EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 4.4.2019
SWD(2019) 133 final
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE
Evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid 2019
Landverslag — NEDERLAND
bij
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's
Evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid 2019:
een Europa dat zijn burgers beschermt en hun levenskwalieit verbetert
{COM(2019) 149 final} - {SWD(2019) 111 final} - {SWD(2019) 112 final} - {SWD(2019) 113 final} - {SWD(2019) 114 final} - {SWD(2019) 115 final} - {SWD(2019) 116 final} - {SWD(2019) 117 final} - {SWD(2019) 118 final} - {SWD(2019) 119 final} - {SWD(2019) 120 final} - {SWD(2019) 121 final} - {SWD(2019) 122 final} - {SWD(2019) 123 final} - {SWD(2019) 124 final} - {SWD(2019) 125 final} - {SWD(2019) 126 final} - {SWD(2019) 127 final} - {SWD(2019) 128 final} - {SWD(2019) 129 final} - {SWD(2019) 130 final} - {SWD(2019) 131 final} - {SWD(2019) 132 final} - {SWD(2019) 134 final} - {SWD(2019) 135 final} - {SWD(2019) 136 final} - {SWD(2019) 137 final} - {SWD(2019) 138 final} - {SWD(2019) 139 final}
Dit verslag is geschreven door het personeel van het directoraat-generaal Milieu van de Europese Commissie. Commentaar is welkom en kan worden verzonden naar
ENV-EIR@ec.europa.eu
Meer informatie over de Europese Unie is beschikbaar op
http://europa.eu
Foto's: p. 13 — ©iStock/Olena_Znak; p. 15 — ©iStock/kruwt; p. 19 — ©iStock/querbeet; p. 25 — ©iStock/Believe_In_Me; p. 27 — ©iStock/RossHelen; p. 37 — ©iStock/siraanamwong
Voor reproductie of gebruik van deze foto's moet rechtstreeks aan de auteursrechthebbende toestemming worden gevraagd.
© Europese Unie 2019
Overneming met bronvermelding toegestaan.
Inhoudsopgaves
Samenvatting
Deel I: Thematische werkterreinen
1. Omvorming van de EU tot een circulaire, hulpbronnenefficiënte, groene en concurrerende koolstofarme economie
Maatregelen om tot een circulaire economie te komen
Afvalbeheer
Klimaatverandering
2. Bescherming, instandhouding en verbetering van het natuurlijk kapitaal
Natuur en biodiversiteit
Handhaving en herstel van ecosystemen en ecosysteemdiensten
Schatting van natuurlijk kapitaal
Invasieve uitheemse soorten
Bodembescherming
Mariene bescherming
3. Zorg voor de gezondheid en de levenskwaliteit van burgers
Luchtkwaliteit
Industriële emissies
Geluid
Waterkwaliteit en -beheer
Chemische stoffen
Steden duurzamer maken
Deel II: Faciliterend kader: uitvoeringsinstrumenten
4. Groene belastingen, groene overheidsopdrachten, milieufinanciering en -investeringen
Groene belastingen en milieuschadelijke subsidies
Groene overheidsopdrachten
Milieufinanciering en -investeringen
5. Verbetering van de milieugovernance
Inspraak, informatie en toegang tot de rechter
Waarborging van de naleving
Effectiviteit van milieubeheer
Internationale overeenkomsten
Duurzame ontwikkeling en de uitvoering van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN
Samenvatting
Nederland en de evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid (Environmental Implementation Review – EIR)
De belangrijkste uitdagingen die in de EIR 2017 werden geïdentificeerd met betrekking tot de uitvoering van EU-milieubeleid en EU-milieuwetgeving in Nederland waren:
·het verbeteren van de waterkwaliteit, in het bijzonder met betrekking tot nutriëntenconcentraties in het oppervlaktewater;
·het verbeteren van de luchtkwaliteit, met name de concentraties van stikstofdioxide en ozon, om vroegtijdige sterfte te voorkomen; en
·het optimaliseren van de bijdrage van het Natura 2000-netwerk en de nationale ecologische netwerken om een goede staat van instandhouding te bereiken en om habitatversnippering en biodiversiteitsverlies, atmosferische stikstofdepositie, verdroging en verzuring te beperken.
Nederland heeft in april 2018 een EIR-dialoog georganiseerd, waarin de nadruk lag op lucht- en waterkwaliteit, de circulaire economie en groene overheidsopdrachten. Tijdens dit evenement werd bevestigd dat de autoriteiten de belangrijkste tekortkomingen in de uitvoering van het milieubeleid van de EU willen aanpakken en om op sommige gebieden verder willen gaan, bijvoorbeeld door waterverontreiniging door farmaceutische producten aan te pakken. Dit engagement werd nogmaals benadrukt in de "bilaterale dialoog met betrekking tot het actieplan voor de natuur, de mensen en de economie" in oktober 2018.
In 2017 heeft de Commissie de TAIEX-ETB Peer-to-Peer (EIR P2P) gelanceerd als nieuw praktisch instrument om te bevorderen dat de milieu-autoriteiten van elkaar leren. Nederland heeft sinds januari 2019 deelgenomen aan zes P2P-evenementen over verschillende onderwerpen, waaronder luchtvervuiling en de circulaire economie.
Voortgang met betrekking tot de uitdagingen sinds de EIR 2017
De EIR 2019 wijst uit dat er op het gebied van waterkwaliteit enige vooruitgang is geboekt bij het verminderen van nutriëntenconcentraties en eutrofiëring. Verontreiniging door nitraten blijft een groot probleem, ondanks de inspanningen van de Nederlandse overheid via het nationale actieprogramma voor nitraten. Er is op een aantal voorwaarden een afwijking van stikstof uit dierlijke mest toegekend, waaronder beperkingen voor fosfaatproductie en een verbeterde handhavingsstrategie om onder andere de onjuiste registratie van dieren aan te pakken. Voor volledige naleving moet echter vooruitgang geboekt blijven worden.
Op het gebied van luchtkwaliteit is er enige vooruitgang geboekt bij het verminderen van het aantal niet-conforme gebieden. De luchtkwaliteit is echter nog steeds een reden tot zorg: in 2015 waren er 1 900 voortijdige sterfgevallen te wijten aan stikstofdioxide, 9 800 aan fijnstofconcentraties en nog eens 290 aan ozonconcentraties. De gestage afname van de afgelopen jaren is doorgezet. In een aantal steden worden innovatieve oplossingen voor het verminderen van verkeerscongestie getest. Deze helpen bij het terugbrengen van het gebruik van oude dieselauto's, wat een positieve impact op luchtverontreinigende stoffen zal hebben. De nationale strategie inzake luchtkwaliteit en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit zijn essentieel bij het verminderen van luchtvervuiling in het land.
Op het gebied van natuurbehoud is er enige vooruitgang geboekt voor de verbetering van de staat van soorten en habitats. Er is echter nog veel ruimte voor verbetering. Habitatversnippering, atmosferische stikstofdepositie, verdroging en verzuring hebben gevolgen voor het Natura 2000-netwerk, dat nog altijd kleiner is dan het EU-gemiddelde. Bovendien blijven de vogelpopulaties in landbouwgebieden ondanks nationale beschermingsmaatregelen aanzienlijk slinken.
Nederland blijft efficiënt gebruikmaken van EU-financiering en -kredietmogelijkheden. Dankzij de inzet van "Green Deals" is het land ook een voorbeeld op het gebied van nationale groene financiering.
Voorbeelden van goede praktijken
·Maatregelen met betrekking tot de circulaire economie blijven een belangrijke rol spelen. Het land is een voorbeeld voor publiek-privaat partnerschap en presteert het best op het gebied van hulpbronnenproductiviteit. Kleine bedrijven worden steeds meer circulair en het recyclingpercentage van stedelijk afval behoort tot de hoogste van de EU. "Nederland circulair in 2050" is een van de meest verregaande programma's in de EU.
·Het aantal groene overheidsopdrachten ligt al hoger dan de aanbeveling van de Commissie. Nederland beschikt over een aantal werkwijzen voor circulair aanbesteden en het programma "Green Deals" is van start gegaan met een aantal pilots en richtsnoeren voor functionele specificaties.
·Nederland maakt goed gebruik van groene belastingen om klimaat- en milieuproblemen aan te pakken. De afgelopen jaren is een aantal subsidies en vrijstellingen voor aardolie en aardgas geschrapt en zijn belastingen op basis van CO2 gebruikelijker geworden.
·Milieu-autoriteiten stellen gezamenlijk informatie over milieu en gezondheid beschikbaar op de portal Atlas Leefomgeving in de vorm van doorzoekbare kaarten.
Deel I: Thematische werkterreinen
1.Omvorming van de EU tot een circulaire, hulpbronnenefficiënte, groene en concurrerende koolstofarme economie
Maatregelen om tot een circulaire economie te komen
In het actieplan voor de circulaire economie wordt benadrukt dat we de overgang moeten maken naar een circulaire economie waarin de levenscyclus centraal staat, waarbij we hulpbronnen zoveel mogelijk hergebruiken en bijna geen restafval produceren. Dit kan worden bevorderd door innovatieve financiële instrumenten en financiering voor eco-innovatie te ontwikkelen en open te stellen.
Nadat de Europese Commissie in 2015 het actieplan voor de circulaire economie had vastgesteld en in 2017 een bijbehorend platform voor belanghebbenden had opgericht, heeft zij in januari 2018 een nieuw pakket maatregelen vastgesteld. Dit pakket omvat aanvullende initiatieven, zoals: i) een EU-strategie inzake kunststoffen; ii) een mededeling die ingaat op de wisselwerking tussen de wetgeving inzake chemische stoffen, producten en afvalstoffen; iii) een verslag over kritieke grondstoffen; en iv) een kader om de voortgang op weg naar een circulaire economie te monitoren.
Dit monitoringkader voor de circulaire economie volgt belangrijke trends en patronen om inzicht te krijgen in hoe de verschillende elementen van de circulaire economie zich ontwikkelen en om te beoordelen of voldoende actie is ondernomen.
In 2016 lag het circulaire (secundaire) gebruik van materialen in Nederland op 29 %, een opvallend hoog percentage in vergelijking met het EU-28-gemiddelde van 11,7 %. Waar het gaat om het aantal mensen dat werkzaam is in de circulaire economie, presteerde Nederland echter onder het EU-28-gemiddelde (1,19 % van de totale werkgelegenheid in 2016 tegenover een EU-28-gemiddelde van 1,73 %).
Zowel de maatschappij als de overheid staat duidelijk achter initiatieven voor de circulaire economie en milieubescherming.
Burgers lijken zich bewust van de problemen van een lineaire economie. In 2017 uitte 81 % van de Nederlandse burgers zorgen over de invloed van kunststofproducten op het milieu (EU-28: 87 %) en 83 % over de invloed van chemische stoffen (EU-28: 90 %). Bovendien stond 88 % van hen achter een hogere EU-investering in milieubescherming (EU-28: 85 %).
Bovendien was Nederland een van de eerste landen die een circulaire-economieprogramma voorstelden (2014), dat in september 2016 werd gevolgd door het veelomvattende programma "Nederland circulair in 2050". Het land geeft in veel gevallen het goede voorbeeld en gaat samenwerkingsverbanden aan om in de EU aan te sporen tot circulariteit.
In het Regeerakkoord van 2017 bevestigde het kabinet opnieuw het belang van de overgang naar een circulaire economie. Bovendien beloofde het te inventariseren welke knelpunten in regelgeving, toezicht en handhaving duurzame innovaties in de weg staan en mogelijk opgelost kunnen worden.
Alle nationale beleidsinspanningen met betrekking tot de circulaire economie zijn vastgelegd in het actieplan "Van Afval Naar Grondstof" (het VANG-programma) dat werd vermeld in de EIR 2017.
Sinds 2017 heeft de regering de circulaire economie opgenomen in haar actieplannen voor klimaat. Volgens verschillende onderzoeken zou het circulaire-economieprogramma uit 2016 doorslaggevend kunnen zijn voor het verlagen van de uitstoot van broeikasgassen in 2050. Het hergebruiken en recycleren van kunststoffen zou goed kunnen zijn voor 28 % van de uitstootverlaging en circulaire maatregelen op het gebied van biomassa en voedsel zouden samen goed kunnen zijn voor circa 35 %.
Er worden nieuwe ontwikkelingen verwacht in de wijze waarop Nederland omgaat met het meten van de voortgang naar een circulaire economie. In januari 2018 hebben drie overheidsinstanties een oproep gedaan voor een nieuw monitoringsysteem. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) hebben voorgesteld om verder te gaan dan het monitoringkader voor de circulaire economie van de Commissie om te zien of alle activiteiten die belanghebbenden moeten uitvoeren op schema liggen. De Nederlandse overheid zal hierop reageren met een monitoringverslag inzake "richtsnoeren, voortgang en milieu- en sociaaleconomische gevolgen in de circulaire economie" dat begin 2020 wordt gepubliceerd.
Alles samen genomen kan Nederland als voorbeeld worden beschouwd van een publiek-privaat partnerschap voor het behalen van een meer circulaire economie. De afgelopen jaren zijn verschillende projecten gefinancierd en met succes uitgevoerd.
Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP), het grootste pensioenfonds van Nederland, heeft in 2015 nieuw beleid voor duurzaam investeren ingesteld en hanteert nog steeds een milieuvriendelijke werkwijze. Alleen al in 2017 heeft het ABP de CO2-uitstoot in zijn aandelenportefeuille met 7 miljoen ton verminderd (de jaarlijkse uitstoot van 2,8 miljoen auto's) en tegelijkertijd zijn beleggingen in hernieuwbare energie met 25 % verhoogd.
|
Nitraten en de circulaire economie
|
|
Het huidige mestbeleid kost circa 350 miljoen EUR, maar verhoogt de welvaart met circa 2 miljard EUR, als de voordelen voor natuur en gezondheid worden meegenomen in de berekeningen. Omdat de hoeveelheid mest die wordt geproduceerd, groter is dan op het land kan worden gebruikt, zijn niet-frauderende boeren gedwongen om het mestoverschot direct te exporteren of verwerken. Beide manieren kosten veel geld, wat met zich meebrengt dat intensieve veehouders moeten betalen om het mestoverschot kwijt te raken: de marginale waarde van mest is in Nederland daarom negatief.
Nieuwe mestverwerkingstechnieken, zoals de techniek die is ontwikkeld door het door de EU gefinancierde project BioEcoSIM, kunnen de kosten van het mestbeleid verlagen, wat gunstig is voor de circulaire economie. In een onderzoek werd geschat dat als alle Nederlandse varkensmest met het huidige beleid en de huidige economische omstandigheden een proces als dat van BioEcoSIM zou doorlopen, het bbp met 15 miljoen EUR zou stijgen en de milieukosten van de uitstoot van broeikasgassen en fijnstofvorming circa 75 miljoen EUR lager zouden worden.
|
Het project REBUS met LIFE-financiering streeft naar meer hulpbronnenefficiënte bedrijfsmodellen. Na een proefperiode in het Verenigd Koninkrijk en Nederland is meer dan 62 000 ton materiaal bespaard. Als dit wordt opgeschaald, kan dit een directe materiaalbesparing opleveren van 184 miljoen ton en 172 miljoen ton materiaal met een nieuwe bestemming (bv. voor hergebruik en recycling) in de EU.
Het Nederlandse systeem voor het inzamelen van geneesmiddelen is nog een goed voorbeeld van de manier waarop circulariteit in bijna elke economische sector kan worden toegepast. Volgens de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) komt meer dan 140 ton medicijnafval in het oppervlaktewater terecht. De KNMP zorgt ervoor dat er dankzij initiatieven zoals toezicht op medicijngebruik en stimulansen voor afvalinzameling in apotheken minder restanten van geneesmiddelen in het milieu terechtkomen. Het aantal gemeenten waarin apotheken voor medicijnafval moeten betalen is van 45 % in 2016 gedaald naar 10 % in 2018.
Nederland, België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk nemen deel aan het Nereus-project, dat door de EU wordt gefinancierd via het Intterreg 2 zeeën-programma van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Het doel is om de ontwikkeling van de groene economie te stimuleren en om afvalwater om te zetten in een waardevolle bron van water, hulpbronnen (bv. cellulose en voedingsstoffen) en energie. In juni 2018 is in Rotterdam de eerste proeflocatie officieel geopend om na de inzameling en verwerking zoveel mogelijk waarde te creëren uit huishoudelijk afvalwater.
De "Green Deals" blijven een van de innovatiefste manieren om obstakels voor groene ontwikkelingen te overwinnen. Op 7 juni 2018 hebben vijftig publieke en private organisaties en ondernemingen een nieuwe Green Deal voor circulair inkopen ondertekend, met een gezamenlijke koopkracht van 100 miljoen EUR. Alle organisaties die circulair willen inkopen, kunnen zich aansluiten.
Naast deze voorbeelden presteert Nederland in de EU het best op het gebied van hulpbronnenproductiviteit (hoe efficiënt de economie materiële hulpbronnen gebruikt om welvaart te creëren), met 4,2 EUR/kg in 2017 (EU: 2,04 EUR/kg). Figuur 1 laat een geleidelijke stijging sinds 2008 zien, met tussen 2013 en 2015 een tijdelijke afname, en een aanzienlijke stijging in 2016. De belangrijkste redenen voor deze goede prestatie zijn het verminderde verbruik van fossiele brandstoffen en de dalende vraag naar niet-metaalhoudende mineralen dankzij toenemende mate van hergebruik en recycling.
|
Figuur 1: hulpbronnenproductiviteit 2010-2017
|
Bovendien werkten er in Nederland in 2015 132 008 werknemers in de sector milieugoederen en diensten, een lichte stijging ten opzichte van 2012.
De prestatie van Nederland moet als een voorbeeld voor andere landen worden gezien van het effect van beleid op het verhogen van de hulpbronnenproductiviteit, hoewel de sterke afhankelijkheid van ingevoerde grondstoffen een zorg blijft.
De vele positieve ontwikkelingen en resultaten geven echter ruimte om de activiteiten op het gebied van de circulaire economie op te voeren. De toegevoegde waarde van de sector milieugoederen en diensten stijgt, maar minder snel dan men van een sterke diensteneconomie als Nederland zou verwachten (naar 2,45 % van het bbp in 2015 van 2,44 % in 2014).
Er is nog een aantal factoren die innovatie in de circulaire economie belemmeren. Hiervoor moet meer worden erkend dat er voor de overgang naar een circulaire economie verschillende vormen van innovatie nodig zijn: technologische, financiële (verdienmodellen), organisatorische (werkmethoden) en sociale (gericht op samenwerking en teamwork).
Kleine en middelgrote ondernemingen en hulpbronnenefficiëntie
De jaarlijkse SME Performance Review van de Commissie voor 2018 liet de algemene situatie met betrekking tot de milieuprestaties van kleine ondernemingen in Nederland zien (zie figuur 2). Deze ondernemingen scoorden boven het Europese gemiddelde wat betreft groene omzet (groene producten of diensten waren in 23 % van de Nederlandse kleine en middelgrote ondernemingen goed voor meer dan 50 % van de omzet) en wat betreft overheidsfinanciering voor maatregelen inzake hulpbronnenefficiëntie. Aan de andere kant scoorden ze alleen wat betreft ondersteuning van de productie van groene producten door de overheid onder het Europese gemiddelde.
In 2018 liet de recentste Eurobarometer over "SMEs, resource efficiency and green markets" (kleine en middelgrote ondernemingen, hulpbronnenefficiëntie en groene markten) voor een paar van de voornaamste indicatoren nieuwe ontwikkelingen zien. 37 % van de Nederlandse kleine en middelgrote ondernemingen biedt op dit moment groene producten en diensten aan (ten opzichte van 27 % in 2015). 20 % van de onderzochte ondernemingen gaf aan dat groene producten of diensten meer dan 75 % van hun jaarlijkse omzet voor het laatst beschikbare boekjaar uitmaakten (EU-gemiddelde van 14 %). Hoewel slechts 35 % van de Nederlandse kleine en middelgrote ondernemingen werknemers met een groene baan heeft (25 % in 2015, EU-28-gemiddelde: 40 %), hebben deze ondernemingen gemiddeld 6,2 groene werknemers, wat veel meer is dan het EU-gemiddelde van 4,7. Ten slotte lijkt de ondersteuning voor kleine en middelgrote ondernemingen door de overheid te worden erkend, daar 87 % van de groene kleine en middelgrote ondernemingen tevreden is met de hulp die de overheid biedt (EU-28: 58 %).
|
Figuur 2: milieuprestaties van kleine en middelgrote ondernemingen
|
Niettemin investeerden kleine en middelgrote ondernemingen in de periode 20152017 minder in maatregelen voor hulpbronnenefficiëntie (in 2017 51 % gaf aan tot 5 % van de jaarlijkse omzet te hebben geïnvesteerd, tegenover 62 % in 2015), hoewel dit cijfer nog steeds net boven het EU-gemiddelde van 50 % ligt. Die lichte afname kan de prestatie van Nederland negatief beïnvloeden, omdat het land sterk op vrijwillige overeenkomsten en initiatieven steunt om de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren. Het nationale beleid en andere ondersteunende maatregelen zijn niet toereikend, met name voor het verbeteren van de financiering, het ondersteunen van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, het stimuleren van externe audits en het verbeteren van boekhoud- en rapportagepraktijken van bedrijven.
Het aantal door de overheid gefinancierde projecten voor het verbeteren van de hulpbronnenefficiëntie is de afgelopen jaren in elk geval toegenomen. De MIA (Milieu-investeringsaftrek) en de Vamil (Willekeurige afschrijving milieu-investeringen) zijn overheidsregelingen voor het toekennen van belastingvoordelen aan milieuvriendelijke producten en ondernemers en voor het sneller op de markt brengen van innovatieve producten.
Het Regeerakkoord van 2017 bevatte ook voorstellen voor het verbeteren van de nationale hulpbronnenefficiëntie. De nieuwe Omgevingswet en de uitvoering van het circulaire-economieprogramma en de transitieagenda's uit het Grondstoffenakkoord zijn goede voorbeelden.
EU-financiering kan eveneens een bijdrage leveren aan de hulpbronnenefficiëntie van ondernemingen. In de meeste Europese fondsen en programma's worden concurrentievermogen, innovatie, milieu en klimaat op de een of andere manier met elkaar verbonden. Bovendien hebben de Commissie, de Europese Investeringsbank (EIB) en nationale investeringsbanken specifieke instrumenten voor hulpbronnenefficiëntie geïntroduceerd, zoals het instrument voor particuliere financiering van energie-efficiëntie (PF4EE) en het Europees Energie Efficiëntie Fonds.
Deze maatregelen zijn doorslaggevend, omdat de Nederlandse economie afhankelijk is van zeldzame of kritieke materialen en hulpbronnen. Volgens de Eurobarometer is 30 % van de Nederlandse kleine en middelgrote ondernemingen er dankzij de al getroffen maatregelen voor hulpbronnenefficiëntie in geslaagd de productiekosten te verlagen (EU-28-gemiddelde 41 %). Kleine bedrijven moeten het volledige potentieel van hulpbronnenefficiëntie dus nog gaan benutten.
De in de EIR 2017 voorgestelde maatregelen voor het "benutten van het volledige potentieel van maatregelen voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen voor en door kleine en middelgrote ondernemingen" behouden in 2019 prioriteit, omdat er ruimte is voor meer ondersteuning van financiering, uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en boekhoud- en rapportagepraktijken.
Eco-innovatie
Nederland is al zeker sinds de jaren 1970 een koploper op het gebied van innovatie binnen de EU. Het land stond op de vierde plaats van het algehele Europees innovatiescorebord 2018 en was de op een na snelst groeiende innovator (met een stijging van 15,9 % sinds 2010). Het land stond op het Eco-Innovation Scoreboard voor 2017 echter slechts op de 14e plaats, zoals in figuur 3 te zien is.
|
Figuur 3: Eco-Innovation Index 2017 (EU = 100)
|
|
|
De prestatie van Nederland op het gebied van eco-innovatie is sinds 2011 gedaald, van 112 punten naar een dieptepunt van 88 in 2017 (zie figuur 4). Dit is voornamelijk te wijten aan slechte prestaties op twee gebieden: activiteiten op het gebied van eco-innovatie en sociaaleconomische resultaten.
|
Figuur 4: de prestaties van Nederland op het gebied van eco-innovatie
|
|
|
De lage score van Nederland lijkt in tegenspraak te zijn met zijn ambitieuze duurzaamheidsdoelen; op nationaal niveau moet de eco-innovatie worden verbeterd. Op lokaal en regionaal niveau is voornamelijk op het gebied van duurzame energie meer vooruitgang geboekt, met veel lokale initiatieven en ambitieuze stadsprojecten.
Andere belemmeringen voor eco-innovatie zijn het feit dat er weinig gebruik wordt gemaakt van milieukeurlicenties (slechts 1 100 van de 71 707 geregistreerde producten in de EU, tegen 30 384 in Spanje) en van milieubeheer- en milieuauditsystemen (alleen Letland en Malta hebben minder EMAS helpdesk-organisaties en -locaties). In september 2018 had Nederland 1 100 producten en 83 licenties geregistreerd met het systeem van EU-milieukeuren en slechts twee organisaties in EMAS. Er bestaan echter wel nationale regelingen, zoals Milieukeur, het milieukwaliteitslabel voor producten en diensten.
Nederland zou echter een voorloper en proeftuin voor de circulaire economie kunnen zijn, om verschillende redenen: dankzij de grote havens en de goede infrastructuur is het land een belangrijke verbinding voor internationale materiaalstromen en kan het daarom ook een rol spelen in de stroom gerecycleerde en biogebaseerde materialen. Ten tweede staat Nederland bekend om zijn ondernemersgeest en -kennis en is het een koploper op het gebied van ontwerp en geavanceerde afvalbeheersystemen. Verder zijn mogelijkheden om te innoveren, nieuwe ondernemingen aan te trekken, milieu en welzijn te verbeteren, en de afhankelijkheid van externe hulpbronnen te verlagen belangrijk voor de circulaire economie.
Nederland blijft het goed doen op het gebied van afvalbeheer en groene overheidsopdrachten, waarbij het Green Deals-programma helpt om pilotprojecten op te zetten. Het aantal lokale ondernemingen voor duurzame energie is in 2017 gestegen naar 392. Deze zijn gezamenlijk honderd nieuwe projecten voor collectieve zonne-energie begonnen.
|
Het "Make it Work"-project
|
|
Het "Make it Work"-project is een voorbeeld van een goede praktijk, waarin deskundigen bij elkaar worden gebracht om aanbevelingen te doen voor het milieubeleid en de uitvoeringspraktijk van de EU. Make it Work richt zich op dit moment op het mogelijk maken van eco-innovatie voor de circulaire economie uit hoofde van het milieubeleid van de EU, en meer bepaald het omzetten van afval in nieuwe secundaire grondstoffen.
|
Om de eco-innovatiekloof te overbruggen, moeten kortom een paar van de voornaamste indicatoren van de index worden verbeterd. Maar 2 677 organisaties gebruiken bijvoorbeeld de norm ISO 14001 voor effectieve milieumanagementsystemen, waarmee Nederland op de 11e plaats in de EU staat
. De werkgelegenheid in eco-industrieën en de circulaire economie is slechts goed voor 1,17 % van de totale werkgelegenheid ten opzichte van 1,71 % voor de EU28
.
Prioritaire actie voor 2019
·Beginselen van de circulaire economie vaststellen die aanzetten tot maatregelen ter bevordering van hulpbronnenefficiëntie en meer recycling, eco-innovatieprestaties, en investeringen in groene producten en diensten.
Afvalbeheer
De omzetting van afval in een hulpbron wordt ondersteund door:
i) de volledige uitvoering van de EU-afvalwetgeving, inclusief de afvalhiërarchie, gescheiden afvalinzameling, het realiseren van de doelstellingen om te voorkomen dat afvalstromen op de stortplaats belanden enz.;
ii) vermindering van de afvalproductie en de geproduceerde hoeveelheid afval per hoofd van de bevolking in absolute termen; en
iii) beperking van de terugwinning van energie tot niet-recycleerbare materialen en de geleidelijke stopzetting van het storten van recycleerbaar of terugwinbaar afval.
In dit deel wordt gefocust op het beheer van stedelijk afval waarvoor in de EU-wetgeving bindende recyclagedoelstellingen zijn vastgesteld.
In figuur 5 is te zien dat de hoeveelheid gegenereerd stedelijk afval tussen 2014 en 2017 licht is afgenomen, waarmee de dalende trend van de afgelopen jaren is doorgezet. Deze ligt echter nog wel boven het EU-gemiddelde (op 513 kg/inwoner/jaar tegenover 487 kg/inwoner/jaar) en de daling neemt af (van 45 kg per hoofd van de bevolking tussen 2010 en 2013 naar 13 kg per hoofd van de bevolking tussen 2013 en 2017).
Positief is dat het recyclingpercentage (met inbegrip van compostering) van stedelijk afval met 54 % in 2017 hoger ligt dan het EU-gemiddelde van 46 % en dat recycling de belangrijkste vorm van verwerking van stedelijk afval blijft, terwijl het storten als gevolg van stortbelastingen en -verboden met 1 % ver onder het EU-gemiddelde van 24 % ligt.
In figuur 6 is te zien dat Nederland sinds 2013 voldoet aan de recyclingdoelstelling voor stedelijk afval van EU 2020 van 50 %, waarmee het tot de best presterende landen van de EU behoort.
|
Figuur 5: stedelijk afval, uitgesplitst naar verwerkingsmethode, in Nederland in de periode 20102017
|
|
|
Om aan de recyclingdoelstellingen voor de periode na 2020 te voldoen zijn echter meer inspanningen nodig. Hiervoor zijn voornamelijk maatregelen vereist om de verbranding van stedelijk afval terug te brengen (44 % in 2017).
Om afvalpreventie te stimuleren en ervoor te zorgen dat er nog meer wordt gerecycled, streeft het circulaire-economieprogramma uit 2016 (Nederlands circulair in 2050) er gedeeltelijk naar dat de jaarlijkse hoeveelheid huishoudelijk restafval in 2025 maximaal 30 kg per persoon bedraagt (100 kg in 2020). In 2022 is de hoeveelheid restafval van bedrijven, organisaties en overheden dat vergelijkbaar is met huishoudelijk restafval, gehalveerd (ten opzichte van 2012). In overeenstemming met deze operationele doelen streeft het kabinet er tevens naar om de hoeveelheid restafval die wordt verbrand of gestort, te verlagen van 10 miljoen ton in 2012 naar 5 miljoen ton in 2022.
|
Figuur 6: recyclingpercentage van stedelijk afval 20102017
|
|
|
Lokale en regionale autoriteiten zetten nieuwe netwerken op voor afvalkwesties, voornamelijk ter ondersteuning van het inzamelen en recycleren van kunststoffen. Circa 260 gemeenten vragen in de Statiegeld Alliantie om een statiegeldsysteem voor plastic flessen. Op 10 maart 2018 kondigde de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan dat er vanaf 2021 statiegeld wordt ingevoerd op plastic flesjes, tenzij de verpakkingsindustrie er voor het najaar van 2020 in slaagt om 90 % van de wegwerpflesjes te recycleren. Ze verzocht de verpakkingsindustrie tevens met klem om zwerfafval met 70 tot 90 % terug te brengen.
Prioritaire acties voor 2019
·Nieuw beleid invoeren, met inbegrip van economische instrumenten, om afvalpreventie te bevorderen en zowel hergebruik als recycling economisch aantrekkelijker te maken.
·Afstappen van de verbranding van herbruikbaar en recyclebaar afval.
Klimaatverandering
De EU heeft zich ertoe verbonden ambitieuze klimaatmaatregelen te nemen op internationaal en EU-niveau en heeft op 5 oktober 2016 de Klimaatovereenkomst van Parijs geratificeerd. De EU streeft ernaar om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met 20 % en tegen 2030 met ten minste 40 % te verlagen ten opzichte van 1990. In het kader van de inspanningen die de ontwikkelde landen als groep moeten leveren, is de langetermijndoelstelling van de EU om de emissies tegen 2050 met 80 % tot 95 % te verminderen. Aanpassing aan de nadelige gevolgen van klimaatverandering is essentieel om de nu al zichtbare effecten te verzachten en beter paraat te staan en beter weerstand te kunnen bieden tegen toekomstige effecten.
De EU-regeling voor de emissiehandel (EU-ETS) heeft betrekking op alle grote uitstoters van broeikasgassen in de industrie-, de energie- en de luchtvaartsector in de EU. De EU-ETS is in alle lidstaten van toepassing en wordt in hoge mate nageleefd. Jaarlijks dekken de installaties ongeveer 99 % van hun emissies met het vereiste aantal emissierechten.
Voor de emissies die niet onder de EU-ETS vallen, hebben de lidstaten bindende nationale streefcijfers vastgesteld uit hoofde van de wetgeving inzake de verdeling van de inspanningen. Van 2013 tot 2017 waren de emissies van Nederland elk jaar lager dan de jaarlijkse streefcijfers. Het nationale streefcijfer van Nederland uit hoofde van de beschikking inzake de verdeling van de inspanningen is om de emissies met 16 % te verminderen in vergelijking met 2005. Voor 2030 is het streefcijfer een vermindering van de emissies met 36 % in vergelijking met 2005 (zie figuur 8).
Het nationale energie- en klimaatplan wordt deels gebaseerd op de Energieagenda. De Energieagenda is eind 2016 vastgesteld en richt zich op de broeikasgasemissiereductie die nodig is om in 2015 in Parijs overeengekomen klimaatdoelen te behalen.
|
Figuur 7: verandering van de totale broeikasgasemissies 1990-2017 (1990 = 100 %)
|
Met de strategie voor koolstofarme ontwikkeling wordt het concept van een klimaatneutrale economie verkend. Het kabinet heeft zich verplicht tot een ambitieuzer klimaatbeleid dat wordt vastgelegd in een nieuwe Klimaatwet en een nationaal Klimaatakkoord als aanvulling op het bestaande Energieakkoord. Het centrale doel van het nationale Klimaatakkoord, de Nederlandse bijdrage aan "Parijs", is om de broeikasgasemissies in Nederland in 2030 met 49 % te verlagen ten opzichte van 1990. De inspanningen van de Nederlandse overheid zouden in een Europese context zelfs tot een ambitieuzer doel van 55 % kunnen leiden.
Om met organisaties en bedrijven tot een Klimaatakkoord te komen, vinden er aan vijf sectortafels gesprekken plaats: gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, mobiliteit en elektriciteit. Elk van de vijf tafels is gevraagd om aan te geven welke maatregelen er nodig zijn voor een uitstoot van 55 %.
|
Figuur 8: doelstellingen en emissies uit hoofde van de beschikking en de verordening inzake de verdeling van de inspanningen
|
|
|
Vervoer heeft ook aandacht nodig, omdat dit goed is voor bijna een kwart van de broeikasgasemissies in de EU en de hoofdoorzaak van luchtvervuiling in steden is. De vervoersemissies in Nederland zijn tussen 2012 en 2015 met 8 % afgenomen.
|
Figuur 9: broeikasgasemissies per sector (Mt CO2-eq.) Historische gegevens 19902016. Prognoses 20172030
|
|
|
De lidstaten moeten volgens de EU-wetgeving en voor het beheersen van emissies van gefluoreerde broeikasgassen (F-gassen) opleiding- en certificeringsprogramma's en voorschriften voor sancties instellen en de Commissie in 2017 in kennis stellen van deze maatregelen. Nederland heeft de Commissie in kennis gesteld van beide maatregelen.
De boekhouding van broeikasgasemissies en verwijderingen van bossen en landbouwgrond valt onder het Kyotoprotocol. Een voorlopige berekening voor de periode van 2013 tot 2016 laat zien dat Nederland een netto debet van gemiddeld 0,7 Mt CO2-eq heeft, wat overeenkomt met een negatieve bijdrage van – 0,6 % van de put van de EU-28 van – 115,7 Mt CO2-eq. Nederland is een van de zes EU-lidstaten waarvoor in deze voorlopige berekening een netto debet te zien was.
De in 2013 vastgestelde EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering is gericht op het vergroten van de klimaatbestendigheid van Europa, door lidstaten te stimuleren maatregelen te treffen, beter onderbouwde besluitvorming en het stimuleren van aanpassing in belangrijke kwetsbare gebieden. De paraatheid van alle bestuursniveaus en hun vermogen te reageren op de gevolgen van klimaatverandering moeten worden verbeterd door middel van een coherente aanpak en betere coördinatie.
Nederland heeft in 2007 zijn eerste nationale adaptatiestrategie vastgesteld. Het aanpassingsbeleid is tweeledig: de nationale klimaatadaptatiestrategie 2016 "Aanpassen met ambitie" (december 2016, volgend op een eerste adaptatiestrategie uit 2007) en het Deltaprogramma 2010. De adaptatiestrategie is een aanvulling op het Deltaprogramma. Hierin wordt beschreven hoe klimaatverandering het leven in Nederland zal beïnvloeden, waarbij met name aandacht is voor de gevolgen die de komende jaren waarschijnlijk van grote invloed zullen zijn, zoals waterbeheer, gezondheid, landbouw en bosbouw, recreatie, infrastructuur en energie.
Het Deltaprogramma bevat veel adaptatiemaatregelen vanwege zijn aanvullende rol op de nationale klimaatadaptatiestrategie. Het doel is om, gezien de steeds grotere weersextremen, het land te beschermen tegen overstromingen, te zorgen voor voldoende zoetwater en de inrichting van het land in 2050 klimaatbestendig te maken. Er is een Deltaplan Ruimtelijke adaptatie gepubliceerd. In overeenstemming met de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie uit 2014 heeft het plan een territoriale aanpak. Het actieprogramma voor adaptatie is in maart 2018 van start gegaan en er wordt een monitoring- en evaluatiekader opgezet.
De totale inkomsten uit de veiling van emissierechten voor de periode van 2013 tot 2017 in het kader van de EU-ETS bedroegen 786 miljoen EUR. Nederland reserveert de veilinginkomsten niet voor specifieke doeleinden. Volgens de verslagen is een bedrag dat gelijk is aan 100 % van de veilinginkomsten besteed aan klimaat- en energiedoelen.
Prioritaire actie voor 2019
In dit verslag zijn geen prioritaire acties op het gebied van klimaat opgenomen, omdat de Commissie eerst de ontwerpen moet beoordelen van de nationale energie- en klimaatplannen die de lidstaten eind 2018 moesten insturen. Met deze plannen zou het energie- en klimaatbeleid consistenter moeten worden, waarmee het een goed voorbeeld zou kunnen worden van het koppelen van sectorspecifiek beleid aan andere, onderling verbonden onderwerpen, zoals landbouw-natuur-water en vervoer-lucht-gezondheid.
2.Bescherming, instandhouding en verbetering van het natuurlijk kapitaal
Natuur en biodiversiteit
Met de EU-biodiversiteitsstrategie wordt beoogd het verlies aan biodiversiteit in de EU tegen 2020 een halt toe te roepen. De Europese vogel- en habitatrichtlijnen moeten volledig worden uitgevoerd om een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten en habitats te bereiken. Verder is het nodig dat de land- en bosbouw helpen bij het in stand houden en verbeteren van de biodiversiteit.
Biodiversiteitsstrategie
Verschillende Nederlandse beleidsplannen vormen samen een herziene nationale biodiversiteitsstrategie en een actieplan. Op basis van de aanbevelingen van de Taskforce Biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen is in het document Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal: behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit de uitvoeringsagenda biodiversiteit tot 2020 voor Nederland en Caribisch Nederland opgenomen.
In de "Rijksnatuurvisie 2014" wordt gepleit voor een omslag in het natuurbeleid, van het beschermen van de natuur tegen de samenleving naar het versterken van de natuur met de samenleving. Biodiversiteitsdoelstellingen moeten worden gerealiseerd door alle kansen voor synergie tussen de waarde van de natuur en sociale en economische activiteiten te benutten.
Het opzetten van een samenhangend netwerk van Natura 2000-gebieden
Begin 2018 viel 13,3 % van het nationale landoppervlak van Nederland onder Natura 2000 (EU-gemiddelde 18,1 %). Speciale beschermingszones krachtens de vogelrichtlijn besloegen 11,5 % van het landoppervlak (EU-gemiddelde 12,3 %), tegenover 8 % voor gebieden van communautair belang krachtens de habitatrichtlijn (EU-gemiddelde 13,8 %).
Aanwijzing van Natura 2000-gebieden en vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen en maatregelen
Uit de recentste evaluatie van het Natura 2000-netwerk blijkt dat Nederland zijn Natura 2000-netwerk op land en op zee grotendeels heeft voltooid. Er zijn een paar kleine hiaten, voornamelijk met betrekking tot soorten die pas recentelijk in het land zijn geobserveerd en nog moeten worden behandeld, plus enkele mogelijke hiaten in het netwerk van speciale beschermingszones.
Vogelpopulaties in landbouwgebieden blijven ondanks beschermingsmaatregelen aanzienlijk slinken. Zo zijn de populaties van de scholekster (Haematopus ostralegus), de grutto (Limosa limosa) en de veldleeuwerik (Alauda arvensis) zijn tussen 1990 en 2015 met meer dan 60 % afgenomen.
De Nederlandse landen en gebieden overzee hebben gebruikgemaakt van aanvragen krachtens het BEST 2.0-programma.
Vooruitgang in de handhaving of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van soorten en habitats
De lidstaten brengen maar eens in de zes jaar verslag uit over de vooruitgang die voor wat betreft de twee richtlijnen is geboekt. Daarom is er geen nieuwe informatie beschikbaar over de staat van natuurlijke habitat en soorten of over de vooruitgang die is geboekt bij het herstel van de staat van instandhouding van soorten en habitats sinds de EIR 2017. Het is echter duidelijk dat er nog altijd bepaalde niet-overeenstemmende situaties bestaan in verband met de ontoereikendheid van het netwerk (van speciale beschermingszones en gebieden van communautair belang) en kwalitatieve aspecten van sommige beheersplannen.
Prioritaire acties voor 2019
·De bijdrage van het Natura 2000-netwerk en de nationale natuurnetwerken ver optimaliseren om een goede staat van instandhouding te bereiken, voornamelijk door te zorgen voor toereikende middelen voor de volledige uitvoering van de beheerplannen van Natura 2000 om soorten en habitats van communautair belang in stand te houden/te herstellen in een gunstige staat van instandhouding binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied.
·Habitatversnippering, atmosferische stikstofdepositie, verdroging en verzuring beperken.
·De benodigde maatregelen treffen om de afname van grasland en vogels in landbouwgebieden een halt toe te roepen en om ervoor te zorgen dat er voldoende ruimte en diverse habitats ze zijn.
Handhaving en herstel van ecosystemen en ecosysteemdiensten
Met haar biodiversiteitsstrategie beoogt de EU ecosystemen en ecosysteemdiensten te handhaven en te herstellen door groene infrastructuur op te nemen in de ruimtelijke ordening en ten minste 15 % van de aangetaste ecosystemen te herstellen tegen 2020. De EU-strategie voor groene infrastructuur bevordert de opname van groene infrastructuur (GI) in gerelateerde plannen en programma's.
De EU heeft richtsnoeren gepubliceerd voor de verdere uitrol van groene en blauwe infrastructuur in Nederland, evenals een landenpagina in het Biodiversiteitsinformatiesysteem voor Europa (BISE)
. Deze informatie draagt tevens bij aan de eindbeoordeling van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020.
Nederland heeft verschillende soorten beleid en strategieën, waaronder relevante maatregelen voor groene infrastructuur. Natuurnetwerk Nederland omvat bestaande beschermde gebieden en gebieden die hersteld moeten worden. Het is de bedoeling dat dit uiteindelijk aaneengesloten wordt met andere Europese landen, maar de voortgang hiervan is onduidelijk.
Natuurnetwerk Nederland wordt aangevuld door de beleidsdocumenten "Natuurlijk verder: Rijksnatuurvisie 2014", waarin "natuurcombinaties" worden gestimuleerd (de combinatie van natuur met landbouw, landgoederen, recreatie, waterwinning, steden, bedrijventerreinen, waterwegen enz.) en "Natuurambitie Grote Wateren". Dit laatste document is gericht op de optimalisering van ecosysteemdiensten in de belangrijkste nationale wateren.
GI is opgenomen in het waterbeheer. Nieuwe maatregelen voor waterbeheer richten zich voornamelijk op natuurlijke processen in plaats van op specifieke habitat of soorten en er wordt rekening gehouden met kansen voor het vergroten van de waarde van de natuur.
Sinds 2016 mochten groepen boeren subsidies aanvragen op gebieden die veel potentieel hadden om de waarde van de natuur te vergroten. Deze subsidies vormen een aanvulling op Natuurnetwerk Nederland. Natuurnetwerk Nederland wordt beschermd door regelingen voor ruimtelijke ordening in provinciale regelgeving en is een nationale prioriteit in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In die visie wordt "bouwen met de natuur" genoemd als manier om binnen andere taken natuurwaarde te creëren. Nationale en lokale autoriteiten, bedrijven en non-gouvernementele organisaties (ngo's) werken door middel van Green Deals samen om de natuur op te nemen in de infrastructuur (snelwegen, spoorlijnen, waterwegen). Deze vormen van infrastructuur en ecologische barrières die worden gecreëerd door gebieden van zeer intensieve landbouw, zijn de grootste uitdagingen voor GI.
Watergerelateerde projecten en natuurherstel
Nederland blinkt uit in watergerelateerde projecten en natuurherstel (op voormalige landbouwgronden). Enkele voorbeelden hiervan zijn de Zandmotor en de Marker Wadden en de omzetting van 80 000 hectare landbouwgrond die is opgenomen in Natuurnetwerk Nederland. Het project Tijdelijke Natuur heeft ook een interessante aanpak, waarbij flora en fauna kunnen ontstaan op ongebruikte terreinen. Om te voorkomen dat projectontwikkelaars habitats die zijn ontstaan moeten compenseren als het bouwproject wordt uitgevoerd, maakt een Green Deal met de nationale overheid het mogelijk dat projectontwikkelaars een ontheffing krijgen van de Flora- en faunawet. Daarom is er geen reden om beschermde soorten van tijdelijk ongebruikte terreinen te weren. Op deze manier kan er op ongebruikte terreinen een tijdelijke habitat worden gecreëerd of ontstaan.
Het Nationaal Groenfonds financiert projecten die de kwaliteit van de natuurlijke omgeving verbeteren. Green Deals zijn een andere manier om duurzame projecten te stimuleren en soms te financieren. Verschillende projecten worden mede gefinancierd door de EU.
Nederland heeft een dynamisch strategisch kader ontwikkeld om op regionaal en nationaal niveau prioriteiten te stellen voor het herstel van ecosystemen. Dit kader bestaat uit vier lagen: 1) het prioritaire actiekader voor Natura 2000, 2) Natuurnetwerk Nederland, 3) de beleidsstrategie voor grote wateren en 4) kleinere nationale projecten. Dit kader wordt geregeld bijgewerkt.
Schatting van natuurlijk kapitaal
Met de EU-biodiversiteitsstrategie worden de lidstaten opgeroepen om de staat van ecosystemen en ecosysteemdiensten op hun nationale grondgebied tegen 2014 in kaart te brengen en te beoordelen
, de economische waarde van die diensten te bepalen en die waarden tegen 2020 op te nemen in de boekhoud- en rapportagesystemen op nationaal en EU-niveau.
Nederland heeft de Mapping and Assessment of Ecosystems and their Services (MAES) uitgevoerd via de Atlas Natuurlijk Kapitaal en de ontwikkeling van een systeem van nationale rekeningen voor natuurlijk kapitaal, waarmee het voortouw wordt genomen voor ecosysteemboekhouding.
Om de toepasbaarheid van de gegevens te verbeteren, heeft het CBS het Natuurlijk Kapitaal Model ontwikkeld op basis van nationale kaarten voor landgebruik en ecosystemen. Het model bestaat uit een reeks inputkaarten, een simulatietool en outputkaarten waarop de relatie tussen de ecosystemen en de diensten die deze leveren, wordt aangegeven en die overeenstemmen met het systeem van milieu-economische rekeningen van de Verenigde Naties (System of Environmental Economic Accounting, SEEA). De toepasbaarheid van de kaarten wordt op dit moment in verschillende pilotonderzoeken getest.
Het TEEB-project heeft een tool ontwikkeld die de geldwaarde van groen in de stad berekent. Meer dan twintig gemeenten, verschillende onderzoeksinstellingen en andere relevante partijen hebben de handen ineengeslagen om de bestaande tools voor besluitvorming over natuurlijke kapitaal te verbeteren en te integreren.
Wageningen Environmental Research is samen met het PBL, het RIVM en de Belgische organisaties INBO en VITO een project begonnen voor het maken van een tool om scenario's voor natuurlijk kapitaal te bedenken. Met dit instrument zouden autoriteiten, planbureaus, bedrijven en andere belanghebbenden de gevolgen van strategieën of beleid op het gebied van natuurlijk kapitaal en ecosysteemdiensten moeten kunnen inschatten. Het is de bedoeling dat het project verschillende actoren ook een aantal praktische tips voor natuurlijk kapitaal biedt.
Bedrijven, natuurorganisaties en overheden hebben een online platform, "Naturalcapital.community", opgezet om de toepassing van de beginselen voor natuurlijk kapitaal in het bedrijfsleven te vergroten.
De Natural Capital Community is onderdeel van het Maatschappelijk Programma Natuurlijk Kapitaal, een nationaal programma waarin werkgeversorganisatie VNO-NCW, MVO Nederland, IUCN NL en de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) met de overheid samenwerken om te zorgen voor meer natuurlijk kapitaal. Het biedt business-to-business oplossingen, inzichten, evenementen en bovenal een relevant zakelijk netwerk dat aan natuurlijk kapitaal in Nederland werkt. Het Leaders for Nature-netwerk brengt twintig multinationals en grote Nederlandse bedrijven bijeen om ecosystemen centraal te stellen in de besluitvorming.
In november 2016 en 2017 was Nederland mede-organisator van het eerste en tweede beleidsforum WAVES. WAVES (Wealth Accounting and the Valuation of Ecosystem Services) is een wereldwijd samenwerkingsverband onder leiding van de Wereldbank voor de bevordering van duurzame ontwikkeling door ervoor te zorgen dat natuurlijke hulpbronnen (waaronder ecosystemen en ecosysteemdiensten) worden opgenomen in ontwikkelingsplanning en nationale economische boekhoudingen. Nederland ondersteunt het programma met expertise van het CBS en het PBL.
Tijdens de laatste Esmeralda-workshop en de bijeenkomst van de werkgroep MAES in september 2018 in Brussel kwam naar voren dat Nederland een van de koplopers is wat betreft de uitvoering van MAES (figuur 10). Deze beoordeling door het Esmeralda-project werd gebaseerd op 27 vragen over de uitvoering en wordt elke zes maanden bijgewerkt.
|
Figuur 10: uitvoering van MAES (september 2018)
|
|
|
De Commissie moedigt Nederland aan om zijn ervaring met andere lidstaten te blijven delen.
Platformen voor bedrijven en biodiversiteit, netwerken en kennisgemeenschappen zijn essentieel voor het bevorderen en mogelijk maken van beoordelingen van natuurlijk kapitaal onder zakelijke en financiële dienstverleners, bijvoorbeeld door middel van het Natural Capital Protocol dat is ontworpen door de Natural Capital Coalition. Hiermee hebben bedrijven niet alleen meer inzicht in en een idee van de waarde van hun impact, maar ook van hun afhankelijkheid van de natuur en op deze wijze kunnen zij bijdrage aan de EU-biodiversiteitsstrategie. In sommige lidstaten zijn op EU-niveau groepen voor bedrijven en diversiteit opgezet.
Invasieve uitheemse soorten
Krachtens de EU-biodiversiteitsstrategie moet tegen 2020 het volgende zijn gerealiseerd:
i) invasieve uitheemse soorten in kaart brengen;
ii) prioritaire soorten in de hand houden of uitroeien; en
iii) introductieroutes beheren om te voorkomen dat nieuwe invasieve uitheemse soorten de Europese biodiversiteit verstoren.
Dit wordt ondersteund door de verordening betreffende invasieve uitheemse soorten (IUS-verordening) die op 1 januari 2015 van kracht is geworden.
Het verslag over de verdeling van de referentiesituatie (figuur 11), waarvoor Nederland uitsluitend zijn landengegevens kon beoordelen (voor het beoordelen van de gegevens van het netwerk was meer tijd nodig), laat zien dat van de 37 soorten op de eerste EU-lijst er 25 al zijn waargenomen, waaronder 20 gevestigde soorten en 15 aquatische soorten.
Het aantal gevestigde populaties is het op drie na hoogste in de EU, na Duitsland, Frankrijk en Italië. Het hoge aantal geregistreerde, voor de EU zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, met name gelet op de geringe oppervlakte van Nederland, hangt niet alleen samen met de ligging van het land als rivierdelta aan het eind van belangrijke Europese rivieren en de intensieve economische en vervoersactiviteiten, maar ook op de uitvoerige toezichtverrichtingen. Het land heeft te maken met een grote invasiedruk van de wasbeer (Procyon lotor), die uit Duitsland komt.
Tussen de inwerkingtreding van de EU-lijst en 18 mei 2018 heeft Nederland twee kennisgevingen van vroegtijdige detectie ingediend, zoals vereist krachtens artikel 16, lid 2, van de IUS-verordening: een voor de Aziatische hoornaar (Vespa velutina) en een voor de wasbeer (Procyon lotor). De Aziatische hoornaar is uitgeroeid en er worden maatregelen getroffen om wasberen uit te roeien. De Pallas' eekhoorn (Callosciurus erythraeus) en de huiskraai (Corvus splendens) zijn ook uitgeroeid.
Omdat de Chinese muntjak (Muntiacus reevesi) nog in een vroeg stadium van invasie is en Nederland een van de weinige lidstaten met een lokale populatie van deze soort is, wordt aangeraden om te proberen deze uit te roeien.
|
Figuur 11: aantal voor de EU zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, op basis van beschikbare informatie met geografische componenten
|
|
|
Nederland heeft de Commissie in kennis gesteld van zijn bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de verordening betreffende invasieve uitheemse soorten, zoals vereist in artikel 24, lid 2, van de IUS-verordening.
Zoals vereist in artikel 30, lid 4, van de IUS-verordening, heeft het de Commissie in kennis gesteld van de nationale bepalingen betreffende sancties die van toepassing zijn bij inbreuken en daarmee is voldaan aan de kennisgevingverplichtingen.
Bodembescherming
De thematische EU-strategie voor bodembescherming onderstreept de noodzaak om een duurzaam bodemgebruik te garanderen. Dit houdt in dat verdere bodemaantasting wordt voorkomen, dat de functies van de bodem worden beschermd en dat aangetaste bodems worden hersteld. In het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa uit 2011 staat dat in de EU-beleidsmaatregelen tegen 2020 rekening moet worden gehouden met het rechtstreekse en onrechtstreekse effect ervan op het gebruik van grond.
De bodem is een eindige en uiterst kwetsbare hulpbron, waarvan de kwaliteit in de EU hoe langer hoe meer achteruitgaat.
Het percentage kunstmatige bodembedekking in een land (figuur 12) kan worden gezien als een maatstaf van de relatieve druk op natuur en biodiversiteit en de druk van het milieu op mensen die in stedelijke gebieden wonen. De bevolkingsdichtheid is een vergelijkbare maatstaf.
|
Figuur 12: aandeel kunstmatige bodembedekking, 2015.
|
|
|
Nederland stond volgens de gegevens van Eurostat uit 2015 met 12,1 % kunstmatige bodembedekking op de tweede plaats in de EU. De bevolkingsdichtheid van het land bedroeg 498/km2 (Eurostat 2016), de tweede plaats in de EU en meer dan viermaal het EU-gemiddelde van 118
. Dit hangt samen met bijvoorbeeld uitdagingen op het gebied van luchtkwaliteit in stedelijke gebieden.
Verontreiniging kan de bodemkwaliteit ernstig verlagen en een bedreiging vormen voor de volksgezondheid en het milieu. In een recent verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC)
werd geschat dat er op ongeveer 2,8 miljoen locaties in de EU mogelijk verontreinigende activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden. 650 000 van deze locatie zijn opgenomen in nationale of regionale registers en 65 500 verontreinigde locaties zijn al gesaneerd. Nederland heeft 1 455 locaties geregistreerd waar mogelijk verontreinigende activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden, en heeft al 176 locaties gesaneerd of maatregelen voor nazorg getroffen.
Organisch materiaal in de bodem speelt ook een belangrijke rol voor de koolstofcyclus en bij klimaatverandering. De bodem vormt na de oceanen de grootste koolstofput ter wereld.
Bodemerosie door water is een natuurlijk proces dat kan worden verergerd door klimaatverandering en menselijke activiteit, zoals ongeschikte landbouwpraktijken, ontbossing, bosbranden of bouwwerkzaamheden. Een hoge mate van bodemerosie kan de productiviteit van de landbouw verlagen en een negatieve en grensoverschrijdende invloed hebben op de biodiversiteit en ecosysteemdiensten en op rivieren en meren (meer sedimenten, verplaatsing van verontreinigde stoffen). Volgens het RUSLE2015-model heeft Nederland een gemiddeld percentage bodemverlies door water van 0,27 ton per hectare per jaar (t ha−a yr−y), wat laag is in vergelijking met het Europese gemiddelde van 2,46 t ha−a yr−y. Het is van belang om op te merken dat deze cijfers uit een model op EU-niveau komen en niet moeten worden beschouwd als waarden die ter plaatse zijn gemeten. Het daadwerkelijke percentage bodemverlies kan binnen de lidstaten afhankelijk van lokale omstandigheden sterk variëren.
Nederland heeft kortom te maken met druk als gevolg van de hoge bevolkingsdichtheid, hoewel de situatie beter wordt dankzij saneringsactiviteiten en de gemiddeld lage mate van erosie.
Mariene bescherming
Het beleid en de wetgeving van de EU inzake kust- en mariene gebieden schrijven voor dat de impact van de druk op de mariene wateren tegen 2020 voldoende gereduceerd moet zijn om een goede milieutoestand te bereiken of in stand te houden en ervoor te zorgen dat de kustgebieden duurzaam worden beheerd.
De kaderrichtlijn mariene strategie (KRMS) heeft tot doel om tegen 2020 een goede milieutoestand van de mariene wateren van de EU te bereiken. Daartoe moeten de lidstaten een mariene strategie voor hun eigen mariene wateren ontwikkelen en samenwerken met de EU-lidstaten in dezelfde mariene regio of subregio.
Het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (het "Ospar-verdrag") is voor Nederland belangrijk om de doelen van de richtlijn te behalen. De mariene strategieën van Nederland bevatten verschillende stappen die in cycli van zes jaar worden ondernomen. Elke lidstaat moest voor 31 maart 2016 een programma van maatregelen opzetten en hier verslag van uitbrengen. De Commissie heeft beoordeeld of de Nederlandse maatregelen geschikt waren voor het behalen van een goede milieutoestand.
De lidstaten zijn nu begonnen met de uitvoering van de tweede cyclus van de kaderrichtlijn mariene strategie. In november 2018 hadden alleen Nederland en België hun verslagen ingediend, maar het is mogelijk dat op de publicatiedatum van dit verslag meer lidstaten dit hebben gedaan. Nederland heeft op 15 oktober 2018 geactualiseerde beoordelingen, de vaststelling van een goede milieutoestand en doelen ingediend.
In het Nederlandse programma van maatregelen komen de relevantste belastende factoren en doelen voor de meeste aspecten van het mariene milieu aan de orde. De maatregelen voor vis zijn bijvoorbeeld gericht op sterfte en opbouw qua leeftijd en omvang en deze houden nauw verband met de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Nederland onderneemt ook actie om teruggooi te verminderen en om uitgeputte bestanden van kwetsbare vissoorten te herstellen (bv. haaien en roggen). Dit komt overeen met de belastende factoren, doelen en definities van een goede milieutoestand van Nederland.
Een ander voorbeeld zijn de Nederlandse maatregelen om om te gaan met de belastende factoren van de introductie van niet-inheemse soorten: aquacultuur en scheepvaart (waaronder ballastwater en aangroei aan de romp). De maatregelen zijn erop gericht om te voorkomen dat de relatieve dichtheid van niet-inheemse soorten stijgt door het verbeterde beheer van risicovolle routes en vectoren voor scheepvaart en aquacultuur.
In verschillende gevallen is Nederland er niet zeker van of de goede milieutoestand in 2020 wordt behaald. In sommige gevallen meldt het dat de goede milieutoestand "binnen handbereik" is, maar geeft het niet duidelijk aan of deze wordt behaald. In andere gevallen meldt het land dat het niet weet wanneer de goede milieutoestand wordt behaald. Over het geheel genomen is het Nederlandse programma van maatregelen deels geschikt om aan de voorschriften van de KRMS te voldoen.
Prioritaire acties voor 2019
·Doelen voor de goede milieutoestand stellen als deze er nog niet zijn.
·Deadlines vaststellen voor het behalen van de goede milieutoestand als deze nog niet gemeld zijn.
·Meer informatie verstrekken over de maatregelen voor de bescherming van het mariene milieu, meer maatregelen treffen die de relevante belastende factoren direct beïnvloeden en aangeven hoeveel de belasting naar verwachting wordt verlaagd als gevolg van deze maatregelen.
3.Zorg voor de gezondheid en de levenskwaliteit van burgers
Luchtkwaliteit
Volgens het beleid en de wetgeving van de EU inzake schone lucht moet de luchtkwaliteit in de EU aanzienlijk worden verbeterd en de door de Wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen niveaus dichter benaderen. De luchtvervuiling en het effect ervan op de volksgezondheid, ecosystemen en biodiversiteit moeten verder worden verminderd, met als langetermijndoelstelling om kritische belastingen en niveaus niet te overschrijden. Dit vereist dat de inspanningen om tot een volledige naleving van de EU-luchtkwaliteitswetgeving te komen, worden opgevoerd en dat er strategische doelstellingen en acties voor na 2020 worden vastgesteld.
De EU heeft uitgebreide wetgeving inzake luchtkwaliteit ontwikkeld, waarin gezondheidsgebaseerde normen en doelstellingen voor een aantal luchtverontreinigende stoffen zijn vastgesteld. Volgens de Europese Rekenkamer hebben de EU-maatregelen ter bescherming van de menselijke gezondheid tegen luchtverontreiniging echter niet de verwachte impact.
De uitstoot van een aantal luchtverontreinigende stoffen is aanzienlijk afgenomen. De in de vorige EIR's genoemde emissiereducties tussen 19902014 werden in 20142016 voortgezet: de uitstoot van stikstofoxiden (NOx) nam af met 5,72 %, die van vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS) met 7,37 %, die van fijnstof (PM2,5) met 7,67 % en die van zwaveloxiden (SOx) met 6,53 % (zie ook figuur 13 betreffende de totale emissie van PM2,5 en NOx per sector). Intussen is de emissie van ammoniak (NH3) uit landbouwpraktijken met 1,87 % toegenomen.
Ondanks deze emissiereducties moet er meer worden gedaan om te voldoen aan de verbintenissen (in vergelijking met de emissieniveaus uit 2005) die zijn vastgelegd in de nieuwe richtlijn nationale emissieplafonds voor 2020 tot 2029 en voor elk jaar vanaf 2030.
Tegelijkertijd is de luchtkwaliteit in Nederland nog steeds zorgwekkend. In 2015 waren volgens het Europees Milieuagentschap naar schatting 9 800 voortijdige sterfgevallen te wijten aan fijnstofconcentraties, nog eens 290 aan ozonconcentraties en meer dan 1 900 aan stikstofdioxide,.
|
Figuur 13: PM2,5- en NOx-uitstoot per sector in Nederland
|
|
|
Voor 2017 werden de EU-luchtkwaliteitsnormen voor stikstofdioxide overschreden in twee luchtkwaliteitszones: Amsterdam en Rotterdam. Er waren in Nederland geen overschrijdingen voor PM2,5 en PM10. Zie figuur 14 betreffende het aantal luchtkwaliteitszones waar de plafonds voor NO2, PM2,5 en PM10 werden overschreden.
|
Figuur 14: luchtkwaliteitszones waar in 2017 de EU-luchtkwaliteitsnormen werden overschreden
|
|
|
Tijdens de EIR-dialoog in Den Haag heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu de belangrijkste tendensen op het gebied van luchtkwaliteit gepresenteerd. De overschrijdingen van de bindende grenswaarden voor PM10 en NO2 zijn de afgelopen jaren gedaald, maar is nog altijd reden tot zorg. De meeste uitstoot is afkomstig uit vervoer en landbouw.
De coalitieregering heeft besloten om te streven naar het behalen van de doelen voor luchtvervuiling van de WHO (die aanzienlijk moeilijker te behalen zijn dan de bindende grenswaarden van de EU). De Gezondheidsraad heeft ook aanbevolen om bepaalde emissies te verlagen, waaronder de uitstoot door houtstook en andere lokale bronnen. In het document "Gezondheidswinst door schonere lucht" geeft de Gezondheidsraad aan dat er internationaal meer afspraken nodig zijn, vooral gericht op de emissies van de industrie en elektriciteitscentrales. Internationaal beleid is belangrijk om de emissies van fijnstof en vooral ammoniak vanuit de landbouw terug te dringen. Het programma "Slimme en Gezonde Stad" (20152018) is een van de Nederlandse initiatieven en probeert de lokale politiek ertoe te bewegen om de luchtvervuiling tot onder de wettelijke grenswaarden te brengen.
De nationale strategie inzake luchtkwaliteit zal naar verwachting helpen bij het aanpakken van deze uitdagingen. Voor het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) voor lokale en regionale autoriteiten was 1,5 miljard EUR beschikbaar. Volgend op een uitspraak van een Nederlandse rechter op 7 september 2017 moest het NSL echter worden aangepast, zodat het kon fungeren als luchtkwaliteitsplan, zoals is vereist in artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2008/50/EG. De nieuwe maatregelen hebben onder andere betrekking op lage-emissiezones, elektrische voertuigen, mobiele machines en veehouderij. De regering heeft het aangepaste plan op 28 september 2018 bijgewerkt en aangevuld en naar het parlement gestuurd. De doeltreffendheid wordt in de toekomst gevolgd en beoordeeld om vast te stellen of er aanvullende maatregelen nodig zijn.
Hoewel de uitstoot van bepaalde luchtverontreinigende stoffen is gedaald, zijn er aanvullende inspanningen nodig om aan de verbintenissen voor 2020 tot 2029 te voldoen. De emissie van ammoniak is tussen 2014 en 2016 toegenomen.
Prioritaire acties voor 2019
·In het kader van het Nationaal programma ter beheersing van de luchtverontreiniging maatregelen treffen voor het verlagen van de belangrijkste emissiebronnen.
·De reductie van stikstofoxide-emissies (NOx) en stikstofdioxideconcentraties (NO2) versnellen door onder andere de vervoersuitstoot te verminderen – vooral in stedelijke gebieden kunnen proportionele en gerichte beperkingen van de toegang van voertuigen vereist zijn – of door gebruik te maken van belastingprikkels.
Industriële emissies
De belangrijkste doelstellingen van het EU-beleid betreffende industriële emissies zijn:
i) lucht, water en bodem beschermen;
ii) afval voorkomen en beheren;
iii) de energie- en hulpbronnenefficiëntie verbeteren; en
iv) verontreinigende locaties saneren.
De EU hanteert hiervoor een geïntegreerde benadering inzake preventie en beheersing van routinematige en accidentele industriële emissies. De hoeksteen van dit beleid is de richtlijn industriële emissies.
Het overzicht van industriële activiteiten waarop de richtlijn inzake industriële emissies van toepassing is, is gebaseerd op het project voor landenprofielen voor beleid voor industriële emissies.
In Nederland moeten circa 3 500 industriële installaties een vergunning op basis van de richtlijn inzake industriële emissies hebben. De sectoren die in 2015 de meeste installaties hadden voor in de richtlijn inzake industriële emissies opgenomen activiteiten, waren de intensieve pluimvee- en varkenshouderij (62 %) en afvalbeheer voor gevaarlijke (13 %) en ongevaarlijke afvalstoffen (7 %).
In figuur 16 is weergegeven welke sectoren de grootste belasting voor het milieu zijn in de vorm van luchtemissies.
"Overige activiteiten", metaalproductie, chemische stoffen, elektriciteit/raffinaderijen en afvalbeheer waren een aanzienlijke belasting voor het milieu in de vorm van emissies in water. "Overige activiteiten" en afvalbeheer leverden een aanzienlijke bijdrage aan de productie van ongevaarlijke afvalstoffen, terwijl afvalbeheer, chemische stoffen en metaalproductie een aanzienlijke bijdrage leverden aan de productie van gevaarlijke afvalstoffen.
|
Figuur 15: aantal aan de richtlijn inzake industriële emissies onderworpen installaties per sector, Nederland (2015)
|
|
|
De EU-aanpak voor handhaving krachtens de richtlijn inzake industriële emissies heeft burgers sterke rechten gegeven op toegang tot relevante informatie en op deelname aan de vergunningsprocedure. Hierdoor kunnen burgers en ngo's ervoor zorgen dat vergunningen naar behoren worden toegekend en dat de voorwaarden ervan worden nageleefd.
|
Figuur 16: luchtemissies uit de aan de richtlijn inzake industriële emissies onderworpen sectoren en alle andere nationale luchtemissies, Nederland (2015)
|
|
|
Dankzij de ontwikkeling van referentiedocumenten voor de beste beschikbare technieken (BBT) en BBT-conclusies door de uitwisseling van informatie tussen betrokken lidstaten, brancheorganisaties, ngo's en de Commissie, is er een goede samenwerking met belanghebbenden en kan de richtlijn inzake industriële emissies beter worden uitgevoerd.
De Commissie verlaat zich op en is blij met de inspanningen van nationale bevoegde autoriteiten voor de invoering van de wettelijk bindende BBT-conclusies en de daarmee geassocieerde BBT-emissieniveaus in milieuvergunningen, waardoor een aanzienlijke en aanhoudende vermindering van vervuiling wordt bewerkstelligd.
De invoering van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus voor grote stookinstallaties die onlangs zijn vastgesteld, verlaagt de emissies van zwaveldioxide met 25 % tot 81 %, stikstofoxide met 8 % tot 56 %, stof met 31 % tot 78 % en kwik met 19 % tot 71 %. Dit is de gemiddelde verlaging op EU-niveau, die afhankelijk is van de situatie van individuele fabrieken.
Een specifiek kenmerk van het Nederlandse beleid is het nauwe verband tussen de wetgeving voor chemische stoffen en de industriële emissies, dat in de nationale wetgeving is opgenomen. Er gelden relatief strikte emissieregels voor chemische stoffen die voldoen aan de criteria voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), zoals de noodzaak om de uitstoot te beperken en om onderzoek te doen naar verlagingsopties. Er is een nationale lijst voor zeer zorgwekkende stoffen met ongeveer 1 500 stoffen die voldoen aan de criteria. Er is onlangs een lijst met potentiële ZZS toegevoegd als hulpmiddel bij de vergunningsprocedure.
De bevoegde autoriteit heeft vervuiling uit de intensieve varkens- en pluimveehouderij aangemerkt als het grootste probleem voor de sectoren die onder de richtlijn inzake industriële emissies vallen.
Prioritaire acties voor 2019
·Vergunningen herzien, zodat deze voldoen aan de nieuw aangenomen BBT-conclusies.
·Controle en handhaving versterken voor naleving van de BBT-conclusies.
·Vervuiling (bv. stof) uit bepaalde activiteiten aanpakken en maatregelen treffen om de rapportage uit hoofde van de richtlijn inzake industriële emissies en het EPRTR te verbeteren, voornamelijk voor activiteiten in de intensieve varkens- en pluimveehouderij.
Geluid
De richtlijn omgevingslawaai voorziet in een gemeenschappelijke aanpak om de schadelijke effecten als gevolg van blootstelling aan omgevingslawaai te vermijden, te voorkomen en te verminderen.
Geluidsoverlast van vliegtuigen, spoorwegen en wegen is een van de belangrijkste oorzaken van gezondheidsproblemen door toedoen van het milieu in de EU
.
Op basis van beperkte gegevens veroorzaakt omgevingslawaai in Nederland ten minste circa 200 voortijdige sterfgevallen en 1 400 ziekenhuisopnamen per jaar en hebben circa 390 000 mensen te maken met verstoorde slaap. De geluidsbelastingskaarten voor de vorige rapportageronde voor het referentiejaar 2011 zijn voltooid. De actieplannen voor referentiejaar 2013 zijn voltooid. Deze instrumenten zijn aangenomen na een openbare raadpleging en zouden ook maatregelen moeten omvatten om het geluidsniveau laag te houden of te beperken.
Waterkwaliteit en -beheer
De wetgeving en het beleid van de Europese Unie moeten ervoor zorgen dat de impact van de druk op overgangs-, kust- en zoete wateren (met inbegrip van oppervlakte- en grondwaterlichamen) sterk wordt verminderd. Door waterlichamen in goede toestand te brengen en te houden of hun toestand te verbeteren, zoals gedefinieerd door de kaderrichtlijn water (KRW), zullen de EU-burgers profiteren van veilig drink- en zwemwater van hoge kwaliteit. Dit zal er verder voor zorgen dat de nutriëntenkringloop (stikstof en fosfor) duurzamer en hulpbronnenefficiënter wordt beheerd.
De bestaande EU-waterwetgeving
zorgt voor een beschermend kader ter garantie van hoge normen voor alle waterlichamen in de EU en pakt specifieke bronnen van verontreiniging aan (bijvoorbeeld landbouw, stedelijke gebieden en industriële activiteiten). Zij vereist ook dat de verwachte gevolgen van klimaatverandering worden opgenomen in de overeenkomstige planningsinstrumenten, bv. overstromingsrisicobeheerplannen en stroomgebiedsbeheersplannen, met daarin het programma van maatregelen die de lidstaten willen treffen om de milieudoelstellingen te behalen.
Kaderrichtlijn water
Nederland heeft zijn tweede generatie stroomgebiedsbeheersplannen (SGBP's) krachtens de KRW vastgesteld en tijdig gerapporteerd. De Europese Commissie heeft de toestand van de Nederlandse wateren en de belangrijkste ontwikkeling sinds de vaststelling van de eerste SGBP's beoordeeld, met inbegrip van de voortgang van de in de EIR 2017 voorgestelde maatregelen.
De grootste belasting van Nederlandse oppervlaktewaterlichamen is afkomstig van diffuse agrarische bronnen (78 % van de aangetaste oppervlaktewaterlichamen), gevolgd door belasting door dammen, barrières en sluizen (61 %). Voor grondwaterlichamen is de grootste belasting afkomstig van puntbronnen (57 % van het aangetaste water), gevolgd door diffuse verontreiniging uit de landbouw (52 %).
Verontreiniging door nutriënten had de grootste invloed op oppervlaktewatercategorieën (65 % van de aangetaste oppervlaktewaterlichamen), gevolgd door veranderde habitats door toedoen van morfologische veranderingen (75 %), veranderde habitat door toedoen van hydrologische veranderingen (68 %), chemische verontreiniging (50 %) en organische verontreiniging (48 %). Voor grondwaterlichamen hadden verontreiniging door nutriënten en organische verontreiniging de meeste invloed, met elk 61 % van de aangetaste grondwaterlichamen.
Er was in totaal een lichte stijging van het aantal locaties voor operationele en/of toestand- en trendmonitoring van de ecologische toestand van oppervlaktewaterlichamen in het land. Er was voor beide SGBP's echter een aanzienlijke daling van het aantal locaties voor toestand- en trendmonitoring van alle vier de watercategorieën in Nederland.
|
Figuur 17: ecologische toestand of ecologisch potentieel van oppervlaktewaterlichamen in Nederland
|
|
|
Ondanks het doel van het eerste SGBP om in 2015 voor 9 tot 13 % van de kunstmatige en sterk gewijzigde waterlichamen en voor 28 % van de natuurlijke wateren een goede ecologische toestand/potentieel te bereiken, zijn er slechts twee waterlichamen met een goede of betere ecologische toestand/potentieel. Het bereiken van de goede toestand is voor de meeste waterlichamen nu uitgesteld tot 2027 De ecologische toestand/het potentieel is weergegeven in figuur 17. Dit laat zien dat Nederland nog een lange weg te gaan heeft voor het bereiken van de goede toestand/potentieel uit de KRW.
De meeste oppervlaktewaterlichamen hebben geen goede chemische toestand (52 %); 39 % heeft een goede toestand en 9 % een onbekende toestand. Alle grondwaterlichamen (100 %) verkeren in goede kwantitatieve toestand en 87 % in goede chemische toestand.
De voornoemde belastingen moeten met essentiële soorten maatregelen worden aangepakt. Het eerste maatregelenprogramma is al uitgevoerd en er lijkt flinke vooruitgang te zijn geboekt bij het koppelen van de maatregelen aan belastingen en bij het identificeren van hiaten in de analyses en in elk geval van de kwalitatieve informatie van de maatregelen om deze aan te pakken; en financiële toezeggingen voor de uitvoering van het programma; Het is echter niet duidelijk of het maatregelenprogramma toereikend is om de doelstellingen van de KRW te behalen, omdat wordt verwacht dat grote belastingen voor een groot aantal oppervlaktewaterlichamen in 2027 niet volledig zijn aangepakt.
Drinkwaterrichtlijn
Met betrekking tot drinkwater zijn er sinds de laatste EIR geen nieuwe gegevens beschikbaar. Het is echter duidelijk dat Nederland het altijd zeer goed doet wat betreft de naleving van voorschriften inzake drinkwaterkwaliteit en inzake de behandeling van stedelijk afvalwater. Er zijn dus geen bijzondere problemen wat de uitvoering betreft. 100 % van het afvalwater wordt opgevangen en ondergaat een ingrijpende behandeling De investeringen blijven naar verwachting stabiel.
Zwemwaterrichtlijn
Figuur 18 laat zien dat in 2017 73,4 % van de 719 Nederlandse zwemwateren van uitstekende kwaliteit waren, 17 % van goede kwaliteit en 4,6 % van aanvaardbare kwaliteit (respectievelijk 74,8 %, 16,2 % en 3,8 % in 2016). In 2017 waren 20 zwemwateren van slechte kwaliteit. Er is gedetailleerde informatie over Nederlandse zwemwateren beschikbaar in een nationale portal en via een interactieve kaart van het Europees Milieuagentschap.
Richtlijn behandeling stedelijk afvalwater
In Nederland is het nalevingsniveau van de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater uitstekend. 100 % van het afvalwater wordt opgevangen en ondergaat een ingrijpender zuivering De investeringen blijven naar verwachting stabiel. Er zijn investeringen nodig voor vernieuwde infrastructuur en/of onderhoud en het lijkt erop dat Nederland deze op zich heeft genomen.
|
Figuur 18: zwemwaterkwaliteit 2014-2017
|
|
|
Nitraatrichtlijn
De waterkwaliteit blijft een punt van grote zorg als gevolg van de vervuiling door nitraten (resulterend uit mest afkomstig van de intensieve veeteelt en melkveehouderij). Bovendien is eutrofiëring wijdverspreid. Nederland heeft een actieprogramma voor de uitvoering van de nitraatrichtlijn in het hele land. Er is het land een afwijking met betrekking tot stikstof uit dierlijke mest toegestaan in verband met het actieprogramma, op basis van wetenschappelijk bewijs en mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (zo mag de fosfaatproductie het niveau van 2002 (172,9 miljoen kg) niet overschrijden en moet er beter worden gehandhaafd om te garanderen dat het mestbeleid naar behoren wordt uitgevoerd).
De aanzienlijke intensivering van de veehouderij als gevolg van het einde van de melkquotaregeling heeft tot een sterke groei van de rundveesector geleid, wat het beheer van nutriënten in het land extra bemoeilijkt. Als gevolg van deze groei hebben de fosfaatconcentraties de bovenvermelde grenzen tussen 2015 en 2017 overschreden, wat tot extra bezorgdheid over het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen heeft geleid en de Commissie ertoe heeft aangezet om een onderzoek te openen.
De Commissie volgt nauwgezet hoe de uitvoering van zowel de nitraatrichtlijn als de kaderrichtlijn water ertoe zal bijdragen dat Nederland de vastgestelde waterkwaliteitsdoelstellingen haalt.
Overstromingsrichtlijn
Overstromingsrisico's zijn al eeuwenlang onlosmakelijk verbonden met de Nederlandse samenleving. Meer dan 60 % van het Nederlandse grondgebied is kwetsbaar voor overstromingen en 75 % van de bevolking leeft mogelijk in deze gebieden. Daarom heeft Nederland nieuwe normen geïntroduceerd als antwoord op de nieuwe uitdagingen die samenhangen met klimaatverandering, stedelijke ontwikkeling en economische groei.
Het Deltaprogramma en andere publieke initiatieven hebben bijgedragen aan de bescherming tegen overstromingen in het land, maar door toedoen van de klimaatverandering zullen de risico's naar verwachting toenemen. Als er geen maatregelen worden getroffen en de zeespiegel in 2040 24 tot 60 cm en in 2100 150 cm hoger ligt dan vandaag, wordt de potentiële schade geschat op 400 tot 800 miljard EUR tegen 2040 en 3 700 miljard EUR tegen 2100.
Door de overstromingsrichtlijn biedt een kader voor de beoordeling en het beheer van overstromingsrisico's, teneinde de negatieve gevolgen van grote overstromingen te beperken. Nederland heeft zijn eerste overstromingsrisicobeheerplannen (ORBP's) krachtens de richtlijn tijdig gerapporteerd en de Commissie heeft haar beoordeling uitgevoerd.
Uit de beoordeling van de Commissie bleek dat er goede inspanningen zijn verricht en positieve resultaten zijn behaald bij het stellen van doelen en het bedenken van maatregelen gericht op preventie, bescherming en paraatheid. Uit de beoordeling bleek dat de Nederlandse ORBP's, net als die van andere lidstaten, maatregelen bevatten die duidelijker moeten worden geprioriteerd en moeten worden gekoppeld aan de gestelde doelen en een zo volledig mogelijke schatting van de kosten. Er is ook ruimte voor het versterken van de inspraak en de actieve betrokkenheid van belanghebbenden bij de ORBP's.
De EIB ondersteunt werken ter bescherming tegen overstromingen, voornamelijk voor de renovatie en modernisering van de Afsluitdijk. In 2022 zal er meer dan 330 miljoen EUR van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) aan dit project zijn toegekend.
Internationale samenwerking tussen Nederland, België, Frankrijk en Duitsland is belangrijk om internationale stroomgebieden zoals de Schelde te beschermen tegen overstromingen. Het Hedwige-Prosperpolderproject is een goed voorbeeld van samenwerking tussen België en Nederland, waarin het gebied wordt overgelaten aan de natuur en overstromingen worden voorkomen. Dit soort initiatieven wordt toegejuicht en kan nuttig zijn bij het grensoverschrijdende aspect van bepaalde kwesties.
Prioritaire acties voor 2019
·Waarborgen dat er maatregelen worden getroffen om de beoordeling van de doeltreffendheid van de bestaande landbouwmaatregelen te voltooien en aangeven welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de doelstellingen van de kaderrichtlijn water en de nitraatrichtlijn te behalen.
·Waarborgen dat, voor chemische verontreiniging afkomstig van niet-agrarische bronnen, het maatregelenprogramma wordt gebaseerd op een betrouwbare beoordeling van de ecologische belasting.
·Stappen zetten om de inspraak van het publiek en de actieve betrokkenheid van belanghebbenden bij het overstromingsrisicobeheerplan te verbeteren.
Chemische stoffen
De EU streeft ernaar dat chemische stoffen tegen 2020 zo worden geproduceerd en gebruikt dat de negatieve gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu tot een minimum worden beperkt. Er wordt een EU-strategie voor een niet-toxisch milieu ontworpen die innovatie begunstigt en duurzame substituten ontwikkelt met niet-chemische opties.
De EU-wetgeving betreffende chemische stoffen voorziet in de referentiebescherming voor de volksgezondheid en het milieu. Deze zorgt ook voor stabiliteit en voorspelbaarheid voor ondernemingen die actief zijn op de interne markt.
Uit het verslag van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) over de werking van Reach en CLP
bleek dat de handhavingsactiviteiten zich nog steeds ontwikkelen. Gecoördineerde projecten van het Forum voor de uitwisseling van handhavingsinformatie
lieten zien dat de effectiviteit van handhavingsactiviteiten nog altijd kan worden verbeterd, voornamelijk wat betreft registratieverplichtingen en veiligheidsinformatiebladen waarvoor een relatief hoge niet-naleving is geconstateerd.
Hoewel er vorderingen worden geboekt, is er ook ruimte om de nationale handhavingsactiviteiten te verbeteren wat betreft de harmonisering in de Unie, met inbegrip van de controle van ingevoerde goederen. Het is tevens duidelijk dat de handhaving in sommige lidstaten nog steeds zwak is, voornamelijk wat betreft de controle van ingevoerde goederen en verplichtingen in de toeleveringsketen. De architectuur van de handhavingscapaciteiten blijft in de meeste EU-landen complex. De handhavingsprojecten hebben ook verschillen tussen de lidstaten aan het licht gebracht (sommige lidstaten zijn bijvoorbeeld geneigd systematisch een hogere naleving te rapporteren dan het EU-gemiddelde en andere een lagere).
In een studie van de Commissie uit 2015 werd al benadrukt dat de harmonisatie bij de uitvoering van Reach op het gebied van markttoezicht en handhaving door de lidstaten essentieel was voor de werking van een geharmoniseerde eengemaakte markt
.
In maart 2018 publiceerde de Commissie een evaluatie van de Reach-verordening. Daarin werd geconcludeerd dat de Reach-doelstellingen worden gehaald, maar dat de vooruitgang trager wordt geboekt dan verwacht. Bovendien zijn de registratiedossiers vaak onvolledig. In de evaluatie wordt benadrukt dat alle actoren de handhaving moeten versterken, inclusief registranten, downstreamgebruikers en importeurs, om gelijke kansen te garanderen, de doelstellingen van Reach te verwezenlijken en consistentie te waarborgen met de maatregelen die zijn voorzien ter verbetering van de naleving van de milieuwetgeving en milieugovernance. Consistente rapportage van de handhavingsactiviteiten van de lidstaten werd in dit opzicht als een belangrijk aspect beschouwd.
Meer dan 400 chemische topbedrijven uit de hele toeleveringsketen zijn in Nederland gevestigd en 19 van de 25 chemische topbedrijven van de wereld voeren hier een groot deel van hun activiteiten uit. Volgens de Netherlands Foreign Investment Agency is de export van chemische stoffen goed voor 17 % van de totale Nederlandse export, in absolute aantallen de vijfde plaats op de wereldranglijst.
De handhaving van Reach, CLP en de verordeningen betreffende biociden is in Nederland gebaseerd op de samenwerking tussen verschillende inspecties. Dit zijn de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De ILT, NVWA en SZW hebben een Regiepunt Handhaving Reach en CLP dat verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van Reach en CLP. Het Regiepunt bestaat uit een Stuurgroep Handhaving Reach en CLP en een Samenwerkingsverband Handhaving Reach en CLP.
Voor het overtreden van Reach en CLP kunnen boetes worden opgelegd en er vinden regelmatig controles en inspecties van CLP plaats. Er is een nationale helpdesk om snel en effectief antwoord te krijgen op vragen over Reach.
Nederland speelt dankzij zijn deelname aan het Stappenplan voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) een actieve rol in Reach/CLP. Dit omvat onder andere het indienen van dossiers voor specifieke stoffen voor verschillende regelgevingsacties (beperking, ZZS, stoffenbeoordeling, geharmoniseerde indeling enz.) en het reageren op dergelijke dossiers van andere lidstaten.
Het land probeert de Reach-vervanging van bepaalde ZZS door biogebaseerde alternatieven te stimuleren. Nadat Wageningen University & Research een shortlist had opgesteld van biogebaseerde alternatieven voor ZZS, is het begonnen met de ontwikkeling van alternatieven voor polaire aprotische oplosmiddelen. Met deze aanpak probeert te overheid nieuwe kansen te creëren uit Reach en aan te zetten tot initiatieven voor vervanging.
Op 28 maart 2018 organiseerde het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een workshop over de National Safe Chemicals Innovation Agenda (SCIA), een initiatief voor de bevordering van veilige materialen en producten ter vervanging van gevaarlijke chemische stoffen. Deze onderzoeksagenda is bedoeld als richtsnoer voor O&O-beleid op het niveau van de EU en de lidstaten. De SCIA is gericht op drie met elkaar verbonden punten: ten eerste de essentiële functies van veelgebruikte chemische stoffen; ten tweede gevaarlijke chemische stoffen die als moeilijk te vervangen worden beschouwd; en ten derde het potentieel voor nieuwe marktniches en/of concurrentievoordeel voor Europese bedrijven op de lange termijn.
In het plan voor de circulaire economie worden de kansen voor nieuwe investeringen en werkgelegenheid die geavanceerde brandstoffen, biogebaseerde chemische stoffen en materialen opleveren ook erkend.
Het ECHA heeft het initiatief genomen om EU-brede dialogen met alle partijen in de productie-en toeleveringsketen te houden. Op 5 oktober 2018 hebben Nederland en het ECHA samen in Rotterdam een dialoog met de toeleveringsketen georganiseerd met als onderwerp aangroeiwerende producten om te bespreken hoe innovatieve alternatieven voor conventionele verf met zware metalen kunnen worden gestimuleerd. Het gesprek ging onder andere over de gevolgen voor de gezondheid en het milieu, de compromissen van alternatieve aangroeiwerende toepassingen/biociden en de uitdagingen van de huidige markt, behoeften, mogelijkheden en vervolgstappen.
Nederland is betrokken bij Reach-comités en verschillende chemische EU-netwerken, zoals HBM4EU (EU-project voor humane biomonitoring) en R4R (Europese chemische regio's voor hulpbronnenefficiëntie), waarin instellingen, de industrie en regio's uit vijf landen samenkomen.
Steden duurzamer maken
Uit hoofde van het EU-beleid inzake het stadsmilieu worden steden aangemoedigd beleid vast te stellen voor duurzame stadsplanning. Hieronder moeten innovatieve benaderingen van openbaar vervoer en mobiliteit in de stad, duurzame gebouwen, energie-efficiënte oplossingen en het behoud van de stedelijke biodiversiteit vallen.
Europa kan worden beschouwd als een unie van steden en gemeenten. Ongeveer 75 % van de EU-bevolking woont in stedelijke gebieden en naar verwachting zal dat percentage toenemen tot 80 % tegen 2050. Stedelijke gebieden brengen bijzondere uitdagingen met zich mee voor het milieu en de volksgezondheid, maar bieden ook mogelijkheden voor een efficiënter hulpbronnengebruik. De EU stimuleert gemeenten om groener te worden door middel van initiatieven zoals de Prijs voor de Groene Hoofdstad van Europa
, de Green Leaf Award
en de Green City Tool
.
Financiering voor vergroening van steden
Nederland heeft 45 miljoen EUR of 9 % van zijn toewijzing in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en 25 miljoen EUR of 5 % van zijn toewijzing in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF) toegekend aan duurzame stedelijke ontwikkeling.
Nederland neemt deel aan het Europees netwerk voor stedelijke ontwikkeling, dat bestaat uit meer dan 500 steden uit de hele EU die tussen 2014 en 2020 verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van geïntegreerde acties op basis van door het EFRO gefinancierde duurzame strategieën voor stedelijke ontwikkeling.
Binnen de initiatieven voor stedelijke ontwikkeling steunt het EFRO stedelijke innovatieve acties als manier om nieuwe, nog niet-bewezen oplossingen voor het aanpakken van stedelijke uitdagingen te testen. Het EFRO heeft voor de periode van 2014 tot 2020 een totaalbudget van 372 miljoen EUR voor initiatieven voor stedelijke ontwikkeling. Nederland heeft bij de eerste twee oproepen voor projecten in Rotterdam en Utrecht financiering verkregen.
Deelname aan stedelijke initiatieven en netwerken van de EU
Nederlandse gemeenten zijn doorgaans betrokken bij EU-initiatieven voor milieubescherming en klimaatverandering.
Nijmegen won in 2018 als eerste Nederlandse stad de Prijs voor de Groene Hoofdstad van Europa, dankzij de fietsinfrastructuur, verkeerssystemen, schoon openbaar vervoer en uitstekend afvalbeheer. Bovendien won Horst aan de Maas de European Green Leaf Award 2019. De stad werd geprezen om haar enthousiasme en de goed geplande, inclusieve stedelijke strategie.
Er zijn in totaal tien Nederlandse gemeenten betrokken bij het URBACT-initiatief voor de ondersteuning van duurzame stadsontwikkeling via 24 verschillende thematische netwerken. Zes van deze netwerken worden op dit moment geleid door Nederlandse steden: Eindhoven coördineert CHANGE! voor het sociale ontwerp van openbare diensten; Delft geeft leiding aan EUniverCities voor de uitwisseling van goede praktijken tussen kennissteden; Rotterdam werkt met My Generation en My Generation at Work aan de betere inzetbaarheid en werkgelegenheid van jonge mensen en probeert met ResilientEurope duurzaamheid in steden te bevorderen; en Utrecht leidt CityLogo voor de ontwikkeling van nieuwe stijlen lokaal bestuur.
Verschillende projecten van Horizon 2020 hebben ook bijgedragen aan de duurzaamheid van Nederlandse steden. In het project CIVITAS spannen onder andere zeven gemeenten uit Nederland zich gezamenlijk in voor schoner en beter vervoer in de stad. Amsterdam is onderdeel van het ClairCity-project, een burgerinitiatief om luchtvervuiling in de stad te verlagen. Aan FosterReg, dat is bedoeld om openbare instanties te stimuleren om duurzame energie mee te nemen bij het plannen, financieren en beheren van geïntegreerd stadsherstel, doen ook Nederlandse steden mee.
Meer dan 70 % van de Nederlandse gemeenten heeft klimaatbeleid en -actieplannen. Vierentwintig van deze gemeenten zijn betrokken bij het Burgemeestersconvenant onder coördinatie van Rijkswaterstaat. Sinds mei 2018 hebben Delft, Midden-Delfland en Nijmegen hun actieplannen al ingevoerd en worden hun resultaten gevolgd. Nog eens 16 steden hebben in elk geval hun klimaatactieplan en -verbintenissen voor 2020 of 2030 gepresenteerd.
Deze stedelijke initiatieven en netwerken moeten worden toegejuicht en gestimuleerd, omdat deze bijdragen aan een beter stadsmilieu. In 2017 beschouwde 15,2 % van de inwoners van steden hun woongebied als getroffen door verontreiniging of andere milieuproblemen, een daling ten opzichte van 16,5 % in 2016 en 17,5 % in 2015. Deze percentages zijn lager dan die in de EU-28 (20 % in 2017, 18,9 % in 2016 en 19,2 % in 2015), maar veel beter dan die van de buurlanden (22,7 % voor België en 35 % voor Duitsland in 2017).
Natuur en steden
Meer dan 35 % van het Natura 2000-netwerk In Nederland bevindt zich binnen functionele stedelijke gebieden, wat veel meer is dan het EU-gemiddelde van 15 % (zie figuur 19).
Natuurnetwerk Nederland is het belangrijkste instrument voor het in stand houden van de Natura 2000-gebieden. De provinciale autoriteiten zijn verantwoordelijk voor dit netwerk, maar door nationale bezuinigingen op budgetten en middelen zijn de activiteiten van het netwerk beperkt.
Op dit moment herziet Nederland de milieuwetgeving om deze te vereenvoudigen en te bundelen in één Omgevingswet. Deze wet vervangt 15 wetten, waaronder de Waterwet, de Crisis- en herstelwet en de Wet ruimtelijke ordening. Een belangrijk gevolg is dat gemeenten niet langer verschillende bestemmingsplannen hoeven op te stellen: in plaats daarvan komt er een omgevingsverordening voor de hele gemeente.
Hoewel het hebben van één bestemmingsplan een verbetering van de huidige situatie is (meer dan honderd gemeenten hadden al bestemmingsplannen), moet de overheid ervoor zorgen dat het vereenvoudigen hiervan geen beperkingen oplevert en zo garanderen dat de Natura 2000-gebieden naar behoren behouden blijven. In de nieuwe Omgevingswet staat dat de provinciale autoriteiten verplicht zijn beheerplannen voor Natura 2000-locaties uit te voeren.
|
Figuur 19: aandeel Natura 2000-netwerk van functionele stedelijke gebieden
|
|
|
Op dit moment lopen er een paar "natuur-stadprojecten". Het Project Amsterdamse Waterleidingduinen is gericht op het herstellen en verbeteren van Natura 2000-gebied Kennemerland Zuid. Andere projecten hebben betrekking op meerdere gebieden, zoals het actieplan voor de verlaging van de stikstofniveaus in Natura 2000-gebieden in het algemeen. In de Green Deal voor Tijdelijke Natuur hebben partijen de handen ineengeslagen om tijdelijke natuurgebieden te stimuleren. Private partijen zoals haven- en graafbedrijven, de centrale overheid en natuurbeschermingsorganisaties werkten samen om obstakels in de wetgeving weg te nemen, waardoor beschermde vogel- en plantensoorten in semistedelijke gebieden konden verblijven.
Verstedelijking
Nederland heeft de hoogste gewogen stadsuitbreiding met 6,61 UPU/m2 in 2009 ten opzichte van een Europees gemiddelde (EU-28+4) van 1, 64 UPU/m2, wat een stijging is van 3,31 % tussen 2006 en 2009.
Verkeerscongestie en stedelijke mobiliteit
Veel onderwerpen die in dit verslag houden in enige mate verband met verkeersvolumes en -congestie, voornamelijk luchtkwaliteit en lawaai.
Het totaalaantal wegvoertuigen is in 2018 gestegen naar 11,2 miljoen. Meer dan 2 miljoen hiervan zijn bedrijfsvoertuigen. Het aantal voertuigen per 1 000 inwoners is gestegen van 636,1 in 2014 naar 656,4 in 2018.
Deze toename heeft ertoe geleid dat er jaarlijks meer uren in verkeerscongestie worden doorgebracht, van 30,3 in 2014 tot 31,5 in 2016. Nederland staat hiermee op de negende plaats in de EU.
Er zijn grote verschillen in verkeersintensiteit en -congestie tussen regio's en soorten infrastructuur. De verkeersintensiteit is het hoogst in de regio Utrecht, voornamelijk vanwege de hoofdwegen daar, zoals de A1, A2, A12, A27 en A28, en op de A13 tussen Rotterdam en Den Haag. De verkeersintensiteit is tussen 2012 en 2017 met 8 % gestegen.
Nederlandse steden hebben daarentegen weinig verkeerscongestie. Haarlem is de enige Nederlandse stad met een congestieniveau tussen 25 % en 50 %, terwijl het niveau in 14 andere steden tussen 15 % en 25 % ligt. In vergelijking met andere EU-steden staat Haarlem op de 82e plaats wat betreft verkeerscongestie (van de 215 steden op de lijst). Den Haag staat op plaats 121, Amsterdam op plaats 138 en Rotterdam op plaats 178.
Wat betreft stedelijke mobiliteit is circa 50 % van de Nederlandse werknemers forens. In bepaalde gemeenten, zoals Nieuwegein en Haarlemmermeer, is meer dan 70 % van de werknemers forens. Het gebruik van het openbaar vervoer, voornamelijk bus en tram, is tussen 2000 en 2005 gedaald door de komst van nieuwe vervoerders als gevolg van aanbestedingen in het stads- en regiovervoer. De afgelopen jaren steeg het gebruik van het openbaar vervoer echter geleidelijk, evenals een alternatieve vervoersmethode: tussen 2005 en 2016 won de fiets terrein op de auto en het openbaar vervoer op het gebied van binnenstedelijk woon-werkverkeer (het gebruik van de fiets is sinds 2005 met bijna 12 % gestegen). De auto blijft dominant voor langere reizen van en naar grote steden, terwijl een groot deel van de forenzen gebruikmaakt van de trein.
In 2016 was de auto goed voor 46 % van de verplaatsingen, was het gebruik van de fiets (inclusief e-bikes) gestegen naar 28 % en had het openbaar vervoer (bus, metro, tram en trein) een aandeel van 4 %. Voetgangers waren goed voor 18 % van het totaal. De modal split voor binnenlands personenvervoer was 88 % voor de auto (EU-28 83,4 %), 2 % voor de bus en de trolleybus (EU-28 9,1 %) en 10 % voor de trein (EU-28 7,6 %). De auto is nog altijd het favoriete vervoersmiddel voor langere afstanden. Nederland staat na Portugal en Litouwen op de derde plaats wat betreft personenvervoer per auto in de EU.
Van de belangrijkste uitdagingen die in dit verslag zijn vermeld (water, lucht, natuur en biodiversiteit), is het vooral de luchtkwaliteit – tot op zekere hoogte in verband met verkeerscongestie – die op lokaal niveau een prioriteit moet zijn. In een aantal steden worden innovatieve oplossingen met betrekking tot verkeersmanagement ontwikkeld en getest. Zo ontwikkelt het Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions een vloot autonome boten die kunnen worden gebruikt om ronddrijvend afval uit de grachten te halen. In Rotterdam zijn de afgelopen jaren veel lokale maatregelen getroffen om het gebruik van oudere dieselauto's en de concentraties van verontreinigende stoffen zoals roet en NO2 terug te dringen. DiTTlab, een onderzoekslaboratorium dat is opgericht door de TU Delft en bedrijfsconsultants CGI Nederland, ontwikkelt een laboratorium voor stedelijke mobiliteit om multimodale verkeersstromen te analyseren en een geïntegreerd programma voor mobiliteitsmanagement om congestie te voorkomen.
In de EIR 2017 stond dat de consistentie tussen nationaal en stedelijk beleid moest worden verbeterd en dat buitensporige bureaucratie moest worden teruggebracht. De situatie verbetert met de geleidelijke uitvoering van duurzame stedelijke mobiliteitsplannen en de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking treedt,.
Deel II: Faciliterend kader: uitvoeringsinstrumenten
4.Groene belastingen, groene overheidsopdrachten, milieufinanciering en -investeringen
Groene belastingen en milieuschadelijke subsidies
Financiële prikkels, belastingheffing en andere economische instrumenten bieden doeltreffende en efficiënte manieren om de doelstellingen van het milieubeleid te halen. In het actieplan voor de circulaire economie wordt het gebruik ervan aangemoedigd. Subsidies die schadelijk zijn voor het milieu worden in het kader van het Europees Semester en het bestuursproces van de energie-unie gemonitord.
De Nederlandse milieubelastinginkomsten blijven hoger dan het EU-gemiddelde en waren in 2017 goed voor 3,33 % van het bbp (het EU-28-gemiddelde was 2,4 % van het bbp), zoals blijkt uit figuur 20, en de energiebelastingen bedroegen 1,86 % van het bbp (EU-gemiddelde van 1,84 %). In datzelfde jaar waren de milieubelastinginkomsten goed voor 8,49 % van alle inkomsten uit belastingen en socialezekerheidsbijdragen (aanzienlijk hoger dan het EU-28-gemiddelde van 5,97 %).
Uit de belastingstructuur blijkt dat het aandeel van de inkomsten uit belasting op arbeid in de totale belastinginkomsten met 52 % in 2016 hoger lag dan het EU-gemiddelde, terwijl de impliciete belasting op arbeid 32,9 % bedroeg. De belasting op consumptie bleef relatief laag (29,7 % van de totale belastinginkomsten, de 20e plaats in de EU-28), wat wijst op een potentieel om de belastingheffing te verschuiven van arbeid naar consumptie en dan voornamelijk naar de belasting van milieuvervuiling en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
De Commissie heeft in het Europese Semester (de jaarlijkse beoordeling van de lidstaten door de Commissie) herhaaldelijk benadrukt dat het mogelijk is om het belastingsysteem in Nederland aan te passen. In het landverslag van het Europees Semester voor 2018 stond dat er lopende initiatieven zijn om een verlaging van de inkomstenbelasting te compenseren met een verhoging van de energie-, milieu- en verbruiksbelasting. Het kabinet wil ook, in aanvulling op het prijssignaal van het ETS van de EU, een CO2-minimumprijs voor elektriciteitsopwekking (een koolstofbodemprijs) invoeren van 18 EUR in 2020, oplopend tot 43 EUR in 2030. Bedrijven in de sector wordt een extra heffing in rekening gebracht die berust op het prijsverschil tussen de EU-rechten en de bodemprijs. Om de tarieven beter in balans te brengen met de CO2-uitstoot, gaat voor de consument de belasting op gas met 0,03 EUR per kubieke meter omhoog en de belasting op elektriciteit met 0,0072 per kilowattuur omlaag.
|
Figuur 20: inkomsten uit milieubelastingen als % van het bbp (2017)
|
|
|
Er zijn ook andere gevallen waarin betrouwbare belastingmaatregelen op milieugebied worden getroffen. Een goed voorbeeld hiervan is de gratis afgifte van plastic afval in de havens van Rotterdam en Amsterdam. De belastingen en heffingen die aan de regionale waterschappen worden betaald, hebben ook bijgedragen aan innovaties in de afvalwaterzuivering.
De subsidies voor fossiele brandstoffen zijn tussen 2008 en 2018 gedaald en op dit moment is er zelfs alleen een indirecte subsidie op fossiele brandstoffen (ETS-compensatie om de energie-efficiëntie te verbeteren met stimulansen voor het gebruik van elektriciteit, wat gunstig is voor fossiele brandstoffen, daar 81 % van de elektriciteit van fossiele brandstoffen afkomstig is). Er bestaan nog altijd enkele belastingvrijstellingen voor het gebruik van fossiele brandstoffen in de tuinbouw en voor religieuze en non-profitinstellingen. Deze vrijstellingen bedroegen in 2016 bij elkaar 144 miljoen EUR en de begrotingsoverdrachten en subsidies waren goed voor meer dan 51 miljoen EUR. De meeste subsidies en vrijstellingen voor het gebruik van aardolie en aardgas zijn echter geschrapt.
Er is sinds 2005 enige vooruitgang geboekt bij het verlagen van de dieseldifferentiëring (het prijsverschil tussen diesel en benzine). In 2016 bedroeg het verschil in het belastingtarief tussen benzine en diesel nog altijd 59 % ten opzichte van 75 % in 2005. De accijnzen op benzine en diesel waren in 2016 licht gestegen in vergelijking met 2015 (0,77 EUR per liter benzine en 0,48 EUR voor diesel).
De fiscale behandeling van bedrijfsauto's is in Nederland geen reden tot zorg. Deze voertuigen worden belast op basis van de CO2-uitstoot (als het privégebruik meer dan 500 km per jaar is). Er zijn in 2018 geen relevante belastingmaatregelen getroffen voor dit type auto.
Het land heeft een motorrijtuigenbelasting op basis van CO2. De bpm (belasting personenauto's motorrijwielen) wordt berekend op basis van de uitstoot. Er geldt een dieseltoeslag voor voertuigen met een CO2-uitstoot van meer dan 63 g/km. Voor de wegenbelasting wordt ook rekening gehouden met de CO2-uitstoot.
In 2016 waren er veel stimulansen voor het kopen van auto's met een lagere CO2-uitstoot, die verband hielden met de jaarlijkse wegenbelasting, tolheffing en kosten voor congestie of lage-emissiezones. Deze stimulansen hielden ook verband met het kopen van schonere voertuigen. Er zijn bovendien stimulansen in verband met het voorkeursgebruik van openbare infrastructuur
. De nieuwe voertuigen die in Nederland worden gekocht, behoren tot de milieuvriendelijkste in de EU. De gemiddelde CO2-uitstoot van 105,9 gram per kilometer ligt onder het EU-gemiddelde van 118 gram in 2016
.
De afgelopen jaren is het gebruik van alternatieve brandstoffen in nieuwe personenauto's die zijn verkocht in Nederland, aanzienlijk gestegen. In 2016 was het aandeel nieuwe personenauto's op alternatieve brandstoffen ongeveer vijf keer zo hoog als in 2012. De meeste van deze voertuigen zijn elektrisch. Nederland behoort tot de lidstaten die het gebruik van elektrische voertuigen stimuleren om de lokale luchtkwaliteit te verbeteren. In het kader daarvan worden lagere accijnzen geheven op elektriciteit van laadpalen.
Groene overheidsopdrachten
Het EU-beleid voor groene overheidsopdrachten moedigt lidstaten aan om verdere stappen te zetten om in ten minste 50 % van de openbare aanbestedingen groene aanbestedingscriteria te hanteren. De Europese Commissie helpt bij het vergroten van het gebruik van overheidsopdrachten als strategisch instrument ter ondersteuning van milieubescherming.
Overheidsopdrachten vertegenwoordigen een koopkracht van ongeveer 1,8 biljoen EUR in de EU (ongeveer 14 % van het bbp). Een aanzienlijk deel van dit bedrag gaat naar sectoren met een grote milieu-impact, zoals de bouw- en de transportsector. Daarom kunnen groene overheidsopdrachten (GO) helpen om de negatieve impact van overheidsuitgaven op het milieu aanzienlijk te verlagen en om duurzame innovatieve bedrijven te ondersteunen. De Commissie heeft Europese GO-criteria voorgesteld.
Nederland is een van de koplopers op het gebied van GO in de EU. Dit was al een prioriteit voor dat de EU-richtlijnen voor GO werden uitgevoerd.
Het land beschikt over een aantal werkwijzen voor circulair aanbesteden voor de ontwikkeling van de circulaire economie en het Nederlandse programma "Green Deals" is een aantal pilots gestart en biedt richtsnoeren voor functionele specificaties.
Nederland heeft een ambitieus doel voor GO gesteld, dat niet alleen geldt voor de centrale overheid maar ook op regionaal en lokaal niveau. Met dit doel wordt ernaar gestreefd de CO2-uitstoot tegen 2021 met 1 miljoen ton per jaar te verlagen.
Het vijfjarenplan van Nederland bevat wel kwalitatieve, maar geen kwantitatieve nationale doelen. GO wordt gezien als een instrument dat bijdraagt aan het verwezenlijken van beleidsdoelen, waarbij duurzaamheid integraal deel uitmaakt van het inkoopproces.
Het land biedt op dit moment een "Circulair Inkopen Academy" aan. Openbare aanbesteders kunnen uitsluitend deelnemen als zij inschrijven op een innovatieve oplossing en als ze bereid zijn regelmatig bijeen te komen met andere deelnemers. Tijdens deze bijeenkomsten worden problemen, vragen en ervaringen besproken. Nederland ondersteunt ook leernetwerken en pilotprojecten en werkt aan een toezichtsysteem om de gevolgen van GO zichtbaar te maken.
Vijftig publieke en private organisaties en ondernemingen hebben een nieuwe Green Deal voor circulair inkopen ondertekend, met een gezamenlijke koopkracht van 100 miljoen EUR. Zoals is vermeld in het deel over de circulaire economie, staat het initiatief open voor alle organisaties die op milieuvriendelijke wijze willen inkopen en de circulaire economie willen ondersteunen. Circulair inkopen is ook onderdeel van de Green Deal "Duurzame zorg voor een gezonde toekomst", die door 132 partijen is ondertekend en onder andere streeft naar het verlagen van broeikasgasemissies en het gebruik van hulpbronnen.
Er lopen ook lokale initiatieven op dit gebied. Bijna 160 gemeenten, provincies en waterschappen hebben het Manifest Maatschappelijk Verantwoord Inkopen ondertekend. Dit is de bekendheid van, het begrip van en de inzet voor GO ten goede gekomen. Een goed voorbeeld hiervan is de gemeente Goeree-Overflakkee, die een duurzaamheidsprogramma heeft opgezet dat tijdens de laatste EIR-dialoog met Nederland is gepresenteerd. Een ander voorbeeld is Haarlem, dat het samenwerkingsverband van de EU Urban Agenda betreffende inkopen coördineert, waarin de circulaire economie een belangrijk onderwerp is.
De Commissie zou toejuichen dat Nederland goede praktijken met betrekking tot circulair inkopen blijft uitwisselen met andere landen.
Milieufinanciering en -investeringen
In de regelgeving voor Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) is bepaald dat de lidstaten milieu- en klimaatdoelstellingen moeten nastreven in hun financieringsstrategieën en programma's voor economische, sociale en territoriale cohesie, plattelandsontwikkeling en maritiem beleid.
Voor duurzaamheid is het nodig om publieke en particuliere financiering te mobiliseren
. Het gebruik van de ESI-fondsen
is essentieel voor landen om hun milieudoelstellingen te bereiken en ze in andere beleidsdomeinen te integreren. Andere instrumenten zoals Horizon 2020, het LIFE-programma en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI)
kunnen de uitvoering en verspreiding van goede praktijken ook ondersteunen.
Europese structuur- en investeringsfondsen 20142020
In het kader van zeven nationale en regionale programma's heeft Nederland voor de periode 20142020 een bedrag van 1,95 miljard EUR uit de ESI-fondsen toegewezen gekregen. Met een nationale bijdrage van minimaal 1,85 miljard EUR kan Nederland in deze periode een begroting van 3,57 miljard EUR investeren. Circa 667 miljoen EUR hiervan is toegekend uit EU-bronnen voor milieubescherming en hulpbronnenefficiëntie, de koolstofarme economie en andere milieuprogramma's, en 361 miljoen is door middel van medefinanciering toegekend uit nationale bronnen.
De Rijksdienst voor Ondernemende Nederland (RVO) publiceert op zijn website informatie over beschikbare financieringen voor milieu-investeringen. Voor 2018 had de RVO 139 miljoen EUR gereserveerd die over negen onderwerpen verdeeld moesten worden, waaronder: landbouw, biogebaseerde economie, biodiversiteit, circulaire economie, duurzame gebouwen, duurzaam vervoer, Green Deals en mobiele installaties.
Cohesiebeleid
Nederland ontvangt in de periode van 2014 tot 2020 in totaal meer dan 1 400 miljoen EUR aan cohesiebeleidsfinanciering, waaronder 389 miljoen EUR voor Europese territoriale samenwerking en 510 miljoen EUR van het ESF. Er zijn vier operationele programma's (OP's) van het EFRO en één operationeel programma van het ESF. Er zijn in Nederland geen directe toewijzingen voor investeringen in milieu-infrastructuur, .
Desondanks vormt de Europese financiering een sterke basis voor duurzaamheid. Een van de investeringsprioriteiten van de Europese Commissie voor de periode van 2014 tot 2020 is "de bevordering van een koolstofarme, hulpbronnenefficiënte economie door te investeren in de verbetering van de energie-efficiëntie en in het meer gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen". Deze investeringen zullen bijdragen aan de transitie naar een koolstofarme economie.
Bij de schatting van milieugerelateerde uitgaven spelen innovatie en de koolstofarme economie een duidelijke rol. De EFRO-toewijzing uit EU-bronnen voor indirecte milieu-investeringen bedraagt 148 miljoen EUR. Bovendien wordt ongeveer 9 % van het EFRO-budget gebruikt voor duurzame stadsontwikkeling, geconcentreerd in een van de OP's (West).
De afgelopen jaren heeft het EFRO projecten gesteund, zoals een Bioprocess Pilot Facility om te testen en te leren hoe duurzame productieprocessen kunnen worden opgeschaald en het project Amsterdam Smart City om een duurzamere, energie-efficiëntere stad te creëren en het energieverbruik met 20 % te verlagen.
De huidige gegevens suggereren dat de EU-fondsen die voor de periode van 2007 tot 2013 aan Nederland zijn toegekend, volledig zijn besteed.
Plattelandsontwikkeling
Nederland heeft te maken met milieudruk in plattelandsgebieden, voornamelijk wat betreft de waterkwaliteit en de staat van instandhouding van Natura 2000-gebieden.
Het Nederlandse plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) schetst de prioriteiten voor het gebruik van de 1 630 miljoen EUR publieke financiering die beschikbaar is voor de zevenjarenperiode 20142020. Deze financiering omvat 765 miljoen EUR uit het Elfpo, 449 miljoen EUR nationale cofinanciering en 413 miljoen EUR aanvullende nationale financiering,.
Het POP heeft een sterke ecologische invalshoek en heeft ten doel voor meer dan 6 % van het landbouwareaal contracten te sluiten ter bevordering van de biodiversiteit en ter verbetering van het water- en bodembeheer. In feite wordt 56,4 % van de financiering van het POP gebruikt om deze doelstellingen te behalen en voor andere milieuprioriteiten die zijn opgenomen in het onderdeel ecosysteembeheer van het POP.
In totaal is 443 miljoen EUR binnen het Elfpo uit EU-bronnen toegewezen aan het milieu, waaronder 248 miljoen EUR aan agromilieuklimaat, Natura 2000, de kaderrichtlijn water en bosdiensten en -instandhouding. De resterende 195 miljoen EUR is toegewezen aan indirecte milieu-investeringen, waaronder biologische Landbouw en investeringen en de ontwikkeling en instandhouding van het bosareaal.
De opgenomen agromilieumaatregelen kunnen een zeer grote rol spelen in het omkeren van de afname van de biodiversiteit in bepaalde doelgebieden in het land. Zoals werd vermeld in de EIR 2017 zijn de positieve gevolgen beperkt, omdat er geen ambitieuze baseline en ambitieuze vergroening zijn.
Een van de Elfpo-POP-projecten ondersteunt de traditionele biomassaverwarming voor de productie van snijbloemen. Dit is onderdeel van een strategie om te zorgen voor de economische overleving en ecologische duurzaamheid van bloemkwekerijen, door aardgas te vervangen.
Als Nederland zijn milieudoelstellingen wil halen, is het essentieel dat het de ecologische duurzaamheid van zijn landbouwsector verbetert. De primaire land- en tuinbouw zijn verantwoordelijk voor 15 % van de broeikasgasemissies (EU-28 12 %). De vogelstand in landbouwgebieden is de voorbije dertig jaar met 70 % gedaald.
Wat betreft de integratie van milieu-overwegingen in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), zijn de twee belangrijkste gebieden: i) met behulp van het Elfpo ecologisch landbeheer en andere milieumaatregelen financieren; en ii) zorgen voor de effectieve uitvoering van de eerste pijler van het GLB betreffende de randvoorwaarden en van de eerste pijler "vergroening". Nederland heeft voor 20152020 een maximum voor rechtstreekse betalingen van 3,62 miljard EUR, waarvan 30 % wordt toegewezen aan milieuvriendelijke vergroeningspraktijken.
In 2018 heeft Nederland 60 miljoen EUR van de eerste pijler van het GLB overgedragen, dat is toegewezen aan agromilieuverbintenissen, niet-productieve investeringen en samenwerking in de vorm van pilotprojecten.
De recentst beschikbare gegevens (met betrekking tot de periode 20072013) tonen dat het absorptiepercentage van de fondsen voor plattelandsontwikkeling in Nederland 99,7 % was, d.w.z. zeer vergelijkbaar met het EU-gemiddelde (97,3 %).
|
Figuur 21: ESI-fondsen 2014-2020 – EU-toewijzing per thema, Nederland (× 1 miljard EUR)
|
|
|
Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV)
Nederland ontvangt circa 128 miljoen EUR medefinanciering voor de visserij- en maritieme sector, met een EU-bijdrage van 101 miljoen EUR. Er zijn verschillende milieuvriendelijke projecten gefinancierd onder prioriteit een (duurzame visserij) en twee (duurzame aquacultuur) van het OP. Voor de periode van 2014 tot 2020 bedragen de milieufondsen die uit EU-bronnen zijn toegewezen, meer dan 75 miljoen EUR.
Enkele succesverhalen die de groene kant van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij laten zien, zijn: het Masterplan Duurzame Visserij, dat ernaar streeft oude vistuigen te vervangen door duurzamere alternatieven; en het project Pulsvisserij op zee, om het welzijn van dieren te verbeteren met de ontwikkeling van boordapparatuur voor het verdoven van vissen.
De financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF)
De CEF is een belangrijk financieringsinstrument van de EU dat specifiek is ontwikkeld voor directe investeringen in de Europese vervoers-, energie- en digitale infrastructuur voor het verhelpen van vastgestelde ontbrekende schakels en knelpunten en het bevorderen van duurzaamheid.
Eind 2017 had Nederland voor 357 miljoen EUR aan overeenkomsten getekend ten behoeve van projecten in het kader van de CEF.
Met steun van de EIB is er uit de CEF en het EFSI 150 miljoen EUR toegekend aan de financiering van groene scheepvaart. In dit project is het mogelijk om de bestaande vloot op te knappen en kunnen er nieuwe schepen met groene innovaties worden gebouwd.
Horizon 2020
Nederland heeft sinds het begin van het programma in 2014 financiering uit Horizon 2020 ontvangen. In januari 2019 was aan 1 777 deelnemers maximaal 681 miljoen toegewezen voor projecten uit werkprogramma's voor maatschappelijke uitdagingen op het gebied van milieukwesties,.
Naast de bovengenoemde programma's zijn in het hele Horizon 2020-programma uitgaven voor klimaat en biodiversiteit aanwezig. Binnen de projecten die in Nederland tot december 2018 waren goedgekeurd voor financiering in het kader van alle Horizon 2020-werkprogramma's, was 694 miljoen EUR bestemd voor klimaatactie (23 % van de totale Horizon 2020-bijdrage aan het land) en 115 miljoen EUR voor biodiversiteitsacties (3,8 % van de Horizon 2020-bijdrage aan Nederland).
Er lopen in Nederland verschillende succesvolle projecten. De Alliance for Sustainable Cities probeert een brede aanpak te ontwikkelen voor voedsel-, water- en energiebeheer, zaken die doorgaans afzonderlijk worden benaderd. Een ander internationaal project (TRANSRISK) streeft ernaar de wereldwijde overgang van koolstofrijke naar koolstofarme economieën te begeleiden door beleidsmakers te voorzien van de instrumenten en informatie die ze nodig hebben om effectieve, wetenschappelijk onderbouwde klimaatstrategieën uit te voeren.
Het LIFE-programma
Europese Investeringsbank
In de periode van 2013 tot 2017 leende de EIB Nederland bijna 10,4 miljard EUR. De EIB-groep leende Nederlandse bedrijven en openbare instellingen in 2018 meer dan 2,32 miljard EUR, zoals in figuur 21 wordt weergegeven, waarvan circa 245 miljoen EUR (10,5 %) direct werd geïnvesteerd in milieugerelateerde projecten.
Andere projecten houden in direct verband met milieubescherming. Dit is bijvoorbeeld het geval voor kredieten waarmee melkveehouders worden gesteund bij investeringen in biogas-installaties of voor kredieten voor de aankoop van nieuwe apparatuur om ervoor te zorgen dat alle elektrische treinen in Nederland blijven rijden op groene stroom die duurzaam wordt opgewekt.
De EIB heeft tevens leningen verstrekt aan projecten die in Nederland strijden tegen klimaatverandering. Een voorbeeld hiervan is de financieringsovereenkomst die is gesloten met vereniging Ons Middelbaar Onderwijs voor de duurzame ver- en nieuwbouw van een aantal scholen in Noord-Brabant, waardoor deze energie-efficiënter worden.
|
Figuur 22: EIB-leningen aan Nederland in 2018
|
|
|
Europees Fonds voor strategische investeringen
Het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) is een initiatief om de bestaande investeringskloof in de EU te dichten. In januari 2019 had het EFSI in Nederland meer dan 2,2 miljard EUR gemobiliseerd. De door deze financiering opgewekte secundaire investeringen zullen naar verwachting meer dan 10 miljard EUR bedragen,.
De EFSI-investeringen in de milieusector zijn voornamelijk gebruikt om acties met betrekking tot de circulaire economie, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie te stimuleren. Er is in Nederland 165 miljoen EUR toegekend aan projecten die zich richten op energie-efficiëntie, vervoer, het milieu en hulpbronnenefficiëntie.
Een voorbeeld van een lopend project is het Green Metropole Fund. Het doel hiervan is om de overgang naar een circulaire en koolstofarme economie in de regio Amsterdam te versnellen. Met de EIB-financiering van 40 miljoen EUR wordt geprobeerd de investeringscapaciteit in kleine en middelgrote ondernemingen en kleine projecten te vergroten. Een ander goed voorbeeld is het Limburgs Energie Fonds, dat erop is gericht om de energie-efficiëntie van kleine en middelgrote ondernemingen te verbeteren en nieuwe afvalverwerkingsinstallaties en duurzaam vervoer te ontwikkelen in de provincie Limburg (de deelneming van het EIB bedraagt 30 miljoen EUR).
Andere projecten worden nog voorbereid of zijn onlangs goedgekeurd. In december 2017 is een project voor zes jaar goedgekeurd dat zorgt voor het duurzame beheer van de watertoevoer en -distributie in Zuid-Holland. Tijdens de beoordeling zal de naleving van de kaderrichtlijn water en de drinkwaterrichtlijn worden gecontroleerd.
Nationale milieufinanciering
Nederland heeft in 2016 9,57 miljard EUR uitgegeven aan milieubescherming, een afname van 8 % ten opzichte van 2015. Circa 36 % van deze betalingen werd toegewezen aan afvalbeheeractiviteiten (het EU-gemiddelden is 49,7 %). 3,34 miljard EUR werd toegewezen aan afvalwaterbeheer (35 % van het totaal) en 1,82 miljard EUR aan het verminderen van vervuiling (19 % van het totaal). Ongeveer 7,3 % van de milieugerelateerde uitgaven werd toegewezen aan de bescherming van biodiversiteit en het landschap (705 miljoen EUR). De overheidsfinanciering voor milieubescherming bedroeg tussen 2012 en 2016 50 miljard EUR, in absolute aantallen het op vier na hoogste bedrag in de EU.
Sinds 1985 zijn er verschillende programma's ontwikkeld voor de financiering van projecten op het gebied van milieubescherming. Het belangrijkste project is misschien wel de Regeling groenprojecten. Deze belastingvoordeelregeling is in 1995 opgezet om individuele investeerders aan te moedigen om geld te steken in projecten voor natuur en milieu. In december 2016 waren er 185 deals gesloten met 1 225 deelnemers.
Het Nationaal Groenfonds is een ander instrument dat diensten verleent op het gebied van financiering, overheidssteun, advies en financieel beheer om Nederland groener te maken. De bijdrage van het Groenfonds aan de klimaatdoelstellingen heeft helpen voorkomen dat er 136 131 ton CO2 is vrijgekomen en heeft 345 hectare natuurlijke omgeving hersteld.
Voor sommige projecten is er ook medewerking en financiering van de provincie. Er zijn onder andere subsidies voor agrarische collectieven voor natuur- en landschapsbeheer.
Sinds 2013, toen meer dan veertig organisaties het Energieakkoord voor duurzame groei hebben ondertekend, werken alle grote Nederlandse banken samen om obstakels voor de financiering van investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie weg te nemen. Dit werd aangevuld door het Platform voor Duurzame Financiering, een samenwerkingsverband van verschillende financiële instellingen ter bevordering van gesprekken over duurzame financiering in de financiële sector.
Een van de uitdagingen van Nederland is om te waarborgen dat de milieufinanciering op een niveau blijft dat toereikend is om de belangrijkste problemen voor het land aan te pakken. De bestaande financiële tekorten voor de bescherming van natuur en biodiversiteit vertragen de volledige uitvoering van het EU-milieurecht en het EU-milieubeleid. Daarom moet het vergaren van financiële middelen om de achterstand in de uitvoering te verkleinen als prioriteit worden aangemerkt.
Prioritaire actie voor 2019
·Zorgen dat het programma voor plattelandsontwikkeling en de vergroeningsmaatregelen de biodiversiteit stimuleren en bijdragen aan het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten.
5.Verbetering van de milieugovernance
Inspraak, informatie en toegang tot de rechter
Burgers kunnen het milieu doeltreffender beschermen wanneer zij kunnen bouwen op de drie "pijlers" van het Verdrag van Aarhus:
i) toegang tot informatie;
ii) inspraak in de besluitvorming; en
iii) toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden;
Het is van cruciaal belang voor de overheid, het publiek en het bedrijfsleven dat milieu-informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt uitgewisseld. Door middel van publieke inspraak kunnen autoriteiten besluiten nemen waarin rekening wordt gehouden met de overwegingen van het publiek. De toegang tot de rechter bestaat uit een reeks waarborgen die burgers en ngo's de mogelijkheid bieden zich te wenden tot de nationale rechter om het milieu te beschermen. Deze omvatten het recht om in rechte op te komen ("procesbevoegdheid").
Milieu-informatie
Nederland heeft een centrale aanpak voor de verspreiding van milieugegevens. De belangrijkste portal is het "Compendium voor de Leefomgeving" (CLO). Hierop staan indicatoren over circa dertig milieu-onderwerpen om te voldoen aan de vraag naar informatie over het milieu. Op de pagina van elke indicator staan links naar meer informatie en documenten met gegevens. De verwijzingen naar de milieuvoorschriften van de EU zijn echter moeilijk te vinden. Voor de helft van de onderwerpen ontbreekt de verwijzing naar de Inspire-richtlijn. De sites voor de meeste sectoren zijn volledig gescheiden van de hoofdportal.
Bovendien stellen overheidsinstanties in de vorm van doorzoekbare kaarten informatie over het milieu beschikbaar op de portal Atlas Leefomgeving. Het doel van deze Atlas is om complexe informatie naar lokaal niveau te vertalen. Er worden regelmatig nieuwe datasets toegevoegd.
Nederland presteert goed wat betreft de uitvoering van de Inspire-richtlijn. De prestatie is beoordeeld op basis van het Uitvoeringsverslag voor 2016 en de recentste monitoringgegevens uit 2017. Er zijn echter meer inspanningen nodig voor het prioriteren van milieudatasets, voornamelijk voor de waardevolle ruimtelijke datasets voor de uitvoering van milieuwetgeving.
|
Figuur 23: toegang tot ruimtelijke gegevens aan de hand van weergave- en downloaddiensten in Nederland (2017)
|
|
|
Inspraak
Inspraak wordt als een van de pijlers van het Nederlandse milieubeleid beschouwd. Er wordt veel geïnvesteerd in interactieve processen voor beleidsontwikkeling en een aanpak met meerdere belanghebbenden. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft een Directie Participatie die beleidsmakers adviseert over participatieprocessen. Deze heeft een code gepubliceerd waarin wordt gedefinieerd wat maatschappelijke participatie inhoudt en wat de minimale vereisten hiervoor zijn. Bovendien publiceert de overheid een centraal overzicht van de voorstellen waarover wordt geconsulteerd.
De Wet milieubeheer voorziet in hoofdstuk 4 (Plannen) in regels voor inspraak in nationale, provinciale en gemeentelijke planningsprocedures) en in hoofdstuk 7 in procedures voor milieueffectrapportages en strategische milieubeoordelingen. Er bestaan ook enkele sectorale voorschriften. In sommige gevallen zijn de procedures onderworpen aan een formele consultatie van het publiek, wat is vastgelegd in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.Bovendien is elk ministerie sinds 2013 verplicht om voor elk wetsvoorstel een internetconsultatie te houden.
Uit de Eurobarometer-cijfers uit 2017 blijkt dat een zeer groot deel van de respondenten in Nederland (97 %) denkt dat individuen een rol kunnen spelen bij de bescherming van het milieu.
Toegang tot de rechter
Het publiek moet aanzienlijk beter worden geïnformeerd over de mogelijkheden om tegen beslissingen van de autoriteiten in beroep te gaan, d.w.z. welke effectieve rechtsmiddelen er uit hoofde van het Nederlandse en EU-recht beschikbaar zijn voor personen en milieuorganisaties voor toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. De officiële website van de overheid maakt informatie en statistieken over jurisprudentie op het gebied van milieu niet gemakkelijk toegankelijk, maar verwijst hiervoor naar de Europese identificatiecode voor jurisprudentie (ECLI) en algemene websites voor jurisprudentie.
De hoofdregel is dat degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, het recht heeft om een rechtszaak aan te spannen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:2, lid 1). Deze eis is via de jurisprudentie verder ontwikkeld in de zin dat een belanghebbende een belang moet hebben dat direct, eigen, persoonlijk, objectief en actueel is. Er geldt een vergelijkbare regeling voor milieu-ngo's. In principe hebben zij uitsluitend het recht om kwesties te betwisten die uitdrukkelijk worden vermeld in hun statuten en waarvan hun daadwerkelijke activiteiten getuigen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:2, lid 1). Het Nederlands recht maakt geen onderscheid tussen nationale of buitenlandse personen of ngo's. De interpretatie van deze bepalingen ligt echter uiteindelijk bij de rechter.
Bovendien kunnen burgers en milieu-ngo's op basis van het civiele recht een procedure starten. Er moeten twee belangrijke ontwikkelingen worden vermeld met betrekking tot de toegang tot de rechter in de praktijk. Ten eerste kan de daadwerkelijke toegang tot de rechter minder zijn, vanwege het feit dat de meeste installaties en activiteiten onder algemene regels vallen en niet onder individuele vergunningen. Hierdoor kan de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de verlening van vergunningen en de regels hiervoor worden ingeperkt. Eisers kunnen nog altijd betwisten dat de algemene regels worden nageleefd en de autoriteiten vragen om op te treden. Ten tweede lijken Nederlandse ngo's steeds vaker voor een civiel proces te kiezen, in plaats van voor een administratief proces.
Vooral in civiele zaken geldt dat de verliezer betaalt. De toepassing hiervan is echter naar goeddunken van de rechter. Elke partij moet haar eigen juridische bijstand, deskundigen en andere kosten betalen. Juridische bijstand van een advocaat is echter uitsluitend verplicht als zaken voor een civiele rechter zijn voorgelegd, ook in geval van beroep. Eisers hoeven bij de bestuursrechter niet te worden vertegenwoordigd door een advocaat. De kosten voor juridische bijstand en advies van deskundigen in civiele procedure kunnen aanzienlijk zijn. Als de bestuursrechter de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (STAB) echter om advies vraagt, verschaft de getuige-deskundige zijn of haar mening kosteloos.
Prioritaire acties voor 2019
·De toegang tot ruimtelijke gegevens en diensten verbeteren door betere verbindingen tussen de landelijke Inspire-portals, alle ruimtelijke gegevenssets vaststellen en documenteren die vereist zijn voor de uitvoering van het milieurecht, en ten minste de "ruwe" gegevens en documentatie toegankelijk maken voor andere overheidsinstanties en het publiek door middel van de in de Inspire-richtlijn voorziene digitale diensten.
·Het publiek beter informeren over het recht op toegang tot de rechter, met name wat betreft luchtvervuiling en natuur.
Waarborging van de naleving
De waarborging van de naleving van milieuwetgeving omvat alle werkzaamheden die overheidsinstanties verrichten om ervoor te zorgen dat sectoren, landbouwers en andere spelers voldoen aan hun verplichtingen om de water- en luchtkwaliteit en de natuur te beschermen en afval te beheren
. Dit kader omvat ondersteunende maatregelen van overheidswege, zoals:
i) bevordering van de naleving;
ii) inspecties en andere controles die zij uitvoeren, d.w.z. toezicht op naleving; en
iii) de maatregelen die zij moeten treffen om schendingen te beëindigen, straffen op te leggen en te vereisen dat schade wordt hersteld, d.w.z. handhaving.
Dankzij burgerwetenschap en klachten kunnen autoriteiten hun inspanningen beter concentreren. Milieuaansprakelijkheid zorgt ervoor dat de vervuiler betaalt voor het herstellen van schade.
Bevordering van en toezicht op de naleving
De kwaliteit van online informatie voor landbouwers over hoe verplichtingen aangaande nitraten en de natuur moeten worden nageleefd, is een indicator van hoe actief autoriteiten naleving bevorderen op gebieden met ernstige tekortkomingen in de uitvoering.
De overheid ontwikkelt steeds meer specifieke benaderingen en instrumenten om marktdeelnemers te helpen begrijpen hoe ze moeten omgaan met milieuregelgeving. Met betrekking tot nitraten hebben de nationale en regionale autoriteiten in 2015 bijvoorbeeld gezamenlijk een Programma Aanpak Stikstof (PAS) ontwikkeld. Deze aanpak is bedoeld om autoriteiten, ondernemers en natuurorganisaties te helpen bij het verlagen van de stikstofbelasting en tegelijkertijd kansen te creëren voor (landbouw)bedrijven.
Het ministerie van Economische Zaken heeft voor Natura 2000-gebieden een uitgebreide routeplanner ontwikkeld voor mensen die een activiteit willen ontplooien in een beschermd gebied
. Het PAS wordt op dit moment juridisch onderzocht naar aanleiding van prejudiciële verzoeken (C-293+294/17 van 7 november 2018) van het Hof van Justitie van de EU.
Grote industriële installaties brengen ernstige risico's op verontreiniging met zich mee. De autoriteiten moeten beschikken over plannen om deze te inspecteren en om de individuele inspectieverslagen openbaar beschikbaar te maken
. In Nederland lijkt openbaar beschikbare informatie over dergelijke plannen en verslagen te ontbreken, maar deze is op verzoek beschikbaar. Er wordt echter informatie gepubliceerd over inspecties van installaties die onder de Seveso-richtlijn vallen, waaronder een korte samenvatting van de inspectieresultaten.
De Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT)
maakt steeds meer gebruik van nieuwe technologieën voor inspectiedoeleinden. In 2017 heeft zij een ID Lab opgezet voor experimenten met nieuwe gegevensbronnen en analysetechnieken. Voorbeelden van dit soort projecten zijn text mining in verband met Schiphol en het gebruik van GIS (Geografische Informatie Systeem) om op een interactieve kaart data in verband met de Europese verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen te visualiseren.
Burgerwetenschap en klachtafhandeling
Betrokken burgers, onder meer via burgerwetenschap, kunnen de kennis over het milieu verdiepen en de autoriteiten helpen bij hun werkzaamheden. In Nederland wordt de toegevoegde waarde van burgerwetenschap erkend. Burgers worden bijvoorbeeld uitgenodigd door het RIVM om de luchtkwaliteit te meten
, Wageningen University doet een beroep op burgers om gegevens over het milieu te verzamelen
, en de gemeente Amsterdam moedigt burgers aan om de app Verbeter de buurt te gebruiken om gemeentelijke diensten in kennis te stellen van lokale kwesties
.
De beschikbaarheid van duidelijke online-informatie over het indienen van klachten is een indicator voor de mate waarin autoriteiten inspelen op klachten van het publiek. In Nederland hebben veel instellingen die actief zijn op milieugebied, klachtenregelingen ingesteld, zoals de regionale milieudiensten en de milieuafdelingen van provincies en gemeenten. De Stichting Milieuklachten
beheert een website waarop burgers worden geholpen bij het vinden van de juiste overheidsinstelling waarbij een klacht moet worden ingediend.
Handhaving
Problemen die bij de monitoring aan het licht komen, kunnen op verschillende manieren worden aangepakt. In de activiteitenverslagen van de ILT
en ODNL
staat geen informatie over vastgestelde gevallen van niet-naleving en follow-upmaatregelen, maar het publiek kan om dergelijke informatie vragen. De regionale milieudienst DCMR publiceert handhavingsbeschikkingen op zijn website. Het CBS verzamelt geen afzonderlijke statistieken over milieucriminaliteit
. In de algemene misdaadstatistieken is milieucriminaliteit opgenomen in de categorie "overig". Er lijkt geen informatie beschikbaar te zijn over de reacties op inbreuken op de randvoorwaarden voor nitraten en natuur.
De bestrijding van afvalmisdrijven, criminaliteit in verband met wilde dieren en planten en overige milieudelicten vormt een grote uitdaging en vereist nauwe samenwerkings- en coördinatieregelingen tussen inspecteurs, douaneautoriteiten, de politie en openbaar aanklagers. De ILT
heeft de leiding over de handhaving van de verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen. Zij werkt samen met de douane, de politie en het openbaar ministerie. Naar aanleiding van eerdere zorgen over het hoge aantal strafrechtelijke onderzoeken dat niet tot rechtszaken en veroordelingen leidde
, heeft de Algemene Rekenkamer in 2017 een notitie opgesteld
over de opvolging van dit rapport, waarin wordt verwezen naar de verbeterde samenwerking tussen overheidsinstellingen via de digitale dienst Inspectieview
, de evaluatie van risicoprofielen en een meer gerichte controle en handhaving.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
is de toezichthoudende autoriteit voor de handhaving van voorschriften betreffende de handel in wilde dieren en planten. Het personeel van de NVWA komt periodiek samen met functionarissen van andere handhavingsinstanties, zoals de douane, de nationale politie en het openbaar ministerie. Er zijn zes bijeenkomsten per jaar
. De afgelopen jaren hebben verschillende strafrechtelijke onderzoeken tot rechtszaken en veroordelingen geleid. Een grote zaak had betrekking op een vogelhandelaar die vanwege grootschalige handel en lidmaatschap van een criminele organisatie een gevangenisstraf van vijftien maanden kreeg, die in beroep werd bevestigd
.
Milieuaansprakelijkheid
De richtlijn milieuaansprakelijkheid stelt een kader vast volgens het beginsel "de vervuiler betaalt" om milieuschade te voorkomen en te herstellen. In de EIR 2017 lag de focus op betere voorlichting over milieuschade, financiële zekerheid en richtsnoeren. De Commissie is nog bezig met het verzamelen van bewijs over de geboekte vooruitgang.
Prioritaire acties voor 2019
·Het publiek beter voorlichten over nalevingsbevordering, toezicht en handhaving door ervoor te zorgen dat er ten minste online informatie beschikbaar is over inspectieplannen en verslagen over industriële en andere inspecties, en het publiceren van informatie over de resultaten van handhavingsacties en de follow-up van geconstateerde inbreuken op de randvoorwaarden inzake nitraten en natuur.
·Zorgen voor meer informatie over de wijze waarop professionals die te maken hebben met milieucriminaliteit, samenwerken.
·Meer financiële zekerheid bieden met betrekking tot aansprakelijkheid, de richtsnoeren over de richtlijn milieuaansprakelijkheid verbeteren en informatie over milieuschade publiceren.
Effectiviteit van milieubeheer
Wie op EU-. nationaal, regionaal en lokaal niveau bij de uitvoering van milieuwetgeving betrokken is, moet over de nodige kennis, instrumenten en bekwaamheden beschikken om ervoor te zorgen dat de wetgeving en het beheer van het handhavingsproces de beoogde voordelen opleveren.
Administratieve capaciteit en kwaliteit
Zoals werd vermeld in de EIR 2017 zijn de Nederlandse overheidsdiensten voldoende in staat om aan hun milieuverplichtingen te voldoen. Er is een lange traditie om alle relevante belanghebbenden bij de beleidsvorming en de uitvoering te betrekken.
Hoewel de Nederlandse overheid doorgaans als kwalitatief goed wordt beschouwd, zei slechts 57 % van de burgers volgens een recent OESO-onderzoek vertrouwen te hebben of tevreden te zijn met openbare instellingen van de verschillende overheidsdiensten in Nederland.
Coördinatie en integratie
Zoals aangegeven in de EIR 2017 zal de omzetting van de herziene MEB-richtlijn
een gelegenheid bieden om het regelgevingskader rond milieubeoordelingen te stroomlijnen. Nederland heeft de omzetting van de MEB-richtlijn voor de deadline voltooid (mei 2017).
De Commissie moedigt de stroomlijning van de milieubeoordelingen aan, omdat men zo dubbel werk in en overlappingen kan beperken/vermijden. Stroomlijning helpt om onnodige administratieve last te verminderen en om de besluitvorming te versnellen, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de procedure voor milieubeoordelingen
. Nederland heeft de stroomlijning van milieubeoordelingen van de MEB- en habitatrichtlijn ingevoerd. Als er ook uit hoofde van de kaderrichtlijn water een beoordeling vereist is, worden de procedures gecoördineerd.
In Nederland zijn milieueffectrapportages en strategische milieubeoordelingen verplicht voor plannen en projecten die in het Besluit milieueffectrapportage staan. De procedures voor milieueffectrapportages en strategische milieubeoordelingen worden gecoördineerd met andere voorschriften voor vergunningen en beoordelingen die uiteengezet zijn in Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer.
Doorgaans stellen consultancybureaus de milieueffectrapportages en milieueffectbeoordelingen op verzoek van private en publieke initiatiefnemers voor plannen en projecten op
. Volgens het Nederlands recht moeten milieueffectrapportages en milieueffectbeoordelingen een beschrijving van alternatieven en de gevolgen daarvan bevatten, met inbegrip van het milieuvriendelijkste alternatief, inspraak en een verplichte kwaliteitscontrole door een onafhankelijke adviescommissie. Deze laatste rol wordt vervuld door de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.)
die bevoegde autoriteiten adviseert over de kwaliteit van milieu-informatie in milieueffectrapportages en milieueffectbeoordelingen om het effectieve gebruik in besluitvormingsprocedures te bevorderen.
Zowel in geval van vrijwillige als van verplichte adviesrapporten kan de bevoegde autoriteit de Commissie m.e.r. verzoeken om voorleggingen van het publiek op te nemen in het advies. Het niet-bindende advies van de Commissie m.e.r. bevat overwegingen over of de milieueffectrapportage goed genoeg is als basis voor besluitvorming, of de alternatieven naar behoren zijn bestudeerd en of er hiaten zijn in de kennis die aanvullend onderzoek vereisen.
De Nederlandse overheid heeft een "Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving" ontwikkeld, dat ambtenaren als hulpmiddel kunnen gebruiken bij het opstellen van beleid en regelgeving, en waarin staat dat rekening gehouden moet worden met milieugevolgen. Het kader maakt onderscheid tussen de probleemanalyse, de interventiekeuzen en de effectbeoordeling. Er is een boekje over deze aanpak beschikbaar in het Nederlands en het Engels en er is een website met informatie over regelgevingseffectbeoordelingen dat specifiek is gericht op professionals
.
Aanpassingsvermogen, hervormingsdynamiek en innovatie (e-overheid)
Nederlandse overheidsinstanties kiezen en gebruiken steeds vaker elektronische diensten om online te communiceren met openbare of gereglementeerde entiteiten. Op basis van het Verslag over de digitale voortgang in Europa 2017 is de Nederlandse score voor Digitale overheidsdiensten 0,77/1, hoger dan het EU-28-gemiddelde (0,55/1). In het DESI-verslag 2018 scoorde Nederland 71 van maximaal 100 punten voor digitale overheidsdiensten, hoger dan het EU-gemiddelde van 58 punten.
Er wordt op dit moment een ingrijpende herziening van de milieuwetgeving voorbereid. De geplande Omgevingswet moet de huidige regels moderniseren, harmoniseren en bundelen, bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijke ordening, milieubescherming, natuurbehoud, bouw, bescherming van cultureel erfgoed, waterbeheer, stads- en plattelandsontwikkeling, ontwikkeling van grote publieke en private werken, mijnbouw en ontgronding. Deze regels worden samengevoegd in één juridisch kader. De nieuwe wet is aangenomen door het parlement en officieel bekendgemaakt. Het ministerie werkt op dit moment aan de uitwerking van de bijbehorende uitvoeringsregels. De nieuwe wet en de bijbehorende regels worden naar verwachting in 2021 van kracht.
De regering streeft met de nieuwe Omgevingswet en de bijbehorende regels naar:
·vergroting van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het milieurecht;
·het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;
·vergroting van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken;
·verbetering en versnelling van de besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving.
De belangrijke instrumenten in de nieuwe wet zijn: 1) een omgevingsvisie, 2) een omgevingsprogramma, 3) algemene rijksregels, 4) decentrale regelgeving, van provincies, waterschappen en gemeenten, 5) een omgevingsvergunning en 6) een projectbesluit. Dit laatste wordt beschreven als een algemene regeling voor besluitvorming in verband met projecten waarbij een publiek belang speelt, volgens het principe "sneller en beter".
De relevante informatie over de Nederlandse activiteiten op milieugebied is echter verspreid over veel verschillende websites. Er bestaat geen centraal navigatiesysteem om je een weg te banen door de "informatiejungle". Het gezamenlijke initiatief van milieu-autoriteiten om op de portal Atlas Leefomgeving
informatie over milieu en gezondheid beschikbaar te stellen in de vorm van doorzoekbare kaarten is een poging om dit te verbeteren.
Financiering en doeltreffend gebruik van middelen stimuleren
De Nederlandse autoriteiten hebben veel ervaring met het beheer van EU-financiering en er zijn op dit gebied geen grote problemen.
Internationale overeenkomsten
Krachtens de EU-Verdragen moeten door middel van het Europese milieubeleid maatregelen op internationaal niveau worden gestimuleerd om regionale en mondiale milieuproblemen aan te pakken.
De EU spant zich ervoor in het milieurecht en de wereldwijde uitvoering ervan te versterken. Daarom blijft zij het in mei 2018 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties gelanceerde mondiaal pact voor het milieu ondersteunen. De EIR is een instrument om ervoor te zorgen dat de lidstaten het goede voorbeeld geven door zich te houden aan het milieubeleid en het recht van de Europese Unie en aan internationale overeenkomsten.
Nederland behoort tot de best presterende landen in de EU wat de ondertekening en ratificatie van internationale milieuovereenkomsten betreft.
Bossen: EU-houtverordening / wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt)
Uit hoofde van de EU-houtverordening, waarin het voor het eerst op de interne markt brengen van illegaal gekapt hout wordt verboden, moeten de relevante autoriteiten in de lidstaten marktdeelnemers en handelaren regelmatig controleren en sancties voor niet-naleving opleggen.
Tussen maart 2015 en februari 2017 heeft Nederland geen controles van marktdeelnemers die werken met binnenlands hout gepland of uitgevoerd, waarbij het de beperkte binnenlandse productie benadrukt. Daarentegen zijn 74 van de 100 geplande controles van marktdeelnemers die hout invoeren, voor dezelfde periode uitgevoerd. Tot nu toe schond circa 30 % van de gecontroleerde marktdeelnemers zijn zorgvuldigheidsplicht. Aan hen zijn kennisgevingen van corrigerende maatregelen afgegeven. Nederland heeft een administratieve maatregel getroffen om het op de markt brengen van producten zonder de juiste zorgvuldigheid te voorkomen. De maatregel is in een rechtszaak bekrachtigd.
Wat betreft samenwerking (artikel 12 EU-houtverordening) heeft Nederland gemeld dat het samenwerkt met andere overheidsinstellingen in het land en met bevoegde EU-autoriteiten, voornamelijk in vergaderingen van deskundigengroepen inzake de Flegt/EU-houtverordening, de ad-hocdeskundigengroep inzake Flegt, de TREE-bijeenkomsten en tijdens bilaterale bezoeken.
Genetische rijkdommen: Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik
Uit hoofde van de ABS-verordening die de vereiste nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya omzet naar de rechtsorde van de EU, heeft Nederland bevoegde instanties aangewezen en sancties vastgesteld voor inbreuken op de verordening. Het land heeft ook een risicogebonden aanpak voor controles ingevoerd en controles uitgevoerd (bezoeken en inspecties op locatie). Tot nu toe is er geen zorgvuldigheidsverklaring ingediend en zijn er geen sancties opgelegd. Eind 2017 heeft Nederland zijn eerste verslag over de uitvoering van de ABS-verordening ingediend bij de Commissie.
Internationale handel in wilde dieren en planten: de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES)
Krachtens de verplichting uit de verordening die de belangrijkste verplichtingen uit CITES omzet in EU-recht, heeft Nederland relevante nationale autoriteiten aangesteld en verwerkt het regelmatig (aanvragen voor) invoer en (weder)uitvoer en documenten met betrekking tot de handel binnen de EU.
De verslagen over de inbeslagname van illegaal vervoer, met name zoals elke zes maanden wordt gemeld aan het netwerk voor toezicht op de handel in wilde dieren en planten TRAFFIC krachtens het contract met DG Milieu, en de verslagen die worden uitgewisseld via het platform
EU-TWIX
, bevestigen de activiteiten van de douaneautoriteiten.
Om te waarborgen dat het EU-actieplan voor wilde dieren en planten (2016) volledig wordt uitgevoerd, organiseert Nederland elk jaar een nationale CITES-dag. Op deze dag kan iedereen die betrokken is bij CITES en de illegale handel in wilde dieren en planten bestrijdt, met inbegrip van openbaar aanklagers, bij elkaar komen, elkaar leren kennen en best practices uitwisselen.
Duurzame ontwikkeling en de uitvoering van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN
In het kader van duurzame ontwikkeling worden ecologische, sociale en economische beleidslijnen gesmeed tot een samenhangend geheel. Zo wordt bijgedragen aan de uitvoering van milieuwetgeving en -beleid.
Hoewel Nederland een voorloper was op het gebied van strategische milieuplanning, heeft het nog geen nationaal plan voor duurzame ontwikkeling aangenomen. Een concept voor een dergelijk plan is omgezet in een actieplan dat in 2003 is aangenomen. Naar aanleiding van een internationale peer review heeft de regering haar beleid in 2008 herzien tot een programma genaamd "Kabinetsbrede aanpak duurzame ontwikkeling" (KADO).
Er zijn geen aparte coördinatiemechanismen voor duurzame ontwikkeling op nationaal en subnationaal niveau. Voor sectoraal beleid is er coördinatie tussen de politieke niveaus, bv. op het gebied van milieu, vervoer, ruimtelijke ordening, waterbeheer of klimaatverandering. Op nationaal niveau vindt de coördinatie plaats door de gebruikelijke coördinatiemechanismen die de ministerraad ondersteunen, zoals de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur.
Op beleidsvormingsniveau staat het ministerie van Buitenlandse Zaken aan het hoofd van de Task Force Duurzame Ontwikkeling (TFDO). In 2018 hebben het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de "Blue Deal" ondertekend. Het doel is om 20 miljoen mensen wereldwijd aan schoon, voldoende en veilig water te helpen.
Op een speciale website wordt informatie verzameld over de uitvoering van Duurzame Ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals, SDG's) in Nederland. Dit is een gezamenlijk initiatief van het ministerie van Buitenlandse Zaken, belanghebbenden uit de maatschappij en het bedrijfsleven en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Het CBS heeft in 2016 een Monitor Duurzaam Nederland uitgebracht en de regering brengt jaarlijks verslag uit aan het parlement over de voortgang van de SDG's. Sinds 2018 is het toezicht op SDG's opgenomen in de Monitor Brede Welvaart.
De planbureaus voor economie, milieu en maatschappij publiceren jaarlijks een visie over relevante onderwerpen die verband houden met de SDG's. De editie van 2018 is gewijd aan de circulaire economie, consumentengedrag en beleidsopties
. Bij dit verslag zijn ook vijf belangrijke groepen belanghebbenden betrokken: het bedrijfsleven, de maatschappij, kennisinstellingen, lokale overheden en jongeren.
Nederland heeft in 2017 een Vrijwillige nationale evaluatie van de uitvoering van de SDG's ingediend bij de VN.
Duurzaamheid en media-aandacht
Ngo's die duurzaamheid bevorderen krijgen veel aandacht in de media. Voorbeelden hiervan zijn Urgenda
, dat aanspoort tot drastische klimaatactie, en de Plastic Soup Foundation
, die oproept om de vervuiling door plastic te bestrijden. Elk jaar stelt Trouw de Duurzame 100 samen
, een lijst met de mensen die het meest hebben bereikt bij het creëren van een duurzamere samenleving. Een top 100 van jonge mensen die zich inspannen voor duurzaamheid is een recenter initiatief
. Bovendien zijn er steeds meer lokale, door burgers opgezette energiecoöperaties
.