CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. PIKAMÄE

van 11 juli 2024 ( 1 )

Zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23

1Dream OÜ,

DS,

DL,

VS,

JG (C‑767/22)

AZ,

1Dream OÜ,

Produktech Engineering AG,

BBP,

Polaris Consulting Ltd (C‑49/23)

VL,

ZS,

Lireva Investments Limited,

VI,

FORTRESS FINANCE Inc. (C‑161/23),

in tegenwoordigheid van:

Latvijas Republikas Saeima

[verzoek van de Latvijas Republikas Satversmes tiesa (grondwettelijk hof, Letland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn 2014/42/EU – Bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie – Werkingssfeer – Confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen – Niet op een veroordeling gebaseerde nationale strafprocedure tot confiscatie van voorwerpen – Artikel 4 – Toegang tot het dossier van personen die een band met de voorwerpen hebben – Bewijsregeling inzake de herkomst van de voorwerpen – Doeltreffende voorziening in rechte – Artikel 8 – Richtlijn 2012/13/EU – Richtlijn (EU) 2016/343 – Artikelen 17, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”

1.

In een verslag van 2 juni 2020 over de confiscatie van criminele vermogensbestanddelen heeft de Europese Commissie op basis van gegevens van Europol verklaard dat de opbrengsten van de georganiseerde misdaad in de Europese Unie worden geschat op ongeveer 110 miljard euro per jaar en dat slechts ongeveer 2 % van de opbrengsten van criminele activiteiten wordt bevroren en 1 % wordt geconfisqueerd. ( 2 ) Het is tegen deze achtergrond, die op zijn zachtst gezegd zorgwekkend is, dat de onderhavige prejudiciële zaken zich afspelen. In deze zaken wordt het Hof de gelegenheid geboden om zich voor het eerst uit te spreken over de toepasselijkheid van richtlijn 2014/42/EU ( 3 ) op een nationale regeling die voorziet in een strafprocedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen die niet op een veroordeling is gebaseerd en die parallel aan een procedure tot vaststelling van de schuld van de vermoedelijke pleger van de inbreuk wordt gevoerd. Mocht het Hof zich ter zake bevoegd achten, dan dient het te onderzoeken of de nationale regels inzake de toegang tot het dossier van de confiscatieprocedure van personen die een band met de voorwerpen hebben, de bewijsregeling inzake de herkomst van de voorwerpen en het rechterlijk toezicht op de beslissing tot confiscatie verenigbaar zijn met het Unierecht.

I. Toepasselijke bepalingen

A. Unierecht

2.

In het kader van de onderhavige zaken zijn de artikelen 2 tot en met 4 en artikel 8 van richtlijn 2014/42, alsmede de artikelen 17, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) relevant.

B. Lets recht

3.

Artikel 626, lid 1, van de Kriminālprocesa likums (wetboek van strafvordering) van 21 april 2005 (Latvijas Vēstnesis, 2005, nr. 74), in de versie die van kracht was in de periode van 1 september 2018 tot en met 2 november 2022, bepaalde:

„(1)   Met het oog op een snelle afhandeling van vermogensrechtelijke aangelegenheden die zich in de inleidende fase van de strafprocedure voordoen en om redenen van proceseconomie kan de opsporingsambtenaar met instemming van de openbaar aanklager die het onderzoek leidt of de openbaar aanklager zelf de stukken die betrekking hebben op illegaal verkregen voorwerpen uit het strafdossier lichten en een procedure inleiden als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1)

de bewijsstukken bevatten duidelijke aanwijzingen dat de ontnomen of in beslag genomen voorwerpen illegaal zijn verkregen of verband houden met een strafbaar feit;

2)

het is om objectieve redenen niet mogelijk de strafzaak binnen afzienbare tijd (binnen een redelijke termijn) aanhangig te maken of dit kan tot aanzienlijke ongerechtvaardigde kosten leiden.

(2)

Wanneer een strafprocedure om andere redenen dan de vrijspraak van de betrokkene wordt beëindigd, kan de opsporingsambtenaar met instemming van de openbaar aanklager die het onderzoek leidt, de stukken die betrekking hebben op illegaal verkregen voorwerpen uit het strafdossier lichten en een procedure inleiden indien de bewijsstukken duidelijke aanwijzingen bevatten dat de ontnomen of in beslag genomen voorwerpen illegaal verkregen voorwerpen zijn.[ ( 4 )]

(3)

Wanneer een strafprocedure om andere redenen dan de vrijspraak van de betrokkene wordt beëindigd, kan de openbaar aanklager de stukken op basis waarvan een voorwerp ten aanzien waarvan de rechten staan ingeschreven in het openbaar register en naar aanleiding van het strafbare feit zijn gewijzigd, als illegaal verkregen is aangemerkt, uit het strafdossier lichten en een procedure inleiden.”

4.

Artikel 627, leden 1 tot en met 5, van het wetboek van strafvordering, zoals dat in de periode van 1 september 2018 tot en met 2 november 2022 van kracht was, bepaalde:

„(1)   In de omstandigheden als bedoeld in artikel 626 van dit wetboek neemt de autoriteit die verantwoordelijk is voor de procedure een beslissing om een procedure wegens illegale verkrijging van voorwerpen in te leiden en om de stukken betreffende de illegaal verkregen voorwerpen voor te leggen aan de rechter.

(2)   De autoriteit die verantwoordelijk is voor de procedure vermeldt in haar beslissing:

1)

informatie over de feiten waaruit het verband tussen de voorwerpen en het strafbare feit of de illegale herkomst van de voorwerpen blijkt, en informatie over de stukken die uit het dossier van een lopende strafzaak zijn gelicht en betrekking hebben op de illegale verwerving van de voorwerpen;

2)

de personen die een band met de voorwerpen hebben;

3)

de maatregelen die zij met betrekking tot de illegaal verkregen voorwerpen voorstelt;

4)

in voorkomend geval, het slachtoffer.

(3)

De beslissing met de bijbehorende stukken worden toegezonden aan de rechter in eerste aanleg.

(4)

Stukken van het dossier van een procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen vallen onder het geheim van het onderzoek en kunnen worden ingezien door de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit, de openbaar aanklager en de rechter die kennisneemt van de zaak. De in artikel 628 van dit wetboek bedoelde personen kunnen toegang krijgen tot de stukken van het dossier na toestemming van de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit en voor zover deze zulks beschikt.

(5)

Tegen de beslissing van de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit tot afwijzing van het verzoek om toegang tot de stukken van het dossier kan beroep worden ingesteld bij de rechter in eerste aanleg die kennisneemt van de procedure betreffende de illegaal verkregen voorwerpen. De rechter geeft een beslissing tot toewijzing of gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek. Die beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep. Opdat de rechter kan beslissen of de toegang tot de stukken van het dossier de grondrechten van andere personen of het algemeen belang in gevaar brengt of de verwezenlijking van het doel van de strafprocedure belemmert, kan hij de stukken van het dossier van de strafprocedure opvragen en inzien.”

II. Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

5.

Tussen 2012 en 2020 zijn er in Letland strafprocedures ingeleid tegen verschillende, in derde landen geregistreerde vennootschappen en tegen een in Estland geregistreerde vennootschap, alsook tegen verschillende natuurlijke personen die onderdanen van derde landen zijn, wegens het op grote schaal witwassen van de opbrengsten van een met behulp van hun Letse bankrekeningen gepleegd misdrijf. In het kader van deze strafprocedures, die nog in de fase van het vooronderzoek verkeren, is beslag gelegd op tegoeden op deze rekeningen en onroerende zaken.

6.

Nadat beslag was gelegd en parallel aan de hierboven genoemde procedures heeft de vervolgende instantie besloten een procedure wegens illegaal verkregen voorwerpen in te leiden krachtens de artikelen 626 en 627 van het wetboek van strafvordering en de zaak daartoe aanhangig te maken bij de bevoegde rechter in eerste aanleg. Terwijl een aantal van deze procedures momenteel is geschorst, zijn andere procedures uitgemond in hetzij beslissingen tot confiscatie ten gunste van de staat van de in beslag genomen voorwerpen die als illegaal verkregen zijn aangemerkt, hetzij beslissingen om de procedure zonder confiscatie te beëindigen voor wat betreft de voorwerpen waarvan de illegale herkomst volgens deze rechterlijke instantie niet is aangetoond. Naar aanleiding van door de vervolgende instantie ingestelde hogerberoepsprocedures zijn de beslissingen van de rechter in eerste aanleg tot beëindiging van de procedure vernietigd door de rechter in tweede aanleg, die na een heronderzoek van de bewijsstukken confiscatie van de betrokken voorwerpen heeft gelast op grond van het feit dat deze illegaal waren verkregen.

7.

Bij de Latvijas Republikas Satversmes tiesa (grondwettelijk hof, Letland), de verwijzende rechter, is beroep ingesteld door de personen die een band hebben met de voorwerpen die aan voornoemde procedures en maatregelen zijn onderworpen, teneinde te doen toetsen of verschillende bepalingen van het wetboek van strafvordering waarin de procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen wordt geregeld, wel verenigbaar zijn met de nationale grondwet.

8.

In het kader van de door hem te verrichten beoordeling, waarbij hij rekening dient te houden met het Unierecht, vraagt de verwijzende rechter zich om te beginnen af of de gelaakte nationale regeling binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/42 en kaderbesluit 2005/212/JBZ ( 5 ) valt (zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23). In dat verband wijst hij erop dat de gevoerde procedure tot confiscatie van de voorwerpen een bijzonder kenmerk vertoont in die zin dat zij strafrechtelijk van aard is terwijl de confiscatie niet wordt gelast naar aanleiding van een veroordeling van de persoon die eerder schuldig is bevonden aan een strafbaar feit, een situatie die het Hof nog niet eerder heeft onderzocht in de zaken waarin de uitlegging van voornoemde rechtsinstrumenten centraal stond.

9.

Voor zover een van deze rechtsinstrumenten in casu van toepassing mocht worden geacht, rijst volgens de verwijzende rechter in de tweede plaats de vraag of de nationale regels inzake de toegang, van personen die een band met de voorwerpen hebben, tot het procesdossier verenigbaar zijn met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces dat deze personen genieten krachtens artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest (zaak C‑767/22). De verwijzende rechter onderstreept dat deze personen slechts met toestemming van de vervolgende instantie en in de door die instantie bepaalde mate kennis kunnen nemen van de stukken van het dossier, die op hun beurt afkomstig zijn uit de strafrechtelijke hoofdprocedure die strekt tot vaststelling van de individuele aansprakelijkheid. Deze beslissing is vatbaar voor rechterlijke toetsing.

10.

De verwijzende rechter vraagt zich in de derde plaats af of de nationale voorschriften met betrekking tot de bewijsregeling inzake de herkomst van de voorwerpen stroken met het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest (zaak C‑161/23). Hij herinnert eraan dat de vervolgende instantie op grond van deze bewijsregeling niet hoeft aan te tonen dat de voorwerpen met redelijke zekerheid van illegale herkomst zijn en dat de bewijslast van de rechtmatige herkomst van deze voorwerpen rust op de persoon die een band met de voorwerpen heeft.

11.

De Latvijas Republikas Satversmes tiesa vraagt zich in de vierde plaats af of hoger beroep moet kunnen worden ingesteld tegen een beslissing tot confiscatie van voorwerpen die voor het eerst is vastgesteld in het stadium van de uitspraak in hoger beroep tegen een beslissing in eerste aanleg waarbij de procedure is beëindigd zonder dat een dergelijke maatregel is gelast. In de nationale regeling is hierin niet voorzien. De verwijzende rechter onderstreept dat de beslissing die na afloop van de confiscatieprocedure wordt gegeven, de kwestie van de vermogensbestanddelen definitief regelt. Hij is van oordeel dat het antwoord op deze vraag een uitlegging vereist van artikel 8, lid 6, tweede volzin, van richtlijn 2014/42, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest (zaak C‑49/23).

12.

In de vijfde plaats preciseert de verwijzende rechter dat, indien de in geding zijnde nationale bepalingen als gevolg van het arrest van het Hof als onverenigbaar met de Letse grondwet en het Unierecht zouden moeten worden beschouwd, die bepalingen dan ook nietig zouden moeten worden verklaard. In geval van terugwerkende kracht van deze nietigheid zou dit de stabiliteit van de staatsbegroting en de rechtszekerheid ondermijnen. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of het mogelijk is dat hij in zijn komende arrest zelf de datum bepaalt waarop deze bepalingen ophouden rechtsgevolgen te sorteren, wat de datum zou kunnen zijn waarop de geldigheid ervan afloopt wanneer die bepalingen niet langer van kracht zijn.

13.

In die omstandigheden heeft de Latvijas Republikas Satversmes tiesa elk van de drie betrokken procedures geschorst en het Hof in zaak C‑767/22 de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Valt een nationale regeling op grond waarvan een nationale rechter beslist over de confiscatie van de opbrengsten van een misdrijf in een afzonderlijke procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen, die van de strafrechtelijke hoofdprocedure is gescheiden voordat is vastgesteld dat er een strafbaar feit is gepleegd en iemand daaraan schuldig is bevonden, en op grond waarvan de confiscatie plaatsvindt op basis van stukken van het dossier van de strafzaak, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/42, met name artikel 4 ervan, en kaderbesluit 2005/212, met name artikel 2 ervan?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de regeling inzake de toegang tot de stukken van het dossier van de procedure betreffende de illegaal verkregen voorwerpen dan worden aangemerkt als verenigbaar met het recht op een eerlijk proces dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest en in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42?

3)

Moet het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het grondwettelijk hof van een lidstaat, waaraan is verzocht om een nationale regeling die onverenigbaar is bevonden met het Unierecht constitutioneel te toetsen, oordeelt dat het rechtszekerheidsbeginsel van toepassing is en de rechtsgevolgen van die regeling in stand blijven ten aanzien van de periode dat de regeling van kracht was?”

14.

Naast de eerste en de derde prejudiciële vraag die ook in zaak C‑767/22 zijn gesteld, heeft de Latvijas Republikas Satversmes tiesa het Hof in zaak C‑161/23 ook nog de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet een nationale regeling inzake het bewijs van de illegale herkomst van voorwerpen in procedures betreffende illegaal verkregen voorwerpen, zoals die welke is neergelegd in de litigieuze bepalingen, dan worden aangemerkt als verenigbaar met het recht op een eerlijk proces dat is neergelegd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest en in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42?”

15.

Naast de eerste en de derde prejudiciële vraag in zaak C‑767/22 heeft de Latvijas Republikas Satversmes tiesa het Hof in zaak C‑49/23 ook nog de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet het begrip ‘confiscatiebevel’ in de zin van richtlijn 2014/42, met name artikel 8, lid 6, tweede volzin, ervan, dan worden geacht niet alleen betrekking te hebben op rechterlijke beslissingen waarbij wordt verklaard dat de voorwerpen illegaal zijn verkregen en de confiscatie ervan wordt gelast, maar ook op beslissingen waarbij de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen wordt beëindigd?

3)

Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, is een regeling die niet voorziet in het recht van personen die een band hebben met de voorwerpen om beroep in te stellen tegen een confiscatiebevel, verenigbaar met artikel 47 van het Handvest en met artikel 8, lid 6, tweede volzin, van richtlijn 2014/42?”

III. Procedure bij het Hof

16.

Sommige verzoekers in het hoofdgeding, de Letse en de Tsjechische regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Verzoekers in het hoofdgeding, de Letse regering en de Commissie hebben ter terechtzitting van 15 april 2024 mondelinge opmerkingen gemaakt.

IV. Analyse

17.

Blijkens de verzoeken om een prejudiciële beslissing is de verwijzende rechter van oordeel dat hij een uitlegging door het Hof behoeft van richtlijn 2014/42, kaderbesluit 2005/212 en de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aangezien hij betwijfelt of sommige bepalingen van de nationale regeling tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen die betrekking hebben op de toegang tot het dossier, de bewijsregels inzake de herkomst van de voorwerpen en het instellen van een rechtsmiddel tegen het confiscatiebevel, verenigbaar zijn met het Unierecht. Voorafgaand aan deze inhoudelijke discussie vraagt de verwijzende rechter zich af deze rechtsinstrumenten in casu wel van toepassing zijn, hetgeen mij ertoe noopt de vraag betreffende de bevoegdheid van het Hof te onderzoeken.

A. Bevoegdheid van het Hof

18.

Volgens vaste rechtspraak is het Hof niet bevoegd om te antwoorden op een prejudiciële vraag wanneer duidelijk is dat de bepaling van Unierecht waarvan het Hof om uitlegging wordt gevraagd, geen toepassing kan vinden. ( 6 ) Wanneer een juridische situatie niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, is het Hof niet bevoegd om daarover uitspraak te doen en kunnen de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag vormen voor die bevoegdheid. ( 7 ) De Commissie en de Tsjechische regering zijn van mening dat, gelet op de rechtspraak van het Hof over het toepassingsgebied van richtlijn 2014/42 en kaderbesluit 2005/212, deze rechtsinstrumenten niet van toepassing zijn op de in geding zijnde nationale regeling.

1.   Toepasselijkheid van richtlijn 2014/42 en kaderbesluit 2005/212

a)   Strafrechtelijke aard van de in de hoofdgedingen gevoerde confiscatieprocedure

19.

Gelet op de doelstellingen en bewoordingen van de bepalingen van richtlijn 2014/42 en van de context waarin deze richtlijn is vastgesteld, moet worden geoordeeld dat deze richtlijn, net als kaderbesluit 2005/212 (waarvan de richtlijn de bepalingen beoogt uit te breiden, aldus overweging 9 ervan), een handeling betreft die ertoe strekt de lidstaten te verplichten gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen voor de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten die verband houden met strafbare feiten, teneinde met name de wederzijdse erkenning van in strafprocedures vastgestelde rechterlijke beslissingen tot confiscatie te vergemakkelijken. ( 8 )

20.

Wat het materiële toepassingsgebied van richtlijn 2014/42 en kaderbesluit 2005/212 betreft, heeft het Hof geoordeeld dat deze handelingen niet van toepassing zijn op een regeling van een lidstaat die bepaalt dat een nationale rechter confiscatie van onrechtmatig verkregen voorwerpen gelast „in het kader van” of na een procedure die niet ziet op de vaststelling van een of meer strafbare feiten. ( 9 ) In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/42 ( 10 ) confiscatie betrekking heeft op de definitieve ontneming van voorwerpen, die door een rechter wordt bevolen „in verband met een strafbaar feit”. Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat een administratieve of civielrechtelijke confiscatieprocedure ( 11 ) niet onder het materiële toepassingsgebied van richtlijn 2014/42 en kaderbesluit 2005/212 viel. Ter onderbouwing van deze conclusie heeft het Hof overwogen dat laatstgenoemde procedure in het nationale recht naast een strafrechtelijke confiscatieregeling bestond, uitsluitend betrekking had op de voorwerpen waarvan werd beweerd dat zij onrechtmatig waren verkregen, en autonoom werd gevoerd, ongeacht of er eventueel een strafrechtelijke procedure tegen de vermoedelijke dader was ingeleid en ongeacht de uitkomst van een dergelijke procedure, inzonderheid ongeacht de eventuele veroordeling van die dader. ( 12 )

21.

Geconstateerd moet worden dat de Letse regeling duidelijk een ander kenmerk vertoont dan de nationale wettelijke regelingen die centraal stonden in de hierboven aangehaalde rechtspraak, aangezien de in geding zijnde procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen van administratieve noch civielrechtelijke aard is, maar van strafrechtelijke aard. Alle voorschriften van deze procedure zijn opgenomen in het wetboek van strafvordering en wel in hoofdzaak in de artikelen 626 tot en met 631. Hieruit volgt dat de bijzondere confiscatieprocedure noodzakelijkerwijs wordt ingeleid in de vooronderzoeksfase van een strafrechtelijk onderzoek dat ertoe strekt de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van iemand vast te stellen, op basis van een beslissing van de verantwoordelijke opsporingsambtenaar met instemming van de openbaar aanklager die het onderzoek leidt of op basis van een beslissing van de openbaar aanklager zelf. Deze beslissing tot „vervolging wegens illegale verkrijging van voorwerpen” heeft betrekking op ontnomen of in beslag genomen voorwerpen ten aanzien waarvan de bewijsstukken duidelijke aanwijzingen bevatten dat ze illegaal zijn verkregen of verband houden met een strafbaar feit ( 13 ), welke stukken afkomstig zijn uit het dossier van de zogeheten strafrechtelijke hoofdprocedure, die ertoe strekt de schuld van de betrokken persoon aan te tonen. Deze stukken van het dossier vallen onder het geheim van het onderzoek. De personen die een band met de betrokken voorwerpen hebben, kunnen enkel kennis van deze stukken nemen na toestemming van de verantwoordelijke autoriteit en in de door die autoriteit bepaalde mate. De weigering van toegang tot die stukken is vatbaar voor rechterlijke toetsing, waarbij de beoordeling van de gegrondheid impliceert dat rekening wordt gehouden met de verwezenlijking van het doel van de strafrechtelijke hoofdprocedure, die in samenhang met en parallel aan de confiscatieprocedure wordt gevoerd. Daarnaast is ook de bewijsregeling inzake de herkomst van de voorwerpen vastgelegd in diverse bepalingen van het wetboek van strafvordering. Ten slotte wordt het confiscatiebevel gegeven door de strafrechter, die vervolgens een uitspraak in de hoofdzaak zal doen door de strafrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen ( 14 ), tegen welk bevel hoger beroep openstaat bij een strafrechter in tweede aanleg, die over dezelfde bevoegdheden beschikt als de rechter in eerste aanleg ( 15 ).

22.

Hoewel de in geding zijnde bijzondere procedure tot confiscatie van voorwerpen formeel losstaat van de strafrechtelijke hoofdprocedure die ertoe strekt de schuld van de beklaagde vast te stellen, staat het buiten kijf dat zij in meerdere opzichten nauw verbonden is met die procedure, waarvan zij een aanhangsel vormt. Het zijn dezelfde feiten die eraan ten grondslag liggen en het is dezelfde persoon tegen wie een strafvervolging in verband met een bepaald strafbaar feit wordt ingesteld en wiens goederen in beslag worden genomen alvorens tegen hem een „vervolging” wegens illegale verwerving van voorwerpen wordt ingesteld. Zoals de Letse regering onderstreept, kan de eerste procedure uitsluitend in het kader van de tweede procedure worden ingeleid en staat zij dus niet volledig los van een „eventuele” strafprocedure tegen de vermoedelijke dader.

23.

Tot slot moet worden opgemerkt dat het strafbare feit dat ten laste wordt gelegd aan de personen waarvan men de strafrechtelijke aansprakelijkheid tracht vast te stellen en waartegen parallel daaraan de bijzondere procedure tot confiscatie van voorwerpen wordt gevoerd, dat wil zeggen het witwassen van geld, een van de strafbare feiten is die onder de rechtsinstrumenten vallen die limitatief staan opgesomd in artikel 3 van richtlijn 2014/42 en meer concreet in punt d) daarvan, zodat het voorwerp van de nationale confiscatieprocedure uit dien hoofde onder het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn valt.

24.

Vast staat dat de bevoegde strafrechter, die door de opsporingsambtenaar of de openbaar aanklager is aangezocht krachtens de artikelen 626 en volgende van het wetboek van strafvordering, slechts een uitspraak doet over de herkomst van de voorwerpen, alvorens een uitspraak over de schuld van de betrokken persoon wordt gedaan en dus los van elke beslissing tot veroordeling van die persoon in het kader van de parallel daaraan gevoerde hoofdprocedure. Dit sluit de toepassing van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2014/42 uit, maar doet de vraag rijzen naar de toepassing van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 4, ervan. Dit is een rechtsvraag die nog niet eerder is gesteld en waarop de reeds aangehaalde rechtspraak van het Hof geen duidelijk antwoord geeft, aangezien artikel 4, lid 2, van deze handeling nooit eerder is genoemd en dus nooit eerder onderdeel is geweest van een redenering die ertoe strekt een uitlegging van het begrip „confiscatie” te verkrijgen. ( 16 )

b)   Uitlegging van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42

25.

Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet enkel rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft. Ook de ontstaansgeschiedenis van een bepaling van het Unierecht kan relevante gegevens voor de uitlegging ervan bevatten. ( 17 )

1) Letterlijke uitlegging

26.

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 bepaalt dat indien confiscatie op grond van lid 1 van dit artikel niet mogelijk is, de lidstaten ten minste in gevallen waar deze onmogelijkheid het gevolg is van ziekte of vlucht van de verdachte of beklaagde, de nodige maatregelen nemen om confiscatie van opbrengsten en hulpmiddelen mogelijk te maken voor gevallen waarin een strafprocedure is aangevangen met betrekking tot een strafbaar feit dat al dan niet rechtstreeks economisch voordeel kan opleveren, en waarin deze procedure zou kunnen hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling indien de verdachte of beklaagde in staat was geweest voor de rechter te verschijnen.

27.

Wat om te beginnen de letterlijke uitlegging betreft, geeft artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 een negatieve omschrijving van een van de in dit artikel bedoelde vormen van confiscatie, door van een confiscatie te spreken die niet mogelijk is „op grond van lid 1” van dit artikel, welk lid doelt op een confiscatie onder voorbehoud van de definitieve veroordeling van de vermoedelijke pleger van een strafbaar feit. De lidstaten moeten dus voorzien in een regeling tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen die niet impliceert dat een dergelijke veroordeling heeft plaatsgevonden.

28.

Moet deze regeling aldus worden opgevat dat zij noodzakelijkerwijs beperkt is tot gevallen waarin sprake is van ziekte of vlucht van de betrokken persoon, zodat de uitdrukking „ten minste” de minimale aard van de harmonisatieregels tot uiting brengt? Moet deze uitdrukking niet juist aldus worden opgevat dat slechts een voorbeeld van een onmogelijkheid wordt gegeven, zonder dat dit op enigerlei wijze uitputtend is bedoeld, zodat de minimale harmonisatie waarin artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 voorziet, vereist dat sprake is van een nationale regeling tot confiscatie van voorwerpen zonder veroordeling die gebaseerd is op de vaststelling dat een dergelijke veroordeling niet onder normale omstandigheden kan plaatsvinden? ( 18 ) De formulering van de betrokken bepaling is dus niet volkomen eenduidig, wat een goed begrip van de strekking van beide leden van artikel 4 van richtlijn 2014/42 en hun onderlinge samenhang bemoeilijkt. ( 19 )

29.

Los hiervan wijs ik erop dat de hier centraal staande bijzondere confiscatieprocedure in het Letse rechtsstelsel bestaat naast de meer klassieke, aan de veroordeling van de dader gekoppelde confiscatieprocedure en dat het inleiden van deze procedure onder meer veronderstelt dat „het binnen afzienbare tijd (binnen een redelijke termijn) aanhangig maken van de strafzaak […] om objectieve redenen onmogelijk [is] of […] tot aanzienlijke ongerechtvaardigde kosten [kan] leiden”. ( 20 ) Uit deze bewoordingen komt de gedachte naar voren dat het in de praktijk onmogelijk is, vanuit hetzelfde tijdsperspectief als dat waar artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 van uitgaat, om de klassieke confiscatieprocedure uit te voeren. ( 21 )

30.

Een dergelijke situatie kan voortvloeien uit de ziekte of de vlucht van de verdachte of beklaagde, maar ook uit de buitengewoon complexe aard van een strafprocedure in verband met het grote aantal betrokkenen, zowel ondernemingen als natuurlijke personen, de omstandigheid dat zij niet woonachtig of gevestigd zijn in de staat van de met de procedure belaste autoriteiten, de internationale en georganiseerde aard van de criminele activiteiten en de daaraan inherente moeilijkheden op het vlak van wederzijdse bijstand van politie en justitie, de intrinsiek complexe aard van het ten laste gelegde strafbare feit of de ten laste gelegde strafbare feiten, zulks in relatie tot de omvang van het nationale rechtshandhavingssysteem en de capaciteit daarvan om een dergelijke procedure te voeren met inachtneming van strenge verjaringsregels, terwijl er tegelijkertijd dient te worden opgetreden tegen de gebruikelijke, gemeenrechtelijke delicten. Deze combinatie van factoren komt naar mijn mening overeen met de beschrijving door de verwijzende rechter van een nationale strafprocedure met betrekking tot het op grote schaal witwassen van criminele opbrengsten via rekeningen die bij verschillende Letse banken zijn geopend door in Estland, Zwitserland en Belize geregistreerde vennootschappen en onderdanen van de Republiek Oekraïne, Oezbekistan, de Volksrepubliek China en de Russische Federatie. De in geding zijnde confiscatieprocedure is ingeleid in het kader van een situatie waarin tegen deze betrokkenen een strafprocedure is ingeleid met betrekking tot een strafbaar feit, in casu het witwassen van geld, dat al dan niet rechtstreeks economisch voordeel kan opleveren en waarin deze procedure zou kunnen hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling indien zij onder normale omstandigheden in staat waren geweest voor de rechter in de hoofdzaak te verschijnen.

31.

Opmerking verdient dat in het voorstel voor een richtlijn ( 22 ) een specifieke bepaling was opgenomen die het opschrift „Confiscatie zonder veroordeling” droeg en waarin uitdrukkelijk en uitputtend de gevallen werden opgesomd waarin tot een dergelijke maatregel kon worden overgegaan. Vast staat dat de medewetgevers verschillende standpunten ten aanzien van deze bepaling hebben ingenomen. De wens van het Europees Parlement om een algemene bepaling inzake confiscatie zonder veroordeling in te voeren stuitte bij de Raad op verzet, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de, minder nauwkeurige, compromisformulering van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 en het gebruik van de term „ten minste” voorafgaand aan de vermelding van de gevallen van onmogelijkheid in verband met ziekte en vlucht van de betrokken persoon. ( 23 )

2) Contextuele uitlegging

32.

Een contextuele uitlegging impliceert in de eerste plaats dat het in artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 bedoelde confiscatiebevel wordt bezien in relatie tot de maatregel tot bevriezing van voorwerpen, de mogelijkheid tot confiscatie van vermogensbestanddelen van derden en de effectieve procedurele waarborgen die deze richtlijn biedt aan de personen die door deze bevriezings‑ en confiscatiemaatregelen worden getroffen.

33.

Van belang is dat de in artikel 47 van het Handvest bedoelde grondrechten opnieuw worden bevestigd in richtlijn 2014/42 zelf, waarvan artikel 8, lid 1, bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de personen tegen wie de in deze richtlijn bedoelde maatregelen zijn gericht, recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces, om hun rechten te kunnen handhaven. ( 24 ) Het Hof heeft bij herhaling de aandacht gevestigd op de algemene strekking van de bewoordingen van deze bepaling, waarin elke verwijzing naar verdachten of beklaagden of naar personen die schuldig aan een strafbaar feit zijn bevonden, ontbreekt. Gelet op deze formulering van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42 en overweging 33 heeft het Hof geoordeeld dat de personen aan wie de lidstaten doeltreffende rechtsmiddelen en een eerlijk proces moeten waarborgen, niet alleen degenen zijn die schuldig zijn bevonden aan een strafbaar feit, maar ook derden wier voorwerpen zijn getroffen door een confiscatie‑ of bevriezingsbevel. ( 25 )

34.

Deze ruime uitlegging, die is gebaseerd op de doeltreffende rechterlijke bescherming van eenieder wiens rechten in aanzienlijke mate worden aangetast door de toepassing van een bevriezings‑ of confiscatiemaatregel, is volkomen verenigbaar met een werkingssfeer rationae materiae van richtlijn 2014/42 die zich uitstrekt tot de in het hoofdgeding centraal staande strafprocedure tot confiscatie van voorwerpen. De hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof kan, en moet zelfs naar mijn mening, ten goede komen aan de (rechts)personen waartegen die procedure is ingeleid, aangezien elke andere uitkomst op zijn minst tot paradoxale en onwenselijke situaties zou leiden.

35.

In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat tegoeden op Letse bankrekeningen en onroerende zaken van natuurlijke en rechtspersonen die verdacht worden van het strafbare feit van witwassen, in beslag zijn genomen in het kader van de om die reden tegen hen ingeleide strafprocedure, voordat de procedure tot confiscatie van de voorwerpen is ingeleid. Aangezien de betrokken personen niet langer over de in beslag genomen gelden en gebouwen kunnen beschikken, omdat deze onder toezicht van de staat zijn gesteld, moeten de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde inbeslagnemingen worden aangemerkt als maatregelen tot „bevriezing” in de zin van artikel 2, punt 5, van richtlijn 2014/42. Bovendien konden de aan deze personen toebehorende voorwerpen ten tijde van de bevriezing naderhand ook nog worden geconfisqueerd op basis van het Letse recht, zodat de situatie van deze personen binnen de werkingssfeer van artikel 7 van deze richtlijn valt. Tegen deze personen is derhalve een in deze richtlijn bedoelde maatregel gericht in de zin van artikel 8, lid 1, volgens welke bepaling de lidstaten ervoor moeten zorgen dat deze personen recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces, om hun rechten te kunnen handhaven. ( 26 )

36.

Een uitlegging van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 waarbij de in het hoofdgeding centraal staande confiscatieprocedure van de werkingssfeer ervan wordt uitgesloten, zou leiden tot een situatie van distributieve toepassing van de door die richtlijn geboden rechtsbescherming, in die zin dat de personen tegen wie een bevriezingsmaatregel is gericht die bescherming eerst zouden genieten, maar vervolgens zouden verliezen wanneer die confiscatieprocedure wordt ingeleid. Dit zou des te onlogischer zijn omdat bevriezings‑ en confiscatiemaatregelen onderling nauw verbonden zijn, zoals in overweging 27 van richtlijn 2014/42 wordt onderstreept; zij vormen immers onderdelen van één en dezelfde regeling die tot doel heeft de opbrengsten van misdrijven te neutraliseren.

37.

Vermeldenswaard is ook dat, gelet op de bijzonder ruime formulering in artikel 626 van het wetboek van strafvordering van het toepassingsgebied van de procedure tot confiscatie van voorwerpen ( 27 ), deze procedure niet alleen gericht is tegen de vermoedelijke pleger van het strafbaar feit die in een afzonderlijke procedure wordt vervolgd, maar ook gericht kan zijn tegen een onder de categorie derden in de zin van richtlijn 2014/42 vallende persoon wiens vermogensbestanddelen onder de voorwaarden van artikel 6 van richtlijn 2014/42 kunnen worden geconfisqueerd ( 28 ); beiden kunnen het voorwerp zijn van dezelfde procedure. Ook hier weer zou een restrictieve uitlegging van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 tot een schrijnende tweedeling leiden: in het kader van één en dezelfde procedure zouden namelijk derden, in hun hoedanigheid van personen tegen wie de in deze richtlijn bedoelde confiscatiemaatregel is gericht in de zin van artikel 8, lid 1, van die richtlijn, effectieve rechterlijke bescherming moeten genieten, terwijl de vermoedelijke plegers van de inbreuk die bescherming zouden ontberen, zulks niettegenstaande het feit dat richtlijn 2014/42 beide categorieën personen op één lijn stelt waar het gaat om de aantasting van hun rechten als gevolg van de toepassing van deze maatregel.

38.

In de tweede plaats acht ik het van belang om artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 te bezien tegen de achtergrond van een ruimere regelgevingscontext, waaronder het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie. Teneinde de internationale samenwerking op het gebied van confiscatie te vergemakkelijken, worden de verdragsstaten in artikel 54, lid 1, onder c), van dat verdrag aangespoord om de nodige maatregelen te nemen zodat de opbrengsten van corruptie kunnen worden geconfisqueerd zonder strafrechtelijke veroordeling in zaken waarin de dader niet vervolgd kan worden vanwege zijn overlijden, vlucht of afwezigheid, of „in andere van toepassing zijnde gevallen”. ( 29 ) Ik wijs erop dat artikel 1, onder d), van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme bepaalt dat onder de term „confiscatie” wordt verstaan een straf of maatregel opgelegd door een rechter na een procedure „in verband met één of meer strafbare feiten, welke straf of maatregel leidt tot het blijvend ontnemen van de beschikkingsmacht over voorwerpen”. Overeenkomstig artikel 23, lid 5, van dit verdrag werken de verdragspartijen ook samen bij de tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen die niet op een strafrechtelijke veroordeling zijn gebaseerd, voor zover die besluiten onder meer „in verband met een strafbaar feit” zijn bevolen.

39.

Daarnaast moet ook nog verordening 2018/1805 worden genoemd, waarvan artikel 2, lid 2 – dat een omschrijving van het „confiscatiebevel” geeft ( 30 ) – moet worden gelezen in het licht van overweging 13 ervan, waar kan worden gelezen dat deze verordening van toepassing dient te zijn op alle soorten bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen die zijn uitgevaardigd in verband met een strafbaar feit, met uitzondering dus van bevriezings‑ en confiscatiebevelen die zijn uitgevaardigd in civielrechtelijke of administratieve procedures. Deze verordening is derhalve van toepassing op confiscaties die al dan niet op een strafrechtelijke veroordeling zijn gebaseerd, mits de confiscatiebevelen zijn uitgevaardigd in het kader van een strafprocedure. ( 31 ) Ten slotte herinner ik eraan dat op 24 april 2024 richtlijn 2024/1260 is vastgesteld, die richtlijn 2014/42 vervangt en waarin met name de tekortkomingen van deze richtlijn worden onderstreept op het vlak van de capaciteit van de lidstaten om onder meer illegale vermogensbestanddelen te bevriezen en te confisqueren. Vermeldenswaard is dat dit nieuwe rechtsinstrument voorziet in twee typen confiscatiebevelen zonder veroordeling: het ene type correspondeert met een lijst van welomschreven situaties ( 32 ), terwijl het andere type bevelen geldt in gevallen waarin confiscatie niet mogelijk is op grond van andere bepalingen van de richtlijn en waarin de nationale rechter ervan overtuigd is dat de bevroren voorwerpen verkregen zijn uit strafbare feiten gepleegd in het kader van een criminele organisatie, gelet op alle relevante omstandigheden van de zaak, zoals het feit dat de waarde van de voorwerpen duidelijk niet in verhouding staat tot het legale inkomen van de eigenaar ervan. ( 33 )

3) Teleologische uitlegging

40.

Gelet op de doelstellingen en de formulering van de bepalingen van richtlijn 2014/42 alsook op de context waarin deze richtlijn is vastgesteld, moet worden geoordeeld dat deze richtlijn – net als kaderbesluit 2005/212, waarvan zij de bepalingen blijkens haar overweging 9 beoogt uit te breiden – een handeling is die ertoe strekt de lidstaten te verplichten gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen voor de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten die verband houden met strafbare feiten, teneinde met name de wederzijdse erkenning van in strafprocedures vastgestelde rechterlijke beslissingen tot confiscatie te vergemakkelijken. ( 34 ) Zoals reeds uiteengezet, heeft verordening 2018/1805 betrekking op alle confiscatiebevelen die al dan niet op een strafrechtelijke veroordeling zijn gebaseerd, mits zij zijn uitgevaardigd in het kader van een strafprocedure ( 35 ), hetgeen naar mijn mening het geval is bij bevelen die na afloop van de in geding zijnde nationale procedure worden uitgevaardigd. Bijgevolg vallen deze bevelen onder het toepassingsgebied van deze verordening, zelfs al zou moeten worden aangenomen dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 in casu niet van toepassing is. ( 36 )

41.

Los hiervan moet bij de teleologische uitlegging van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 rekening worden gehouden met een andere doelstelling, zoals vermeld in overweging 41, waar duidelijk wordt aangegeven dat het de doelstelling van deze richtlijn is om de confiscatie van voorwerpen in strafzaken te „vergemakkelijken”. Deze maatregel wordt, samen met bevriezing, terecht voorgesteld als een van de meest doeltreffende methoden in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, aangezien de financiële prikkels voor criminaliteit daardoor wegvallen. ( 37 ) Dit uiterst legitieme streven naar doeltreffendheid pleit mijns inziens voor een dynamische uitlegging van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42, in die zin dat een strafrechtelijke confiscatieprocedure zoals die in de hoofdgedingen is uitgevoerd, binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt, aangezien het vaste rechtspraak van het Hof is dat wanneer een Unierechtelijke bepaling voor verschillende uitleggingen vatbaar is, de voorkeur moet worden gegeven aan de uitlegging die de nuttige werking van die bepaling kan verzekeren ( 38 ).

42.

Zoals de Commissie in wezen in een van haar werkdocumenten onderstreept ( 39 ), hebben rechtshandhavingsinstanties in het kader van de georganiseerde criminaliteit veelal te maken met ingewikkelde geldstromen die bedoeld zijn om de illegale herkomst van de vermogensbestanddelen te verhullen en met constructies (lege vennootschappen, stromannen, enzovoorts) waardoor de inbreukpleger in de luwte blijft. Zelfs als er illegale financiële middelen worden ontdekt, kan het onoverkomelijke problemen opleveren om deze te koppelen aan een strafbare handeling en een dader. De confiscatieprocedure zonder veroordeling biedt een adequate reactie op dit fenomeen.

43.

Deze procedure biedt de mogelijkheid om de vermogenskwestie met voortvarendheid op te lossen, hetgeen ook strookt met een van de doelstellingen van richtlijn 2014/42, waarvan artikel 8, lid 3, bepaalt dat de beslissing tot bevriezing van voorwerpen slechts zo lang van kracht blijft als nodig is om de voorwerpen met het oog op een eventuele latere confiscatie veilig te stellen. Dit streven naar een snelle afhandeling is ingegeven door het feit dat de rechten van de betrokken persoon worden aangetast ( 40 ) en door de objectieve moeilijkheid voor de lidstaten om de bevroren voorwerpen te beheren met het oog op het behoud van hun economische waarde. Het moge duidelijk zijn dat het bewaren en veiligstellen van voorwerpen als villa’s, jachten, vliegtuigen of kunstwerken aanzienlijke kosten met zich meebrengt en dat het te gelde maken ervan ( 41 ), door ze aan derden te verkopen, juridisch gezien geen eenvoudige en risicoloze oplossing is. Een regeling tot confiscatie van voorwerpen die losstaat van het bepalen van de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid, lijkt volkomen geschikt om voormelde doelstelling te verwezenlijken.

44.

Bovendien beoogt richtlijn 2014/42, zoals ik reeds heb uiteengezet, de rechten te beschermen van personen waartegen maatregelen tot bevriezing en confiscatie worden gericht, hetgeen van bijzonder belang is in gevallen waarin een procedure tot confiscatie van voorwerpen wordt gevoerd zonder dat er een beoordeling van die aansprakelijkheid plaatsvindt. Om deze procedures op eenvormige wijze te doen verlopen, acht ik het wenselijk dat zij onder artikel 8 van richtlijn 2014/42 kunnen vallen, welk artikel aan de personen tegen wie de bevriezings‑ en confiscatiemaatregelen zijn gericht het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces garandeert, zodat zij hun rechten kunnen (doen) handhaven. ( 42 )

45.

Teneinde de algehele samenhang van het rechtsstelsel van de Unie op het fundamentele gebied van de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en de onderlinge afstemming tussen dit rechtsstelsel en de desbetreffende internationale rechtsinstrumenten te waarborgen, moet volgens mij worden geconcludeerd dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 van toepassing is op een strafrechtelijke confiscatieprocedure die betrekking heeft op illegaal verkregen voorwerpen die in beslag zijn genomen tijdens een onderzoek dat is ingesteld in verband met een strafbaar feit en die gebaseerd is op de onmogelijkheid om de vermoedelijke plegers van dat strafbare feit binnen een redelijke termijn voor de rechter te brengen en, in voorkomend geval, strafrechtelijk te veroordelen in het kader van een afzonderlijke, parallel daaraan gevoerde procedure.

46.

Voor zover artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 echter in die zin zou moeten worden uitgelegd dat de in de betrokken nationale regeling bedoelde confiscatie niet aan de in artikel 1, lid 1, van deze richtlijn vastgestelde minimumvoorschriften hoeft te voldoen, zou deze regeling onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen om in hun nationale recht in meer uitgebreide bevoegdheden te voorzien, zoals bedoeld in overweging 22 van deze richtlijn. ( 43 ) Een dergelijke conclusie zou evenwel niet het debat kunnen beslechten over de vraag of het Hof bevoegd is de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing te beantwoorden. Gelet op de taak van de advocaat-generaal om het Hof bij te staan, acht ik het noodzakelijk om dit vraagstuk op andere wijze te benaderen.

2.   Omzetting van richtlijn 2014/42 door de in geding zijnde nationale regeling

47.

In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het Hof zich herhaaldelijk bevoegd heeft verklaard om uitspraak te doen op verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende bepalingen van Unierecht in situaties waarin de feiten in het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het Unierecht vielen en dus tot de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten behoorden, maar waarin die bepalingen toepasselijk waren gemaakt door het nationale recht doordat dit recht rechtstreeks en onvoorwaardelijk naar de inhoud ervan verwees. Daarnaast is het vaste rechtspraak van het Hof dat het voor de rechtsorde van de Unie stellig van belang is dat, ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst, de overgenomen bepalingen van Unierecht op eenvormige wijze worden uitgelegd. ( 44 )

48.

In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de Letse regelgeving sedert 2005 een niet op een veroordeling gebaseerde procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen kent. In haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting heeft de Letse regering aangegeven dat richtlijn 2014/42 onder andere is omgezet door wetsbepalingen houdende wijziging van het wetboek van strafrecht en het wetboek van strafvordering. De memorie van toelichting bij het door het ministerie van Justitie van de Republiek Letland opgestelde wetsontwerp houdende wijziging van de strafwetgeving ( 45 ) bevat een tabel met de verschillende artikelen van deze richtlijn en alle nationale bepalingen waarbij deze artikelen zijn omgezet, waaronder ook artikel 8 van de richtlijn, dat volledig in het wetboek van strafvordering is omgezet. Vast staat derhalve dat de geharmoniseerde bepaling die het voorwerp van verschillende prejudiciële vragen uitmaakt, toepasselijk is gemaakt op de procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen zonder veroordeling – uitgaande van de veronderstelling dat deze procedure niet binnen de materiële werkingssfeer van richtlijn 2014/42 valt ( 46 ). Het feit dat deze ondubbelzinnige verwijzing voorkomt in een document betreffende de voorbereidende werkzaamheden en niet in de eigenlijke tekst van het nationale recht ( 47 ), is hierbij niet relevant. Uit de verwijzingsbeslissing komt duidelijk naar voren dat elke uitlegging door het Hof van de bepalingen van deze richtlijn bindend zou zijn voor de verwijzende rechter bij de beslechting van de hoofdgedingen, waardoor deze verwijzing als „onvoorwaardelijk” kan worden aangemerkt. ( 48 )

49.

Dit betekent dat het Hof, na te hebben vastgesteld dat artikel 4 van richtlijn 2014/42 niet van toepassing is, zich niettemin bevoegd zou moeten verklaren om de vragen te beantwoorden die in de zaken C‑767/22, C‑161/23 en C‑49/23 zijn gesteld over de toegang tot het dossier, de bewijsregeling inzake de herkomst van de voorwerpen en de rechtsmiddelen, allemaal vraagstukken die binnen het kader van de uitlegging van artikel 8 van deze richtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 47 en 48 van het Handvest, vallen. Aangezien het doel van de in geding zijnde nationale bepalingen nauw verband houdt met dat van de Unierechtelijke bepalingen waarnaar zij verwijzen, is het stellig van belang dat situaties die zeer vergelijkbaar zijn en waarvan de ene door het nationale recht en de andere door het Unierecht wordt beheerst, op identieke wijze worden behandeld.

3.   Toepasselijkheid van de richtlijnen 2012/13 en 2016/343

50.

In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie voorgesteld om de tweede vraag in zaak C‑767/22 en in zaak C‑161/23 te onderzoeken in het licht van de richtlijnen 2012/13/EU ( 49 ) en (EU) 2016/343 ( 50 ), waarvan geen enkele bepaling is genoemd in de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat prejudiciële vragen moeten worden beantwoord met inachtneming van alle bepalingen van het Verdrag en het afgeleide recht die relevant kunnen zijn voor het aan de orde gestelde probleem. ( 51 ) In het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof heeft het Hof tot taak de nationale rechter een nuttig antwoord voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding te geven. Derhalve belet de omstandigheid dat de verwijzende rechter formeel alleen naar kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42 heeft verwezen, het Hof niet om hem alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de voor hem aanhangige zaak, ongeacht of deze rechter er in zijn vragen melding van maakt. ( 52 ) Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van dat recht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven. ( 53 )

51.

Ofschoon in dit stadium moet worden onderzocht of de richtlijnen 2012/13 en 2016/343 exclusief van toepassing zijn op de hoofdgedingen – nog steeds uitgaande van de veronderstelling dat deze gedingen niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/42 vallen – wil ik erop wijzen dat volgens overweging 40 en artikel 8, lid 7, van laatstgenoemde richtlijn bij de uitvoering van deze richtlijn rekening moet worden gehouden met de bepalingen van richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB 2010, L 280, blz. 1), richtlijn 2012/13 en richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB 2013, L 294, blz. 1) en dat, onverminderd het bepaalde in de richtlijnen 2012/13 en 2013/48, de personen wier voorwerpen zijn getroffen door een confiscatiebevel, tijdens de gehele confiscatieprocedure betreffende het bepalen van de opbrengsten en hulpmiddelen recht hebben op toegang tot een advocaat, ter verdediging van hun rechten, waarbij de betrokkenen ervan in kennis gesteld zullen worden dat zij over dit recht beschikken. Geconstateerd moet dan ook worden dat de Uniewetgever duidelijk een verband heeft gelegd tussen het verloop van procedures tot confiscatie van voorwerpen in strafzaken, ongeacht of die procedures al dan niet op een veroordeling zijn gebaseerd, en de eerbiediging van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures. Zoals ik hierboven heb uiteengezet, is de in geding zijnde procedure tot confiscatie van voorwerpen ontegenzeggelijk van strafrechtelijke aard.

52.

Richtlijn 2012/13 en richtlijn 2016/343 hebben beide tot doel om minimumvoorschriften met betrekking tot bepaalde rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures vast te stellen. Richtlijn 2012/13 heeft meer in het bijzonder betrekking op het recht van die personen om over hun rechten te worden geïnformeerd en richtlijn 2016/343 heeft, ten aanzien van diezelfde personen, betrekking op het vermoeden van onschuld en het recht om bij hun eigen proces aanwezig te zijn. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de beslissing om tot vervolging wegens illegale verkrijging van voorwerpen over te gaan overeenkomstig artikel 628 van het wetboek van strafvordering was betekend „aan de verdachte of de beklaagde en aan de persoon wiens voorwerpen hem zijn ontnomen of in beslag zijn genomen, indien de betrokken strafprocedure tegen deze personen is gericht, of aan een andere persoon die het eigendomsrecht op de betrokken voorwerpen heeft”. ( 54 )

53.

De respectieve toepassingsgebieden van de richtlijnen 2012/13 en 2016/343 worden in nagenoeg identieke bewoordingen omschreven in artikel 2 van elk van die richtlijnen. Uit die bepalingen volgt in wezen dat deze richtlijnen voor personen gelden vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen ervan in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, tot de beëindiging van de procedure. De aanvullende precisering in artikel 2 van de meest recente van deze richtlijnen, te weten richtlijn 2016/343, dat zij van toepassing is op „elk stadium van strafprocedures”, moet geacht worden ook te gelden voor richtlijn 2012/13. In casu zij eraan herinnerd dat tegen alle in de zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23 bedoelde natuurlijke en rechtspersonen een strafprocedure wegens witwassen is ingeleid en dat de tegoeden op hun Letse bankrekeningen en, voor sommigen van hen, hun onroerende zaken door de vervolgende instanties in beslag zijn genomen, welke handelingen ervan getuigen dat deze personen door een bevoegde autoriteit worden verdacht en noodzakelijkerwijs, althans impliciet, van deze verdenking in kennis zijn gesteld. ( 55 )

54.

Moeten deze personen, hoewel zij dus binnen de werkingssfeer van de richtlijnen 2012/13 en 2016/343 vallen, uiteindelijk van die werkingssfeer worden uitgesloten omdat ten aanzien van hen een procedure is ingeleid die samenhangt met, om niet te zeggen verstrengeld is met, de procedure tot vaststelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid en waarvan de mogelijke uitkomst de confiscatie van voorwerpen is? Een bevestigend antwoord op deze vraag zou in strijd kunnen zijn met de rechtspraak van het Hof en met de dynamische uitlegging door het Hof van de bepalingen waarin deze werkingssfeer wordt afgebakend, die is ingegeven door het feit dat deze richtlijnen gebaseerd zijn op de rechten die met name in de artikelen 47 en 48 van het Handvest zijn neergelegd en dat zij tot doel hebben deze rechten te beschermen ten aanzien van verdachten of beklaagden in een strafprocedure. ( 56 ) Zo heeft het Hof geoordeeld dat het begrip „strafprocedure” in de zin van deze richtlijnen zich ook uitstrekt tot procedures tot opname in een psychiatrische inrichting van een persoon die na afloop van een eerdere strafprocedure als dader van een strafbaar feit is aangemerkt, ofschoon richtlijn 2012/13 noch richtlijn 2016/343 uitdrukkelijke bepalingen bevat waarin is bepaald dat de strafprocedures waarop zij van toepassing zijn ook procedures omvatten die kunnen leiden tot een maatregel van opname in een psychiatrische inrichting. Het ontbreken van uitdrukkelijke bepalingen betekent echter niet dat een dergelijke procedure tot opname in een psychiatrische inrichting buiten de werkingssfeer van deze richtlijnen valt op grond dat zij niet tot „veroordeling” tot een straf leidt. ( 57 )

55.

Het Hof zou in casu voor een analoge toepassing van deze oplossing kunnen kiezen om de innerlijke samenhang van de rechtsorde van de Unie te waarborgen. Ik roep in dit verband in herinnering dat verordening 2018/1805 van toepassing is op beslissingen tot bevriezing of confiscatie die zijn gegeven in het kader van een „strafprocedure”, een autonoom Unierechtelijk begrip dat alle typen bevriezings‑ en confiscatiebevelen omvat die zijn uitgevaardigd na afloop van een procedure die verband houdt met een strafbaar feit, hetgeen het geval is ten aanzien van de in geding zijnde procedures. Overweging 18 van deze verordening voegt daaraan toe dat de procedurele rechten als vastgelegd in de richtlijnen 2010/64, 2012/13, 2013/48, 2016/343 en richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB 2016, L 132, blz. 1), alsook richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB 2016, L 297, blz. 1) binnen het toepassingsgebied van die richtlijnen van toepassing dienen te zijn op strafprocedures die onder deze verordening vallen, wat de door die richtlijnen gebonden lidstaten betreft. In deze overweging wordt gepreciseerd: „In ieder geval dienen de waarborgen van het Handvest te gelden voor alle procedures die onder deze verordening vallen. Met name dienen de in het Handvest neergelegde essentiële waarborgen voor strafprocedures van toepassing te zijn op procedures in strafzaken die geen strafprocedure zijn maar die onder deze verordening vallen.” Wat richtlijn 2024/1260 betreft, wordt in overweging 51 aangegeven dat deze richtlijn moet worden uitgevoerd onverminderd alle hierboven vermelde richtlijnen betreffende procedurele rechten. De erkenning van de toepasselijkheid van deze rechtsinstrumenten en meer in het bijzonder van de richtlijnen 2012/13 en 2016/343 op de Letse confiscatieprocedure zonder veroordeling impliceert dat het Hof bevoegd is de bepalingen daarvan, althans voor zover zij relevant zijn, uit te leggen in het licht van het Handvest.

B. Ten gronde

1.   Inleidende opmerkingen

56.

De hiernavolgende uiteenzetting met betrekking tot de beoordeling van de strekking van de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen berust op de premisse dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/42 valt, zodat ook het Handvest daarop van toepassing is. In casu verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging van artikel 8, leden 1 en 6, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 47 en 48 van het Handvest, omdat hij twijfel koestert omtrent de verenigbaarheid van deze regeling betreffende de procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen, met name voor wat betreft de regels inzake de toegang tot het dossier, de bewijsregeling inzake de herkomst van de voorwerpen en de beroepsmogelijkheden tegen het confiscatiebevel.

57.

Naar mijn mening moet eerst het rechtskarakter van de maatregel tot confiscatie van de voorwerpen worden beoordeeld. Zoals reeds uiteengezet, vormt de bijzondere confiscatie van voorwerpen, dat wil zeggen de gedwongen vervreemding ten gunste van de staat, zonder schadeloosstelling, van illegaal verkregen voorwerpen, de opbrengsten uit een strafbaar feit of voorwerpen die in verband met een strafbaar feit zijn verkregen, geen straf volgens artikel 70.10 van het wetboek van strafrecht. Het aan het Hof overgelegde dossier biedt geen inhoudelijke aanknopingspunten om de naar Lets recht geldende kwalificatie van veiligheidsmaatregel te kunnen verwerpen of te aanvaarden. Wat hiervan ook zij, de toepassing van de relevante bepalingen van het Handvest, met name artikel 48, is niet beperkt tot procedures en sancties die naar nationaal recht als „strafrechtelijk” worden gekwalificeerd, maar strekt zich – los van een dergelijke kwalificatie in het nationale recht – uit tot procedures en sancties die op basis van de aard van de inbreuk en de zwaarte van de sanctie die de betrokkene kan oplopen als strafrechtelijk moeten worden beschouwd. Wat het criterium betreffende de aard zelve van de inbreuk aangaat, moet worden nagegaan of met de betrokken maatregel met name een repressieve doelstelling wordt nagestreefd, zonder dat de enkele omstandigheid dat daarmee tevens een preventief doel wordt nagestreefd ertoe leidt dat deze maatregel niet als een strafrechtelijke sanctie kan worden gekwalificeerd. ( 58 )

58.

Hoewel het uiteindelijk aan de verwijzende rechter staat om te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde confiscatiemaatregelen als „sancties van strafrechtelijke aard” kunnen worden aangemerkt, kan worden opgemerkt dat deze maatregelen worden genomen tegen bezittingen en niet tegen personen, en dat zij erop gericht zijn „vuil geld” of illegaal verkregen onroerende en roerende zaken uit de officiële economische en financiële circuits te verwijderen, met als doel het voorkomen van criminele activiteiten door de toegang tot de daartoe benodigde middelen te belemmeren en de soliditeit en integriteit van het economische en financiële stelsel te waarborgen. Deze aspecten volstaan echter niet om die kwalificatie duidelijk te kunnen verwerpen.

59.

Ik herinner eraan dat de confiscatiemaatregelen zijn gelast naar aanleiding van een vervolging wegens „illegale verkrijging van voorwerpen” die krachtens artikel 627, lid 1, van het wetboek van strafvordering bij een strafrechter was ingesteld tegen rechtspersonen en natuurlijke personen waartegen tegelijkertijd afzonderlijke procedures waren ingeleid om hun strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het delict witwassen vast te stellen. Procedures die verband houden met de vaststelling van de betrokken maatregel vormen onbetwistbaar een voor de kwalificatie van die maatregel relevant element. ( 59 ) Bovendien verwijzen de bewoordingen zelve van voornoemde bepaling ondubbelzinnig naar individueel gedrag dat moet worden bestraft, hetgeen naast het preventieve doel ook het bestraffende karakter van de confiscatiemaatregel jegens de personen die in het bezit van de voorwerpen zijn weerspiegelt. De confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen, die wordt gekenmerkt door een overdracht van deze voorwerpen aan de staatskas, lijkt daarentegen niet specifiek een oogmerk van herstel te hebben, hetgeen kenmerkend is voor een maatregel van civielrechtelijke aard. Hoe dan ook zijn de doelstellingen van preventie en herstel te verenigen met een repressieve doelstelling en kunnen zij ook als bestanddelen van het begrip straf zelf worden beschouwd. Tot slot moet worden geconstateerd dat de Letse regeling in bepaalde omstandigheden een vermoeden van de illegale herkomst van de voorwerpen schept en dat aan de strafrechter een ruime bevoegdheid wordt toegekend om deze voorwerpen te confisqueren op basis van een bepaalde mate van overtuiging die een simpele afweging van waarschijnlijkheden weerspiegelt. ( 60 ) Wat de zwaarte van de sanctie van confiscatie aangaat, ben ik van mening dat deze steun biedt voor de conclusie dat deze maatregel van strafrechtelijke aard is, aangezien de betrokken voorwerpen volledig en definitief ten gunste van de staat en zonder schadeloosstelling worden ontnomen. ( 61 ) De confiscatiemaatregel moet derhalve als een sanctie van strafrechtelijke aard worden beschouwd.

60.

In de tweede plaats moet worden onderstreept dat richtlijn 2014/42 volgens overweging 33 in aanzienlijke mate de rechten van personen raakt, niet alleen die van de verdachte of beklaagde maar ook van derden die zelf niet worden vervolgd, en dat daarom moet worden voorzien in specifieke waarborgen en rechtsmiddelen, die garanderen dat de grondrechten van die personen bij de uitvoering van deze richtlijn worden geëerbiedigd. Overweging 38 preciseert dat deze richtlijn de grondrechten eerbiedigt en de beginselen in acht neemt die zijn erkend in het Handvest en in het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zoals uitgelegd in de rechtspraak van het EHRM, en dat deze richtlijn overeenkomstig die rechten en beginselen moet worden toegepast.

61.

Wat betreft de grondrechten die in de onderhavige zaken van belang zijn, moet rekening worden gehouden met artikel 17, lid 1, van het Handvest, dat onder meer bepaalt dat eenieder het recht heeft de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken en erover te beschikken. Verder volgt uit artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42 dat de Uniewetgever met de maatregelen bedoeld in onder meer artikel 2, lid 4, van deze richtlijn een beschermde procedurele status aan de betrokken personen, zoals de partijen in de hoofdgedingen, heeft willen toekennen, aangezien eerstgenoemde bepaling elke lidstaat de algemene verplichting oplegt om de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze personen recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces, om hun rechten te kunnen handhaven. Naast artikel 47 van het Handvest lijkt dus ook artikel 48, leden 1 en 2, van het Handvest, waarin het vermoeden van onschuld en het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging zijn neergelegd, van belang om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven.

62.

Afgezien van de hierboven genoemde algemene verplichting bevat artikel 8 van richtlijn 2014/42 specifieke bepalingen die ervoor moeten zorgen dat de uitvaardiging van een confiscatiebevel wordt omgeven met waarborgen die eigen zijn aan het geven van een rechterlijke beslissing, in het bijzonder de waarborgen op het gebied van de eerbiediging van de grondrechten van de betrokken persoon, waaronder met name het recht op een effectieve rechterlijke bescherming. Zo moet volgens artikel 8, leden 6 en 7, van deze richtlijn elk confiscatiebevel met redenen worden omkleed en worden meegedeeld aan de betrokkene, die ervan in kennis wordt gesteld dat hij gedurende de gehele confiscatieprocedure betreffende het bepalen van de opbrengsten en hulpmiddelen recht op toegang tot een advocaat heeft en die het recht heeft om dit bevel voor een rechter te betwisten. Dit laat onverlet dat deze richtlijn niet regelt welke bewijsregeling van toepassing is op de herkomst van het voorwerp waarop de procedure tot confiscatie zonder veroordeling betrekking heeft en dat zij evenmin regels geeft voor de toegang tot het dossier van personen die een band met dit voorwerp hebben, zodat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken om de specifieke procedures vast te stellen die in dit kader van toepassing zijn.

63.

Hoewel artikel 8 van richtlijn 2014/42 de lidstaten een beoordelingsmarge laat bij de vaststelling van de voor de toepassing van deze bepaling nodige maatregelen, neemt dit niet weg dat, zoals blijkt uit artikel 51, lid 1, van het Handvest en overweging 38 van deze richtlijn, het door de lidstaten geboden beschermingsniveau nooit lager mag zijn dan de normen van het Handvest en het EVRM. ( 62 ) De procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen zonder veroordeling moet op zodanige wijze worden ingericht dat de personen die een band met die voorwerpen hebben hun grondrechten tijdens die procedure geldend hebben kunnen maken, hetgeen des te belangrijker is in een stelsel waarin, zoals in casu, de beslissing van de bevoegde rechter na afloop van die procedure, in voorkomend geval tot confiscatie van de voorwerpen, de eigendomskwestie definitief regelt.

64.

In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest, waarin het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en een onpartijdig gerecht is neergelegd, blijkens de toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17) correspondeert met het recht op een eerlijk proces zoals dat met name voortvloeit uit artikel 6, lid 1, EVRM, terwijl artikel 48, leden 1 en 2, van het Handvest betreffende het vermoeden van onschuld en de eerbiediging van de rechten van de verdediging correspondeert met artikel 6, leden 2 en 3, EVRM. Bijgevolg dient overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest bij de uitlegging van de artikelen 47 en 48 ervan rekening te worden gehouden met artikel 6 EVRM als minimumbeschermingsniveau. ( 63 ) Bovendien moet elke beperking die aan de uitoefening van deze rechten en van het eigendomsrecht wordt gesteld ( 64 ) doordat een maatregel overeenkomstig richtlijn 2014/42 wordt gelast, de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest in acht nemen, hetgeen onder meer veronderstelt dat de betrokken beperking daadwerkelijk moet beantwoorden aan door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang en, gelet op het nagestreefde doel, geen onevenredige en onduldbare ingreep mag opleveren waardoor de aldus gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast ( 65 ).

2.   Toegang tot het dossier

65.

In het kader van zijn tweede vraag in zaak C‑767/22 uit de verwijzende rechter twijfel omtrent de verenigbaarheid van een nationale regeling op grond waarvan het recht op inzage in het dossier van de persoon die een band met de aan de confiscatieprocedure onderworpen voorwerpen heeft, kan worden beperkt indien openbaarmaking van het dossier ertoe zou kunnen leiden dat de grondrechten van derden, het algemeen belang of de mogelijkheid om het doel van de strafprocedure te verwezenlijken, in het gedrang komen.

66.

Ik roep in herinnering dat de in geding zijnde nationale procedure tot confiscatie van voorwerpen niet kan worden ingeleid zonder dat er een strafrechtelijke vervolging is ingesteld om de schuld van de vermoedelijke pleger van de inbreuk vast te stellen. Er moet dus altijd een procedure met betrekking tot de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid zijn ingeleid en deze procedure zal doorgaans worden voortgezet – zoals ook het geval is in de gedingen die tot het adiëren van de verwijzende rechter hebben geleid – nadat de procedure met betrekking tot de voorwerpen is afgerond, met inbegrip van de situatie dat die voorwerpen zijn geconfisqueerd.

67.

Volgens artikel 627, lid 4, van het wetboek van strafvordering vallen de stukken van het dossier op het gebied van illegaal verkregen voorwerpen onder het geheim van het onderzoek en kunnen zij worden ingezien door de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit, de openbaar aanklager en de rechter die kennisneemt van de zaak. De personen die een band met de betrokken voorwerpen hebben, kunnen toegang tot deze stukken krijgen na toestemming van de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit en in de door die autoriteit bepaalde mate. Volgens lid 5 van deze bepaling kan tegen de beslissing van laatstgenoemde autoriteit tot afwijzing van het verzoek om toegang tot de stukken van het dossier beroep worden ingesteld, waarbij de bevoegde rechter het strafdossier kan opvragen en inzien teneinde te beslissen of de toegang tot de stukken van het dossier de grondrechten van andere personen of het algemeen belang in gevaar brengt of de verwezenlijking van het doel van de strafprocedure belemmert.

68.

In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van zaken met betrekking tot bestuursrechtelijke procedures heeft geoordeeld dat het beginsel van processuele gelijkheid, dat een integrerend deel uitmaakt van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan het Unierecht, inhoudt – doordat het, zoals het beginsel van hoor en wederhoor, een logisch uitvloeisel is van het begrip eerlijk proces – dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om haar zaak, daaronder begrepen haar bewijzen, onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij tegenover de tegenpartij niet wezenlijk wordt benadeeld. Dit beginsel strekt ertoe te zorgen voor een procedureel evenwicht tussen de partijen in een gerechtelijke procedure door te waarborgen dat zij dezelfde rechten en verplichtingen hebben ten aanzien van met name de regels inzake de bewijsvoering en het contradictoire karakter van het debat voor de rechter, alsook ten aanzien van de voor hen openstaande rechtsmiddelen. Om aan de vereisten van het recht op een eerlijk proces te voldoen, is het van belang dat de partijen kennis hebben van, en op tegenspraak hun standpunt kenbaar kunnen maken over, zowel de feitelijke als de juridische aspecten die beslissend zijn voor de uitkomst van de procedure. ( 66 ) Het Hof heeft overwogen dat het bestaan van schending van de rechten van de verdediging, daaronder begrepen het recht op toegang tot het dossier, moet worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval, met name de aard van de betrokken handeling, de context van de vaststelling ervan en de rechtsregels die de betrokken materie beheersen. ( 67 )

69.

Het beginsel van processuele gelijkheid is door het Hof eveneens in aanmerking genomen in het kader van de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2012/13, waarmee bij de uitvoering van richtlijn 2014/42 rekening moet worden gehouden, aldus overweging 40 van laatstgenoemde richtlijn. Zo heeft het Hof verklaard dat de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn juist tot doel hebben te waarborgen dat de rechten van de verdediging daadwerkelijk worden uitgeoefend en de procedure eerlijk verloopt. Die doelstelling vereist dat de beklaagde gedetailleerde informatie over de beschuldiging ontvangt en de mogelijkheid heeft om tijdig kennis te nemen van de stukken, op een tijdstip dat hem in staat stelt zijn verdediging doeltreffend voor te bereiden. Het is door die kennisgeving en die toegang dat de beklaagde – of zijn advocaat – nauwkeurig wordt ingelicht over de tegen hem in aanmerking genomen feiten, de juridische kwalificatie van die feiten alsook over de bewijzen die aan die feiten ten grondslag liggen. Dat een persoon uiterlijk bij de aanvang van de debatten kennis kan nemen van die informatie en die bewijzen, is essentieel om die persoon – of zijn advocaat – in staat te stellen zinvol deel te nemen aan die debatten en wel aldus dat het beginsel van hoor en wederhoor en het beginsel van processuele gelijkheid worden nageleefd, zodat de beklaagde zijn standpunt daadwerkelijk kenbaar kan maken. ( 68 )

70.

Onderstreept dient echter te worden dat artikel 7, lid 4, van richtlijn 2012/13 voorziet in een uitzondering op de toegang van verdachten, beklaagden of hun advocaten tot belastende of ontlastende bewijsstukken, mits het eerlijke verloop van de procedure en de rechten van de verdediging, zoals omschreven in de leden 2 en 3 van die bepaling, worden geëerbiedigd. Zo kan de toegang tot bepaalde stukken worden geweigerd, voor zover het recht op een eerlijk proces daardoor niet wordt aangetast, indien door die toegang het leven of de grondrechten van een andere persoon ernstig in het gedrang zouden kunnen komen of indien die weigering strikt noodzakelijk is ter bescherming van een zwaarwegend algemeen belang, zoals wanneer door de toegang een lopend onderzoek zou kunnen worden geschaad of de nationale veiligheid van de lidstaat waar de strafprocedure wordt gevoerd ernstig zou kunnen worden bedreigd. De lidstaten zien er bovendien op toe dat, overeenkomstig de procedures in hun nationale recht, het besluit om overeenkomstig dit lid de toegang tot bepaalde stukken te weigeren, wordt genomen door een gerechtelijke autoriteit of ten minste onderworpen is aan toetsing door een gerechtelijke autoriteit.

71.

Ik merk in dit verband op dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 2014/42 hetzelfde streven tot uiting brengt om een algemeen belang in verband met het goede verloop van een lopend onderzoek te beschermen. De bevriezingsbeslissing moet zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging ervan, met opgave van redenen, aan de betrokkene worden meegedeeld, maar deze redenen mogen beknopt zijn en de kennisgeving mag worden uitgesteld om te voorkomen dat het strafrechtelijk onderzoek wordt geschaad. ( 69 )

72.

In casu moet met betrekking tot de confiscatiemaatregel in de eerste plaats worden opgemerkt dat aan de personen die een band met de voorwerpen hebben onverwijld een afschrift van de beslissing om een vervolging wegens illegale verwerving van voorwerpen in te leiden wordt toegezonden en dat deze beslissing informatie moet bevatten over de feiten waaruit het verband tussen de voorwerpen en het strafbare feit of de illegale herkomst van de voorwerpen blijkt, en informatie over de stukken die uit het dossier van een lopende strafzaak zijn gelicht en die betrekking hebben op de illegale verwerving van de voorwerpen. ( 70 ) Deze personen genieten dus duidelijk een recht op informatie over de inhoud van het dossier, waardoor zij kennis kunnen nemen van de feitelijke en concrete grondslag van de strafrechtelijke vervolging met betrekking tot de in hun bezit zijnde voorwerpen.

73.

In de tweede plaats moet deze informatie worden gekoppeld aan de rechten die deze personen genieten, namelijk het recht om deel te nemen aan de procedure betreffende de illegaal verkregen voorwerpen ( 71 ), het recht om ten overstaan van de rechter mondeling of schriftelijk hun standpunt met betrekking tot de genomen beslissing kenbaar te maken ( 72 ) en het recht om verzoeken bij de rechter in te dienen. De belanghebbenden beschikken dus over de middelen om de inhoud, de volledigheid en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie te betwisten en om de rechter kennis te laten nemen van de stukken van het dossier betreffende illegaal verkregen voorwerpen die onder het geheim van het onderzoek vallen.

74.

In de derde plaats is de beoordeling door de vervolgende instanties voor wat betreft de toegang tot het dossier onderworpen aan rechterlijke toetsing krachtens artikel 627, lid 5, van het wetboek van strafvordering, in de versie zoals die volgens de verwijzingsbeslissingen van toepassing is op de hoofdgedingen. De Letse regering heeft gepreciseerd dat in het kader van de toepassing van artikel 627, leden 4 en 5, van het wetboek van strafvordering de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit en de bevoegde rechter de belangen van de partijen moeten afwegen tegen het belang van de strafprocedure en de openbare veiligheid wanneer zij beslissen of iemand het recht heeft om het dossier in te zien.

75.

In die omstandigheden kan volgens mij worden geoordeeld dat artikel 8 van richtlijn 2014/42, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 4, van richtlijn 2012/13, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die aan de autoriteiten die een vervolging wegens illegale verkrijging van voorwerpen hebben ingesteld, geen algemene verplichting oplegt om de personen tegen wie de beoogde confiscatiemaatregel is gericht volledige toegang tot het procesdossier te verlenen, maar deze toegang afhankelijk stelt van een verzoek van die personen en van een beoordeling door die autoriteiten. Aan deze personen moeten op hun verzoek de gegevens en de stukken in het dossier van de confiscatieprocedure kunnen worden verstrekt die door de overheidsinstanties in aanmerking worden genomen met het oog op de eventuele uitvaardiging, door de bevoegde rechter, van het confiscatiebevel, tenzij doelstellingen in verband met onder meer de bescherming van het leven of de grondrechten van een derde of met het waarborgen van het goede verloop van een lopend strafrechtelijk onderzoek rechtvaardigen dat de toegang tot deze gegevens en stukken wordt beperkt.

76.

In het kader van de rechterlijke toetsing van een algehele of gedeeltelijke weigering van toegang dient de rechter het juiste evenwicht te verzekeren tussen enerzijds de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces en anderzijds de noodzaak om de grondrechten van de in het bewijsmateriaal vermelde personen te beschermen en de doeltreffendheid van lopende strafrechtelijke onderzoeken en de bestraffing van inbreuken te waarborgen. Gelet op het belang van de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest verankerde rechten mag deze afweging er echter niet toe leiden dat bij de uitvaardiging van een confiscatiebevel de rechterlijke bescherming van de betrokkene van elk nuttig effect wordt beroofd en het in artikel 8, lid 6, van richtlijn 2014/42 verankerde beroepsrecht wordt uitgehold, met name door de betrokkene, of eventueel zijn raadsman, niet op zijn minst in kennis te stellen van de essentiële gegevens van het dossier, waaronder die van de lopende strafzaak, die erop wijzen dat er een verband bestaat tussen de in het bezit van deze persoon zijnde voorwerpen en het in geding zijnde strafbare feit. ( 73 )

77.

Deze benadering strookt naar mijn mening met het minimumbeschermingsniveau dat in de rechtspraak van het EHRM wordt gehanteerd. Deze rechterlijke instantie is van oordeel dat elk strafproces, met inbegrip van de procedurele aspecten daarvan, van contradictoire aard dient te zijn en de processuele gelijkheid tussen de openbaar aanklager en de verdediging dient te waarborgen. Het recht op een op tegenspraak gevoerd strafproces impliceert dat zowel de openbaar aanklager als de verdediging het recht heeft om kennis te nemen van de opmerkingen of het bewijsmateriaal van de andere partij. Het recht op openbaarmaking van de relevante bewijsstukken is volgens het EHRM echter geen absoluut recht. In sommige strafprocedures kan het noodzakelijk zijn om bepaalde bewijsstukken aan de verdediging te onthouden teneinde de grondrechten van een ander individu of een zwaarwegend algemeen belang te beschermen, en van de verdachte mag worden verwacht dat hij zijn verzoek om toegang specifiek motiveert. Niettemin worden maatregelen die de rechten van de verdediging beperken in het licht van artikel 6, lid 1, EVRM uitsluitend legitiem geacht indien zij absoluut noodzakelijk zijn. ( 74 ) Wanneer het gaat om de bescherming van een zwaarwegend algemeen belang, erkent het EHRM de noodzaak van een doeltreffende uitvoering van strafrechtelijke onderzoeken, hetgeen kan impliceren dat een deel van de gegevens die in de loop van dergelijke onderzoeken zijn verzameld, geheim wordt gehouden om te voorkomen dat verdachten met bewijsmateriaal knoeien en de rechtsgang belemmeren. ( 75 )

3.   Bewijsregeling inzake de herkomst van voorwerpen

78.

In het kader van zijn tweede vraag in zaak C‑161/23 betwijfelt de verwijzende rechter of een nationale regeling ( 76 ) die uitgaat van een feitelijk vermoeden van de illegale herkomst van de voorwerpen en die de bewijslast van de rechtmatigheid van de herkomst legt bij degene die een band met die voorwerpen heeft, verenigbaar is met artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42 junctis de artikelen 47 en 48 van het Handvest, in welk laatste artikel het beginsel van het vermoeden van onschuld is verankerd.

79.

Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat de in het hoofdgeding centraal staande regeling inderdaad uitgaat van een vermoeden van de illegale herkomst van de betrokken voorwerpen wanneer de persoon die deze voorwerpen in zijn bezit heeft, gelet op de door de vervolgende instantie overgelegde bewijsstukken waaruit blijkt dat de betrokken voorwerpen naar alle waarschijnlijkheid van illegale herkomst zijn, er niet in slaagt de rechtmatige herkomst daarvan aan te tonen. Dit is een minder strenge bewijsstandaard dan die welke geldt wanneer de schuld van een individu moet worden bepaald („boven elke redelijke twijfel verheven”).

80.

Wat betreft het vraagstuk van het bewijs van de illegale herkomst van de voorwerpen in het licht van het beginsel van het vermoeden van onschuld, moet bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2014/42 rekening worden gehouden met richtlijn 2016/343, op dezelfde wijze als met richtlijn 2012/13. ( 77 ) Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust overeenkomstig het in artikel 3 van deze richtlijn geformuleerde beginsel van het vermoeden van onschuld, dat de lidstaten ertoe verplicht ervoor te zorgen dat „verdachten en beklaagden voor onschuldig worden gehouden totdat hun schuld in rechte is komen vast te staan”. Het Hof heeft geoordeeld dat de verwijzing naar de vaststelling van de „schuld” in dit artikel 6 aldus moet worden opgevat dat deze bepaling slechts tot doel heeft de verdeling van de bewijslast te regelen bij de vaststelling van rechterlijke beslissingen over schuld. ( 78 ) Vast staat dat een procedure als die van het hoofdgeding niet tot doel heeft om de schuld van de betrokken persoon vast te stellen maar om te beslissen over de eventuele confiscatie van voorwerpen die al dan niet van illegale herkomst zijn, zodat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 niet van toepassing lijkt te zijn op de gelaakte nationale regeling. ( 79 )

81.

Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat het in artikel 48 van het Handvest geformuleerde beginsel van een vermoeden van onschuld van toepassing is wanneer het gaat om de vaststelling van de objectieve bestanddelen van een strafbaar feit die kunnen leiden tot de oplegging van administratieve sancties van strafrechtelijke aard. Hetzelfde geldt voor het zwijgrecht, een waarborg die voortvloeit uit artikel 47, tweede alinea, en artikel 48 van het Handvest. ( 80 ) Onder voorbehoud van de uiteindelijke beoordeling door de verwijzende rechter van de strafrechtelijke aard van de maatregel tot confiscatie zonder veroordeling zou deze, overeenkomstig toegepaste, rechtspraak tot de conclusie moeten voeren dat het vermoeden van onschuld en het zwijgrecht van toepassing zijn in de bij deze rechter aanhangig gemaakte zaken.

82.

Rekening houdend met de rechtspraak van het EHRM over artikel 6, lid 2, EVRM, dat overeenkomt met artikel 48 van het Handvest, heeft het Hof geoordeeld dat het recht van eenieder die van het plegen van een strafbaar feit wordt beschuldigd om voor onschuldig te worden gehouden en om de bewijslast met betrekking tot de tegen hem ingebrachte beschuldigingen bij de openbaar aanklager te leggen, niet absoluut is, aangezien elk rechtsstelsel feitelijke of juridische vermoedens kent. Weliswaar staat artikel 48 van het Handvest er niet aan in de weg dat een lidstaat een op zichzelf beschouwd materieel of objectief feit strafbaar stelt en feitelijke of juridische vermoedens creëert, maar het verplicht de lidstaten er wél toe om in strafzaken een bepaalde drempel niet te overschrijden. Meer concreet verplicht het in die bepaling neergelegde beginsel van het vermoeden van onschuld de lidstaten om redelijke grenzen te stellen aan de in strafwetten opgenomen feitelijke of juridische vermoedens, waarbij rekening wordt gehouden met de ernst van de betrokken belangen en de rechten van de verdediging worden beschermd, omdat dit beginsel anders onevenredig zou worden geschaad. Deze drempel wordt overschreden wanneer een vermoeden tot gevolg heeft dat een persoon elke mogelijkheid wordt ontnomen om zichzelf vrij te pleiten met betrekking tot de ten laste gelegde feiten, waardoor hij het voordeel van dit beginsel verliest. ( 81 )

83.

Op basis van dezelfde rechtspraak heeft het Hof verklaard dat het zwijgrecht een algemeen erkende internationale norm is die de kern vormt van het begrip „eerlijk proces”. Door de verdachte te beschermen tegen onrechtmatige dwang door de overheid, draagt dit recht bij tot het voorkomen van rechterlijke dwalingen en het waarborgen van het met een dergelijk proces beoogde resultaat. Hoewel de bescherming van het zwijgrecht ervoor moet zorgen dat de tenlastelegging in een strafzaak wordt onderbouwd zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van door dwang of geweld verkregen bewijsmateriaal, wordt dit recht met name geschonden in de situatie waarin een verdachte onder de dreiging van sancties indien hij niet getuigt, hetzij getuigt, hetzij wordt gestraft omdat hij weigert te getuigen. Het zwijgrecht kan redelijkerwijs niet worden beperkt tot bekentenissen van wandaden of opmerkingen die de ondervraagde persoon rechtstreeks in opspraak brengen, maar is ook van toepassing op informatie over feitelijke kwesties die later kan worden gebruikt om de tenlastelegging te staven en aldus van invloed kan zijn op de schuldigverklaring of de sanctie die aan deze persoon wordt opgelegd. Het zwijgrecht kan echter niet als rechtvaardiging dienen voor elke weigering van samenwerking met de bevoegde autoriteiten en is dus geen absoluut recht. ( 82 )

84.

De vraag of de nationale regeling verenigbaar is met het Unierecht, moet in het licht van de voorgaande overwegingen worden beoordeeld, met dien verstande dat het Hof aanwijzingen kan geven met betrekking tot de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de evenredigheid van de schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld en het zwijgrecht, welke beoordeling door de verwijzende rechter moet worden verricht. In dit verband moet ten eerste worden onderstreept dat de bevoegde nationale rechter overtuigd moet zijn van de illegale herkomst van de voorwerpen en dat het de taak van de vervolgende instantie is om de rechter daarvan a priori het bewijs te leveren. ( 83 ) Dit bewijs wordt geacht te zijn geleverd indien er redenen zijn om aan te nemen dat deze voorwerpen naar alle waarschijnlijkheid van criminele herkomst zijn. ( 84 )

85.

Ten tweede staat vast dat de persoon die in het bezit van de voorwerpen is, de mogelijkheid heeft om voornoemd vermoeden te weerleggen. Volgens de Letse regeling moet deze persoon, indien hij stelt dat de voorwerpen niet als illegaal verkregen kunnen worden beschouwd, de rechtmatige herkomst ervan aantonen door er een geloofwaardige verklaring voor te geven. ( 85 ) Deze weerlegging door de betrokkene is zelfs al mogelijk nog voordat de confiscatieprocedure op grond van artikel 626 van het wetboek van strafvordering wordt ingeleid. Indien het voorwerp tijdens het vooronderzoek in beslag wordt genomen omdat de vervolgende instantie ervan overtuigd is dat het van criminele herkomst is, is deze instantie namelijk overeenkomstig artikel 356, lid 5, van het wetboek van strafvordering verplicht om de betrokkene uiterlijk 45 dagen na de kennisgeving in kennis te stellen van „de mogelijkheid” om informatie over de rechtmatigheid van die herkomst te verstrekken, en informeert zij hem over de gevolgen van het niet-verstrekken van die informatie. Bovendien heeft de betrokkene, zoals reeds uiteengezet, het recht om deel te nemen aan de confiscatieprocedure, die een hoorzitting omvat die uiterlijk 10 dagen na ontvangst van de beslissing om deze procedure in te leiden moet plaatsvinden en waarbij alle bij de procedure betrokken personen gelijkelijk over het recht beschikken om bezwaren te uiten of verzoeken te formuleren, bewijsstukken over te leggen en schriftelijke opmerkingen bij het gerecht in te dienen. ( 86 )

86.

Naar mijn mening creëert de Letse regeling geen situatie waarin een onmogelijk bewijs wordt verlangd waardoor een kennelijk onevenredige inbreuk op het beginsel van het vermoeden van onschuld en op de rechten van de verdediging wordt gemaakt. Het is volkomen logisch en redelijk om van de bezitter van het betrokken voorwerp te verlangen dat hij het bewijs levert van een positief feit en van de onjuistheid van de conclusies van de vervolgende instantie. Om de bewoordingen van overweging 34 van richtlijn 2024/1260 aan te halen: bij de beoordeling of de goederen geconfisqueerd moeten worden, moeten rechters onder andere rekening houden met het ontbreken van een plausibele legale oorsprong van de goederen, „aangezien de herkomst van rechtmatig verkregen goederen normaal gesproken kan worden gestaafd”. Is die persoon niet de meest geëigende persoon om uitleg te verschaffen die zou kunnen helpen om bijvoorbeeld de juridische en financiële structuur rond het voorwerp te begrijpen en de economische logica ervan te rechtvaardigen?

87.

Ten derde moet worden opgemerkt dat de rechter die gevraagd wordt een confiscatiebevel uit te vaardigen, zich overeenkomstig artikel 630, lid 1, van het wetboek van strafvordering ervan dient te vergewissen dat de voorwerpen illegaal zijn verkregen, met het oog waarop hij alle daarop betrekking hebbende elementen dient te onderzoeken. Volgens lid 2 van deze bepaling „neemt de rechter, indien hij vaststelt dat het verband tussen de voorwerpen en het strafbare feit niet is aangetoond of dat de voorwerpen niet van illegale herkomst zijn, een beslissing tot beëindiging van de procedure”. Deze formulering heeft expliciet betrekking op de vaststelling van de illegale herkomst van de voorwerpen en bevestigt de verklaringen van de Letse regering ( 87 ) aangaande de absolute bewijslast die minimaal op de vervolgende instantie rust, ook al is dit een verlichte bewijslast. De in geding zijnde bewijsregeling lijkt als zodanig dus geen echte omkering van de bewijslast in te houden, omdat het op grond van deze regeling aan de vervolgende instantie is om aan te tonen dat er verschillende aanwijzingen bestaan die, in hun geheel bezien, de aangezochte rechter eventueel in staat zullen stellen zich ervan te overtuigen dat de voorwerpen van illegale herkomst zijn. ( 88 ) Deze constatering maakt duidelijk dat het stilzwijgen van de persoon die een band met de voorwerpen heeft, als reactie op de kennisgeving van de vervolgende instantie waarin de mogelijkheid wordt geboden om informatie over de legale herkomst van de voorwerpen te verstrekken, als zodanig niet tot een confiscatiebevel kan leiden. ( 89 ) Het kan echter wél worden opgevat als bewijs voor de geloofwaardigheid van ander bewijsmateriaal dat door de vervolgende instantie is overgelegd. ( 90 )

88.

De bevoegde nationale rechter beoordeelt de herkomst van de betrokken voorwerpen op basis van waarschijnlijkheidsafwegingen, wat overeenkomt met de mate van overtuiging als bedoeld in artikel 5 van richtlijn 2014/42, gelezen in samenhang met overweging 21, dat betrekking heeft op de ruimere confiscatie van voorwerpen die toebehoren aan een persoon die is veroordeeld wegens een strafbaar feit. Deze maatregel kan namelijk door een rechter worden gelast wanneer hij op basis van de concrete omstandigheden van het geval ervan overtuigd is dat die voorwerpen afkomstig zijn van criminele activiteiten. Dit betekent niet dat moet worden vastgesteld dat die voorwerpen afkomstig zijn van criminele activiteiten, maar dat de rechter op basis van het criterium van de grootste waarschijnlijkheid van oordeel is of redelijkerwijs veronderstelt dat het veel waarschijnlijker is dat de voorwerpen door criminele activiteiten zijn verkregen dan door middel van andere activiteiten.

89.

Ten vierde wordt door de verwijzende rechter benadrukt dat de beoordeling van de mogelijk illegale herkomst van de voorwerpen nauw samenhangt met de vraag of deze voorwerpen het object van witwassen zijn geweest, en dat deze beoordeling zou kunnen leiden tot de constatering dat aan alle bestanddelen van dat strafbaar feit is voldaan, zodat de persoon die een band met deze voorwerpen heeft een vermoeden van schuld aan het strafbaar feit van witwassen dient te weerleggen. Los van het feit dat de naar Lets recht geldende delictsomschrijving van witwassen niet in de verwijzingsbeslissingen is weergegeven, wil ik eraan herinneren dat het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van gerechtelijke samenwerking niet aan het Hof staat om nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen uit te leggen. ( 91 ) In algemene zin doelt de term witwassen echter op een proces dat erop gericht is de opbrengsten van criminele activiteiten in het legale economische circuit te brengen en daarmee een schijn van legale herkomst te verlenen aan tegoeden of onroerende of roerende zaken die door deze activiteiten zijn gegenereerd. Aangezien witwassen als strafbaar feit niet kan bestaan zonder dat de betrokken voorwerpen van illegale herkomst zijn, valt gemakkelijk te begrijpen waarom de verwijzende rechter een verband legt met de confiscatieprocedure zoals die in het hoofdgeding centraal staat.

90.

Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, kan in dit verband nog worden verduidelijkt dat de lidstaten krachtens artikel 4, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2016/343 de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat een verdachte of beklaagde in andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld, niet als schuldig wordt aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan. Blijkens overweging 16 van richtlijn 2016/343 beoogt deze bepaling de eerbiediging van het vermoeden van onschuld te waarborgen. Volgens deze overweging mogen dergelijke rechterlijke beslissingen dus niet de mening weergeven dat deze persoon schuldig is. ( 92 ) Tot deze rechterlijke beslissingen kunnen naar mijn mening ook de rechterlijke beslissingen behoren waarbij na afloop van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure de confiscatie wordt gelast van de voorwerpen die in het bezit zijn van een persoon tegen wie tegelijkertijd een procedure ter vaststelling van zijn aansprakelijkheid voor het plegen van een strafbaar feit wordt gevoerd.

91.

Bij de uitlegging van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343 heeft het Hof uitdrukkelijk verwezen naar de rechtspraak van het EHRM, dat van oordeel is dat het beginsel van het vermoeden van onschuld wordt geschonden wanneer een rechterlijke beslissing of een officiële verklaring betreffende een verdachte een duidelijke verklaring bevat, gedaan bij gebreke van een definitieve veroordeling, dat de betrokkene het betrokken strafbare feit heeft gepleegd. In deze context heeft het EHRM de aandacht gevestigd op het belang van de keuze van de bewoordingen die de gerechtelijke autoriteiten gebruiken, alsmede van de bijzondere omstandigheden waarin zij worden geformuleerd, en de aard en de context van de betrokken procedure. Derhalve moet worden geoordeeld dat indien de nationale bevoegde rechter in het confiscatiebevel moet motiveren waarom hij ervan overtuigd is dat de betrokken voorwerpen naar alle waarschijnlijkheid van illegale herkomst zijn, deze motivering moet worden geformuleerd in bewoordingen die kunnen voorkomen dat over de schuld van de personen die die voorwerpen bezitten een mogelijk voorbarig oordeel wordt geveld, hetgeen een eerlijk onderzoek van de tegen hen in aanmerking genomen tenlasteleggingen in het kader van een afzonderlijke procedure betreffende het voorafgaande strafbaar feit waarbij de voorwerpen zijn verkregen of het strafbaar feit van het witwassen van geld, in het gedrang zou kunnen brengen. ( 93 )

92.

Gelet op de voorgaande overwegingen en gezien de fundamentele belangen die in het geding zijn bij de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit ( 94 ), moet worden geoordeeld dat de bewijsregeling inzake de herkomst van de voorwerpen waarop de confiscatieprocedure betrekking heeft, geen kennelijk onevenredige inbreuk maakt op het beginsel van het vermoeden van onschuld en het zwijgrecht of de rechten van de verdediging, die krachtens artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343 en in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, worden gewaarborgd ten behoeve van de persoon die deze voorwerpen in zijn bezit heeft.

4.   Doeltreffende voorziening in rechte

93.

Met zijn tweede en zijn derde vraag in zaak C‑49/23, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 6, van richtlijn 2014/42, gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die niet voorziet in een recht van beroep tegen een confiscatiebevel dat is uitgevaardigd door een rechter in tweede aanleg, nadat de rechter in eerste aanleg de procedure wegens onrechtmatige verwerving van voorwerpen had beëindigd op grond dat niet genoegzaam was aangetoond dat er een verband bestond tussen die voorwerpen en het strafbaar feit of dat die voorwerpen van illegale herkomst waren. ( 95 )

94.

Volgens de artikelen 630 en 631 van het wetboek van strafvordering kan de rechterlijke instantie waarbij een vervolging wegens illegale verkrijging van voorwerpen is ingesteld, op basis van een beoordeling van het voorgelegde bewijs gelasten dat de als illegaal verkregen aangemerkte voorwerpen worden geconfisqueerd en, in het tegengestelde geval, de procedure beëindigen zonder beperkende maatregelen te gelasten. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open, dat door de persoon die een band met de voorwerpen heeft of door de vervolgende instantie kan worden ingesteld bij de rechter in tweede aanleg, die opnieuw uitspraak doet, rekening houdend met de devolutieve werking van het hoger beroep en, indien hij tot vernietiging van de voorgelegde beslissing overgaat, een nieuwe beslissing neemt, waarbij hij over dezelfde bevoegdheden als de rechter in eerste aanleg beschikt. Tegen deze laatste beslissing staat geen rechtsmiddel open.

95.

Artikel 8, lid 6, tweede volzin, van richtlijn 2014/42 bepaalt op zijn beurt dat de lidstaten de persoon tegen wie het confiscatiebevel is gericht, daadwerkelijk de mogelijkheid bieden om het confiscatiebevel voor een rechter te betwisten. Partijen in het hoofdgeding hanteren – en volstaan met – een strikt letterlijke uitlegging van deze bepaling en stellen uit dien hoofde dat deze bepaling de lidstaten verplicht een procedure in te stellen die noodzakelijkerwijs een rechterlijke instantie omvat die in een toetsing van de regelmatigheid van een confiscatiebevel voorziet, ongeacht het stadium waarin dit bevel wordt uitgevaardigd.

96.

Deze uitlegging kan naar mijn mening niet worden aanvaard. De strekking van deze bepaling moet worden bepaald door deze in haar context te bezien, namelijk in het kader van de in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42 neergelegde algemene verplichting van de lidstaten om ervoor te zorgen dat de personen tegen wie de in deze richtlijn bedoelde maatregelen zijn gericht, recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces. Nergens in de overwegingen of andere bepalingen ervan blijkt dat deze richtlijn de lidstaten ertoe verplicht om in rechtspraak in twee instanties te voorzien, dat wil zeggen in de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de rechter in eerste aanleg. Ik wijs er in dit verband op dat artikel 8, lid 4, van richtlijn 2014/42 met betrekking tot een beslissing tot bevriezing uitsluitend de mogelijkheid biedt om die beslissing aan te vechten bij een rechter, overeenkomstig de in het nationale recht voorziene procedures, zonder dat deze bepaling rechtspraak in twee instanties vereist. Een dergelijk vereiste zou bovendien haaks staan op de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen van doeltreffendheid en snelheid.

97.

Deze conclusie vindt mijns inziens steun in de rechtspraak van het Hof over andere bepalingen van afgeleid recht die voorschrijven dat in een doeltreffende voorziening in rechte wordt voorzien, zoals onder meer artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32/EU ( 96 ), artikel 13, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG ( 97 ) en artikel 29, leden 1 en 2, van verordening (EU) nr. 604/2013 ( 98 ). Deze bepalingen kennen een soortgelijke formulering als artikel 8, lid 6, tweede volzin, van richtlijn 2014/42, in die zin dat zij vereisen dat aan specifiek aangeduide personen een doeltreffend rechtsmiddel tegen hen bezwarende handelingen wordt geboden. Bij de uitlegging van deze bepalingen in het licht van artikel 47 van het Handvest heeft het Hof geoordeeld dat de aldus geboden bescherming alleen vereist dat er een rechtsgang bij de rechter openstaat en niet dat er een rechtsgang met meerdere instanties wordt ingevoerd. Van belang lijkt dus enkel te zijn dat er een rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat, zoals dit in casu wordt gewaarborgd door artikel 8, lid 6, tweede volzin, van richtlijn 2014/42, aangezien het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming aan een particulier een recht op toegang tot een rechter verleent en geen recht op meervoudige aanleg. ( 99 ) De omstandigheid dat de beslissing van de rechter in tweede aanleg bij wie voorwerpen naar aanleiding van een nieuw inhoudelijk onderzoek van het bewijsmateriaal met betrekking tot de herkomst ervan als illegaal verkregen zijn aangemerkt en zijn geconfisqueerd, overeenkomstig artikel 631 van het wetboek van strafvordering niet vatbaar is voor hoger beroep, maakt derhalve geen inbreuk op het recht op een eerlijk proces van de personen die die voorwerpen in bezit hebben. Zoals de Letse regering onderstreept, is de nationale regeling zo opgezet dat de vraag of voorwerpen illegaal zijn verkregen en kunnen worden geconfisqueerd, kan worden onderzocht door twee rechterlijke instanties, die elk op onafhankelijke wijze de herkomst van die voorwerpen onderzoeken.

98.

Deze uitlegging lijkt mij niet in strijd met de rechtspraak van het EHRM. Daaruit volgt namelijk dat artikel 6, lid 1, noch artikel 13 EVRM het recht op hoger beroep of een tweede rechtsgang waarborgt – welk recht door artikel 2 van Protocol nr. 7 alleen wordt erkend ten aanzien van personen die voor een strafbaar feit zijn veroordeeld – en dat deze bepalingen evenmin vereisen dat er uitspraak wordt gedaan in verschillende instanties. ( 100 ) Het EHRM is bovendien van oordeel dat artikel 13 EVRM in de regel niet van toepassing is wanneer de vermeende schending van het EVRM heeft plaatsgevonden in het kader van een gerechtelijke procedure, tenzij de grieven die aan dit artikel worden ontleend betrekking hebben op niet-inachtneming van het vereiste van de „redelijke termijn”. ( 101 )

99.

Gelet op de strafrechtelijke aard van de procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen en het feit dat deze confiscatie een straf is, wil ik wijzen op de strekking van artikel 2 van Protocol nr. 7 bij het EVRM, welk protocol door alle lidstaten, met voorbehouden en verklaringen van sommige van hen, is geratificeerd. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat eenieder die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, het recht heeft zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hogere rechter. Gesteld dat deze bepaling van toepassing is op voornoemde procedure – en dit lijkt mij het geval te moeten zijn, aangezien de confiscatiemaatregel een strafrechtelijke sanctie vormt – moet worden onderstreept dat artikel 2, lid 2, van dit protocol bepaalt dat er uitzonderingen op dit recht mogelijk zijn. Tot die uitzonderingen behoort ook de situatie waarin de betrokken persoon schuldig is bevonden en veroordeeld na een beroep tegen zijn vrijspraak, hetgeen erg veel weg heeft van de situatie waarop de verwijzende rechter in zijn tweede en zijn derde vraag in zaak C‑49/23 doelt.

100.

Ik ben derhalve van mening dat artikel 8, lid 6, van richtlijn 2014/42, gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die niet voorziet in een recht van beroep tegen een beslissing tot confiscatie van als illegaal verkregen aangemerkte voorwerpen die is gegeven door een rechter in tweede aanleg bij wie hoger beroep is ingesteld tegen een beslissing van een rechter in eerste aanleg houdende afwijzing van het verzoek van de vervolgende instantie om voor recht te verklaren dat die voorwerpen een dergelijke illegale herkomst hadden.

101.

Gelet op de voorgaande overwegingen behoeven de derde prejudiciële vraag in de zaken C‑767/22 en C‑161/23 en de vierde prejudiciële vraag in zaak C‑49/23 over de uitlegging van het voorrangsbeginsel geen beantwoording.

V. Conclusie

102.

In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Latvijas Republikas Satversmes tiesa gestelde vragen als volgt te beantwoorden:

„Artikel 8, leden 1 en 6, van richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 4, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures en artikel 4, lid 1, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn en in het licht van de artikelen 17, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich niet verzet tegen een nationale regeling die voorziet in een procedure tot confiscatie, zonder voorafgaande veroordeling, van voorwerpen die illegaal zijn verkregen of verband houden met een strafbaar feit, die wordt ingeleid in het kader van een procedure strekkende tot vaststelling van de schuld van de vermoedelijke pleger van een strafbaar feit wiens voorwerpen zijn bevroren en die parallel aan die procedure wordt gevoerd, waarbij:

de mogelijkheid bestaat om aan de persoon die in het bezit van de voorwerpen is de toegang tot het dossier te weigeren op grond van de bescherming van het leven of de grondrechten van een derde of om het goede verloop van een lopend strafrechtelijk onderzoek te waarborgen, mits die weigering onderworpen is aan een rechterlijke toetsing in het kader waarvan de rechter erop toeziet dat de niet-openbaarmaking door de bevoegde nationale autoriteit van nauwkeurige en volledige bewijsstukken beperkt blijft tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen;

de beslissing tot confiscatie van voorwerpen op grond van een wettelijk vermoeden van de illegale herkomst van die voorwerpen wordt gebaseerd op bewijsstukken die door de vervolgende instantie zijn aangedragen en die een dergelijke herkomst waarschijnlijk maken, mits i) de personen die in het bezit van de voorwerpen zijn daadwerkelijk in de gelegenheid zijn gesteld om de plausibele legale herkomst ervan aan te tonen, en ii) deze personen in deze beslissing niet worden aangeduid als zijnde schuldig aan een strafbaar feit dat het onderwerp vormt van een afzonderlijke strafprocedure die parallel aan de procedure tot confiscatie van die voorwerpen wordt gevoerd;

de beslissing tot confiscatie van de voorwerpen vatbaar is voor beroep, maar die beslissing, wanneer zij afkomstig is van de rechter in tweede aanleg nadat de rechter in eerste aanleg het verzoek tot confiscatie heeft afgewezen, niet in rechte kan worden aangevochten.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, getiteld Ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen: zorgen dat misdaad niet loont [COM(2020) 217 final].

( 3 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB 2014, L 127, blz. 39). Deze richtlijn is onlangs vervangen door richtlijn (EU) 2024/1260 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen (PB L, 2024/1260), die op 22 mei 2024 in werking is getreden.

( 4 ) Op 25 oktober 2018 is de zinsnede „indien de bewijsstukken duidelijke aanwijzingen bevatten dat de ontnomen of in beslag genomen voorwerpen illegaal verkregen voorwerpen zijn” uit artikel 626, lid 2, van het wetboek van strafvordering geschrapt.

( 5 ) Kaderbesluit van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen (PB 2005, L 68, blz. 49). Dit kaderbesluit is eveneens vervangen door richtlijn 2024/1260.

( 6 ) Arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria (C‑257/20, EU:C:2022:125, punt 123).

( 7 ) Beschikking van 18 april 2023, Vantage Logistics (C‑200/22, EU:C:2023:337, punt 27).

( 8 ) Arrest van 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo (C‑319/19, EU:C:2021:883, punt 36).

( 9 ) Arresten van 19 maart 2020, Agro In 2001 (C‑234/18, EU:C:2020:221, punt 61), en 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo (C‑319/19, EU:C:2021:883, punt 41).

( 10 ) Wat het begrip „confiscatie” betreft, dient uitsluitend te worden verwezen naar het begrip dat wordt gehanteerd in artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/42, aangezien die richtlijn krachtens artikel 14, lid 1, ervan onder meer de eerste vier streepjes van artikel 1 van kaderbesluit 2005/212 heeft vervangen, met inbegrip van het streepje dat aan de definitie van dat begrip was gewijd [arrest van 10 november 2022, DELTA STROY 2003 (C‑203/21, EU:C:2022:865, punt 30)].

( 11 ) Arrest van 9 maart 2023, Otdel Mitnichesko razsledvane i razuznavane (C‑752/21, EU:C:2023:179, punt 44).

( 12 ) Arresten van 19 maart 2020, Agro In 2001 (C‑234/18, EU:C:2020:221, punt 60), en 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo (C‑319/19, EU:C:2021:883, punt 38).

( 13 ) Opmerking verdient dat de in de hoofdgedingen gevoerde procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen overeenkomt met de procedure van artikel 626, lid 1, van het wetboek van strafvordering, een situatie die verschilt van die waarop wordt gedoeld in de twee volgende leden van dat artikel, die voorzien in de mogelijkheid dat de opsporingsambtenaar of de openbaar aanklager een confiscatieprocedure inleidt wanneer de strafprocedure om andere redenen dan de vrijspraak van de betrokken persoon wordt beëindigd.

( 14 ) Zie punt 13.1 van de verwijzingsbeslissing in zaak C‑767/22.

( 15 ) Volgens artikel 70.10 van de Krimināllikums (wetboek van strafrecht) vormt de bijzondere confiscatie van goederen, dat wil zeggen de gedwongen vervreemding ten gunste van de staat, zonder schadeloosstelling, van illegaal verkregen voorwerpen, de opbrengsten uit een strafbaar feit of voorwerpen die in verband met een strafbaar feit zijn verkregen, geen straf. Deze definitie komt overeen met het begrip „confiscatie” in artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/42. Uit de bewoordingen van die bepaling blijkt dat het in dit kader van weinig belang is dat de confiscatie al dan niet een strafrechtelijke sanctie is. Bijgevolg valt een maatregel als aan de orde in het hoofdgeding, die leidt tot de definitieve ontneming van het in beslag genomen voorwerp, bevolen door een rechter in verband met een strafbaar feit, onder dit begrip „confiscatie” (zie in die zin arrest van 14 januari 2021, Okrazhna prokuratura – Haskovo en Apelativna prokuratura – Plovdiv, C‑393/19, EU:C:2021:8, punten 47 en 48).

( 16 ) Alleen artikel 4, lid 1, van richtlijn 2014/42 is door het Hof uitgelegd in de arresten van 21 oktober 2021, Okrazhna prokuratura – Varna (C‑845/19 en C‑863/19, EU:C:2021:864, punten 4957), en 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo (C‑319/19, EU:C:2021:883, punt 35).

( 17 ) Arrest van 19 september 2019, Gesamtverband Autoteile-Handel (C‑527/18, EU:C:2019:762, punt 30).

( 18 ) Ik verwijs in dit verband naar de formulering in overweging 15 van richtlijn 2014/42, dat „[w]anneer confiscatie niet mogelijk is op grond van een definitieve veroordeling, […] het in bepaalde omstandigheden niettemin nog mogelijk [zou] moeten zijn hulpmiddelen en opbrengsten te confisqueren, althans in gevallen van ziekte of vlucht van de verdachte of beklaagde” (cursivering van mij). Insgelijks wordt in overweging 7 van verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (PB 2018, L 303, blz. 1) verklaard dat de minimumregels van richtlijn 2014/42 de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven betreffen, „ook” in geval van ziekte of vlucht van de verdachte of beklaagde, „wanneer reeds een strafprocedure met betrekking tot een strafbaar feit is ingesteld”, ruimere confiscatie, en confiscatie bij een derde.

( 19 ) Zo staat lid 2 van dit artikel confiscatie toe wanneer het onwaarschijnlijk is dat de strafprocedure tot een strafrechtelijke veroordeling zal leiden omdat de verdachte of beklaagde niet voor de rechter is verschenen of ziek of gevlucht is, situaties waarvoor verschillende lidstaten de uitdrukkelijk in lid 1 van dit artikel bedoelde verstekprocedure in het leven hebben geroepen, zoals overweging 15 van richtlijn 2014/42 onderstreept. Deze laatste opmerking doet dan ook de vraag rijzen hoe de eigenlijke werkingssfeer van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn op adequate wijze kan worden afgebakend.

( 20 ) Artikel 626, lid 1, van het wetboek van strafvordering.

( 21 ) Overweging 16 van deze richtlijn preciseert dat onder „ziekte” moet worden verstaan dat de verdachte of beklaagde „gedurende lange tijd” in de onmogelijkheid verkeert de strafprocedure bij te wonen, waardoor deze niet onder normale omstandigheden kan worden voortgezet.

( 22 ) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevriezing en confiscatie van opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie [COM/2012/085 final – 2012/0036 (COD)].

( 23 ) Document van de Commissie „Analyse van niet op een veroordeling gebaseerde confiscatiemaatregelen in de Europese Unie”, SWD (2019) 1050 final van 12 april 2019, blz. 4.

( 24 ) Arrest van 21 oktober 2021, Okrazhna prokuratura – Varna (C‑845/19 en C‑863/19, EU:C:2021:864, punt 75).

( 25 ) Zie in die zin arresten van 21 oktober 2021, Okrazhna prokuratura – Varna (C‑845/19 en C‑863/19, EU:C:2021:864, punten 76 en 77), en 12 mei 2022, Spetsializirana prokuratura e.a. (Bevriezing van voorwerpen van derden) (C‑505/20, EU:C:2022:376, punt 34).

( 26 ) Zie in die zin arrest van 12 mei 2022, Spetsializirana prokuratura e.a. (Bevriezing van voorwerpen van derden) (C‑505/20, EU:C:2022:376, punten 2533). Bevriezing van voorwerpen wordt in artikel 2, punt 5, van richtlijn 2014/42 omschreven als „het tijdelijk verbieden van de overdracht, vernietiging, verwerking, beschikking of verplaatsing van voorwerpen of het tijdelijk aanvaarden van het beheer van of zeggenschap over voorwerpen”. Met betrekking tot de situaties waarin deze richtlijn de bevriezing van voorwerpen toestaat, bepaalt artikel 7 van richtlijn 2014/42 dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen die bevriezing van voorwerpen met het oog op een eventuele confiscatie mogelijk maken.

( 27 ) In de verzoeken om een prejudiciële verwijzing rept de verwijzende rechter regelmatig van het recht van „de persoon die een band met de voorwerpen heeft”.

( 28 ) Artikel 6 van richtlijn 2014/42, dat betrekking heeft op confiscatie bij een derde, schrijft voor dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de confiscatie mogelijk te maken van opbrengsten, of andere voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met opbrengsten, die door een verdachte of beklaagde al dan niet rechtstreeks aan derden zijn overgemaakt, of die door derden zijn verworven van een verdachte of beklaagde, tenminste wanneer die derden wisten of hadden moeten weten dat het doel van de overdracht of de verwerving het vermijden van confiscatie was.

( 29 ) Deze bepaling is in het voorstel voor een richtlijn COM/2012/085 final – 2012/0036 (COD) uitdrukkelijk vermeld als inspiratiebron voor artikel 5 van die richtlijn, dat aan confiscatie zonder veroordeling was gewijd. In diezelfde context is ook melding gemaakt van de standpunten die door de G8 Lyon-Roma Group waren geformuleerd in een verslag, waarin werd beklemtoond dat hoewel moet worden vastgehouden aan het beginsel van confiscatie na veroordeling, er toch gevallen kunnen zijn waarin strafvervolging niet mogelijk is omdat de verdachte is overleden of is gevlucht, of omdat er onvoldoende bewijs is om een strafvervolging in te stellen of „om andere technische redenen”. Ten slotte werd nog vermeld dat ook de beroepsbeoefenaren die samenkomen in het Camden Asset Recovery Inter-Agency Network (CARIN), voorstander waren van het opnemen van bepalingen inzake confiscatie zonder strafrechtelijke veroordeling.

( 30 ) Het confiscatiebevel is een onherroepelijke straf of maatregel, opgelegd door een rechtbank na een procedure in verband met een strafbaar feit, die leidt tot definitieve ontneming van voorwerpen aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon.

( 31 ) Zie blz. 5 van het document van de Commissie, getiteld „Analyse van niet op een veroordeling gebaseerde confiscatiemaatregelen in de Europese Unie”, SWD (2019) 1050 final van 12 april 2019.

( 32 ) Artikel 15 van richtlijn 2024/1260 is explicieter geformuleerd dan artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42, in die zin dat de opsomming van de relevante omstandigheden duidelijk van limitatieve aard is. Een ander verschil is dat dit type confiscatie zonder veroordeling beperkt is tot de situatie dat een strafprocedure is ingesteld maar niet kon worden voortgezet wegens een van deze omstandigheden, terwijl die procedure, zonder die omstandigheden, wél tot een strafrechtelijke veroordeling had kunnen leiden (ik wil er niettemin op wijzen dat de strekking van overweging 31 van richtlijn 2024/1260, waarin wordt omschreven wanneer er sprake is van ziekte van de betrokken persoon, op dit punt in tegenspraak is met de bewoordingen van artikel 15).

( 33 ) Volgens overweging 34 van het richtlijnvoorstel moeten de lidstaten kunnen besluiten toe te staan dat de confiscatie van onverklaarbaar vermogen „afzonderlijk van de strafprocedure voor het strafbare feit” wordt gelast, hetgeen overeenkomt met de situatie in het hoofdgeding.

( 34 ) Arrest van 14 januari 2021, Okrazhna prokuratura – Haskovo en Apelativna prokuratura – Plovdiv (C‑393/19, EU:C:2021:8, punt 36).

( 35 ) Zie blz. 5 van het document van de Commissie, getiteld „Analyse van niet op een veroordeling gebaseerde confiscatiemaatregelen in de Europese Unie”, SWD (2019) 1050 final van 12 april 2019.

( 36 ) De inbeslagnemingen door de bevoegde Letse autoriteiten in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar het witwassen van geld hebben betrekking op onroerende zaken en tegoeden op rekeningen bij in Letland gevestigde banken. De in dat verband uitgevaardigde confiscatiebevelen zijn dus niet rechtstreeks van belang voor verordening 2018/1805 en de kwestie van de wederzijdse erkenning van deze bevelen.

( 37 ) Zie overweging 3 van richtlijn 2014/42 en verordening 2018/1805, alsook overweging 16 van richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (PB 2018, L 284, blz. 22).

( 38 ) Arrest van 25 oktober 2007, Fortum Project Finance (C‑240/06, EU:C:2007:636, punt 36).

( 39 ) Zie blz. 2 van het document van de Commissie, getiteld „Analyse van niet op een veroordeling gebaseerde confiscatiemaatregelen in de Europese Unie”, SWD (2019) 1050 final van 12 april 2019.

( 40 ) In overweging 31 van richtlijn 2014/42 kan worden gelezen dat, aangezien bevriezingsbevelen een beperking van het eigendomsrecht inhouden, dergelijke voorlopige maatregelen niet langer mogen worden gehandhaafd dan noodzakelijk is om de voorwerpen met het oog op latere confiscatie veilig te stellen.

( 41 ) Ingevolge artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/42 moeten de lidstaten in de mogelijkheid voorzien om bevroren en geconfisqueerde voorwerpen indien nodig te verkopen of over te dragen.

( 42 ) Volgens het verslag [COM(2020) 217 final] is dit vereiste op uiteenlopende wijze omgezet door bepalingen die aan de wetboeken van strafvordering van de lidstaten zijn toegevoegd, onder meer op het gebied van de bijstand van een advocaat aan personen waartegen een confiscatieprocedure zonder veroordeling is gericht. Daarnaast wordt er in dit verslag op gewezen dat de bewijsregels per lidstaat variëren.

( 43 ) Arrest van 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo (C‑319/19, EU:C:2021:883, punt 37).

( 44 ) Arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România (C‑602/10, EU:C:2012:443, punten 86 en 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 45 ) Beschikbaar op het volgende internetadres: https://titania.saeima.lv/LIVS12/SaeimaLIVS12.nsf/0/AB2871419A747C7FC2258011002DD2FA?OpenDocument.

( 46 ) Volgens de Letse regering is men er altijd van uitgegaan dat de in Letland geldende confiscatieprocedure zonder voorafgaande veroordeling binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/42 viel.

( 47 ) Zie in die zin arresten van 7 januari 2003, BIAO (C‑306/99, EU:C:2003:3, punt 92), en 21 november 2019, Deutsche Post e.a. (C‑203/18 en C‑374/18, EU:C:2019:999, punt 40).

( 48 ) Zie in die zin beschikking van 9 september 2014, Parva Investitsionna Banka e.a. (C‑488/13, EU:C:2014:2191, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 49 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1).

( 50 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).

( 51 ) Arrest van 29 oktober 2015, Nagy (C‑583/14, EU:C:2015:737, punt 21).

( 52 ) Overigens merk ik op dat de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑767/22 van oordeel is dat rekening moet worden gehouden met artikel 7 van richtlijn 2012/13 betreffende het recht op toegang tot de processtukken.

( 53 ) Arrest van 18 december 2014, Abdida (C‑562/13, EU:C:2014:2453, punten 3237).

( 54 ) Met ingang van 2 november 2021 is de vermelding „verdachte of beklaagde” geschrapt, welke wetswijziging verder geen gevolgen heeft, aangezien het voor de toepassing van richtlijn 2012/13 en richtlijn 2016/343 niet relevant is dat in de betrokken nationale regeling de kwalificatie van „verdachte” of „beklaagde” niet wordt gebruikt [zie in die zin arrest van 7 september 2023, Rayonna prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering) (C‑209/22, EU:C:2023:634, punten 43 en 44)].

( 55 ) Zie naar analogie arrest van 7 september 2023, Rayonna prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering) (C‑209/22, EU:C:2023:634, punten 38 en 43).

( 56 ) Zie in die zin arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom (C‑467/18, EU:C:2019:765, punt 37).

( 57 ) Zie arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom (C‑467/18, EU:C:2019:765). De oplossing waartoe het Hof daar is gekomen, relativeert punt 70 van het arrest van 16 december 2021, AB e.a. (Intrekking van amnestie) (C‑203/20, EU:C:2021:1016), waarin is overwogen dat een procedure die niet strekt tot vaststelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een persoon, niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2012/13 kan vallen.

( 58 ) Zie in die zin arrest van 23 maart 2023, Dual Prod (C‑412/21, EU:C:2023:234, punten 2730).

( 59 ) Zie in die zin arrest van 23 maart 2023, Dual Prod (C 412/21, EU:C:2023:234, punt 31).

( 60 ) Zie, met betrekking tot de inaanmerkingneming van al deze elementen door het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM), arrest van 9 februari 1995, Welch tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1995:0209JUD001744090, §§ 28, 30 en 33).

( 61 ) Als voorbeeld moge dienen dat de aan Lireva Investments Limited toebehorende tegoeden ten bedrage van 1682356 Amerikaanse dollars (USD) zijn geconfisqueerd en aan de begroting van de Letse Staat zijn overgedragen (zie punt 14 van de opmerkingen van deze partij in zaak C‑161/23).

( 62 ) Zie naar analogie arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld) (C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 40).

( 63 ) Zie in die zin arresten van 18 december 2014, Abdida (C‑562/13, EU:C:2014:2453, punt 51), en 30 maart 2023, IP e.a. (Vaststelling van de feiten in het hoofdgeding – II) (C‑269/22, EU:C:2023:275, punt 19).

( 64 ) Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het eigendomsrecht hebben geen absolute gelding [zie respectievelijk arresten van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Registratie van biometrische en genetische gegevens door de politie) (C‑205/21, EU:C:2023:49, punt 89), en 14 januari 2021, Okrazhna prokuratura – Haskovo en Apelativna prokuratura – Plovdiv (C‑393/19, EU:C:2021:8, punt 53)].

( 65 ) Zie naar analogie arrest van 14 januari 2021, Okrazhna prokuratura – Haskovo en Apelativna prokuratura – Plovdiv (C‑393/19, EU:C:2021:8, punt 53).

( 66 ) Arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary (C‑189/18, EU:C:2019:861, punten 61 en 62).

( 67 ) Arrest van 16 mei 2017, Berlioz Investment Fund (C‑682/15, EU:C:2017:373, punt 97).

( 68 ) Arrest van 5 juni 2018, Kolev e.a. (C‑612/15, EU:C:2018:392, punten 89, 90 en 93).

( 69 ) Zie ook de overwegingen 33 en 34 van richtlijn 2014/42.

( 70 ) Artikel 627, lid 2, van het wetboek van strafvordering.

( 71 ) De betrokken personen kunnen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, hetgeen strookt met de vereisten van artikel 8, lid 7, van richtlijn 2014/42.

( 72 ) Artikel 628 van het wetboek van strafvordering. Ik voeg hieraan toe dat overeenkomstig artikel 629, leden 2 en 4, van dit wetboek uiterlijk 10 dagen na ontvangst van de beslissing om een vervolging wegens illegale verwerving van voorwerpen in te stellen een hoorzitting moet plaatsvinden, waar alle bij de procedure betrokken personen gelijkelijk over het recht beschikken om bezwaren te uiten of verzoeken te formuleren, bewijsstukken over te leggen, schriftelijke opmerkingen bij het gerecht in te dienen en deel te nemen aan de behandeling van andere vraagstukken die tijdens de procedure rijzen.

( 73 ) Zie naar analogie arrest van 22 september 2022, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság e.a. (C‑159/21, EU:C:2022:708, punt 51).

( 74 ) EHRM, 16 februari 2000, Rowe en Davis tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2000:0216JUD002890195, §§ 60 en 61), en EHRM, 6 maart 2012, Leas tegen Estland (CE:ECHR:2012:0306JUD005957708, § 81).

( 75 ) EHRM, 13 februari 2001, Garcia Alva tegen Duitsland (CE:ECHR:2001:0213JUD002354194, § 42).

( 76 ) Blijkens het aan het Hof overgelegde dossier zijn de voorschriften met betrekking tot de bewijsvoering in de betrokken confiscatieprocedure voornamelijk te vinden in artikel 124, lid 6, artikel 125, lid 3, en artikel 126, lid 31, van het wetboek van strafvordering, waarvan de tweede bepaling als een lex specialis kan worden beschouwd, omdat zij specifiek betrekking heeft op het delict witwassen. Deze voorschriften gelden samen met andere bepalingen van dit wetboek die betrekking hebben op het verloop van de strafprocedure, te beginnen met de inbeslagneming van de voorwerpen tot aan het eventuele uiteindelijke confiscatiebevel.

( 77 ) Het ontbreken van een vermelding van richtlijn 2016/343 in richtlijn 2014/42 valt simpelweg te verklaren door het feit dat zij later dan richtlijn 2014/42 is vastgesteld.

( 78 ) Arrest van 28 november 2019, Spetsializirana prokuratura (C‑653/19 PPU, EU:C:2019:1024, punt 33).

( 79 ) Het Hof heeft in het arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom (C‑467/18, EU:C:2019:765), geoordeeld dat een procedure tot gedwongen opname van een persoon in een psychiatrische inrichting binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/343 viel vanwege het strafrechtelijke doel ervan, en dat de bewijslast dat aan de criteria voor het toestaan van die opname was voldaan, overeenkomstig artikel 6 van die richtlijn op het openbaar ministerie rustte. Deze oplossing lijkt mij te zijn ingegeven door het feit dat de opname in een psychiatrische inrichting een maatregel van vrijheidsbeneming vormt van een persoon ten aanzien van wie eerder is vastgesteld dat hij in een staat van ontoerekeningsvatbaarheid een strafbaar feit heeft gepleegd. Een dergelijke situatie is volgens mij niet geheel vergelijkbaar met de situatie waarover ik mij thans buig, omdat hier sprake is van een procedure waarvan de mogelijke uitkomst specifiek gericht is op de voorwerpen die iemand in bezit heeft en die procedure niet tot de vrijheidsbeneming van die persoon kan leiden.

( 80 ) Zie in die zin arresten van 10 november 2022, DELTA STROY 2003 (C‑203/21, EU:C:2022:865, punt 51); 9 september 2021, Adler Real Estate e.a. (C‑546/18, EU:C:2021:711, punten 44 en 55), en 2 februari 2021, Consob (C‑481/19, EU:C:2021:84, punt 42).

( 81 ) Zie in die zin arresten van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a. (C‑546/18, EU:C:2021:711, punt 46); 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties) (C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 54), en 10 november 2022, DELTA STROY 2003 (C‑203/21, EU:C:2022:865, punten 60 en 61).

( 82 ) Arrest van 2 februari 2021, Consob (C‑481/19, EU:C:2021:84, punten 3841), en EHRM, 21 december 2000, Heaney en McGuinness tegen Ierland (CE:ECHR:2000:1221JUD003472097, § 47).

( 83 ) Overeenkomstig artikel 626, lid 1, punt 1, van het wetboek van strafvordering kan de vervolgende instantie slechts tot vervolging wegens illegale verkrijging van voorwerpen overgaan indien al het bewijsmateriaal erop wijst dat de ontnomen of in beslag genomen goederen illegaal zijn verkregen of verband houden met een strafbaar feit. De beslissing om een dergelijke vervolging in te stellen moet krachtens artikel 627 van dit wetboek informatie bevatten over de feiten waaruit het verband tussen de voorwerpen en het strafbare feit of de illegale herkomst van de voorwerpen blijkt, en informatie over de stukken die uit het dossier van een lopende strafzaak zijn gelicht en die betrekking hebben op de illegale verwerving van de voorwerpen.

( 84 ) Zie artikel 124, lid 6, en artikel 125, lid 3, van het wetboek van strafvordering.

( 85 ) Zie artikel 125, lid 3, en artikel 126, lid 31, van het wetboek van strafvordering.

( 86 ) Deze termijn van 45 dagen en het feit dat de hoorzitting moet plaatsvinden binnen een termijn van tien dagen, waarvoor uitstel kan worden gevraagd door de personen die in het bezit van de voorwerpen zijn, zijn mijns inziens in tegenspraak met de stelling van partijen in het hoofdgeding dat de confiscatieprocedure hen niet in staat stelt de rechtmatige herkomst van deze voorwerpen aan te tonen.

( 87 ) Zoals de Letse regering aangeeft, moet de vervolgende instantie, om een voorwerp als illegaal verkregen te kunnen aanmerken, in elk geval relevant bewijsmateriaal verzamelen waaruit blijkt dat het waarschijnlijker is dat het voorwerp een criminele herkomst heeft dan een rechtmatige. Hieruit volgt dat er geen vermoeden geldt ten gunste van het bestaan en de gegrondheid van de redenen die door een nationale autoriteit worden aangevoerd in de beslissing om een vervolging wegens illegale verkrijging van een voorwerp in te stellen [zie naar analogie arrest van 4 juni 2013, ZZ (C‑300/11, EU:C:2013:363, punt 61)].

( 88 ) Als we de in geding zijnde nationale bewijsregeling willen omschrijven, verdient de uitdrukking „gedeelde bewijslast” mijns inziens de voorkeur boven de uitdrukking „omkering van de bewijslast”. Deze actieve rol van de persoon die in het bezit van het voorwerp is, komt bovendien ook duidelijk naar voren in artikel 12, lid 7, van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, dat door de Unie is ondertekend en waarin het volgende wordt bepaald: „De Staten die partij zijn, kunnen de mogelijkheid overwegen te eisen dat een dader de rechtmatige herkomst aantoont van vermeende opbrengsten van misdaad of andere goederen die onderhevig zijn aan confiscatie, voor zover een dergelijke eis verenigbaar is met de beginselen van hun nationale recht en met de aard van de gerechtelijke en andere procedures.”

( 89 ) Artikel 126, lid 31, van het wetboek van strafvordering bepaalt dat indien de betrokkene binnen de gestelde termijn geen betrouwbare informatie over de rechtmatigheid van de herkomst van de voorwerpen verstrekt, hem slechts „de mogelijkheid [wordt ontzegd] om vergoeding te verkrijgen van de schade ten gevolge van de beperkingen die in het kader van de strafprocedure aan het gebruik van die voorwerpen zijn gesteld”. Bovendien komt uit de verwijzingsbeslissingen niet naar voren dat de weigering van de bezitter van de voorwerpen om uitleg over de herkomst ervan te verschaffen, als zodanig een strafbaar feit oplevert.

( 90 ) Naar aanleiding van een nationale procedure waarin de verdachte was veroordeeld voor het witwassen van geld en de opbrengsten uit het strafbaar feit waren geconfisqueerd, heeft het EHRM in een arrest van 2 mei 2017, Zschuschen tegen België (CE:ECHR:2017:0502DEC00235720713), in herinnering gebracht dat het niet onverenigbaar met het begrip van een eerlijk proces in strafzaken was om de verzoekers ertoe te verplichten een geloofwaardige uitleg over hun financiële positie te verschaffen. Volgens het EHRM verbiedt het EVRM niet dat het zwijgen van een verdachte in aanmerking wordt genomen om hem schuldig te bevinden, tenzij zijn veroordeling uitsluitend of hoofdzakelijk op zijn zwijgen is gebaseerd. Het EHRM heeft vastgesteld dat dit in casu duidelijk niet het geval was, aangezien de nationale rechterlijke instanties op overtuigende wijze hadden vastgesteld dat er sprake was van een geheel van onderling overeenstemmende aanwijzingen waaruit bleek dat de verzoeker schuldig was, terwijl zijn weigering om uitleg over de herkomst van het geld te verschaffen, ofschoon de situatie duidelijk een verklaring van zijn kant vergde, die aanwijzingen alleen maar versterkte.

( 91 ) Arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary (C‑189/18, EU:C:2019:861, punt 31). Ik wijs er bovendien op dat de Letse regering in punt 48 van haar opmerkingen in zaak C‑161/23 heeft gepreciseerd dat wanneer een persoon in het bezit van mogelijk illegaal verkregen voorwerpen wordt aangetroffen, dit nog niet betekent dat hij zich a priori heeft schuldig gemaakt aan witwassen of een ander strafbaar feit. Met andere woorden, juridisch gezien is het niet uitgesloten dat iemand in het bezit is van mogelijk illegaal verkregen voorwerpen, terwijl hij geen strafbaar feit heeft gepleegd of dat er geen strafbaar feit kan worden vastgesteld.

( 92 ) Arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld) (C‑377/18, EU:C:2019:670, punten 36 en 37).

( 93 ) Zie naar analogie arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld) (C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 43).

( 94 ) Het EHRM heeft in een arrest van 2 mei 2017, Zschuschen tegen België (CE:ECHR:2017:0502DEC00235720713, § 23), verklaard rekening te houden met het grote belang voor de lidstaten om het witwassen van geld dat afkomstig is van illegale activiteiten en dat gebruikt zou kunnen worden om criminele activiteiten te financieren, met name op het gebied van drugshandel of internationaal terrorisme, te bestrijden. Het bracht in herinnering dat met het confisqueren van de uit een strafbaar feit voortvloeiende voorwerpen of financiële baten een doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd, aangezien deze confiscatie beoogt te voorkomen dat voorwerpen waarvan de rechtmatige herkomst niet is aangetoond, op illegale en voor de maatschappij gevaarlijke wijze worden gebruikt.

( 95 ) De verwijzende rechter merkt op dat het hoofdgeding betrekking heeft op vijf procedures waarin de rechter het verzoek van de vervolgende instantie om voor recht te verklaren dat de betrokken voorwerpen illegaal zijn verkregen, in eerste instantie geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen. In het kader van het door de vervolgende instantie ingestelde hoger beroep heeft de rechter in tweede aanleg verklaard dat de voorwerpen illegaal waren verkregen en in een onherroepelijke beslissing de confiscatie ervan gelast.

( 96 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).

( 97 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348, blz. 98).

( 98 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31).

( 99 ) Zie in die zin arresten van 26 september 2018, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Schorsende werking van het hoger beroep) (C‑180/17, EU:C:2018:775, punt 30); 30 maart 2023, E.N. e.a. (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep) (C‑556/21, EU:C:2023:272, punt 30), en 28 juli 2011, Samba Diouf (C‑69/10, EU:C:2011:524, punt 69).

( 100 ) EHRM, 1 juli 1998, Kopczynski tegen Polen (CE:ECHR:1998:0701DEC002886395).

( 101 ) EHRM, 13 oktober 2009, Ferre Gisbert tegen Spanje (CE:ECHR:2009:1013JUD003959005, § 39).