ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

26 februari 2026 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Luchtvrachtmarkt – Besluit van de Europese Commissie waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer wordt vastgesteld – Onderlinge afstemming van onderdelen van de prijs voor luchtvrachtdiensten (brandstoftoeslag, veiligheidstoeslag, en weigering van betaling van commissies over toeslagen) – Inkomende luchtvrachtdiensten – Territoriale bevoegdheid van de Commissie – Gekwalificeerde gevolgen – Enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd – Vervanging van de motivering – Mededingingsbeperking‚ ‚naar strekking’ – Onderzoek van de economische en juridische context – Strekking – Criteria voor de kwalificatie als één enkele voortdurende inbreuk – Aansprakelijkheid voor alle gedragingen waaruit die inbreuk bestaat – Voorwaarden – Duur van de deelname aan een dergelijke inbreuk – Ontbreken van bewijs voor de deelname aan een onderdeel van die inbreuk in de loop van perioden van enige omvang – Gelijke behandeling”

In zaak C‑401/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 16 juni 2022,

Cargolux Airlines International SA, gevestigd te Sandweiler (Luxemburg), vertegenwoordigd door E. Aliende Rodríguez, abogada,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Dawes, N. Khan en I. Söderlund als gemachtigden, vervolgens door A. Dawes en I. Söderlund als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 april 2024,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,

het navolgende

Arrest

1

Met haar hogere voorziening verzoekt Cargolux Airlines International SA (hierna: „Cargolux”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2022, Cargolux Airlines/Commissie (T‑334/17, EU:T:2022:178; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 – Luchtvracht) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit besluit haar betreft, en subsidiair tot nietigverklaring of tot verlaging van de haar bij dit besluit opgelegde geldboete.

Toepasselijke bepalingen

Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer

2

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 73, met rectificatie in PB 2015, L 210, blz. 38) (hierna: „Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer”) is in werking getreden op 1 juni 2002. De artikelen 8 en 9 van deze overeenkomst stemmen mutatis mutandis overeen met respectievelijk de artikelen 101 en 102 VWEU.

3

Artikel 11 van deze overeenkomst luidt als volgt:

„1.   De bepalingen van artikel 8 en 9 worden toegepast […] door de instellingen van de Gemeenschap in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vermeld in de bijlage bij deze overeenkomst, met inachtneming van de behoefte aan intensieve samenwerking tussen de instellingen van de Gemeenschap en de Zwitserse autoriteiten.

2.   De Zwitserse autoriteiten beslissen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 en 9, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen […] met betrekking tot routes tussen Zwitserland en derde landen.”

VWEU

4

Artikel 101, lid 1, VWEU bepaalt:

„Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in:

a)

het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden,

b)

het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen,

c)

het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen,

[…]”

EER-Overeenkomst

5

Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”) stemt mutatis mutandis overeen met artikel 101 VWEU.

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

6

De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit, zoals deze in de punten 1 tot en met 60 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen ten behoeve van de onderhavige procedure worden samengevat als volgt.

7

Cargolux is een luchtvaartmaatschappij die actief is op de markt voor luchtvrachtdiensten.

8

In de vrachtsector verzorgen luchtvaartmaatschappijen het vervoer van vrachtladingen door de lucht (hierna: „vervoerders”). Gewoonlijk verrichten de vervoerders vrachtdiensten voor expediteurs, die het vervoer van deze ladingen regelen namens de verzenders. Als tegenprestatie betalen deze expediteurs aan de vervoerders een prijs die bestaat uit tarieven per kilogram en verschillende toeslagen.

Administratieve procedure

9

Op 7 december 2005 heeft de Europese Commissie uit hoofde van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3) een verzoek om immuniteit ontvangen van Deutsche Lufthansa AG en twee van haar dochtermaatschappijen, Lufthansa Cargo AG en Swiss International Air Lines AG. Volgens dit verzoek bestonden er tussen verschillende vervoerders mededingingsverstorende contacten over onderdelen van de prijs van op de luchtvrachtmarkt verrichte diensten, namelijk over de invoering van de zogenoemde „brandstof- en veiligheidstoeslagen” en de weigering van deze vervoerders om de expediteurs een commissie over toeslagen te betalen (hierna: „weigering om commissies te betalen”).

10

Op 14 en 15 februari 2006 heeft de Commissie in de bedrijfsruimten van verschillende vervoerders onaangekondigde inspecties verricht.

11

Na die inspecties hebben verschillende vervoerders, waaronder Cargolux, een verzoek om immuniteit ingediend op grond van de in punt 9 van het onderhavige arrest genoemde mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken.

12

Op 19 december 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan 27 vervoerders, waaronder Cargolux, die vervolgens schriftelijke opmerkingen hebben ingediend. Tussen 30 juni en 4 juli 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Oorspronkelijk besluit

13

Op 9 november 2010 heeft de Commissie besluit C(2010) 7694 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (zaak COMP/39258 – Luchtvracht) (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld. Dit besluit was gericht tot 21 vervoerders, waaronder Cargolux.

14

In dat besluit werd uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders hun handelwijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten hadden gecoördineerd door afspraken te maken over de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en zodoende hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, die plaatsvond op het grondgebied van de EER en Zwitserland.

Arresten van 16 december 2015

15

Bij arrest van 16 december 2015, Cargolux Airlines/Commissie (T‑39/11, EU:T:2015:991), heeft het Gerecht het oorspronkelijke besluit nietig verklaard voor zover het betrekking had op Cargolux. Bij twaalf andere arresten van dezelfde dag heeft het Gerecht dit besluit eveneens geheel of gedeeltelijk nietig verklaard voor zover het betrekking had op twaalf andere vervoerders of groepen van vervoerders.

16

Het Gerecht was van oordeel dat dit besluit ontoereikend was gemotiveerd.

Litigieus besluit

17

Op 20 mei 2016 heeft de Commissie een brief gestuurd aan de vervoerders die in het oorspronkelijke besluit waren genoemd en daartegen beroep hadden ingesteld bij het Gerecht. In die brief werd deze vervoerders meegedeeld dat zij voornemens was om in een nieuw besluit vast te stellen dat zij hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer op alle in dat oorspronkelijke besluit vermelde routes. Er werd hun een termijn van een maand toegekend om opmerkingen in te dienen. Zij hebben allen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.

18

Op 17 maart 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld ten aanzien van 19 vervoerders, waaronder Cargolux.

19

In het litigieuze besluit wordt uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders ten aanzien van de wereldwijde verrichting van luchtvrachtdiensten onderlinge prijsafspraken hebben gemaakt met betrekking tot de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen (hierna: „litigieuze mededingingsregeling”), en zodoende één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer hebben gepleegd.

20

In punt 4 van dit besluit, met het opschrift „Beschrijving van de feiten”, heeft de Commissie met name aangegeven dat het onderzoek een wereldwijd kartel aan het licht had gebracht dat was gebaseerd op een netwerk van bilaterale en multilaterale contacten tussen concurrenten die gedurende lange tijd in stand waren gehouden en betrekking hadden op de handelwijze die zij besloten of gepland hadden te volgen dan wel overwogen te volgen, met betrekking tot de verschillende in het vorige punt vermelde onderdelen van de prijs voor vrachtdiensten. Zij heeft benadrukt dat dit netwerk van contacten het gemeenschappelijke doel had om de tariefbepaling van de concurrenten af te stemmen of de onzekerheid over hun prijsbeleid weg te nemen. Vervolgens heeft zij beschreven welke contacten hadden plaatsgevonden betreffende respectievelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en een feitelijke beoordeling gemaakt van het bewijs betreffende zowel de litigieuze mededingingsregeling in haar geheel als elk van de adressaten van dat besluit afzonderlijk.

21

In punt 5 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Toepassing van de relevante mededingingsregels”, heeft de Commissie artikel 101 VWEU op de feiten van de zaak toegepast, waarbij zij heeft gepreciseerd dat de verwijzingen naar dat artikel tevens moesten worden geacht te verwijzen naar artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, aangezien die bepalingen van overeenkomstige toepassing waren, tenzij anderszins werd vermeld.

22

De Commissie heeft in dit verband de grenzen van haar temporele en territoriale bevoegdheid onderzocht om in het onderhavige geval een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen.

23

Eerst heeft zij in de overwegingen 822 tot en met 832 van het litigieuze besluit onder punt 5.2 ervan, met het opschrift „Bevoegdheid van de Commissie”, in essentie aangegeven dat zij om te beginnen artikel 101 VWEU niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Europese Unie en luchthavens buiten de EER (hierna: „Unie-derdelandenroutes”) die vóór 1 mei 2004 plaatsvonden, dat zij vervolgens artikel 53 van de EER-Overeenkomst niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen die vóór 19 mei 2005 plaatsvonden met betrekking tot Unie-derdelandenroutes en met betrekking tot routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst maar geen lid zijn van de Unie en luchthavens in derde landen [hierna: „EER(zonder Unie)-derdelandenroutes”], en dat zij ten slotte artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Unie en luchthavens in Zwitserland (hierna: „Unie-Zwitserlandroutes”) die vóór 1 juni 2002 plaatsvonden. Zij heeft in overweging 832 van het litigieuze besluit verduidelijkt dat dit „niet [was] bedoeld om eventuele schendingen van artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] vast te stellen ter zake van luchtvrachtdiensten […] tussen Zwitserland en derde landen”.

24

Vervolgens heeft de Commissie in punt 5.3.8 („Toepasselijkheid van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op inkomende vliegroutes”) van het litigieuze besluit, dat de overwegingen 1036 tot en met 1046 omvat, uiteengezet waarom zij de argumenten afwees waarmee verschillende beschuldigde vervoerders aanvoerden dat zij de grenzen van haar territoriale bevoegdheid ten aanzien van de regels van internationaal publiekrecht had overschreden door een inbreuk op deze twee bepalingen vast te stellen en deze te bestraffen met betrekking tot de routes vanuit derde landen naar de EER (hierna: „inkomende routes” en, met betrekking tot de op deze routes aangeboden vrachtdiensten, „inkomende vrachtdiensten”).

25

Meer bepaald heeft de Commissie er in overweging 1045 van dat besluit op gewezen dat mededingingsverstorende praktijken in derde landen op het gebied van inkomende vrachtdiensten „geacht kunnen worden onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen te hebben binnen de [Unie en de EER], aangezien de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen zullen hebben voor de consumenten in de EER”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat die praktijken in het onderhavige geval ook dergelijke gevolgen konden hebben voor de verrichting van luchtvrachtdiensten door andere vervoerders binnen de EER, tussen de verschillende „hubs” in de EER die door vervoerders uit derde landen werden gebruikt en de luchthavens van bestemming binnen de EER waarnaar vracht werd vervoerd door de vervoerders uit derde landen die niet zelf op de betreffende bestemmingen vlogen.

26

Bovendien heeft zij in overweging 1046 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling „mondiaal actief” was, dat de regelingen betreffende de inkomende routes een integraal onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vormden en dat de uniforme toepassing van de toeslagen op mondiale schaal een essentieel element van de mededingingsregeling was.

27

Punt 5.3 van het litigieuze besluit, betreffende de toepassing in de onderhavige zaak van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, omvat de overwegingen 833 tot en met 1052. Ten eerste heeft de Commissie in overweging 846 van dat besluit geoordeeld dat de beschuldigde vervoerders hun gedragingen onderling hadden afgestemd en/of prijsstellingen hadden beïnvloed, „hetgeen uiteindelijk [had] geleid tot onderling afgestemde prijzen met betrekking tot” de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies over die toeslagen aan de expediteurs. In overweging 861 van datzelfde besluit heeft de Commissie vastgesteld dat het „algemeen plan om de tarieven voor luchtvrachtdiensten op elkaar af te stemmen” dat door haar onderzoek aan het licht was gekomen, aantoonde dat er sprake was van „een complexe inbreuk […], bestaande uit verschillende maatregelen die hetzij als overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden gekwalificeerd, waarbij de concurrenten de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust hebben vervangen door een feitelijke samenwerking”.

28

Ten tweede heeft de Commissie in overweging 869 van het litigieuze besluit geoordeeld dat „de gedragingen in de onderhavige zaak één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 [VWEU vormden]”, waarbij zij in de overwegingen 870 tot en met 902 ervan heeft toegelicht dat de betrokken afspraken slechts één mededingingsverstorend doel dienden, namelijk om de mededinging binnen de luchtvrachtsector in de EER te vervalsen, dat zij betrekking hadden op de verrichting van vrachtdiensten en de daarvoor geldende prijzen, dat steeds dezelfde ondernemingen daarbij betrokken waren, dat die afspraken één enkele voortdurende inbreuk vormden, en dat zij betrekking hadden op drie onderdelen, namelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Daarbij heeft de Commissie in overweging 881 van het litigieuze besluit aangegeven dat Cargolux betrokken was bij alle drie deze onderdelen.

29

Ten derde heeft de Commissie in overweging 903 van dat besluit vastgesteld dat de betrokken mededingingsverstorende gedraging ertoe strekte de mededinging in ten minste de Unie, de EER en Zwitserland te beperken. In overweging 917 ervan heeft zij daaraan in essentie toegevoegd dat dan ook geen acht hoefde te worden geslagen op de concrete gevolgen van deze gedraging.

30

Ten vierde heeft de Commissie in de overwegingen 972 tot en met 1021 van het litigieuze besluit de regelgeving van zeven derde landen onderzocht, waarvan verschillende beschuldigde vervoerders stelden dat die regelgeving hen ertoe verplichtte om de toeslagen onderling af te stemmen en zodoende in de weg stond aan de toepassing van de relevante mededingingsregels. Zij was van oordeel dat deze vervoerders niet hadden aangetoond dat zij onder dwang van die derde landen hadden gehandeld.

31

Ten vijfde heeft de Commissie in de overwegingen 1024 tot en met 1035 van dat besluit geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk de handel tussen de lidstaten, tussen de partijen bij de EER-Overeenkomst en tussen de partijen bij de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer merkbaar ongunstig kon beïnvloeden.

32

Punt 7 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Duur van de inbreuk”, omvat de overwegingen 1146 tot en met 1169 ervan. Blijkens overweging 1146 van dat besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling op 7 december 1999 was begonnen en tot en met 14 februari 2006 had voortgeduurd. Zij heeft in deze overweging 1146 verduidelijkt dat deze mededingingsregeling een inbreuk vormde op:

–

artikel 101 VWEU voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006, met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de Unie;

–

artikel 101 VWEU voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-derdelandenroutes;

–

artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de EER;

–

artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes;

–

artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer voor de periode van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-Zwitserlandroutes.

33

In overweging 1169 van het litigieuze besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de inbreuk, wat Cargolux betrof, had geduurd van 22 januari 2001 tot en met 14 februari 2006.

34

In punt 8 van dat besluit heeft de Commissie zich gebogen over de te nemen corrigerende maatregelen en de op te leggen geldboeten, daarbij verwijzend naar richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2). Zij heeft met name op basis van punt 37 van deze richtsnoeren de basisbedragen van de geldboeten met 50 % verlaagd omdat een deel van de diensten met betrekking tot de inkomende routes en de uitgaande routes vanuit de EER naar derde landen, met uitzondering van Unie-Zwitserlandroutes, buiten het door de EER-Overeenkomst bestreken grondgebied werden verricht, en een deel van de schade die was ontstaan dus wellicht buiten dat grondgebied viel. Voorts heeft de Commissie overeenkomstig punt 29 van die richtsnoeren de beschuldigde vervoerders een aanvullende verlaging van de basisbedragen van 15 % toegekend, op grond dat bepaalde reguleringsstelsels de litigieuze mededingingsregeling hadden aangemoedigd.

35

De artikelen 1, 3 en 4 van het dispositief van het litigieuze besluit luiden als volgt:

„Artikel 1

Door hun prijsstellingsgedrag bij het wereldwijd verrichten van luchtvrachtdiensten te coördineren ten aanzien van de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van over toeslagen verschuldigde commissies hebben de volgende ondernemingen één enkele voortgezette inbreuk gepleegd op artikel 101 [VWEU], artikel 53 van de [EER-Overeenkomst] en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer met betrekking tot de volgende routes en voor de volgende perioden:

1)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft routes tussen luchthavens binnen de EER, voor de volgende perioden:

[…]

f)

[Cargolux] van 22 januari 2001 tot en met 14 februari 2006;

[…]

2)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU wat betreft [Unie-derdelandenroutes], voor de volgende perioden:

[…]

f)

[Cargolux] van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006;

[…]

3)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft [EER(zonder Unie)-derdelandenroutes] voor de volgende perioden:

[…]

f)

[Cargolux] van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006;

[…]

4)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] wat betreft [Unie-Zwitserlandroutes], voor de volgende perioden:

[…]

f)

[Cargolux] van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006;

[…]

Artikel 3

Voor de in artikel 1 bedoelde enkele voortgezette inbreuk […] worden de volgende geldboeten opgelegd:

[…]

f)

[Cargolux]: 79900000 [EUR];

[…]

Artikel 4

De in artikel 1 genoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in dat artikel bedoelde enkele en voortgezette inbreuk, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan.

Zij onthouden zich tevens van herhaling van alle in artikel 1 genoemde handelingen en gedragingen met eenzelfde of soortgelijk doel of gevolg.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

36

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 mei 2017, heeft Cargolux beroep ingesteld dat strekte tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1 van het litigieuze besluit, voor zover dit op haar betrekking heeft, en tot nietigverklaring van de haar bij artikel 3, onder f), van dat besluit opgelegde geldboete of, subsidiair, tot verlaging van het bedrag ervan, alsmede tot „de daarmee samenhangende vaststelling van de nodige maatregelen met betrekking tot artikel 4 van [dat besluit]”, voor zover dit op haar betrekking heeft.

37

Ter ondersteuning van dit beroep heeft Cargolux zeven middelen tot nietigverklaring aangevoerd, alsmede negen argumenten op grond waarvan zij verzocht om nietigverklaring of verlaging van de haar opgelegde geldboete.

38

Cargolux heeft onder andere aangevoerd dat er sprake was van een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfout bij de toepassing van artikel 101 VWEU in verband met de vaststelling van een inbreuk naar strekking (derde middel), een kennelijke beoordelingsfout, niet-naleving van een wezenlijk vormvoorschrift en schending van de motiveringsplicht en van het recht om te worden gehoord bij de vaststelling van de draagwijdte en de criteria van de enkele voortdurende inbreuk (vierde middel), feitelijke onjuistheden en kennelijke beoordelingsfouten bij de vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels en haar deelname daaraan (vijfde middel), onbevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten (zesde middel) alsmede fouten bij de berekening van het bedrag van de geldboete (zevende middel).

39

Daarnaast heeft het Gerecht ambtshalve een middel aan de orde gesteld dat is ontleend aan de onbevoegdheid van de Commissie om krachtens de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer schending van artikel 53 van de EER-Overeenkomst op routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, maar die geen lid zijn van de Unie, en luchthavens in Zwitserland, vast te stellen en te bestraffen.

40

Acht van de negen argumenten die waren aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek om verlaging van de geldboete kwamen overeen met de argumenten die tot staving van het zevende middel tot nietigverklaring waren aangevoerd. In antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang van het Gerecht met betrekking tot het middel dat het ambtshalve aan de orde had gesteld, heeft Cargolux daaraan een negende argument toegevoegd, dat betrekking had op de verkopen op laatstgenoemde routes.

41

Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht al deze middelen, ook datgene dat het ambtshalve aan de orde had gesteld, ongegrond verklaard. Het heeft met name in punt 401 van dat arrest in essentie vastgesteld dat de omvang van de in de overwegingen 250 en 350 van het litigieuze besluit genoemde contacten waarbij Cargolux betrokken was, moest worden genuanceerd en, in punt 445 van dat arrest, dat de Commissie in de overwegingen 750 en 880 van dat besluit ten onrechte had geoordeeld dat Cargolux had deelgenomen aan de in overweging 387 ervan bedoelde bijeenkomst. Niettemin heeft het Gerecht in punt 447 van het bestreden arrest in essentie geoordeeld dat dit niet rechtvaardigde dat aan Cargolux een verdere verlaging van de geldboete wegens verzachtende omstandigheden werd toegekend. Het Gerecht heeft uiteindelijk in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het eindbedrag van de aan Cargolux op te leggen geldboete in punt 647 van het bestreden arrest vastgesteld op 79900000 EUR. Aangezien dit bedrag gelijk was aan dat van de geldboete die bij het litigieuze besluit aan Cargolux was opgelegd, heeft het Gerecht eveneens de vordering van deze onderneming tot wijziging van het bedrag van de geldboete afgewezen.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

42

Met haar hogere voorziening verzoekt Cargolux het Hof:

–

het bestreden arrest te vernietigen;

–

artikel 1, leden 1 tot en met 4, van het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover dit op haar betrekking heeft;

–

subsidiair, deze bepalingen gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover deze haar en de gedraging met betrekking tot de weigering om commissies te betalen en/of de veiligheidstoeslag betreffen, en/of artikel 1, leden 2 en 3, van dat besluit nietig te verklaren voor zover dit haar en de inkomende routes betreft, en hoe dan ook de bij artikel 3, onder f), van dat besluit aan haar opgelegde geldboete dienovereenkomstig te verlagen;

–

de bij artikel 3, onder f), van het litigieuze besluit aan haar opgelegde geldboete nietig te verklaren of, subsidiair, deze aanzienlijk te verlagen;

–

subsidiair, indien het Hof vaststelt dat de zaak niet in staat van wijzen is, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht;

–

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof en het Gerecht, en

–

alle andere in de omstandigheden van de zaak passende maatregelen te gelasten.

43

De Commissie verzoekt het Hof:

–

de hogere voorziening af te wijzen en Cargolux te verwijzen in de kosten, en

–

subsidiair, indien het Hof de hogere voorziening zou toewijzen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

Hogere voorziening

44

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Cargolux vier middelen aan. Met haar eerste middel voert zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door te bevestigen dat de Commissie bevoegd is om een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vast te stellen en te bestraffen met betrekking tot inkomende routes. Met haar tweede middel betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en haar rechten van verdediging heeft geschonden door de vaststelling van de Commissie te bevestigen dat de gedraging waaraan Cargolux had deelgenomen, een inbreuk naar strekking vormde. Met haar derde middel stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de formulering en toepassing van het juridische criterium aan de hand waarvan een enkele voortdurende inbreuk kan worden vastgesteld alsmede bij de bevestiging van het litigieuze besluit voor zover Cargolux daarbij wegens een dergelijke inbreuk wordt bestraft. Met haar vierde middel, dat subsidiair wordt aangevoerd, betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat zij aansprakelijk was voor alle aspecten van de enkele voortdurende inbreuk, terwijl haar deelname aan die inbreuk beperkt was.

Eerste middel, betreffende de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten

45

Het eerste middel van Cargolux bestaat uit zes onderdelen. Met het eerste onderdeel stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een onjuist juridisch criterium toe te passen teneinde te bevestigen dat de Commissie bevoegd was om de gedraging met betrekking tot de inkomende routes te bestraffen. Met het tweede onderdeel betoogt zij dat het Gerecht hoe dan ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie zich had gekweten van haar verplichting om aan te tonen dat in casu was voldaan aan het criterium dat is gebaseerd op de gekwalificeerde gevolgen van de mededingingsverstorende praktijken in de Unie (hierna: „criterium van de gekwalificeerde gevolgen”). Met het derde onderdeel voert zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verklaren dat de Commissie haar bevoegdheid voor inkomende vrachtdiensten kon vaststellen op basis van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd. Met het vierde onderdeel betoogt zij dat het Gerecht ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd toen het heeft bevestigd dat de Commissie bevoegd was. Met het vijfde onderdeel stelt zij dat het Gerecht ten onrechte zijn eigen motivering met betrekking tot de bevoegdheid van de Commissie in de plaats heeft gesteld van die in het litigieuze besluit. Met het zesde onderdeel wordt betoogd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de rechten van de verdediging heeft geschonden door zich bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het litigieuze besluit te baseren op argumenten en een analyse die voor het eerst in de loop van de procedure voor het Gerecht naar voren zijn gebracht.

46

Het eerste, het tweede, het vierde tot en met het zesde, en het derde onderdeel moeten achtereenvolgens worden onderzocht.

Eerste onderdeel: criterium aan de hand waarvan de bevoegdheid van de Commissie ten aanzien van inkomende vrachtdiensten kan worden vastgesteld

– Argumenten van partijen

47

Onder verwijzing naar de punten 103 en 115 van het bestreden arrest voert Cargolux aan dat de bevoegdheid van de Commissie om een gedraging buiten de Unie of de EER te bestraffen, niet kan worden vastgesteld op basis van het internationaal publiekrecht. Doorslaggevend is in dit verband het Unierecht, in het bijzonder de bewoordingen van artikel 101, lid 1, VWEU. De Commissie moet dus aantonen dat de betrokken overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging „binnen de interne markt” wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

48

Dit is het geval wanneer is voldaan aan het in het arrest van 27 september 1988, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie (89/85, 104/85, 114/85, 116/85, 117/85 en 125/85‑129/85, EU:C:1988:447, punt 12) omschreven criterium dat is gebaseerd op de plaats waar de mededingingsverstorende praktijken ten uitvoer zijn gelegd (hierna: „uitvoeringscriterium”): goederen of diensten moeten rechtstreeks aan afnemers in de Unie zijn verkocht of binnen de interne markt moeten prijsverhogingen zijn doorgevoerd, en er moeten bestellingen zijn geplaatst door in de EER gevestigde klanten. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, moet overeenkomstig de punten 22 en 28 van het arrest van 28 april 1998, Javico (C‑306/96, EU:C:1998:173), worden aangetoond dat de betrokken gedraging leidt tot een beperking van de mededinging op de interne markt. De bewijsvoering vergt dus meer dan louter de vervulling van het internationaalrechtelijk criterium van de gekwalificeerde gevolgen.

49

Het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), ontslaat de Commissie niet van haar verplichting om de vereisten van artikel 101 VWEU na te leven. Het Hof heeft in dat arrest namelijk niet geoordeeld dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen volstaat om de Unierechtelijke bevoegdheid van de Commissie vast te stellen. Dit criterium dient enkel om te bepalen of de toepassing van artikel 101 VWEU verenigbaar is met het internationaal publiekrecht.

50

De conclusie in punt 183 van het bestreden arrest is derhalve onjuist. De overwegingen 1042 tot en met 1046 van het litigieuze besluit voldoen niet aan het juridische criterium dat van toepassing is voor de vaststelling van de bevoegdheid van de Commissie om op grond van artikel 101, lid 1, VWEU kennis te nemen van handelingen die buiten de Unie hebben plaatsgevonden. Zoals in punt 131 van dat arrest is aangegeven, zijn immers nagenoeg alle inkomende vrachtdiensten buiten de EER verricht. Dat de gedraging in kwestie tot doel had de mededinging op de interne markt te beperken is dus niet aangetoond.

51

Punt 121 van het bestreden arrest is ook onjuist voor zover het Gerecht in dat punt de Commissie vrijstelt van de verplichting om de mededingingsverstorende gevolgen op de interne markt te onderzoeken. Dit is in strijd met de vereisten die voortvloeien uit punt 15 van het arrest van 28 april 1998, Javico (C‑306/96, EU:C:1998:173). Daaruit blijkt volgens Cargolux dat gedragingen die de mededinging aantasten slechts op grond van artikel 101 VWEU kunnen worden bestraft indien zij de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Dit geldt ook wanneer het gaat om een inbreuk naar strekking. In de punten 20 en 21 van dit arrest wordt overigens gesteld dat overeenkomsten die uitsluitend bedoeld zijn om buiten de Unie te gelden niet tot doel hebben de mededinging binnen de Unie te beperken, ook al zouden zij als inbreuk naar strekking worden gekwalificeerd indien zij binnen de Unie zouden gelden.

52

De Commissie betwist dit betoog.

– Beoordeling door het Hof

53

In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het Hof in punt 46 van zijn arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), naar aanleiding van een middel waarmee het Gerecht werd verweten te hebben geoordeeld dat de bevoegdheid van de Commissie om krachtens artikel 102 VWEU een gedraging die buiten de Unie heeft plaatsgevonden vast te stellen en te bestraffen, volgens de regels van het internationaal publiekrecht kon worden vastgesteld aan de hand van het uitvoeringscriterium dan wel aan de hand van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, heeft geoordeeld dat het enkele criterium van de gekwalificeerde gevolgen als grondslag kan dienen voor de bevoegdheid van de Commissie.

54

Het Hof is tot deze slotsom gekomen nadat het in de punten 42 en 45 van dat arrest erop heeft gewezen dat, ten eerste, de in de artikelen 101 en 102 VWEU vervatte mededingingsregels van de Unie tot doel hebben collectieve en eenzijdige gedragingen van ondernemingen aan te pakken die de mededinging binnen de interne markt beperken en, ten tweede, het uitvoeringscriterium en het criterium van de gekwalificeerde gevolgen hetzelfde doel nastreven, namelijk gedragingen aanpakken die inderdaad niet op het grondgebied van de Unie hebben plaatsgevonden, maar waarvan de mededingingsverstorende gevolgen merkbaar kunnen zijn op de markt van de Unie.

55

Hieruit volgt dat het uitvoeringscriterium en het criterium van de gekwalificeerde gevolgen alternatieven zijn en dat slechts één van die criteria op zich volstaat om volgens de regels van het internationaal publiekrecht te rechtvaardigen dat de Commissie bevoegd is om het mededingingsrecht van de Unie toe te passen op een gedraging die buiten de Unie heeft plaatsgevonden.

56

Cargolux kan derhalve niet met succes aanvoeren dat de bevoegdheid van de Commissie om op grond van het Unierecht een gedraging buiten de Unie of de EER aan te pakken alleen kan worden vastgesteld wanneer wordt aangetoond dat de betrokken overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, hetgeen enkel aan de hand van het uitvoeringscriterium kan worden vastgesteld.

57

Cargolux beroept zich in dit verband eveneens tevergeefs op de punten 20 tot en met 22 en 28 van het arrest van 28 april 1998, Javico (C‑306/96, EU:C:1998:173). Deze punten hebben namelijk geen betrekking op de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 of artikel 102 VWEU toe te passen op gedragingen buiten de Unie of de EER, maar op het materiële criterium voor de toepassing van die bepalingen op een bepaalde gedraging. Die punten hebben dus betrekking op een andere kwestie, namelijk die inzake het mededingingsverstorende karakter van de in die zaak aan de orde zijnde overeenkomsten, en meer bepaald op de vraag of de in die zaak genoemde gedraging ertoe strekte of tot gevolg had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt merkbaar werd beperkt en de handel tussen de lidstaten ongunstig kon beïnvloeden, alsook op de elementen die bij deze beoordeling in aanmerking moeten worden genomen.

58

Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 115 en 183 van het bestreden arrest in essentie te oordelen dat de Commissie zich op het criterium van de gekwalificeerde gevolgen kon baseren om vast te stellen dat zij bevoegd was om kennis te nemen van de litigieuze mededingingsregeling voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten.

59

In de tweede plaats moet het betoog van Cargolux dat is gericht tegen punt 121 van het bestreden arrest, voor zover Cargolux daarbij aanvoert dat het Gerecht de Commissie ten onrechte heeft vrijgesteld van de verplichting om de mededingingsverstorende gevolgen op de interne markt te onderzoeken en zich beroept op punt 15 van het arrest van 28 april 1998, Javico (C‑306/96, EU:C:1998:173), worden afgewezen om een soortgelijke reden als die welke in punt 57 van het onderhavige arrest reeds is uiteengezet. In dat punt 15 heeft het Hof er immers in essentie enkel aan herinnerd dat gedragingen die de mededinging aantasten slechts op grond van artikel 101, lid 1, VWEU kunnen worden bestraft indien zij bovendien de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden.

60

Verder heeft het Gerecht inderdaad in punt 121 van het bestreden arrest geoordeeld dat in het geval van een gedraging waarvan de Commissie, zoals in deze zaak, heeft vastgesteld dat de mededinging op de interne markt of binnen de EER daardoor zodanig nadelig wordt beïnvloed dat die gedraging als mededingingsbeperking „naar strekking” in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst kan worden aangemerkt, aan de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet de eis mag worden verbonden dat de concrete gevolgen worden aangetoond die zich moeten voordoen om een feitelijke gedraging te kunnen kwalificeren als een gedraging die een mededingingsbeperking „ten gevolge” heeft in de zin van deze bepalingen.

61

Uit de punten 117 tot en met 135 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt echter dat dit punt 121 deel uitmaakt van de analyse van het Gerecht waarmee het enkel het betoog van Cargolux dat in de punten 105 tot en met 108 van dat arrest is samengevat, van de hand heeft gewezen. Zo heeft het Gerecht in die punten 117 tot en met 135 uiteengezet waarom Cargolux niet met succes kon stellen dat de Commissie, door het begrip mededingingsbeperking „naar strekking” te gebruiken, op geen enkele wijze had onderzocht welke gevolgen de betrokken gedraging had teweeggebracht. Het Gerecht heeft met name het betoog van Cargolux afgewezen dat de Commissie, door er in overweging 917 van het litigieuze besluit op te wijzen dat niet hoefde te worden aangetoond dat de verweten gedragingen daadwerkelijk hadden geleid tot mededingingsverstorende gevolgen, wegens de mededingingsverstorende strekking van die gedragingen niet had beoordeeld of deze gedragingen de gekwalificeerde gevolgen hadden die vereist waren met het oog op de vaststelling van haar bevoegdheid om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten.

62

Het Gerecht heeft echter geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in essentie te antwoorden dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag dient voor de extraterritoriale bevoegdheid van de Commissie, verschilt van de vraag of de litigieuze mededingingsregeling kan worden aangemerkt als een beperking van de mededinging in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, valt het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag kan dienen voor de bevoegdheid van de Commissie – krachtens het internationaal publiekrecht – voor de extraterritoriale toepassing van de mededingingsregels van de Unie en van de EER, niet samen met het materiële criterium van de mededingingsbeperking, naar strekking of naar gevolg, op de interne markt van de Unie of binnen de EER, waaraan de bevoegdheid van de Commissie – naar Unierecht – voor de vaststelling en de bestraffing van een inbreuk op deze mededingingsregels onderworpen is.

63

Bovendien is de analyse waarbij het Gerecht heeft onderzocht of de Commissie terecht had geoordeeld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, uiteengezet in de punten 136 tot en met 171 van het bestreden arrest, wat de onderlinge afstemming op het gebied van de afzonderlijk beschouwde inkomende vrachtdiensten betreft, en in de punten 172 tot en met 182 van dit arrest, wat de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd betreft.

64

Derhalve stelt Cargolux ten onrechte dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de Commissie vrij te stellen van de verplichting om bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen na te gaan welke gevolgen de litigieuze gedraging had.

65

Het eerste onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.

Tweede onderdeel: criterium van de gekwalificeerde gevolgen

– Argumenten van partijen

66

Cargolux betoogt dat het Gerecht hoe dan ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie zich had gekweten van haar verplichting om aan te tonen dat in casu was voldaan aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.

67

Ten eerste heeft het Gerecht zich gebaseerd op het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), om vast te stellen dat de betrokken gedraging voldoende waarschijnlijke gevolgen in de EER had, zonder rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de zaak die tot dat arrest heeft geleid en die sterk verschillen van de omstandigheden van de onderhavige zaak. Het Gerecht heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat de Commissie haar bevoegdheid had aangetoond aan de hand van een aantal in de punten 131 tot en met 134 van het bestreden arrest uiteengezette omstandigheden, die grotendeels weinig relevant zijn en weinig gemeen hebben met de feiten die in die andere zaak zijn onderzocht.

68

Ten tweede heeft het Gerecht in punt 130 van het bestreden arrest weliswaar erkend dat bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen de economische en juridische context van de betrokken gedraging in aanmerking moet worden genomen, maar het heeft deze context niet onderzocht. De op de punten 142, 148 en 150 van het bestreden arrest gebaseerde conclusie van het Gerecht dat aan de voorwaarde inzake de voorzienbaarheid was voldaan, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

69

Ten derde heeft de rechtspraak waarop het Gerecht zich in punt 152 van dat arrest baseert om te bevestigen dat het bij de door het Gerecht onderzochte gevolgen om wezenlijke gevolgen gaat, betrekking op feitelijke omstandigheden die niet vergelijkbaar zijn met de situatie van Cargolux. Het eerste arrest had betrekking op een gedraging die tien jaar heeft geduurd en waaraan ondernemingen hadden deelgenomen die bijna de gehele markt vertegenwoordigden. Het tweede arrest had betrekking op een gedraging die negen en een half jaar had geduurd en waarbij het ging om een prijsstelling en een gecoördineerde productiebeperking. De aan Cargolux verweten gedraging heeft daarentegen slechts 21 maanden geduurd voor de Unie-derdelandenroutes en 8 maanden voor de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes, en de betrokken partijen vertegenwoordigden slechts 34 % van de markt.

70

Ten vierde heeft het Gerecht ten onrechte aangenomen dat de gedraging met betrekking tot de inkomende routes voldeed aan de voorwaarde inzake de onmiddellijkheid. In dit verband heeft het Gerecht in punt 170 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat het arrest van 27 februari 2014, InnoLux/Commissie (T‑91/11, EU:T:2014:92), niet relevant was. In het bestreden arrest wordt geen bewijs aangehaald dat de aan de expediteurs verkochte inkomende vrachtdiensten uiteindelijk bestemd waren voor verkoop in de EER. In punt 132 van dat arrest wordt alleen verklaard dat het „op zijn minst waarschijnlijk” was dat de verzenders in de EER zijn gevestigd. De verkoop door Cargolux van inkomende vrachtdiensten aan buiten de EER gevestigde expediteurs is bijgevolg vergelijkbaar met de verkoop van producten waarop het kartel betrekking heeft aan buiten de EER gevestigde derden, zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 27 februari 2014, InnoLux/Commissie (T‑91/11, EU:T:2014:92). Het verband tussen de aan de orde zijnde gedraging en de gestelde gevolgen in de EER is derhalve niet voldoende om aan te tonen dat aan de voorwaarde inzake de onmiddellijkheid is voldaan. Zo niet zou de Commissie voor alle inbreuken die buiten de EER hebben plaatsgevonden kunnen vaststellen dat zij bevoegd is.

71

De Commissie stelt dat dit onderdeel deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk is.

– Beoordeling door het Hof

72

In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de punten 131 tot en met 134 van het bestreden arrest deel uitmaken van de analyse van het Gerecht in de punten 117 tot en met 135 van dat arrest, die betrekking heeft op de beoordeling van de relevantie van de eerste van de drie gronden waarop de Commissie zich in de overwegingen 1045 en 1046 van het litigieuze besluit heeft gebaseerd om vast te stellen dat in het onderhavige geval aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan. Deze grond betrof het feit dat „de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen [zouden] hebben voor de consumenten in de EER” (hierna: „effect op de prijzen van de ingevoerde goederen”), door het Gerecht het „betrokken gevolg” genoemd, waarvan Cargolux stelde – zoals blijkt uit punt 116 van het bestreden arrest – dat het niet behoorde tot de gevolgen van de litigieuze gedraging waarmee de Commissie rekening mocht houden bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.

73

Het is juist dat het Gerecht in dit verband in punt 119 van het bestreden arrest met name heeft aangegeven dat bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet hoeft te worden aangetoond dat de litigieuze gedraging daadwerkelijk gevolgen heeft gehad op de interne markt of binnen de EER, maar dat het volstaat om na te gaan welke gevolgen deze gedraging waarschijnlijk zal hebben voor de mededinging. Het Gerecht heeft dienaangaande verwezen naar punt 51 van het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632).

74

Om te beginnen heeft het Gerecht zodoende evenwel enkel herinnerd aan de rechtspraak van het Hof inzake het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het heeft daarbij geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens die rechtspraak kan de toepassing van het mededingingsrecht van de Unie en de EER vanuit het oogpunt van het internationaal publiekrecht op grond van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen namelijk gerechtvaardigd zijn wanneer voorzienbaar is dat de betrokken gedraging een onmiddellijk en wezenlijk gevolg zal hebben in de Unie of de EER. In dit verband wordt reeds voldaan aan het criterium van de voorzienbare gevolgen indien een gedraging waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mededinging. Bovendien volstaat het dat de gedraging een onmiddellijk gevolg in de Unie of de EER „kan” teweegbrengen wil aan de voorwaarde inzake de onmiddellijkheid zijn voldaan (zie in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 49, 51 en 52).

75

Gezien de algemene bewoordingen ervan gelden de uiteenzettingen in de punten 49, 51 en 52 van het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), die in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, anders dan Cargolux suggereert echter niet alleen voor de specifieke omstandigheden van de zaak die tot dat arrest Intel/Commissie heeft geleid, maar ook telkens wanneer moet worden beoordeeld of de Commissie bevoegd is om met name artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op gedragingen die buiten de EER hebben plaatsgevonden.

76

Daarnaast heeft het Gerecht in punt 131 van het bestreden arrest opgemerkt dat uit de overwegingen 14, 17 en 70 van het litigieuze besluit en uit de antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang die het had vastgesteld, blijkt dat de vervoerders hun vrachtdiensten uitsluitend of nagenoeg uitsluitend aan expediteurs verkopen. Het Gerecht heeft daaraan toegevoegd dat in het geval van inkomende vrachtdiensten deze verkopen bijna allemaal plaatsvinden op het buiten de EER gelegen vertrekpunt van de betrokken routes, waar de expediteurs zijn gevestigd, waarbij het in dit verband heeft opgemerkt dat uit het verzoekschrift voor het Gerecht bleek dat Cargolux tussen 1 mei 2004 en 14 februari 2006 slechts een verwaarloosbaar deel van haar verkoop van inkomende vrachtdiensten bij in de EER gevestigde klanten had gerealiseerd.

77

In punt 132 van dat arrest heeft het Gerecht evenwel opgemerkt dat de expediteurs deze diensten aankochten als tussenpersonen, om ze te consolideren in een dienstenpakket dat per definitie tot doel heeft het geïntegreerde vervoer van goederen naar het grondgebied van de EER te organiseren voor rekening van verzenders, die – zoals naar voren komt uit overweging 70 van het litigieuze besluit – met name de kopers of eigenaars van de vervoerde goederen konden zijn en dat het dus op zijn minst waarschijnlijk was dat zij in de EER waren gevestigd.

78

Het Gerecht heeft daaruit in punt 133 van dat arrest afgeleid dat, zodra de expediteurs de eventuele meerkosten van de bestreden mededingingsregeling in de prijs van hun dienstenpakketten doorberekenen, de enkele voortdurende inbreuk, voor zover deze betrekking heeft op de inkomende routes, met name gevolgen kon hebben voor de mededinging tussen de expediteurs om de klandizie van deze verzenders te verwerven. In dat punt heeft het Gerecht opgemerkt dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen zich bijgevolg op de interne markt of binnen de EER kon voordoen.

79

In punt 134 van dat arrest is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat de extra kosten die de verzenders eventueel hebben moeten betalen en de prijsstijging van de in de EER ingevoerde goederen die daarvan het gevolg kan zijn geweest, behoren tot de gevolgen van de litigieuze gedraging waarop de Commissie zich bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen mocht baseren.

80

Vervolgens heeft het Gerecht in punt 135 van het bestreden arrest aangegeven dat het dus ging om de vraag of dit gevolg voldeed aan het vereiste dat het voorzienbaar, wezenlijk en onmiddellijk is, wat het in de punten 136 tot en met 171 van dat arrest heeft onderzocht.

81

Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht niet aan de hand van de omstandigheden van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), maar wel aan de hand van de in dat arrest geformuleerde algemene criteria en de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval heeft geoordeeld dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen een gevolg was van de litigieuze mededingingsregeling waarmee de Commissie rekening mocht houden bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.

82

Dientengevolge moet het in punt 67 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.

83

Wat in de tweede plaats de voorwaarde inzake de voorzienbaarheid betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 142, 148 en 150 van het bestreden arrest, die deel uitmaken van de analyse van het Gerecht in verband met de voorzienbaarheid van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen, allereerst heeft benadrukt dat de partijen bij de litigieuze mededingingsregeling redelijkerwijs hadden kunnen voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten, zou leiden tot een stijging van de prijs voor vrachtdiensten op de inkomende routes. Vervolgens heeft het Gerecht – gelet op hetgeen het in de punten 143 tot en met 147 van dat arrest had vastgesteld – geoordeeld dat de beschuldigde vervoerders konden voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover die betrekking had op de inkomende routes, tot hogere prijzen voor de ingevoerde goederen zou leiden. Ten slotte heeft het Gerecht erop gewezen dat het bij het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen ging om een normale en economisch rationele gang van zaken en dat Cargolux, om dit effect te kunnen voorzien, niet exact hoefde te weten hoe de afnemende markten functioneerden.

84

In punt 144 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat uit de overwegingen 14 en 70 van het litigieuze besluit bleek dat de prijs van vrachtdiensten voor de expediteurs een productiefactor vormde en dat het ging om een variabele kost, waarvan de stijging in beginsel leidt tot hogere marginale kosten op basis waarvan de expediteurs hun eigen prijzen bepalen. In punt 145 van dat arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat Cargolux geen gegevens had aangevoerd waaruit bleek dat de omstandigheden van de onderhavige zaak niet bevorderden dat de extra kosten die voortvloeiden uit de enkele voortdurende inbreuk op de inkomende routes op de verzenders zouden worden afgewenteld. Daaruit heeft het Gerecht in punt 146 van dat arrest afgeleid dat in die omstandigheden de beschuldigde vervoerders redelijkerwijs konden voorzien dat de expediteurs dergelijke extra kosten door middel van een verhoging van de prijs voor vrachtvervoersdiensten zouden doorberekenen aan de verzenders. In punt 147 van dat arrest heeft het Gerecht er tevens op gewezen dat uit de overwegingen 70 en 1031 van het litigieuze besluit bleek dat de prijs van vervoersdiensten en met name die van de daartoe behorende vrachtdiensten deel uitmaken van de kosten van de goederen waarvan de expediteurs doorgaans het geïntegreerde transport voor rekening van de verzenders verzorgen.

85

Overigens heeft het Gerecht in de punten 138 tot en met 142 van het bestreden arrest uiteengezet waarom de partijen bij de litigieuze mededingingsregeling, gelet op de in het litigieuze besluit genoemde omstandigheden die met name betrekking hebben op de aard van de betrokken gedraging en de samenstelling van de prijzen voor luchtvrachtdiensten, redelijkerwijs hadden kunnen voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten, zou leiden tot een stijging van de prijs voor vrachtdiensten op de inkomende routes, zodat nog moest worden nagegaan – zoals het Gerecht in punt 143 van dat arrest heeft vastgesteld – of het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat de expediteurs die verhoging zouden doorberekenen aan hun eigen klanten, namelijk de verzenders.

86

Derhalve moet worden vastgesteld dat het Gerecht, met name door te wijzen op de aard van de betrokken gedraging, de werking van de markt, de samenstelling van de relevante prijzen en de betrekkingen tussen de verschillende marktdeelnemers, bij zijn onderzoek op basis waarvan het tot de conclusie is gekomen dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen voorzienbaar was hoe dan ook rekening heeft gehouden met de economische en juridische context van de betrokken gedraging.

87

Bijgevolg moet het in punt 68 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.

88

Wat in de derde plaats de voorwaarde inzake het „wezenlijke karakter” betreft, moet worden opgemerkt dat de beoordeling door het Gerecht van de vraag of de Commissie genoegzaam had aangetoond dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen wezenlijk was, zoals is vereist door de in punt 74 hierboven aangehaalde rechtspraak, waarnaar het Gerecht in punt 115 van het bestreden arrest eveneens heeft verwezen, voornamelijk is vervat in de punten 152 tot en met 157 van dat arrest. Verder bevatten de punten 158 tot en met 161 van dat arrest aanvullende opmerkingen die door het Gerecht als niet ter zake dienend zijn aangemerkt.

89

In dit verband heeft het Gerecht in punt 152 van het bestreden arrest terecht opgemerkt dat de vraag of de gevolgen van de litigieuze gedraging wezenlijk zijn, moet worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, waaronder met name de duur, de aard en de omvang van de inbreuk. Het heeft daaraan toegevoegd dat andere omstandigheden, zoals de omvang van de ondernemingen die aan deze gedraging hebben deelgenomen, eveneens relevant kunnen zijn.

90

Uit deze punten van het bestreden arrest volgt echter geenszins dat deze omstandigheden alleen relevant zijn bij gedragingen die gedurende een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden of waarbij een bepaald deel van de marktdeelnemers betrokken was. Dientengevolge moet het in punt 69 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.

91

Wat in de vierde plaats de voorwaarde inzake de onmiddellijkheid betreft, moet om te beginnen worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 170 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat Cargolux zich niet kon beroepen op punt 87 van het arrest van 27 februari 2014, InnoLux/Commissie (T‑91/11, EU:T:2014:92), aangezien de feiten van de zaak die tot dat arrest heeft geleid fundamenteel verschilden van die van de onderhavige zaak. Vervolgens heeft het Gerecht dit in punt 170 van het bestreden arrest verder verduidelijkt. Zoals in punt 169 van het bestreden arrest is aangegeven, heeft het Gerecht in dat punt 170 evenwel alleen het betoog van Cargolux afgewezen waarmee zij de in punt 168 van dat arrest getrokken conclusie van het Gerecht ter discussie stelde volgens welke het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen onmiddellijk was, zoals is vereist door de rechtspraak. Deze conclusie berustte reeds genoegzaam op de punten 163 tot en met 167 van het bestreden arrest, die door Cargolux niet worden betwist. Dit punt 170 moet dus als een overweging ten overvloede worden beschouwd.

92

Bijgevolg moet het betoog inzake punt 170 van het bestreden arrest als niet ter zake dienend worden afgewezen, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof dat argumenten tegen in een uitspraak van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen niet tot vernietiging van die uitspraak kunnen leiden en dus niet ter zake dienend zijn (arresten van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P-C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 537, en 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 263 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93

Voor zover Cargolux met het in punt 70 hierboven uiteengezette betoog op algemene wijze ingaat tegen de beoordeling van de onmiddellijkheid van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen, die het Gerecht met name heeft verricht in het licht van de elementen waarop het in punt 132 van het bestreden arrest heeft gewezen, moet voorts worden vastgesteld dat het Gerecht in dit punt 132 heeft opgemerkt dat de expediteurs weliswaar inkomende vrachtdiensten kopen, maar dat zij deze diensten moeten consolideren in een dienstenpakket dat juist tot doel heeft het geïntegreerde vervoer van goederen naar de EER te organiseren voor rekening van verzenders.

94

Met dit betoog trekt Cargolux de door het Gerecht in dit punt 132 verrichte beoordeling van de feiten in twijfel, zonder dat zij daarbij aanvoert dat het Gerecht die feiten onjuist heeft opgevat.

95

Overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de hogere voorziening echter beperkt tot rechtsvragen.

96

Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijsstukken te beoordelen. Wanneer deze bewijzen volgens de ter zake geldende regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen alsook de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het namelijk uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de overgelegde bewijzen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 22, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97

Dat betoog moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.

98

Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het eerste middel als deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond en deels niet ter zake dienend worden afgewezen.

Vierde onderdeel: onrechtmatige omkering van de bewijslast

– Argumenten van partijen

99

Cargolux stelt dat het Gerecht in de punten 145 en 167 van het bestreden arrest de bewijslast onrechtmatig heeft omgekeerd. Ten eerste heeft het Gerecht, bij zijn onderzoek van de voorwaarde inzake de voorzienbaarheid van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen, Cargolux verweten niet te hebben aangetoond dat de doorberekening van de extra kosten weinig waarschijnlijk was. Ten tweede heeft het Gerecht, bij zijn onderzoek van de voorwaarde inzake de onmiddellijkheid van dit effect, haar verweten niet te hebben aangetoond of zelfs maar te hebben aangevoerd dat de voorzienbare doorberekening van de extra kosten aan in de EER gevestigde verzenders onrechtmatig was of losstond van de normale werking van de markt. Het staat echter niet aan Cargolux om aan te tonen dat de Commissie bevoegd is.

100

De Commissie antwoordt dat dit onderdeel moet worden afgewezen.

– Beoordeling door het Hof

101

Volgens vaste rechtspraak staat het aan de Commissie om de bewijzen te leveren die rechtens genoegzaam aantonen dat de feiten die een inbreuk op het mededingingsrecht vormen, zijn gepleegd. Het is evenwel aan de onderneming die tegen de vaststelling van een dergelijke inbreuk een verweermiddel aanvoert, om aan te tonen dat dit verweermiddel moet worden aanvaard. De bewijslast ligt volgens deze beginselen weliswaar bij de Commissie of bij de betrokken onderneming, maar de door de ene partij aangevoerde feiten kunnen evenwel van dien aard zijn dat de andere partij verplicht wordt een verklaring of rechtvaardiging te geven. Indien dit ontbreekt mag worden geconcludeerd dat is voldaan aan de regels inzake de bewijslast (zie in die zin arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

102

Deze rechtspraak is gebaseerd op de algemene regels inzake de bewijsvoering en kan worden toegepast op de situatie waarin de Commissie moet aantonen dat zij territoriaal bevoegd is ten aanzien van gedragingen die buiten het grondgebied van de Unie of de EER een aanvang hebben genomen.

103

Wat in casu ten eerste de grief inzake punt 145 van het bestreden arrest betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in dat punt heeft verklaard dat Cargolux geen gegevens had aangevoerd waaruit bleek dat de omstandigheden van de onderhavige zaak niet bevorderden dat de extra kosten die voortvloeiden uit de enkele voortdurende inbreuk op de inkomende routes op de verzenders zouden worden afgewenteld. Net daarvoor had het Gerecht in de punten 138 tot en met 142 van dat arrest allereerst vastgesteld dat uit verschillende elementen in het litigieuze besluit bleek dat de partijen bij de litigieuze mededingingsregeling redelijkerwijs hadden kunnen voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten, zou leiden tot een stijging van de prijs voor vrachtdiensten op de inkomende routes.

104

Daarna had het in punt 143 van dat arrest opgemerkt dat derhalve de vraag moest worden beantwoord of de beschuldigde vervoerders konden voorzien dat de expediteurs dergelijke extra kosten zouden doorberekenen aan hun eigen klanten, dat wil zeggen de verzenders. In dit verband had het Gerecht in punt 144 van dat arrest vastgesteld dat uit de overwegingen 14 en 70 van het litigieuze besluit bleek dat de prijs van vrachtdiensten voor de expediteurs een productiefactor vormt en dat het gaat om een variabele kost, waarvan de stijging in beginsel leidt tot hogere marginale kosten op basis waarvan de expediteurs hun eigen prijzen bepalen.

105

Aangezien het Gerecht eerst had vastgesteld dat de Commissie genoegzaam had aangetoond dat er sprake was van de in de punten 138 tot en met 144 van het bestreden arrest genoemde omstandigheden, kan dan ook niet worden geoordeeld dat het Gerecht met zijn vaststelling in punt 145 van het bestreden arrest ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd. Bijgevolg moet de grief betreffende dat punt 145 ongegrond worden verklaard.

106

Wat ten tweede de grief inzake punt 167 van het bestreden arrest betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in dat punt heeft vastgesteld dat Cargolux niet had aangetoond of zelfs maar aangevoerd dat de voorzienbare doorberekening van de extra kosten aan in de EER gevestigde verzenders onrechtmatig was of losstond van de normale werking van de markt.

107

Het Gerecht heeft deze vaststelling gedaan na in de punten 163 tot en met 166 van dat arrest, en in het bijzonder in punt 165 ervan, te hebben opgemerkt dat in casu de handelwijze van de expediteurs, die de extra kosten die zij hadden moeten betalen naar was te voorzien volledig autonoom aan de verzenders zouden doorberekenen, er zeker aan heeft bijgedragen dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen zich voordeed, maar dat deze handelwijze op zichzelf de causaliteitsketen tussen de litigieuze gedraging en dit effect echter niet kon verbreken, en daaraan het onmiddellijke karakter dus niet kon ontnemen.

108

In het licht van deze omstandigheden, die in de hogere voorziening niet worden betwist, en gelet op de in punt 101 hierboven genoemde rechtspraak, kan derhalve niet worden geoordeeld dat het Gerecht in punt 167 van het bestreden arrest ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd. De tegen dit punt 167 gerichte grief is dus eveneens ongegrond.

109

Het vierde onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.

Vijfde onderdeel van het eerste middel: vervanging van de motivering

– Argumenten van partijen

110

Cargolux betoogt dat het Gerecht bij zijn toetsing van de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen door de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn eigen motivering in de plaats te stellen van die van de Commissie. Het Gerecht heeft een eigen motivering opgebouwd. Het heeft zich gebaseerd op factoren die de Commissie niet in aanmerking had genomen en op overwegingen waarop de Commissie zich niet heeft gebaseerd in het litigieuze besluit. In dat besluit zijn met name de bestanddelen van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet onderzocht. Zo hebben slechts twee overwegingen van dat besluit betrekking op dat criterium, terwijl het Gerecht er in het bestreden arrest 69 punten aan heeft gewijd. Cargolux wijst in het bijzonder op punt 165 van het bestreden arrest, dat betrekking heeft op de doorberekening van de extra kosten aan verzenders in de EER, terwijl overweging 1045 van het litigieuze besluit uitsluitend betrekking heeft op consumenten in de EER. Tevens wordt in de punten 155 tot en met 161 van dat arrest verwezen naar delen van dat besluit die geen betrekking hebben op de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het is irrelevant dat het Gerecht heeft geantwoord op de argumenten van Cargolux, aangezien is aangetoond dat de bestanddelen van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet zijn onderzocht in het litigieuze besluit.

111

De Commissie stelt dat dit onderdeel ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

112

Uit de rechtspraak blijkt dat de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU betrekking heeft op alle aspecten van de in procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU vastgestelde besluiten van de Commissie die door het Gerecht grondig, zowel juridisch als feitelijk, worden getoetst op basis van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen en rekening houdend met alle door deze laatste verstrekte informatie. De rechterlijke instanties van de Unie kunnen in het kader van die toetsing echter in geen geval hun eigen motivering in de plaats stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (arrest van 4 juli 2024, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie, C‑70/23 P, EU:C:2024:580, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

113

Het Gerecht kan dus niet met een eigen motivering een hiaat in de motivering van de bestreden handeling wegwerken op een zodanige manier dat zijn onderzoek niet aansluit bij enig oordeel in de handeling (arrest van 18 juli 2013, UEFA/Commissie, C‑201/11 P, EU:C:2013:519, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

114

Wanneer het Gerecht echter louter antwoordt op het aangevoerde betoog en daarbij de motivering van de bestreden handeling toelicht, kan niet worden geoordeeld dat het zijn eigen motivering in de plaats stelt van die van de instelling die de handeling heeft verricht (zie in die zin arresten van 12 juni 2014, Deltafina/Commissie, C‑578/11 P, EU:C:2014:1742, punt 56, en 23 november 2023, Ryanair/Commissie, C‑209/21 P, EU:C:2023:905, punt 49).

115

Het is juist dat in de onderhavige zaak het Gerecht de vaststelling in punt 165 van het bestreden arrest niet heeft gebaseerd op een overweging van het litigieuze besluit. Zoals echter blijkt uit een gezamenlijke lezing van de punten van dat arrest, die betrekking hebben op de beoordeling van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, met name de punten 111 en 127 van dat arrest, bevatte de eerste volzin van overweging 1045 van het litigieuze besluit, zij het in beknopte vorm, de elementen aan de hand waarvan het Gerecht kon nagaan of de Commissie haar extraterritoriale bevoegdheid had vastgesteld op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het zijn immers deze elementen die, gelezen in het licht van de andere relevante overwegingen van dat besluit waarnaar in de punten 131, 132, 138 tot en met 141, 144, 147, 155 tot en met 157, 160 en 161 van het bestreden arrest wordt verwezen, het Gerecht in staat hebben gesteld na te gaan of de Commissie het bestaan van dergelijke gevolgen daadwerkelijk had aangetoond. Bovendien blijkt uit de punten 116 tot en met 171 van het bestreden arrest dat het Gerecht er in deze punten mee heeft volstaan te antwoorden op het betoog van Cargolux, de motivering van het litigieuze besluit toe te lichten en meer in het bijzonder bepaalde aanwijzingen af te leiden uit de in dat besluit opgenomen informatie.

116

Dat de Commissie de in die punten en met name in de punten 155 tot en met 161 van het bestreden arrest genoemde elementen niet uitdrukkelijk ter sprake heeft gebracht in het deel van het litigieuze besluit dat betrekking heeft op de vaststelling van haar territoriale bevoegdheid, toont niet aan dat het Gerecht zijn motivering op onrechtmatige wijze in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie. Volgens de in punt 113 hierboven aangehaalde rechtspraak is namelijk enkel vereist dat het onderzoek van het Gerecht aansluit bij de beoordelingen in de bestreden handeling. Zoals in het vorige punt reeds is vastgesteld, bevatte de eerste volzin van overweging 1045 van het litigieuze besluit bovendien de elementen aan de hand waarvan het Gerecht kon nagaan of de Commissie daadwerkelijk haar territoriale bevoegdheid had vastgesteld op basis van de gekwalificeerde gevolgen.

117

De vermeende vervanging van de motivering is dus niet aangetoond. Het vijfde onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.

Zesde onderdeel: onjuiste rechtsopvatting en schending van de rechten van de verdediging

– Argumenten van partijen

118

Cargolux betoogt dat het Gerecht haar rechten van verdediging heeft geschonden door zich bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het litigieuze besluit te baseren op argumenten en een analyse die voor het eerst voor het Gerecht naar voren zijn gebracht. Doordat het Gerecht bij de beoordeling van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie, werd Cargolux het recht ontnomen om in de loop van de administratieve procedure een standpunt in te nemen over de toepassing van dit criterium. Dit is in strijd met de rechtspraak volgens welke de betrokken onderneming in staat moet worden gesteld haar standpunt kenbaar te maken over de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden alsmede over de documenten waarmee de Commissie haar vaststelling heeft gestaafd. Hoewel Cargolux de in het bestreden arrest aan de orde gestelde problematiek tijdens de administratieve procedure voor de Commissie heeft kunnen onderkennen, neemt dit niet weg dat het Gerecht zich heeft gebaseerd op een nieuwe analyse en nieuwe argumenten inzake het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, die niet waren opgenomen in het administratieve dossier van de Commissie.

119

De Commissie antwoordt hierop dat dit onderdeel ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

120

Het onderhavige onderdeel berust op de premisse dat het Gerecht bij de beoordeling van de vraag of de Commissie genoegzaam had aangetoond dat in casu was voldaan aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, ten onrechte zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van die in het litigieuze besluit. Uit het onderzoek van het vijfde onderdeel van het onderhavige middel blijkt dat deze premisse onjuist is.

121

Het zesde onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.

Derde onderdeel: vaststelling van de internationale bevoegdheid van de Commissie op basis van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd

– Argumenten van partijen

122

Cargolux stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 174, 176 en 177 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie op goede gronden haar bevoegdheid om artikel 101 VWEU toe te passen op de inkomende routes kon vaststellen op basis van het feit dat de inbreuk als geheel beschouwd één enkele voortdurende inbreuk vormde.

123

Ten eerste heeft het Gerecht het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” en de vaststelling van de bevoegdheid van de Commissie door elkaar gehaald. Dit begrip, dat is bedoeld om de op de Commissie rustende bewijslast te verlichten, kan haar bevoegdheid om artikel 101 VWEU toe te passen niet uitbreiden. Zoniet zou de Commissie een onbeperkte bevoegdheid worden verleend om kennis te nemen van alle gedragingen die buiten de EER plaatsvinden en die deel zouden uitmaken van één enkele voortdurende inbreuk, waarvan alleen bepaalde onderdelen gevolgen hebben binnen de EER.

124

Ten tweede veronderstelt het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” dat elk wezenlijk deel van die inbreuk zelf een inbreuk vormt. De Commissie kan zich dus niet op dit begrip baseren om haar bevoegdheid uit te breiden tot gedragingen met betrekking tot inkomende routes die noch ertoe strekten, noch tot gevolg hadden dat de mededinging binnen de EER werd beperkt.

125

Ten derde is het Gerecht voorbijgegaan aan het feit dat de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), betrekking had op feitelijke omstandigheden die geen verband hielden met die van de onderhavige zaak.

126

Ten vierde is punt 177 van het bestreden arrest onjuist voor zover het Gerecht daarin heeft geoordeeld dat de Commissie in overweging 1046 van het litigieuze besluit had onderzocht welke gevolgen de inbreuk in haar geheel zou hebben, terwijl in die overweging helemaal niet werd ingegaan op die vraag.

127

Anders dan de Commissie betoogt, heeft Cargolux overweging 1046 van het litigieuze besluit daadwerkelijk betwist in haar beroep in eerste aanleg, zoals uitdrukkelijk blijkt uit het verzoekschrift voor het Gerecht. Overweging 1046 van het litigieuze besluit is bovendien vermeld in punt 5.3.2 van dat verzoekschrift. Het Gerecht heeft overigens niet op basis van het litigieuze besluit, maar op basis van de antwoorden die de Commissie heeft gegeven op de vragen van het Gerecht vastgesteld dat overweging 1046 van dat besluit een van de overwegingen was op grond waarvan de Commissie van mening was dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan.

128

De Commissie betoogt dat dit onderdeel niet-ontvankelijk is. Cargolux heeft overweging 1046 van het litigieuze besluit niet betwist voor het Gerecht. Dit onderdeel is volgens de Commissie hoe dan ook ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

129

Het volstaat op te merken dat Cargolux met haar zesde middel tot nietigverklaring voor het Gerecht enkel de bevoegdheid van de Commissie betwistte om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de litigieuze gedraging voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten. Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 171 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie ten aanzien van de coördinatie op het gebied van de inkomende vrachtdiensten, afzonderlijk beschouwd, terecht had vastgesteld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, zodat de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de litigieuze gedraging, voor zover deze werd betwist, vaststond. Bijgevolg was het voor het Gerecht overbodig om in de punten 172 tot en met 182 van het bestreden arrest te onderzoeken of de Commissie, teneinde aan te tonen dat zij bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op de litigieuze gedraging toe te passen, in overweging 1046 van het litigieuze besluit ook terecht had aangegeven dat was voldaan aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen gelet op de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd.

130

Bovendien blijkt uit het onderzoek van het eerste, het tweede en het vierde tot en met het zesde onderdeel van het onderhavige middel dat het Gerecht in punt 171 van het bestreden arrest tot deze slotsom is gekomen zonder blijk te geven van de vermeende onjuiste rechtsopvattingen en zonder de vermeende vervanging van de motivering.

131

Derhalve moet worden vastgesteld dat het derde onderdeel van het onderhavige middel betrekking heeft op ten overvloede gegeven overwegingen van het bestreden arrest.

132

Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel overeenkomstig de in punt 92 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak hoe dan ook als niet ter zake dienend worden afgewezen.

133

Uit een en ander volgt dat het eerste middel als deels niet-ontvankelijk, deels niet ter zake dienend en deels ongegrond moet worden afgewezen.

Tweede middel, betreffende de kwalificatie van de betrokken gedraging als inbreuk naar strekking

134

Het tweede middel van Cargolux bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel voert zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en haar rechten van verdediging heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie de economische en juridische context van de litigieuze mededingingsregeling genoegzaam had onderzocht. Met het tweede onderdeel betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en haar rechten van verdediging heeft geschonden door te oordelen dat de tot het strikt noodzakelijke beperkte beoordeling van de economische en juridische context die de Commissie had verricht, volstond om de betrokken gedraging als een inbreuk naar strekking te kwalificeren.

Eerste onderdeel: omvang van het door de Commissie te verrichten onderzoek van de economische en juridische context

– Argumenten van partijen

135

Cargolux stelt ten eerste dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 303 tot en met 305 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie, die ervan uitging dat de betrokken gedraging een horizontale prijsafspraak vormde, haar onderzoek van de relevante economische en juridische context kon beperken tot „het strikt noodzakelijke” en ook had voldaan aan de vereisten inzake de diepgang van dat onderzoek. In het litigieuze besluit zijn slechts drie bladzijden gewijd aan de kwalificatie van de litigieuze mededingingsregeling als mededingingsbeperking naar strekking. Zoals reeds in het verzoekschrift voor het Gerecht is uiteengezet, wordt daar helemaal niet ingegaan op de economische en juridische context van de markt.

136

Het Gerecht heeft in punt 305 van het bestreden arrest eveneens ten onrechte geoordeeld dat het onderzoek van de Commissie voldeed aan die eisen inzake de diepgang van het onderzoek. Het heeft zich daarbij louter gebaseerd op de verklaringen van de Commissie dat de prijs het belangrijkste mededingingsinstrument was, dat de betrokken praktijken tot doel hadden de prijsonzekerheid op de markt te onderdrukken en te waarborgen dat de discipline op de markt werd gehandhaafd, en dat de verhogingen geheel werden toegepast. In haar vroegere beslissingspraktijk heeft de Commissie daarentegen een diepgaander onderzoek verricht, hoewel het daarbij eveneens ging om een onderzoek dat beperkt was tot hetgeen strikt noodzakelijk was.

137

Anders dan het Gerecht in punt 309 van het bestreden arrest heeft aangenomen, beroept Cargolux zich niet op de vroegere praktijk van de Commissie om aan te tonen dat deze laatste aan striktere eisen had moeten voldoen, maar om aan te tonen dat de verschillen in de door haar gevolgde aanpak voor de uitvoering van het „tot het strikt noodzakelijke beperkte onderzoek” zo groot zijn dat de Commissie haar vroegere beslissingspraktijk zelfs niet als leidraad heeft gebruikt. De Commissie heeft bij haar vermeende onderzoek van de economische en juridische context van de onderhavige zaak ten onrechte tal van relevante factoren buiten beschouwing gelaten, waaronder de aard van de luchtvrachtdiensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de luchtvrachtmarkt, de complexiteit van deze markt en de marktmacht van de expediteurs. Zodoende heeft het Gerecht ook geen rekening gehouden met het feit dat het begrip „mededingingsbeperking naar strekking” strikt moet worden uitgelegd.

138

Ten tweede heeft het Gerecht, door vast te stellen dat er sprake was van een inbreuk naar strekking zonder naar behoren rekening te houden met de argumenten die Cargolux in haar verzoekschrift in eerste aanleg had aangevoerd met betrekking tot de beoordeling van de economische en juridische context van de zaak, haar rechten van verdediging geschonden. Het Gerecht heeft haar immers de mogelijkheid ontnomen om een grondig debat op tegenspraak te voeren over de economische en juridische context van haar gedraging.

139

De Commissie antwoordt dat dit onderdeel moet worden afgewezen.

– Beoordeling door het Hof

140

In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de beoordeling of een overeenkomst tussen ondernemingen of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende „strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU te hebben, worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt(en) (arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punten 165 en 166).

141

Het Hof heeft echter reeds geoordeeld dat voor overeenkomsten of collusiepraktijken die bijzonder ernstige schendingen van het mededingingsrecht vormen, de analyse van de economische en juridische context van de praktijk kan worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te kunnen besluiten dat er sprake is van een mededingingsbeperkende strekking (zie in die zin arresten van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 oktober 2023, EDP – Energias de Portugal e.a., C‑331/21, EU:C:2023:812, punten 100‑102).

142

Tot deze soorten overeenkomsten of collusiepraktijken behoren onder meer horizontale prijsafspraken (zie in die zin arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 82, en 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 163), die overigens vallen onder de categorie overeenkomsten die uitdrukkelijk verboden zijn bij artikel 101, lid 1, onder a), VWEU.

143

De in de punten 140 tot en met 142 van het onderhavige arrest uiteengezette rechtspraak, is door het Gerecht in wezen in herinnering gebracht in de punten 300 en 302 van het bestreden arrest. Bovendien heeft het Gerecht in punt 303 van dat arrest opgemerkt dat de Commissie zich in de overwegingen 908, 909, 1199 en 1208 van het litigieuze besluit op het standpunt had gesteld dat de litigieuze gedraging neerkwam op een horizontale prijsafspraak, ook als die gedraging geen betrekking had op de gehele uiteindelijke prijs van de betrokken diensten. In punt 304 van dat arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat de Commissie in haar verweerschrift terecht heeft gesteld dat zij zich bij het onderzoek van de relevante economische en juridische context kon beperken tot „het strikt noodzakelijke” om de litigieuze overeenkomsten en gedragingen als mededingingsbeperkend „naar strekking” te kunnen aanmerken.

144

De vaststelling van het Gerecht dat de Commissie haar analyse van de economische en juridische context van die gedraging kon beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te kunnen besluiten dat er sprake is van een mededingingsbeperkende strekking, aangezien de betrokken gedraging volgens haar neerkwam op een horizontale prijsafspraak, strookt dus met de rechtspraak van het Hof.

145

Wat in de tweede plaats specifiek het betoog van Cargolux met betrekking tot punt 305 van het bestreden arrest betreft, heeft het Gerecht daarin inderdaad geoordeeld dat het onderzoek van de relevante economische en juridische context dat de Commissie in het litigieuze besluit had verricht, voldeed aan dit vereiste. Het Gerecht heeft er in dit verband op gewezen dat de Commissie in de overwegingen 909 en 916 van dat besluit had uitgelegd dat de prijs het belangrijkste mededingingsinstrument was, dat de litigieuze overeenkomsten en praktijken tot doel hadden de prijsonzekerheid op de vrachtmarkt te onderdrukken en zodoende te waarborgen dat de discipline op de markt werd gehandhaafd en dat de uit de brandstofindexen voortvloeiende verhogingen geheel en op gecoördineerde wijze werden toegepast.

146

Het Gerecht heeft in punt 305 van het bestreden arrest echter eveneens vastgesteld dat deze overwegingen van de Commissie met name waren gebaseerd op punt 4 van het litigieuze besluit, waarin met name werd ingegaan op de basisbeginselen en de structuur van de litigieuze mededingingsregeling, en tevens moesten worden gelezen in samenhang met de beschrijving van de vrachtsector en de toepasselijke tariefregelingen die was opgenomen in punt 2.1 van dat besluit, zoals Cargolux zelf had erkend.

147

Het Gerecht heeft zich in punt 305 van het bestreden arrest dus niet beperkt tot de door Cargolux in punt 136 hierboven genoemde vaststelling. Het heeft dit punt immers aangevuld door te verwijzen naar de andere relevante elementen die de Commissie in het litigieuze besluit heeft uiteengezet, namelijk – zoals in punt 305 van het bestreden arrest is aangegeven – de basisbeginselen en de structuur van de litigieuze mededingingsregeling alsook de beschrijving van de vrachtsector en de in die sector toepasselijke tariefregelingen, die overigens volgens de in punt 140 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak relevant zijn om te beoordelen of een bepaalde gedraging een mededingingsbeperking naar strekking vormt.

148

Het tegen dat punt 305 gerichte betoog van Cargolux berust dus op een onvolledige lezing van het bestreden arrest.

149

Cargolux kan zich dienaangaande evenmin beroepen op de vroegere beslissingspraktijk van de Commissie, ook al beroept zij zich – zoals zij in de onderhavige hogere voorziening stelt – alleen maar op die praktijk om aan te tonen dat het Gerecht de Commissie ten onrechte niet heeft bekritiseerd voor het feit dat deze bij het door haar te verrichten onderzoek tal van relevante factoren onrechtmatig buiten beschouwing heeft gelaten. Zoals het Gerecht in punt 309 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht, kan de vroegere beslissingspraktijk van de Commissie immers slechts een indicatieve waarde hebben (zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Commissie/CK Telecoms UK Investments, C‑376/20 P, EU:C:2023:561, punt 164 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

150

Wat in de derde plaats het in punt 138 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog betreft, moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak het middel dat berust op de stelling dat het Gerecht niet heeft geantwoord op de in eerste aanleg aangevoerde argumenten, in wezen neerkomt op het aanvoeren van niet-nakoming van de motiveringsplicht die voortvloeit uit artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat van toepassing is op het Gerecht krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut en artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (arrest van 28 september 2023, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑123/21 P, EU:C:2023:708, punt 185 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voor zover Cargolux betoogt dat het Gerecht niet naar behoren rekening heeft gehouden met haar argumenten betreffende de beoordeling van de economische en juridische context van de onderhavige zaak voert Cargolux dus in feite, onder het mom van een vermeende schending van haar rechten van verdediging, aan dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen.

151

Er zij aan herinnerd dat de motiveringsplicht die op het Gerecht rust krachtens artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 53, eerste alinea, ervan, inhoudt dat het Gerecht de redenering die het heeft gevolgd duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen (arresten van 11 april 2013, Mindo/Commissie, C‑652/11 P, EU:C:2013:229, punt 29, en 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

152

De motiveringsplicht verlangt echter niet van het Gerecht dat het een uitputtende uiteenzetting geeft die achtereenvolgens alle door de partijen in het geding uitgedrukte redeneringen volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarop het Gerecht zich baseert en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht in het kader van een hogere voorziening uit te oefenen (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 372, en 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

153

Tevens zij eraan herinnerd dat die motiveringsplicht, die een wezenlijk vormvoorschrift is, moet worden onderscheiden van de gegrondheid van de motivering, die de wettigheid ten gronde van de litigieuze handeling betreft [arresten van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67, en 4 oktober 2024, UPL Europe en Indofil Industries (Netherlands)/Commissie, C‑262/23 P, EU:C:2024:862, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

154

In casu heeft het Gerecht in de punten 293 tot en met 304 van het bestreden arrest de juridische en feitelijke gronden uiteengezet op basis waarvan het tot de slotsom was gekomen dat de Commissie zich terecht op het standpunt had gesteld dat zij zich bij het onderzoek van de relevante economische en juridische context kon beperken tot „het strikt noodzakelijke” om de litigieuze overeenkomsten en gedragingen als mededingingsbeperkend naar strekking te kunnen aanmerken. Bovendien heeft het Gerecht in de punten 305 tot en met 310 van dat arrest uiteengezet waarom het van oordeel was dat – anders dan Cargolux voor het Gerecht heeft betoogd – het door de Commissie in het litigieuze besluit verrichte onderzoek van de relevante economische en juridische context voldeed aan die vereisten. In punt 306 van dat arrest heeft het Gerecht ook het argument afgewezen dat Cargolux ontleende aan een mogelijk waterbedeffect. In punt 309 van dat arrest heeft het eveneens haar argument inzake de vroegere beslissingspraktijk van de Commissie afgewezen. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 310 van dat arrest het argument van Cargolux verworpen waarmee deze opkwam tegen de kwalificatie van de litigieuze gedraging als „hardcore kartel”.

155

Gelet op de in de punten 151 en 152 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan dan ook niet worden geoordeeld dat het Gerecht, door zijn afwijzing van het betoog van Cargolux dat de Commissie de betrokken gedraging ten onrechte als mededingingsbeperking naar strekking had aangemerkt, zijn verplichting om het bestreden arrest te motiveren niet is nagekomen zonder eerst de relevante economische en juridische context te hebben onderzocht.

156

In zoverre moet het in punt 138 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog derhalve als ongegrond worden afgewezen.

157

Voor zover Cargolux met dat betoog wil aanvoeren dat het Gerecht ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de Commissie de betrokken gedraging terecht als mededingingsbeperking naar strekking heeft aangemerkt, is dit betoog bovendien overeenkomstig de in punt 153 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak niet geschikt om aan te tonen dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen. Het betoog betreft veeleer de gegrondheid van de door het Gerecht verrichte analyse. Cargolux betwist echter de gegrondheid van deze analyse in het tweede onderdeel van het onderhavige middel, zodat dit betoog dus in zoverre samen met dat tweede onderdeel zal worden onderzocht.

158

Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het tweede middel als ongegrond worden afgewezen.

Tweede onderdeel: analyse op grond waarvan de Commissie de betrokken gedraging als inbreuk naar strekking heeft gekwalificeerd.

– Argumenten van partijen

159

Cargolux betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en haar rechten van verdediging heeft geschonden door te oordelen dat de tot het strikt noodzakelijke beperkte beoordeling van de economische en juridische context die de Commissie had verricht, volstond om de betrokken gedraging als inbreuk naar strekking te kwalificeren, zonder rekening te houden met de contextuele omstandigheden of zelfs zonder het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal te onderzoeken.

160

Ten eerste kan de betrokken gedraging niet als een inbreuk naar strekking worden aangemerkt, aangezien deze noch rechtstreeks noch indirect de mededinging op de luchtvrachtmarkt kon beperken. Zoals in het verzoekschrift voor het Gerecht is uiteengezet, nemen de klanten hun aankoopbeslissingen op basis van de hun in rekening gebrachte totale prijs. Bovendien kan de verhoging van de toeslagen worden geneutraliseerd door de concurrentie op de basisprijzen. De gedraging met betrekking tot de toeslagen bestond er namelijk niet in de verkoopprijzen vast te stellen ten aanzien van de klanten of de prijsconcurrentie te verminderen of uit te schakelen. De punten 298 en 299 van het bestreden arrest zijn derhalve onjuist, aangezien het Gerecht daarin ten onrechte geen rekening heeft gehouden met factoren die een belangrijke rol speelden in de economische en juridische context van de in die punten genoemde zaken en die door de Commissie in aanmerking zijn genomen om in die zaken een inbreuk naar strekking vast te stellen, maar die ontbreken in de onderhavige zaak.

161

Daarnaast kon de betrokken gedraging de mededinging op de interne markt evenmin indirect beperken. De prijzen op de luchtvrachtmarkt zijn grotendeels ondoorzichtig en de betrokken ondernemingen hadden in 2005 slechts 34 % van de wereldwijde luchtvrachtmarkt in handen. Deze markt is overigens zeer versnipperd. Zelfs indien was aangetoond dat er sprake was van een onderlinge afstemming tussen de betrokken ondernemingen, zou het dus uiterst onwaarschijnlijk zijn dat de mededinging daardoor merkbaar had kunnen worden vervalst.

162

Ten tweede kan de weigering om commissies te betalen evenmin worden aangemerkt als inbreuk naar strekking. Zoals ook in het verzoekschrift voor het Gerecht is uiteengezet, heeft de Commissie niet naar behoren rekening gehouden met de specifieke juridische context waarin de partijen de commissies over de toeslagen hebben besproken. Het ging om een gerechtvaardigde reactie op gedragingen van de expediteurs. Derhalve kan de weigering om commissies te betalen niet als een inbreuk naar strekking worden aangemerkt. In punt 485 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich evenwel geschaard achter de overwegingen 675 tot en met 702 van het litigieuze besluit, zonder rekening te houden met het geschil met de expediteurs en met de dreigingen die aan de basis lagen van de gesprekken tussen de vervoerders en de expediteurs.

163

Bovendien heeft het Gerecht in de punten 487 tot en met 490 van het bestreden arrest de argumenten van Cargolux onjuist uitgelegd. Cargolux heeft immers niet aangevoerd dat zij gerechtigd was om wegens de onrechtmatige gedraging van de expediteurs contact op te nemen met de andere vervoerders betreffende de weigering om commissies te betalen, maar heeft betoogd dat de Commissie bij de vaststelling van een inbreuk naar strekking niet het juiste juridische criterium had toegepast en tevens haar rechten van verdediging had geschonden omdat zij haar argumenten inzake de juridische en economische context van de weigering om commissies te betalen niet had onderzocht.

164

De Commissie antwoordt dat dit onderdeel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

165

Overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen.

166

Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof krachtens artikel 256 VWEU dus enkel bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 21, en 11 januari 2024, Planistat Europe en Charlot/Commissie, C‑363/22 P, EU:C:2024:20, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

167

Zoals in punt 96 van het onderhavige arrest reeds in herinnering is gebracht, is het Gerecht daarentegen bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijselementen te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof.

168

In casu moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de kwalificatie van de litigieuze mededingingsregeling als inbreuk naar strekking een juridische kwalificatie van de feiten vormt. Zoals blijkt uit het in de punten 160 en 163 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog, beoogt Cargolux echter, onder het mom van een onjuiste juridische kwalificatie van de feiten, in essentie te verkrijgen dat het Hof de reeds aan het Gerecht voorgelegde feiten en bewijzen opnieuw beoordeelt, zonder dat zij daarbij aanvoert dat het Gerecht deze feiten en bewijzen onjuist heeft opgevat. Cargolux zet namelijk uiteen hoe volgens haar de markt voor luchtvrachtdiensten werkt en welke beperkte gevolgen de betrokken gedraging had voor de prijs van die diensten. In zoverre moet dit betoog dan ook overeenkomstig de in punt 96 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

169

Voorts berust het betoog van Cargolux – voor zover zij daarmee aanvoert dat het Gerecht in de punten 298 en 299 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door op basis van in wezen niet ter zake dienende rechtspraak te oordelen dat een gedraging waarbij slechts een deel van de prijs van het betrokken product of de betrokken dienst wordt vastgesteld, kan worden beschouwd als een horizontale prijsafspraak – op de premisse dat een overeenkomst tussen concurrenten waarbij slechts een deel van de betrokken prijs of dienst wordt vastgesteld, niet onder het begrip mededingingsbeperking „naar strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU kan vallen.

170

In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat het begrip mededingingsbeperking „naar strekking” strikt moet worden uitgelegd en slechts kan worden toegepast op bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen, die dermate schadelijk zijn voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht. Deze rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (zie in die zin arrest van 27 juni 2024, Commissie/KRKA, C‑151/19 P, EU:C:2024:546, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

171

Het staat dienaangaande vast dat bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, beschouwd kunnen worden als afspraken die naar hun aard een risico op negatieve beïnvloeding van inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten inhouden, zodat het overbodig kan worden geacht voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU aan te tonen dat zij concrete effecten hebben op de markt (arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dergelijke gedragingen leiden immers tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen in het bijzonder de consumenten schaadt (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 163).

172

Het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst een mededingingsbeperkende „strekking” heeft in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, valt dus samen met de vraag of het daarbij gaat om een overeenkomst of praktijk die de mededinging in voldoende mate nadelig beïnvloedt om de gevolgen ervan niet te hoeven onderzoeken (zie in die zin arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 162), waarbij deze vraag moet worden beantwoord in het licht van de in punt 140 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte elementen.

173

Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat de betrokken onderlinge afstemming slechts betrekking had op een deel van de prijs van het betrokken product of de betrokken dienst, geenszins aantoont dat het bij deze gedraging niet gaat om een vorm van coördinatie die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de werking van de normale mededinging. Integendeel, een dergelijke gedraging leidt alleen al door haar aard tot een prijsstijging, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen in het bijzonder de consumenten schaadt.

174

Het betoog betreffende de punten 298 en 299 van het bestreden arrest berust bijgevolg op een onjuiste premisse, zodat het als ongegrond moet worden afgewezen.

175

Wat in de tweede plaats de kwalificatie van de weigering om commissies te betalen als inbreuk naar strekking betreft, moet worden opgemerkt dat Cargolux met het in de punten 162 en 163 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog opkomt tegen de in de punten 483 tot en met 491 van het bestreden arrest vervatte beoordeling door het Gerecht van het mededingingsverstorende karakter van de contacten waaraan zij heeft deelgenomen en die betrekking hadden op de weigering om commissies te betalen.

176

In punt 485 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel enkel verwezen naar de inhoud van de overwegingen 675 tot en met 702 van het litigieuze besluit. Cargolux heeft niet aangevoerd dat het Gerecht deze overwegingen onjuist heeft opgevat. Overeenkomstig de in punt 96 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet het door Cargolux tegen dit punt 485 gerichte betoog derhalve als niet-ontvankelijk worden afgewezen.

177

In de punten 487 tot en met 490 van het bestreden arrest heeft het Gerecht in wezen uiteengezet dat Cargolux aanvoerde dat de weigering om commissies te betalen een gerechtvaardigde reactie was op de beweerdelijk onrechtmatige gedraging van de expediteurs, maar dat uit de in die punten 487 en 488 aangehaalde rechtspraak volgde dat Cargolux zich niet op de vermeende mededingingsverstorende gedraging van de expediteurs kon beroepen om te ontkennen dat de contacten waaraan zij had deelgenomen en die betrekking hadden op de weigering om commissies te betalen, de mededinging verstoorden.

178

Het Gerecht heeft er in dat punt 488 overeenkomstig de rechtspraak van het Hof evenwel terecht op gewezen dat het aan de overheid staat en niet aan particuliere ondernemingen om de naleving van de wettelijke voorschriften te verzekeren (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie, C‑591/16 P, EU:C:2021:243, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

179

Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in wezen vast te stellen dat deze omstandigheid, die behoort tot de context van de litigieuze gedraging – gesteld al dat die omstandigheid bewezen wordt geacht – hoe dan ook geen rechtvaardiging kan vormen voor een inbreuk op artikel 101 VWEU, laat staan voor collusie waarvan het Gerecht heeft vastgesteld – zoals het in de punten 293 tot en met 311 van het bestreden arrest heeft gedaan – dat die voldoende schadelijk is voor de mededinging om als een „beperking naar strekking” te worden aangemerkt.

180

Derhalve is het in punt 163 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog ongegrond.

181

Het tweede onderdeel van het tweede middel moet dus gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard. Bijgevolg moet ook het tweede middel worden afgewezen.

Derde middel, betreffende het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk en de deelname van Cargolux daaraan

182

Het derde middel van Cargolux bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wegens de onjuiste toepassing van het juridische criterium aan de hand waarvan één enkele voortdurende inbreuk kan worden vastgesteld. Met het tweede onderdeel voert zij aan dat het Gerecht ten onrechte de vaststelling van de Commissie heeft bevestigd dat zij aansprakelijk is voor de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd.

Eerste onderdeel: relevant juridisch criterium om het bestaan van één enkele en voortdurende inbreuk aan te tonen

– Argumenten van partijen

183

Cargolux betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wegens de onjuiste formulering van het juridische criterium aan de hand waarvan één enkele voortdurende inbreuk kan worden vastgesteld. In de punten 322 tot en met 324 en 335 van het bestreden arrest heeft het Gerecht verklaard dat voor de vaststelling van een dergelijke inbreuk is vereist dat er een totaalplan bestaat dat een gemeenschappelijk doel nastreeft, dat een onderneming bewust aan dat plan heeft bijdragen, en dat deze onderneming (bewezen of veronderstelde) kennis had van de inbreukmakende gedragingen van de andere deelnemers waaraan zij niet rechtstreeks heeft deelgenomen. Vervolgens is het Gerecht in punt 325 van dat arrest ingegaan op het begrip „complementariteit”. In de punten 325 tot en met 327 van dat arrest heeft het evenwel geoordeeld dat complementariteit weliswaar een objectieve aanwijzing kan vormen die bevestigt dat er sprake is van een totaalplan met als doel de mededinging te beperken, maar dat voor de vaststelling van één enkele voortdurende inbreuk niet hoeft te worden nagegaan of verschillende handelingen complementair zijn. Deze opvatting zou in strijd zijn met uitgebreide rechtspraak van het Gerecht, die door het Hof impliciet is bevestigd in het arrest van 18 maart 2021, Pometon/Commissie (C‑440/19 P, EU:C:2021:214). Ook uit de beslissingspraktijk van de Commissie komt naar voren dat zij dit criterium toepast, dat overigens in overweging 879 van het litigieuze besluit werd toegepast.

184

Dienaangaande merkt Cargolux op dat in de punten 107 en 108 van het arrest van 16 juni 2022, Toshiba Samsung Storage Technology en Toshiba Samsung Storage Technology Korea/Commissie (C‑700/19 P, EU:C:2022:484), aan het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” een te ruime draagwijdte wordt gegeven wat betreft gedragingen die geen verband houden met elkaar, en tegelijkertijd de op de Commissie rustende bewijslast aanzienlijk wordt verlicht. Een dergelijke uitbreiding van dit begrip moet evenwel worden vermeden.

185

De Commissie antwoordt dat dit onderdeel ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

186

Uit vaste rechtspraak volgt dat schending van artikel 101, lid 1, VWEU niet alleen kan voortvloeien uit een opzichzelfstaande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook op zich, afzonderlijk, schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende gedragingen wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie aldus de aansprakelijkheid voor die gedragingen toerekenen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk als geheel beschouwd (zie in die zin arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 juni 2024, Servier e.a./Commissie, C‑201/19 P, EU:C:2024:552, punt 240).

187

Een onderneming die aan een dergelijke enkele en voortdurende inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een „overeenkomst” of „onderling afgestemde feitelijke gedraging” met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk worden gesteld voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk (zie in die zin arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 juni 2024, Servier e.a./Commissie, C‑201/19 P, EU:C:2024:552, punt 241).

188

In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat ter beantwoording van de vraag of verschillende gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, niet hoeft te worden nagegaan of die gedragingen complementair zijn, in die zin dat elk ervan is bedoeld om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en dat zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van het geheel van de mededingingsbeperkende gevolgen dat de daders beogen, en dit in het kader van een totaalplan met één enkel doel. De voorwaarde in verband met het begrip „één enkel doel” houdt juist in dat moet worden nagegaan of de verschillende bestanddelen van de inbreuk geen kenmerken vertonen die erop kunnen wijzen dat de overige deelnemers met hun materiële gedragingen niet hetzelfde doel of hetzelfde mededingingsverstorende gevolg nastreefden en dus of die geen deel uitmaakten van een „totaalplan” wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te vervalsen (arresten van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑644/13 P, EU:C:2017:59, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 juni 2024, Servier e.a./Commissie, C‑201/19 P, EU:C:2024:552, punt 242).

189

Het Gerecht heeft derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 325 en 326 van het bestreden arrest in essentie te oordelen dat ter beantwoording van de vraag of verschillende handelingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, niet hoeft te worden nagegaan of die handelingen complementair zijn in de zin van de in het vorige punt in herinnering gebrachte rechtspraak, en door daaruit in punt 327 van dat arrest af te leiden dat het gestelde verzuim van de Commissie om een dergelijke complementariteit tussen de litigieuze overeenkomsten en gedragingen aan te tonen – gesteld al dat zij daar inderdaad niet in is geslaagd – op zich niet van dien aard was dat de kwalificatie van de gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk daardoor gebrekkig werd.

190

Cargolux kan zich dienaangaande om te beginnen niet met succes beroepen op vermeende tegengestelde rechtspraak van het Gerecht, die door het Hof zou zijn bevestigd in het arrest van 18 maart 2021, Pometon/Commissie (C‑440/19 P, EU:C:2021:214). In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, was het Hof namelijk niet gevraagd of voor de vaststelling van één enkele voortdurende inbreuk moest worden nagegaan of de verschillende aan de orde zijnde handelingen complementair waren in de zin van de in punt 188 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak. Dat het Hof zich hierover niet heeft uitgesproken kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat het de in dit punt 188 aangehaalde rechtspraak ter discussie heeft gesteld.

191

Aangezien deze rechtspraak onlangs nog is bevestigd door het Hof, met name in punt 242 van zijn arrest van 27 juni 2024, Servier e.a./Commissie (C‑201/19 P, EU:C:2024:552), kan Cargolux voorts niet worden gevolgd wanneer zij met haar in punt 183 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog suggereert dat het daarbij niet om vaste rechtspraak gaat die overigens niet coherent is.

192

Evenmin kan worden geoordeeld dat de in punt 188 van het onderhavige arrest uiteengezette rechtspraak, die in wezen ook is aangehaald in de punten 107 en 108 van het arrest van 16 juni 2022, Toshiba Samsung Storage Technology en Toshiba Samsung Storage Technology Korea/Commissie (C‑700/19 P, EU:C:2022:484) en waarop Cargolux zich beroept, aan het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” een te ruime draagwijdte geeft door gedragingen die geen verband houden met elkaar onder dit begrip te laten vallen. Volgens deze vaste rechtspraak veronderstelt het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” immers dat er sprake is van een „totaalplan” dat de verschillende gedragingen omvat die deel uitmaken van die inbreuk en die het identieke doel hebben om de mededinging op de interne markt te verstoren.

193

Uit een en ander volgt dat het eerste onderdeel van het derde middel als ongegrond moet worden afgewezen.

Tweede onderdeel: deelname van Cargolux aan één enkele voortdurende inbreuk

– Argumenten van partijen

194

Cargolux betoogt dat het Gerecht ten onrechte de vaststelling van de Commissie heeft bevestigd dat zij aansprakelijk kan worden gesteld voor de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd.

195

Ten eerste heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie had aangetoond dat er sprake was van een complementaire en voortdurende inbreuk. Punt 509 van het bestreden arrest is onjuist voor zover het Gerecht daarin heeft aangenomen dat de omstandigheid dat de gedraging met betrekking tot de weigering om commissies te betalen bijna vijf jaar na het begin van de aan Cargolux verweten inbreuk een aanvang nam, er niet aan afdoet dat deze omstandigheid, door de wisselwerking ervan met de andere onderdelen van de inbreuk, heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van een en hetzelfde nagestreefde doel. Volgens Cargolux doet een dermate duidelijk tijdsinterval immers veeleer vermoeden dat de gedraging met betrekking tot de weigering om commissies te betalen volledig losstond van de heimelijke afspraken over de toeslagen. De in overweging 880 van het litigieuze besluit genoemde andersluidende elementen zijn irrelevant.

196

Bovendien heeft het Gerecht geen rekening gehouden met de in het verzoekschrift in eerste aanleg uiteengezette omstandigheid dat het bij de contacten over de brandstoftoeslag ging om wereldwijde contacten op het niveau van het hoofdkantoor van de betrokken ondernemingen, terwijl de contacten over de veiligheidstoeslag hoofdzakelijk op lokaal niveau hebben plaatsgevonden. Punt 466 van het bestreden arrest, waarin deze argumenten worden afgewezen, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het feit dat uit de contacten over de veiligheidstoeslag blijkt dat er gesprekken met het hoofdkantoor werden gevoerd niets afdoet aan het feit dat de multilaterale contacten betreffende elk van beide onderdelen van de inbreuk op lokaal niveau hebben plaatsgevonden. Gelet op een en ander is punt 473 van het bestreden arrest eveneens onjuist, voor zover het Gerecht van oordeel is dat Cargolux er niet in is geslaagd om in twijfel te trekken dat de onderdelen die betrekking hebben op de brandstof- en de veiligheidstoeslag deel uitmaken van één enkele inbreuk met één enkel doel, ook al mag de Commissie zich voor de vaststelling dat er sprake is van één enkele voortdurende inbreuk niet baseren op contacten die ver uiteenliggen in de tijd.

197

Ten tweede is het bestreden arrest tegenstrijdig gemotiveerd voor zover het Gerecht er in punt 326 van dat arrest op heeft gewezen dat de Commissie kon vaststellen dat er sprake was van één enkele voortdurende inbreuk zonder dat complementariteit hoefde te worden aangetoond, maar vervolgens in haar vaststellingen ten laste van Cargolux in de punten 497 en 523 van dat arrest toch heeft verwezen naar een dergelijke complementariteit om te rechtvaardigen dat de gedraging met betrekking tot de weigering om commissies te betalen deel uitmaakte van de in het litigieuze besluit vastgestelde enkele voortdurende inbreuk.

198

De Commissie antwoordt dat dit onderdeel moet worden afgewezen.

– Beoordeling door het Hof

199

In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het onderhavige middel volgt dat het Gerecht in punt 326 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat ter beantwoording van de vraag of verschillende gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, niet hoeft te worden nagegaan of die gedragingen complementair zijn, in die zin dat elk ervan is bedoeld om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en dat zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van alle mededingingsbeperkende gevolgen die de daders beogen.

200

Zo heeft het Gerecht in punt 508 van het bestreden arrest – onder verwijzing naar punt 326 van dat arrest – vastgesteld dat de Commissie ter beantwoording van de vraag of verschillende handelingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, niet hoeft na te gaan of die handelingen complementair zijn. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat het litigieuze besluit niet onrechtmatig kon zijn op de enkele grond dat de Commissie volgens Cargolux niet had aangetoond – gesteld al dat dit het geval was – dat er een dergelijke complementariteit bestond tussen het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de weigering om commissies te betalen en de onderdelen ervan die betrekking hadden op de brandstof- en de veiligheidstoeslag.

201

In punt 509 van dat arrest, dat overigens wordt ingeleid met de woorden „hoe dan ook”, heeft het Gerecht het argument van Cargolux dat het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de weigering om commissies te betalen relatief laat is begonnen in vergelijking met die andere onderdelen, dus ten overvloede onderzocht. Overeenkomstig de in punt 92 hierboven aangehaalde rechtspraak moet de in punt 195 van het onderhavige arrest aangevoerde grief die Cargolux richt tegen punt 509 van het bestreden arrest bijgevolg als niet ter zake dienend worden afgewezen.

202

In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het Gerecht er in punt 466 van het bestreden arrest alleen op heeft gewezen dat de drie contacten waarop Cargolux zich heeft beroepen om te betwisten dat zij had deelgenomen aan het onderdeel van de inbreuk dat verband hield met de veiligheidstoeslag, niet hebben ontkracht maar veeleer hebben aangetoond dat er sprake was van de door de Commissie in het litigieuze besluit beschreven organisatie op verschillende niveaus, aangezien al deze contacten blijk gaven van instructies van het hoofdkantoor van de betrokken ondernemingen of van communicatie met het hoofdkantoor van de betrokken ondernemingen. Het Gerecht verwijst daarbij bij wijze van voorbeeld naar de in de overwegingen 594 en 595 van het litigieuze besluit genoemde e-mails.

203

In punt 473 van dat arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat Cargolux niet met succes had betwist dat zij had deelgenomen aan het onderdeel van de inbreuk dat verband hield met de brandstoftoeslag. Zij was er namelijk niet in geslaagd om in twijfel te trekken dat de onderdelen die betrekking hebben op de brandstof- en de veiligheidstoeslag deel uitmaken van één enkele inbreuk met één enkel doel. Vast stond dat haar deelname aan het onderdeel van de inbreuk dat verband hield met de brandstoftoeslag had voortgeduurd tot en met 14 februari 2006, aangezien er ten minste sinds 10 juni 2005„betrouwbare bewijzen” bestonden, en haar deelname al voor die datum bleek uit een aanzienlijk aantal bewijzen en aanwijzingen van mededingingsverstorende contacten.

204

Derhalve moet worden vastgesteld dat deze punten 466 en 473 louter feitelijke beoordelingen bevatten. Met het in punt 196 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog wenst Cargolux dus in feite te verkrijgen dat het Hof de reeds door het Gerecht in de punten 466 en 473 van het bestreden arrest soeverein beoordeelde feiten en bewijzen opnieuw beoordeelt. Cargolux stelt evenwel niet dat het Gerecht deze feiten en bewijzen onjuist heeft opgevat. Overeenkomstig de in punt 96 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak is dit betoog dan ook niet-ontvankelijk.

205

Wat in de derde plaats de vermeende tegenstrijdige motivering betreft, heeft het Gerecht in punt 497 van het bestreden arrest met name aangegeven dat het wegens de „complementariteit” tussen de onderdelen van de inbreuk die verband hielden met de brandstof- en de veiligheidstoeslag en het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de weigering om commissies te betalen, redelijkerwijs uit de in punt 497 van het bestreden arrest genoemde elementen kon afleiden dat de contacten waaraan Cargolux had deelgenomen en die betrekking hadden op de weigering om commissies te betalen, een vergelijkbare (of bijna vergelijkbare) geografische reikwijdte hadden als de contacten betreffende de toeslagen. Cargolux had deze complementariteit niet met succes betwist, en het Gerecht verwijst hierbij naar de punten 329 en 509 van zijn arrest.

206

Evenzo heeft het Gerecht in punt 523 van dat arrest vastgesteld dat, voor zover de toeslagen op alle routes, wereldwijd algemeen werden toegepast, dit waarschijnlijk ook het geval was voor de weigering om commissies te betalen, waarbij het in dit verband heeft opgemerkt dat de Commissie in overweging 879 van het litigieuze besluit had vastgesteld dat de weigering om commissies te betalen en de twee andere onderdelen van de inbreuk met elkaar verband hielden, want „doordat met de klanten niet over de commissies (in feite over een korting op de toeslagen) hoefde te worden onderhandeld, [kon] de mededinging ten aanzien van die toeslagen worden vermeden”.

207

Ten eerste blijkt echter uit punt 496 van het bestreden arrest dat het Gerecht de in punt 497 van dat arrest vermelde overweging slechts ten overvloede heeft geformuleerd. Hetzelfde geldt voor de overwegingen in de punten 329 en 520 van dat arrest. De door Cargolux daaraan ontleende grief inzake tegenstrijdige motivering moet bijgevolg overeenkomstig de in punt 92 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak als niet ter zake dienend worden afgewezen.

208

Ten tweede heeft dit punt 523 geen betrekking op het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” maar – zoals in punt 511 van het bestreden arrest is aangegeven – op het betoog van Cargolux ter ondersteuning van het vierde onderdeel van haar vijfde middel voor het Gerecht, waarmee zij de Commissie verweet dat zij niet voldoende had aangetoond dat de enkele voortdurende inbreuk een „wereldwijde” omvang had. De vermeende tegenstrijdige motivering is derhalve niet aangetoond.

209

Het tweede onderdeel van het derde middel moet dus als deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond en deels niet ter zake dienend worden afgewezen. Bijgevolg dient het derde middel te worden afgewezen.

Vierde middel, betreffende de omvang van de deelname van Cargolux aan de enkele voortdurende inbreuk

210

Met haar vierde middel, dat uit drie onderdelen bestaat, betoogt Cargolux dat het Gerecht hoe dan ook blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door vast te stellen dat zij aansprakelijk is voor alle aspecten van de enkele en voortdurende inbreuk. Met het eerste en het tweede onderdeel voert zij aan dat het Gerecht, door vast te stellen dat zij heeft deelgenomen aan het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de weigering om commissies te betalen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de bewijzen onjuist heeft opgevat alsook het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden. Met het derde onderdeel voert zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij zijn beoordeling van haar aansprakelijkheid voor het onderdeel van de inbreuk dat verband houdt met de veiligheidstoeslag.

Eerste onderdeel: deelname van Cargolux aan de weigering om commissies te betalen

– Argumenten van partijen

211

Cargolux betoogt dat het Gerecht, door te oordelen dat zij had deelgenomen aan het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de weigering om commissies te betalen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de bewijzen onjuist heeft opgevat.

212

Om te beginnen heeft het Gerecht zich in punt 486 van het bestreden arrest gebaseerd op overweging 688 van het litigieuze besluit om vast te stellen dat meerdere vervoerders – op bilateraal niveau – informatie hadden uitgewisseld om zich er wederzijds van te vergewissen dat zij zich bleven houden aan de weigering om commissies te betalen. Deze overweging heeft echter betrekking op een bilateraal contact tussen Deutsche Lufthansa en Société Air France waarbij Cargolux niet betrokken was, zodat daarmee niet kan worden aangetoond dat Cargolux aan dit onderdeel van de inbreuk heeft deelgenomen.

213

Verder heeft het Gerecht het litigieuze besluit niet grondig onderzocht op basis van de door Cargolux aangevoerde middelen en zodoende nagelaten de wettigheidstoetsing uit te voeren die het had moeten verrichten. In een bijlage bij haar verzoekschrift voor het Gerecht heeft Cargolux immers elk van de bewijzen die de Commissie had gebruikt met betrekking tot haar deelname aan het onderdeel van de inbreuk dat verband hield met de weigering om commissies te betalen, afzonderlijk betwist. Het Gerecht spreekt zich daarover evenwel niet uit in het bestreden arrest, zodat Cargolux aan de hand van dat arrest niet kan begrijpen waarom de in die bijlage genoemde bewijzen „tegen haar in aanmerking zijn genomen”.

214

De Commissie stelt dat dit onderdeel ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

215

Voor zover de eerste grief van het eerste onderdeel van het vierde middel is gericht tegen punt 486 van het bestreden arrest, moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak van een onjuiste opvatting sprake is wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijzen, de beoordeling van de bestaande bewijsstukken kennelijk onjuist blijkt of kennelijk in strijd met de bewoordingen ervan blijkt te zijn. Een dergelijke onjuiste opvatting moet echter duidelijk uit de stukken van het dossier blijken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld. Wanneer een rekwirant stelt dat bewijsmateriaal door het Gerecht onjuist is voorgesteld, moet hij voorts precies aangeven welk bewijs volgens hem door het Gerecht onjuist is voorgesteld en aantonen welke fouten in de analyse het Gerecht tot deze verkeerde voorstelling hebben gebracht (zie in die zin arresten van 26 september 2024, JCDecaux Street Furniture Belgium/Commissie, C‑710/22 P, EU:C:2024:787, punt 63, en 22 mei 2025, Luossavaara-Kiirunavaara/Commissie, C‑621/23 P, EU:C:2025:368, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

216

Het Gerecht heeft in punt 486 van het bestreden arrest vastgesteld dat uit het litigieuze besluit bleek dat meerdere vervoerders – op bilateraal niveau – informatie hadden uitgewisseld om zich er wederzijds van te vergewissen dat zij zich bleven houden aan de eerder overeengekomen weigering om commissies te betalen. Ter illustratie heeft het Gerecht dienaangaande de inhoud van overweging 688 van het litigieuze besluit weergegeven, waarin een telefoongesprek tussen twee andere vervoerders dan Cargolux wordt beschreven.

217

Zoals blijkt uit het litigieuze besluit, heeft het Gerecht overweging 688 ervan echter correct weergegeven. Bijgevolg is de gestelde onjuiste opvatting niet aangetoond.

218

Voor zover Cargolux met deze tegen punt 486 van het bestreden arrest gerichte grief aanvoert dat het Gerecht met zijn overwegingen in dat punt niet heeft aangetoond dat zij had deelgenomen aan het onderdeel van de inbreuk dat verband houdt met de weigering om commissies te betalen, moet deze grief bovendien overeenkomstig de in punt 96 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard. Met deze grief wenst Cargolux immers te verkrijgen dat het Hof de reeds door het Gerecht in de punten 486 en 485 van het bestreden arrest beoordeelde feiten en bewijzen opnieuw beoordeelt.

219

Wat in de tweede plaats de in punt 213 van het onderhavige arrest uiteengezette grief betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat het Gerecht, in het kader van een overeenkomstig artikel 263 VWEU aanhangig gemaakt beroep tot nietigverklaring van een besluit tot uitvoering van artikel 101, lid 1, VWEU, in het algemeen op basis van de gegevens die de verzoekende partij tot staving van de aangevoerde middelen aanvoert, een volledige toetsing moet uitvoeren om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van die bepaling. Het Gerecht moet ook nagaan of de Commissie haar besluit heeft gemotiveerd. Bovendien kan het Gerecht zich bij die toetsing niet verlaten op de beoordelingsmarge waarover de Commissie beschikt op grond van de rol die haar inzake het mededingingsbeleid door het VEU en het VWEU is toebedeeld, teneinde af te zien van een grondig toezicht in rechte en in feite (arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

220

In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier, en met name uit de bij het Gerecht ingediende stukken, dat Cargolux de bewijzen in de in punt 213 van het onderhavige arrest bedoelde bijlage aan het Gerecht heeft overgelegd ter ondersteuning van haar betoog dat de Commissie geen rekening had gehouden met de specifieke juridische context waarin haar contacten met andere vervoerders, die betrekking hadden op de weigering om commissies te betalen, hadden plaatsgevonden. Cargolux heeft voor het Gerecht aangevoerd dat deze context aantoont dat het doel van de gesprekken over de weigering om commissies te betalen een gerechtvaardigde reactie vormde van de vervoerders op onderling afgestemde feitelijke gedragingen, rechtszaken en dreiging met een boycot van de expediteurs. Het door Cargolux aangevoerde bewijs toonde volgens haar aan dat de vervoerders zich tijdens hun gesprekken hadden geconcentreerd op de vraag of volgens de relevante bepalingen van de toepasselijke wetgeving de toeslagen in beginsel rechtens in aanmerking konden worden genomen voor de toepassing van commissies erover. Cargolux heeft deze bewijzen in het bijzonder aangevoerd om aan te tonen dat de Commissie, door geen rekening te houden met deze context, niet rechtens genoegzaam had aangetoond dat de gedraging van de vervoerders een beperking naar strekking vormde.

221

Juist op dit betoog, dat in punt 479 van het bestreden is samengevat, heeft het Gerecht in de punten 482 tot en met 491 van het bestreden arrest geantwoord. Dienaangaande heeft het in de punten 484 tot en met 486 van dat arrest vastgesteld dat dit betoog op een feitelijk onjuiste premisse was gebaseerd, en heeft het in de punten 487 tot en met 490 van dat arrest vastgesteld dat het betoog eveneens op een rechtens onjuiste premisse was gebaseerd. Zo heeft het Gerecht met name vastgesteld dat Cargolux ten onrechte aanvoerde dat de vervoerders zich tijdens hun gesprekken hadden geconcentreerd op de vraag of de toeslagen in beginsel recht konden geven op de betaling van commissies. Daarbij heeft het de overwegingen 675 tot en met 702 van het litigieuze besluit alsmede de door de Commissie gebruikte bewijzen onderzocht, waarbij het gaat om bewijzen die overigens ook door Cargolux in haar stukken voor het Gerecht zijn aangebracht.

222

Derhalve moet worden vastgesteld dat Cargolux, onder het mom van een vermeende ontoereikende wettigheidstoetsing door het Gerecht, van het Hof een nieuwe beoordeling van de feiten en bewijzen tracht te verkrijgen. Zij stelt evenwel niet dat het Gerecht deze feiten en bewijzen onjuist heeft opgevat. Voor zover Cargolux met de in punt 213 van het onderhavige arrest uiteengezette grief aanvoert dat het Gerecht haar betoog tegen het mededingingsverstorende karakter van de litigieuze contacten ten onrechte heeft afgewezen, ook al heeft zij elk van de door de Commissie gebruikte bewijzen afzonderlijk betwist, moet die grief overeenkomstig de in punt 96 hierboven aangehaalde rechtspraak bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.

223

Voor zover Cargolux met die grief stelt dat zij aan de hand van het bestreden arrest niet kan begrijpen waarom de in die bijlage genoemde bewijzen „tegen haar in aanmerking zijn genomen”, moet vervolgens worden vastgesteld dat uit punt 485 van het bestreden arrest naar voren komt dat het Gerecht die in de overwegingen 675 tot en met 702 van het litigieuze besluit genoemde bewijzen slechts heeft gebruikt om aan te tonen dat de beschuldigde vervoerders zich er niet toe hadden beperkt hieromtrent een gemeenschappelijk standpunt te formuleren teneinde dit op een onderling afgestemde wijze te verdedigen voor de bevoegde rechterlijke instantie of zich hier bij de overheidsinstanties gezamenlijk sterk voor te maken, maar samen – op multilateraal niveau – waren overeengekomen geen onderhandelingen met de expediteurs te voeren over de betaling van commissies en om hun geen kortingen op de toeslagen te verlenen. Het Gerecht heeft deze bewijzen dus niet rechtstreeks tegen Cargolux in aanmerking genomen, maar heeft ze gebruikt ter afwijzing van het betoog waarmee deze had aangevoerd dat de vervoerders zich tijdens hun gesprekken hadden geconcentreerd op de vraag of de toeslagen in beginsel recht konden geven op de betaling van commissies. De grief van Cargolux berust dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en is derhalve ongegrond.

224

Gelet op de in de punten 151 en 152 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan ten slotte ook niet worden geoordeeld dat het Gerecht zijn verplichting om het bestreden arrest te motiveren niet is nagekomen doordat het in het bestreden arrest niet uitdrukkelijk heeft gewezen op de in punt 213 van het onderhavige arrest bedoelde bijlage of op elk bewijs dat daarin door Cargolux afzonderlijk wordt betwist. Voor zover Cargolux met de in punt 213 van het onderhavige arrest uiteengezette grief stelt dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen, moet deze grief dus eveneens ongegrond worden verklaard.

225

Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het vierde middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Tweede onderdeel: schending van het beginsel van gelijke behandeling

– Argumenten van partijen

226

Cargolux betoogt dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door vast te stellen dat zij aansprakelijk is voor het onderdeel van de inbreuk dat betrekking heeft op de weigering om commissies te betalen.

227

Ten eerste heeft het Gerecht dit beginsel geschonden door Cargolux anders te behandelen dan British Airways plc terwijl deze ondernemingen zich in vergelijkbare situaties bevonden. In punt 493 van het bestreden arrest verwijst het Gerecht naar de overwegingen in het litigieuze besluit waaruit blijkt dat Cargolux heeft deelgenomen aan de weigering om commissies te betalen. Die overwegingen toonden aan dat zij zich met betrekking tot de bewijzen van deze gedraging in een situatie bevond die vergelijkbaar was met die van British Airways. Uit een vergelijking van de vaststellingen in de overwegingen 685, 686, 692, 694 en 696 van het litigieuze besluit, die voor wat British Airways betreft zijn samengevat in overweging 743 van dat besluit, met de vaststellingen betreffende Cargolux, die in punt 493 van het bestreden arrest in herinnering zijn gebracht, komt immers naar voren dat de situatie van Cargolux vergelijkbaar was met die van British Airways. Hieruit blijkt dat British Airways in een periode van tien maanden heeft deelgenomen aan zeven contacten over de weigering om commissies te betalen, terwijl Cargolux in een periode van tien maanden aan negen contacten heeft deelgenomen. Bij drie van deze negen contacten zou ook British Airways betrokken zijn geweest.

228

Deze drie in de overwegingen 503, 560 en 695 van het litigieuze besluit genoemde contacten, waarnaar het Gerecht in de punten 493, 497 en 499 van het bestreden arrest heeft verwezen als ondersteuning voor de vaststelling van de Commissie dat Cargolux had deelgenomen aan de weigering om commissies te betalen, zijn echter niet tegen British Airways in aanmerking genomen, zoals blijkt uit punt 386 van het arrest van 30 maart 2022, British Airways/Commissie (T‑341/17, EU:T:2022:182), terwijl deze overwegingen 503 en 560 betrekking hadden op multilaterale bijeenkomsten waarbij zowel Cargolux als British Airways betrokken waren.

229

Aldus heeft het Gerecht enkel de vaststelling van de betrokkenheid van British Airways bij dit onderdeel nietig verklaard en haar geldboete verlaagd gezien haar beperkte betrokkenheid, maar het heeft de vaststelling van de inbreuk ten aanzien van Cargolux gehandhaafd. Het Gerecht heeft evenwel geen enkele verklaring gegeven voor deze ongelijke behandeling.

230

Ten tweede heeft het Gerecht dat beginsel geschonden door Cargolux anders te behandelen dan SAS Cargo Group A/S, Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden en SAS AB (hierna samen: „SAS Cargo Group e.a.”). In punt 958 van het arrest van 30 maart 2022, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑324/17, EU:T:2022:175), heeft het Gerecht de aan de verzoekende partijen in die zaak opgelegde geldboete met 21 % verlaagd wegens de beperkte duur van hun deelname aan het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de weigering om commissies te betalen, in vergelijking met de duur van die inbreuk als geheel beschouwd, zoals in punt 958 van dat arrest is uiteengezet. Cargolux merkt dienaangaande op dat de vastgestelde totale duur van de ten aanzien van SAS Cargo Group e.a. in aanmerking genomen inbreuk zes jaar en twee maanden bedroeg, terwijl de bewijzen van hun gedraging in verband met de weigering om commissies te betalen betrekking had op een periode van zeven maanden. Cargolux verwijst in dit verband naar de overwegingen 1169, 680 en 686 van het litigieuze besluit. Zoals in de overwegingen 1169, 695 en 698 van dat besluit is aangegeven, bedroeg de vastgestelde totale duur van de ten aanzien van Cargolux in aanmerking genomen inbreuk echter vijf jaar en had het bewijs van haar gedraging in verband met de weigering om commissies te betalen betrekking op een periode van vijf maanden. Het Gerecht heeft deze parallellen echter niet in acht genomen, en heeft evenmin enige rechtvaardiging of verklaring gegeven voor deze ongelijke behandeling. Het Gerecht heeft dus ten onrechte nagelaten het bedrag van de aan Cargolux opgelegde geldboete te verlagen met hetzelfde percentage.

231

De Commissie betwist dit betoog.

– Beoordeling door het Hof

232

Het beginsel van gelijke behandeling is een algemeen beginsel van Unierecht, dat is verankerd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit beginsel vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arresten van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie e.a., C‑550/07 P, EU:C:2010:512, punten 54 en 55, en 27 juni 2024, Lupin/Commissie, C‑144/19 P, EU:C:2024:545, punt 137 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

233

Het Gerecht moet dit beginsel ook in acht nemen bij de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht. De uitoefening van volledige rechtsmacht mag immers bij de vaststelling van het bedrag van de opgelegde geldboeten niet leiden tot discriminatie tussen ondernemingen die aan een inbreuk op de mededingingsregels hebben deelgenomen (zie in die zin arresten van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, C‑291/98 P, EU:C:2000:631, punt 97, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 138).

234

Wat in de onderhavige zaak in de eerste plaats het betoog betreft dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling zou hebben geschonden doordat het Cargolux anders heeft behandeld dan British Airways voor wat betreft de vaststelling dat elk van deze vervoerders heeft deelgenomen aan het onderdeel van de inbreuk dat verband houdt met de weigering om commissies te betalen, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 493 van het bestreden arrest heeft verklaard dat de Commissie aan de hand van de in overweging 754 van het litigieuze besluit genoemde bewijzen, die het Gerecht in dat punt heeft aangehaald, heeft vastgesteld dat Cargolux aan dat onderdeel had deelgenomen.

235

Anders dan Cargolux stelt, blijkt uit een vergelijking van de vaststellingen in overweging 754 van het litigieuze besluit met de vaststellingen in overweging 743 van dat besluit, waarin de contacten worden opgesomd die de Commissie tegen British Airways in aanmerking had genomen, echter niet dat deze twee vervoerders zich wat betreft de tegen hen gebruikte bewijzen om hun deelname aan te tonen aan het onderdeel van de inbreuk dat verband houdt met de weigering om commissies te betalen, in vergelijkbare situaties bevonden. Zij bevonden zich bijgevolg ook niet in vergelijkbare situaties voor het Gerecht.

236

Het volstaat dan ook op te merken dat de premisse waarop Cargolux het in de punten 227 tot en met 229 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog baseert, hoe dan ook onjuist is. Bijgevolg moet dit betoog als ongegrond worden afgewezen.

237

Wat in de tweede plaats de in punt 230 van het onderhavige arrest uiteengezette vermeende schending van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van SAS Cargo Group e.a. betreft, hoeft er slechts op te worden gewezen dat deze stelling is gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest van 30 maart 2022, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑324/17, EU:T:2022:175). Het klopt dat punt 958 van het bestreden arrest, waarop Cargolux zich beroept, dubbelzinnig kan lijken, aangezien het Gerecht daarin verwijst naar „het feit dat de beschuldigde vervoerders gezien de duur van de enkele voortdurende inbreuk – in haar geheel bezien – de weigering om commissies te betalen slechts gedurende een beperkte periode hebben afgestemd”. Uit dat arrest, en met name uit de punten 698 tot en met 712, 901 en 957 ervan, blijkt evenwel duidelijk dat het Gerecht, op grond dat de Commissie de verzoekende partijen in die zaak ten onrechte aansprakelijk had gesteld voor het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de weigering om commissies te betalen en dat zij bijgevolg de mate van hun deelname aan de enkele voortdurende inbreuk had overschat, heeft geoordeeld dat het basisbedrag van de hun opgelegde geldboete niet slechts met 10 % maar veeleer met 21 % moest worden verlaagd wegens hun beperkte deelname aan de enkele voortdurende inbreuk.

238

In casu staat evenwel vast dat het Gerecht niet heeft vastgesteld dat de Commissie Cargolux ten onrechte aansprakelijk had gesteld voor het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de weigering om commissies te betalen. Zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het vierde middel, is Cargolux er overigens niet in geslaagd aan te tonen dat het bestreden arrest in dit verband blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel de feiten of bewijzen heeft verdraaid. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door SAS Cargo Group e.a. een extra verlaging van het basisbedrag van hun geldboete toe te kennen wegens hun beperkte deelname aan de enkele voortdurende inbreuk, gelet op de nietigverklaring van de vaststelling dat zij aan dit onderdeel van de inbreuk had deelgenomen, terwijl het aan Cargolux, waarvan de vaststelling dat zij aan dat onderdeel had deelgenomen niet nietig is verklaard, geen dergelijke verlaging heeft toegekend.

239

Het in punt 230 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog is dus ongegrond.

240

Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het vierde middel ongegrond worden verklaard.

Derde onderdeel: onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van Cargolux voor het onderdeel van de inbreuk dat verband houdt met de veiligheidstoeslag

– Argumenten van partijen

241

Cargolux betoogt dat de conclusie van het Gerecht in punt 477 van het bestreden arrest, volgens welke de Commissie uit het beschikbare bewijsmateriaal kon afleiden dat Cargolux gedurende de lange perioden waarvoor er geen enkel bewijs tegen haar bestond, was blijven deelnemen aan het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de veiligheidstoeslag, op verschillende punten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

242

Cargolux verwijst dienaangaande naar de punten 467 en 468 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat er leemten waren in de bewijsstukken die aantoonden dat Cargolux aan de inbreuk had deelgenomen tussen 26 november 2002 en 14 januari 2004 alsook tussen 28 september 2004 en 14 februari 2006, de einddatum van de inbreuk. Zoals het Gerecht in punt 471 van dat arrest heeft opgemerkt, is het in dergelijke omstandigheden volgens de rechtspraak echter niet voldoende dat de betrokken onderneming zich niet publiekelijk van de inbreuk heeft gedistantieerd, om te kunnen vaststellen dat deze onderneming zonder onderbreking aan de inbreuk heeft deelgenomen wanneer er in de loop van een periode van enige omvang meerdere heimelijke bijeenkomsten zijn gehouden waaraan de vertegenwoordigers van die onderneming niet hebben deelgenomen. In een dergelijk geval staat het aan de Commissie om andere bewijzen aan te dragen. In casu heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat op grond van de in de punten 473 tot en met 476 van het bestreden arrest verrichte beoordeling van deze andere bewijzen kon worden vastgesteld dat Cargolux tijdens die tijdvakken was blijven deelnemen aan het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de veiligheidstoeslag.

243

Ten eerste heeft de Commissie niet aangetoond dat de veiligheids- en de brandstoftoeslag deel uitmaakten van de enkele voortdurende inbreuk. De desbetreffende gedragingen waren onvoldoende complementair en maakten evenmin deel uit van een totaalplan. Punt 473 van het bestreden arrest is derhalve onjuist. Het Gerecht kon zich bijgevolg immers niet baseren op de contacten in verband met het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de brandstoftoeslag om de deelname van Cargolux aan het onderdeel van de inbreuk met betrekking tot de veiligheidstoeslag te verlengen en zo de einddatum van haar deelname aan de inbreuk in haar geheel uit te stellen. De in punt 229 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak biedt evenmin steun aan een dergelijke benadering. Die rechtspraak heeft immers geen betrekking op de mogelijkheid om aan te tonen dat de deelname van een onderneming aan een inbreuk is verlengd wanneer er sprake is van perioden waarvoor niet is aangetoond dat er contacten waren waarbij deze onderneming rechtstreeks betrokken was (hierna: „tijdvakken waarvoor geen bewijzen voorliggen”).

244

Ten tweede is punt 474 van het bestreden arrest onjuist omdat noch in dat punt, noch in dat arrest, of zelfs niet in het litigieuze besluit wordt uitgelegd waarom de omstandigheid dat de contacten met betrekking tot het onderdeel dat verband hield met de veiligheidstoeslag contacten op ad-hocbasis waren, aantoont dat de tijdvakken waarvoor geen bewijzen voorliggen normale tijdvakken tussen dergelijke contacten waren of dat Cargolux tijdens die tijdvakken aan dat onderdeel van de inbreuk was blijven deelnemen, temeer daar de contacten tussen de andere vervoerders met betrekking tot dat onderdeel tijdens die tijdvakken zijn voortgezet. De vergelijking tussen de frequentie van de contacten betreffende de brandstoftoeslag en de frequentie van de contacten over de veiligheidstoeslag is niet relevant. Het is alleen van belang of de contacten over de veiligheidstoeslag tussen de andere vervoerders zijn voortgezet zonder Cargolux. Indien dat het geval is, zou dat aantonen dat de aard van de gedraging betreffende de veiligheidstoeslag vereiste dat er dergelijke contacten plaatsvonden. Dientengevolge kon het Gerecht niet tot de slotsom komen dat de Commissie zich op het standpunt kon stellen dat Cargolux tijdens die tijdvakken, waarin er tussen haar en de andere vervoerders geen contacten hebben plaatsgevonden, aan dat onderdeel van de inbreuk is blijven deelnemen. Derhalve volstaat het evenmin om vast te stellen dat voor de veiligheidstoeslag slechts incidentele contacten waren vereist om daaruit af te leiden dat Cargolux tijdens die tijdvakken aan dat onderdeel van de inbreuk is blijven deelnemen, aangezien in diezelfde tijdvakken tussen de andere vervoerders nog contacten over de veiligheidstoeslag hebben plaatsgevonden. De overwegingen van het Gerecht zijn dus onjuist, aangezien het eraan is voorbijgegaan dat er in de tijdvakken waarvoor geen bewijzen van haar deelname voorliggen nog herhaaldelijk contacten tussen de overige vervoerders hebben plaatsgevonden die betrekking hadden op de veiligheidstoeslag.

245

Ten derde is punt 475 van het bestreden arrest onjuist voor zover het Gerecht daarin stelt dat Cargolux niet heeft betwist dat de gevolgen van de coördinatie op het gebied van de veiligheidstoeslag hebben voortgeduurd tijdens het tijdvak waarin er geen bewijs van contacten voorlag.

246

Om te beginnen heeft noch de Commissie noch het Gerecht enige aanwijzing gegeven over de vraag in hoeverre de gevolgen zouden hebben voortgeduurd. Deze benadering is in strijd met de rechtspraak volgens welke de Commissie zich dient te baseren op bewijzen betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd. In dit verband staat het aan de Commissie om de duur van de inbreuk te bewijzen en moet elke twijfel bij deze laatste in het voordeel van de betrokken onderneming spelen. Cargolux verwijst in dit verband ook naar met name punt 30 van het arrest van 14 januari 2021, Kilpailu- ja kuluttajavirasto (C‑450/19, EU:C:2021:10), dat de mogelijkheid voor de Commissie beperkt om bij gebreke van voldoende bewijzen ervan uit te gaan dat de inbreuk langer heeft geduurd dan de datum van de laatste contacten tussen de partijen bij de inbreuk.

247

Voorts heeft het Gerecht geen rekening gehouden met het feit dat de Commissie in het litigieuze besluit – anders dan is vereist door de punten 125 en 128 van het arrest van 16 juni 2011, Caffaro/Commissie (T‑192/06, EU:T:2011:278) – niet had aangetoond dat de overeenkomsten die waren gesloten tijdens de in de overwegingen 618 en 640 van het litigieuze besluit genoemde laatste contacten waaraan Cargolux had deelgenomen, tot een later tijdstip gevolgen moesten blijven sorteren. Het is dus duidelijk dat aan de deelname van Cargolux aan de gedraging betreffende de veiligheidstoeslag een einde is gekomen zodra zij haar contact met de andere vervoerders heeft beëindigd, dat wil zeggen na de in die overwegingen bedoelde contacten van 26 november 2002 en van 28 september 2004.

248

Ten slotte berust dit punt 475 op een onrechtmatige omkering van de bewijslast, aangezien het niet aan de betrokken onderneming staat om te weerleggen dat de gevolgen van de coördinatie hebben voortgeduurd en zelfs niet om te stellen dat zij niet op de hoogte was van het feit dat de andere vervoerders hun coördinatie hadden voortgezet. Het staat daarentegen aan de Commissie om te bewijzen dat deze gevolgen tijdens de gestelde duur van de inbreukperiode hebben voortgeduurd en om aan te tonen dat de onderneming kennis had (of redelijkerwijs kennis had kunnen hebben) van de inbreukmakende gedragingen. De Commissie legt echter niet uit hoe Cargolux de betrokken inbreukmakende gedragingen kon voorzien en bereid had kunnen zijn het risico ervan te aanvaarden.

249

Ten vierde is ook punt 476 van het bestreden arrest onjuist, waarin het Gerecht heeft opgemerkt dat Cargolux niet had aangetoond dat zij publiekelijk afstand had genomen van de coördinatie op het gebied van de veiligheidstoeslag tijdens de tijdvakken waarvoor geen bewijzen voorliggen of dat zij tijdens die tijdvakken opnieuw een eerlijk en onafhankelijk concurrentiegedrag had vertoond. Het Gerecht heeft overigens in punt 471 van het bestreden arrest zelf erkend dat de vraag of een onderneming zich publiekelijk heeft gedistantieerd slechts één van de verschillende elementen vormt die in aanmerking moeten worden genomen om vast te stellen of een onderneming tijdens aanzienlijke tijdvakken waarvoor geen bewijzen voorliggen, is blijven deelnemen aan een inbreuk.

250

Indien het Hof – anders dan Cargolux betoogt – van oordeel zou zijn dat op grond van dit vierde middel het bestreden arrest niet moet worden vernietigd en het litigieuze besluit niet nietig moet worden verklaard, voor zover dit besluit haar betreft, verzoekt zij subsidiair om gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit en om verlaging van de geldboete in de uitoefening van de volledige rechtsmacht van het Hof, en dit om de in haar middelen uiteengezette redenen of enige andere ambtshalve door het Hof opgeworpen grond.

251

De Commissie is van mening dat dit onderdeel deels niet-ontvankelijk en hoe dan ook deels ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

252

Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst in de meeste gevallen worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die, in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 57, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

253

Dergelijke aanwijzingen en samenloop van omstandigheden kunnen, wanneer zij in hun totaliteit worden beoordeeld, niet alleen uitsluitsel geven over het bestaan van de mededingingsverstorende gedragingen of overeenkomsten, maar tevens over de duur van een voortdurende gedraging die de mededinging verstoort en over het tijdvak waarin een in strijd met de mededingingsvoorschriften gesloten overeenkomst werd toegepast (arresten van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punt 95, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 111 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

254

Wat het ontbreken van bewijs voor het bestaan van een overeenkomst gedurende bepaalde perioden betreft, of althans voor de tenuitvoerlegging ervan door een onderneming in een welbepaalde periode, staat het feit dat dit bewijs niet is geleverd voor welbepaalde tijdvakken er niet aan in de weg dat de inbreuk wordt geacht vast te staan gedurende een totale periode die langer is dan deze tijdvakken mits deze vaststelling berust op objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen. In het kader van een inbreuk die zich over verschillende jaren uitstrekt, doet het voor het bestaan van een mededingingsregeling niet ter zake dat manifestaties van deze regeling zich met meer of minder lange tussenpozen in verschillende tijdvakken voordoen, zolang met de verschillende handelingen die deel uitmaken van deze inbreuk, hetzelfde doel wordt nagestreefd en deze handelingen passen in het kader van één enkele, voortdurende inbreuk (arresten van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, EU:C:2006:593, punt 169, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

255

Wat met name een inbreuk betreft die zich over verschillende jaren uitstrekt, staat het feit dat er geen rechtstreeks bewijs is dat een onderneming gedurende een bepaald tijdvak heeft deelgenomen aan deze inbreuk, er niet aan in de weg dat die deelname ook voor dit tijdvak wordt vastgesteld, mits deze vaststelling op objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen berust (arrest van 17 september 2015, Total Marketing Services/Commissie, C‑634/13 P, EU:C:2015:614, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

256

Zelfs indien de Commissie niet beschikt over bewijzen van de inbreuk voor welbepaalde tijdvakken, kan zij zich aldus op het standpunt stellen dat de inbreuk of de deelname van een onderneming daaraan niet onderbroken is wanneer de verschillende van deze inbreuk deel uitmakende handelingen hetzelfde doel dienen en kunnen passen in het kader van één enkele voortdurende inbreuk, en wanneer de betrokken onderneming zich niet heeft beroepen op aanwijzingen of bewijzen waaruit blijkt dat zij de inbreuk of haar deelname daaraan juist niet heeft voortgezet tijdens die tijdvakken (arrest van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 114).

257

In dit verband vormt het feit dat een onderneming zich niet publiekelijk heeft gedistantieerd een feitelijke situatie die de Commissie kan aanvoeren als bewijs dat een onderneming de mededingingsverstorende gedraging heeft voortgezet. Ingeval er in de loop van een periode van enige omvang verschillende heimelijke bijeenkomsten zijn gehouden waaraan de vertegenwoordigers van de betrokken onderneming niet hebben deelgenomen, kan de Commissie zich echter niet beperken tot de vaststelling dat er geen sprake is van een publiekelijke distantiëring, maar moet zij haar oordeel op ander bewijsmateriaal baseren (zie in die zin arresten van 17 september 2015, Total Marketing Services/Commissie, C‑634/13 P, EU:C:2015:614, punt 28, en 28 november 2019, LS Cable & System/Commissie, C‑596/18 P, EU:C:2019:1025, punt 33).

258

In casu zij opgemerkt dat – zoals Cargolux betoogt – het Gerecht in punt 467 van het bestreden arrest heeft benadrukt dat het litigieuze besluit een „leemte” bevatte in de bewijsstukken die moesten aantonen dat zij aan het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de veiligheidstoeslag had deelgenomen tussen 26 november 2002 en 14 januari 2004, en van 28 september 2004 tot het einde van de enkele voortdurende inbreuk, op 14 februari 2006. Het Gerecht heeft in punt 468 van dat arrest dan ook aangegeven dat dergelijke tijdvakken in de omstandigheden van het geval lang genoeg waren om te vereisen dat werd nagegaan of de deelname van Cargolux aan dat onderdeel van de inbreuk tussen 26 november 2002 en 14 januari 2004 was onderbroken en op 28 september 2004 was beëindigd in plaats van op 14 februari 2006. Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 469 tot en met 471 van het bestreden arrest in wezen herinnerd aan de in de punten 254 tot en met 257 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

259

Verder heeft het Gerecht in punt 472 van het bestreden arrest, dat door Cargolux niet wordt betwist, vastgesteld dat de bewijselementen die kunnen aantonen dat een onderneming een mededingingsverstorende gedraging heeft voortgezet in tijdvakken waarin zij niet heeft deelgenomen aan een of meer heimelijke contacten onder meer het volgende omvatten: de aard van de betrokken inbreuk, de werking van de betrokken mededingingsregeling, de gedraging van de betrokken onderneming op de betreffende markt, het feit dat deze gedraging deel uitmaakt van één enkele voortdurende inbreuk die meerdere andere onderdelen omvat, en de gevolgen van die gedraging.

260

Volgens Cargolux heeft het Gerecht bij de toepassing van de uit deze rechtspraak voortvloeiende criteria in de punten 473 tot en met 476 van het bestreden arrest blijk gegeven van de door haar gestelde onjuiste rechtsopvattingen.

261

Volgens de in de punten 252 tot en met 257 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak geeft het Gerecht geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting indien het zijn beoordeling van het bestaan en de duur van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst baseert op een algemene evaluatie van alle relevante bewijzen en aanwijzingen. De in de punten 473 tot en met 476 van het bestreden arrest genoemde bewijzen en aanwijzingen kunnen derhalve niet afzonderlijk worden beoordeeld. De vraag welke bewijskracht door het Gerecht aan elk onderdeel van deze door de Commissie aangebrachte bewijzen en aanwijzingen is toegekend, is echter een kwestie van een beoordeling van de feiten die als zodanig niet vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening (zie in die zin arrest van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punt 96).

262

In de eerste plaats moet in dit verband met betrekking tot de grief van Cargolux betreffende punt 473 van het bestreden arrest worden vastgesteld dat deze berust op de premisse dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie genoegzaam had aangetoond dat de veiligheids- en de brandstoftoeslag deel uitmaakten van één enkele voortdurende inbreuk. Uit de analyse van het tweede onderdeel van het derde middel volgt echter dat deze premisse onjuist is. Bijgevolg moet deze grief ongegrond worden verklaard.

263

In de tweede plaats moet met betrekking tot de grief die tegen punt 474 van het bestreden arrest is gericht, worden opgemerkt dat het Gerecht in dat punt heeft aangegeven dat voor de toepassing van de veiligheidstoeslag aanzienlijk minder frequente contacten nodig waren dan voor de toepassing van de brandstoftoeslag, aangezien deze niet was gebaseerd op een index waarvan de evolutie regelmatige aanpassingen vergde. Het Gerecht heeft vastgesteld dat dit verklaarde waarom de veiligheidstoeslag, nadat die was ingevoerd, slechts het voorwerp is geweest van incidentele contacten tussen de vervoerders over de toepassing ervan.

264

Derhalve heeft het Gerecht in punt 474 van het bestreden arrest enkel vastgesteld dat de omstandigheid dat het ging om een gedraging betreffende een toeslag waarvan het bedrag naar zijn aard geen regelmatige aanpassingen vergde, een aanwijzing was dat Cargolux haar mededingingsverstorende gedraging had voortgezet, ook al was voor bepaalde tijdvakken niet aangetoond dat zij rechtstreeks had deelgenomen aan de heimelijke contacten betreffende de veiligheidstoeslag. Deze beoordeling van de feiten, die door het Hof in hogere voorziening niet ter discussie kan worden gesteld, aangezien niet is aangevoerd dat die feiten onjuist zijn opgevat, heeft in wezen betrekking op de aard van de inbreuk. Overeenkomstig de door het Gerecht in punt 472 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak, die in de onderhavige hogere voorziening niet wordt betwist, kan de aard van de inbreuk inderdaad in aanmerking worden genomen als bewijs dat een onderneming een mededingingsverstorende gedraging heeft voortgezet, ook al heeft zij in bepaalde tijdvakken niet rechtstreeks deelgenomen aan die inbreuk.

265

Voor zover Cargolux in essentie aanvoert dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat bij de veiligheidstoeslag wegens de aard van de betrokken gedraging geen regelmatige contacten waren vereist, trekt zij bovendien de door het Gerecht verrichte beoordeling van de feiten in twijfel. Overeenkomstig de in de punten 96 en 261 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak is het Hof daarvoor niet bevoegd in hogere voorziening.

266

Deze grief moet dus als deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden afgewezen.

267

Wat in de derde plaats de tegen punt 475 van het bestreden arrest gerichte grief betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in dat punt heeft aangegeven dat Cargolux niet betwistte dat de gevolgen van de coördinatie op het gebied van de veiligheidstoeslag hadden voortgeduurd tijdens het tijdvak waarvoor er geen bewijs van contacten voorlag. Het heeft daaraan toegevoegd dat Cargolux overigens evenmin aanvoerde dat zij niet wist dat de andere beschuldigde vervoerders tijdens die periode hun coördinatie op het gebied van de veiligheidstoeslag hadden voortgezet.

268

Voor zover Cargolux het Gerecht in wezen verwijt het bestreden arrest niet te hebben gemotiveerd omdat het niet heeft aangegeven om welke gevolgen het ging, volstaat het in dit verband erop te wijzen dat uit voornoemd punt duidelijk blijkt dat het Gerecht verwees naar de mededingingsverstorende gevolgen van de gedraging met betrekking tot de veiligheidstoeslag, namelijk een stijging van de prijs van luchtvrachtdiensten ten nadele van de consument in de EER. Overeenkomstig de rechtspraak die het Gerecht in punt 472 van het bestreden arrest heeft uiteengezet en die in de onderhavige hogere voorziening niet wordt betwist, kunnen de gevolgen van de betrokken mededingingsverstorende gedraging inderdaad in aanmerking worden genomen als bewijs dat een onderneming een mededingingsverstorende gedraging heeft voortgezet, ook al heeft zij in bepaalde tijdvakken niet rechtstreeks deelgenomen aan die inbreuk.

269

Derhalve kan het argument van Cargolux dat het Gerecht ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd, door haar te verplichten om te weerleggen dat er mededingingsverstorende gevolgen waren die de Commissie vooraf niet had vastgesteld of aangetoond alsook om te bewijzen dat zij niet op de hoogte was van het feit dat de andere vervoerders hun coördinatie hadden voortgezet, evenmin worden aanvaard.

270

Voor zover Cargolux de Commissie verwijt dat zij niet heeft uitgelegd hoe zij de betrokken inbreukmakende gedragingen kon voorzien, bekritiseert Cargolux bovendien niet het bestreden arrest, maar wel het litigieuze besluit. Die grief moet in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard (zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, TUIfly/Commissie, C‑763/21 P, EU:C:2023:528, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

271

De arresten waarop Cargolux zich beroept kunnen evenmin aantonen dat punt 475 van het bestreden arrest onjuist is, aangezien die ingeroepen arresten betrekking hebben op andere omstandigheden dan die welke aan de orde zijn in de onderhavige zaak. Ten eerste heeft punt 30 van het arrest van 14 januari 2021, Kilpailu- ja kuluttajavirasto (C‑450/19, EU:C:2021:10) betrekking op mededingingsregelingen die niet meer van kracht zijn. Vast staat evenwel dat de Commissie in het litigieuze besluit heeft vastgesteld dat de enkele voortdurende inbreuk op 14 februari 2006, de eerste dag waarop de Commissie inspecties heeft verricht, is beëindigd. In casu gaat het dus niet om een inbreuk waarvan de duur is beoordeeld aan de hand van de periode waarin de beschuldigde ondernemingen zich op een met artikel 101 VWEU strijdige wijze hebben gedragen, ook al had de mededingingsregeling formeel gesproken reeds opgehouden te bestaan.

272

Ten tweede hebben de punten 125 en 128 van het arrest van het Gerecht van 16 juni 2011, Caffaro/Commissie (T‑192/06, EU:T:2011:278), betrekking op omstandigheden waarin de betrokken mededingingsverstorende overeenkomst beweerdelijk niet was toegepast, hetgeen in casu niet het geval is.

273

Uit het voorgaande volgt dat het in de punten 245 tot en met 248 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is.

274

Wat in de vierde plaats de grief betreft die tegen punt 476 van het bestreden arrest is gericht, moet worden vastgesteld dat het Gerecht in dat punt heeft opgemerkt dat Cargolux niet aantoonde, of zelfs niet aangaf, dat zij publiekelijk afstand had genomen van de coördinatie op het gebied van de veiligheidstoeslag tijdens de tijdvakken waarvoor er geen bewijs van contacten voorlag, en dat zij evenmin het bewijs leverde dat zij tijdens die tijdvakken opnieuw een eerlijk en onafhankelijk concurrentiegedrag op de betrokken markt had vertoond.

275

Zoals blijkt uit de inleidende woorden „in die omstandigheden” van de in punt 477 van het bestreden arrest opgenomen conclusie van het Gerecht dat de Commissie uit het beschikbare bewijsmateriaal terecht kon afleiden dat de deelname van Cargolux aan het onderdeel van de inbreuk dat verband hield met de veiligheidstoeslag had voortgeduurd van 26 november 2002 tot 14 januari 2004 en van 28 september 2004 tot het einde van de inbreuk, en zoals tevens blijkt uit het voorgaande onderzoek van het derde onderdeel van het vierde middel, is het feit dat Cargolux zich niet heeft gedistantieerd echter niet de enige omstandigheid waarop het Gerecht zijn conclusie heeft gebaseerd. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat het Gerecht met zijn vaststelling in punt 476 van dat arrest is voorbijgegaan aan de in punt 257 hierboven alsmede in punt 471 van het bestreden arrest aangehaalde vaste rechtspraak volgens welke de Commissie, ingeval er in de loop van een periode van enige omvang verschillende heimelijke bijeenkomsten zijn gehouden waaraan de vertegenwoordigers van de betrokken onderneming niet hebben deelgenomen, niet louter mag vaststellen dat de onderneming zich niet publiekelijk heeft gedistantieerd, maar zij haar oordeel ook op ander bewijsmateriaal moet baseren.

276

Hieruit volgt dat de tegen punt 476 van het bestreden arrest gerichte grief ongegrond is.

277

Het derde onderdeel van het vierde middel, en dus ook dit vierde middel in zijn geheel, moet bijgevolg deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.

278

Aangezien geen van de door Cargolux aangevoerde middelen ter onderbouwing van haar hogere voorziening is aanvaard, moet deze in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

279

Krachtens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

280

Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

281

Aangezien Cargolux in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

 

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

 

2)

Cargolux Airlines International SA wordt verwezen in de kosten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.