EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 9.9.2024
COM(2024) 399 final
2024/0222(NLE)
Voorstel voor een
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD
tot wijziging van Beschikking 2009/791/EG waarbij de Bondsrepubliek Duitsland wordt gemachtigd een maatregel te blijven toepassen die afwijkt van de artikelen 168 en 168 bis van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
TOELICHTING
Overeenkomstig artikel 395, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (“de btw-richtlijn”) kan de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke lidstaat machtigen bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen, teneinde de belastinginning te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen.
Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 19 februari 2024, heeft de Bondsrepubliek Duitsland (“Duitsland”) verzocht om een maatregel te mogen blijven toepassen die afwijkt van de artikelen 168 en 168 bis van de btw-richtlijn, teneinde de btw op goederen en diensten die door een belastingplichtige voor meer dan 90 % voor zijn eigen privédoeleinden of voor de privédoeleinden van zijn werknemers, dan wel in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden of niet-economische activiteiten worden gebruikt, van het recht op aftrek uit te sluiten. Bij het verzoek ging een verslag over de toepassing van deze maatregel, zoals vereist krachtens artikel 2 van Beschikking 2009/791/EG van de Raad, als gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1776 van de Raad. Duitsland werd om nadere informatie verzocht bij e-mail d.d. 26 maart 2024, waarop op 27 maart 2024 een antwoord werd ontvangen.
Overeenkomstig artikel 395, lid 2, van de btw-richtlijn heeft de Commissie de overige lidstaten bij brief van 27 mei 2024 van het verzoek van Duitsland in kennis gesteld. Bij brief van 28 mei 2024 heeft de Commissie Duitsland meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Overeenkomstig artikel 168 van de btw-richtlijn mag een belastingplichtige de btw op de goederen en diensten die hij voor zijn belaste handelingen aanschaft, in mindering brengen. Overeenkomstig artikel 168 bis, lid 1, van de btw-richtlijn is de btw over uitgaven in verband met onroerend goed dat deel uitmaakt van het vermogen van het bedrijf van een belastingplichtige en zowel voor bedrijfsdoeleinden als andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, slechts aftrekbaar naar evenredigheid van het gebruik ervan voor de bedrijfsactiviteiten van de belastingplichtige. Overeenkomstig artikel 168 bis, lid 2, van de btw-richtlijn kunnen de lidstaten deze regel ook toepassen op uitgaven in verband met andere door hen gespecificeerde goederen die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen.
Overeenkomstig artikel 395 van de btw-richtlijn kunnen de lidstaten bijzondere maatregelen toepassen die afwijken van de bepalingen van de btw-richtlijn, om de inning van de btw te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingontduiking of -ontwijking te voorkomen, mits zij daartoe door de Raad gemachtigd zijn.
Duitsland heeft verzocht om een bijzondere maatregel in afwijking van de artikelen 168 en 168 bis van de btw-richtlijn te mogen blijven toepassen, waarbij het land de btw op goederen en diensten die door een belastingplichtige voor meer dan 90 % voor zijn privédoeleinden of andere dan bedrijfsdoeleinden, waaronder niet-economische activiteiten, worden gebruikt, volledig van het recht op aftrek mag uitsluiten.
De machtiging voor deze bijzondere maatregel is oorspronkelijk verleend bij Beschikking 2000/186/EG van de Raad van 28 februari 2000 tot en met 31 december 2002, en vervolgens verlengd bij Beschikking 2003/354/EG van de Raad van 13 mei 2003 tot en met 30 juni 2004, bij Beschikking 2004/817/EG van de Raad van 19 november 2004 tot en met 31 december 2009 en bij Beschikking 2009/791/EG van de Raad van 20 oktober 2009 tot en met 31 december 2012. Laatstgenoemde beschikking is tot slot verlengd bij Uitvoeringsbesluit 2012/705/EU van de Raad van 13 november 2012 tot en met 31 december 2015, bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2428 van de Raad van 10 december 2015 tot en met 31 december 2018, bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/2060 van de Raad van 20 december 2018 tot en met 31 december 2021, en bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1776 van de Raad van 5 oktober 2021 tot en met 31 december 2024.
In onderhavig verzoek heeft Duitsland de Commissie meegedeeld dat de toepassing van de bijzondere maatregel zeer doeltreffend is gebleken en dat de maatregel de inning van de btw sterk vereenvoudigd heeft. Hij helpt ook belastingontduiking en -ontwijking te voorkomen. Sinds de tenuitvoerlegging ervan is de bijzondere maatregel alleen toegepast op goederen. In zijn antwoord van 27 maart 2024 geeft Duitsland aan dat een voorstel tot uitbreiding van de bijzondere maatregel tot diensten momenteel op tafel ligt bij de Duitse wetgever.
De gevraagde ondergrens voor de btw-aftrek, namelijk een gebruik voor bedrijfsdoeleinden van ten minste 10 %, is relatief laag. Volgens Duitsland zal de verlenging van deze bijzondere maatregel daarom maar weinig invloed hebben op de totale belastingopbrengst in het stadium van het eindverbruik en zal hij geen negatieve gevolgen hebben voor de eigen middelen van de Unie uit de btw.
Volgens Duitsland zal de bijzondere maatregel de administratieve lasten voor de belastingplichtigen en de belastingdiensten verlichten, omdat hij een controle op of aanpassing van de verhouding tussen het gebruik van de goederen en diensten in kwestie voor bedrijfsdoeleinden dan wel andere dan bedrijfsdoeleinden overbodig maakt, evenals het bijhouden van een administratie van eventuele aanpassingen. De 10 %-ondergrens komt ook overeen met de Duitse wetgeving betreffende de inkomstenbelasting, waarin is bepaald dat alleen goederen die voor ten minste 10 % voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt, als een tot het bedrijf behorend goed kunnen worden aangemerkt.
Bijzondere maatregelen die afwijken van de btw-richtlijn, worden doorgaans op tijdelijke basis toegestaan om te kunnen evalueren of de bijzondere maatregel passend en effectief is. Op basis van de door Duitsland verstrekte informatie meent de Commissie te mogen begrijpen dat de opsplitsing 10 %-90 % tussen gebruik voor bedrijfsdoeleinden en gebruik voor andere dan bedrijfsdoeleinden in dit verband nog altijd een goede maatstaf is om te bepalen voor welke transacties eerstgenoemd gebruik als onbeduidend kan worden aangemerkt.
De bijzondere maatregel maakt een en ander bijgevolg gemakkelijker voor zowel de belastingdiensten als de bedrijven omdat er nadien geen controle meer moet worden uitgeoefend op het gebruik van de goederen of diensten die bij de aanschaf ervan van het recht op aftrek werden uitgesloten, met name in verband met een eventuele belasting van het privégebruik overeenkomstig de artikelen 16 of 26 van de btw-richtlijn of een eventuele herziening van de aftrek krachtens de artikelen 184-192 van die richtlijn. Het is daarom passend de bijzondere maatregel te verlengen.
Een verlenging van de derogatie moet evenwel in de tijd beperkt zijn zodat kan worden geëvalueerd of de voorwaarden waarop zij gebaseerd is, nog altijd geldig zijn. Daarom wordt voorgesteld de derogatie tot eind 2027 te verlengen en Duitsland te verzoeken, indien het zou overwegen nog een verlenging aan te vragen na 2027, uiterlijk op 31 maart 2027 samen met dat verzoek een verslag voor te leggen met daarin ook een evaluatie van de toegepaste opsplitsing tussen gebruik voor bedrijfsdoeleinden en gebruik voor andere dan bedrijfsdoeleinden, die als basis dient voor de aftrekuitsluiting.
•Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied
Aan andere lidstaten (Oostenrijk, Nederland) zijn soortgelijke bijzondere maatregelen toegestaan met betrekking tot de uitsluiting van het recht op aftrek van de btw die verschuldigd is ter zake van goederen en diensten, wanneer die goederen en diensten door een belastingplichtige voor meer dan 90 % voor zijn eigen privédoeleinden of voor de privédoeleinden van zijn werknemers, dan wel in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden of niet-economische activiteiten worden gebruikt.
Krachtens artikel 176 van de btw-richtlijn zal de Raad bepalen voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de btw bestaat. In afwachting daarvan mogen de lidstaten de uitsluitingen die op 1 januari 1979 van toepassing waren, handhaven. Er bestaat derhalve een reeks standstillbepalingen die het recht op aftrek van belastingplichtigen beperken.
Er zijn in het verleden initiatieven genomen om regels vast te stellen voor de uitgavencategorieën die aan een beperking van het recht op aftrek kunnen worden onderworpen; de onderhavige derogatie is evenwel een passende maatregel in afwachting van de harmonisatie van deze regels op EU-niveau.
De voorgestelde bijzondere maatregel is daarom in overeenstemming met de bestaande bepalingen van de btw-richtlijn.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
Artikel 395 van de btw-richtlijn.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Gelet op de bepaling in de btw-richtlijn die de grondslag voor het voorstel vormt, is het subsidiariteitsbeginsel niet van toepassing.
•Evenredigheid
Dit besluit betreft een machtiging die wordt verleend aan een lidstaat op diens eigen verzoek, en houdt geen enkele verplichting in.
Gelet op zijn beperkte werkingssfeer en duur staat de bijzondere maatregel in verhouding tot het beoogde doel, namelijk de inning van de btw vereenvoudigen en bepaalde vormen van belastingontduiking of -ontwijking voorkomen. Hij gaat niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te bereiken.
•Keuze van het instrument
Voorgesteld instrument: uitvoeringsbesluit van de Raad.
Overeenkomstig artikel 395 van de btw-richtlijn kan slechts van de normale btw-regels worden afgeweken indien de Raad een lidstaat daartoe op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen machtigt. Een uitvoeringsbesluit van de Raad is het aangewezen instrument, omdat het tot een individuele lidstaat kan worden gericht.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Raadplegingen van belanghebbenden
Dit voorstel is gebaseerd op een verzoek van Duitsland en heeft uitsluitend betrekking op deze lidstaat.
•Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid
Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid.
•Effectbeoordeling
Het voorstel voor een uitvoeringsbesluit van de Raad strekt ertoe de inning van de btw te vereenvoudigen door Duitsland toe te staan een bijzondere maatregel te blijven toepassen op grond waarvan het de btw op goederen en diensten die door een belastingplichtige voor meer dan 90 % voor privé- dan wel voor andere dan bedrijfsdoeleinden worden gebruikt, inclusief niet-economische activiteiten, volledig van het recht op aftrek mag uitsluiten. Er is gebleken dat deze bijzondere maatregel een geschikt en doeltreffend instrument is.
Volgens Duitsland zal de verlenging van deze bijzondere maatregel geen negatieve invloed hebben op de totale belastingopbrengst in het stadium van het eindverbruik en geen negatieve gevolgen hebben voor de eigen middelen van de Unie uit de btw.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het voorstel zal geen negatieve gevolgen voor de EU-begroting hebben.
5.OVERIGE ELEMENTEN
Het voorstel is beperkt in de tijd en bevat een vervalbepaling (31 december 2027).
2024/0222 (NLE)
Voorstel voor een
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD
tot wijziging van Beschikking 2009/791/EG waarbij de Bondsrepubliek Duitsland wordt gemachtigd een maatregel te blijven toepassen die afwijkt van de artikelen 168 en 168 bis van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, en met name artikel 395, lid 1, eerste alinea,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De artikelen 168 en 168 bis van Richtlijn 2006/112/EG betreffen het recht op aftrek van een belastingplichtige ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) op goederen en diensten die hij ten behoeve van zijn belaste activiteiten heeft ontvangen. Aan Duitsland is machtiging voor een bijzondere maatregel verleend die ertoe strekte de btw op goederen en diensten van het recht op aftrek uit te sluiten wanneer die goederen en diensten voor meer dan 90 % voor de privédoeleinden van de belastingplichtige of diens werknemers, dan wel in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden of niet-economische activiteiten worden gebruikt.
(2)Initieel werd Duitsland op grond van Beschikking 2000/186/EG van de Raad gemachtigd om bijzondere maatregelen in te voeren die afwijken van de artikelen 6 en 17 van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad, en deze toe te passen tot en met 31 december 2002. Nadien werd Duitsland op grond van Beschikking 2003/354/EG van de Raad gemachtigd om tot en met 30 juni 2004 een bijzondere maatregel toe te passen in afwijking van artikel 17 van Richtlijn 77/388/EEG. Deze machtiging werd bij Beschikking 2004/817/EG van de Raad verlengd tot en met 31 december 2009.
(3)Bij Beschikking 2009/791/EG van de Raad werd Duitsland gemachtigd om tot en met 31 december 2021 een bijzondere maatregel te blijven toepassen in afwijking van artikel 168 van Richtlijn 2006/112/EG. De machtiging voor de bijzondere maatregel krachtens Beschikking 2009/791/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1776 van de Raad, vervalt op 31 december 2024.
(4)Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 19 februari 2024, heeft Duitsland verzocht om een bijzondere maatregel te mogen blijven toepassen die afwijkt van de artikelen 168 en 168 bis van Richtlijn 2006/112/EG, teneinde de btw op goederen en diensten die door een belastingplichtige voor meer dan 90 % worden gebruikt voor privédoeleinden of voor andere dan bedrijfsdoeleinden, daaronder begrepen niet-economische activiteiten, volledig van het recht op aftrek uit te sluiten. Bij het verzoek ging een verslag over de toepassing van de bijzondere maatregel, dat ook een evaluatie omvatte van de procentuele opsplitsing ter zake van het recht op aftrek van de btw, zoals vereist krachtens artikel 2 van Beschikking 2009/791/EG van de Raad. De Commissie heeft Duitsland op 26 maart 2024 om nadere toelichting verzocht en het antwoord daarop op 27 maart 2024 ontvangen.
(5)Overeenkomstig artikel 395, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2006/112/EG heeft de Commissie de overige lidstaten bij brief van 27 mei 2024 van het verzoek van Duitsland in kennis gesteld. Bij brief van 28 mei 2024 heeft de Commissie Duitsland meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.
(6)Volgens Duitsland is de bijzondere maatregel zeer doeltreffend gebleken om de inning van de btw te vereenvoudigen en belastingontduiking en -ontwijking te voorkomen. De bijzondere maatregel verlicht de administratieve lasten voor zowel de bedrijven als de belastingdiensten omdat er nadien geen controle meer moet worden uitgeoefend op het gebruik van de goederen of diensten die bij de aanschaf ervan van het recht op aftrek werden uitgesloten. Duitsland moet derhalve worden gemachtigd deze bijzondere maatregel gedurende een nieuwe beperkte periode te blijven toepassen, meer bepaald tot en met 31 december 2027.
(7)Indien Duitsland een verlenging na 2027 nodig acht, moet het de Commissie uiterlijk 31 maart 2027, samen met het daartoe strekkende verzoek, een verslag over de toepassing van de maatregel voorleggen met daarin ook een evaluatie van de procentuele opsplitsing.
(8)De bijzondere maatregel zal geen negatieve gevolgen hebben voor de eigen middelen van de Unie uit de btw.
(9)Beschikking 2009/791/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 2 van Beschikking 2009/791/EG wordt vervangen door:
“Artikel 2
Deze beschikking vervalt op 31 december 2027.
Een verzoek tot verlenging van de bij deze beschikking toegestane bijzondere maatregel wordt uiterlijk op 31 maart 2027 bij de Commissie ingediend.
Bij een dergelijk verzoek wordt een verslag over de toepassing van deze maatregel gevoegd, dat ook een evaluatie omvat van de op basis van deze beschikking gehanteerde procentuele opsplitsing ter zake van het recht op aftrek van de btw.”.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter