ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

8 juli 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Erkenning van beroepskwalificaties – Richtlijn 2005/36/EG – Artikel 1 en artikel 10, onder b) – Beroepskwalificaties die in verschillende lidstaten zijn behaald – Voorwaarden voor verkrijging – Geen opleidingstitel – Artikelen 45 en 49 VWEU – Werknemers – Vrijheid van vestiging”

In zaak C‑166/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 8 april 2020, ingekomen bij het Hof op 22 april 2020, in de procedure

BB

tegen

Lietuvos Respublikos sveikatos apsaugos ministerija,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, C. Toader en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: G. Hogan,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Litouwse regering, vertegenwoordigd door V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigde,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en E. Samoilova als gemachtigden,

de Noorse regering, vertegenwoordigd door I. Meinich en K. S. Borge als gemachtigden,

de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door L. Armati, A. Steiblytė, S. L. Kalėda en H. Støvlbæk, vervolgens door L. Armati, A. Steiblytė en S. L. Kalėda als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1 en artikel 10, onder b), van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005, L 255, blz. 22), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB 2013, L 354, blz. 132) (hierna: „richtlijn 2005/36”), van de artikelen 45 en 49 VWEU alsook van artikel 15 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BB en de Lietuvos Respublikos sveikatos apsaugos ministerija (ministerie van Volksgezondheid van de Republiek Litouwen) (hierna: „ministerie van Volksgezondheid”) over de weigering van dit ministerie om de beroepskwalificatie van BB te erkennen.

Toepasselijke bepalingen

3

Artikel 1 van richtlijn 2005/36 heeft als opschrift „Doel” en bepaalt in de eerste alinea het volgende:

„Deze richtlijn stelt de regels vast volgens welke een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep op zijn grondgebied afhankelijk stelt van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties (hierna de ,ontvangende lidstaat’ genoemd), de in een andere lidstaat of andere lidstaten (hierna de ,lidstaat van oorsprong’ genoemd) verworven beroepskwalificaties die de houder van die kwalificaties het recht verlenen er hetzelfde beroep uit te oefenen, erkent voor de toegang tot en de uitoefening van dit beroep.”

4

Artikel 4 van die richtlijn („Gevolgen van de erkenning”) bepaalt:

„1.   Erkenning van de beroepskwalificaties door de ontvangende lidstaat geeft de begunstigden in deze lidstaat toegang tot hetzelfde beroep als dat waarvoor zij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezitten en stelt hen in staat dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen van de ontvangende lidstaat gelden.

2.   Voor de toepassing van deze richtlijn is het beroep dat de aanvrager in de ontvangende lidstaat wenst uit te oefenen hetzelfde als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit, indien hieronder vergelijkbare werkzaamheden vallen.

[...]”

5

Volgens lid 6 van artikel 4 septies („Gedeeltelijke toegang”) van richtlijn 2005/36 is dit artikel niet van toepassing op beroepsbeoefenaren van wie de beroepskwalificaties automatisch worden erkend op grond van titel III, hoofdstukken II, III en III bis van die richtlijn.

6

Artikel 10 („Toepassingsgebied”) van richtlijn 2005/36 – dat deel uitmaakt van hoofdstuk I („Algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels”) van titel III – bepaalt onder b):

„Dit hoofdstuk is van toepassing op alle beroepen die niet onder de hoofdstukken II en III van deze titel vallen en in onderstaande gevallen waarin de aanvrager, om een bijzondere en uitzonderlijke reden, niet voldoet aan de in die hoofdstukken opgenomen voorwaarden:

[...]

b)

voor artsen met een basisopleiding, medische specialisten, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, gespecialiseerde beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen, apothekers en architecten, wanneer de migrant niet voldoet aan de eisen inzake daadwerkelijke en wettige beroepsuitoefening bedoeld in de artikelen 23, 27, 33, 37, 39, 43 en 49”.

7

Artikel 21 van deze richtlijn heeft als opschrift „Beginsel van automatische erkenning” en maakt deel uit van hoofdstuk III („Erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen”) van titel III van richtlijn 2005/36. Lid 1, eerste alinea, van dit artikel luidt:

„Elke lidstaat erkent de opleidingstitels van artsen welke toegang geven tot de beroepswerkzaamheden van arts met een basisopleiding of medische specialist, alsmede de opleidingstitels van verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, specialisten in de tandheelkunde, dierenartsen, apothekers en architecten, zoals bedoeld in bijlage V, respectievelijk de punten 5.1.1, 5.1.2, 5.2.2, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.6.2 en 5.7.1, die voldoen aan de minimumopleidingseisen van respectievelijk de artikelen 24, 25, 31, 34, 35, 38, 44 en 46, door daaraan op zijn grondgebied, wat de toegang tot en uitoefening van de betrokken beroepswerkzaamheden betreft, hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hem afgegeven opleidingstitels.”

8

Artikel 23 („Verworven rechten”) van die richtlijn bepaalt in lid 1:

„Onverminderd de specifieke verworven rechten in de betrokken beroepen, erkent elke lidstaat, wanneer de opleidingstitels van artsen, die toegang geven tot de beroepswerkzaamheden van artsen met een basisopleiding en medische specialist, en, van verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, van beoefenaren der tandheelkunde, specialisten in de tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen en apothekers die aan onderdanen van de lidstaten zijn afgegeven, maar niet voldoen aan alle in de artikelen 24, 25, 31, 34, 35, 38, 40 en 44 bedoelde opleidingseisen, de door deze lidstaten afgegeven opleidingstitels als genoegzaam bewijs, wanneer deze titels staven dat een opleiding is afgesloten waarmee vóór de in bijlage V, punten 5.1.1, 5.1.2, 5.2.2, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.5.2 en 5.6.2, opgenomen referentiedata is begonnen, op voorwaarde dat zij vergezeld gaan van een verklaring waarin wordt bevestigd dat de houders ervan de betrokken werkzaamheden tijdens de vijf jaar die aan de afgifte van de verklaring voorafgaan gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren daadwerkelijk en op wettige wijze hebben uitgeoefend.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9

BB heeft in het Verenigd Koninkrijk een vierjaarse opleiding farmacie voltooid en heeft op 18 juli 2013 het diploma van master in de farmacie behaald. Gedurende 26 weken (6 maanden) heeft zij een praktijkstage gelopen in een apotheek, waarvoor zij een gunstige beoordeling heeft gekregen en de bijbehorende studiepunten heeft behaald.

10

In het Verenigd Koninkrijk wordt het recht om de activiteit van apotheker uit te oefenen verkregen na vier jaar studie en een beroepsstage van twaalf maanden. BB heeft echter de beroepsstage van twaalf maanden die in die lidstaat vereist is om de kwalificatie van apotheker te verkrijgen, niet voltooid omdat zij om persoonlijke redenen moest terugkeren naar Litouwen.

11

Op 23 juli 2014 heeft het Studijų kokybės vertinimo centras (centrum voor de beoordeling van de kwaliteit van de studies, Litouwen) een certificaat afgegeven waarbij wordt erkend dat het diploma van BB gelijkwaardig is aan het masterdiploma dat in de Republiek Litouwen wordt toegekend na voltooiing van een geïntegreerde opleiding farmacie. Dat beoordelingscentrum wees erop dat dit certificaat geen erkenning van beroepskwalificaties inhoudt, omdat een dergelijke erkenning behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van het ministerie van Volksgezondheid.

12

Op 6 augustus 2014 heeft BB bij dit ministerie een aanvraag tot erkenning van haar kwalificatie ingediend. Het ministerie van Volksgezondheid heeft opgemerkt dat de documenten van BB een bewijs van haar academische opleiding maar niet van haar beroepskwalificatie vormden, omdat er geen zekerheid bestond over de lidstaat waarin de resterende zes maanden stage moesten worden gelopen.

13

In september 2014 heeft de Lietuvos sveikatos mokslų universiteto rektorius (rector van de universiteit voor gezondheidswetenschappen van Litouwen) BB bij besluit toestemming verleend om studies te volgen en heeft BB met deze universiteit een overeenkomst gesloten op grond waarvan zij zes extra maanden praktijkstage in een apotheek heeft gelopen. Op 27 mei 2015 heeft voornoemde universiteit haar een certificaat afgegeven waaruit blijkt dat die stage is volbracht.

14

BB heeft de bij het ministerie van Volksgezondheid ingestelde Valstybintale vaistų kontrolės tarnyba (nationale raad voor geneesmiddelencontrole, Litouwen) verzocht om afgifte van een vergunning om zich als apotheker te vestigen. Daartoe heeft zij zich gebaseerd op het in het vorige punt genoemde certificaat. Op 1 juni 2015 heeft die raad BB laten weten dat zij voor het verkrijgen van die vergunning een document moest overleggen waaruit de erkenning van haar beroepskwalificatie in Litouwen bleek. Op 9 juni 2015 heeft BB het ministerie van Volksgezondheid nogmaals verzocht om erkenning van haar beroepskwalificatie en heeft zij daarbij onder meer het in punt 13 van het onderhavige arrest vermelde certificaat gevoegd.

15

Op 3 juli 2015 heeft de nationale raad voor geneesmiddelencontrole het onderzoek van het verzoek van BB afgesloten zonder de gevraagde apothekersvergunning af te geven.

16

Bij besluit nr. V‑902 van 24 juli 2017 heeft het ministerie van Volksgezondheid geweigerd de beroepskwalificatie van BB te erkennen en heeft het haar bij brief van 28 juli 2017 daarvan in kennis gesteld. In dat besluit staat te lezen dat BB geen beroepskwalificatie als apotheker heeft verworven in een lidstaat van de Europese Unie.

17

BB is tegen voormeld besluit opgekomen bij de beroepscommissie, die dat besluit bij beslissing van 13 september 2017 heeft bevestigd. Deze commissie heeft ter motivering van haar beslissing verwezen naar het feit dat richtlijn 2005/36 – en bijgevolg de nationale wet waarbij deze richtlijn wordt omgezet – slechts van toepassing is op personen die een beroepskwalificatie hebben verworven in een andere lidstaat dan de ontvangende lidstaat en die over een opleidingstitel beschikken.

18

BB heeft tegen het besluit van het ministerie van Volksgezondheid en de beslissing van de beroepscommissie beroep ingesteld bij de Vilniaus apygardos administracinis teismas (bestuursrechter in eerste aanleg Vilnius, Litouwen). Bij vonnis van 27 februari 2018 heeft die rechter het beroep van BB ongegrond verklaard.

19

Tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen).

20

Volgens de verwijzende rechter heeft BB voldaan aan de in het Britse recht gestelde voorwaarden voor het verkrijgen van de beroepskwalificatie als apotheker, te weten een beroepsopleiding van vier jaar gevolgd hebben en in totaal twaalf maanden praktijkstage hebben gelopen in een apotheek, in casu zes maanden in het Verenigd Koninkrijk en zes maanden in Litouwen. Indien BB dus in één lidstaat, namelijk het Verenigd Koninkrijk, aan al die voorwaarden had voldaan, zou zij een opleidingstitel van apotheker hebben verkregen die op grond van het in artikel 21 van richtlijn 2005/36 neergelegde beginsel van automatische erkenning in Litouwen zou zijn erkend.

21

De verwijzende rechter is van oordeel dat – aangezien BB zich niet kan beroepen op het stelsel van automatische erkenning waarin artikel 21 van richtlijn 2005/36 voorziet, terwijl zij in wezen voldoet aan de in artikel 44 van deze richtlijn neergelegde beroepskwalificatievereisten – moet worden vastgesteld of artikel 10, onder b), van richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is wanneer de betrokken persoon de opleidingstitel van apotheker niet heeft verkregen ofschoon hij in de praktijk heeft voldaan aan de voorwaarden om deze beroepskwalificatie te verkrijgen, zij het niet in één maar in meerdere lidstaten, waaronder de ontvangende lidstaat. Volgens de verwijzende rechter moet tevens worden vastgesteld of in dat geval de bepalingen van titel III, hoofdstuk I, van richtlijn 2005/36 aldus moeten worden uitgelegd dat de voor de erkenning van kwalificaties bevoegde autoriteiten verplicht zijn om de inhoud te beoordelen van alle door die persoon overgelegde documenten die zijn beroepskwalificatie kunnen aantonen en om te beoordelen of de opleiding waarvan die documenten het bewijs vormen voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de betreffende beroepskwalificatie in de ontvangende lidstaat, alsmede om in voorkomend geval compenserende maatregelen toe te passen.

22

Aangezien het algemene stelsel van erkenning waarin richtlijn 2005/36 voorziet enkel geldt in bepaalde gevallen, vraagt de verwijzende rechter zich bovendien af of BB zich op de artikelen 45 en 49 VWEU alsook op artikel 15 van het Handvest kan beroepen om aanspraak te maken op de erkenning van haar beroepskwalificatie.

23

In deze omstandigheden heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet artikel 10, onder b), van richtlijn [2005/36], gelezen in het licht van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde doelstelling, aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is in een situatie waarin de betrokken persoon geen opleidingstitel heeft verworven omdat hij weliswaar mogelijkerwijs heeft voldaan aan de voorwaarden voor het verwerven van een beroepskwalificatie, maar in meerdere lidstaten van de Europese Unie en niet in één lidstaat? Moeten in een dergelijke situatie waarin de betrokken persoon geen opleidingstitel heeft verworven, omdat hij mogelijkerwijs in meerdere lidstaten van de Europese Unie en niet in één lidstaat heeft voldaan aan de voorwaarden voor het verwerven van een beroepskwalificatie, de bepalingen van titel III, hoofdstuk I, van richtlijn [2005/36] (algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels) aldus worden uitgelegd dat de voor de erkenning van kwalificaties bevoegde autoriteiten verplicht zijn om de inhoud te beoordelen van alle door die persoon overgelegde documenten die zijn beroepskwalificatie kunnen aantonen en om te beoordelen of [de opleiding waarvan die documenten het bewijs vormen] voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de beroepskwalificatie in de ontvangende lidstaat, alsmede om in voorkomend geval compenserende maatregelen toe te passen?

2)

Moeten de artikelen 45 en 49 VWEU alsook artikel 15 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat in de omstandigheden van het onderhavige geval, waarin verzoekster mogelijkerwijs heeft voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de beroepskwalificatie als apotheker in de zin van [titel III,] hoofdstuk III, afdeling 7, van richtlijn [2005/36], doch in meerdere lidstaten en niet in één lidstaat, en waarin zij daarom niet beschikt over de in punt 5.6.2 van bijlage V bij richtlijn 2005/36 bedoelde titel waaruit haar beroepskwalificatie blijkt, de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat gehouden zijn om verzoeksters beroepsopleiding te beoordelen en deze te vergelijken met de in die lidstaat vereiste beroepsopleiding, alsmede om de inhoud te beoordelen van de overgelegde documenten die de beroepskwalificatie kunnen aantonen, om te beoordelen of [opleiding waarvan die documenten het bewijs vormen] voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de beroepskwalificatie in de ontvangende lidstaat, en om in voorkomend geval compenserende maatregelen toe te passen?”

Eerste prejudiciële vraag

24

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2005/36, met name artikel 1 en artikel 10, onder b), aldus moet worden uitgelegd dat zij van toepassing is op een situatie waarin een persoon die om erkenning van zijn beroepskwalificaties in de ontvangende lidstaat verzoekt geen opleidingstitel heeft behaald waaruit zijn beroepskwalificaties in een andere lidstaat blijken en, zo ja, of de bepalingen van titel III, hoofdstuk I, van die richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat de voor de erkenning van beroepskwalificaties bevoegde autoriteit verplicht is om de inhoud te beoordelen van alle door de betrokken persoon overgelegde documenten die de door hem in meerdere lidstaten verworven kwalificaties kunnen aantonen en om te beoordelen of de opleiding waarvan die documenten het bewijs vormen voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de betreffende beroepskwalificaties in de ontvangende lidstaat, alsmede om in voorkomend geval compenserende maatregelen toe te passen.

25

In dit verband zij met betrekking tot het doel van richtlijn 2005/36 opgemerkt dat uit de artikelen 1 en 4 van deze richtlijn blijkt dat het hoofddoel van de onderlinge erkenning erin bestaat om degene die beschikt over een beroepskwalificatie die hem in zijn lidstaat van oorsprong toegang geeft tot een gereglementeerd beroep, in de ontvangende lidstaat toegang te verlenen tot hetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong gekwalificeerd is, en om hem in staat te stellen dat beroep in laatstgenoemde lidstaat onder dezelfde voorwaarden uit te oefenen als de eigen onderdanen van deze lidstaat (arrest van 16 april 2015, Angerer, C‑477/13, EU:C:2015:239, punt 36).

26

De in deze richtlijn geregelde onderlinge erkenning van beroepskwalificaties onderstelt dus dat de aanvrager een opleiding heeft genoten die hem in de lidstaat van oorsprong in staat stelt om aldaar een gereglementeerd beroep uit te oefenen.

27

Dit geldt ongeacht het stelsel van erkenning van beroepskwalificaties, te weten het algemene stelsel van erkenning in de zin van titel III, hoofdstuk I, van richtlijn 2005/36 of het automatische stelsel van erkenning in de zin van titel III, hoofdstukken II, III en III bis van deze richtlijn.

28

Hieruit volgt dat artikel 10 van richtlijn 2005/36, dat de werkingssfeer van het in titel III, hoofdstuk I, van deze richtlijn neergelegde algemene stelsel van erkenning van opleidingstitels vaststelt, en met name punt b) ervan, niet aldus kan worden uitgelegd dat de ontvangende lidstaat verplicht is om de opleidingstitels te onderzoeken van een aanvrager die niet beschikt over de kwalificaties die vereist zijn voor de uitoefening van het beroep van apotheker in zijn lidstaat van oorsprong, en dat de lidstaat in strijd met het doel van die richtlijn handelt indien hij dat onderzoek niet verricht. (zie naar analogie arrest van 16 april 2015, Angerer, C‑477/13, EU:C:2015:239, punten 24 en 37).

29

Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2005/36, met name artikel 1 en artikel 10, onder b), aldus moet worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op een situatie waarin een persoon die om erkenning van zijn beroepskwalificaties verzoekt, geen opleidingstitel heeft behaald die hem in de lidstaat van oorsprong in staat stelt om aldaar een gereglementeerd beroep uit te oefenen.

Tweede prejudiciële vraag

30

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 45 en 49 VWEU alsook artikel 15 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat in een situatie waarin de betrokken persoon niet beschikt over de titel waaruit zijn beroepskwalificatie als apotheker in de zin van punt 5.6.2 van bijlage V bij richtlijn 2005/36 blijkt, maar zowel in de lidstaat van oorsprong als in de ontvangende lidstaat beroepscompetenties voor dit beroep heeft verworven, de bevoegde autoriteiten van laatstgenoemde lidstaat gehouden zijn om, wanneer zij een aanvraag tot erkenning van beroepskwalificaties hebben ontvangen, die competenties te beoordelen en deze te vergelijken met de competenties die in de ontvangende lidstaat vereist zijn om toegang te hebben tot het beroep van apotheker.

31

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 15, lid 2, van het Handvest, op grond waarvan iedere Unieburger vrij is om werk te zoeken, te werken en zich te vestigen in elke lidstaat, met name het door artikel 45 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van werknemers en de door artikel 49 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging herhaalt (arrest van 8 mei 2019, PI, C‑230/18, EU:C:2019:383, punt 53).

32

Volgens artikel 52, lid 2, van het Handvest worden de door het Handvest erkende rechten waar bepalingen van de Verdragen betrekking op hebben, uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die in de Verdragen zijn vastgesteld. Derhalve valt de uitlegging van artikel 15, lid 2, van het Handvest in casu samen met de uitlegging van de artikelen 45 en 49 VWEU (zie in die zin arrest van 4 juli 2013, Gardella, C‑233/12, punt 39).

33

Hieruit volgt dat voor de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag kan worden volstaan met een verwijzing naar de artikelen 45 en 49 VWEU.

34

In dit verband dient tevens in herinnering te worden gebracht dat de autoriteiten van een lidstaat waarbij een Unieburger een aanvraag heeft ingediend om een beroep te mogen uitoefenen dat volgens de nationale wettelijke regeling slechts toegankelijk is voor wie over een diploma, een beroepskwalificatie of praktijkervaring beschikt, rekening moeten houden met alle diploma’s, certificaten en andere titels alsook met de relevante ervaring van de betrokken persoon, door de uit die titels en die ervaring blijkende competenties te vergelijken met de door de nationale wettelijke regeling vereiste kennis en kwalificaties (arrest van 22 januari 2002, Dreessen, C‑31/00, EU:C:2002:35, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35

Aangezien deze rechtspraak slechts de jurisprudentiële uitdrukking vormt van een beginsel dat inherent is aan de in het VWEU erkende fundamentele vrijheden, kan dit beginsel niet aan juridische waarde inboeten doordat er richtlijnen inzake onderlinge erkenning van diploma’s worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 22 januari 2002, Dreessen, C‑31/00, EU:C:2002:35, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

Blijkens artikel 53, lid 1, VWEU hebben dergelijke richtlijnen namelijk tot doel de onderlinge erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels te vergemakkelijken door gemeenschappelijke regels en criteria vast te stellen die, voor zover mogelijk, leiden tot de automatische erkenning van deze diploma’s, certificaten en andere titels. Deze richtlijnen hebben daarentegen niet tot doel en kunnen evenmin tot gevolg hebben dat de erkenning van die diploma’s, certificaten en andere titels wordt bemoeilijkt in situaties die niet door die richtlijnen worden bestreken (zie in die zin arrest van 22 januari 2002, Dreessen, C‑31/00, EU:C:2002:35, punt 26).

37

Deze overwegingen gelden met name voor richtlijn 2005/36, die met name is vastgesteld op de grondslag van artikel 47, lid 1, EG (thans artikel 53, lid 1, VWEU).

38

In een situatie als die van het hoofdgeding, die blijkens het antwoord op de eerste prejudiciële vraag niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/36 valt, moet de betrokken ontvangende lidstaat voldoen aan zijn in punt 34 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte verplichtingen inzake de erkenning van beroepskwalificaties, die van toepassing zijn op situaties die zowel onder artikel 45 VWEU als onder artikel 49 VWEU vallen (zie in die zin arresten van 14 september 2000, Hocsman, C‑238/98, EU:C:2000:440, punt 21, en 6 oktober 2015, Brouillard, C‑298/14, EU:C:2015:652, punten 46 en 54).

39

Wanneer het vergelijkend onderzoek van de titels leidt tot de vaststelling dat de uit de buitenlandse titel blijkende kennis en kwalificaties overeenkomen met die welke de nationale bepalingen vereisen, moet de ontvangende lidstaatdan ook erkennen dat die titel voldoet aan de in die bepalingen vastgestelde voorwaarden. Indien uit de vergelijking daarentegen blijkt dat die kennis en kwalificaties slechts gedeeltelijk overeenkomen, mag die lidstaat verlangen dat de betrokkene bewijst de ontbrekende kennis en kwalificaties te hebben verworven (arrest van 6 oktober 2015, Brouillard, C‑298/14, EU:C:2015:652, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40

Daarbij staat het aan de bevoegde nationale autoriteiten om te beoordelen of de kennis die in de ontvangende lidstaat is verworven door met name praktische ervaring, kan gelden als bewijs dat de betrokkene de ontbrekende kennis bezit (arrest van 6 oktober 2015, Brouillard, C‑298/14, EU:C:2015:652, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41

Indien uit voornoemd vergelijkend onderzoek daarentegen blijkt dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen de door de aanvrager gevolgde opleiding en de in de ontvangende lidstaatvereiste opleiding, kunnen de bevoegde autoriteiten compenserende maatregelen vaststellen om die verschillen weg te werken (zie met name arrest van 2 december 2010, Vandorou e.a., C‑422/09, C‑425/09 en C‑426/09, EU:C:2010:732, punt 72).

42

Gelet op een en ander dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat de artikelen 45 en 49 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat in een situatie waarin de betrokken persoon niet beschikt over de titel waaruit zijn beroepskwalificatie als apotheker in de zin van punt 5.6.2 van bijlage V bij richtlijn 2005/36 blijkt, maar zowel in de lidstaat van oorsprong als in de ontvangende lidstaat beroepscompetenties voor dit beroep heeft verworven, de bevoegde autoriteiten van laatstgenoemde lidstaat gehouden zijn om, wanneer zij een aanvraag tot erkenning van beroepskwalificaties hebben ontvangen, die competenties te beoordelen en deze te vergelijken met de competenties die in de ontvangende lidstaat vereist zijn om toegang te hebben tot het beroep van apotheker. Indien de competenties in kwestie overeenkomen met die welke de nationale bepalingen van de ontvangende lidstaat vereisen, is deze lidstaat verplicht om die competenties te erkennen. Wanneer uit dat vergelijkend onderzoek blijkt dat de respectieve competenties slechts gedeeltelijk overeenkomen, mag de ontvangende lidstaat verlangen dat de betrokkene bewijst de ontbrekende kennis en kwalificaties te hebben verworven. Het staat aan de bevoegde nationale autoriteiten om in voorkomend geval te beoordelen of de kennis die in de ontvangende lidstaat is verworven door met name praktijkervaring, kan gelden als bewijs dat de betrokkene de ontbrekende kennis bezit. Indien uit voornoemd vergelijkend onderzoek blijkt dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen de door de aanvrager gevolgde opleiding en de in de ontvangende lidstaat vereiste opleiding, kunnen de bevoegde autoriteiten compenserende maatregelen vaststellen om die verschillen weg te werken.

Kosten

43

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013, met name artikel 1 en artikel 10, onder b), ervan, moet aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op een situatie waarin een persoon die om erkenning van zijn beroepskwalificaties verzoekt, geen opleidingstitel heeft behaald die hem in de lidstaat van oorsprong in staat stelt om aldaar een gereglementeerd beroep uit te oefenen.

 

2)

De artikelen 45 en 49 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat in een situatie waarin de betrokken persoon niet beschikt over de titel waaruit zijn beroepskwalificatie als apotheker in de zin van punt 5.6.2 van bijlage V bij richtlijn 2005/36 – zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55 – blijkt, maar zowel in de lidstaat van oorsprong als in de ontvangende lidstaat beroepscompetenties voor dit beroep heeft verworven, de bevoegde autoriteiten van laatstgenoemde lidstaat gehouden zijn om, wanneer zij een aanvraag tot erkenning van beroepskwalificaties hebben ontvangen, die competenties te beoordelen en deze te vergelijken met de competenties die in de ontvangende lidstaat vereist zijn om toegang te hebben tot het beroep van apotheker. Indien de competenties in kwestie overeenkomen met die welke de nationale bepalingen van de ontvangende lidstaat vereisen, is deze lidstaat verplicht om die competenties te erkennen. Wanneer uit dat vergelijkend onderzoek blijkt dat de respectieve competenties slechts gedeeltelijk overeenkomen, mag de ontvangende lidstaat verlangen dat de betrokkene bewijst de ontbrekende kennis en kwalificaties te hebben verworven. Het staat aan de bevoegde nationale autoriteiten om in voorkomend geval te beoordelen of de kennis die in de ontvangende lidstaat is verworven door met name praktijkervaring, kan gelden als bewijs dat de betrokkene de ontbrekende kennis bezit. Indien uit voornoemd vergelijkend onderzoek blijkt dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen de door de aanvrager gevolgde opleiding en de in de ontvangende lidstaat vereiste opleiding, kunnen de bevoegde autoriteiten compenserende maatregelen vaststellen om die verschillen weg te werken.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Litouws.