|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2024/6206 |
18.10.2024 |
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE
betreffende de geleidelijke afschaffing van financiële stimulansen voor fossiel gestookte op zichzelf staande verwarmingsketels krachtens de herschikte richtlijn energieprestatie van gebouwen
(Voor de EER relevante tekst)
(C/2024/6206)
INHOUDSOPGAVE
|
1. |
Inleiding | 2 |
|
2. |
Doel van het bericht | 2 |
|
3. |
Samenvatting van de wettelijke bepalingen | 2 |
|
4. |
Richtsnoer met betrekking tot de uitvoering van de wettelijke bepalingen | 2 |
|
4.1. |
Definities | 2 |
|
4.2. |
Interpretatie | 4 |
|
4.3. |
Voorbeelden van financiële stimulansen die niet onder het toepassingsgebied van artikel 17, lid 15, vallen | 6 |
|
4.4. |
Uitzonderingen | 7 |
|
5. |
Weldra verwacht relevant richtsnoer | 8 |
1. INLEIDING
De herziene richtlijn energieprestatie van gebouwen (“herziene EPBD”) (1) beschrijft hoe de Europese Unie (EU) vóór 2050 een volledig koolstofvrij gebouwenbestand tot stand kan brengen via een reeks maatregelen waarmee EU-regeringen de energieprestatie van gebouwen structureel kunnen verbeteren, met bijzondere aandacht voor renovatie van de slechtst presterende gebouwen.
De herziene EPBD trad op 28 mei 2024 in werking met een omzettingstermijn tot 29 mei 2026, tenzij in bepaalde bepalingen een specifieke omzettingstermijn wordt genoemd. Dit is het geval voor artikel 17, lid 15, van de herziene EPBD, waarop dit bericht betrekking heeft. Overeenkomstig artikel 35, lid 1, moeten lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die vereist zijn om vóór 1 januari 2025 te voldoen aan artikel 17, lid 15, in werking doen treden en bekendmaken aan de Commissie. Dit kan ook een toelichting op alle praktische uitvoeringsmaatregelen die genomen worden in het kader van de omzetting van artikel 17, lid 15, omvatten.
2. DOEL VAN HET BERICHT
In dit bericht wordt een richtsnoer met betrekking tot artikel 17, lid 15, van de herziene EPBD aangereikt. Het richtsnoer beoogt bij te dragen aan een beter inzicht in de bepalingen en een meer uniforme en coherente toepassing mogelijk te maken. Het is gericht aan de lidstaten en aan anderen die van de bepalingen op de hoogte gebracht moeten worden. Het bericht verstrekt slechts verduidelijkingen over de bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/1275. Daarnaast verstrekt het bericht informatie verkregen uit uitwisselingen, volgend op de goedkeuring van de herziene EPBD, met de bevoegde nationale autoriteiten en belanghebbenden. De Commissie zal tijdig verdere richtsnoeren verstrekken met betrekking tot andere voor de omzetting en uitvoering van de herziene EPBD relevante aspecten, waaronder een richtsnoer met betrekking tot de definitie van fossiel gestookte verwarmingsketels.
Dit bericht is uitsluitend bedoeld als richtsnoer; uitsluitend de tekst van de EU-wet zelf is rechtsgeldig. Dit document weerspiegelt de wetgeving die van toepassing was op het moment dat het document werd opgesteld, en het aangereikte richtsnoer kan later nog gewijzigd worden.
De bindende interpretatie van EU-wetgeving is de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De in dit richtsnoer uiteengezette zienswijzen laten het standpunt dat de Commissie voor het Hof van Justitie zou kunnen innemen onverlet. De Europese Commissie of personen die namens de Commissie optreden, zijn niet aansprakelijk voor het gebruik dat eventueel van de volgende informatie wordt gemaakt.
3. SAMENVATTING VAN DE WETTELIJKE BEPALINGEN
De herziene EPBD draagt bij tot de geleidelijke uitfasering van fossiel gestookte verwarmingsketels in de EU. Overeenkomstig artikel 17, lid 15, van de herziene EPBD mogen de lidstaten vanaf 1 januari 2025 geen financiële stimulansen meer geven voor de installatie van fossiel gestookte op zichzelf staande verwarmingsketels, met uitzondering van die welke reeds zijn goedgekeurd in het kader van EU-gelden.
4. RICHTSNOER MET BETREKKING TOT DE UITVOERING VAN DE WETTELIJKE BEPALINGEN
Artikel 17, lid 15, luidt als volgt: “Vanaf 1 januari 2025 geven de lidstaten geen financiële stimulansen meer voor de installatie van fossiel gestookte op zichzelf staande verwarmingsketels, met uitzondering van die welke vóór 2025 voor investeringen zijn geselecteerd overeenkomstig Verordening (EU) 2021/241, artikel 7, lid 1, punt h), i), derde streepje, van Verordening (EU) 2021/1058 en artikel 73 van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (2) .”
4.1. Definities
In de EPBD wordt “verwarmingsketel” in artikel 2, lid 48, als volgt gedefinieerd: “ “ verwarmingsketel ”: het geheel van ketellichaam en brander dat de verbrandingswarmte op vloeistoffen overbrengt.”
De term “ op zichzelf staande verwarmingsketel ” wordt in de EPBD niet gedefinieerd. In overweging 14 wordt verduidelijkt dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen op zichzelf staande verwarmingsketels en “hybride verwarmingssystemen met een aanzienlijk aandeel hernieuwbare energie, zoals de combinatie van een verwarmingsketel met thermische zonne-energie of met een warmtepomp”. Voor de toepassing van artikel 17, lid 15, is een op zichzelf staande ketel dus een ketel die niet wordt gecombineerd met een andere warmtegenerator die hernieuwbare energie gebruikt en die een aanzienlijk deel van de totale energieproductie van het gecombineerde systeem levert.
Onder “ hybride verwarmingssysteem ” wordt verstaan een hybride product waarin ten minste twee verschillende soorten warmtegeneratoren worden gecombineerd. Voorbeelden van hybride verwarmingssystemen waarin twee of meer technologieën worden gecombineerd om gebouwen te voorzien van warmte en warm water, zijn onder meer elke combinatie van warmtepompen met verwarmingsketels, hybride zonne-energie (combinatie van verwarmingsketel en zonnepanelen) en combinaties van deze systemen. Een hybride verwarmingssysteem kan als zodanig worden vervaardigd, of de hybridisatie kan ten tijde van de installatie plaatsvinden dan wel achteraf ter plaatse worden toegevoegd. Bijstook, bijvoorbeeld directe meeverbranding van biomassa en kolen in een verwarmingsketel voor vaste brandstoffen, wordt niet beschouwd als hybride verwarmingssysteem.
Ten behoeve van dit richtsnoer verwijst “ installatie ” naar de aankoop, montage en ingebruikname van een op zichzelf staande verwarmingsketel.
Fossiele brandstoffen worden in de EPBD niet gedefinieerd, maar worden op dezelfde wijze begrepen als in Verordening (EU) 2018/1999 (3), waarin ze in artikel 2, lid 62, worden gedefinieerd als “niet-hernieuwbare koolstofrijke energiebronnen zoals vaste brandstoffen, aardgas en olie”.
In artikel 2, lid 14, van de herziene EPBD, die in overeenstemming is gebracht met artikel 2, lid 1, van de gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie (Richtlijn (EU) 2018/2001), zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2023/2413 (4), wordt “energie uit hernieuwbare bronnen” of “ hernieuwbare energie ” gedefinieerd als energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk wind, zon (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche zonne-energie) en geothermische energie, osmose-energie, omgevingsenergie, getijden-, golf- en andere oceaanenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolwaterzuiveringsinstallaties en biogas.
Hernieuwbare brandstoffen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 22, punt a), van de gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie, d.w.z. “biobrandstoffen, biovloeistoffen, biomassabrandstoffen en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong” worden niet beschouwd als fossiele brandstoffen. Niet aan het net gekoppelde brandstoffen en brandstoffen op het net vallen niet onder de definitie van hernieuwbare brandstoffen.
“ Financiële stimulansen ” worden in de EPBD niet gedefinieerd. Ze worden in ruime zin opgevat als door een openbaar orgaan (5) en/of door middel van openbare middelen (6) verstrekte economische steun. Deze op nationaal, regionaal en/of lokaal niveau verstrekte stimulansen kunnen een krachtig instrument zijn om de decarbonisatie van verwarming in gebouwen te versnellen en kunnen verschillende vormen aannemen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, rechtstreekse leningen aan kopers, installateurs en derden, alsook de niet-uitputtende lijst van financieringsmogelijkheden en financiële instrumenten in artikel 17, lid 7, van de EPBD, in het bijzonder fiscale stimulansen (bv. verlaagde belastingstarieven) (7). Financiële stimulansen kunnen gericht zijn op onder meer eindgebruikers, installateurs, producenten en derden of marktdeelnemers die direct of indirect betrokken zijn bij de installatie van verwarmingsketels. Voor zover de begunstigde van de financiële stimulans een onderneming is, zijn regels voor staatssteun van toepassing (8). Dergelijke financiële stimulansen kunnen opgevat worden als een soort subsidie voor fossiele brandstoffen. De uitfasering ervan zou dus bijdragen aan de uitfasering van subsidies voor fossiele brandstoffen.
Het begrip “financiële stimulansen” strekt zich niet uit tot bijvoorbeeld aanbestedingsprocedures en overheidsopdrachten in de zin van Richtlijn 2014/24/EU (9) voor installaties bij openbare organen die geheel of gedeeltelijk afhankelijk zijn van de overheidsbegroting, voor zover deze opdrachten de marktvoorwaarden weerspiegelen en geen enkele vorm van subsidie omvatten (of met geen enkele vorm van subsidie worden gecombineerd). Overheidsopdrachten in en voor gebouwen moeten voldoen aan artikel 7 van Richtlijn (EU) 2023/1791 (10).
4.2. Interpretatie
Artikel 17, lid 15, is van toepassing op de installatie van fossiel gestookte op zichzelf staande verwarmingsketels. Dit betekent: de aankoop, montage en ingebruikname van een verwarmingsketel die 1) werkt op fossiele brandstoffen, d.w.z. niet-hernieuwbare koolstofrijke energiebronnen zoals vaste brandstoffen, aardgas en olie, en 2) een op zichzelf staande ketel is, dus een ketel die niet wordt gecombineerd met een andere warmtegenerator die hernieuwbare energie gebruikt en die een aanzienlijk deel van de totale energieproductie van het gecombineerde systeem levert. De vraag of de installatie van een fossiel gestookte op zichzelf staande verwarmingsketel deel uitmaakt van bv. een diepgaande of geïntegreerde renovatie, is in dit kader niet relevant.
De vraag of een gasgestookte verwarmingsketel beschouwd wordt als “fossiel gestookt” is afhankelijk van de brandstofmix in het gasnet op het moment dat de verwarmingsketel wordt geïnstalleerd. In algemene zin geldt dat voor de installatie van gasgestookte verwarmingsketels geen financiële stimulansen mogen worden ontvangen indien het lokale gasnet overwegend aardgas levert. Indien het lokale gasnet overwegend hernieuwbare brandstoffen levert, mogen er voor de installatie van een gasgestookte verwarmingsketel op grond van artikel 17, lid 15, wel financiële stimulansen worden ontvangen. Het is aan de bevoegde autoriteiten in de lidstaten om te zorgen voor een verificatie-instrument om dit op het moment van installatie te controleren.
Een niet aan het net gekoppelde verwarmingsketel kan alleen worden beschouwd als niet-“fossiel gestookt” als de bevoegde autoriteiten in de lidstaten op krachtige en geloofwaardige wijze verlangen en controleren dat het apparaat op het moment van installatie alsook gedurende zijn levensduur daadwerkelijk op hernieuwbare brandstoffen werkt, aangezien de begunstigde controle blijft behouden over de brandstof die gedurende de gehele levensduur in een niet aan het net gekoppelde verwarmingsketel wordt gebruikt.
Dergelijke monitoring kan deel uitmaken van de periodieke controles ter plaatse van het verwarmingssysteem of andere soorten controles met betrekking tot verwarmingssystemen zoals die in lidstaten worden uitgevoerd. Er moet daarbij ook rekening gehouden worden met de Uniedatabank voor de tracering van vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstoffen en hergebruikte koolstofrijke brandstoffen (11).
Uitgaande van de grondgedachte van artikel 17, lid 15, dat het gebruik van fossiele brandstoffen in verwarmingsketels niet zou moeten worden gestimuleerd, zouden er alleen financiële stimulansen moeten worden toegekend voor hybride verwarmingssystemen met een aanzienlijk aandeel hernieuwbare energie, en dan enkel evenredig aan de mate waarin er in het hybride verwarmingssysteem gebruikgemaakt wordt van hernieuwbare energie. De installatie van een verwarmingssysteem dat volledig op hernieuwbare energie werkt, zou dientengevolge sterker gestimuleerd moeten worden dan de installatie van een hybride verwarmingssysteem.
Bij het definiëren van “ hybride verwarmingssystemen met een aanzienlijk aandeel hernieuwbare energie ” moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het deel van het hybride systeem dat gebruikmaakt van hernieuwbare energie, zoals thermische zonne-energie of een warmtepomp, een aanzienlijk deel van de energieproductie levert (d.w.z. de verwarmingsbehoefte van het gebouw). Deze beoordeling moet worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteit en is afhankelijk van de situatie. Het kan gaan om hybridisatie ter plaatse die achteraf wordt toegevoegd, waarbij er slechts financiering nodig is voor de onderdelen die verband houden met de aanvullende hernieuwbare-warmtegenerator en/of specifieke controles waarmee wordt geregeld hoe de componententechnologieën samenwerken. Dit ligt anders voor industrieel vervaardigde hybride verwarmingssystemen die als hybride product op de markt worden gebracht, waarbij de financiële stimulans betrekking kan hebben op het gehele product terwijl deze evenredig zou moeten zijn aan het aandeel hernieuwbare energie dat in het hybride verwarmingssysteem gebruikt wordt.
Het is aan de lidstaten om te specificeren wat een “aanzienlijk” aandeel hernieuwbare energie in hybride verwarmingssystemen is en om ervoor te zorgen dat bij de implementatie doeltreffend uitvoering wordt gegeven aan dit begrip en in de geest van overweging 14 wordt gehandeld. Aangezien het uiteindelijke doel is het gebruik van fossiele brandstoffen in verwarmingsketels uit te faseren, moeten hybride verwarmingssystemen slechts als tussenoplossing worden gestimuleerd als er een realistisch vooruitzicht is dat het gebruik van fossiele brandstoffen in het systeem een tussenfase is, om te voorkomen dat er een afhankelijkheid ten aanzien van fossiele brandstoffen (“lock-in”) blijft bestaan. Lidstaten moeten hiertoe een toezicht- en nalevingssysteem opzetten dat in de specifieke nationale context geschikt is voor het doel. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat elke nationale maatregel waarbij financiële stimulansen aan dergelijke hybride systemen worden toegekend, doeltreffend bijdraagt aan het bereiken van de klimaat- en energiedoelen zoals gedefinieerd in andere EU-wetgeving (12),waarbij ook rekening wordt gehouden met hoe hun nationale energie- en klimaatplannen erin slagen die doelstellingen te verwezenlijken.
Het is in dit kader belangrijk om te signaleren dat, daar waar artikel 17, lid 15, zich niet verzet tegen financiële stimulansen voor de installatie van door hernieuwbare energie aangedreven op zichzelf staande verwarmingsketels, dergelijke financiële stimulansen zouden kunnen worden uitgesloten uit hoofde van artikel 7, lid 2, van de verordening betreffende energie-etikettering (13). Krachtens deze bepaling moeten lidstaten alle stimulansen die ze verstrekken, richten op de “ hoogste twee significant meest bevolkte energie-efficiëntieklassen ”, of op hogere klassen zoals vastgesteld in een gedelegeerde handeling van de EU betreffende de energie-etikettering van het betrokken product. Dit betekent dat de lidstaten wat betreft ruimteverwarmingstoestellen met een vermogen tot 70 kW die onder het energie-etiket vallen, alleen stimulansen mogen verstrekken in de hoogste twee significant meest bevolkte energieklassen (14). Op basis van de beschikbare actuele gegevens vallen op zichzelf staande verwarmingsketels niet onder de hoogste twee significant meest bevolkte klassen (15) en kunnen ze dus niet worden gestimuleerd, ongeacht of ze werken op fossiele dan wel hernieuwbare brandstoffen. Hybride verwarmingsketels en warmtepompen kunnen wel worden gestimuleerd omdat ze efficiënter zijn en dus in de hoogste twee significant meest bevolkte energieklassen van hun etiket vallen (16). De bovenvermelde bepaling is niet van toepassing op verwarmingsketels die speciaal ontworpen zijn voor het gebruik van gasvormige of vloeibare brandstoffen die overwegend uit biomassa worden geproduceerd (17) omdat die niet onder de energie-etiketteringsregels van de EU vallen.
Verwarmingsketels voor vaste brandstoffen die op biomassa werken, hebben hun eigen verordening betreffende energie-etikettering en hun eigen aangepaste schaal: omdat ze in de hoogste twee significant meest bevolkte klassen vallen, komen ze niet in aanmerking voor stimulansen (18), (19).
De manier waarop artikel 7, lid 2, van de verordening betreffende energie-etikettering is uitgevoerd, maakt deel uit van een weldra verwacht evaluatieverslag van de Commissie, dat in augustus 2025 moet worden ingeleverd, waarin het Europees Parlement en de Raad worden geïnformeerd over hoe doeltreffend Verordening (EU) 2017/1369 en de in het kader daarvan goedgekeurde handelingen consumenten hebben geholpen om efficiëntere producten te kiezen.
Als er financiële stimulansen worden verstrekt voor verwarmingsketels die speciaal ontworpen zijn voor het gebruik van overwegend uit biomassa geproduceerde gasvormige of vloeibare brandstoffen en verwarmingsketels (voor vaste brandstoffen) op biomassa, moeten de betrokken autoriteiten beoordelen wat de invloed van de bevordering van dergelijke verwarmingsketels kan zijn op de verwezenlijking van andere wetgeving van de EU, zoals die met betrekking tot luchtvervuiling (20), of de wetgeving met betrekking tot broeikasgasemissies ten gevolge van landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (21).
4.3. Voorbeelden van financiële stimulansen die niet onder het toepassingsgebied van artikel 17, lid 15, vallen
In dit hoofdstuk worden voorbeelden gegeven van situaties die niet onder artikel 17, lid 15, vallen omdat ze niet worden aangemerkt als financiële stimulansen voor de installatie van fossiel gestookte op zichzelf staande verwarmingsketels. Lidstaten kunnen financiële stimulansen voor dergelijke investeringen verstrekken mits de stimulansen zijn afgestemd op regels voor staatssteun (22) wanneer de begunstigde van de stimulans een onderneming is.
|
— |
Hybride verwarmingssystemen met een aanzienlijk aandeel hernieuwbare energie Zoals in overweging 14 wordt uiteengezet, blijft het mogelijk financiële stimulansen te geven voor de installatie van hybride verwarmingssystemen met een aanzienlijk aandeel hernieuwbare energie (zoals de combinatie van een verwarmingsketel met thermische zonne-energie of met een warmtepomp). Dergelijke financiële stimulansen moeten evenredig zijn aan de mate waarin in het hybride verwarmingssysteem hernieuwbare energie wordt gebruikt. |
|
— |
Aanvullende kosten met betrekking tot de overschakeling naar het gebruik van hernieuwbare gassen in een verwarmingsketel Deze kosten kunnen betrekking hebben op de verbetering van het distributiesysteem in het gebouw, het aansluitpunt, hybridisatie of aanvullende investeringen in technische aanpassingen die het gebruik van hernieuwbare energie in de verwarmingsketel waarborgen. Deze kosten kunnen bijvoorbeeld verband houden met aanvullende investeringen in de onderdelen van het verwarmingssysteem die het gebruik van uitsluitend hernieuwbare energie mogelijk maken. |
|
— |
Stimulansen die geen betrekking hebben op installatie Stimulansen die betrekking hebben op andere activiteiten dan installatie – bijvoorbeeld onderhoud, reparatie of het buiten werking stellen van fossiel gestookte verwarmingsketels bv. via slooppremies – vallen niet onder de bepaling betreffende de financiële uitfasering. Dergelijke stimulansen kunnen relevant zijn voor het voorkomen van noodvervangingen na een defect en kunnen voorzien in de reparatie of vervanging van een bepaald onderdeel. Ze kunnen bijvoorbeeld de tijdelijke huur van verwarmingsketels voor energieverbruikers in gebieden waar stadsverwarming en -koeling aanwezig of gepland is, omvatten. Een ander voorbeeld dat buiten het toepassingsgebied van deze bepaling valt, is financiële stimulansen voor de installatie van systemen voor gebouwautomatisering en controle in verwarmingssystemen die werken op fossiel gestookte op zichzelf staande verwarmingsketels. |
|
— |
Maatregelen voor betaalbare energie Dergelijke maatregelen kunnen consumptieprijssteun, sociale tarieven of inkomenssteun voor fossiel gestookte verwarming omvatten. Kwetsbare huishoudens zijn huishoudens die het meest te lijden hebben van stijgende prijzen van fossiele brandstof. Overheidssteun zou hen niet moeten veroordelen tot het gebruik van fossiele brandstoffen in de toekomst. Daarom moeten de bovenvermelde maatregelen gericht en tijdelijk zijn en een aanvulling vormen op structurele maatregelen waarmee de onderliggende oorzaken van energiearmoede worden aangepakt, overeenkomstig de aanbeveling van de commissie betreffende energiearmoede (23). Maatregelen die in het kader van het sociaal klimaatfonds gefinancierd worden, moeten in overeenstemming zijn met de regels inzake rechtstreekse inkomenssteun krachtens de verordening betreffende het sociaal klimaatfonds (24). In plaats van gebruik te maken van financiële stimulansen om de vervanging van fossiel gestookte verwarmingsketels door nieuwe fossiel gestookte verwarmingsketels aan te moedigen, zouden lidstaten de reparatie van bestaande verwarmingsketels moeten stimuleren en/of moeten voorzien in tijdelijke verwarmingsoplossingen (bv. huur van verwarmingsketels) in combinatie met meer steun aan kwetsbare huishoudens voor andere verwarmingssystemen dan fossiel gestookte op zichzelf staande verwarmingsketels (zoals verwarmingssystemen of hybride verwarmingssystemen met een aanzienlijk aandeel hernieuwbare energie). |
|
— |
Stimulansen die geen betrekking hebben op verwarmingsketels Apparaten die niet onder de definitie van verwarmingsketels vallen – zoals kachels en micro-warmtekrachtkoppeling – vallen niet onder het toepassingsgebied van de uitfasering van financiële stimulansen voor fossiel gestookte op zichzelf staande verwarmingsketels. Niettemin worden lidstaten in de ruimere context en in de geest van de bepaling om financiële stimulansen voor op zichzelf staande verwarmingsketels krachtens dit richtsnoer uit te faseren, aangemoedigd om de overstap van alle fossiel gestookte verwarmings- en koelingssystemen naar hernieuwbare brandstoffen te stimuleren. In het bijzonder wordt in de vierde alinea van artikel 13, lid 6, van de herziene EPBD bepaald dat “de lidstaten nieuwe stimulansen en financiering [kunnen] voorzien om de overstap van verwarmings- en koelingssystemen op basis van fossiele brandstoffen naar verwarmings- en koelingssystemen op basis van niet-fossiele brandstoffen aan te moedigen”. |
|
— |
Uitbetaling van toegekende en aan de individuele begunstigde medegedeelde stimulansen voor 1 januari 2025 Als een besluit om een financiële stimulans te verstrekken reeds voor 1 januari 2025 door een openbaar orgaan is genomen en aan de individuele begunstigde is medegedeeld, dan zijn er vóór die datum legitieme verwachtingen gewekt en kan de daadwerkelijke uitbetaling van die financiële stimulansen na die datum plaatsvinden. |
4.4. Uitzonderingen
Artikel 17, lid 15, voorziet in een uitzondering op het verbod op financiële stimulansen voor de installatie van fossiel gestookte op zichzelf staande verwarmingsketels na 1 januari 2025 als de investeringsstimulansen gelijktijdig aan twee voorwaarden voldoen:
|
1) |
ze worden gefinancierd krachtens:
en |
|
2) |
ze zijn vóór 2025 geselecteerd voor investering. |
In dit kader worden ze, indien financiële stimulansen voor verwarmingsketels deel uitmaken van nationale of regionale programma’s die krachtens de voormelde EU-fondsen vóór 1 januari 2025 zijn goedgekeurd, beschouwd als vóór die datum “geselecteerd voor investering”.
In het geval van de EFRO en het Cohesiefonds verwijst deze uitzondering bijvoorbeeld naar investeringen in aardgasgestookte verwarmingsketels die deel uitmaken van een vóór 1 januari 2025 goedgekeurd nationaal of regionaal cohesiebeleid voor 2021-2027 dat in het kader van de EFRO en/of het Cohesiefonds in aanmerking komt voor steun, overeenkomstig Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en van de Raad (28).
In het geval van de herstel- en veerkrachtfaciliteit verwijst deze uitzondering naar investeringen die deel uitmaken van een nationaal herstel- en veerkrachtplan zoals goedgekeurd via een uitvoeringsbesluit van de Raad.
In het geval van investeringen in plattelandsontwikkeling in het kader van de strategische GLB-plannen verwijst deze uitzondering naar investeringen die deel uitmaken van de nationale strategische GLB-plannen zoals goedgekeurd door de Commissie.
De uitzondering beoogt ervoor te zorgen dat alle investeringen zoals overeengekomen (in de programma’s, plannen en wijzigingen daarvan) vóór 1 januari 2025 kunnen worden voltooid, ongeacht wanneer de projectoproepen en alle daaropvolgende stappen worden ondernomen.
5. WELDRA VERWACHT RELEVANT RICHTSNOER
De Commissie ontwikkelt een richtsnoer met betrekking tot de nieuwe en ingrijpend gewijzigde bepalingen van de herziene EPBD met het oog op de omzettingstermijn. Dit omvat een richtsnoer met betrekking tot wat overeenkomstig de verplichting op grond van artikel 13, lid 8, van de herziene EPBD beschouwd wordt een als fossiel gestookte verwarmingsketel.
(1) Richtlijn (EU) 2024/1275 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PB L, 2024/1275, 8.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1275/oj).
(2) Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1).
(3) Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).
(4) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82) en Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (PB L, 2023/2413, 31.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2023/2413/oj).
(5) Zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 12, van Richtlijn (EU) 2023/1791 inzake energie-efficiëntie.
(6) Financiering door middel van regelingen van witte certificaten valt onder het begrip “financiële stimulansen” voor zover de financiering kan worden beschouwd als financiering door of onder toezicht van de overheid.
(7) Artikel 17, lid 7, verwijst naar “de benutting van financieringsmogelijkheden en financiële instrumenten, zoals op energie-efficiëntie gerichte leningen en hypotheken voor de renovatie van gebouwen, energieprestatiecontracten, “pay-as-you-save”-regelingen, fiscale stimulansen, bijvoorbeeld verlaagde belastingtarieven voor renovatiewerken en -materialen, belastingregelingen, financiering via de energierekening, garantiefondsen, fondsen voor grondige renovaties, fondsen voor renovaties met een significante minimumdrempel voor gerichte energiebesparingen en normen voor hypotheekportefeuilles”.
(8) Zie artikel 38 bis van Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1), en punt 4.2 van de Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (PB C 80 van 18.2.2022, blz. 1).
(9) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, p. 65).
(10) ( Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking) (PB L 231 van 20.9.2023, blz. 1).
(11) In artikel 31 bis van de richtlijn hernieuwbare energie wordt bepaald dat de Commissie er voor 21 november 2024 voor moet zorgen dat een Uniedatabank wordt opgezet om vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstoffen en hergebruikte koolstofrijke brandstoffen te kunnen traceren. In de gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1184 van de Commissie wordt een Uniemethode vastgesteld waarin gedetailleerde regels uiteen worden gezet voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong.
(12) Waaronder Verordening (EU) 2021/1119 Europese klimaatwet, Verordening (EU) 2018/842 veordening inzake de verdeling van de inspanningen, Richtlijn (EU) 2023/2413 richtlijn hernieuwbare energie en Richtlijn (EU) 2023/1791 inzake energie-efficiëntie.
(13) Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).
(14) Gedelegeerde Verordening (EU) 811/2013 van de Commissie van 18 februari 2013 ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (PB L 239 van 6.9.2013, blz. 1)
(15) Zie het Europees productregister voor energie-etikettering (Eprel). Ga voor een lijst van ruimteverwarmingstoestellen en het aantal modellen per klasse en de frequentie per klasse naar de openbare website van Eprel (europa.eu) en klik op de verdeling van modellen op basis van de prestatieklasse.
(16) Hybride verwarmingsketels maken in Gedelegeerde Verordening (EU) 811/2013 van de Commissie deel uit van warmtepompen/pakketten en komen als zodanig in aanmerking voor stimulansen.
(17) In de richtlijn hernieuwbare energie wordt biomassa gedefinieerd als “de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van afval, met inbegrip van industrieel en huishoudelijk afval van biologische oorsprong”. De verwijzing naar “speciaal ontworpen” is van belang voor verwarmingsketels die ontworpen zijn om te werken op bv. ruw biogas met een hoog aandeel onzuiverheden.
(18) Verwarmingsketels op biomassa met een vermogen tot 70 kW vallen onder Verordening (EU) 2015/1187 van 27 april 2015 betreffende de energie-etikettering van verwarmingsketels op vaste brandstoffen en pakketten bestaande uit een verwarmingsketel voor vaste brandstoffen, aanvullende verwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties.
(19) Indien biomassabrandstoffen worden gebruikt in elektriciteit-, warmte- en koelingproducerende installaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van 7,5 MW of meer voor vaste biomassabrandstoffen en 2 MW of meer voor gasvormige biobrandstoffen, moet voldaan worden aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria zoals vastgelegd in artikel 29 van de richtlijn hernieuwbare energie. In dergelijke gevallen is controle op de naleving van deze criteria overeenkomstig de in artikel 30 van die richtlijn vastgelegde regels.
(20) Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1); Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1).
(21) Verordening (EU) 2023/839 van het Europees Parlement en de Raad van 19 april 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2018/841 wat betreft het toepassingsgebied, vereenvoudiging van de rapportage- en nalevingsvoorschriften, en vaststelling van de streefcijfers voor de lidstaten voor 2030, en van Verordening (EU) 2018/1999 wat betreft verbetering van monitoring, rapportage, het volgen van de vooruitgang en beoordeling (PB L 107 van 21.4.2023, blz. 1).
(22) Zie voetnoot 8. In het bijzonder moeten lidstaten die voorzien in de toekenning van dergelijke stimulansen in het kader van een renovatieplan gericht op verbetering van de energie- of milieuprestaties van een gebouw op grond van punt 4.2 van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie, de Commissie in kennis stellen en wachten op haar beoordeling voordat zij hun steunregelingen opzetten.
(23) Aanbeveling (EU) 2023/2407 van de Commissie van 20 oktober 2023 over energiearmoede (PB L, 2023/2407, 23.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2023/2407/oj).
(24) Verordening (EU) 2023/955 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot oprichting van een sociaal klimaatfonds en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1060 (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 1)
(25) Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17)
(26) Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 60)
(27) Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1)
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6206/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)