Brussel, 22.6.2020

COM(2020) 256 final

2020/0124(NLE)

Voorstel voor een

UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/485 waarbij Denemarken wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 75 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde


TOELICHTING

Overeenkomstig artikel 395 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde 1 (hierna "de btw-richtlijn" genoemd) kan de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke lidstaat machtigen bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen, teneinde de belastinginning te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen.

Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 21 februari 2020, heeft Denemarken verzocht om de machtiging tot voortzetting van de toepassing van een forfaitaire regeling voor het particuliere gebruik van lichte bedrijfswagens met een toegestaan totaal maximumgewicht van drie ton die uitsluitend voor zakelijk gebruik zijn ingeschreven, waarbij de toepassing van de bijzondere maatregel uit hoofde van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/485 van de Raad 2 , die afwijkt van artikel 75 van de btw-richtlijn, wordt verlengd.

Overeenkomstig artikel 395, lid 2, van de btw-richtlijn heeft de Commissie de overige lidstaten bij brief van 2 april 2020 van het verzoek van Denemarken in kennis gesteld. Bij brief van 3 april 2020 heeft de Commissie Denemarken meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Om de btw-inning te vereenvoudigen en belastingfraude te bestrijden, heeft Denemarken in 2011 om een derogatie verzocht op grond waarvan het een forfaitaire regeling kon invoeren voor het particuliere gebruik van lichte bedrijfswagens met een toegestaan totaal maximumgewicht tot drie ton die uitsluitend voor zakelijk gebruik zijn ingeschreven. Dit derogatieverzoek werd door de Raad goedgekeurd bij Uitvoeringsbesluit 2012/447/EU van 24 juli 2012 3 . Denemarken heeft twee keer verzocht om verlenging van de maatregel die bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/992 van de Raad van 19 juni 2015 4 en bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/485 van de Raad was goedgekeurd. Laatstgenoemd uitvoeringsbesluit zal verstrijken op 31 december 2020.

Zonder deze derogatiemaatregel is het op grond van de Deense wetgeving zo dat elk particulier gebruik van een uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden ingeschreven voertuig tot gevolg zou hebben dat de belastingplichtige het recht op aftrek van de btw op de aankoopkosten van het voertuig volledig zou verliezen. Voor de aftrek van btw op de aankoop- en exploitatiekosten van lichte bedrijfswagens met een toegestaan maximumgewicht tot drie ton maakt Denemarken gebruik van een standstillbepaling op basis van artikel 176 van de btw-richtlijn. Indien een bedrijf een lichte bedrijfswagen inschrijft die uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden zal worden gebruikt, mag het de btw op zowel de aankoop- als de exploitatiekosten van het voertuig volledig aftrekken. Een bedrijf dat een lichte bedrijfswagen zowel voor zakelijk als voor privégebruik inschrijft, mag de btw op de aankoopkosten niet aftrekken, maar de btw op de exploitatiekosten van het voertuig wel volledig in aftrek brengen.

Het hierboven beschreven Deense systeem kan ingewikkeld zijn en daardoor hoge administratieve kosten met zich meebrengen, voor zowel de belastbare persoon als voor de belastingdienst. Daarom heeft Denemarken gevraagd om een vereenvoudigde procedure te mogen toepassen zoals eerder al bij Uitvoeringsbesluit 2012/447/EU van de Raad en nadien bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/992 van de Raad en Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/485 van de Raad aan het land werd toegestaan.

Volgens artikel 75 van de btw-richtlijn is de maatstaf van heffing het bedrag van de door de belastingplichtige voor het verrichten van de diensten gemaakte kosten, wanneer een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden wordt gebruikt. Een belastingplichtige kan de forfaitaire Deense regeling tot twintig dagen per kalenderjaar gebruiken. Volgens deze regeling betaalt de belastingplichtige voor particulier gebruik van het voertuig een bedrag per dag. Het forfaitaire bedrag dat per dag voor het gebruik van het voertuig voor privédoeleinden moet worden betaald, bedraagt 40 DKK en heeft uitsluitend betrekking op de btw. Dit bedrag is door de Deense regering bepaald aan de hand van een analyse van nationale statistieken. In een ander onderdeel van de nationale wetgeving zou moeten worden voorzien in een soortgelijke betaling om rekening te houden met de inkomstenbelasting bij de vervreemding van een auto van de zaak, alsook in een toeslag voor de verkeersbelasting. Gebruikt de belastingplichtige het voertuig gedurende meer dan twintig dagen per kalenderjaar voor privédoeleinden, dan gelden de huidige standstillregels en verliest hij dus volledig zijn recht op aftrek van de btw op de aankoopkosten van het voertuig.

De Deense autoriteiten hebben een elektronisch systeem ontwikkeld waarmee de belastingplichtigen dit vaste bedrag per dag online of via een mobiele app kunnen betalen. Bij betaling ontvangt de belastingplichtige een “dagvoucher” als schriftelijk bewijs dat de btw is voldaan. De autoriteiten overwegen een systeem om de aangifteverplichtingen voor de belastingplichtigen en de verplichting voor de belastingautoriteiten om belasting op te leggen en te innen, te vereenvoudigen.

De vereenvoudigde procedure is optioneel. Belastingplichtigen kunnen derhalve hun lichte bedrijfswagen nog altijd inschrijven voor zowel bedrijfs- als privédoeleinden als dat hun beter past.

Overeenkomstig artikel 3 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/485 heeft Denemarken samen met het verzoek om verlenging een verslag met een evaluatie van de maatregel voorgelegd. Volgens de Deense autoriteiten heeft de vereenvoudigde procedure de laatste jaren goed gewerkt, hetgeen hun aanleiding geeft een dergelijke procedure te willen voortzetten.

Het is derhalve dienstig Denemarken te machtigen tot verlenging van de derogatiemaatregel tot en met 31 december 2023.

Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied

Krachtens artikel 176 van de btw-richtlijn zal de Raad bepalen voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de btw bestaat. In afwachting daarvan mogen de lidstaten de uitsluitingen die op 1 januari 1979 van toepassing waren, handhaven. Er bestaat derhalve een reeks standstillbepalingen die het recht op aftrek ter zake van personenauto's beperken.

Er zijn in het verleden initiatieven genomen om regels vast te stellen voor de uitgavencategorieën die aan een beperking van het recht op aftrek kunnen worden onderworpen 5 ; de onderhavige derogatie is evenwel een passende maatregel in afwachting van de harmonisatie van deze regels op EU-niveau.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Artikel 395 van de btw-richtlijn.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Gelet op de bepaling van de btw-richtlijn die de grondslag voor het voorstel vormt, valt dit onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing.

Evenredigheid

Dit besluit betreft een machtiging die wordt verleend aan een lidstaat op diens eigen verzoek, en houdt geen enkele verplichting in.

Gelet op de beperkte reikwijdte van de derogatie is de bijzondere maatregel evenredig aan het nagestreefde doel, namelijk vereenvoudiging van de btw-verplichtingen en btw-inning alsmede bestrijding van belastingfraude.

Keuze van het instrument

Het voorgestelde instrument is een uitvoeringsbesluit van de Raad.

Overeenkomstig artikel 395 van de btw-richtlijn kan slechts van de normale btw-regels worden afgeweken indien de Raad een lidstaat daartoe op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen machtigt. Een uitvoeringsbesluit van de Raad is het aangewezen instrument, omdat het tot een individuele lidstaat kan worden gericht.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Raadpleging van belanghebbenden

Er zijn geen belanghebbenden geraadpleegd. Dit voorstel is gebaseerd op een verzoek van Denemarken en heeft uitsluitend betrekking op deze lidstaat.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid.

Effectbeoordeling

Het voorstel strekt ertoe btw-ontduiking tegen te gaan en de belastinginning te vereenvoudigen, en kan aldus een positief effect hebben voor de bedrijven en de belastingdiensten. De maatregel wordt door Denemarken als passend aangemerkt. Volgens het door Denemarken ingediende verslag waarin de maatregel werd geëvalueerd, heeft de vereenvoudigde procedure de laatste jaren zeer goed gefunctioneerd en daarom wil het land deze procedure handhaven.

Volgens de door Denemarken verstrekte gegevens werden in 2017, 2018 en 2019 respectievelijk 22 383, 25 755 en 28 854 dagvouchers verkocht voor elk 225  DKK, waarvan 40 DKK btw per verkochte dagvoucher. Dit betekent dat van de maatregel gebruik is gemaakt in de mate die bij de invoering ervan werd verwacht.

Grondrechten

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de bescherming van de grondrechten.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De maatregel zal geen negatieve gevolgen hebben voor de eigen middelen van de Unie uit de btw.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Het voorstel bevat een vervalbepaling; een termijn die automatisch afloopt op 31 december 2023.

Indien Denemarken een verlenging van de derogatiemaatregel na 2023 alsnog noodzakelijk acht, moet het de Commissie uiterlijk 31 maart 2023 een verslag voorleggen met daarin ook een evaluatie van de maatregel samen met het verzoek om verlenging.

2020/0124 (NLE)

Voorstel voor een

UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/485 waarbij Denemarken wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 75 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde 6 , en met name artikel 395, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 21 februari 2020, heeft Denemarken overeenkomstig artikel 395, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2006/112/EG verzocht om machtiging tot toepassing van een bijzondere maatregel die afwijkt van artikel 75 van die richtlijn met betrekking tot het recht op aftrek van voorbelasting.

(2)Bij brief van 2 april 2020 heeft de Commissie de overige lidstaten overeenkomstig artikel 395, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2006/112/EG van het verzoek van Denemarken in kennis gesteld. Bij brief van 3 april 2020 heeft de Commissie Denemarken meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.

(3)Zonder derogatiemaatregel is het op grond van de Deense wetgeving zo dat een belastingplichtige die een lichte bedrijfswagen met een toegestaan maximumgewicht tot drie ton uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden inschrijft, de voorbelasting op de aankoop- en exploitatiekosten van het voertuig volledig mag aftrekken. Als dat voertuig nadien voor privédoeleinden wordt gebruikt, verliest de belastingplichtige het recht de btw op de aankoopkosten van het voertuig af te trekken.

(4)Om de gevolgen van die regeling te verzachten, heeft Denemarken verzocht om machtiging tot toepassing van een bijzondere maatregel die afwijkt van artikel 75 van Richtlijn 2006/112/EG. Bij Uitvoeringsbesluit 2012/447/EU van de Raad 7 werd Denemarken gemachtigd de bijzondere maatregel toe te passen en de machtiging werd vervolgens bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/992 van de Raad verlengd tot en met 31 december 2017 8 . Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/485 van de Raad 9 werd Denemarken gemachtigd de bijzondere maatregel toe te passen van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020.

(5)Uit hoofde van de maatregel kunnen belastingplichtigen die een voertuig uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden hebben ingeschreven, dit voertuig ook voor privédoeleinden gebruiken en de maatstaf van heffing voor de diensten die op grond van artikel 75 van Richtlijn 2006/112/EG zijn verleend, berekenen volgens een vast bedrag per dag, in plaats van dat zij hun recht op aftrek van de voorbelasting op de aankoopkosten van het voertuig verliezen.

(6)Deze vereenvoudigde berekeningswijze dient evenwel beperkt te blijven tot twintig dagen gebruik voor privédoeleinden per kalenderjaar en het vaste btw-bedrag dat moet worden betaald, dient te worden vastgesteld op 40 DKK voor iedere dag gebruik voor privédoeleinden. Dit bedrag is door de Deense regering vastgelegd aan de hand van een analyse van nationale statistieken.

(7)Deze maatregel, die toepassing moet vinden op lichte bedrijfswagens met een toegestaan maximumgewicht tot drie ton, strekt ertoe de btw-verplichtingen te vereenvoudigen van belastingplichtigen die een voertuig dat uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden was ingeschreven, incidenteel voor privédoeleinden gebruiken, en aldus de procedure voor de btw-inning te vereenvoudigen. Een belastingplichtige zou evenwel nog altijd de mogelijkheid hebben om een lichte bedrijfswagen voor zowel bedrijfs- als privédoeleinden in te schrijven. In dat geval zou de belastingplichtige het recht op aftrek van de voorbelasting op de aankoopkosten van het voertuig verliezen, maar voor gebruik voor privédoeleinden zou hij niet een vast bedrag per dag hoeven te betalen.

(8)Het toestaan van een maatregel op grond waarvan een belastingplichtige die een uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden ingeschreven voertuig incidenteel voor privédoeleinden kan gebruiken zonder dat hij zijn volledig recht op aftrek van de voorbelasting op dat voertuig verliest, is in overeenstemming met de algemene regels inzake aftrek zoals vastgesteld in Richtlijn 2006/112/EG.

(9)De machtiging moet worden beperkt in de tijd en moet daarom op 31 december 2023 vervallen.

(10)Indien Denemarken om een verdere verlenging van de bijzondere maatregel na 31 december 2023 zou verzoeken, moet het de Commissie uiterlijk op 31 maart 2023 een verslag voorleggen samen met het verzoek om verlenging.

(11)De derogatie zal geen noemenswaardige invloed hebben op de totale btw-opbrengst in het stadium van het eindverbruik en heeft geen negatieve gevolgen voor de eigen middelen van de Unie uit de btw.

(12)Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/485 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 3 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/485 worden de tweede en derde alinea vervangen door:

“Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2023.

Een verzoek om verlenging van de in dit besluit vervatte maatregel wordt uiterlijk op 31 maart 2023 aan de Commissie voorgelegd, samen met een verslag over de toepassing van die maatregel.”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Denemarken.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.
(2)    PB L 81 van 23.3.2018, blz. 13.
(3)    PB L 202 van 28.7.2012, blz. 24.
(4)    PB L 159 van 25.6.2015, blz. 66.
(5)    COM (2004) 728 def. — Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG met het oog op de vereenvoudiging van de btw-verplichtingen (PB C 24 van 29.1.2005, blz. 10), ingetrokken op 21 mei 2014 (PB C 153 van 21.5. 2014, blz. 3).
(6)    PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.
(7)    PB L 202 van 28.7.2012, blz. 24.
(8)    PB L 159 van 25.6.2015, blz. 66.
(9)    PB L 81 van 23.3.2018, blz. 13.