitieve btw-stelsel op basis van de belasting van grensoverschrijdende leveringen van goederen en diensten.

    2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

    Rechtsgrondslag

    Met deze richtlijn wordt op grond van artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de btw-richtlijn gewijzigd.

    Aangezien van het basisbeginsel van gespreide afdrachten wordt afgeweken, is het best om te werken met een specifieke rechtsgrondslag voor een dergelijke tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling op goederen en diensten boven een bepaalde drempel; dit is in overeenstemming met het actieplan betreffende de btw.

    Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

    Overeenkomstig het in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel mag slechts op EU-niveau worden opgetreden indien de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de EU kunnen worden bereikt.

    Lidstaten kunnen niet afzonderlijk optreden aangezien de toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling door afzonderlijke lidstaten niet kan worden beschouwd als een “normale derogatie” in de zin van artikel 395 van de btw-richtlijn, aangezien dit het btw-stelsel ingrijpend zou wijzigen. Om een dergelijke derogatie mogelijk te maken, is bijgevolg een voorstel van de Commissie tot wijziging van de btw-richtlijn nodig zodat afzonderlijke lidstaten een veralgemeende verleggingsregeling kunnen toepassen. Het voorstel geeft de lidstaten nog ruimte voor een hoge mate van subsidiariteit, aangezien zij de regeling vrijwillig kunnen toepassen en elke lidstaat kan beslissen, mits aan de criteria is voldaan, of hij al dan niet om de derogatie verzoekt.

    Evenredigheid

    Aangezien het om een facultatieve en tijdelijke maatregel gaat, is deze evenredig aan het nagestreefde doel, namelijk de bestrijding van fraude in bepaalde lidstaten die niet over de administratieve capaciteit beschikken om dit probleem doeltreffend aan te pakken of die met een sterke toename van de btw-fraude worden geconfronteerd. De toekenning van de veralgemeende verleggingsregeling is onderworpen aan vooraf bepaalde criteria die de werkingssfeer van de maatregel beperken tot lidstaten die bijzonder hard door carrouselfraude worden getroffen. Een btw-kloof die 5 procentpunten boven de EU-mediaan ligt en een niveau van carrouselfraude dat meer dan 25 % van de totale btw-kloof in de lidstaat uitmaakt, worden in dit verband beschouwd als redelijke en representatieve criteria om vast te stellen welke lidstaten meer dan gemiddeld worden getroffen. Aangezien onzeker is of de fraude als gevolg van de maatregel zou verschuiven, moet een lidstaat die grenst aan een lidstaat die de veralgemeende verleggingsregeling toepast, ook worden gemachtigd om de veralgemeende verleggingsregeling onder bepaalde voorwaarden toe te passen.

    De gevolgen hiervan voor de interne markt moeten echter nauwlettend worden gevolgd. Daarom moet de Commissie in een vrijwaringsclausule worden gemachtigd derogaties zonder terugwerkende kracht in te trekken indien de gevolgen voor de interne markt negatief zouden zijn.

    Keuze van het instrument

    Er is gekozen voor een richtlijn tot wijziging van de btw-richtlijn.

    3.RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

    Raadpleging van belanghebbenden

    Er is geen specifieke raadpleging van belanghebbenden gehouden.

    De openbare raadpleging over het “Groenboek over de toekomst van de btw – Naar een eenvoudiger, solider en efficiënter btw-stelsel” (COM(2010) 695), die ongeveer 1700 bijdragen opleverde, gaf de Commissie een duidelijk inzicht in de problemen en mogelijke oplossingen, ook wat de verschillende facetten van verlegging betreft. Nadere informatie staat in bijlage 2 bij de effectbeoordeling.

    Tijdens een bijeenkomst van de groep over de toekomst van de btw en de btw-deskundigengroep in februari 2016 hebben belastingdiensten en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zich over de kwestie gebogen, waardoor de Commissie een volledig overzicht kreeg van de standpunten over de mogelijke uitvoering en toepassing van een dergelijke regeling.

    Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

    De btw-deskundigengroep, die de Europese Commissie bijstaat en adviseert op het gebied van de btw met het oog op de opstelling van wetgevingshandelingen en andere beleidsinitiatieven, werd, zoals gezegd, in februari 2016 geraadpleegd.

    In zijn advies van 28 juni 2016 heeft het Refit-platform aangedrongen op een eenvoudiger en elementairder btw-stelsel in de EU en legde het met name de nadruk op de belemmeringen voor de interne markt en de regelgevende lasten die het huidige stelsel met zich meebrengt 7 .

    Er is rekening gehouden met talrijke adviezen van beroepsorganisaties en wetenschappelijke publicaties.

    Effectbeoordeling

    De effectbeoordeling is op 27 september 2016 een eerste maal voorgelegd aan de Raad voor regelgevingstoetsing en op 26 oktober 2016 vond een bijeenkomst plaats. Op basis van het hieruit voortvloeiende advies is een nieuw ontwerp voorgelegd aan de Raad voor regelgevingstoetsing, die op 28 november 2016 een positief advies uitbracht met aanbevelingen, met name om een droom- en doemscenario 8 toe te voegen (zie ook bijlage 1 van de effectbeoordeling bij dit voorstel).

    Als voorkeursoptie kwam uit de effectbeoordeling een derogatie waarbij bepaalde lidstaten die aan vooraf vastgestelde criteria voldoen, op vrijwillige basis en op alle goederen en diensten met een factuurbedrag van meer dan 10 000 EUR, de veralgemeende verleggingsregeling mogen toepassen. Deze optie biedt een kortetermijnoplossing voor lidstaten die bijzonder hard worden getroffen door carrouselfraude. Door de verschuiving van de fraude tussen de lidstaten te beperken, houdt zij de negatieve gevolgen voor de interne markt minimaal. Er is voorzien in een vrijwaringsclausule in geval van negatieve gevolgen voor de interne markt.

    4.OVERIGE ELEMENTEN

    Het voorstel bevat een vervalbepaling.

    2016/0406 (CNS)

    Voorstel voor een

    RICHTLIJN VAN DE RAAD

    tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel

    DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

    Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113,

    Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

    Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

    Gezien het advies van het Europees Parlement,

    Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

    Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

    Overwegende hetgeen volgt:

    (1)In haar actieplan betreffende de btw 9 kondigde de Commissie haar voornemen aan om te komen met een voorstel voor een definitief btw-stelsel voor grensoverschrijdende handel tussen ondernemingen tussen de lidstaten op basis van de belasting van grensoverschrijdende leveringen van goederen en diensten.

    (2)Gezien het huidige niveau van btw-fraude en het feit dat niet alle lidstaten in gelijke mate door de fraude worden getroffen, en gezien het feit dat het verscheidene jaren zal duren om het definitieve btw-stelsel in te voeren, moet een aantal dringende en specifieke maatregelen worden genomen.

    (3)In dit verband hebben verschillende lidstaten toestemming gevraagd om boven een bepaalde factuurdrempel een tijdelijke veralgemeende verleggingsregeling te mogen toepassen die zou afwijken van een van de algemene beginselen van het huidige btw-stelsel, namelijk dat van de gespreide afdrachten, om de aan het stelsel inherente carrouselfraude aan te pakken. Met name de huidige vrijstelling voor intracommunautaire leveringen, waardoor goederen vrij van btw kunnen worden verkregen, vormt een basis voor carrouselfraude. Een aantal ondernemers pleegt vervolgens belastingfraude door de van hun afnemers ontvangen btw niet aan de belastingdienst te betalen. Die afnemers, die in het bezit zijn van geldige facturen, behouden evenwel het recht op aftrek van voorbelasting. Dezelfde goederen kunnen verschillende keren worden geleverd waarbij telkenmale gebruik wordt gemaakt van vrijgestelde intracommunautaire leveringen. Soortgelijke carrouselfraude komt ook voor bij de levering van diensten. Door de belastbare ontvanger van de goederen of diensten aan te wijzen als degene die de btw moet voldoen, zou de derogatie een einde maken aan deze mogelijkheid tot belastingfraude.

    (4)Om het risico op een verschuiving van de fraude tussen lidstaten te beperken, moeten alle lidstaten die aan een aantal criteria met betrekking tot het niveau van de fraude, in het bijzonder carrouselfraude, voldoen en die kunnen aantonen dat andere controlemaatregelen niet volstaan in de strijd tegen deze fraude, de mogelijkheid krijgen om een veralgemeende verleggingsregeling toe te passen.

    (5)Daarnaast moeten ook de aangrenzende lidstaten die een ernstig risico lopen dat de fraude naar hun grondgebied verschuift als gevolg van de toepassing van deze regeling in een andere lidstaat, de mogelijkheid krijgen om de veralgemeende verleggingsregeling toe te passen, indien andere controlemaatregelen niet toereikend zijn in de strijd tegen deze fraude.

    (6)Indien de lidstaten ervoor kiezen de veralgemeende verleggingsregeling toe te passen, moeten zij deze op alle leveringen van goederen en diensten boven een bepaald factuurbedrag toepassen. De veralgemeende verleggingsregeling mag niet tot een specifieke sector worden beperkt.

    (7)De lidstaten die ervoor kiezen de veralgemeende verleggingsregeling toe te passen, moeten de belastingplichtigen specifieke elektronische rapportageverplichtingen opleggen ter waarborging van de doeltreffende werking en monitoring van de veralgemeende verleggingsregeling. Zij moeten alle nieuwe vormen van belastingfraude opsporen en voorkomen.

    (8)Om op transparante wijze te kunnen beoordelen wat de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling als impact heeft op frauduleuze activiteiten, moeten die lidstaten vooraf bepaalde evaluatiecriteria vaststellen, zodat het niveau van de fraude vóór en na de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling kan worden beoordeeld.

    (9)Om ervoor te zorgen dat deze richtlijn volgens eenvormige voorwaarden wordt uitgevoerd, moet de Commissie uitvoeringsbevoegdheden krijgen voor het toekennen van de machtiging aan de lidstaten die toestemming vragen om de veralgemeende verleggingsregeling toe te passen.

    (10)De lidstaten die ervoor kiezen de veralgemeende verleggingsregeling toe te passen, moeten de Commissie om machtiging tot toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling verzoeken en de nodige gegevens verstrekken om de Commissie in staat te stellen het verzoek te beoordelen. In voorkomend geval moet de Commissie de mogelijkheid hebben om aanvullende gegevens te vragen.

    (11)Aangezien een dergelijke veralgemeende verleggingsregeling mogelijk kan leiden tot een verschuiving van de fraude naar andere lidstaten die deze regeling niet toepassen, en zo onverwachte gevolgen kan hebben voor de werking van de interne markt, moet de Commissie als vrijwaringsmaatregel alle uitvoeringsbesluiten ter goedkeuring van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling kunnen intrekken.

    (12)Gezien de onzekere gevolgen die een dergelijke regeling kan hebben, moet deze in de tijd worden beperkt.

    (13)Om de impact op de interne markt van nabij te volgen, moeten alle lidstaten, indien de veralgemeende verleggingsregeling in minstens één lidstaat wordt toegepast, verslag uitbrengen bij de Commissie, zodat de impact op de fraude, de nalevingskosten voor het bedrijfsleven en verschuivingen in frauduleuze activiteiten als gevolg van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling kan worden beoordeeld.

    (14)Richtlijn 2006/112/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

    HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

    Artikel 1

    In Richtlijn 2006/112/EG wordt het volgende artikel 199 quater ingevoegd:

    “Artikel 199 quater

    1. Tot en met 30 juni 2022 kan een lidstaat, bij wijze van veralgemeende verleggingsregeling, bepalen dat de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is aan wie goederen en diensten worden geleverd boven een drempel van 10 000 EUR per factuur, in afwijking van artikel 193.

    Een lidstaat die de veralgemeende verleggingsregeling wil invoeren, moet:

    (a)een btw-kloof, uitgedrukt als een percentage van de totale verschuldigde btw, van ten minste 5 procentpunten boven de communautaire mediaan van de btw-kloof hebben;

    (b)een aandeel van carrouselfraude hebben dat meer dan 25 % van zijn totale btw-kloof uitmaakt;

    (c)vaststellen dat andere controlemaatregelen niet volstaan om carrouselfraude op zijn grondgebied te bestrijden.

    De lidstaat voegt bij het in lid 4 bedoelde verzoek de berekening van de btw-kloof volgens de methode en de cijfers in het meest recente door de Commissie bekendgemaakte verslag over de btw-kloof.

    2.Tot en met 30 juni 2022 kan een lidstaat bepalen dat de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is aan wie de goederen en diensten worden geleverd boven een drempel van 10 000 EUR per factuur, indien deze lidstaat:

    (a)grenst aan een lidstaat die de veralgemeende verleggingsregeling mag toepassen;

    (b)vaststelt dat een ernstig risico bestaat dat de fraude naar zijn grondgebied verschuift als gevolg van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling in die aangrenzende lidstaat;

    (c)vaststelt dat andere controlemaatregelen niet volstaan om fraude op zijn grondgebied te bestrijden.

    3.Lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen, stellen passende en doeltreffende elektronische rapportageverplichtingen vast voor alle belastingplichtigen en, in het bijzonder, voor de belastingplichtigen die de goederen of diensten leveren of ontvangen waarop deze regeling van toepassing is.

    4.De lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling wensen toe te passen, dienen bij de Commissie een verzoek in en verstrekken de volgende gegevens:

    (a)een gedetailleerde rechtvaardiging dat aan de voorwaarden van lid 1 of lid 2 wordt voldaan;

    (b)de begindatum van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling en de periode die deze zal bestrijken;

    (c)te nemen maatregelen om belastingplichtigen te informeren over de invoering van de veralgemeende verleggingsregeling;

    (d)een gedetailleerde beschrijving van de in lid 3 bedoelde begeleidende maatregelen.

    Wanneer de Commissie meent dat zij niet over alle nodige gegevens beschikt, verzoekt zij om aanvullende gegevens binnen een maand na ontvangst van het verzoek. De verzoekende lidstaat verstrekt de nodige gegevens binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving.

    5.Uiterlijk drie maanden na ontvangst van alle nodige gegevens stelt de Commissie een uitvoeringsbesluit vast waarin wordt bevestigd dat het verzoek aan de in lid 4 vermelde voorwaarden voldoet en staat zij de verzoekende lidstaat toe de veralgemeende verleggingsregeling toe te passen. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, stelt zij een uitvoeringsbesluit tot afwijzing van het verzoek vast.

    6.Indien er aanzienlijke negatieve gevolgen zijn voor de interne markt en op zijn vroegst zes maanden na de inwerkingtreding van het eerste uitvoeringsbesluit waarbij een lidstaat werd gemachtigd de veralgemeende verleggingsregeling toe te passen, trekt de Commissie alle in lid 5 vermelde uitvoeringsbesluiten in.

    Er is sprake van aanzienlijke negatieve gevolgen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    (a)meer dan één lidstaat die de in de leden 1 en 2 vermelde veralgemeende verleggingsregeling niet toepast, stelt de Commissie in kennis van een toename van de btw-fraude op zijn grondgebied als gevolg van de veralgemeende verleggingsregeling;

    (b)mede op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie als bedoeld onder a) stelt de Commissie vast dat deze toename rechtstreeks verband houdt met de toepassing van een dergelijke regeling in een of meerdere lidstaten.

    7.Lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling toepassen, dienen uiterlijk twee jaar na aanvang van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling een tussentijds verslag in bij de Commissie. Dit verslag bevat een gedetailleerde beoordeling van de doeltreffendheid van de veralgemeende verleggingsregeling.

    Drie maanden na het einde van de toepassingsperiode van de veralgemeende verleggingsregeling dienen de lidstaten die de regeling toepassen, een eindverslag in over de algemene impact ervan.

    8.Lidstaten die de regeling niet toepassen, dienen uiterlijk op 30 juni 2019 bij de Commissie een tussentijds verslag in over de gevolgen op hun grondgebied van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling door andere lidstaten, voor zover de regeling op die datum gedurende ten minste één jaar door één lidstaat is toegepast.

    Indien ten minste één lidstaat de veralgemeende verleggingsregeling toepast, dienen de lidstaten die de regeling niet toepassen, uiterlijk op 30 september 2022 bij de Commissie een eindverslag in over de gevolgen op hun grondgebied van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling door andere lidstaten.

    9.In de in lid 7 bedoelde verslagen beoordelen de lidstaten de gevolgen van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling op basis van de volgende criteria:

    (a)de ontwikkeling van de btw-kloof;

    (b)de ontwikkeling van de btw-fraude, met name carrouselfraude en fraude op het niveau van de detailhandel;

    (c)de ontwikkeling van de administratieve lasten voor belastingplichtigen;

    (d)de ontwikkeling van de administratieve kosten voor de belastingdienst.

    10.In de in lid 8 bedoelde verslagen beoordelen de lidstaten de gevolgen van de toepassing van de veralgemeende verleggingsregeling op basis van de volgende criteria:

    (a)de ontwikkeling van de btw-kloof;

    (b)de ontwikkeling van de btw-fraude, met name carrouselfraude en fraude op het niveau van de detailhandel;

    (c)de verschuiving van fraude vanuit lidstaten die de veralgemeende verleggingsregeling hebben toegepast.”.

    Artikel 2

    Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

    Zij is van toepassing tot en met 30 september 2022.

    Artikel 3

    Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

    Gedaan te Brussel,

       Voor de Raad

       De voorzitter

    (1) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over een actieplan betreffende de btw: naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU – tijd om knopen door te hakken (COM(2016)148 final van 7.4.2016).
    (2) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toekomst van de btw - Naar een eenvoudiger, solider en efficiënter btw-stelsel aangepast aan de eengemaakte markt (COM(2011) 851 van 6.12.2011).
    (3) Groenboek over de toekomst van de btw – Naar een eenvoudiger, solider en efficiënter btw-stelsel (COM(2010) 695 van 1.12.2010).
    (4) CASE, Study and Reports on the VAT Gap in the EU-28 Member States:2016 Final Report
    (5) Ernst & Young, Implementing the ‘destination principle’ to intra-EU B2B supplies of goods: 2015 Final Report.
    (6) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).
    (7) http://ec.europa.eu/smart-regulation/refit/refit-platform/docs/recommendations/opinion_taxation_1a.pdf
    (8) De samenvatting kan worden geraadpleegd op:
    http://ec.europa.eu/smart-regulation/impact/ia_carried_out/cia_2016_en.htm
    (9) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over een actieplan betreffende de btw: naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU – tijd om knopen door te hakken (COM(2016)148 final van 7.4.2016).
    Top