ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

26 februari 2026 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Luchtvrachtmarkt – Besluit van de Europese Commissie waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer wordt vastgesteld – Onderlinge afstemming van onderdelen van de prijs voor luchtvrachtdiensten (brandstoftoeslag, veiligheidstoeslag, en weigering van betaling van commissies over toeslagen) – Inkomende luchtvrachtdiensten – Territoriale bevoegdheid van de Commissie – Gekwalificeerde gevolgen”

In zaak C‑385/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 13 juni 2022,

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV, gevestigd te Amstelveen (Nederland), vertegenwoordigd door F. Brouwer en R. Wesseling, advocaten,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd A. Dawes en C. Zois als gemachtigden, bijgestaan door B. Doherty, BL,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 april 2024,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,

het navolgende

Arrest

1

Met haar hogere voorziening verzoekt Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV (hierna: „KLM”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2022, Koninklijke Luchtvaart Maatschappij/Commissie (T‑325/17, EU:T:2022:176; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep dat primair strekte tot nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 – Luchtvracht) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit besluit haar betreft, en subsidiair tot gedeeltelijke nietigverklaring van dit besluit en tot verlaging van de haar opgelegde geldboete.

Toepasselijke bepalingen

Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer

2

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 1, met rectificatie in PB 2015, L 210, blz. 38) (hierna: „Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer”) is in werking getreden op 1 juni 2002. De artikelen 8 en 9 van deze overeenkomst stemmen mutatis mutandis overeen met respectievelijk de artikelen 101 en 102 VWEU.

3

Artikel 11 van deze overeenkomst luidt als volgt:

„1.   De bepalingen van artikel 8 en 9 worden toegepast […] door de instellingen van de Gemeenschap in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vermeld in de bijlage bij deze overeenkomst, met inachtneming van de behoefte aan intensieve samenwerking tussen de instellingen van de Gemeenschap en de Zwitserse autoriteiten.

2.   De Zwitserse autoriteiten beslissen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 en 9, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen […] met betrekking tot routes tussen Zwitserland en derde landen.”

VWEU

4

Artikel 101, lid 1, VWEU bepaalt:

„Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in:

a)

het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;

b)

het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;

c)

het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;

[…]”

EER-Overeenkomst

5

Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”) stemt mutatis mutandis overeen met artikel 101 VWEU.

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

6

De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit, zoals deze in de punten 1 tot en met 58 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen ten behoeve van de onderhavige procedure worden samengevat als volgt.

7

KLM is een luchtvaartmaatschappij die via haar afdeling KLM Cargo actief is op de markt voor luchtvrachtdiensten.

8

In de vrachtsector verzorgen luchtvaartmaatschappijen het vervoer van vrachtladingen door de lucht (hierna: „vervoerders”). Gewoonlijk verrichten de vervoerders vrachtdiensten voor expediteurs, die het vervoer van deze ladingen regelen namens de verzenders. Als tegenprestatie betalen deze expediteurs aan de vervoerders een prijs die bestaat uit tarieven per kilogram en verschillende toeslagen.

Administratieve procedure

9

Op 7 december 2005 heeft de Europese Commissie uit hoofde van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3) een verzoek om immuniteit ontvangen van Deutsche Lufthansa AG en twee van haar dochtermaatschappijen, Lufthansa Cargo AG en Swiss International Air Lines AG. Volgens dit verzoek bestonden er tussen verschillende vervoerders mededingingsverstorende contacten over onderdelen van de prijs van op de luchtvrachtmarkt verrichte diensten, namelijk over de invoering van de zogenoemde „brandstof- en veiligheidstoeslagen” en de weigering van deze vervoerders om de expediteurs een commissie over toeslagen te betalen (hierna: „weigering om commissies te betalen”).

10

Op 14 en 15 februari 2006 heeft de Commissie in de bedrijfsruimten van verschillende vervoerders onaangekondigde inspecties verricht.

11

Na die inspecties hebben verschillende vervoerders, waaronder KLM, een verzoek om immuniteit ingediend op grond van de in punt 9 van het onderhavige arrest genoemde mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken.

12

Op 19 december 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan 27 vervoerders, waaronder KLM, die vervolgens schriftelijke opmerkingen hebben ingediend. Tussen 30 juni en 4 juli 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Oorspronkelijk besluit

13

Op 9 november 2010 heeft de Commissie besluit C(2010) 7694 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (zaak COMP/39258 – Luchtvracht) (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld. Dit besluit was gericht tot 21 vervoerders, waaronder KLM.

14

In dat besluit werd uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders hun handelwijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten hadden gecoördineerd door afspraken te maken over de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en zodoende hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, die plaatsvond op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland.

Arresten van 16 december 2015

15

Bij arrest van 16 december 2015, Koninklijke Luchtvaart Maatschappij/Commissie (T‑28/11, EU:T:2015:995), heeft het Gerecht het oorspronkelijke besluit nietig verklaard voor zover het betrekking had op KLM. Bij twaalf andere arresten van dezelfde dag heeft het Gerecht dit besluit eveneens geheel of gedeeltelijk nietig verklaard voor zover het betrekking had op twaalf andere vervoerders of groepen van vervoerders.

16

Het Gerecht was van oordeel dat dit besluit ontoereikend was gemotiveerd.

Litigieus besluit

17

Op 20 mei 2016 heeft de Commissie een brief gestuurd aan de vervoerders die in het oorspronkelijke besluit waren genoemd en daartegen beroep hadden ingesteld bij het Gerecht. In die brief werd deze vervoerders meegedeeld dat zij voornemens was om in een nieuw besluit vast te stellen dat zij hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer op alle in dat oorspronkelijke besluit vermelde routes. Er werd hun een termijn van een maand toegekend om opmerkingen in te dienen. Zij hebben allen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.

18

Op 17 maart 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld ten aanzien van 19 vervoerders, waaronder KLM.

19

In het litigieuze besluit wordt uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders ten aanzien van de wereldwijde verrichting van luchtvrachtdiensten onderlinge prijsafspraken hebben gemaakt met betrekking tot de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen (hierna: „litigieuze mededingingsregeling”), en zodoende één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer hebben gepleegd.

20

In punt 4 van dit besluit, met het opschrift „Beschrijving van de feiten” heeft de Commissie met name aangegeven dat het onderzoek een wereldwijd kartel aan het licht had gebracht dat was gebaseerd op een netwerk van bilaterale en multilaterale contacten tussen concurrenten die gedurende lange tijd in stand waren gehouden en betrekking hadden op de handelwijze die zij besloten of gepland hadden te volgen dan wel overwogen te volgen, met betrekking tot de verschillende in het vorige punt vermelde onderdelen van de prijs voor vrachtdiensten. Zij heeft benadrukt dat dit netwerk van contacten het gemeenschappelijke doel had om de tariefbepaling van de concurrenten af te stemmen of de onzekerheid over hun prijsbeleid weg te nemen. Vervolgens heeft zij beschreven welke contacten hadden plaatsgevonden betreffende respectievelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en een feitelijke beoordeling gemaakt van het bewijs betreffende zowel de litigieuze mededingingsregeling in haar geheel als elk van de adressaten van dat besluit afzonderlijk.

21

In punt 5 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Toepassing van de relevante mededingingsregels”, heeft de Commissie artikel 101 VWEU op de feiten van de zaak toegepast, waarbij zij heeft gepreciseerd dat de verwijzingen naar dat artikel tevens moesten worden geacht te verwijzen naar artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, aangezien die bepalingen van overeenkomstige toepassing waren, tenzij anderszins werd vermeld.

22

De Commissie heeft in dit verband de grenzen van haar temporele en territoriale bevoegdheid onderzocht om in het onderhavige geval een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen.

23

Eerst heeft zij in de overwegingen 822 tot en met 832 van het litigieuze besluit onder punt 5.2 ervan, met het opschrift „Bevoegdheid van de Commissie”, in essentie aangegeven dat zij om te beginnen artikel 101 VWEU niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Europese Unie en luchthavens buiten de EER (hierna: „Unie-derdelandenroutes”) die vóór 1 mei 2004 plaatsvonden, dat zij vervolgens artikel 53 van de EER-Overeenkomst niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen die vóór 19 mei 2005 plaatsvonden met betrekking tot Unie-derdelandenroutes en met betrekking tot routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst maar geen lid zijn van de Unie en luchthavens in derde landen [hierna: „EER(zonder Unie)-derdelandenroutes” en, samen met de Unie-derdelandenroutes, „EER-derdelandenroutes”] en dat zij ten slotte artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Unie en luchthavens in Zwitserland (hierna: „Unie-Zwitserlandroutes”) die vóór 1 juni 2002 plaatsvonden. Zij heeft in overweging 832 van het litigieuze besluit verduidelijkt dat dit „niet [was] bedoeld om eventuele schendingen van artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] vast te stellen ter zake van luchtvrachtdiensten […] tussen Zwitserland en derde landen”.

24

Vervolgens heeft de Commissie in punt 5.3.8 „Toepasselijkheid van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op inkomende vliegroutes” van het litigieuze besluit, dat de overwegingen 1036 tot en met 1046 omvat, uiteengezet waarom zij de argumenten afwees waarmee verschillende beschuldigde vervoerders aanvoerden dat zij de grenzen van haar territoriale bevoegdheid ten aanzien van de regels van internationaal publiekrecht had overschreden door een inbreuk op deze twee bepalingen vast te stellen en deze te bestraffen met betrekking tot de routes vanuit derde landen naar de EER (hierna: „inkomende routes” en, met betrekking tot de op deze routes aangeboden vrachtdiensten, „inkomende vrachtdiensten”).

25

Meer bepaald heeft de Commissie in overweging 1045 van dat besluit erop gewezen dat mededingingsverstorende praktijken in derde landen op het gebied van inkomende vrachtdiensten „geacht kunnen worden onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen te hebben binnen de [Unie en de EER], aangezien de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen zullen hebben voor de consumenten in de EER”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat die praktijken in het onderhavige geval ook dergelijke gevolgen konden hebben voor de verrichting van luchtvrachtdiensten door andere vervoerders binnen de EER, tussen de verschillende hubs in de EER die door vervoerders uit derde landen werden gebruikt en de luchthavens van bestemming binnen de EER waarnaar vracht werd vervoerd door de vervoerders uit derde landen die niet zelf op de betreffende bestemmingen vlogen.

26

Bovendien heeft zij in overweging 1046 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling „mondiaal actief” was, dat de regelingen betreffende de inkomende routes een integraal onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vormden, en dat de uniforme toepassing van de toeslagen op mondiale schaal een essentieel element van de mededingingsregeling was.

27

Punt 5.3 van het litigieuze besluit, betreffende de toepassing in de onderhavige zaak van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, omvat de overwegingen 833 tot en met 1052. Ten eerste heeft de Commissie in overweging 846 van dit besluit vastgesteld dat de beschuldigde vervoerders hun gedragingen onderling hadden afgestemd en/of prijsstellingen hadden beïnvloed, „hetgeen uiteindelijk [had] geleid tot onderling afgestemde prijzen met betrekking tot” de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies over die toeslagen aan de expediteurs. In overweging 861 van datzelfde besluit heeft de Commissie vastgesteld dat het „algemeen plan om de tarieven voor luchtvrachtdiensten op elkaar af te stemmen” dat door haar onderzoek aan het licht was gekomen, aantoonde dat er sprake was van „een complexe inbreuk […], bestaande uit verschillende maatregelen die hetzij als overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden gekwalificeerd, waarbij de concurrenten de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust hebben vervangen door een feitelijke samenwerking”.

28

Ten tweede heeft de Commissie in overweging 869 van het litigieuze besluit vastgesteld dat „de gedragingen in de onderhavige zaak één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 [VWEU vormden]”, waarbij zij in de overwegingen 870 tot en met 902 ervan heeft toegelicht dat de betrokken afspraken slechts één mededingingsverstorend doel dienden, namelijk om de mededinging binnen de luchtvrachtsector in de EER te vervalsen, dat zij betrekking hadden op de verrichting van vrachtdiensten en de daarvoor geldende prijzen, dat steeds dezelfde ondernemingen daarbij betrokken waren, dat die afspraken één enkele voortdurende inbreuk vormden, en dat zij betrekking hadden op drie onderdelen, namelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Daarbij heeft de Commissie in overweging 881 van dit besluit aangegeven dat KLM betrokken was bij alle drie deze onderdelen.

29

Ten derde heeft de Commissie in overweging 903 van dat besluit vastgesteld dat de betrokken mededingingsverstorende gedraging ertoe strekte de mededinging in ten minste de Unie, de EER en Zwitserland te beperken. In overweging 917 ervan heeft zij daaraan in essentie toegevoegd dat dan ook geen acht hoefde te worden geslagen op de concrete gevolgen van deze gedraging.

30

Ten vierde heeft de Commissie in de overwegingen 972 tot en met 1021 van het litigieuze besluit de regelgeving van zeven derde landen onderzocht, waarvan verschillende beschuldigde vervoerders stelden dat die regelgeving hen ertoe verplichtte om de toeslagen onderling af te stemmen en zodoende in de weg stond aan de toepassing van de relevante mededingingsregels. Zij was van oordeel dat deze vervoerders niet hadden aangetoond dat zij onder dwang van die derde landen hadden gehandeld.

31

Ten vijfde heeft de Commissie in de overwegingen 1024 tot en met 1035 van dat besluit geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk de handel tussen de lidstaten, tussen de partijen bij de EER-Overeenkomst en tussen de partijen bij de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer merkbaar ongunstig kon beïnvloeden.

32

Punt 7 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Duur van de inbreuk”, omvat de overwegingen 1146 tot en met 1169 ervan. Blijkens overweging 1146 van dat besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling op 7 december 1999 was begonnen en tot en met 14 februari 2006 had voortgeduurd. Zij heeft in deze overweging 1146 verduidelijkt dat deze mededingingsregeling een inbreuk vormde op:

artikel 101 VWEU voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de Unie;

artikel 101 VWEU voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-derdelandenroutes;

artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de EER;

artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes;

artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer voor de periode van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-Zwitserlandroutes.

33

In overweging 1169 van het litigieuze besluit heeft de Commissie met betrekking tot KLM vastgesteld dat de inbreuk had geduurd van 21 december 1999 tot en met 14 februari 2006.

34

In punt 8 van dat besluit heeft de Commissie zich gebogen over de te nemen corrigerende maatregelen en de op te leggen geldboeten, daarbij verwijzend naar de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2).

35

De artikelen 1, 3 en 4 van het dispositief van het litigieuze besluit luiden als volgt:

„Artikel 1

Door hun prijsstellingsgedrag bij het wereldwijd verrichten van luchtvrachtdiensten te coördineren ten aanzien van de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van over toeslagen verschuldigde commissies hebben de volgende ondernemingen één enkele voortgezette inbreuk gepleegd op artikel 101 [VWEU], artikel 53 van de [EER-Overeenkomst] en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer met betrekking tot de volgende routes en voor de volgende perioden:

1)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft routes tussen luchthavens binnen de EER, voor de volgende perioden:

[…]

d)

[KLM] van 21 december 1999 tot en met 14 februari 2006;

[…]

2)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU wat betreft [Unie-derdelandenroutes], voor de volgende perioden:

[…]

d)

[KLM] van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006;

[…]

3)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft [EER(zonder Unie)-derdelandenroutes] voor de volgende perioden:

[…]

d)

[KLM] van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006;

[…]

4)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] wat betreft [Unie-Zwitserlandroutes], voor de volgende perioden:

[…]

d)

[KLM] van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006;

[…]

Artikel 3

Voor de in artikel 1 bedoelde enkele voortgezette inbreuk […] worden de volgende geldboeten opgelegd:

[…]

c)

[KLM]: 2720000 EUR;

d)

[KLM] en Air France-KLM], zijnde ieder hoofdelijk aansprakelijk: 124440000 EUR;

[…]

Artikel 4

De in artikel 1 genoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in dat artikel bedoelde enkele en voortgezette inbreuk, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan.

Zij onthouden zich tevens van herhaling van alle in artikel 1 genoemde handelingen en gedragingen met eenzelfde of soortgelijk doel of gevolg.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

36

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 mei 2017, heeft KLM beroep ingesteld dat strekte tot, primair, nietigverklaring van het litigieuze besluit in zijn geheel, voor zover dit op haar betrekking heeft; subsidiair, nietigverklaring van artikel 1, lid 2, onder d), en lid 3, onder d), van dat besluit, voor zover de Commissie haar verantwoordelijk heeft gehouden voor een inbreuk op inkomende vliegroutes, alsook nietigverklaring van artikel 1, lid 1, onder d), lid 2, onder d), lid 3, onder d), en lid 4, onder d), alsmede van artikel 3, onder c) en d), van dat besluit, voor zover de Commissie heeft geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk de weigering om commissies te betalen omvatte, en, eveneens subsidiair, verlaging van de geldboete die haar is opgelegd bij artikel 3, onder c) en d), van dat besluit.

37

Ter ondersteuning van dit beroep heeft KLM vier middelen tot nietigverklaring aangevoerd, alsmede zeven argumenten op grond waarvan zij verzocht om verlaging van de haar opgelegde geldboete.

38

Het tweede van die vier middelen was ontleend aan onbevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten. Daarnaast heeft het Gerecht ambtshalve een middel aan de orde gesteld dat is ontleend aan de onbevoegdheid van de Commissie om krachtens de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer schending van artikel 53 van de EER-Overeenkomst op routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, maar die geen lid zijn van de Unie en luchthavens in Zwitserland [hierna: „EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes”], vast te stellen en te bestraffen.

39

Vijf van de zeven argumenten ter ondersteuning van het verzoek om verlaging van de geldboete kwamen overeen met de argumenten die zij ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring had aangevoerd, aangezien zij relevant waren voor de uitoefening van de volledige rechtsmacht van het Gerecht. KLM had bovendien nog twee aanvullende argumenten aangevoerd in antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang van het Gerecht met betrekking tot het middel dat het ambtshalve aan de orde had gesteld.

40

Bij beslissing van 1 juli 2019 is deze zaak voor de mondelinge behandeling gevoegd met zaak T‑323/17, Martinair Holland/Commissie.

41

Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht al deze middelen tot nietigverklaring, ook datgene dat het ambtshalve aan de orde had gesteld, ongegrond verklaard. In verband met dit laatste middel heeft het Gerecht evenwel vastgesteld dat de Commissie had erkend dat zij bij de vaststelling van de geldboeten mogelijk „door onachtzaamheid” de omzet die bepaalde beschuldigde vervoerders in de betrokken periode op de EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes hadden gerealiseerd in de waarde van de verkopen had opgenomen, maar het was van oordeel dat dit slechts van invloed was op de inkomsten die in aanmerking moesten worden genomen voor de berekening van het basisbedrag van de geldboete.

42

Wat het bedrag van de geldboete betreft, heeft het Gerecht als gevolg van het middel dat het ambtshalve aan de orde had gesteld en overeenkomstig het vierde argument van KLM, geoordeeld dat de waarde van de inkomsten uit de EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes niet in de waarde van de verkopen van 2005 kon worden opgenomen. Het heeft evenwel geoordeeld dat geen van de argumenten die KLM ter ondersteuning van haar verzoek om verlaging van de geldboete had aangevoerd, kon worden aanvaard en dat ook het verzoek van de Commissie tot intrekking van de wegens verzachtende omstandigheden toegekende verlaging moest worden afgewezen. Het Gerecht heeft uiteindelijk in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het eindbedrag van de aan KLM op te leggen geldboete vastgesteld op 127160000 EUR, tot betaling waarvan zij hoofdelijk met Air France-KLM is gehouden ten belope van 124440000 EUR en alleen ten belope van 2720000 EUR, wegens haar deelname aan de enkele voortdurende inbreuk vóór 5 mei 2004, datum waarop Société Air France SA zeggenschap over haar heeft verkregen. Aangezien deze bedragen gelijk waren aan die welke bij het litigieuze besluit zijn vastgelegd, heeft het Gerecht de vordering van KLM tot wijziging van het bedrag van de geldboete afgewezen.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

43

Met haar hogere voorziening verzoekt KLM het Hof:

het bestreden arrest nietig te verklaren voor zover daarbij wordt geoordeeld dat de Commissie bevoegd is om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten op EER-derdelandenroutes;

het litigieuze besluit in zijn geheel nietig te verklaren of, subsidiair, dit besluit gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover daarbij wordt vastgesteld dat KLM artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst heeft geschonden met betrekking tot inkomende luchtvrachtdiensten op EER-derdelandenroutes, en

hoe dan ook de Europese Commissie te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten van KLM voor het Gerecht.

44

De Commissie verzoekt het Hof:

de hogere voorziening af te wijzen en KLM te verwijzen in de kosten, en

subsidiair, indien het Hof de hogere voorziening zou toewijzen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

Hogere voorziening

45

KLM voert als enig middel ter ondersteuning van haar hogere voorziening aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door tot de conclusie te komen dat inkomende vrachtdiensten binnen de werkingssfeer van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vallen.

46

Dit middel bestaat uit vier onderdelen. Met het eerste onderdeel betoogt KLM dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en voornoemde bepalingen heeft geschonden door tot de conclusie te komen dat inkomende vrachtdiensten in de EER gevolgen met zich meebrachten die relevant waren om de bevoegdheid van de Commissie vast te stellen. Met het tweede onderdeel stelt zij dat het Gerecht dezelfde schendingen heeft begaan en blijk heeft gegeven van dezelfde onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de praktijken die verband hielden met inkomende vrachtdiensten waarschijnlijk gevolgen hadden in de EER. Met het derde onderdeel stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn motivering in de plaats te stellen van die van de Commissie en door op onrechtmatige wijze de bewijslast om te keren om tot de conclusie te komen dat de praktijken in verband met inkomende vrachtdiensten gekwalificeerde gevolgen hadden in de EER. Met het vierde onderdeel betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en voornoemde bepalingen heeft geschonden door te oordelen dat het feit dat het om één enkele voortdurende inbreuk gaat ertoe kan leiden dat de bevoegdheid van de Commissie wordt uitgebreid tot gedragingen die buiten de EER hebben plaatsgevonden.

Eerste onderdeel, betreffende het bestaan van relevante gevolgen in de EER waaruit blijkt dat de Commissie bevoegd is ten aanzien van inkomende vrachtdiensten

Argumenten van partijen

47

KLM voert aan dat het Gerecht, om niettegenstaande zijn vaststelling in punt 150 van het bestreden arrest dat nagenoeg alle inkomende vrachtdiensten buiten de EER worden verkocht, vast te stellen dat er sprake is van een voldoende nauwe band met de EER, in punt 152 van dat arrest de hypothese heeft geformuleerd dat de betrokken toeslagen behalve op de totale prijs die aan de expediteurs in rekening werd gebracht ook, op een secundair niveau, van invloed konden zijn op de prijzen die de expediteurs voor hun diensten aan hun klanten in rekening brachten, mits zij de eventuele door de betrokken mededingingsregeling veroorzaakte meerkosten doorberekenen in de prijs van hun dienstenpakketten. Het heeft daaruit in punt 153 van dat arrest afgeleid dat een verhoging van die prijzen ook gevolgen kan hebben voor de tarieven die de verzenders die diensten kopen van de expediteurs toepassen op de goederen die aan eindafnemers binnen de EER worden verzonden.

48

Die gevolgen zijn echter niet aangetoond, noch voldoende relevant om gekwalificeerde gevolgen, als bedoeld in het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), tot stand te brengen. Zij hangen immers af van het vermeende autonome besluit van de expediteurs en de verzenders om de meerkosten door te berekenen aan hun respectieve klanten, zonder dat zij door KLM zijn aangezet tot enige gedraging binnen de EER. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, waren de gevolgen voor de mededinging daarentegen het beoogde resultaat van de gedraging van Intel Corporation Inc. alleen. Bovendien gaat het in casu niet om een wereldwijde markt, maar om verschillende lokale markten, en is de mededinging voor inkomende vrachtdiensten niet uitgeoefend in de EER.

49

Voorts zijn de gevolgen die bestaan in een stijging van de prijzen van in de EER ingevoerde goederen, gesteld al dat deze aannemelijk zijn, niet onmiddellijk en houden zij dus onvoldoende verband met de buiten de EER gestelde gedraging opdat er een voldoende nauw verband met de EER kan worden vastgesteld. Indien de benadering van het Gerecht wordt gevolgd, zou elke gedraging die buiten de EER plaatsvindt in een waardeketen van mondiale omvang gevolgen kunnen hebben binnen de EER. Indien het criterium dat is gebaseerd op de gekwalificeerde gevolgen van de mededingingsverstorende praktijken in de Unie (hierna: „criterium van de gekwalificeerde gevolgen”) dermate ruim werd uitgelegd, zou dit in een context van economische globalisering en wereldwijde distributienetwerken zijn betekenis verliezen.

50

Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat indirecte en hoe dan ook niet-wezenlijke gevolgen volstonden om de vereiste gekwalificeerde gevolgen binnen de interne markt vast te stellen. Bovendien is het Gerecht zijn motiveringsplicht niet-nagekomen aangezien het zich heeft gebaseerd op een reeks vermeende, speculatieve en dus niet‑verifieerbare gevolgen, in plaats van het bestaan van een voldoende en onmiddellijk verband tussen de betrokken praktijken en de EER vast te stellen.

51

Anders dan de Commissie betoogt, is het onderhavige onderdeel ontvankelijk, aangezien daarmee niet de feiten worden betwist, maar wel de juridische kwalificatie van de gestelde gevolgen op grond waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat er sprake was van gekwalificeerde gevolgen.

52

De Commissie betoogt dat dit onderdeel moet worden afgewezen, aangezien het niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op feitelijke beoordelingen van het Gerecht en voor het overige ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

53

In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat met het criterium van de gekwalificeerde gevolgen hetzelfde doel wordt nagestreefd als met het criterium dat gebaseerd is op de plaats waar de mededingingsverstorende praktijken ten uitvoer zijn gelegd, namelijk gedragingen aanpakken die niet op het grondgebied van de Unie of, al naargelang het geval, de EER hebben plaatsgevonden, maar waarvan de mededingingsverstorende gevolgen merkbaar kunnen zijn op de markt van de Unie of de EER. Bijgevolg kan de toepassing van het mededingingsrecht van de Unie en de EER internationaalpubliekrechtelijk gerechtvaardigd zijn op grond van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen wanneer voorzienbaar is dat de betrokken gedraging een onmiddellijk en wezenlijk gevolg zal hebben in de Unie of de EER. In dat verband wordt reeds voldaan aan het criterium van voorzienbare gevolgen, indien een gedraging waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mededinging. Daarnaast wordt reeds aan de voorwaarde inzake onmiddellijke gevolgen voldaan indien een gedraging een onmiddellijk gevolg in de Unie of de EER „kan” teweegbrengen (zie in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 45, 49, 51 en 52).

54

Zoals KLM stelt, moet de Commissie – om aan te tonen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen is voldaan – dus bewijzen dat de betrokken praktijken voorzienbare, onmiddellijke en wezenlijke gevolgen hebben binnen de Unie of, zoals in het onderhavige geval, de EER. Het Gerecht heeft deze criteria overigens in herinnering gebracht in de punten 133 en 154 van het bestreden arrest. Anders dan KLM stelt met haar betoog dat in het onderhavige onderdeel van haar enige middel is uiteengezet, is het Gerecht in de punten 152 en 153 van het bestreden arrest evenwel niet van dit criterium afgeweken door te oordelen dat louter indirecte, niet-onmiddellijke, speculatieve en hoe dan ook niet-wezenlijke gevolgen volstaan om te kunnen spreken van gekwalificeerde gevolgen als bedoeld in de in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

55

Zoals blijkt uit de punten 128, 129, 132 en 145 tot en met 154 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, maken die punten 152 en 153 deel uit van de analyse van het Gerecht in verband met de beoordeling van de relevantie van de eerste grond waarop de Commissie zich in overweging 1045 van het litigieuze besluit heeft gebaseerd om vast te stellen dat in het onderhavige geval aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan. Deze grond betrof het feit dat „de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen [zouden] hebben voor de consumenten in de EER”, door het Gerecht het „betrokken gevolg” genoemd (hierna: „effect op de prijzen van de ingevoerde goederen”), waarvan KLM stelde dat het niet behoorde tot de gevolgen van de litigieuze gedraging waarmee de Commissie rekening mocht houden bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.

56

Aangezien de punten 152 en 153 van het bestreden arrest dus geen betrekking hebben op de vraag of het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen voldeed aan het vereiste dat het voorzienbaar, wezenlijk en onmiddellijk was, kan niet worden aangenomen dat het Gerecht in die punten heeft geoordeeld dat indirecte, niet-onmiddellijke, speculatieve en hoe dan ook niet-wezenlijke gevolgen volstaan om vast te kunnen stellen dat er sprake is van gekwalificeerde gevolgen binnen de EER. Aangezien het eerste gedeelte van het ter ondersteuning van het eerste onderdeel aangevoerde betoog dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest berust, dient dit als ongegrond te worden afgewezen.

57

In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat – voor zover KLM de in de punten 152 en 153 van het bestreden arrest uiteengezette beoordeling van het Gerecht, namelijk dat de litigieuze gedraging een effect op de prijzen van de ingevoerde goederen heeft gehad, ter discussie wil stellen – de hogere voorziening overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen.

58

Zo is het Hof, wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, krachtens artikel 256 VWEU slechts bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht deze juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 21, en 11 januari 2024, Planistat Europe en Charlot/Commissie, C‑363/22 P, EU:C:2024:20, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59

Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijzen te beoordelen. Wanneer deze bewijzen volgens de ter zake geldende regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen alsook de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het namelijk uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de overgelegde bewijzen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 22, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60

In casu stelt KLM in wezen dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen uitsluitend afhing van het vermeende autonome besluit van de expediteurs en de verzenders om de door de litigieuze mededingingsregeling veroorzaakte meerkosten door te berekenen aan hun respectieve klanten, en dat de mededinging voor inkomende vrachtdiensten op lokale markten buiten de EER plaatsvond, waardoor in casu niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van gevolgen op basis waarvan de Commissie het criterium van de gekwalificeerde gevolgen kon toepassen.

61

Daarmee betwist KLM de vaststellingen die het Gerecht heeft gedaan in de punten 150 tot en met 153 van het bestreden arrest. Het Gerecht heeft zich in deze punten echter beperkt tot een uiteenzetting en een beoordeling van de feiten, zoals deze blijken uit de overwegingen 14, 17 en 70 van het litigieuze besluit en uit de antwoorden van de partijen op de maatregelen tot organisatie van de procesgang die het had vastgesteld, uitsluitend om na te gaan of het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen – op grond waarvan de Commissie van mening was dat zij het criterium van de gekwalificeerde gevolgen kon toepassen – was aangetoond, zonder een juridische kwalificatie van die feiten te maken. Zoals met name blijkt uit punt 154 van het bestreden arrest, is het Gerecht immers pas daarna nagegaan of dat effect onder het begrip „gekwalificeerde gevolgen”, als bedoeld in de in punt 53 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, kon vallen.

62

Derhalve moet worden vastgesteld dat KLM met dit betoog het Hof in werkelijkheid verzoekt om een nieuwe beoordeling van de door het Gerecht in de punten 150 tot en met 153 uiteengezette en beoordeelde feiten, waartoe het Hof overeenkomstig de in punt 59 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet bevoegd is, aangezien niet wordt aangevoerd dat deze feiten onjuist zijn opgevat. Dat betoog moet derhalve als niet-ontvankelijk worden afgewezen.

63

Voor zover KLM met dat in de punten 48 tot en met 50 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog tevens wil betwisten dat die gevolgen wezenlijk en onmiddellijk waren in de zin van de in punt 53 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, moet bovendien worden opgemerkt dat het Gerecht respectievelijk in de punten 175 tot en met 185 en in de punten 186 tot en met 194 van het bestreden arrest de vraag heeft onderzocht of het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen met name wezenlijk en onmiddellijk was, zoals vereist door die rechtspraak.

64

Wat het wezenlijke karakter van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen betreft, stelt KLM echter enkel dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat „hoe dan ook niet-wezenlijke” gevolgen volstonden om vast te stellen dat er sprake was van gekwalificeerde gevolgen.

65

Volgens artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet een hogere voorziening echter op straffe van niet-ontvankelijkheid van die hogere voorziening of van het betrokken middel duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. De onderdelen van een hogere voorziening waarin geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoen niet aan dit vereiste en moeten niet-ontvankelijk worden verklaard (arrest van 4 oktober 2024, Ferriere Nord/Commissie, C‑31/23 P, EU:C:2024:851, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66

Vastgesteld moet dus worden dat een dergelijke algemene stelling niet aan deze vereisten voldoet. Bijgevolg moet het betoog van KLM als niet-ontvankelijk worden afgewezen voor zover het betrekking heeft op de beoordeling door het Gerecht van het wezenlijke karakter van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen.

67

Wat het onmiddellijke karakter van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen betreft, heeft het Gerecht allereerst in de punten 186 tot en met 189 van het bestreden arrest uiteengezet aan de hand van welke juridische criteria het zou beoordelen of dit in casu was aangetoond. In dit verband heeft het met name aangegeven dat de handelswijze van de expediteurs op zichzelf niet van dien aard was dat deze de causaliteitsketen tussen de litigieuze gedraging en dat effect verbrak en dus het onmiddellijke karakter daarvan wegnam, aangezien die handelswijze objectief voortvloeide uit de betrokken mededingingsregeling, volgens de normale werking van de markt, en deze keten dus niet verbrak maar voortzette.

68

Vervolgens heeft het in de punten 190 tot en met 193 van dat arrest de argumenten afgewezen die KLM had aangevoerd om te betwisten dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen onmiddellijk was.

69

Zo heeft het Gerecht in punt 190 van het bestreden arrest het betoog van KLM verworpen dat er concrete aanwijzingen waren dat ten minste een deel van de prijzen die de expediteurs in de betrokken periode aan de verzenders aanrekenden, zelf het resultaat waren van de mededingingsverstorende praktijken waarvoor de Commissie sancties heeft opgelegd aan de expediteurs. In dit verband heeft het Gerecht opgemerkt dat KLM niet aantoonde, en zelfs niet stelde, dat de expediteurs in het kader van die praktijken onrechtmatig onderling overleg hadden gepleegd om de meerkosten die zij hadden moeten betalen, door te berekenen aan de verzenders, en dat zij evenmin aantoonde dat die praktijken verhinderden dat de expediteurs deze meerkosten doorberekenden aan de verzenders.

70

In punt 191 van dat arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat KLM haar argument dat de toeslagen die de expediteurs aan de verzenders in rekening brachten hoger waren dan de toeslagen die zij aan de beschuldigde vervoerders betaalden, niet had onderbouwd, en voorts niet had uitgelegd waarom de expediteurs niet in staat zouden zijn geweest om tegelijkertijd de door de enkele voortdurende inbreuk veroorzaakte meerkosten door te berekenen aan de verzenders en aan deze laatsten in totaal hogere toeslagen in rekening te brengen dan die welke zij zelf aan de beschuldigde vervoerders hadden moeten betalen.

71

Het heeft daar in punt 192 van het bestreden arrest uit afgeleid dat niet kon worden geoordeeld dat de voorzienbare doorberekening van de meerkosten aan de in de EER gevestigde verzenders het gevolg was van de mededingingsverstorende praktijken waarvoor de Commissie sancties had opgelegd aan de expediteurs en bijgevolg onrechtmatig was of losstond van de normale werking van de markt.

72

In punt 193 van dat arrest heeft het Gerecht tevens het argument van KLM afgewezen dat was ontleend aan de „afnemersmacht” die de expediteurs zouden hebben uitgeoefend, op grond dat KLM daar niet het bewijs van had geleverd en zelfs niet had uitgelegd in welk opzicht zij van dien aard was dat zij de causaliteitsketen tussen de litigieuze gedraging en het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen verbrak.

73

Ten slotte heeft het in punt 194 van het bestreden arrest uit deze elementen geconcludeerd dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen voldeed aan het vereiste dat het onmiddellijk was.

74

Ten eerste heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 186 tot en met 189 van het bestreden arrest te oordelen dat de handelswijze van derden, zoals de expediteurs, niet per definitie het definitieve karakter van de gevolgen van de litigieuze gedraging wegneemt, aangezien die handelswijze objectief voortvloeit uit de betrokken mededingingsregeling, volgens de normale werking van de markt.

75

Aan dit oordeel wordt niet afgedaan door de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), waarnaar KLM verwijst.

76

Uit dat arrest blijkt immers niet dat alleen gevolgen voor de mededinging die het beoogde resultaat zijn van uitsluitend de gedraging van de onderneming die wordt vervolgd wegens een inbreuk op artikel 101 VWEU of artikel 102 VWEU, voldoen aan het vereiste van onmiddellijkheid om te kunnen vaststellen dat een mededingingsverstorende gedraging voldoet aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.

77

Bovendien blijkt uit dat arrest niet dat het Hof daarin een definitie van het onmiddellijke karakter van de gevolgen heeft gegeven die uitsluitend geldt voor een wereldwijde markt, wat een situatie waarin meerdere lokale markten betrokken zijn – die zich volgens KLM in casu voordoet – zou uitsluiten.

78

Ten tweede verzoekt KLM – voor zover zij betoogt dat de doorberekening van de toeslagen in de omstandigheden van het onderhavige geval afhing van een autonome beslissing van de expediteurs en de verzenders – het Hof in werkelijkheid om een nieuwe beoordeling van de door het Gerecht in de punten 190 tot en met 193 van het bestreden arrest uiteengezette en beoordeelde feiten, zonder aan te voeren dat die feiten onjuist zijn opgevat. Gelet op de in punt 59 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet dit betoog dus als niet-ontvankelijk worden afgewezen.

79

Uit het voorgaande volgt dat het in de punten 48 tot en met 50 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog van KLM, voor zover het al niet om de in de punten 60 tot en met 62, 64 tot en met 66 en 78 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen niet-ontvankelijk is, moet worden afgewezen als zijnde ongegrond.

80

Er zij in de derde plaats aan herinnerd dat de motiveringsplicht die op het Gerecht rust krachtens artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 53, eerste alinea, ervan, inhoudt dat het Gerecht de redenering die het heeft gevolgd duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen (arresten van 11 april 2013, Mindo/Commissie, C‑652/11 P, EU:C:2013:229, punt 29, en 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81

Deze motiveringsplicht verlangt echter niet van het Gerecht dat het een uitputtende uiteenzetting geeft die achtereenvolgens alle door de partijen in het geding uitgedrukte redeneringen volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarop het Gerecht zich baseert en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht in het kader van een hogere voorziening uit te oefenen (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 372, en 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

82

Er zij tevens aan herinnerd dat die motiveringsplicht, die een wezenlijk vormvoorschrift is, moet worden onderscheiden van de gegrondheid van de motivering, die de wettigheid ten gronde van de litigieuze handeling betreft [arresten van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67, en 4 oktober 2024, UPL Europe en Indofil Industries (Netherlands)/Commissie, C‑262/23 P, EU:C:2024:862, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

83

Door te stellen dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen omdat het zich heeft gebaseerd op een reeks vermeende, speculatieve en dus niet‑verifieerbare gevolgen, in plaats van het bestaan van een voldoende en onmiddellijk verband tussen de betrokken praktijken en de EER vast te stellen, betwist KLM in werkelijkheid de gegrondheid van de in de punten 150 tot en met 154 van het bestreden arrest uiteengezette motivering. Een dergelijke stelling kan de grief dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen dus niet schragen.

84

Uit het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel van het enige middel als deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden afgewezen.

Tweede onderdeel, betreffende de waarschijnlijke gevolgen van de praktijken in verband met inkomende vrachtdiensten

Argumenten van partijen

85

Wat betreft de gevolgen die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, voert KLM aan dat de gevolgen van een gedraging voor de mededinging niet alleen voorzienbaar, wezenlijk en onmiddellijk, maar bovendien ook waarschijnlijk moeten zijn. Dit vereiste van waarschijnlijkheid verlangt volgens KLM meer dan het enkele feit dat de betrokken gedraging gevolgen „kan” teweegbrengen in de EER. Opdat de Commissie bevoegdheid kan opeisen, moet het niet alleen mogelijk maar ook meer waarschijnlijk dan onwaarschijnlijk zijn dat de gevolgen zich in de EER zullen voordoen.

86

In dit verband is het Gerecht in de eerste plaats zijn motiveringsplicht niet nagekomen, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het artikel 101 VWEU geschonden door in de punten 139 tot en met 143 van het bestreden arrest te oordelen dat het gelet op de kwalificatie van de betrokken inbreuk als een inbreuk „naar strekking” overbodig was om te beoordelen of het waarschijnlijk was dat er gevolgen zouden zijn binnen de EER. In punt 144 van dat arrest heeft het Gerecht dus ten onrechte het betoog van KLM dienaangaande afgewezen.

87

Uit het feit dat een soort gedraging er doorgaans toe strekt de mededinging te beperken, kan niet worden afgeleid dat deze automatisch een beperking van de mededinging binnen de interne markt teweegbrengt. Hoewel niet moet worden aangetoond dat er daadwerkelijk gevolgen zijn binnen de EER vereist het criterium van de gekwalificeerde gevolgen dat het Gerecht, teneinde vast te stellen dat de Commissie bevoegd is ten aanzien van een gedraging die buiten de EER heeft plaatsgevonden, vaststelt dat die gedraging waarschijnlijk gevolgen heeft binnen de EER. De Commissie heeft dit in het litigieuze besluit niet onderzocht en het Gerecht heeft dit evenmin geverifieerd. Het heeft vastgesteld dat de betrokken gedraging ertoe strekte de mededinging op de interne markt te beperken zonder eerst rekening te houden met het feit dat deze gedraging buiten de EER is aangenomen en ten uitvoer is gelegd. Aangezien KLM geen zeggenschap uitoefende over de door de expediteurs aan de verzenders aangerekende prijzen noch over de aan de consumenten in de EER aangerekende prijzen, kan haar „inbound gedrag” niet tot doel hebben gehad de mededinging binnen de EER te beperken.

88

Indien de verklaring van het Gerecht dat de kwalificatie van een mededingingsbeperking als beperking „naar strekking” het bestaan van waarschijnlijke gevolgen voor de interne markt impliceert, gegrond was, zou artikel 101 VWEU van toepassing zijn op alle onderling afgestemde gedragingen, ongeacht waar zij plaatsvinden, ten uitvoer worden gelegd of gevolgen sorteren. Een dergelijke uitlegging van artikel 101 VWEU kan niet juist zijn en is bovendien in strijd met de algemene beginselen van internationaal recht.

89

In de tweede plaats heeft het Gerecht ten onrechte nagelaten te beoordelen of de hypothesen waarop de conclusie van de Commissie in verband met de in het litigieuze besluit veronderstelde indirecte gevolgen in de EER is gebaseerd, waarschijnlijk waren.

90

In punt 152 van het bestreden arrest heeft het vastgesteld dat zodra de expediteurs de eventuele door de litigieuze mededingingsregeling veroorzaakte meerkosten in de prijs van hun dienstenpakketten doorberekenen, deze gevolgen zich binnen de EER kunnen voordoen. De Commissie heeft deze door het Gerecht gesuggereerde gevolgen echter niet onderzocht en heeft evenmin rekening gehouden met de analytische en feitelijke voorwaarden die in deze hypothesen vervat liggen, hetgeen zij zelfs niet betwist. Ten eerste is zij niet nagegaan of de litigieuze gedraging heeft geleid tot een verhoging van de prijzen voor luchtvervoerdiensten op de markten buiten de EER. Ten tweede heeft de Commissie, zelfs indien vaststond dat er sprake was van gevolgen voor de mededinging, niet aangetoond, en zelfs niet onderzocht, of het ging om een verhoging van de totale door de expediteurs gedragen kosten en, zo ja, wat de omvang van die gevolgen of die prijsverhoging was. Ten derde heeft zij, gesteld al dat de kosten van de expediteurs gestegen waren, geen rekening gehouden met – en zelfs geen verificatie uitgevoerd van – de mogelijkheid dat de expediteurs deze hogere kosten zouden doorberekenen aan hun klanten, namelijk de verzenders die buiten de EER gevestigd zijn. Ten vierde heeft zij, gesteld al dat er sprake was van een dergelijke doorberekening van de – overigens hypothetische en waarschijnlijk onbeduidende – kosten, niet geverifieerd of de verzenders hun prijzen dienovereenkomstig hadden verhoogd. De zowel buiten als binnen de EER gevestigde verzenders en expediteurs stellen in het kader van civielrechtelijke vorderingen tot schadevergoeding die bij de nationale rechterlijke instanties aanhangig zijn overigens dat zij de eventuele door de litigieuze gedraging veroorzaakte „meerkosten” niet hebben doorberekend.

91

Aangezien de waarschijnlijkheid en de omvang van de meerkosten voor de consumenten in de EER niet zijn onderzocht, zijn de gevolgen waarop de Commissie zich baseert om haar bevoegdheid vast te stellen per definitie hypothetisch en speculatief. Er is niet aangetoond in welke mate de gedraging op het gebied van inkomende vrachtdiensten tot een verhoging van de totale prijs van de aan de expediteurs aangerekende vrachtdiensten heeft geleid, noch in welke mate deze prijsverhogingen hebben geleid tot de aanrekening van hogere prijzen aan de verzenders en de doorberekening daarvan aan de consumenten die in de EER ingevoerde goederen kopen. Zonder zorgvuldige beoordeling kan echter niet worden aangenomen dat een prijsstijging in een bepaald stadium zich rechtstreeks vertaalt in een prijsverhoging in een later stadium.

92

De gevolgen die de Commissie heeft aangevoerd en die het Gerecht zonder voorbehoud heeft erkend, zijn dus louter hypothetisch of alleszins van geringe betekenis, en onvoldoende waarschijnlijk om gekwalificeerde gevolgen teweeg te brengen. De conclusies die het Gerecht heeft getrokken, berusten op de hypothese dat de expediteurs de prijsstijgingen doorberekenen en op het vermoeden dat de verzenders deze ook nog eens doorberekenen, zonder dat wordt gestaafd dat deze veronderstellingen waarschijnlijk zijn en ondanks een groot aantal bewijzen die de waarschijnlijkheid ervan ondergraven. Door te oordelen dat de vereiste waarschijnlijke gevolgen van een gedraging binnen de EER kunnen worden vastgesteld op basis van speculatieve criteria en beoordelingen, is het Gerecht zijn motiveringsplicht niet nagekomen en heeft het hoe dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en artikel 101 VWEU geschonden.

93

De Commissie stelt dat dit onderdeel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

94

In de eerste plaats moet worden benadrukt dat uit de in punt 53 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak blijkt dat de voorwaarde inzake de „waarschijnlijkheid” van de gekwalificeerde gevolgen waarnaar KLM verwijst, niet verschilt van de voorwaarde inzake de voorzienbaarheid van die gevolgen, aangezien volgens die rechtspraak reeds wordt voldaan aan het criterium van voorzienbare gevolgen, indien een gedraging waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mededinging. KLM stelt dus ten onrechte dat het vereiste van waarschijnlijkheid een bijkomend criterium is bovenop de vereisten van voorzienbaarheid, wezenlijkheid en onmiddellijkheid. Bijgevolg kan KLM het Gerecht niet op goede gronden verwijten – zoals uiteengezet in punt 85 van het onderhavige arrest – dat het niet is nagegaan of het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen waarschijnlijk was, terwijl het in de punten 155 tot en met 174 van het bestreden arrest heeft onderzocht of dit effect voorzienbaar was.

95

In de tweede plaats zij opgemerkt dat het Gerecht in punt 139 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat in het geval van een gedraging waarvan de Commissie, zoals in het onderhavige geval, heeft vastgesteld dat de mededinging op de interne markt of binnen de EER daardoor zodanig nadelig wordt beïnvloed dat die gedraging als mededingingsbeperking „naar strekking” in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst kan worden aangemerkt, aan de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet de eis mag worden verbonden dat de concrete gevolgen worden aangetoond die zich moeten voordoen om een feitelijke gedraging te kunnen kwalificeren als mededingingsbeperking „naar gevolg”, in de zin van deze bepalingen.

96

Evenzo heeft het Gerecht in punt 143 van dat arrest verklaard dat een uitlegging van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen waarbij, zelfs als er sprake is van een mededingingsbeperking „naar strekking”, de concrete gevolgen van de litigieuze gedraging moeten worden bewezen – zoals KLM leek te bepleiten –, erop neer zou komen dat de bevoegdheid van de Commissie om een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vast te stellen en te bestraffen, wordt onderworpen aan een voorwaarde die niet gebaseerd is op de bewoordingen van die bepalingen.

97

In punt 144 van dat arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat KLM, ten eerste, de Commissie niet met recht kon verwijten dat zij een fout had begaan door te oordelen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, ook al had zij in de overwegingen 917, 1190 en 1277 van het litigieuze besluit aangegeven dat zij geen beoordeling van de mededingingsverstorende gevolgen van de litigieuze gedraging hoefde te verrichten gelet op de mededingingsverstorende strekking ervan, en ten tweede, evenmin uit die overwegingen kon afleiden dat de Commissie bij de toepassing van dat criterium geen analyse had verricht van de gevolgen van die gedraging op de interne markt of binnen de EER.

98

Zoals dit tweede deel van dat punt 144 reeds aangeeft, kan uit deze door KLM betwiste punten echter niet worden afgeleid dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het gelet op de kwalificatie van de betrokken inbreuk als een inbreuk „naar strekking” overbodig was om te beoordelen of er zich mogelijk gevolgen zouden voordoen binnen de EER, op basis waarvan kon worden vastgesteld dat de Commissie bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op gedragingen buiten de EER.

99

Uit de punten 135 tot en met 153 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt namelijk dat het Gerecht in die betwiste punten enkel het betoog van KLM, dat in de punten 118 en 119 van het bestreden arrest is samengevat, van de hand heeft gewezen. Zo heeft het in die punten uiteengezet waarom KLM ten onrechte stelde dat het feit dat de Commissie in overweging 917 van het litigieuze besluit had aangegeven dat zij geen analyse had verricht van de mededingingsverstorende gevolgen van de betrokken mededingingsverstorende praktijken betekende dat de Commissie wegens de aard van die praktijken niet had beoordeeld of deze zodanige gevolgen hadden gehad voor de mededinging binnen de Unie of de EER dat zij kon vaststellen dat zij op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten.

100

Ten eerste heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in essentie te antwoorden dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, op basis waarvan de extraterritoriale bevoegdheid van de Commissie kan worden vastgesteld, verschilt van de vraag of de litigieuze mededingingsregeling kan worden aangemerkt als een beperking van de mededinging in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, valt het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag kan dienen voor de bevoegdheid van de Commissie – krachtens het internationaal publiekrecht – om de mededingingsregels van de Unie en van de EER extraterritoriaal toe te passen, niet samen met het materiële criterium van de mededingingsbeperking, naar strekking of naar gevolg, op de interne markt van de Unie of binnen de EER, waaraan de bevoegdheid van de Commissie – krachtens het Unierecht – voor de vaststelling en de bestraffing van een inbreuk op deze mededingingsregels onderworpen is.

101

Ten tweede is de analyse waarbij het Gerecht heeft onderzocht of de Commissie terecht had geoordeeld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, uiteengezet in de punten 155 tot en met 195 van het bestreden arrest wat betreft de onderlinge afstemming op het gebied van de inkomende vrachtdiensten afzonderlijk beschouwd, en in de punten 196 tot en met 207 van dit arrest wat betreft de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd.

102

Derhalve leest KLM het bestreden arrest onjuist wanneer zij stelt dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en artikel 101 VWEU heeft geschonden door te oordelen dat het gelet op de kwalificatie van de betrokken inbreuk als een inbreuk „naar strekking” overbodig was om te beoordelen of er zich mogelijk gevolgen zouden voordoen binnen de EER teneinde vast te stellen dat de Commissie bevoegd is ten aanzien van inkomende vrachtdiensten. Bijgevolg moet het in de punten 86 tot en met 88 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.

103

In de derde plaats moet in verband met het in de punten 89 tot en met 92 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog om te beginnen worden vastgesteld dat dit betoog, voor zover KLM hiermee aanvoert dat het litigieuze besluit leemten vertoont, niet tegen het bestreden arrest gericht is maar tegen het litigieuze besluit. In zoverre moet dit dan ook als niet-ontvankelijk worden afgewezen (zie naar analogie, arrest van 29 juni 2023, TUIfly/Commissie, C‑763/21 P, EU:C:2023:528, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

104

Vervolgens moet worden vastgesteld dat, anders dan het betoog van KLM suggereert, de analyse die het Gerecht heeft verricht aangaande de hypothesen waarop de Commissie haar oordeel over de gekwalificeerde gevolgen van de litigieuze mededingingsregeling in de EER heeft gebaseerd, niet beperkt is tot de enkele vaststelling in punt 152 van het bestreden arrest, maar is uiteengezet in de punten 135 tot en met 153 ervan. Die punten hebben specifiek betrekking op de vraag of de meerkosten die de verzenders eventueel hebben moeten betalen en de stijging van de prijzen van de in de EER ingevoerde goederen die daarvan het gevolg kan zijn geweest, behoren tot de gevolgen van de litigieuze gedraging waarop de Commissie zich bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen mocht baseren. Voorts heeft het Gerecht in de punten 155 tot en met 195 van dat arrest in het licht van het betoog van KLM onderzocht of dit gevolg voorzienbaar, wezenlijk en onmiddellijk was.

105

Wat specifiek punt 152 van het bestreden arrest betreft, zij er evenwel aan herinnerd dat het Gerecht daarin uit zijn vaststellingen in de voorgaande punten van dat arrest heeft afgeleid dat zodra de expediteurs de eventuele door de litigieuze mededingingsregeling veroorzaakte meerkosten in de prijs van hun dienstenpakketten doorberekenen, de enkele voortdurende inbreuk – voor zover deze betrekking heeft op de inkomende routes – met name gevolgen kan hebben voor de mededinging tussen de expediteurs om de klandizie van deze verzenders te verwerven, en het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen zich dus kan voordoen op de interne markt of binnen de EER.

106

Door in wezen te stellen dat dit punt 152 onjuist is en dienaangaande het in de punten 90 tot en met 92 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog te voeren, beoogt KLM in werkelijkheid opnieuw de beoordeling van het Gerecht ter discussie te stellen dat de Commissie, ten eerste, bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen mocht uitgaan van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen en, ten tweede, genoegzaam had aangetoond dat dit effect de vereiste kenmerken vertoonde om met name als wezenlijk en onmiddellijk te worden beschouwd. Dit betoog verschilt dus niet van het betoog ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het enige middel in hogere voorziening. Uit het onderzoek hiervan blijkt dat KLM niet heeft kunnen aantonen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie daarbij rekening mocht houden met dat effect.

107

Gesteld dat KLM met haar bewering dat het Gerecht de waarschijnlijkheid van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen niet heeft beoordeeld, in werkelijkheid betoogt dat het Gerecht de voorzienbaarheid hiervan niet heeft beoordeeld, volstaat het ten slotte op te merken dat de vraag of dit effect voldeed aan het vereiste van voorzienbaarheid voor toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, als bedoeld in de in punt 53 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, door het Gerecht is onderzocht in de punten 155 tot en met 174 van het bestreden arrest, waarop het onderhavige onderdeel geen betrekking heeft.

108

Uit het voorgaande volgt dat het tweede onderdeel van het enige middel als deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden afgewezen.

Derde onderdeel, betreffende vervanging van de motivering en onrechtmatige omkering van de bewijslast

Argumenten van partijen

109

KLM merkt op dat de globale beoordeling van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen alleen in overweging 1045 van het litigieuze besluit aan bod komt. Het Gerecht heeft echter in het geheel van de punten 112 tot en met 208 van het bestreden arrest bevestigd dat aan dit criterium was voldaan, en het heeft in die punten een redenering ontwikkeld die is gebaseerd op bewijzen en argumenten die niet door de Commissie zijn aangevoerd, noch in het litigieuze besluit noch in het kader van de procedure voor het Gerecht. Het is het Gerecht echter geenszins toegestaan de leemten in de motivering van de aan zijn toezicht onderworpen handeling op te vullen of zijn eigen motivering in de plaats te stellen van die van de instelling die deze handeling heeft vastgesteld.

110

Zo beoordeelt het Gerecht ten eerste in de punten 155 tot en met 174 van het bestreden arrest of het voorzienbaar was dat de vermeende afstemming, in een eerder stadium, van de prijzen voor inkomende vrachtdiensten in een later stadium een weerslag zou hebben op de markt van de verzonden goederen, en baseert het zich daarbij op een vaststelling die de Commissie niet heeft gedaan, noch in het litigieuze besluit noch in het kader van de procedure voor het Gerecht. Met name komt de vermelding in dat besluit dat de kosten van vrachtdiensten inputkosten zijn er niet op neer dat wordt gesteld dat de prijzen van vrachtdiensten „variabele kosten [zijn] die van invloed zijn op de marginale kosten”. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 167 van het bestreden arrest zijn eigen motivering in de plaats gesteld van die van de Commissie.

111

Bovendien heeft het Gerecht het argument verworpen dat een waterbedeffect ervoor zorgt dat de doorberekening van de meerkosten niet te verwachten valt, terwijl de Commissie uitdrukkelijk heeft geweigerd dit effect te onderzoeken. Het Gerecht is echter voorbijgegaan aan het ontbreken van een dergelijk onderzoek en heeft de bewijslast inzake dat effect bij KLM gelegd, terwijl het aan de Commissie stond om haar bevoegdheid vast te stellen op basis van voorzienbare gevolgen. Het is dus de Commissie die had moeten bewijzen dat de kosten van inkomende vrachtdiensten mogelijk zullen worden doorberekend aan de consumenten in de EER. Het feit dat KLM ervoor heeft gekozen om een economische studie over te leggen is niet van invloed op deze verplichting.

112

Ten tweede heeft het Gerecht in de punten 175 tot en met 185 van het bestreden arrest geoordeeld dat de vermeende vaststelling van de prijzen voor inkomende vrachtdiensten wezenlijke gevolgen heeft in de EER en dat deze vaststelling wordt gerechtvaardigd door de kenmerken van de inbreuk, zoals de duur, de omvang en de aard ervan. De Commissie voert echter geen van deze kenmerken aan om aan te tonen dat de doorberekening van de prijzen voor inkomende vrachtdiensten wezenlijke gevolgen heeft voor de mededinging in de EER.

113

Bovendien is de vaststelling door het Gerecht in punt 183 van het bestreden arrest, dat de prijs van de vrachtdiensten, en dus de betrokken toeslagen, een belangrijk onderdeel van de kosten van de vervoerde goederen vormde dat van invloed is op de verkoop ervan, niet bewezen. De in het vorige punt van het onderhavige arrest vermelde en in het litigieuze besluit genoemde kenmerken betreffen niet de gevolgen die in de EER worden veroorzaakt door de prijzen voor inkomende vrachtdiensten, maar de enkele voortdurende inbreuk, die in de EER rechtstreekse gevolgen heeft via het vervoer van goederen naar het buitenland. Dit besluit bevat geen enkele vaststelling in verband met het wezenlijke karakter van de gevolgen voor wat betreft de inkomende vrachtdiensten binnen de EER en vernoemt geen enkel bewijs van de gestelde gevolgen van deze gedraging op grond waarvan het Gerecht kan vaststellen wat het in dat punt 183 verklaart. Het aandeel van de toeslagen in de totale prijs van de vrachtdiensten is in dit verband niet relevant en niets in het dossier toont een verband aan tussen de toeslagen en de kosten van de ingevoerde goederen. Om tot de vaststelling in voornoemd punt 183 te komen, heeft het Gerecht zijn redenering dus daadwerkelijk in de plaats gesteld van de ontbrekende redenering van de Commissie.

114

Ten derde heeft het Gerecht in de punten 186 tot en met 194 van het bestreden arrest geoordeeld dat de vermeende vaststelling van de prijzen voor inkomende vrachtdiensten onmiddellijke gevolgen heeft in de EER, ondanks de handelswijze van onafhankelijke spelers in verschillende stadia van de waardeketen, die zelf de keuze moeten maken om deze prijzen al dan niet door te berekenen. Zoals reeds in het eerste onderdeel is uiteengezet, heeft de Commissie in het litigieuze besluit echter geen causaliteitsketen aangetoond, maar indirecte gevolgen gebaseerd op speculatieve en niet-verifieerbare hypothesen. Bij gebreke van bewijs van de vermeende onmiddellijkheid van de gevolgen en zelfs van een vermelding van een dergelijke onmiddellijkheid in het litigieuze besluit, is de conclusie van het Gerecht ongegrond.

115

De Commissie stelt dat dit onderdeel ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

116

Hoewel de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU zich volgens de rechtspraak uitstrekt tot alle aspecten van de in de procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU vastgestelde besluiten van de Commissie, welke door het Gerecht zowel juridisch als feitelijk grondig worden getoetst op basis van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen en rekening houdend met alle door deze laatste aangedragen informatie, kunnen het Hof en het Gerecht in het kader van die toetsing in geen geval hun eigen motivering in de plaats stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (arrest van 4 juli 2024, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie, C‑70/23 P, EU:C:2024:580, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

117

Het Gerecht kan dus niet met een eigen motivering een hiaat in de motivering van de bestreden handeling wegwerken op een zodanige manier dat zijn onderzoek niet aansluit bij enig oordeel in de handeling (arrest van 18 juli 2013, UEFA/Commissie, C‑201/11 P, EU:C:2013:519, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

118

Wanneer het Gerecht echter enkel antwoordt op het aangevoerde betoog en daarbij de motivering van de bestreden handeling toelicht, kan niet worden geoordeeld dat het zijn eigen motivering in de plaats stelt van die van de instelling die de handeling heeft verricht (zie in die zin arresten van 12 juni 2014, Deltafina/Commissie, C‑578/11 P, EU:C:2014:1742, punt 56, en 23 november 2023, Ryanair/Commissie, C‑209/21 P, EU:C:2023:905, punt 49).

119

In het onderhavige geval zij eraan herinnerd dat, zoals reeds in punt 55 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de eerste grond waarop de Commissie zich in overweging 1045 van het litigieuze besluit heeft gebaseerd om vast te stellen dat in casu aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen is.

120

Wat in dit verband in de eerste plaats de grieven betreft die zijn gericht tegen de punten 155 tot en met 174 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht de voorwaarde inzake de voorzienbaarheid van die gevolgen heeft beoordeeld, moet om te beginnen worden opgemerkt dat het Gerecht in die punten heeft verwezen naar de overwegingen 14, 17, 70, 846, 874, 879, 899, 909, 1031, 1045, 1199 en 1208 van het litigieuze besluit, en heeft geantwoord op het betoog dat KLM voerde ter staving van haar stelling dat in casu niet aan die voorwaarde was voldaan. Het Gerecht heeft dus in punt 174 van het bestreden arrest zijn conclusie dat de Commissie genoegzaam had aangetoond dat dit effect voldeed aan het vereiste van voorzienbaarheid, gebaseerd op de overwegingen van het litigieuze besluit, in hun onderlinge samenhang gelezen, en op zijn beoordeling van het door KLM gevoerde betoog.

121

Wat vervolgens punt 167 van het bestreden arrest betreft, waarop KLM specifiek doelt, is het juist dat het Gerecht daarin heeft vastgesteld dat de prijs voor vrachtdiensten voor de expediteurs een input vormt en dat het daarbij gaat om variabele kosten, waarvan de stijging in beginsel leidt tot een stijging van de marginale kosten aan de hand waarvan de expediteurs hun eigen prijzen bepalen. Het Gerecht heeft deze vaststelling echter uitdrukkelijk gebaseerd op de overwegingen 14 en 70 van het litigieuze besluit, waarbij het door het gebruik van het woord „blijkt” duidelijk heeft gemaakt dat deze vaststelling geen letterlijke herhaling van de bewoordingen van die overwegingen behelsde, maar voortvloeide uit zijn eigen lezing van die passages van het litigieuze besluit. KLM beweert niet dat het Gerecht met deze lezing van dat besluit blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting ervan. Het Gerecht heeft in dit punt dus enkel de motivering van het litigieuze besluit toegelicht en bepaalde aanwijzingen afgeleid uit de in dat besluit opgenomen informatie.

122

Ten slotte zij erop gewezen dat het, zoals KLM stelt, aan de Commissie staat om aan te tonen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen is voldaan en, bijgevolg, om te bewijzen dat de betrokken praktijken voorzienbare, onmiddellijke en wezenlijke gevolgen hebben binnen de Unie of, zoals in casu, de EER. Het Gerecht heeft deze regel inzake de verdeling van de bewijslast echter niet geschonden door het argument van KLM dat een waterbedeffect ervoor zorgt dat de doorberekening van de meerkosten niet te verwachten valt, af te wijzen, terwijl de Commissie heeft geweigerd dit effect te onderzoeken.

123

Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 155 en 156 van het bestreden arrest uiteengezet wat de strekking van dit vereiste van voorzienbaarheid is, en heeft het vervolgens in punt 160 van dit arrest vastgesteld dat het voor de hand lag dat een verhoging van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag in beginsel een verhoging van de totale prijs van inkomende vrachtdiensten tot gevolg zou hebben, tenzij ervan werd uitgegaan dat een dergelijke verhoging door het waterbedeffect waarschijnlijk zou worden gecompenseerd door een overeenkomstige verlaging van de tarieven en andere toeslagen. Weliswaar heeft het daaraan toegevoegd dat KLM niet had aangetoond dat dit waterbedeffect zo waarschijnlijk was dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen niet viel te verwachten, maar die vaststelling volgde op een analyse die het Gerecht heeft verricht in de punten 157 tot en met 159 en in de eerste volzin van punt 160 van het bestreden arrest, waarna het op grond van de elementen die zijn opgenomen in de overwegingen 846, 909, 1199 en 1208 van het litigieuze besluit, en die zijn samengevat in de punten 157 en 158 van dat arrest, heeft geoordeeld dat het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat de horizontale vaststelling van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen een verhoging van de totale prijs voor inkomende vrachtdiensten tot gevolg zouden hebben.

124

Het Gerecht heeft dus eerst vastgesteld dat de Commissie in het litigieuze besluit genoegzaam had aangetoond dat een dergelijke verhoging voorzienbaar was, en pas daarna onderzocht of KLM, dat aanvoerde dat het litigieuze besluit op dat punt onwettig was, elementen had aangevoerd op grond waarvan deze vaststelling kon worden weerlegd. KLM heeft te dien einde een economisch rapport aangevoerd en gesteld dat er sprake was van een „waterbedeffect”, en het Gerecht heeft in punt 162 van het bestreden arrest vastgesteld dat in dit economisch rapport op basis van hypothesen over de werking van de vrachtsector werd geconcludeerd dat het in theorie „waarschijnlijk” was dat een dergelijk effect zich in casu zou voordoen. In punt 163 van dit arrest heeft het echter opgemerkt dat dit rapport slechts vage en algemene stellingen bevatte, maar geen concrete gegevens om die conclusie te onderbouwen.

125

Volgens vaste rechtspraak staat het aan de Commissie om de bewijzen te leveren die rechtens genoegzaam aantonen dat de feiten die een inbreuk op het mededingingsrecht vormen, zijn gepleegd. Het is evenwel aan de onderneming die tegen de vaststelling van een dergelijke inbreuk een verweermiddel aanvoert, om aan te tonen dat dit verweermiddel moet worden aanvaard. Hoewel de bewijslast volgens deze beginselen op de Commissie of op de betrokken onderneming rust, kunnen de door een partij aangevoerde feiten evenwel van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij gebreke waarvan mag worden geconcludeerd dat aan de regels inzake de bewijslast is voldaan (zie in die zin arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126

Deze rechtspraak is gebaseerd op de algemene regels inzake de bewijsvoering en kan worden toegepast op de situatie waarin de Commissie moet aantonen dat zij territoriaal bevoegd is ten aanzien van gedragingen die buiten het grondgebied van de Unie of de EER hun oorsprong vinden.

127

Hieruit volgt dat, aangezien het Gerecht vooraf had vastgesteld dat de Commissie genoegzaam had aangetoond dat de betrokken prijsverhoging voorzienbaar was, niet kan worden geoordeeld dat het Gerecht door te oordelen zoals uiteengezet in punt 124 van het onderhavige arrest, de bewijslast op onrechtmatige wijze heeft omgekeerd.

128

Voor zover KLM de beoordeling in discussie wil stellen die het Gerecht in de punten 161 tot en met 163 van het bestreden arrest heeft gemaakt van het economisch rapport waarop zij zich beriep, volstaat het overigens op te merken dat een dergelijk betoog overeenkomstig de in punt 59 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk is, aangezien KLM niet stelt dat het Gerecht de inhoud van dat rapport onjuist heeft opgevat.

129

Uit het voorgaande volgt dat het in de punten 110 tot en met 111 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden afgewezen.

130

Wat in de tweede plaats de grieven betreft die zijn gericht tegen de punten 175 tot en met 185 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft beoordeeld of het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen wezenlijk was, moet ten eerste worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 178 van dat arrest onder verwijzing naar de overwegingen 1146, 1215 en 1217 van het litigieuze besluit heeft vastgesteld dat de enkele voortdurende inbreuk 21 maanden had geduurd voor wat betreft de Unie-derdelandenroutes en 8 maanden voor wat betreft de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes. Het heeft tevens vastgesteld dat dit ook de duur was van de deelname van alle beschuldigde vervoerders, met uitzondering van Lufthansa Cargo en Swiss International Air Lines.

131

In punt 179 van dat arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat uit overweging 889 van het litigieuze besluit, die het in dat punt heeft aangehaald, bleek dat de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag maatregelen waren die algemeen werden toegepast, die niet specifiek waren voor één route en bedoeld waren om te worden toegepast op alle routes wereldwijd, dus ook op routes naar de EER. In punt 180 van dat arrest heeft het daaraan nog toegevoegd dat uit overweging 1030 van het litigieuze besluit bleek dat de enkele voortdurende inbreuk tot doel had de mededinging tussen de beschuldigde vervoerders te beperken, met name op EER-derdelandenroutes, en dat de Commissie in overweging 1208 van dat besluit tot de conclusie was gekomen dat het maken van afspraken over uiteenlopende prijselementen een van de schadelijkste beperkingen van de mededinging vormde en dat zij daarom had geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk een coëfficiënt voor de ernst verdiende die overeenkomstig de in punt 34 van het onderhavige arrest genoemde richtsnoeren „doorgaans hoog zal zijn”.

132

Het is dus niet aangetoond dat het Gerecht zich voor zijn conclusie dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen wezenlijk was, heeft gebaseerd op kenmerken van de litigieuze mededingingsregeling die niet in het litigieuze besluit waren vermeld. Het feit dat de Commissie de in de punten 175 tot en met 185 van het bestreden arrest genoemde elementen niet uitdrukkelijk heeft aangevoerd in het deel van haar besluit dat is gewijd aan de vaststelling van haar territoriale bevoegdheid, doet daar gelet op de in punt 117 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet aan af. Die rechtbank vereist immers enkel dat het onderzoek van het Gerecht aansluit bij de beoordelingen in de aan zijn toezicht onderworpen handeling. Zoals blijkt uit de punten 128 en 145 van het bestreden arrest, bevatte bovendien de eerste volzin van overweging 1045 van het litigieuze besluit, zij het beknopt, de elementen aan de hand waarvan het Gerecht kon nagaan of de Commissie haar extraterritoriale bevoegdheid had vastgesteld op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het zijn immers deze elementen die, gelezen in samenhang met de andere overwegingen van dat besluit, waarnaar met name in de punten 178 tot en met 180 van het bestreden arrest wordt verwezen, het Gerecht in staat hebben gesteld na te gaan of de Commissie het bestaan van dergelijke gevolgen, en meer in het bijzonder de voorzienbaarheid daarvan, daadwerkelijk had aangetoond.

133

Voor zover KLM specifiek opkomt tegen de vaststelling in punt 183 van het bestreden arrest, volstaat het ten tweede op te merken dat dit punt, dat overigens is gebaseerd op overweging 1031 van het litigieuze besluit, de conclusie vormt van de analyse die het Gerecht in de punten 181 en 182 van dat arrest heeft gemaakt en dat deze analyse, zoals het Gerecht in dat punt 181 heeft aangegeven, ten overvloede is gemaakt. Aangezien de punten 175 tot en met 180 van dat arrest volstaan ter schraging van de slotsom waartoe het Gerecht in punt 185 daarvan is gekomen, namelijk dat de Commissie genoegzaam had aangetoond dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen het vereiste wezenlijke karakter vertoonde, moet dit betoog als niet ter zake dienend worden afgewezen. Volgens vaste rechtspraak kunnen argumenten tegen in een uitspraak van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen immers niet tot vernietiging van die uitspraak leiden en zijn zij dus niet ter zake dienend (arresten van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P-C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 537, en 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 263 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

134

Dientengevolge moet het in de punten 112 en 113 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als deels ongegrond en deels niet ter zake dienend worden afgewezen.

135

In de derde plaats kan aangaande de grief tegen de punten 186 tot en met 194 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft beoordeeld of de Commissie genoegzaam had aangetoond dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen onmiddellijk was, worden volstaan met de vaststelling dat deze in wezen berust op de premisse dat KLM met het eerste onderdeel van haar enige middel heeft aangetoond dat de Commissie haar vaststelling dat er sprake was van gekwalificeerde gevolgen had gebaseerd op speculatieve en niet-verifieerbare hypothesen. Uit de punten 53 tot en met 84 van het onderhavige arrest blijkt echter dat deze premisse onjuist is. Bijgevolg is die grief eveneens ongegrond.

136

Uit een en ander volgt dat het derde onderdeel van het enige middel als deels niet-ontvankelijk, deels niet ter zake dienend en deels ongegrond moet worden afgewezen.

Vierde onderdeel, betreffende de enkele voortdurende inbreuk als grond voor de territoriale bevoegdheid van de Commissie

Argumenten van partijen

137

KLM betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 197 en 199 van het bestreden arrest te oordelen dat de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU toe te passen op inkomende vrachtdiensten kan worden vastgesteld op basis van de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk in zijn geheel, met inbegrip van de gevolgen van een afzonderlijk onderdeel van deze inbreuk dat rechtstreeks op de EER-markten heeft plaatsgevonden.

138

Het begrip „enkele voortdurende inbreuk” is volgens haar een procedureregel, bedoeld om de op mededingingsautoriteiten rustende bewijslast te verlichten, volgens welke zij bewijzen mogen verzamelen van een inbreuk die zich over een lange periode uitstrekt en waarbij verschillende gedragingen die een totaalplan vormen, worden gecombineerd. Het kan echter niet de werkingssfeer van het VWEU uitbreiden, tenzij de territoriale bevoegdheid van de Commissie wordt uitgebreid tot elke gedraging die deel uitmaakt van een totaalplan, ongeacht waar die gedraging heeft plaatsgevonden of welke gevolgen zij heeft. Eerst moet worden vastgesteld dat bepaalde gedragingen binnen de geografische werkingssfeer van artikel 101 VWEU vallen. Pas daarna kan worden vastgesteld dat deze gedragingen deel uitmaken van één enkele voortdurende inbreuk.

139

De verwijzing die het Gerecht in punt 204 van het bestreden arrest maakt naar punt 57 van het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), kan niet aantonen dat het criterium van het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk als geheel relevant is om aan te tonen dat is voldaan aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, aangezien de gedraging en de markt die aan de orde waren in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, niet vergelijkbaar zijn met die welke in casu aan de orde zijn.

140

Volgens de Commissie is dit onderdeel ongegrond.

Beoordeling door het Hof

141

Zoals met name blijkt uit punt 92 van het bestreden arrest betwistte KLM voor het Gerecht enkel de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de litigieuze gedraging voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten.

142

Aangezien het Gerecht in punt 195 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie ten aanzien van de onderlinge afstemming op het gebied van de inkomende vrachtdiensten afzonderlijk beschouwd terecht had vastgesteld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, zodat de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de litigieuze gedraging, voor zover deze werd betwist, vaststond, was het voor het Gerecht dus overbodig om in de punten 196 tot en met 207 van het bestreden arrest te onderzoeken of de Commissie, teneinde vast te stellen dat zij bevoegd was om deze bepalingen op de litigieuze gedraging toe te passen, in overweging 1046 van het litigieuze besluit ook terecht had vastgesteld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan gelet op de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd.

143

Bovendien blijkt uit het onderzoek van de eerste drie onderdelen van het enige middel in hogere voorziening dat het Gerecht in punt 195 van het bestreden arrest tot deze slotsom is gekomen zonder blijk te geven van de vermeende onjuiste rechtsopvattingen en zonder de vermeende vervanging van de motivering.

144

Bijgevolg moet worden vastgesteld dat dit vierde onderdeel van het enige middel betrekking heeft op ten overvloede gegeven overwegingen van het bestreden arrest. Bijgevolg moet het overeenkomstig de in punt 133 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak als niet ter zake dienend worden afgewezen.

145

Aangezien geen van de onderdelen van het enige middel dat KLM ter onderbouwing van haar hogere voorziening heeft aangevoerd, gegrond is, moeten dit middel en, bijgevolg, de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

146

Krachtens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

147

Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.

148

Aangezien KLM in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

 

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

 

2)

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV wordt verwezen in de kosten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels