ADVIES

Europees Economisch en Sociaal Comité

Voedselzekerheid en duurzame voedselsystemen

_____________

Voedselzekerheid en duurzame voedselsystemen

(Verkennend advies op verzoek van het Franse voorzitterschap)

NAT/844

Rapporteur: Arnold PUECH d'ALISSAC

Corapporteur: Peter SCHMIDT

NL

Raadpleging

Brief van het Franse voorzitterschap van de Raad, 21/09/2021

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

07/01/2022

Goedkeuring door de voltallige vergadering

19/01/2022

Zitting nr.

566

Stemuitslag
(voor/tegen/onthoudingen)

165/2/2

1.Conclusies en aanbevelingen

1.1Het EESC heeft als eerste EU-instelling aangedrongen op een alomvattend voedselbeleid in de EU, met als doel gezonde voeding uit duurzame voedselsystemen te leveren, de landbouw aan voedings- en ecosysteemdiensten te koppelen en voor toeleveringsketens te zorgen die de volksgezondheid in alle geledingen van de Europese samenleving waarborgen 1 . Een dergelijk beleid, dat nu tot uiting komt in de “van boer tot bord”-strategie van de Commissie, moet de consistentie op alle voedselgerelateerde beleidsterreinen verbeteren, burgers bewust maken van de waarde van voedsel en duurzame voedselsystemen bevorderen.

1.2In reactie op het verzoek van het Franse voorzitterschap om dit verkennend advies op te stellen, heeft het EESC een aantal belangrijke instrumenten in kaart gebracht die op EU-niveau moeten worden ingezet om ervoor te zorgen dat het concurrentievermogen 2 van de Europese producenten op peil blijft, teneinde zowel de Europese voedselzekerheid en duurzaamheid als betaalbare prijzen voor de consument te kunnen garanderen. Zo pleit het EESC ervoor om:

I.open strategische autonomie op het gebied van voedselzekerheid en duurzaam voedsel te stimuleren;

II.innovatieve technologieën en zaaigoed te ontwikkelen om steeds oplossingen te kunnen bieden aan landbouwers die geconfronteerd worden met beperkingen van de bestaande instrumenten;

III.te zorgen voor breedbanddekking en digitalisering als voorwaarde voor precisielandbouw en robotica, en investeringen in dergelijke duurzame technieken te ondersteunen;

IV.de toegang tot opleiding in deze nieuwe technologieën voor landbouwproducenten, met name jonge landbouwers, te bevorderen en te faciliteren;

V.wederkerigheid van normen en een gelijk speelveld te garanderen door de “van boer tot bord”-strategie en de biodiversiteitsstrategie van de Green Deal en hun normen als wereldwijde maatstaf voor duurzaamheid in alle toekomstige handelsovereenkomsten van de EU te integreren en ze op te nemen in bestaande handelsovereenkomsten en in WTO-akkoorden;

VI.de waarde van voedsel te bevorderen door voedselvoorlichting van de consument te stimuleren, wat ertoe bijdraagt dat de landbouwsector dichter bij de samenleving komt te staan;

VII.eerlijke prijzen en een billijke inkomensverdeling in de gehele keten te waarborgen, te bewerkstelligen dat consumenten bereid zijn om passende prijzen voor voedsel te betalen zodat zij minder maar beter gaan consumeren, en oneerlijke handelspraktijken (UTP's) uit te bannen door middel van ambitieuze regelgeving;

VIII.praktijken in voedselbedrijven af te stemmen op de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s);

IX.te zorgen voor gestructureerde betrokkenheid en participatie van het maatschappelijk middenveld en van alle belanghebbenden in de gehele voedselvoorzieningsketen, onder meer via een Europese Raad voor voedselbeleid, en samenwerking in plaats van wedijver te bevorderen.

1.3Daarnaast noemt het EESC hieronder een aantal belangrijke instrumenten die moeten helpen om de EU minder afhankelijk te maken van — onder meer synthetische — productiemiddelen en autonomer te maken op het gebied van eiwitten:

I.EU-steun te verlenen voor praktijken die weinig productiemiddelen vergen, vooral wat fossiele brandstoffen en bestrijdingsmiddelen betreft; de EU zou de productiecapaciteit van landbouwproductiemiddelen in Europa moeten bevorderen;

II.de autonomie van de EU op het gebied van eiwitten te vergroten, want dit is vanuit alle oogpunten wenselijk. De invoer van sojabonen uit derde landen kan leiden tot ontbossing, aantasting van bossen en de vernietiging van natuurlijke ecosystemen in bepaalde producerende landen. De ontwikkeling van peulvruchten met een hoog eiwitgehalte in de Unie zou het gebruik van ingevoerde producten beperken en aldus een positief effect hebben op het klimaat en het milieu;

III.de eiwittensector te ordenen en te ondersteunen teneinde de productie te stimuleren en landbouwers te overtuigen, met name via een ambitieus gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB);

IV.de productie van oliehoudende zaden en perskoeken van oliehoudende zaden op te voeren. Gezien het hoofddoel, nl. voedselproductie, is de valorisatie van oliehoudende zaden gebaseerd op de valorisatie van zowel olie als koeken en kan deze hiervan niet los worden gezien. Hierdoor kan de duurzame productie van voedsel en energie worden bevorderd;

V.het EU-beleid om de bossen in de wereld te beschermen en te herstellen kracht bij te zetten, met name via de verbetering van het huidige Europese certificeringssysteem voor bosbouwproducten (PEFC, FSC) ter goedkeuring van producten die niet aan ontbossing bijdragen;

VI.korte, eerlijke en transparante voorzieningsketens te ontwikkelen en ervoor te zorgen dat de transitie naar een duurzame landbouw haar beslag krijgt via een geleidelijke aanpak, zodat bestaande evenwichten bewaard blijven;

VII.het recht op voedsel voor iedereen te garanderen, met name voor degenen die in economische en sociale onzekerheid verkeren, en experimenten op het gebied van sociale innovatie te faciliteren. Voedselhulp moet een verplicht beleid in de lidstaten blijven;

VIII.ervoor te zorgen dat levensmiddelen overal in de EU kunnen worden geproduceerd.

1.4Het EESC is ingenomen met het “Noodplan voor het waarborgen van de voedselvoorziening en voedselzekerheid in tijden van crisis” en de voorgestelde oprichting van een Europees mechanisme voor paraatheid en respons bij voedselzekerheidscrises (European Food Security Crisis preparedness and response Mechanism — EFSCM), en beveelt aan deze bepalingen op te nemen in een alomvattend voedselbeleid 3 . Het EESC zou graag zien dat het een actieve rol krijgt toebedeeld in de speciale groep van deskundigen.

2.Inleiding

2.1Het EESC heeft als eerste EU-instelling aangedrongen op een alomvattend voedselbeleid in de EU, met als doel gezonde voeding uit duurzame voedselsystemen te leveren, de landbouw aan voedings- en ecosysteemdiensten te koppelen en voor toeleveringsketens te zorgen die de volksgezondheid in alle geledingen van de Europese samenleving waarborgen 4 . Een dergelijk beleid, dat nu tot uiting komt in de “van boer tot bord”-strategie van de Commissie, moet de consistentie op alle voedselgerelateerde beleidsterreinen verbeteren, burgers bewust maken van de waarde van voedsel en duurzame voedselsystemen promoten.

2.2De Europese Green Deal biedt via de beginselen die uiteengezet zijn in de “van boer tot bord”-strategie en de biodiversiteitsstrategie een kans om het “sociale voedselcontract” tussen de Europese Unie en haar burgers te herbevestigen en een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem te bevorderen in de context van de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu.

2.3De COVID-19-pandemie heeft ongekende gevolgen voor de samenleving en de economie gehad 5 . In de hele EU zijn de landbouwers en de actoren in de voedselketen zich blijven inzetten om de productie op peil te houden en de bevolking van voedsel te voorzien, ondanks de moeilijkheden en obstakels waarmee zij werden geconfronteerd. De agrovoedingssector van de EU heeft met de levering van veilige en hoogwaardige levensmiddelen veerkracht getoond, hoewel er zich verstoringen in de toeleveringsketen hebben voorgedaan.

2.4De Franse nationale voedselraad (CNA) heeft in juli 2021 een advies (nr. 89), getiteld “Feedback from the Covid-19 crisis — Period of the first national lockdown in France” 6 , aangenomen. In het advies wordt geconcludeerd dat de COVID-19-crisis het nog noodzakelijker heeft gemaakt om een meer systemische visie op voedselsystemen te ontwikkelen, via de toepassing van de “één gezondheid”-benadering op alle niveaus van de voedselvoorzieningsketen. Met deze integrale benadering van gezondheid wordt de nadruk gelegd op de interactie tussen dieren, mensen en hun omgeving. Er zijn mensen die door de crisis in economisch en sociaal opzicht (verder) in problemen zijn geraakt. Zo heeft de crisis ook duidelijk gemaakt dat er wat de toegang tot voedsel betreft grote ongelijkheden bestaan, die onverenigbaar zijn met een duurzaam voedselsysteem. Er moet dan ook worden nagedacht over het recht op voedsel en voedseldemocratie. Om de doelstellingen van de “van boer tot bord”-strategie te verwezenlijken moet de gehele EU-bevolking kunnen beschikken over gezond, legaal geproduceerd, betaalbaar en toegankelijk voedsel 7 . Het EESC vindt de doelstelling om tegen 2030 25 % van de landbouwgrond in de EU biologisch te bewerken zeer ambitieus 8 en dringt aan op een EU-brede promotiestrategie om dit doel te bereiken, zonder uit het oog te verliezen dat de consumptie moet volgen.

2.5De crisis heeft ook aangetoond dat er behoefte is aan meer coördinatie en betere noodplannen om voorbereid te zijn op risico’s die de voedselvoorziening en de voedselzekerheid in de EU in gevaar kunnen brengen. Doel is een herhaling te voorkomen van wat zich eerder met COVID-19 heeft voorgedaan, toen er op ad-hocbasis coördinatiemaatregelen op EU-niveau moesten worden genomen en ter plaatse moesten worden ontwikkeld. Om deze doelstelling te halen heeft de Commissie onlangs een mededeling over een “Noodplan voor het waarborgen van de voedselvoorziening en voedselzekerheid in tijden van crisis” 9 uitgebracht. Het bevat een aantal verbeterpunten die tijdens de COVID-19-pandemie zijn vastgesteld, beginselen die in tijden van crisis in acht moeten worden genomen, en gaat in op de totstandbrenging van een EFSCM. Dit omvat de oprichting van een speciale groep deskundigen, waarbij zowel overheidsinstanties uit lidstaten en niet-EU-landen als belanghebbenden betrokken zijn.

2.6Volgens de definitie van de FAO is een duurzaam voedselsysteem een systeem dat voedselzekerheid en voeding voor iedereen garandeert zonder de economische, sociale en ecologische grondslagen die nodig zijn voor de voedselzekerheid en voeding van de toekomstige generaties in gevaar te brengen 10 . In de “van boer tot bord”-strategie moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de crisis, maar moeten ook de nodige garanties worden geboden om de voedselzekerheid in de EU te waarborgen. De voedselsystemen van de EU moeten de levering van voedsel aan de bevolking in zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht garanderen, door het concurrentievermogen van de voedselsector te ondersteunen en de duurzaamheidsuitdagingen aan te gaan. Ook moeten ze sociale innovatie ten goede komen.

2.7Het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) van de Europese Commissie heeft in augustus 2021 het verslag “Modelling environmental and climate ambitions in the agricultural sector with the CAPRI model” 11 gepubliceerd. Daarin wordt gesimuleerd welke impact sommige van de gekwantificeerde doelstellingen die in de “van boer tot bord”-strategie en de biodiversiteitsstrategie zijn opgenomen (vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, vermindering van nutriëntenverliezen, toename van ecologische gebieden in de biologische landbouw en toename van aandachtsgebieden) kunnen hebben op de landbouwsector en markten in de EU. Naar verluidt kunnen deze doelstellingen leiden tot een vermindering van 10 % tot 15 % van de EU-productie, een daling van het inkomen van de landbouwers, een stijging van de prijzen en een parallelle stijging van de invoer. Uit de resultaten van dit verslag blijkt hoe belangrijk het is om gezamenlijk na te denken over de landbouw- en voedseltransitie. Zoals in de “van boer tot bord”-strategie wordt gesteld, zou een vermindering van voedselverlies en -verspilling dergelijke ontwikkelingen kunnen voorkomen. Een efficiënte verdeling van de beschikbare voedselbronnen zou hierbij van pas kunnen komen.

2.8Veranderingen in voedselpatronen maken integrerend deel uit van de transitie van het landbouw- en voedselstelsel in zijn geheel, net als beleidsmaatregelen op gebieden zoals handel, mededinging, gezondheid, onderwijs, milieu en consumentenzaken.

2.9Het Franse voorzitterschap van de Raad van de EU heeft het EESC verzocht een verkennend advies op te stellen waarin met name wordt ingegaan op:

·de instrumenten die op EU-niveau moeten worden ingezet om ervoor te zorgen dat het concurrentievermogen van de Europese producenten op peil blijft, om zowel de Europese voedselzekerheid als betaalbare prijzen voor de consument te kunnen garanderen;

·de instrumenten die moeten helpen om de afhankelijkheid van — onder meer synthetische — productiemiddelen te verminderen en de autonomie van de EU op het gebied van eiwitten te verbeteren, binnen een kader ter ondersteuning van de landbouwsector en met het oog op een duurzame transitie van de Europese voedselsystemen.

3.Instrumenten op EU-niveau die ervoor zorgen dat het concurrentievermogen van de Europese producenten op peil blijft, om zowel de Europese voedselzekerheid (en duurzaamheid) als betaalbare prijzen voor de consument te kunnen garanderen

3.1Om een alomvattend Europees voedselbeleid echt relevant te laten zijn voor de Europese consument is het, zoals het EESC al in eerdere adviezen heeft opgemerkt, essentieel dat de prijs en kwaliteit van het in de EU duurzaam geproduceerde voedsel concurrerend zijn. Dit betekent dat de Europese agrovoedingssector aan de consument voedsel moet kunnen leveren tegen prijzen die de extra kosten in verband met bijvoorbeeld duurzaamheid, dierenwelzijn, voedselveiligheid, voedingswaarde en een billijke vergoeding voor landbouwers omvatten en waarmee de sector tegelijkertijd de eerste keus van de overgrote meerderheid van de consumenten blijft 12 .

3.2Gelet op de bovenstaande definities van voedselzekerheid, duurzaam voedselsysteem en concurrentievermogen, moet de instandhouding van het concurrentievermogen van de Europese marktdeelnemers en eerlijke waardeketens resulteren in een billijke beloning voor de landbouwers, waarbij hun goede praktijken worden aangemoedigd of erkend. Het voedselsysteem levert niet alleen levensmiddelen, maar biedt ook een reële oplossing voor de klimaatuitdaging, met name door aanpassing van productiesystemen, opslag van koolstof in de bodem, bodem- en agro-ecologische infrastructuren, natuurlijke filtratie van drinkwater, alsmede door vergroting en instandhouding van de biodiversiteit. In de “van boer tot bord”-strategie stelt de Europese Commissie echter weinig concrete acties voor om de agrovoedingssector en het inkomen van primaire producenten te versterken, en geen van deze acties versterkt het concurrentievermogen van de sector. Deze kernpunten zouden centraal moeten staan bij de uitvoering van de strategie, aangezien ze bepalend zijn voor het welslagen ervan.

3.3Gerichte onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s en de ontwikkeling van kennisoverdracht zijn noodzakelijk om de kwaliteit te bevorderen, de productiviteit op peil te houden en tegelijkertijd duurzaamheid te waarborgen. De inspanningen moeten erop gericht zijn de landbouwers te voorzien van praktische, toegankelijke en kosteneffectieve technologische oplossingen (bijv. precisielandbouw, besluitvormingsinstrumenten enz.) en instrumenten om een agro-ecologische en lokale productie te bevorderen, met inbegrip van steun voor die groepen die geen kennis hebben over duurzame productie.

3.4De EU moet zich ook sterk maken voor de toepassing van de grondrechten van alle werknemers in de voedselketen (productie, verwerking, distributie). In die zin moet de EU zich voor de daadwerkelijke bescherming van de sociale grondrechten van werknemers inzetten en met name de desbetreffende bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) en de desbetreffende verdragen en aanbevelingen van de IAO in acht nemen.

3.5De volgende punten kunnen worden beschouwd als instrumenten die ervoor zorgen dat het concurrentievermogen van de Europese producenten op peil blijft, om zowel de Europese voedselzekerheid en duurzaamheid als betaalbare prijzen voor de consument te kunnen garanderen.

3.5.1Bevordering van open strategische autonomie voor voedselzekerheid en duurzaamheid

I.Het EESC is reeds met een voorstel gekomen voor een definitie van open strategische autonomie voor voedselsystemen, die gebaseerd is op de aspecten voedselproductie, arbeidskrachten en handel. Algemene doelstelling is om de voedselzekerheid en duurzaam voedsel voor alle EU-burgers veilig te stellen door middel van een eerlijke, gezonde, duurzame en veerkrachtige levensmiddelenvoorziening 13 .

II.Het EESC heeft tevens benadrukt 14 dat het van essentieel belang is dat productienormen worden geharmoniseerd om concurrentievervalsing te vermijden en om het voor elk land mogelijk te maken basisvoedsel te produceren. De landbouwvrijwaringsclausules van de WTO, zowel de algemene als die van bilaterale akkoorden, moeten worden verbeterd aan de hand van de verschillende criteria die het EESC in zijn advies opsomt. Doel is om te zorgen voor eerlijke mededinging en duurzame agrofoodsectoren in de EU, zodat de voedselsoevereiniteit voor de EU wordt gewaarborgd, zowel voor producenten als consumenten. Met de COVID-19-pandemie is er meer aandacht gekomen voor de behoefte aan voedselsoevereiniteit. De huidige clausules zijn inefficiënt omdat de uitvoering ervan te lang duurt. Dankzij de digitalisering van de economie kunnen gegevens echter binnen enkele uren beschikbaar zijn. Handelsvolumes en prijzen kunnen nu efficiënt gemonitord worden, waardoor er snel kan worden gereageerd.

III.Het is vooral zaak dat voedselsystemen in de EU verder gediversifieerd worden. Er moet gezorgd worden voor meer arbeidskrachten in de landbouw, in het bijzonder door jongeren aan te trekken en fatsoenlijke werkomstandigheden en inkomens te waarborgen. Het handelsbeleid moet in overeenstemming worden gebracht met de EU-normen op het gebied van duurzaam voedsel en moet het concurrentievermogen waarborgen 15 .

3.5.2Waarborging van wederkerigheid van normen en een gelijk speelveld door de “van boer tot bord”-strategie en de biodiversiteitsstrategie van de Green Deal als wereldwijde maatstaf voor duurzaamheid op te nemen in alle toekomstige handelsovereenkomsten van de EU

I.Het EESC stelde voor om de “van boer tot bord”-strategie, de biodiversiteitsstrategie en de “Fit for 55”-strategie van de Europese Green Deal als wereldwijde maatstaf voor duurzaamheid in alle toekomstige EU-handelsovereenkomsten op te nemen, hoewel het erkent dat het opnemen van de SDG’s en van strengere normen in multilaterale handelsovereenkomsten een enorme uitdaging is. Op korte termijn lijkt meer vooruitgang met de SDG’s en essentiële milieu- en sociale normen in bilaterale handelsovereenkomsten een haalbare kaart. Zoals algemeen wordt erkend, is de handel in landbouwproducten voor de verwezenlijking van de meeste, zo niet alle SDG’s van het allergrootste belang, en heeft de WTO een belangrijke rol te spelen bij de verwezenlijking van deze doelstellingen, hetgeen zonder een doeltreffend multilateraal handelsmechanisme veel moeilijker zou zijn. Het sluiten van grenzen tijdens crises maakt de crisis meestal erger en is geen oplossing. Het EESC is van mening dat de EU wetgeving moet invoeren die bedrijven in de hele toeleveringsketen zorgvuldigheidsverplichtingen oplegt om milieu- en sociale risico’s en mensenrechtenschendingen op te sporen, te voorkomen en te beperken. De EU moet garanderen dat handelsovereenkomsten deze problemen niet externaliseren en dat ze bijv. niet leiden tot meer ontbossing in andere landen. Alle EU-handelsovereenkomsten moeten de sanitaire en fytosanitaire bepalingen van de EU en het voorzorgsbeginsel in acht nemen 16 .

II.Het EESC wees er tevens op dat zonder aanpassing van het EU-handelsbeleid de doelstellingen van de “van boer tot bord”-strategie niet gehaald zullen kunnen worden 17 . De “van boer tot bord”-strategie omvat belangrijke stappen om de duurzaamheidsbepalingen in de bilaterale vrijhandelsakkoorden van de EU en de handhaving van deze regels aan te scherpen. Er kan echter meer worden gedaan om de naleving van internationale overeenkomsten te waarborgen en om de procedures voor het melden en aanpakken van het niet nakomen van toezeggingen inzake duurzaamheid te stroomlijnen. Zoals de Europese Commissie en het Europees Parlement voor andere sectoren hebben voorgesteld, zal worden nagedacht over een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie voor de invoer van landbouwproducten. Dit is in advies NAT/834 aan de orde gekomen.

III.Het EESC pleit voor de oprichting van een EU-agentschap voor de certificering van ingevoerde producten volgens de duurzaamheidsnormen van de EU.

IV.Bovendien dringt het EESC erop aan dat de EU werkelijke wederkerigheid van standaarden in preferentiële handelsovereenkomsten verzekert, met name met betrekking tot dierenwelzijn, duurzaamheid en traceerbaarheid van boer tot bord (oorsprongsetikettering van grondstoffen, ingrediënten in verwerkte producten en alle componenten van levensmiddelen), voortbouwend op en strevend naar verdere mainstreaming van hetgeen al in enkele recente bilaterale bepalingen is bereikt. Het is ook van essentieel belang om nieuwe duurzame methoden te vinden die door landbouwers kunnen worden geëxploiteerd, duurzame praktijken te stimuleren en ervoor te zorgen dat kleinschalige landbouwers in de EU en ontwikkelingslanden nieuwe kansen voor duurzame productie kunnen grijpen. Deze beschouwingen moeten in multilaterale fora aan de orde worden gesteld, zoals de VN-commissie inzake Wereldvoedselzekerheid en de Codex Alimentarius. Ze mogen niet beperkt blijven tot bilaterale onderhandelingen, waar de participatie van landbouwers en het maatschappelijk middenveld beperkt is, grote machtsverschillen bestaan en de handelsliberalisering het ultieme doel blijft. Het geplande wetgevingskader voor duurzame voedselsystemen kan als uitgangspunt dienen. Wat daarin moet worden vastgelegd, is een duidelijke definitie van duurzame voedselsystemen in het verlengde van bestaande EU-definities van ecologische duurzaamheid 18 .

3.5.3Bevorderen van de waarde van voedsel

I.Volgens de laatste door Eurostat gepubliceerde cijfers bedroeg het deel van het gezinsbudget dat aan voeding en niet-alcoholische dranken wordt besteed, in 2019 13 % van de totale consumptieve bestedingen. Dat is een aanzienlijke daling ten opzichte van het begin van het GLB. Variërend naargelang van het land, ging het om de derde categorie van uitgaven van EU-huishoudens, na de categorie “huisvesting, water, elektriciteit en brandstoffen”, die goed was voor 23,5 %, en de categorie “vervoer”, die 13,1 % vertegenwoordigde. Tegelijkertijd wordt de toename van obesitas in de wereld door de WHO een “epidemie” genoemd. In 2017 had 17 % van de volwassenen in de EU te kampen met obesitas. Meer in het algemeen had 52 % van de Europeanen overgewicht of obesitas, dat wil zeggen een op de twee volwassenen en bijna een op de drie kinderen. Europa volgt daarmee een wereldwijde trend, waarbij sprake is van een toename van bewerkte voedingsmiddelen, maar ook van vette, zoete en zoute voedingsmiddelen.

II.Er kunnen verschillende belangrijke hefbomen worden gebruikt om deze situatie aan te pakken: het EESC onderstreept dat een gemeenschappelijke Europese aanpak inzake voedseletikettering op basis van de richtsnoeren voor duurzaam voedsel transparantie zou scheppen en het gebruik van onnodig goedkope grondstoffen die ongezond en niet duurzaam zijn (bv. transvetten, palmolie en te veel suikers), zou ontmoedigen. Voorts zouden consumenten erbij gebaat zijn als er op etiketten van levensmiddelen ook informatie werd verschaft over sociale en milieuaspecten. Op die manier zouden consumenten gemakkelijker kunnen kiezen voor gezondere en duurzamere opties 19 .

III.De prijs is zeker een sterke drijfveer voor consumenten, zelfs nog meer in tijden van crisis, maar kwaliteit is net zo belangrijk, en soms zelfs belangrijker, als men op sommige enquêtes afgaat. Consumenten moeten er rekening mee houden dat de vereisten waaraan EU-landbouwers moeten voldoen, al was het maar door de regelgeving, hoger zijn dan die buiten de EU. Deze vereisten staan in voor de kwaliteit, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid van onze producten.

3.5.4Waarborging van eerlijke prijzen en uitbanning van oneerlijke handelspraktijken

I.Een goed functionerende voedselvoorzieningsketen is zo sterk als zijn zwakste schakel, en de zwakste schakel is al veel te lang de landbouwer geweest. De EU-richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen is een belangrijke stap in de goede richting 20 . Voor het eerst is een akkoord bereikt over bindende regels om bepaalde oneerlijke handelspraktijken te reguleren. Met de richtlijn wordt beoogd om EU-landbouwers, hun producentenorganisaties en leveranciers in de detailhandel meer te beschermen. Alleen met een bindend wetgevingskader kan het machtsevenwicht in de voedselvoorzieningsketen worden hersteld. Ook de organisatie van sectoren en landbouwers is een belangrijke voorwaarde, dit alles met het doel om de consument voedingsproducten van hoge kwaliteit aan te bieden. Uiteindelijk moet ervoor worden gezorgd dat iedereen die bij de voedselproductie betrokken is, een fatsoenlijk en toereikend inkomen kan verdienen en dat de consument tegen een redelijke prijs kwaliteitsvolle en gezonde producten krijgt aangeboden.

3.5.5Praktijken en activiteiten van voedselbedrijven afstemmen op de SDG’s 21

I.De Europese Green Deal en het EU-herstelplan maken duidelijk dat economische groei moet worden losgekoppeld van niet-duurzame praktijken. Het besluit van de Raad van de EU over de klimaatdoelstellingen voor 2030 laat zien dat de EU op dit gebied een leidende rol kan spelen. Dat moet echter gebeuren in de bredere context van de SDG’s. Op de SDG’s afgestemde praktijken en activiteiten van levensmiddelenbedrijven zijn essentieel om de doelen te bereiken. Hiertoe dienen deze doelstellingen een centrale plaats te krijgen in de strategieën (door activiteiten en door de lat hoog te leggen, door evaluatie van de effecten en door transparante communicatie van de resultaten) 22 .

3.5.6Zorgen voor gestructureerde betrokkenheid en participatie van het maatschappelijk middenveld en van alle belanghebbenden in de gehele voedselvoorzieningsketen, onder meer via een Europese Raad voor voedselbeleid 23 — bevordering van samenwerking in plaats van wedijver

I.Het EESC pleit al lang voor een maatschappijbrede aanpak, met meer participatie-instrumenten, om ervoor te zorgen dat maatschappelijke organisaties — en met name jongeren — meer betrokken worden bij en deelnemen aan het besluitvormingsproces over duurzaamheid. Deze co-constructie kan haar beslag krijgen via een Europese Raad voor voedselbeleid, waar het EESC een groot voorstander van is.

4.Instrumenten die moeten helpen om de afhankelijkheid van — onder meer synthetische — productiemiddelen te verminderen en de autonomie van de EU op het gebied van eiwitten te verbeteren

4.1Vermindering van de afhankelijkheid van — met name synthetische — productiemiddelen

4.1.1Zoals uiteengezet in het EP-verslag over “de toeleveringsketen voor landbouwproductiemiddelen: structuur en gevolgen” heeft de grote volatiliteit van de prijzen van landbouwgrondstoffen en -productiemiddelen tot een grotere inkomensonzekerheid in de landbouw geleid en de langetermijninvesteringen van landbouwers belemmerd. Tegelijkertijd hebben landbouwers een schrijnend gebrek aan instrumenten en alternatieven, doordat er in onderzoek onvoldoende aandacht aan deze onderwerpen wordt geschonken. Het is zaak om sterk in te zetten op en financieel te investeren in agro-ecologie, onderzoek naar nieuwe resistente variëteiten, nieuwe methoden voor biologische bestrijding, precisielandbouw, enz.

4.1.2Wat antibiotica in de dierlijke productie betreft, zij erop gewezen dat er flink aan de weg is getimmerd. Zo heeft het Europees Geneesmiddelenbureau erop gewezen dat de verkoop van veterinaire antibiotica tussen 2011 en 2017 met 32,5 % is gedaald. De doelstelling van Europa om het antibioticagebruik bij dieren met nog eens 50 % te verminderen, kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid en het welzijn van dieren en kan de voedselveiligheid in gevaar brengen. Er is sprake van daadwerkelijke bewustwording bij landbouwers en dierenartsen, die met steun van de overheid een passend en weloverwogen gebruik van antibiotica promoten. Hieraan moet worden vastgehouden. Er moeten efficiënte en betaalbare alternatieven voor antibiotica worden ontwikkeld en aangeboden, aangezien het huidige niveau van antibioticagebruik ook reden tot bezorgdheid geeft. Het EESC staat volledig achter de door de Europese Commissie voorgestelde gedelegeerde handeling in het kader van Verordening (EU) 2019/6, op grond waarvan bepaalde antimicrobiële stoffen voor gebruik in de menselijke geneeskunde worden voorbehouden. Drie instrumenten zijn van essentieel belang:

-investeringen in dierenwelzijn (meer ruimte per dier);

-opvoering van preventie door middel van vaccinatie en zelfvaccinatie 24 ;

-instandhouding en waarborging van de toegang tot voedingssupplementen.

4.1.3In de “van boer tot bord”-strategie bevordert de Europese Commissie de vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en antibiotica en de vermindering van het nutriëntenverlies door overbemesting, met het oog op betere milieubescherming, gezondheidsbescherming, vergroting van het areaal waarop biologische landbouw wordt bedreven en de bestrijding van antibioticaresistentie. Biostimulanten kunnen duurzame alternatieven voor synthetische gewasbeschermingsmiddelen (PPP’s) bieden; de regelgevende instanties van de EU moeten kleine en middelgrote ondernemingen in staat stellen dergelijke producten te ontwikkelen en te laten registreren. Los van de negatieve milieu- en gezondheidseffecten van een niet-duurzaam gebruik van landbouwproductiemiddelen is er ook een economisch motief om landbouwbedrijven minder afhankelijk te maken van productiemiddelen, waaronder synthetische productiemiddelen en fossiele brandstoffen, maar dan moeten er wel efficiënte, robuuste en veerkrachtige alternatieven bestaan. Het stijgen van de kosten van productiemiddelen is rechtstreeks van invloed op de productiekosten. Dit pakt nadelig uit voor ofwel de landbouwinkomens, ofwel — als de kostenstijging aan de afnemers kan worden doorberekend — voor de prijs van landbouw- en voedselproducten. Het EESC benadrukt dat de productiemiddelen per geproduceerde kg tot een minimum moeten worden beperkt (chemische productiemiddelen, arbeid, aardolie, energie, oppervlakte, aantal dieren enz.). Bovendien benadrukt het EESC de noodzaak om de aanwezigheid van agro-ecologische infrastructuren in onze productieve ecosystemen te maximaliseren, om voordeel te halen uit de vele diensten die ze leveren en, in het bijzonder, uit de activiteit van de daar aanwezige hulpmiddelen bij de teelt.

4.2Vergroten van de autonomie van de EU op het gebied van eiwitten

4.2.1De EU heeft een groot tekort aan plantaardige eiwitten en voert het grootste deel in van wat de landbouwsector van de EU nodig heeft, met name voeder zoals sojabonen. Ondanks de waardestijging van de EU-productie en -uitvoer van landbouwproducten was de EU in 2018 een netto-importeur van calorieën (voor 15 % afhankelijk van invoer). Het hoge niveau van de productie van zuivel en vlees wordt mogelijk gemaakt door de massale invoer van eiwithoudende gewassen (met name sojabonen en perskoeken van sojabonen) uit het Amerikaanse continent. De afhankelijkheid van ingevoerd voedsel is terug te voeren op naoorlogse handelsovereenkomsten tussen de EU en de VS. De VS gingen akkoord met de bescherming van de EU-markten voor tarwe en zuivel, en in ruil daarvoor werden Amerikaanse maïs- en sojaproducten door de EU vrijgesteld van douanerechten. Als gevolg daarvan kwamen oliehoudende zaden en meel de EU binnen tegen wereldmarktprijzen. Terwijl de interne emissiereductiedoelstelling op een zeer laag niveau stagneerde als gevolg van onrendabele economische marges voor sojabonen die niet genetisch zijn gemodificeerd en een ongeschikt klimaat in Noord-Europa, is de invoer van sojabonen en sojameel enorm toegenomen (+49 % en +87 % tussen 1986 en 2013).

4.2.2Het is vanuit alle oogpunten wenselijk om de EU op het gebied van eiwitten autonomer te maken. De invoer van sojabonen uit derde landen kan leiden tot ontbossing, aantasting van bossen en de vernietiging van natuurlijke ecosystemen in bepaalde producerende landen. Verdere ontwikkeling van de teelt van eiwitrijke peulgewassen in de Unie kan het gebruik van ingevoerde producten beperken en aldus een gunstig effect hebben op klimaat en milieu. Met de teelt van peulvruchten wordt tegelijkertijd de biodiversiteit bevorderd en het gebruik van stikstofmeststoffen beperkt. Ten slotte worden landbouwbedrijven door een grotere autonomie van de polycultuursystemen voor plantaardige eiwitten minder blootgesteld aan de volatiliteit van de wereldprijzen van deze grondstoffen die nodig zijn voor diervoeder.

4.2.3Het Europees Parlement heeft in april 2018 een verslag aangenomen waarin wordt opgeroepen tot een Europese strategie voor de bevordering van eiwithoudende gewassen 25 , en de Europese Commissie heeft eind 2018 een verslag gepubliceerd over de ontwikkeling van plantaardige eiwitten in de Europese Unie 26 , ook wel het “Europees eiwittenplan” genoemd. De Europese Commissie heeft onlangs plannen gepubliceerd om de invoer van bepaalde producten een halt toe te roepen als de vervaardiging ervan illegale houtkap in de hand werkt.

4.2.4In de “van boer tot bord”-strategie wees de Europese Commissie erop dat het zaak is de teelt van eiwithoudende gewassen in de EU veel meer te bevorderen en te zorgen voor een grotere beschikbaarheid en meer verschillende bronnen van alternatieve eiwitten, zoals eiwitten op basis van microben, mariene organismen en insecten. Bovendien kunnen alternatieve voedermiddelen zoals insecten, mariene grondstoffen (bijv. algen, zeewier) en bijproducten van de bio-economie (bijv. visafval) een belangrijke rol spelen bij de transitie naar een duurzame eiwitautonomie. Verandering brengen in de dagelijkse eetgewoonten van de Europese burger is een belangrijk punt. Deze eiwitdiversificatie moet plaatsvinden ten gunste van onbewerkte en plaatselijke landbouwproducten, teneinde de regionale dynamiek op het gebied van plantaardige eiwitten te bevorderen. Anders dreigt er een toename van de invoer en levering van verwerkte producten die als vleesvervangers worden gepresenteerd en uit voedingsoogpunt vaak tekortschieten 27 .

4.2.5De ontwikkeling van de productie van plantaardige eiwitten in de EU levert niet alleen economische voordelen op voor landbouwers en producenten van voedsel en diervoeders, maar ook een hele reeks milieu- en klimaatvoordelen. Met name eiwithoudende gewassen dragen ertoe bij dat stikstof uit de atmosfeer in de bodem wordt gebonden en spelen derhalve een belangrijke rol in een duurzamere stikstofcyclus. Anderzijds hebben landbouwers ook weer te maken met een groot gebrek aan toegepast onderzoek naar resistente en aangepaste variëteiten die voldoende opbrengen.

4.2.6Om de eiwitautonomie van de EU te vergroten zou kunnen worden overwogen om:

I.de productie van oliehoudende zaden en perskoeken van oliehoudende zaden op te voeren. Gezien het hoofddoel, nl. voedselproductie, is de valorisatie van oliehoudende zaden gebaseerd op de valorisatie van zowel olie als koeken en kan deze hiervan niet los worden gezien. Hierdoor kan de duurzame productie van voedsel en energie worden bevorderd. De beschikbaarheid van Europees koolzaad is in dit verband een punt van zorg: van een niveau van 3,8 miljoen ton zuiver eiwit tijdens de oogst van 2017/2018 tot 2,66 miljoen ton zuiver eiwit tijdens de oogst van 2020/2021. Dergelijke ontwikkelingen komen tot uiting in de invoer van zaden en meel, voornamelijk sojabonen. De daling van het volume van Europees koolzaad is het gevolg van zowel ongunstige klimatologische omstandigheden als moeilijkheden bij de teelt van gewassen door de toename van regelgevingsbeperkingen en de vermindering van beschikbare productiemiddelen. Producenten buiten Europa hebben in dit verband aanzienlijke concurrentievoordelen, zoals het gebruik van selectietechnieken, herbicidetolerante rassen, enz. Spiegelclausules zijn in dit verband van essentieel belang;

II.de eiwitsector te ordenen en te ondersteunen, teneinde de productie te stimuleren en landbouwers te overtuigen, met name via een ambitieus GLB. Het GLB voorziet reeds in een reeks maatregelen die de afgelopen jaren de productie van plantaardige eiwitten in de EU direct of indirect hebben gestimuleerd, maar er is behoefte aan een meer strategische en ambitieuze aanpak. De begroting van het GLB is ontoereikend om de economische nadelen van de productie van plantaardige eiwitten in Europa te compenseren. Een algemene verhoging van de GLB-begrotingsmiddelen zou dan ook noodzakelijk zijn.

III.te vertrouwen op onderzoek:

a.om de eiwitopname in veevoeder te optimaliseren en de rol van weiden/klavers als belangrijke eiwitbron voor herkauwers te benadrukken;

b.om na te gaan welke rol schaal- en schelpdieren kunnen spelen. Kweekvis en schaal- en schelpdieren genereren bijvoorbeeld een kleinere koolstofvoetafdruk dan dierlijke productie op het land, en leggen koolstof vast. Zeewiersnacks zijn reeds op de markt verkrijgbaar. Dit neemt echter veel mineralen zoals ijzer in beslag, en daarom moet ervoor worden gezorgd dat het evenwicht in het water niet wordt verstoord. De aquacultuur kan dus een belangrijke rol spelen in de eiwitautonomie van de EU via de productie van duurzame levensmiddelen en diervoeders, en de ontwikkeling van nieuwe bioproducten zoals levensmiddelenadditieven en nieuwe grondstoffen op basis van algen en andere mariene organismen. Voorts heeft de blauwe economie een steeds groter potentieel om de economie van de EU, de kwaliteit van arbeid en het welzijn van mensen op verschillende plaatsen te verbeteren, met specifieke voordelen voor kust- en plattelandsgebieden;

c.om boeren meer te laten profiteren van kennisoverdracht en bewustmaking over de teelt en productie van peulgewassen op verschillende niveaus: opbrengst, rassenkeuze, aantasting door plagen, oplossingen, enz.;

IV.extensieve veeteelt 28 te bevorderen als een manier om duurzame dierlijke eiwitten te produceren, waarbij het koolstofopslagpotentieel van weidegronden en de bijbehorende agro-ecologische infrastructuur wordt gestimuleerd. Extensieve landbouw en agrobosbouw kunnen de weerbaarheid tegen bosbranden vergroten.

4.2.7Het EESC is van plan om met een voorstel te komen voor een strategie om een duurzame autonomie inzake eiwitten en plantaardige olie in de EU te bewerkstelligen door middel van een analyse van het potentieel van in de EU geteelde planten, EU-aquacultuur, extensieve veeteelt en andere eiwitbronnen zoals insecten, algen en stedelijke voedselsystemen.

Brussel, 19 januari 2022.

Christa Schweng
Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

_____________

(1)    Initiatiefadvies van het EESC over de bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan de ontwikkeling van een alomvattend voedselbeleid in de EU ( PB C 129 van 11.4.2018, blz. 18 ).
(2)    Zie de definitie van concurrentievermogen in paragraaf 3.1.
(3)    Zoals in voetnoot 1.
(4)    Zoals in voetnoot 1.
(5)    Het Europese bbp is in het tweede kwartaal van 2020 met 11,8 % gedaald (Eurostat).
(6)     CNA-advies 89 .
(7)    Advies van het EESC over “van boer tot bord”: een duurzame voedselstrategie ( PB C 429 van 11.12.2020, blz. 268 ).
(8)    Advies van het EESC over het actieplan voor de ontwikkeling van de biologische productie in de EU ( PB C 517 van 22.12.2021, blz. 114 ).
(9)     Noodplan .
(10)     FAO .
(11)     Link naar het verslag .
(12)    Zoals in voetnoot 7.
(13)    Initiatiefadvies van het EESC over strategische autonomie, voedselzekerheid en voedselduurzaamheid ( PB C 105 van 4.3.2022, blz. 56 ).
(14)    Initiatiefadvies van het EESC over de invoering van vrijwaringsmaatregelen voor landbouwproducten in handelsovereenkomsten ( PB C 364 van 28.10.2020, blz. 49 ).
(15)     Zoals in   voetnoot 13 .
(16)    Initiatiefadvies van het EESC over de verenigbaarheid van het EU-handelsbeleid met de Europese Green Deal ( PB C 429 van 11.12.2020, blz. 66 ).
(17)     Zoals in   voetnoot 7 .
(18)     Zoals in   voetnoot 7 .
(19)    Initiatiefadvies van het EESC over de bevordering van gezonde en duurzame voeding in de EU ( PB C 190 van 5.6.2019, blz. 9 ).
(20)    Advies van het EESC over de verbetering van de voedselvoorzieningsketen (verkennend advies, PB C 517 van 6.12.2018, blz. 38 ).
(21)      Initiatiefadvies van het EESC over de afstemming van strategieën en praktijken in de levensmiddelensector op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen ten behoeve van een duurzaam herstel na COVID-19 (nog niet verschenen in het PB).
(22)    Zoals in voetnoot 21.
(23)    Zoals in voetnoot 1 en 7.
(24)    Vaccin bereid uit pathogenen geïsoleerd uit een ziek dier of een gezond dier van hetzelfde landbouwbedrijf en bestemd om te worden toegediend aan dat zieke dier of aan dieren van dat bedrijf.
(25)     EP-verslag .
(26)     COM(2018) 757 final .
(27)     CLCV-enquête .
(28)    Informatief rapport van het EESC over de voordelen van extensieve veeteelt en organische meststoffen in het kader van de Europese Green Deal .