Brussel, 4.4.2019

SWD(2019) 112 final

WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE

Evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid 2019







Landverslag — BELGIË














bij

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's

Evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid 2019:
een Europa dat zijn burgers beschermt en hun levenskwaliteit verbetert

{COM(2019) 149 final} - {SWD(2019) 111 final} - {SWD(2019) 113 final} - {SWD(2019) 114 final} - {SWD(2019) 115 final} - {SWD(2019) 116 final} - {SWD(2019) 117 final} - {SWD(2019) 118 final} - {SWD(2019) 119 final} - {SWD(2019) 120 final} - {SWD(2019) 121 final} - {SWD(2019) 122 final} - {SWD(2019) 123 final} - {SWD(2019) 124 final} - {SWD(2019) 125 final} - {SWD(2019) 126 final} - {SWD(2019) 127 final} - {SWD(2019) 128 final} - {SWD(2019) 129 final} - {SWD(2019) 130 final} - {SWD(2019) 131 final} - {SWD(2019) 132 final} - {SWD(2019) 133 final} - {SWD(2019) 134 final} - {SWD(2019) 135 final} - {SWD(2019) 136 final} - {SWD(2019) 137 final} - {SWD(2019) 138 final} - {SWD(2019) 139 final}


Dit verslag is geschreven door het personeel van het directoraat-generaal Milieu van de Europese Commissie. Commentaar is welkom en kan worden verzonden naar ENV-EIR@ec.europa.eu

Meer informatie over de Europese Unie is beschikbaar op http://europa.eu

Foto's: p. 14 — ©iStock/ Geofff; p. 15 — © iStock/ 4nadia; p. 22 — © iStock/ jotily; p. 26 — © gettyimages/ barmalini; p. 29 — © iStock/ Leonid Andronov

Voor reproductie of gebruik van deze foto's moet rechtstreeks aan de auteursrechthebbende toestemming worden gevraagd.

© Europese Unie 2019

Overneming met bronvermelding toegestaan.

Inhoudsopgave

Samenvatting

Deel I: Thematische werkterreinen

1.Omvorming van de EU tot een circulaire, hulpbronnenefficiënte, groene en concurrerende koolstofarme economie

Maatregelen om tot een circulaire economie te komen

Afvalbeheer

Klimaatverandering

2.Bescherming, instandhouding en verbetering van het natuurlijk kapitaal

Natuur en biodiversiteit

Handhaving en herstel van ecosystemen en ecosysteemdiensten

Schatting van natuurlijk kapitaal

Invasieve uitheemse soorten

Bodembescherming

Mariene bescherming

3.Zorg voor de gezondheid en de levenskwaliteit van burgers

Luchtkwaliteit

Industriële emissies

Geluid

Waterkwaliteit en -beheer

Chemische stoffen

Steden duurzamer maken

Deel II: Faciliterend kader: uitvoeringsinstrumenten

4.Groene belastingen, groene overheidsopdrachten, milieufinanciering en -investeringen

Groene belastingen en milieuschadelijke subsidies

Groene overheidsopdrachten

Milieufinanciering en -investeringen

5.Verbetering van de milieugovernance

Informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter

Waarborging van de naleving

Effectiviteit van milieubeheer

Internationale overeenkomsten

Duurzame ontwikkeling en de uitvoering van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN

Samenvatting

België en de evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid (Environmental Implementation Review — EIR)

De belangrijkste uitdagingen die in de EIR 2017 werden geïdentificeerd met betrekking tot de uitvoering van het EU-milieubeleid en -recht in België waren:

·de luchtkwaliteit verbeteren, met name de stikstofdioxideconcentraties, door verkeerscongestie te verminderen;

·doorgaan met het aanpakken van waterverontreiniging uit stedelijk afvalwater en agrarische bronnen;

·het Natura 2000-netwerk beheren met als doel een gunstige staat van instandhouding voor alle soorten en habitats.

In de nationale EIR-dialoog in maart 2017 legde België de nadruk op verkeerscongestie, luchtvervuiling, menselijke gezondheid en waarborging van de naleving. Vanwege de federale structuur van België zijn de meeste milieuvraagstukken een gewestelijke bevoegdheid. Daarom is een doeltreffende coördinatie nodig binnen een systeem van meerlagig bestuur.

In 2017 heeft de Commissie de TAIEX-EIR Peer-to-Peer (EIR P2P) gelanceerd als nieuw praktisch instrument om te bevorderen dat de milieuautoriteiten van elkaar leren. België heeft deelgenomen aan activiteiten van dit instrument over de circulaire economie, lucht- en afvalbeheer.

Vooruitgang met betrekking tot de uitdagingen sinds het verslag 2017

De EIR 2019 wijst uit dat er op het gebied van luchtkwaliteit enige vooruitgang is geboekt bij het verminderen van de emissies. Deze vooruitgang werd mede mogelijk gemaakt door planningsmaatregelen zoals lage-emissiezones, technische verbeteringen van voertuigen en belastingprikkels. Er is flinke vooruitgang geboekt ten aanzien van fijnstof: in 2016 zijn er in België geen meldingen geweest van limietoverschrijdingen en de uitstoot van stikstofoxiden is enigszins verbeterd. De emissies werden slechts in geringe mate teruggedrongen en de overschrijdingen van de grenswaarden houden aan, met name vanwege het nog altijd omvangrijke wegverkeer in België: bijna 80 % van het wegverkeer vindt plaats in particuliere wagens. Er moet verdere vooruitgang worden geboekt bij de hervorming van een doeltreffend systeem voor bedrijfswagens en bij het verminderen van congestie, waarbij de gelijkstelling tussen de benzine- en de dieselprijzen in stand moet blijven en investeringen in duurzamere vervoerswijzen nodig zijn.

Op het gebied van de waterkwaliteit is flinke vooruitgang geboekt in die zin dat alle agglomeraties (bevolkingscentra of plaatsen waar economische activiteit plaatsvindt) dankzij passende investeringen voldoen aan de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater. De nitraatconcentraties in het oppervlakte- en grondwater in Wallonië zijn vrij stabiel gebleven en in Vlaanderen blijft de landbouw aanzienlijke diffuse verontreiniging veroorzaken. De doeltreffendheid van de huidige maatregelen tegen de verontreiniging door mest en meststoffen in Wallonië moet daarom gemonitord blijven worden, en in Vlaanderen moeten de inspanningen ter vermindering van de verontreiniging door nutriënten worden voortgezet.

Op het gebied van natuurbehoud zijn dankzij een doeltreffend gebruik van EU-financiering verschillende maatregelen genomen om Natura 2000-gebieden te herstellen en te beheren. Verder zijn de landbouwbeheersmaatregelen opgeschroefd ter bescherming van soorten en habitats, hoewel het nog niet duidelijk is of deze maatregelen toereikend zullen zijn om de negatieve trends op het platteland als geheel, die voortkomen uit de intensivering van de landbouw en de bijkomende eutrofiëring, te keren. Een van de kwesties die in dit verslag aan de orde worden gesteld, is de noodzaak om de EU-houtverordening beter uit te voeren.

Verder blijft België efficiënt gebruikmaken van EU-financiering en ‑kredietmogelijkheden, met name ter ondersteuning van de circulaire economie.

Voorbeelden van goede praktijken

·In 2018 gaf België zijn eerste groene obligaties uit.

·In het kader van de circulaire economie is het Vlaamse onderzoek naar duurzame overgangen door middel van de "Visie 2050" het vermelden waard. Wallonië heeft doeltreffende stimuleringsmaatregelen genomen om de gescheiden afvalinzameling door gemeenten op te schroeven. De inspanningen die Brussel levert voor de circulaire economie zijn uitgelicht op het Europees platform voor de circulaire economie. Met 53,5 % (2016) heeft België een van de hoogste recyclingpercentages van stedelijk afval in de EU.

·Er zijn verschillende initiatieven genomen met betrekking tot groene infrastructuur. Bijvoorbeeld: i) "maillage vert et bleu", dat natuurgebieden in het Brussels Gewest opnieuw met elkaar verbindt; ii) het kader voor de prioritering van herstelwerkzaamheden in het Vlaams Gewest; en iii) de Waalse wet inzake territoriale ontwikkeling, die voorziet in ecologische verbindingen. België heeft daarnaast de verspreiding van de Aziatische hoornaar goed in de hand gehouden.

·Voorbeelden van lovenswaardige acties in het openbaar bestuur zijn: i) de intergewestelijke samenwerkingsorganen en de organen voor samenwerking tussen de gewesten en de federale overheid; ii) het uitvoeringsverslag en de taskforce inzake de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen; en iii) het enkele loket dat voorlichting biedt over de uitvoering van het Verdrag van Aarhus en publieksraadpleging.

·De Commissie beschouwt het actieplan van België inzake groene overheidsopdrachten als voorbeeld van een goede Europese praktijk. België heeft de opleidings- en ontwikkelingsactiviteiten ter ondersteuning van de handhaving van het Verdrag inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) opgeschroefd, waaronder in het kader van Africa Twix en het African Elephant Fund.

Deel I: Thematische werkterreinen

1.Omvorming van de EU tot een circulaire, hulpbronnenefficiënte, groene en concurrerende koolstofarme economie

Maatregelen om tot een circulaire economie te komen

In het actieplan voor de circulaire economie wordt benadrukt dat we de overgang moeten maken naar een circulaire economie waarin de levenscyclus centraal staat, waarbij we hulpbronnen zoveel mogelijk hergebruiken en bijna geen restafval produceren. Dit kan worden bevorderd door innovatieve financiële instrumenten en financiering voor eco-innovatie te ontwikkelen en open te stellen

Nadat de Europese Commissie in 2015 het actieplan voor de circulaire economie had vastgesteld en in 2017 een bijbehorend platform voor belanghebbenden had opgericht, heeft zij in januari 2018 een nieuw pakket maatregelen vastgesteld 1 . Dit pakket omvat aanvullende initiatieven, zoals: i) een EU-strategie inzake kunststoffen; ii) een mededeling die ingaat op de wisselwerking tussen de wetgeving inzake chemische stoffen, producten en afvalstoffen; iii) een verslag over kritieke grondstoffen; en iv) een kader om de voortgang op weg naar een circulaire economie te monitoren 2 .

Op basis van de tien indicatoren van het monitoringkader voor de circulaire economie heeft België een grote voorsprong ten opzichte van het EU-gemiddelde voor het circulaire (secundaire) gebruik van materialen (18,9 % in 2016 tegenover een EU-gemiddelde van 11,7 %). Waar het gaat om het aantal mensen dat werkzaam is in de circulaire economie, presteert België echter onder het EU-gemiddelde (1,12 % van de totale werkgelegenheid in 2015 tegenover een EU-gemiddelde van 1,73 % 3 ).

Uit de Speciale Eurobarometer nr. 468 over de houding van de EU-burgers ten opzichte van het milieu (2017) blijkt dat 86 % van de Belgische burgers zeer bezorgd is over de effecten van kunststofproducten op het milieu (EU-gemiddelde: 87 %) en over de effecten van chemische stoffen (92 % tegenover een EU-gemiddelde van 90 % 4 ). Over het geheel genomen lijkt de Belgische samenleving achter de initiatieven op het gebied van de circulaire economie en de milieubeschermingsmaatregelen te staan.

In 2016 hebben de federale ministeries van Economie en van Volksgezondheid en Milieu samen een document met maatregelen opgesteld om de overgang naar een meer circulaire economie te ondersteunen 5 . Sindsdien zijn partnerschappen tot stand gebracht met recyclage- en technologiebedrijven. Een andere welkome ontwikkeling was een studie naar repareerbaarheidscriteria, die medio 2018 werd vastgesteld en draaide om twee praktische voorbeelden (afwasmachines en stofzuigers) 6 .

Wat de samenwerking binnen de EU betreft treden de Beneluxlanden als één blok op met betrekking tot de circulaire economie 7 8 en ondersteunt het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) de grensoverschrijdende samenwerking tussen België en Frankrijk in het afvalproject RECY-COMPOSITE 9 en tussen België en Nederland in het grasrecyclingproject GrasGoed 10 .

In Wallonië behoren hulpbronnenefficiëntie en de circulaire economie tot de politieke topprioriteiten, zoals blijkt uit de verklaring over het gewestelijke beleid van 25 juli 2018 11 , en maken deze vraagstukken deel uit van verschillende beleidsinitiatieven, waaronder het Marshall-plan 4.0 (het gewestelijke ontwikkelingsplan 2015‑2019 van de Waalse Regering) 12 . Het NEXT-programma 13 , met de nadruk op een doeltreffend hulpbronnenbeheer in alle sectoren, is gericht op de overgang naar een circulaire economie en is een instrument om de Waalse strategie voor slimme specialisatie te versterken, omdat het programma verbindingen legt met andere sleutelsectoren en -clusters. Bovendien biedt het Waalse agentschap voor ondernemingen en innovatie sinds 2004 ondersteuning aan kleine en middelgrote ondernemingen die een rol willen spelen in de circulaire economie 14 .

Wallonië heeft ook een Alliantie Werkgelegenheid-Leefmilieu — As Duurzaam bouwen 15 . De alliantie heeft een innovatieve bestuursdynamiek: overheidsinstanties, huishoudens en particuliere spelers in de bouwsector mobiliseren en coördineren in het kader van gezamenlijke acties om de uitdagingen rond energietransitie, klimaat en werkgelegenheid het hoofd te bieden.

Het gebruik van ecocheques is in juli 2017 goedgekeurd en het EFRO heeft hiervoor een begroting van 3 260 miljoen EUR uit het operationele programma (OP) van Wallonië beschikbaar gesteld. Met deze ecocheques kunnen bedrijven deskundig advies inwinnen bij de ontwikkeling van ecologische oplossingen en van duurzame goederen.

Vlaanderen heeft in maart 2016 de "Visie 2050" goedgekeurd als een van de zeven acties voor de overgang naar een circulaire economie 16 . In februari 2017 heeft de Vlaamse Regering een conceptnota goedgekeurd 17 over de circulaire stad, circulaire inkoop (waarvoor al een "green deal" is gelanceerd) en circulaire bedrijven.

"Vlaanderen Circulair" 18 is een andere opvallende strategie voor een circulaire economie. Het is een forum waar netwerkactiviteiten plaatsvinden en publiek-private partnerschappen in de circulaire economie worden gesmeed. De strategie dient ook als proeftuin ter ondersteuning van partners in de circulaire economie en voor het delen van kennis onder de deelnemers, ondersteund door een centrum voor beleidsonderzoek. Circulaire inkoop (of circulaire aanbesteding) is een van de drie strategische thema's van Vlaanderen Circulair voor 2017‑2018, naast "circulaire steden" en "circulair ondernemerschap". In 2017 is een nieuw subsidieprogramma gestart ter ondersteuning van experimenten met sociale innovaties (zoals nieuwe productie- en consumptiemodellen) met het oog op de circulaire economie.

Een ander programma, "Slim Vlaanderen", ondersteunt 13 steden die "slimme steden" willen worden, en loopt tot eind 2019 19 . Het in het oog springende project "Groen Licht Vlaanderen" is een netwerk voor digitalisering en duurzame led-verlichting. Tot slot heeft de Vlaamse Milieumaatschappij het verslag "Systeembalans 2017" opgesteld over de vraag of de energie-, mobiliteits- en voedselsystemen in evenwicht zijn met het milieu en welke systeemveranderingen er nodig zijn 20 .

De Brusselse Gewestregering heeft in maart 2016 een gewestelijk circulaire-economieplan (Be Circular) met 111 maatregelen 21 22 vastgesteld, waarin een strategie wordt uiteengezet om tegen 2025 over te schakelen van een lineaire op een circulaire economie. Be Circular heeft de regionale innovatieprijs (2016) van de Vergadering van de Regio's van Europa en de Eurocities-prijs in de categorie "innovatie" (2017) gewonnen. Be Circular staat momenteel in de schijnwerpers op de nieuwe website van het Europees stakeholdersplatform voor de circulaire economie 23 .

Bij Be Circular zijn 3 gewestelijke ministeries, 15 overheidsinstanties, een adviescommissie en meer dan zestig publieke en private belanghebbenden betrokken. Het project biedt bedrijven in Brussel uiteenlopende coachings-, opleidings- en financieringsmogelijkheden. 18 maanden na de start is het gemiddelde uitvoeringspercentage van de Be Circular-maatregelen 45 %. Van de 111 Be Circular-maatregelen zijn er slechts 14 die nog van start moeten gaan. Meer dan 20 % van de maatregelen is volledig afgerond, en veel daarvan zijn terugkerend van aard.

In België stegen de particuliere investeringen, de werkgelegenheid en de bruto toegevoegde waarde met betrekking tot de circulaire economie van 2 292,6 miljoen EUR in 2009 naar 2 843,5 miljoen EUR in 2015 24 .

België deed het iets beter dan gemiddeld in de EU wat hulpbronnenproductiviteit betreft 25 (hoe efficiënt de economie gebruikmaakt van materiële hulpbronnen om welvaart te creëren), met 2,63 EUR/kg in 2017 (EU-gemiddelde: 2,04 EUR/kg 26 ). Figuur 1 toont de ontwikkeling in de loop der tijd. In België stijgt de hulpbronnenproductiviteit sinds 2009 licht maar gestaag, met uitzondering van een daling tussen 2016 en 2017.

Figuur 1: hulpbronnenproductiviteit 2010-2017 27

Het hoge aantal producten met een EU-milieukeur en organisaties met een licentie van het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Europese Commissie (EMAS) 28 laat zien dat de overheid werk maakt van de circulaire overgang en dat vele particuliere spelers en nationale belanghebbenden zich hiervoor inzetten. In september 2018 waren in totaal 2 057 Belgische producten en 49 licenties geregistreerd bij de EU-milieukeurregeling, op een totaal van 71 707 producten en 2 167 licenties in de EU 29 . Bovendien staan er momenteel (april 2018) 75 Belgische organisaties in het EMAS ingeschreven met 751 geografische locaties.

Op 4 december 2018 werd een belangrijk evenement georganiseerd over twintig jaar Belgisch productbeleid in brede zin.

In alle drie de gewesten zijn belangrijke maatregelen getroffen voor de totstandbrenging van een markt voor secundaire grondstoffen en is er een voorlichtingscampagne voor consumenten gehouden. Zo is de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) een belangrijke partner van 30 geaccrediteerde kringloopcentra. Samen vormen zij een professioneel netwerk om de kwaliteit te verbeteren en van elkaar te leren 30 . De OVAM ondersteunt een platform voor industriële symbiose, waar bedrijven die nevenstromen produceren worden gekoppeld aan bedrijven die die stromen als grondstoffen kunnen gebruiken. Een voorbeeld uit het bedrijfsleven is "Umicore", dat een gesloten bedrijfsmodel heeft ontwikkeld dat specifiek gericht is op producten en diensten voor de automobielbranche 31 . De EIB verstrekt leningen voor voorzieningen in de haven van Antwerpen om het koolwaterstofafval aan boord van schepen (residuen) te recycleren.

In de provincie Namen worden beton en stenen uit gesloopte gebouwen verwerkt tot milieuvriendelijke wegverharding.

Kleine en middelgrote ondernemingen en hulpbronnenefficiëntie

De milieuprestaties van de Belgische kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) blijven in lijn met het EU-gemiddelde (zie figuur 2). Tussen 2016 en 2017 zijn deze indicatoren onveranderd gebleven. In België hebben meer kleine en middelgrote ondernemingen maatregelen inzake hulpbronnenefficiëntie genomen dan het EU-gemiddelde en profiteren er meer kmo's van belastingprikkels en andere soorten subsidies dan gemiddeld in de EU. Het aantal Belgische kmo's dat groene producten of diensten levert, is ook gestegen tot het EU-gemiddelde. Het aantal kmo's dat meer dan 50 % van de omzet haalt uit groene producten, ligt echter onder het EU-gemiddelde.

De nieuwste Eurobarometer over kmo's, hulpbronnenefficiëntie en groene markten 32 laat verbeteringen zien met betrekking tot enkele hoofdindicatoren. 51 % van de Belgische kmo's investeerde tot 5 % van hun jaaromzet in verbetering van de hulpbronnenefficiëntie (EU-gemiddelde: 50 %), terwijl 36 % aangeeft groene producten of diensten aan te bieden of dat binnen twee jaar te willen gaan doen (EU-gemiddelde: 33 %). 69 % van de Belgische "groene" kleine en middelgrote ondernemingen is tevreden met de bijstand van de overheid (EU-gemiddelde: 58 %). Toch is er nog altijd ruimte voor verbetering. Waar in de EU gemiddeld vier werknemers per kmo een groene baan hebben, ligt dit gemiddelde in België op 3,8.

Figuur 2: milieuprestaties van kleine en middelgrote ondernemingen 33

De Belgische gewesten hebben verschillende belangrijke maatregelen genomen om groene bedrijven te ontwikkelen, ondernemingen duurzamer en energie-efficiënter te maken en eco-innovatie te ondersteunen. Via het Be Circular-programma biedt het Brussels Gewest kleine en middelgrote ondernemingen één loket voor informatie, ondersteuning en financiering. Deze kunnen bijvoorbeeld profiteren van coachinginstrumenten die zijn ontwikkeld in het kader van het project "Resilient Web", dat door het EFRO wordt ondersteund. Een ander voorbeeld is de Be Circular-projectronde voor bedrijven en ondernemers in de circulaire economie, met een jaarlijks budget van 1,5 miljoen EUR. In de eerste twee aanvraagronden konden 70 projecten financieel worden ondersteund.

Het Gentse project Bio Base NWE werd in 2017 bekroond met de RegioStars Award in de categorie "Slimme specialisatie voor innovatie in het mkb" 34 . De investering uit het IVB-programma van Interreg was een ondersteunende factor; deze bedroeg maximaal 71 miljoen EUR, goed voor 320 nieuwe banen in de biogebaseerde economie in Noordwest-Europa.

Wallonië heeft het nieuwe initiatief "SMART PARK II" gelanceerd voor kmo's die energie-efficiëntie en de productie van hernieuwbare energie bevorderen. Het gewest beschikt ook over steun- en financieringsregelingen die kmo's en zkmo's 35 de mogelijkheid geven om te investeren in energie-efficiëntie en meer hernieuwbare energie te produceren.

Eco-innovatie

In 2018 stond België op de achtste plaats van het Europees innovatiescorebord, bij een stijging met 6,8 punten sinds 2010 36 . Met een totale score van 83 op het globale Eco-Innovation Scoreboard 2017 bekleedde België evenwel de 16e plaats in de lijst van EU-landen (zie figuur 3) 37 .

Figuur 3: Eco-Innovation Index 2017 (EU = 100) 38

Tussen 2011 en 2016 daalde de eco-innovatiescore van België van 115 naar 82 punten (zie figuur 4) 39 . Hoewel de ontwikkeling van eco-innovaties in België niet is vertraagd, verloopt deze niet zo snel als in andere EU-lidstaten 40 .

Om deze kloof te dichten moet België beter gaan scoren op een aantal hoofdindicatoren van de index. Zo hanteren slechts 1 167 Belgische organisaties de norm ISO 14001 inzake doeltreffende milieumanagementsystemen, waarmee België de 18e plek inneemt in de EU 41 , en is de werkgelegenheid in de eco-industrie en de circulaire economie goed voor slechts 1,16 % van de totale werkgelegenheid tegenover een EU-gemiddelde van 1,71 % 42 .

Zoals gemeld in de EIR 2017 kunnen we in België verschillende drijvende krachten achter eco-innovatie identificeren Om te beginnen worden eco-innovatie- en duurzaamheidsdoelstellingen volledig geïntegreerd in het industriële en economische beleid, omdat eco-innovatie en duurzaamheid als waardevolle activa voor het concurrentievermogen van bedrijven worden beschouwd. Ten tweede heeft België een goed ontwikkelde technologische capaciteit, regelgeving en infrastructuur. De duidelijke focus van de overheid op wetenschap, belastingprikkels, sterke O&O-financiering, menselijk kapitaal en andere factoren hebben bijgedragen tot een versterking van de kennisbasis en hebben de Belgische eco- en andere industrieën in een sterke positie geplaatst. Ten derde is er van de kant van zowel particulieren als grotere bedrijven en overheden die zich toeleggen op vergroeningsstrategieën, steeds meer vraag naar groene technologie en producten.

Figuur 4: de prestaties van België op het gebied van eco-innovatie

Eco-innovatie wordt ook op verschillende manieren belemmerd. Sommige belemmeringen houden verband met intergewestelijke samenwerking, geïntegreerde planning en besluitvorming, waarbij weinig aandacht wordt besteed aan de verspreiding van goede gewestelijke praktijken en samenwerking naar het nationale niveau. Een andere belemmering is het gebrek aan competentie op het gebied van eco-innovatie en circulaire economie bij kleine en middelgrote ondernemingen 43 . De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu heeft onderzoek laten verrichten naar de ontwikkeling van praktische instrumenten waarmee bedrijven de overgang kunnen maken van een op verkoop gericht bedrijfsmodel naar een bedrijfsmodel waarin producten als diensten worden aangeboden. Er wordt een casestudie verricht bij een grotere kmo. In Vlaanderen en Wallonië is het beleid om de marktwaarde van innovaties te vergroten georganiseerd rond clusters, waarbij bedrijven, kenniscentra en de gewestelijke overheden nauw met elkaar samenwerken.

Vlaanderen beschikt over twee grote vraaggestuurde innovatieclusters op het gebied van eco-innovatie: een voor energie 44 en een voor duurzame chemie 45 . I‑cleantech is een organisatie die de uitrol van eco-innovaties door bedrijven stimuleert46. Verder staan er een innovatiehub (Blue App) en een incubator (BlueChem) op stapel. Hierbij zal de focus liggen op het hergebruik van afval en nevenstromen en op de ontwikkeling van hernieuwbare chemische stoffen en duurzame materialen. Het project zal meer dan 11 miljoen EUR kosten en zal worden medegefinancierd door het EFRO, de stad Antwerpen en het Vlaams Gewest 46 .

In Wallonië is de regering in lijn met de gewestelijke strategie voor slimme specialisatie doorgegaan met de uitvoering van het clusterbeleid voor concurrentievermogen. Sommige clusters hebben betrekking op de circulaire economie, zoals: het cluster ecologisch bouwen, dat verantwoorde gebouwen en bouwtechnieken promoot; CAP 2020, dat gericht is op de bouwsector en op vermindering van het energieverbruik; TWEED 47 , dat draait om hernieuwbare energie, klimaatimpact en energie-efficiëntie; en GreenWin, dat groene chemie en duurzame materialen ondersteunt en nieuwe grondstofbronnen aanboort in stortplaatsen. De verwante, in november 2017 gelanceerde maatregel "EASYGREEN" ondersteunt Waalse kmo's die hun energieverbruik willen verminderen of die innovatieve projecten met een directe impact op de CO2-uitstoot willen ontwikkelen (eco-innovatie).

De aanpak van de "slimme stad" wordt overal in België uitgerold. Gewestelijke en sectorspecifieke voorbeelden zijn: i) het Vlaamse iMinds/imec-programma voor slimme steden; ii) de conferentie over slimme steden in Wallonië; iii) het e-platform voor slimme steden in Brussel; en iv) de gemeenschap van slimme steden die is opgericht door de Belgische organisatie van de technologiesector (Agoria). Bovendien biedt het eerder genoemde programma Slim Vlaanderen oplossingen om de verkeerscongestie te verminderen, goederen op een duurzame manier van en naar de stadscentra te vervoeren, de luchtkwaliteit te verbeteren, de gezondheid te bevorderen, een goed parkeerbeleid te formuleren en belemmeringen voor achtergestelde groepen weg te nemen. Ook de "City of Things"-proeftuin in Antwerpen, die als interoperabiliteitslab wordt gebruikt, is het vermelden waard. Voorts ondersteunt het partnerschap tussen de Europese Investeringsbank (EIB) en Belfius de ontwikkeling van slimme steden in België via 100 slimme en duurzame projecten 48 .

Ten aanzien van de drie voorgestelde maatregelen uit de EIR 2017 op het gebied van circulaire economie, kleine en middelgrote ondernemingen en hulpbronnenefficiëntie en eco-innovatie heeft België flinke vooruitgang geboekt, zoals hierboven uiteengezet. Bovendien bevordert het Coördinatiecomité Internationaal Milieubeleid (CCIM) de uitwisseling van goede praktijken tussen alle Belgische instanties.

Afvalbeheer

De omzetting van afval in een hulpbron wordt ondersteund door:

i) de volledige uitvoering van de EU-afvalwetgeving, inclusief de afvalhiërarchie, gescheiden afvalinzameling, het realiseren van de doelstellingen om te voorkomen dat afvalstromen op de stortplaats belanden enz.;

ii) vermindering van de afvalproductie en de geproduceerde hoeveelheid afval per hoofd van de bevolking in absolute termen; en

iii) beperking van de terugwinning van energie tot niet-recycleerbare materialen en de geleidelijke stopzetting van het storten van recycleerbaar of terugwinbaar afval.

In dit deel wordt gefocust op het beheer van stedelijk afval 49 waarvoor in de EU-wetgeving bindende recyclagedoelstellingen 50 zijn vastgesteld.

In 2017 bleef de productie van stedelijk afval in België onder het EU-gemiddelde (409 kg/jr/inwoner tegen ongeveer 487 kg) 51 . Er is sprake van een dalende trend, echter met grote verschillen tussen de gewesten. In 2016 bedroeg de afvalproductie circa 490 kg/jr/inwoner in Vlaanderen 52 , circa 535 kg/jr/inwoner in Wallonië 53  en circa 300 kg/jr/inwoner 54 in het Brussels Gewest.

Figuur 5 geeft de hoeveelheid stedelijk afval in België weer, uitgesplitst naar verwerkingsmethode en uitgedrukt in kg per hoofd van de bevolking, en laat zien dat de verdeling tussen verwerkingsmethoden tamelijk stabiel blijft.

Figuur 5: stedelijk afval, uitgesplitst naar verwerkingsmethode, in België in de periode 2010‑2017 55

België blijft een van de best presterende EU-lidstaten op het gebied van afvalbeheer: in 2017 werd 54 % van het stedelijk afval gerecycleerd (EU-gemiddelde 45 %), waarvan 20 % gecomposteerd (zie figuur 6). Op gewestelijk niveau variëren de prestaties echter, waarbij het Brussels Gewest het slechtst presteert.

België voldoet al aan de recyclagedoelstelling van 50 % voor 2020 56 en is gestopt met het storten van biologisch afbreekbaar afval 57 . Om de recyclagedoelstellingen voor de periode na 2020 58 te halen zijn echter verdere inspanningen nodig. Daarbij moeten bijzondere inspanningen worden geleverd om minder stedelijk afval te verbranden, een aspect dat momenteel geen neerwaartse trend vertoont 59 .

Figuur 6: recyclingpercentage van stedelijk afval 2010‑2017 60

Vanwege de gescheiden inzameling heeft België slechts één mechanische biologische scheidingsinstallatie in gebruik. Zowel Vlaanderen als Wallonië meldt dat ongeveer 70 % van hun stedelijk afval gescheiden wordt ingezameld 61 ; in het Brussels Gewest ligt dat rond 37 % 62 . In een poging om het recyclingpercentage te verhogen breidde het Brussels Gewest in 2017 de gescheiden inzameling uit met de vrijwillige gescheiden inzameling van keukenafval. Bovendien hebben de drie gewesten onlangs een verbod ingesteld op het gebruik van lichtgewicht plastic tasjes. België staat in Europa bovenaan wat betreft de recyclage van verpakkingsmateriaal (80 % volgens Eurostat).

Alle drie de gewesten beschikken al over een systeem dat het verbrande afval belast. Ook bevorderen ze alle drie warmteterugwinning uit afvalverbranding.

Er zou verdere vooruitgang kunnen worden geboekt door nieuwe economische instrumenten te introduceren om afval te vermijden door de verbranding van herbruikbaar of recycleerbaar afval te voorkomen, met name in het Brussels Gewest, en door het hergebruik en de recyclage van afval economisch aantrekkelijker te maken.

In Vlaanderen zijn in het afvalbeheerplan voor huishoudelijk afval en vergelijkbaar bedrijfs- en industrieel afval 2016‑2022 nieuwe doelen gesteld om de hoeveelheid restafval met nog eens 10 % tot 15 % te verminderen (ongeveer 140 kg huishoudelijk restafval per inwoner). Op 20 juli 2018 heeft de Vlaamse Regering een pakket maatregelen vastgesteld, waaronder het verbod op plastic wegwerptasjes en het verplichte gebruik van hernieuwbare bekers tijdens evenementen. Deze maatregelen worden in 2019 van kracht.

Daarnaast verricht Vlaanderen verschillende pilootprojecten om de gescheiden inzameling van kunststoffen uit te breiden, aangezien jaarlijks nog altijd gemiddeld 15 kg kunststof per inwoner in het gemengd huishoudelijk afval terechtkomt. Vlaanderen werkt aan een actieplan voor kunststoffen voor 2019‑2024, dat concrete maatregelen zal bevatten om de overgang naar een meer circulaire economie op dit gebied bij de horens te vatten 63 .

Het op 22 maart 2018 aangenomen Waalse plan voor afvalbronnenbeheer omvat maatregelen die zijn ontwikkeld en geselecteerd met het oog op een zo efficiënt mogelijke toepassing van de beginselen van de circulaire economie en de afvalhiërarchie in Wallonië. Het plan omvat 157 maatregelen, waarvan er 93 nauw verband houden met hulpbronnenefficiënt materiaalgebruik en de ontwikkeling van een circulaire economie. Het ontbreken van een afvalplan in Wallonië was onderwerp van een voorgestelde maatregel in de EIR 2017.

Het Brusselse plan voor hulpbronnen- en afvalbeheer streeft ernaar de afvalproductie van huishoudens en niet-huishoudelijke afvalproducenten vóór 2030 met 20 % te verminderen, de recyclage en de voorbereiding van hergebruik op te schroeven tot minstens het niveau van de nieuwe Europese nieuwe doelstellingen, hergebruik van bouwmateriaal en duurzame consumptiepatronen bij burgers te ontwikkelen en het gebruik van kunststof voor eenmalig gebruik te verminderen. Verschillende maatregelen zijn op bepaalde doelgroepen gericht (burgers, scholen, professionals in verschillende sectoren, waaronder de bouw, de groene economie en de afvalsector). Voedselverspilling is een ander probleem dat door Vlaanderen 64 en Wallonië wordt aangepakt. Wallonië heeft het plan REGAL 2015‑2025 voor voedselverspilling. Beide gewesten hebben zich ten doel gesteld de voedselverspilling tegen 2025 met 30 % te verlagen ten opzichte van 2015. De steden Luik, Charleroi en Verviers nemen daarnaast deel aan verschillende initiatieven op het gebied van duurzaam voedsel 65 .

Op het gebied van duurzaam voedsel is het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een leidende partner in het thematisch netwerk voor duurzame voeding in stedelijke gemeenschappen van URBACT 66 , waarbij negen andere Europese steden betrokken zijn. Verder nam het gewest in december 2015 de strategie "Good Food — Naar een duurzamer voedingssysteem in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" aan 67 , met als doel de voedselverspilling tegen 2020 met 30 % te verminderen. Uit de tussentijdse evaluatie blijkt dat een op de drie inwoners van het Brussels Gewest aangeeft zijn of haar eetgewoonten in de afgelopen twee jaar te hebben aangepast.

Ten slotte was het Belgische project "Robin Food", gericht op de voorkoming van de verspilling van voedsel dat zijn uiterste verkoopdatum nadert 68 , finalist in de groene categorie van de StartUp Europe Awards 2018.

De stad Leuven nam op 21‑22 februari 2018 deel aan een TAIEX-EIR Peer 2 Peer-workshop in Galway, Ierland. Daar werkten de steden uit het Green Leaf-netwerk uit Spanje, Ierland, België, Portugal en Zweden samen en deelden zij beste praktijken over afvalbeheer en de groene economie in stedelijke gebieden.

Op 24‑25 september 2018 brachten Deense experts op het gebied van stedelijk afvalbeheer een studiebezoek in het kader van TAIEX-EIR Peer 2 Peer, om te leren over afvalpreventie, hergebruik- en reparatienetwerken en recyclage in Belgische gewesten en gemeenten.

Prioritaire actie voor 2019

·Afstappen van de verbranding van herbruikbaar en recycleerbaar afval, ook via economische instrumenten.

Klimaatverandering

De EU heeft zich ertoe verbonden ambitieuze klimaatmaatregelen te nemen op internationaal en EU-niveau en heeft op 5 oktober 2016 de Klimaatovereenkomst van Parijs geratificeerd. De EU streeft ernaar om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met 20 % en tegen 2030 met ten minste 40 % te verlagen ten opzichte van 1990. In het kader van de inspanningen die de ontwikkelde landen als groep moeten leveren, is de langetermijndoelstelling van de EU om de emissies tegen 2050 met 80 % tot 95 % te verminderen. Aanpassing aan de nadelige gevolgen van klimaatverandering is essentieel om de nu al zichtbare effecten te verzachten en beter paraat te staan en beter weerstand te kunnen bieden tegen toekomstige effecten.

De EU-regeling voor de emissiehandel (EU-ETS) heeft betrekking op alle grote uitstoters van broeikasgassen in de industrie-, de energie- en de luchtvaartsector in de EU. De EU-ETS is in alle lidstaten van toepassing en wordt in hoge mate nageleefd. Jaarlijks dekken de installaties ongeveer 99 % van hun emissies met het vereiste aantal emissierechten.

Voor de emissies die niet onder de EU-ETS vallen, hebben de lidstaten bindende nationale streefcijfers vastgesteld uit hoofde van de wetgeving inzake de verdeling van de inspanningen. De emissie in België lag in 2013‑2015 steeds onder de jaarlijkse emissieruimte en overschreed die ruimte in 2016 enigszins. Volgens voorlopige gegevens lag de emissie in 2017 iets onder de jaarlijkse emissieruimte (zie figuur 7).

Figuur 7: verandering van de totale broeikasgasemissies 1990‑2017 (1990 = 100 %) 69

Het nationale streefcijfer van België uit hoofde van deze beschikking is om de emissies in 2020 met 15 % te verminderen ten opzichte van 2005. In december 2015 werd een samenwerkingsovereenkomst over de interne lastenverdeling van de Belgische klimaat- en energiedoelstellingen voor de periode 2013‑2020 goedgekeurd. Deze werd in februari 2018 formeel aangenomen. In de overeenkomst ligt de nadruk op de reductiedoelstellingen voor de uitstoot van broeikasgassen voor niet-ETS-sectoren, op het aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie en op de bijdrage aan internationale klimaatfinanciering. Voor 2030 is het nationale streefcijfer van België uit hoofde van de verordening inzake de verdeling van de inspanningen een vermindering van de emissies met 35 % in vergelijking met 2005 (zie figuur 8).

In juli 2013 werd bij koninklijk besluit een langetermijnvisie op het duurzame-ontwikkelingsbeleid uiteengezet, met de verbintenis om de broeikasgasemissies tussen 1990 en 2050 met ten minste 80 %-95 % te verminderen en vervolgens te streven naar koolstofneutraliteit. De drie gewesten hebben de doelstelling van 80 %-95 % ook in hun plannen en/of wetgeving opgenomen.

Figuur 8: doelstellingen en emissies voor België uit hoofde van de beschikking en de verordening verdeling inspanningen 70

Het energiepact dat de federale en de gewestelijke energieministers in december 2017 sloten, biedt hun een langetermijnvisie op de energietransitie. De federale overheid keurde het pact in 2018 voorwaardelijk goed als onderdeel van een bredere federale energiestrategie. Dit pact moet de basis vormen voor een reeks concrete beleidsmaatregelen met een duidelijk omlijnd beleidspad, waarin vier afzonderlijke energievisies (die van de drie afzonderlijke regio's plus de federale visie) met elkaar worden verenigd. Met het pact wordt ook gestreefd naar een breed gedragen overeenkomst door alle belanghebbenden te raadplegen. Het pact handhaaft de verbintenis om kernenergie geleidelijk af te bouwen en voorziet in de introductie van nieuwe interconnectoren, een toename van de opwekkingscapaciteit voor hernieuwbare energie (met name windenergie op zee) en de invoering van nieuwe energienormen. Het biedt het kader voor de overgang die de energiesector tegen 2050 moet maken naar een koolstofarme samenleving.

Het energiepact omvat onder andere de volgende sectorale doelstellingen, die tegen 2050 moeten worden gehaald:

·verschuiving van de elektriciteitsproductie naar duurzame energiebronnen;

·volledig uitfaseren van het gebruik van fossiele brandstoffen voor het verwarmen van gebouwen;

·de verdere uitrol van hernieuwbare energiebronnen voor warmtetoepassingen in de industrie van 70 % naar 80 %;

·een toewijzing van 5 % tot 10 % van de onderzoeks- en ontwikkelingsbudgetten voor klimaat- en energieprojecten.

In het kader van het bestuur van de energie-unie en de verordening inzake klimaatactie stellen de lidstaten geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen op en formuleren zij klimaat- en energiestrategieën voor de lange termijn. Een ontwerpversie van het nationale plan werd op 31 december 2018 ingediend, bestaande uit een federaal en drie gewestelijke ontwerpplannen.

Op gewestelijk niveau heeft het parlement van het Waals Gewest in 2014 het "Waalse klimaatbesluit" aangenomen, met de doelstelling om de totale broeikasgasemissies met 30 % te verminderen tussen 1990 en 2020 en met 80 % tot 95 % tussen 1990 en 2050. Het besluit wordt in de praktijk gebracht door middel van een nieuw luchtklimaatplan dat in 2016 is aangenomen en loopt tot 2030. Het plan omvat 142 maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen en andere luchtverontreinigende stoffen in verschillende economische sectoren te verminderen, de luchtkwaliteit te verbeteren en de samenleving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. In september 2017 heeft het Waalse Parlement ook een klimaatresolutie aangenomen waarin met name wordt opgeroepen de uitstoot van broeikasgassen in Wallonië tegen 2050 met 95 % terug te dringen. In december 2018 keurde de Waalse Regering de ontwerpversie van haar energie- en klimaatplan voor 2030 goed.

De Vlaamse Regering lanceerde in april 2016 de Vlaamse klimaattop met als doel om alle partijen in de samenleving te stimuleren concrete acties en maatregelen te treffen die bijdragen aan het halen van de Vlaamse doelstellingen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Op 1 december 2016 werd de tweede klimaattop georganiseerd en werd het Vlaams Klimaat- en Energiepact vastgesteld. De Vlaamse Regering heeft zich er voorts toe verbonden om tegen 2018 in overleg met de verschillende maatschappelijke actoren een duidelijke, ambitieuze en brede Vlaamse klimaatvisie voor 2050 vast te stellen (Vlaamse Regering, 2016a). Op 23 november 2016 heeft het Vlaams Parlement een resolutie aangenomen met aanbevelingen aan de Vlaamse Regering voor een sterk Vlaams langetermijnklimaatbeleid (Vlaams Parlement, 2016). Overeenkomstig deze toezeggingen doorlopen de energie- en klimaatplannen van Vlaanderen momenteel de goedkeuringsprocedure. Hoewel het Vlaamse klimaatplan een sectorale opzet heeft, bevat het ook horizontale maatregelen, zoals bevordering van de overgang naar een circulaire economie, klimaatvriendelijke ruimtelijke ordening en klimaatvriendelijke belastingheffing. De stad Leuven heeft een eigen klimaatactieplan geformuleerd met de ambitieuze doelstelling om tegen 2030 klimaatneutraal te zijn. Het energiegebruik in gebouwen in Leuven zal tegen 2019 met 30 % dalen en nieuwe gebouwen zullen aan de passieve norm voldoen 71 . Gent 72 en Antwerpen 73 willen tegen 2050 klimaatneutraal zijn.

Tot slot heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 12 juli 2018 zijn bijdrage aan de eerste (ontwerp-)versie van het nationale energie- en klimaatplan 2021‑2030 aangenomen. Begin 2019 vinden verdere werkzaamheden en overleg plaats ten behoeve van de eindversie van het gewestelijk plan, dat medio 2019 gereed moet zijn. Daarnaast zet het gewest zijn strategie voor een koolstofarme economie voort.

Vervoer is goed voor bijna een kwart van de Europese broeikasgasemissies en is de hoofdoorzaak van luchtvervuiling in steden. Tussen 2012 en 2016 zijn de vervoersemissies in België met 5 % toegenomen (figuur 9).

België heeft de maatregelen aangemeld die vereist zijn krachtens de richtlijn betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en de verordening betreffende gefluoreerde broeikasgassen, die van toepassing is op alle belangrijke toepassingen die gefluoreerde gassen gebruiken en waarbij de toegestane hoeveelheid fluorkoolwaterstoffen die op de EU-markt mag worden gebracht, geleidelijk wordt verminderd.

Figuur 9: broeikasgasemissies per sector (Mt CO2-eq.) Historische gegevens 1990‑2016. Prognoses 2017‑2030 74

De verantwoording van broeikasgasemissies en verwijderingen van bossen en landbouwgrond valt onder het Kyotoprotocol. De uit hoofde van het Kyotoprotocol gemelde hoeveelheden voor België duiden op een netto verwijdering van gemiddeld – 1,7 Mt CO2-eq voor de periode van 2013 t/m 2016. In dit verband is België goed voor 0,4 % van de jaarlijkse gemiddelde put van
– 384,4 Mt CO
2-eq (EU-28). Een berekening voor dezelfde periode laat zien dat België een netto debet van gemiddeld 0,8 Mt CO2-eq heeft, wat overeenkomt met een negatieve bijdrage van – 0,7 % aan de verantwoorde put van de EU-28 van – 115,7 Mt CO2-eq. België is een van de zes EU-lidstaten waarvoor in deze voorlopige berekening een netto debet te zien is. De gemelde netto verwijderingen laten geen duidelijke trend zien, terwijl het verantwoorde netto debet licht daalt.

De in 2013 vastgestelde EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering is gericht op het vergroten van de klimaatbestendigheid van Europa, door lidstaten te stimuleren maatregelen te treffen, beter onderbouwde besluitvorming en het stimuleren van aanpassing in belangrijke kwetsbare gebieden. De paraatheid en het reactievermogen van alle bestuursniveaus voor de gevolgen van klimaatverandering moeten worden verbeterd door middel van een coherente aanpak en betere coördinatie.

In 2010 heeft België zijn nationale adaptatiestrategie aangenomen. Vervolgens heeft het land in april 2017 een nationaal adaptatieplan voor 2017‑2020 aangenomen met een systematische, sectorale aanpak. Het plan bevat specifieke nationale maatregelen die nodig zijn om de samenwerking en synergieën met betrekking tot adaptatie te versterken. België heeft de risico's en kwetsbaarheden grondig geëvalueerd en heeft de verdeling van de bevoegdheden tussen de verschillende betrokken instanties onderzocht, en heeft naar aanleiding hiervan een aantal kwetsbare sectoren geïdentificeerd die zich moeten aanpassen. Het gaat om de sectoren gezondheid, toerisme, landbouw, bosbouw, biodiversiteit, ecosystemen en water, kust-, zee- en getijdengebieden en productiesystemen, en fysieke infrastructuur. België ziet voortdurend toe op de gevolgen van de klimaatverandering. Hoewel het systeem versnipperd is (de monitoring vindt op gewestelijk niveau plaats), komt alles bij elkaar genomen het gehele land aan bod. Ondertussen is er een afzonderlijk monitoringsysteem opgezet om de adaptatie-activiteiten te evalueren; in dit verband wordt tegen het einde van 2018 een tussentijdse evaluatie opgesteld.

Via het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie bevordert de EU lokale acties op het gebied van de bestrijding van klimaatverandering, klimaatadaptatie en energie-efficiëntie. In oktober 2018 hadden 337 Belgische gemeenten het EU-Burgemeestersconvenant ondertekend.

In de periode 2013‑2017 verdiende België 607 miljoen EUR aan de veiling van emissierechten in het kader van de EU-ETS. In 2017 kwam 92 % van de inkomsten ten goede aan klimaatrelevante uitgaven.

De keuzen met betrekking tot het energiebeleid kunnen grote gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de natuur en de energie-infrastructuur 75 . In het geval van België zijn die gevolgen echter niet onder de aandacht gebracht van de Commissie.

Prioritaire actie voor 2019

In dit verslag zijn geen prioritaire acties op het gebied van klimaat opgenomen, omdat de Commissie eerst de ontwerpen moet beoordelen van de nationale energie- en klimaatplannen die de lidstaten eind 2018 moesten insturen. Met deze plannen zou het energie- en klimaatbeleid consistenter moeten worden, waarmee het een goed voorbeeld zou kunnen worden van het koppelen van sectorspecifiek beleid aan andere, onderling verbonden onderwerpen, zoals landbouw-natuur-water en vervoer-lucht-gezondheid.

2.Bescherming, instandhouding en verbetering van het natuurlijk kapitaal

Natuur en biodiversiteit

Met de EU-biodiversiteitsstrategie wordt beoogd het verlies aan biodiversiteit in de EU tegen 2020 een halt toe te roepen. De Europese vogel- en habitatrichtlijnen moeten volledig worden uitgevoerd om een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten en habitats te bereiken. Verder is het nodig dat de land- en bosbouw helpen bij het in stand houden en verbeteren van de biodiversiteit.

Biodiversiteitsstrategie

In België zijn natuur en biodiversiteit hoofdzakelijk gewestelijke aangelegenheden, maar alleen Vlaanderen en het Brussels Gewest beschikken over eigen biodiversiteitsstrategieën en -plannen. Enkele domeinen, zoals mariene aangelegenheden, handel, ontwikkeling en belastingheffing, zijn een federale bevoegdheid. De nationale biodiversiteitsstrategie 2020 76 biedt een kader om de samenhang tussen de verschillende niveaus en sectoren te vergroten en om nationale en internationale verbintenissen inzake biodiversiteit te integreren. De strategie bouwt met name voort op de gewestelijke en federale plannen en geeft politieke richtsnoeren om regio's te helpen hun biodiversiteitsverplichtingen na te komen, en om te zorgen voor samenhang, leemten op te vullen en biodiversiteitskwesties op nationaal en internationaal niveau te integreren. Het stuk is van toepassing op alle Belgische overheidsinstanties.

Het opzetten van een samenhangend netwerk van Natura 2000-gebieden

De land- en zeegebieden die binnen Natura 2000-gebieden vallen, komen in de EIR 2017 aan bod.

De relatief lage dekking van het Natura 2000-netwerk in België houdt verband met de hoge bevolkingsdichtheid, de sterke mate van verstedelijking en de intensiteit van het landgebruik, met name in het centrale en noordelijke deel van het land. In Vlaanderen zijn er, gelet op de aard van het landgebruik en de geïsoleerde ligging van de Natura 2000-gebieden, duidelijk aanvullende herstelmaatregelen buiten het Natura 2000-netwerk nodig om een gunstige staat van instandhouding te bereiken. In Wallonië zijn de gebieden over het algemeen sterker met elkaar verbonden. Daarom zijn de instandhoudings- en hersteldoelstellingen in Wallonië meer gericht op het netwerk van Natura 2000-gebieden zelf en zijn ze nog steeds complementair aan de beschermings- en herstelactiviteiten buiten het netwerk.

Aanwijzing van Natura 2000-gebieden en vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen

In alle drie de Belgische gewesten (Vlaanderen, Wallonië en Brussel) is de afgelopen jaren flinke vooruitgang geboekt bij de wettelijke aanwijzing van gebieden. Alle 38 Vlaamse, 156 Waalse en 3 Brusselse gebieden die onder de habitatrichtlijn vallen, zijn nu wettelijk aangewezen als speciale beschermingszones. Voor alle afzonderlijke speciale beschermingszones in Vlaanderen en Brussel zijn instandhoudingsdoelen vastgesteld — een voorbeeld dat navolging verdient. In Wallonië zijn tot nu toe echter alleen op gewestelijk niveau instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld en ontbreekt het nog altijd aan doelstellingen voor de afzonderlijke gebieden. In juli 2018 heeft het Brussels Gewest twee Natura 2000-gebieden ten zuiden van Brussel samengevoegd door een verbindingsgebied van 13 ha aan te wijzen om de connectiviteit van soorten te verbeteren 77 .

In Vlaanderen zijn in 2014 specifieke instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld voor speciale beschermingszones uit hoofde van de vogelrichtlijn, voor zover ze overlappen met de speciale beschermingszones uit hoofde van de habitatrichtlijn. In 2017 werden ook voor de resterende speciale beschermingszones voor vogels afzonderlijke instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld 78 . Voor de laatste speciale beschermingszone (de IJzervallei) loopt momenteel een procedure om deze definitief vast te stellen.

Vlaanderen moet derhalve voor elke resterende speciale beschermingszone voor vogels afzonderlijke instandhoudingsdoelstellingen vaststellen. In het Waals Gewest, waar de speciale beschermingszones uit hoofde van de habitat- en de vogelrichtlijn grotendeels zijn samengevoegd, ontbreekt het ook aan gebiedsspecifieke instandhoudingsdoelstellingen voor vogelsoorten. Het Brussels Gewest heeft geen speciale beschermingszones voor vogels.

De instandhoudingsmaatregelen worden opgenomen in de aanwijzingsdocumenten van de Waalse gebieden en worden verder ontwikkeld in het kader van het geïntegreerde LIFE-project. Vlaanderen neemt gebiedsspecifieke instandhoudingsmaatregelen via een stapsgewijze aanpak waarin rekening wordt gehouden met de in de aanwijzingsdocumenten opgenomen prioritaire maatregelen. Eind 2017 werden een nieuwe opzet van het natuurbeheerplan en een nieuwe wet inzake subsidies voor natuurbeheermaatregelen aangenomen 79 . Particuliere grondeigenaren kunnen technische en financiële steun krijgen voor het ontwikkelen van beheerplannen en voor maatregelen die bijdragen aan de uitvoering van de gebiedsspecifieke instandhoudingsdoelstellingen 80 .

Vooruitgang in de handhaving of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van soorten en habitats

In de EIR 2017 werd verwezen naar het laatste verslag van de lidstaten over de staat van instandhouding van habitats en soorten, uit 2012; voor de volgende EIR kan uit nieuwe gegevens worden geput.

Wat de voorgestelde maatregelen uit de EIR 2017 betreft, worden verschillende maatregelen uitgevoerd om Natura 2000-gebieden te herstellen en te beheren (met name als onderdeel van de plattelandsontwikkelings- en LIFE-programma's). Deze maatregelen zullen de staat van instandhouding van bepaalde soorten en habitats de komende jaren waarschijnlijk verder verbeteren. Verder is enige vooruitgang geboekt door de landbouwbeheersmaatregelen ter bescherming van soorten en habitats op te schroeven, hoewel het nog niet duidelijk is of deze maatregelen toereikend zullen zijn om de algemene negatieve trends op het platteland als geheel, die voortkomen uit de grootschalige intensivering van de landbouw en de bijkomende eutrofiëring, met name in laaggelegen gebieden, te keren.


Prioritaire acties voor 2019

·De ontbrekende gebiedsspecifieke instandhoudingsdoelstellingen voor speciale beschermingszones en gebieden van communautair belang vaststellen (op federaal niveau en in Wallonië voor mariene gebieden; voor vogelsoorten ook in Vlaanderen). De vaststelling van gebiedsspecifieke instandhoudingsmaatregelen voltooien, terdege rekening houdend met externe druk en bedreigingen (zoals de atmosferische uitstoot van stikstof).

·Dringende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de resterende soorten en habitats een gunstige staat van instandhouding bereiken, en investeren in verdere herstelmaatregelen op basis van de gebiedsspecifieke doelstellingen voor soorten en habitats.

Handhaving en herstel van ecosystemen en ecosysteemdiensten

Met haar biodiversiteitsstrategie beoogt de EU ecosystemen en ecosysteemdiensten te handhaven en te herstellen door groene infrastructuur op te nemen in de ruimtelijke ordening en ten minste 15 % van de aangetaste ecosystemen te herstellen tegen 2020. De EU-strategie voor groene infrastructuur bevordert de opname van groene infrastructuur in gerelateerde plannen en programma's.

De EU heeft richtsnoeren gepubliceerd voor de verdere uitrol van groene en blauwe infrastructuur 81 , evenals een landenpagina in het Biodiversiteitsinformatiesysteem voor Europa (BISE) 82 . Deze informatie wordt tevens gebruikt voor de eindbeoordeling van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020.

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Het natuurplan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 83 heeft als doel de toegang tot groene gebieden te verbeteren, natuurgebieden weer met elkaar te verbinden en natuuroverwegingen te integreren in plannen en projecten. Er wordt door het Brusselse ecologische netwerk versterkte groene en blauwe infrastructuur (het groene en blauwe netwerk 84 ) ontwikkeld om Natura 2000-gebieden weer met elkaar te verbinden. In het gewestelijke duurzame-ontwikkelingsplan wordt een netwerk opgenomen dat de groene gebieden binnen de stad met elkaar verbindt ("continuités vertes"). Een groen wandelpad ( De groene wandeling 85 ) verbindt parken, semi-natuurgebieden, natuurreservaten en bossen in het gebied rond het Brussels Gewest. Met de uitvoering van het natuurplan wil het Brussels Gewest analyseren hoe de multifunctionaliteit en de ecosysteemdiensten van groene zones kunnen worden gemaximaliseerd en bewaakt. Momenteel worden er twee multifunctionele beheerplannen goedgekeurd (één voor het Zoniënwoud en één voor het natuurreservaat Zavelenberg). Hoogwaardige groene zones en waterwegen binnen Brussel kunnen oplossingen bieden voor stedelijke problemen, zoals overstromingen, hittestress, droogte, een slechte luchtkwaliteit en werkloosheid, en dragen bij aan een florerende biodiversiteit.

Het Vlaams Gewest

Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen — Strategische Visie (2018) 86 verwijst naar groene infrastructuur en de vele voordelen ervan voor klimaatadaptatie, biodiversiteit en recreatieve activiteiten. Het departement Omgeving voert momenteel twee belangrijke projecten uit om de beschikbaarheid van gegevens voor groene infrastructuur te verbeteren. Met het project Gobelin wordt de groene infrastructuur met betrekking tot ecosysteemdiensten in kaart gebracht en worden lokale spelers geholpen om alle beschikbare instrumenten te gebruiken. Het project GARMON is gericht op het potentieel van private tuinen en behelst de ontwikkeling van een tuinmonitor.

In 2016 verstrekten het Vlaamse Agentschap Natuur en Bos en het departement Omgeving richtsnoeren aan gemeenten over de aanleg van stedelijk groen en stedelijke bosbouw overeenkomstig de lokale visie 87 . Het doel ervan is om het oppervlak en de kwaliteit van en de koppeling tussen groene zones in steden en voorsteden te vergroten en groene infrastructuur te integreren in de ruimtelijke ordening. Groene infrastructuur kan worden gefinancierd met financieringsinstrumenten die verband houden met natuur- en ruimtelijke-ordeningsvoorschriften, gecombineerd met EU-middelen. Via de projectoproep "Natuur in je buurt" verleent de Vlaamse Regering financiële steun aan initiatieven van lokale overheden die specifiek gericht zijn op de uitbreiding en verbetering van de groene infrastructuur in de gebouwde omgeving. Zo zijn in 2017 en 2018 twee grote initiatieven gelanceerd in steden en 15 kleinere initiatieven in kleinere steden en gemeenten 88 .

Bovendien sluit de Vlaamse Regering "Green Deals" 89 met particuliere partners om gezamenlijke financieringsaanvragen te ondersteunen en wettelijke knelpunten die milieumaatregelen vertragen, weg te nemen.

Ook heeft Vlaanderen in 2016 zijn prioriteitenkader voor de uitvoering van actie 6 90 van de EU-biodiversiteitsstrategie gepubliceerd.

Naar aanleiding van het "natuurbesluit" van 1997 werd in 2003 het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) 91 van grote natuureenheden opgericht, aangevuld met een integraal verwevings- en ondersteunend netwerk. Het netwerk bestrijkt een gebied van in totaal 125 000 ha. Hoewel het niet volledig samenvalt met Natura 2000, vormen enkele Natura 2000-gebieden en andere natuurgebieden de kern van het netwerk. De ontwikkeling van het VEN verloopt echter traag en tegen 2003 was slechts 85 000 ha aan bestaande gebieden in het netwerk opgenomen. Sindsdien zijn de inspanningen toegespitst op Natura 2000 en is de vooruitgang met betrekking tot het integrale verwevings- en ondersteunend netwerk, met name wat betreft landbouwgrond, tot stilstand gekomen. Het integraal verwevings- en ondersteunend netwerk (IVON) is ook gericht op ecologische samenhang en verbinding 92 .

Onderzoekers in Vlaanderen hebben aangetoond dat houtachtige netwerken in landbouwlandschappen een rijke bron van intrinsieke en functionele biodiversiteit zijn en daarom moeten worden beschermd 93 .

Waals Gewest

In de gewestelijke beleidsverklaring 2014‑2019 94 wordt niet verwezen naar ecologische netwerken, maar de Waalse Regering heeft beloofd een "Waals natuurnetwerk" 95 op te zetten aan de hand van een reeks vrijwillige maatregelen om natuur op openbare gebouwen te stimuleren, waterrijke gebieden en oeverhabitats te herstellen, gemeentelijke natuurreservaten te creëren en het belang van de natuur onder de aandacht te brengen. Het gewest is ook bezig om overeenkomsten te sluiten met particuliere bedrijven ter bevordering van groene infrastructuur. De "bosbouwwet" heeft als doel de regeneratie en de duurzaamheid van bossen te waarborgen, klimaatverandering te bestrijden en de biodiversiteit in stand te houden. De meeste vergunningen voor ruimtelijke en stedelijke planning worden verleend op voorwaarde dat er mitigatie- en/of compensatiemaatregelen worden genomen. Het Waalse departement Natuur en Bos beheert de natuurbegroting, die een aanvulling vormt op EU-financiering (bijv. agromilieumaatregelen), riviercontracten, milieu-educatieactiviteiten en Natura 2000-subsidies. In 2017 meldde Wallonië de Commissie dat het gewest een prioriteitenkader voor herstel had ontwikkeld op basis van bestaande kaders voor natuurbehoud. Het kader zet geen maatregelen, activiteiten of begrotingsimplicaties uiteen. Die worden in bestaande instrumenten geregeld. Wel stelt het de prioriteiten voor het herstel van het ecosysteem vast die met de bestaande instrumenten moeten worden gerealiseerd.

Mobilisatie van hulpbronnen

België heeft nog geen verslag over de hulpbronnenmobilisatie uitgebracht aan het Verdrag inzake biologische diversiteit. De verslaglegging van de geldstromen in het kader van dit verdrag is van belang voor de positie van de EU en de individuele lidstaten in dat verdrag en helpt om goede praktijken te bevorderen in andere landen.


Schatting van natuurlijk kapitaal

Met de EU-biodiversiteitsstrategie worden de lidstaten opgeroepen om de staat van ecosystemen en ecosysteemdiensten op hun nationale grondgebied tegen 2014 in kaart te brengen en te beoordelen 96 , de economische waarde van die diensten te bepalen en die waarden tegen 2020 op te nemen in de rekening- en rapportagesystemen op nationaal en EU-niveau.

België zet de netwerk- en samenwerkingsactiviteiten in het kader van het initiatief Benelux Mapping and Assessment of Ecosystems and their Services (MAES) voort. Bovendien blijft de Belgian Ecosystems and Society community 97 de succesvolle jaarlijkse kerstmarkt organiseren.

Vlaanderen heeft zijn biofysische inventarisatie en beoordeling voltooid en loopt voorop in de uitvoering van MAES. Volgens het Natuurrapport Vlaanderen — een regionale ecosysteembeoordeling ("regional ecosystem assessment", REA) zal Vlaanderen tegen 2019 alternatieve scenario's voor groene infrastructuur ontwikkelen, in kaart brengen en beoordelen. Bovendien is Vlaanderen in 2018 begonnen met de uitvoering van het Horizon 2020-project "MAIA: from Mapping and Assessment to Integrated ecosystem Accounting".

Figuur 10: uitvoering van MAES (september 2018)

Bron: Esmeralda-project

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest analyseert momenteel hoe de MAES-beoordeling kan worden gebruikt om de ecosysteemdiensten die de stad biedt, beter te meten en te verbeteren. Brussel houdt daarnaast actief het door het LIFE-programma gefinancierde Esmeralda-project in de gaten, omdat het een integrale benadering en een gebruiksvriendelijk instrument voor beleidsmakers biedt.

Het Waalse platform voor ecosysteemdiensten WalES is, na een politiek besluit om de aandacht te richten op concrete beleidsvormingsinstrumenten, in de ijskast gezet.

Gezien de gebrekkige vooruitgang van Wallonië heeft de MAES-werkgroep die in september 2018 in Brussel bijeenkwam, gemeld dat België als geheel sinds januari 2016 onvoldoende is opgeschoten met de uitvoering van Maes (zie figuur 10). Dit oordeel, dat om de zes maanden wordt bijgewerkt, wordt ondersteund door het Esmeralda-project 98 .

België heeft op federaal niveau een strategie voor biodiversiteit en het bedrijfsleven vastgesteld (#BeBiodiversity). Ook heeft het land een nationaal biodiversiteitsplatform 99 opgezet, dat diensten verleent aan wetenschappers die biodiversiteitsonderzoek verrichten. Het platform is ook actief betrokken bij projecten.

Prioritaire actie voor 2019

·Het Waals Gewest wordt aangemoedigd middelen te mobiliseren om de inventarisatie en beoordeling van ecosystemen en hun diensten weer op te pakken en om relevante informatie inzake het Biodiversiteitsinformatiesysteem voor Europa te verstrekken voor de eindevaluatie van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020. Vlaanderen wordt aangemoedigd de eigen ervaringen te delen met andere lidstaten.

Invasieve uitheemse soorten

Krachtens de EU-biodiversiteitsstrategie moet tegen 2020 het volgende zijn gerealiseerd:

i) invasieve uitheemse soorten in kaart brengen;

ii) prioritaire soorten in de hand houden of uitroeien; en

iii) introductieroutes beheren om te voorkomen dat nieuwe invasieve uitheemse soorten de Europese biodiversiteit verstoren.

Dit wordt ondersteund door de verordening betreffende invasieve uitheemse soorten (IUS-verordening) die op 1 januari 2015 van kracht is geworden.

België heeft bijgedragen aan de EU-lijst van invasieve uitheemse soorten (IUS 100 ) door risicobeoordelingen voor twee soorten voor de eerste lijst in te dienen. Beide soorten — de amoergrondel (Perccottus glenii) en de Amerikaanse voseekhoorn (Sciurus niger) — werden in de lijst opgenomen.

Het raster met de verspreiding van invasieve uitheemse soorten in België (zie figuur 11) laat zien dat 28 van de 37 soorten op de eerste EU-lijst al in de natuur zijn waargenomen en dat 19 daarvan in België zijn gevestigd. Bovendien telt België het hoogste aantal invasieve uitheemse soorten van alle EU-lidstaten en staat België na Duitsland, Frankrijk, Italië en Nederland op de vijfde plaats wat betreft het aantal gevestigde soorten. Het hoge aantal invasieve uitheemse soorten, met name gelet op de geringe oppervlakte van het land, hangt samen met de centrale ligging van België en de intensieve economische en vervoersactiviteiten in het land.

Tussen de inwerkingtreding van de eerste EU-lijst en 18 mei 2018 heeft België vijf kennisgevingen van vroegtijdige detectie ingediend, zoals vereist op grond van artikel 16, lid 2, van de IUS-verordening. In vier gevallen ging het om nieuwe waarnemingen van de Aziatische hoornaar (Vespa velutina), wat duidt op een sterke toestroom van de soort vanuit Frankrijk.

Figuur 11: aantal voor de EU zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, op basis van de beschikbare informatie met geografische componenten — België 101

De vijfde kennisgeving betrof twee uit gevangenschap ontsnapte Chinese muntjaks (Muntiacus reevesi), een mannetje en een vrouwtje. De lopende uitroeiingsmaatregelen zijn succesvol, en dat is belangrijk: op het Europese vasteland zijn Chinese muntjaks slechts in een handvol lidstaten gemeld 102 .

Ten aanzien van de verordening invasieve uitheemse soorten heeft België de Commissie in kennis gesteld van de bevoegde autoriteiten die met de toepassing zijn belast (artikel 24, lid 2) en van de sancties voor inbreuken (artikel 30, lid 4) op federaal niveau, in Vlaanderen en Brussel. De kennisgeving voor Wallonië moet echter nog worden ingediend.

Prioritaire actie voor 2019

·België wordt met klem verzocht de nationale wetgeving in het Waals Gewest spoedig te voltooien om een sanctiesysteem uit hoofde van de verordening invasieve uitheemse soorten in te stellen en de Commissie hiervan op de hoogte te stellen.

Bodembescherming

De thematische EU-strategie voor bodembescherming onderstreept de noodzaak om een duurzaam bodemgebruik te garanderen. Dit houdt in dat verdere bodemaantasting wordt voorkomen, dat de functies van de bodem worden beschermd en dat aangetaste bodems worden hersteld. In het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa uit 2011 staat dat in de EU-beleidsmaatregelen tegen 2020 rekening moet worden gehouden met het rechtstreekse en onrechtstreekse effect ervan op het gebruik van grond.

De bodem is een eindige en uiterst kwetsbare hulpbron, waarvan de kwaliteit in de EU hoe langer hoe meer achteruitgaat.

Het percentage kunstmatige bodembedekking 103 in België (figuur 12) kan worden gezien als een maatstaf van de relatieve druk op natuur en biodiversiteit en de druk van het milieu op mensen die in stedelijke gebieden wonen. De bevolkingsdichtheid is een vergelijkbare maatstaf. Bij een hoog percentage kunstmatige bodembedekking en een hoge bevolkingsdichtheid valt te verwachten dat de bescherming van het natuurlijk kapitaal en het waarborgen van het welzijn van de burgers, navenant grote uitdagingen vormen, en is de uitvoering van het desbetreffende EU-beleid en -recht een prioriteit.

Op het gebied van kunstmatige bodembedekking scoort België met 11,4 % kunstmatig land aanzienlijk hoger dan het EU-gemiddelde van 4,1 %. De bevolkingsdichtheid ligt met 372,1/km2 boven het EU-gemiddelde van 118/km2  104 .

Volgens het RUSLE2015-model 105 heeft België een gemiddeld percentage bodemverlies door water van 1,22 ton per hectare per jaar (t ha−a yr−y), wat laag is in vergelijking met het Europese gemiddelde van 2,46 t ha−a yr−y.

De concentratie organische koolstof in de bodem bedraagt in België gemiddeld 41,3 g/kg (gemeten over alle soorten bodembedekkingen); het Europese gemiddelde is 47 g/kg.

Verontreiniging kan de bodemkwaliteit ernstig verlagen en een bedreiging vormen voor de volksgezondheid en het milieu. In een recent verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie 106 werd geschat dat er op ongeveer 2,8 miljoen locaties in de EU mogelijk verontreinigende activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden. Er zijn 650 000 van deze locaties in nationale of regionale registers opgenomen. 65 500 verontreinigde locaties zijn gesaneerd. België heeft 68 000 locaties geregistreerd waar mogelijk verontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden en heeft reeds 3 509 daarvan gesaneerd of onderworpen aan nazorgmaatregelen. In Wallonië gaat het respectievelijk om 3 796 en 1 593 locaties. Brussel heeft de desbetreffende werkgroep van het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (EIONET) geen verslag uitgebracht over de vooruitgang in het beheer van verontreinigende locaties en brownfields.

Met behulp van medefinanciering uit het EFRO werkt Wallonië aan een postindustriële conversie van verontreinigde bodems, ook in stedelijke gebieden. Het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) heeft een aandelenfonds met de naam Ginkgo Fund II voor de sanering van industrieterreinen (bijvoorbeeld in Ottignies en Doornik) gefinancierd met een bijdrage van 30 miljoen EUR 107 .

De nieuwe bodemwet van Wallonië, die in februari 2018 werd aangenomen, is een belangrijke mijlpaal. Met deze wet wordt beoogd de bodemkwaliteit te verbeteren en het beheer van verontreinigende locaties te regelen. Wallonië verwacht alle in het Marshallplan geïdentificeerde prioritaire locaties tegen 2022 te hebben gesaneerd.

Figuur 12: aandeel kunstmatige bodembedekking, 2015 108

De belangrijkste Vlaamse bodemwetgeving is het Decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, dat het bodemsaneringsdecreet uit 1995 verving. Dit decreet is met name gefocust op verontreiniging door puntbronnen, maar is ook de rechtsgrondslag voor het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de erosiebestrijding. Bij dit besluit worden zeer strenge onderzoeks- en saneringsverplichtingen vastgesteld op basis van een lijst van risicovolle activiteiten. Bij elke vastgoedtransactie is het verplicht om de koper een bodemcertificaat te verstrekken. Vlaanderen is voornemens alle bestaande verontreinigde locaties tegen 2036 te saneren. Om dit doel te bereiken werd in 2017 de nieuwe plicht ingevoerd om nog niet onderzochte mogelijk verontreinigde percelen in de komende jaren te onderzoeken.

In het Brussels Gewest is in veertien jaar tijd 588 ha van de 876 ha gesaneerd en bestemd voor een ander gebruik. De resterende verontreinigde locaties worden rond 2029 2030 gesaneerd. Hiertoe is nieuwe wetgeving (een besluit van 23 juni 2017) aangenomen om de studieprocedure te vereenvoudigen en de financiële steun te vergroten. Tegelijkertijd is Leefmilieu Brussel begonnen met de opstelling van een algemene bodembeschermingsstrategie, die rond 2024 voltooid moet zijn. De drie gewesten en de federale overheid hebben in 2018 eindelijk politieke overeenstemming bereikt over de oprichting en financiering van een fonds voor de sanering van lekkende brandstoftanks. Het fonds wordt eerst gefinancierd met het resterende overschot van het succesvolle Bodemsaneringsfonds voor tankstations (BOFAS) 109 , en daarna met een nieuwe heffing op stookolie. Zo worden de saneringskosten, die flink kunnen oplopen, gedekt.

Mariene bescherming

Het beleid en de wetgeving van de EU inzake kust- en mariene gebieden schrijven voor dat de impact van de druk op de mariene wateren tegen 2020 voldoende gereduceerd moet zijn om een goede milieutoestand te bereiken of in stand te houden en ervoor te zorgen dat de kustgebieden duurzaam worden beheerd.

De kaderrichtlijn mariene strategie (KRMS) 110 heeft tot doel om tegen 2020 een goede milieutoestand van de mariene wateren van de EU te bereiken. Daartoe moeten de lidstaten een mariene strategie voor hun eigen mariene wateren ontwikkelen en samenwerken met de EU-lidstaten in dezelfde mariene regio of subregio.

Het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (het "Ospar-verdrag") is voor België belangrijk om de doelen van de kaderrichtlijn mariene strategie te behalen. Deze strategie bevat verschillende stappen die in cycli van zes jaar worden ondernomen. De laatste stap hield in dat de lidstaten een programma van maatregelen moesten vaststellen en uiterlijk op 31 maart 2016 moesten meedelen aan de Commissie. De Commissie beoordeelt momenteel of de Belgische maatregelen geschikt waren voor het behalen van een goede milieutoestand 111 . De gemelde maatregelen worden beschouwd als een gedeeltelijke oplossing voor de belasting van de Belgische wateren. Zo zijn er nieuwe maatregelen genomen om leemten op te vullen (de inzameling van drijvend afval in havens en rivieren, de regulering van recreatieve visserij enz.). Sommige activiteiten en belastende factoren komen evenwel niet aan bod in de gemelde maatregelen (zoals aquacultuur of de nutriëntenaanvoer vanuit de landbouw).

In 2018 heeft Vlaanderen een actieplan inzake zwerfvuil op zee aangenomen, dat betrekking heeft op alle bronnen van dergelijk afval (op zee en op land). Het actieplan bevat concrete doelstellingen om de lekkage van afval naar het mariene milieu te verminderen.

Prioritaire acties voor 2019

·Meer informatie verstrekken over de maatregelen om een goede milieutoestand te bereiken, meer maatregelen treffen die de belastende factoren direct beïnvloeden en aangeven hoeveel de belasting naar verwachting wordt verlaagd als gevolg van deze maatregelen.

·Zorgen voor regionale samenwerking met lidstaten in dezelfde mariene regio of subregio om de belangrijkste belastende factoren aan te pakken.

3.Zorg voor de gezondheid en de levenskwaliteit van burgers

Luchtkwaliteit

Volgens het beleid en de wetgeving van de EU inzake schone lucht moet de luchtkwaliteit in de EU aanzienlijk worden verbeterd en de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aanbevolen niveaus dichter benaderen. De luchtvervuiling en het effect ervan op de volksgezondheid, ecosystemen en biodiversiteit moeten verder worden verminderd, met als langetermijndoelstelling om kritische belastingen en niveaus niet te overschrijden. Dit vereist dat de inspanningen om tot een volledige naleving van de EU-luchtkwaliteitswetgeving te komen, worden opgevoerd en dat er strategische doelstellingen en acties voor na 2020 worden vastgesteld.

De EU heeft uitgebreide wetgeving inzake luchtkwaliteit ontwikkeld 112 , waarin gezondheidsgebaseerde normen en doelstellingen voor een aantal luchtverontreinigende stoffen zijn vastgesteld.

In België is de uitstoot van een aantal luchtverontreinigende stoffen aanzienlijk afgenomen 113 . De in de vorige EIR's genoemde emissiereducties tussen 1990‑2014 werden in 2014‑2016 voortgezet: de uitstoot van ammoniak (NH3) daalde met 0,29 %, die van stikstofoxiden (NOx) met 4,36 % en die van vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS) met 1,95 %. Tegelijkertijd is de uitstoot van fijnstof (PM2.5) tussen 2014 en 2016 toegenomen met 15,16 % en die van zwaveldioxide (S02) in diezelfde periode met 2,54 %. De emissies van al deze verontreinigende stoffen, met uitzondering van die van NOx, bevinden zich evenwel binnen de huidige nationale emissieplafonds 114 . De overschrijding van het NOx-plafond is echter niet van toepassing op nalevingscontroles, aangezien de Commissie verzoeken om aanpassing van de inventaris heeft ingewilligd. Zie ook figuur 13 met betrekking tot de totale PM2.5- en NOx-uitstoot per sector.

Ondanks de emissiereducties sinds 1990 moet er meer worden gedaan om te voldoen aan de emissiereductieverbintenissen (afgezet tegen de emissieniveaus uit 2005) die zijn vastgelegd in de nieuwe richtlijn nationale emissieplafonds 115 voor 2020 tot en met 2029 en voor elk jaar vanaf 2030.

De luchtkwaliteit in België is dan ook nog steeds reden tot zorg. In 2015 waren volgens het Europees Milieuagentschap naar schatting 7 400 voortijdige sterfgevallen te wijten aan fijnstofconcentraties 116 , 220 aan ozonconcentraties 117 en 1 500 aan stikstofdioxide 118 concentraties 119 .

Figuur 13: PM2.5- en NOx-uitstoot per sector in België 120

Voor 2017 121 werden overschrijdingen van de grenswaarden voor stikstofdioxide gemeld in twee luchtkwaliteitszones: Brussel en Antwerpen (zie figuur 14). Wat betreft de vermindering van de uitstoot van fijnstof werd flinke vooruitgang geboekt: in 2017 werden geen overschrijdingen van de richtwaarden gemeld. Dit was een voorgestelde maatregel in het EIR-verslag 2017.

De Europese Commissie volgt de aanhoudende overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen (voor NO2), die uiterst schadelijk zijn voor gezondheid en milieu, op door inbreukprocedures in te leiden in alle desbetreffende lidstaten, waaronder België. Het is de bedoeling om er via adequate maatregelen voor te zorgen dat alle zones zo snel mogelijk weer in overeenstemming met de voorschriften zijn.

Een voorbeeld van een goede praktijk is de luchtkwaliteitszone van Engis, waar de grenswaarden voor PM10 eind 2014 nog altijd niet werden nageleefd. Hier is in 2015 een werkgroep opgericht (waarin de autoriteiten, de belangrijkste industriële uitstoters en de burgers vertegenwoordigd zijn) met als doel de impact van de belangrijkste industriële activiteiten op de luchtkwaliteit te beperken, in het bijzonder de fijnstofconcentratie (PM10).

Figuur 14: luchtkwaliteitszones waar in 2017 de EU-luchtkwaliteitsnormen werden overschreden 122

Volgens een speciaal verslag van de Europese Rekenkamer 123 hebben de EU-maatregelen om de menselijke gezondheid te beschermen tegen luchtvervuiling niet de verwachte impact. Er bestaat met name een risico dat de luchtvervuiling in sommige gevallen te laag wordt ingeschat, omdat deze niet altijd op de juiste plaatsen wordt gemeten. De lidstaten moeten dan ook zowel realtime- als gevalideerde gegevens over de luchtkwaliteit rapporteren aan de Commissie. In het verslag wordt kritiek geuit op de locatie van de meetstations in Brussel. De Commissie heeft al (juridische) discussies aangezwengeld over de meting van NO2 door België (tot op heden voor de agglomeraties Brussel en Antwerpen).

Op een nationale website over luchtvervuiling van de Belgische Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu (IRCEL) wordt weergegeven waar de grenswaarden worden overschreden 124 . Daarnaast heeft DE IRCEL de mobiele app "Belair" ontwikkeld, die de luchtvervuiling in het land realtime laat zien 125 .

In alle sectoren die bijdragen aan het probleem van luchtvervuiling zijn tal van maatregelen genomen. De maatregelen zijn zowel op emissiereductie als op vermindering van de blootstelling gericht. Wat dat laatste aspect betreft, zijn de belangrijkste beleidsacties de inrichting van lage-emissiezones met mogelijke boetes in het Brussels Gewest (sinds 1 januari 2018) en Antwerpen (sinds 1 januari 2017) en de uitbreiding van de voetgangersgebieden. Voor Gent staat een vergelijkbare zone gepland voor 2020. In Wallonië wordt gewerkt aan een wettelijk kader dat gemeenten de mogelijkheid biedt voorstellen voor lage-emissiezones in te dienen.

Het Brussels Gewest heeft tevens aangekondigd de lage-emissiezone na 2025 verder aan te scherpen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren en beter aan te sluiten op de WHO-richtsnoeren inzake luchtkwaliteit. In dit kader heeft de Brusselse Regering in 2018 aangegeven voornemens te zijn om tegen 2030 dieselvoertuigen en in een later stadium ook benzinevoertuigen te verbieden. Met het oog hierop is het gewest een uitgebreide raadpleging van belanghebbenden gestart om te onderzoeken hoe dit verbod het best kan worden uitgevoerd. De raadpleging loopt tot medio 2019 en omvat een schriftelijke raadpleging en de organisatie van thematische rondetafelgesprekken met deskundigen en belanghebbenden.

Andere relevante gewestelijke maatregelen uit 2018, die elders in deze EIR worden genoemd, zijn: i) fiscale initiatieven; ii) vergroening van het openbaar vervoer; iii) een nieuw plan inzake nationale emissieplafonds; iv) een nieuw energie- en klimaatplan; en v) een nieuw mobiliteitsplan. Het Brussels Gewest wil tussen 2020 en 2025 volledig voldoen aan het EU-recht. In mei 2018 keurde de Brusselse Gewestregering noodregels goed die forenzen in perioden met een hoge fijnstofuitstoot gratis toegang bieden tot het openbaar vervoer.

De gewesten Brussel en Vlaanderen werken aan de ontwikkeling van alternatieve brandstofinfrastructuur die de luchtkwaliteit op de middellange termijn zal verbeteren. De twee gewesten nemen deel aan het BENEFIC-project in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen. Het behelst de uitrol van een netwerk van laadpunten voor elektrische auto's, aardgas- en waterstoftankstations en stroompunten op het vasteland voor de binnenvaart in Vlaanderen, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Nederland.

In Vlaanderen worden vergelijkbare, elders in deze EIR genoemde maatregelen getroffen, plus een nieuw plan inzake emissieplafonds, dat eind 2018 gereed moet zijn. Het gewest heeft verder een "green deal" gesloten om de emissies van de houtverbranding terug te dringen (met de nadruk op fijnstof) 126 . Mogelijk voldoet de agglomeratie Antwerpen hier pas na 2030 volledig aan.

Tijdens de Belgische EIR-dialoog in maart 2017 werd gesproken over het verband tussen verkeerscongestie, luchtvervuiling en gezondheid. De conclusie luidde dat: i) er een probleem is; ii) er een pakket maatregelen nodig is voor alle problemen in verband met luchtvervuiling door het vervoer; en iii) dat dit pakket zeer spoedig moet worden vastgesteld 127 .

Bovendien kreeg België in de context van het Europees Semester in 2018 de volgende landspecifieke aanbeveling: "de groeiende mobiliteitsuitdagingen aangaan, met name via investeringen in nieuwe of bestaande vervoersinfrastructuur en sterkere prikkels om gebruik te maken van collectief vervoer en vervoer met lage emissies".

In de EIR 2017 wordt gewezen op de gezondheidgerelateerde externe kosten als gevolg van luchtvervuiling. In het Brussels Gewest berekent het project "ExpAir"de blootstelling van mensen aan luchtvervuiling in Brussel 128 . De Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling heeft op 12 oktober 2018 een conferentie georganiseerd over de effecten van luchtvervuiling op de gezondheid.

Prioritaire acties voor 2019

·In het kader van het Nationaal programma ter beheersing van de luchtverontreiniging maatregelen treffen voor het verlagen van de belangrijkste emissiebronnen — en voldoen aan alle luchtkwaliteitsnormen.

·De uitstoot van stikstofoxiden (NOx) en de concentratie van stikstofdioxide (NO2) versneld terugdringen. Dit vereist bijvoorbeeld een verdere reductie van de vervoersemissies, met name in stedelijke gebieden (en mogelijk ook evenredige en gerichte beperkingen van de toegang van voertuigen tot steden) en/of fiscale prikkels.

·Het netwerk voor de meting van de luchtkwaliteit moderniseren en verbeteren, en zorgen voor een tijdige melding van gegevens over de luchtkwaliteit.

Industriële emissies

De belangrijkste doelstellingen van het EU-beleid betreffende industriële emissies zijn:

i) lucht, water en bodem beschermen;

ii) afval voorkomen en beheren;

iii) de energie- en hulpbronnenefficiëntie verbeteren; en

iv) verontreinigende locaties saneren.

De EU hanteert hiervoor een geïntegreerde benadering inzake preventie en beheersing van routinematige en accidentele industriële emissies. De hoeksteen van dit beleid is de richtlijn industriële emissies 129 .

Het onderstaande overzicht van industriële activiteiten waarop de richtlijn industriële emissies van toepassing is, is gebaseerd op de landenprofielen van het beleid betreffende industriële emissies 130 .

In België moeten circa 1 745 industriële installaties een vergunning op basis van de richtlijn industriële emissies hebben. De sectoren die in België in 2015 de meeste installaties hadden voor in die richtlijn opgenomen activiteiten, waren de intensieve pluimvee- en varkenshouderij (49 %), chemische stoffen (14 %) en afvalbeheer (9 %) 131 (zie figuur 15).

Figuur 15: aantal aan de richtlijn inzake industriële emissies onderworpen industriële activiteiten per sector (2015) 132

Figuur 16 laat zien welke industriële sectoren in België verantwoordelijk zijn voor de grootste belasting voor het milieu in termen van luchtemissies.

Wat de emissie in water betreft zijn de sectoren metaal en chemische stoffen en "overige activiteiten" de grootste vervuilers. De sectoren metaalproductie, chemische stoffen en afvalbeheer dragen het meest bij aan de productie van gevaarlijke afvalstoffen, terwijl "overige activiteiten" en de metaalproductie de grootste bijdrage leveren aan de productie van ongevaarlijke afvalstoffen.

De EU-aanpak voor handhaving krachtens de richtlijn inzake industriële emissies heeft burgers sterke rechten gegeven op toegang tot relevante informatie en op deelname aan de vergunningsprocedure. Hierdoor kunnen burgers en ngo's ervoor zorgen dat vergunningen naar behoren worden toegekend en dat de voorwaarden ervan worden nageleefd.

Dankzij de ontwikkeling van referentiedocumenten voor de beste beschikbare technieken (BBT) en BBT-conclusies door de uitwisseling van informatie tussen betrokken lidstaten, brancheorganisaties, ngo's en de Commissie, is er een goede samenwerking met belanghebbenden en kan de richtlijn inzake industriële emissies beter worden uitgevoerd.

De Commissie verlaat zich op en is blij met de inspanningen van nationale bevoegde autoriteiten voor de invoering van de wettelijk bindende BBT-conclusies en de daarmee geassocieerde BBT-emissieniveaus in milieuvergunningen, waardoor een aanzienlijke en aanhoudende vermindering van vervuiling wordt bewerkstelligd.

Figuur 16: luchtemissies uit de aan de richtlijn inzake industriële emissies onderworpen sectoren en alle andere nationale totale luchtemissies (2015)

De invoering van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus voor grote stookinstallaties die onlangs zijn vastgesteld, verlaagt de emissies van zwaveldioxide met 25 % tot 81 %, stikstofoxide met 8 % tot 56 %, stof met 31 % tot 78 % en kwik met 19 % tot 71 %. Deze gemiddelde verlaging is afhankelijk van de situatie van individuele fabrieken.

België is dichtbevolkt en industriële installaties bevinden zich vaak in de nabijheid van bewoonde gebieden. Dit leidt tot in vele klachten van het publiek en daaruit voortvloeiende onderzoeken. In deze situatie kan het soms nodig zijn om strengere emissiegrenswaarden vast te stellen dan normaal vereist is wanneer men de beste beschikbare technieken toepast 133 .

De Commissie was met name te spreken over de goede samenwerking met de autoriteiten bij de efficiënte aanpak van problemen als gevolg van de laattijdige uitvoering van de BBT-conclusie om het gebruik van de kwikceltechniek door chlooralkali-installaties per 11 december 2017 te verbieden 134 .

Prioritaire acties voor 2019

·Vergunningen herzien, zodat deze voldoen aan de nieuwe BBT-conclusies.

·Controle en handhaving versterken voor naleving van de BBT-conclusies.


Geluid

De richtlijn omgevingslawaai 135 voorziet in een gemeenschappelijke aanpak om de schadelijke effecten als gevolg van blootstelling aan omgevingslawaai te vermijden, te voorkomen en te verminderen.

Geluidsoverlast van vliegtuigen, spoorwegen en wegen is een van de belangrijkste oorzaken van gezondheidsproblemen door toedoen van het milieu in de EU 136 .

Op basis van beperkte gegevens 137 uit 2011 veroorzaakt omgevingslawaai in België ten minste zo'n 200 voortijdige sterfgevallen en 1 000 ziekenhuisopnamen per jaar en hebben er circa 270 000 mensen te maken met verstoorde slaap. De uitvoering van de richtlijn omgevingslawaai 138 heeft flinke vertraging opgelopen. Op basis van de recentste gegevens die konden worden geanalyseerd (2012 in het geval van de geluidsbelastingkaarten, 2013 wat betreft de actieplannen), komt alleen Vlaanderen de wettelijke verplichtingen volledig na. Het ontbreekt nog steeds aan geluidsactieplannen voor wegen en spoorwegen in het Waals Gewest. Een punt van zorg was dat er begin 2014 geen publieke raadpleging heeft plaatsgevonden, toen het actieplan voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 2013 (dat ook van toepassing is op de geluidsbelasting van de luchthaven van Brussel) werd geëvalueerd. Dit punt is actueel bij de aanneming van een nieuw actieplan door de Brusselse Regering in 2019 139 . Deze instrumenten zijn aangenomen na een openbare raadpleging en zouden ook maatregelen moeten omvatten om het geluidsniveau laag te houden of te beperken.

In 2015 was 54 % van de inwoners van Brussel, ongeveer 68 % van de inwoners van Luik en 74 % van de Antwerpenaren tevreden met het geluidsniveau in hun stad 140 . Brussel was in 2015 finalist bij de Prijs voor de Groene Hoofdstad van Europa, en de voorbeeldige prestaties resulteerden in de tweede plek in de categorie geluid. Een voorbeeld van een goede praktijk is de lijst van stiltegebieden in Gent 141 .

Prioritaire actie voor 2019

·De ontbrekende geluidsactieplannen voor Wallonië voltooien en zorgen voor een deugdelijke evaluatie van het actieplan voor de Brusselse agglomeratie.

Waterkwaliteit en -beheer

De wetgeving en het beleid van de Europese Unie moeten ervoor zorgen dat de impact van de druk op overgangs-, kust- en zoete wateren (met inbegrip van oppervlakte- en grondwaterlichamen) sterk wordt verminderd. Door waterlichamen in goede toestand te brengen en te houden of hun toestand te verbeteren, zoals gedefinieerd door de kaderrichtlijn water (KRW), zullen de EU-burgers profiteren van veilig drink- en zwemwater van hoge kwaliteit. Dit zal er verder voor zorgen dat de nutriëntenkringloop (stikstof en fosfor) duurzamer en hulpbronnenefficiënter wordt beheerd.

De bestaande EU-waterwetgeving 142 zorgt voor een beschermend kader ter garantie van hoge normen voor alle waterlichamen in de EU en pakt specifieke bronnen van verontreiniging aan (bijvoorbeeld landbouw, stedelijke gebieden en industriële activiteiten). Zij vereist ook dat de verwachte gevolgen van klimaatverandering worden opgenomen in de overeenkomstige planningsinstrumenten, bv. overstromingsrisicobeheerplannen en stroomgebiedsbeheersplannen (SGBP's), met daarin het programma van maatregelen die de lidstaten willen treffen om de milieudoelstellingen te behalen.

Kaderrichtlijn water

België heeft de SGBP's van de tweede generatie vastgesteld en gemeld uit hoofde van de kaderrichtlijn water en de Europese Commissie heeft de stand van zaken en de ontwikkeling sinds de aanneming van de eerste SGBP's beoordeeld en maatregelen voorgesteld in de EIR 2017.

De grootste belasting van rivieren in België is afkomstig van diffuse agrarische bronnen, atmosferische depositie en belasting door puntbronnen van stedelijk afvalwater. Voor grondwaterlichamen is de grootste belasting afkomstig van de landbouw en industriële emissies.

In België had verontreiniging door nutriënten de grootste invloed op alle oppervlaktewatercategorieën (65 % van de oppervlaktewaterlichamen) en op het grondwater (44 % van de grondwaterlichamen). In de oppervlakte- en grondwateren was ook sprake van aanzienlijke chemisch verontreiniging.

Over het geheel neemt de trendmonitoring af en neemt de toestandmonitoring toe met betrekking tot de ecologische toestand van oppervlaktewaterlichamen. De ecologische toestand/potentieel van 70 % van alle geclassificeerde rivierwaterlichamen is nog steeds minder dan goed, zoals wordt geïllustreerd in figuur 17. Dit laat zien dat België nog een lange weg te gaan heeft voordat de goede toestand/potentieel als bedoeld in de kaderrichtlijn water is bereikt.

Figuur 17: ecologische toestand of ecologisch potentieel van oppervlaktewaterlichamen in België 143

In de periode tussen de eerste en de tweede SGBP's nam het percentage oppervlaktewaterlichamen met een goede chemische toestand sterk af van 35 % naar 2 % en steeg het percentage oppervlaktewaterlichamen dat geen goede chemische toestand bereikt, sterk, van 30 % naar 98 %. Dit is te verklaren doordat het percentage met een onbekende toestand daalde van 35 % naar minder dan 1 %. De monitoring van de kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen is verbeterd. Het aantal gecontroleerde grondwaterlichamen is toegenomen en het aantal grondwaterlichamen dat geen goede status heeft halveerde bijna, van 15 naar 8.

De belangrijkste belastende factoren worden geïdentificeerd in de SGBP's, waarna maatregelen (ingedeeld in kerncategorieën) worden genomen, maar er zijn geen financiële toezeggingen gedaan voor de uitvoering van de programma's van maatregelen voor alle desbetreffende sectoren in alle stroomgebieddistricten. Op de analyse van enkele diffuse belastende factoren in een van de stroomgebieddistricten na zijn er geen hiaatanalyses verricht. Daardoor is het moeilijk om de voortgang of verwachte voortgang ten opzichte van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water te beoordelen en variëren de berekening en internalisering van milieu- en hulpbronnenkosten bij de vaststelling van de waterprijs in België.

Drinkwaterrichtlijn

Met betrekking tot drinkwater zijn er sinds de EIR 2017 geen nieuwe gegevens beschikbaar 144 .

Zwemwaterrichtlijn

Figuur 18 laat zien dat in 2017 86,7 % van de 113 Belgische zwemwateren van uitstekende kwaliteit was, 10,64 % van goede kwaliteit en 2,7 % van aanvaardbare kwaliteit (respectievelijk 85 %, 12,4 % en 1,8 % in 2016). Geen van de zwemwateren had een slechte kwaliteit of voldeed niet aan de normen 145 . Er is gedetailleerde informatie over Belgische zwemwateren beschikbaar op nationale portaalsites 146 en via een interactieve kaart die is ontworpen door het Europees Milieuagentschap 147 .

Figuur 18: zwemwaterkwaliteit 2014-2017 148

Richtlijn behandeling stedelijk afvalwater

België heeft problemen gehad om de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater tijdig om te zetten en er zijn inbreukzaken ingeleid. Na medio 2018 hebben de laatste agglomeraties die in gebreke bleven (in Wallonië, waarvoor de Commissie een maatregel voorstelde in de EIR 2017) echter aangegeven de regels na te leven.

In België wordt 98 % van het afvalwater opgevangen en krijgt 96,8 % van het opgevangen water een secundaire behandeling. In 2014 onderging 91,1 % van het water een ingrijpender zuivering 149 .

In het kader van de behandeling van afvalwater heeft de Brusselse agglomeratie (die in 2013 werd beboet wegens niet-naleving) EIB-leningen gebruikt om de waterkwaliteit verder te verbeteren, het rioolstelsel en de distributieleidingen te renoveren en vijvers voor overtollig regenwater aan te leggen 150   151 .

In een lopend onderzoek van de Commissie en de OESO uit 2018 worden de totale uitgaven voor de naleving van de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater en het voorstel voor een nieuwe drinkwaterrichtlijn en de kosten voor het verhogen van de efficiëntie geschat op ongeveer 3 miljard EUR in 2030 als België op dezelfde voet voortgaat (bij ongewijzigd beleid).

België neemt deel aan het door het EFRO medegefinancierde Nereus-project, dat als doel heeft de ontwikkeling van de groene economie een boost te geven en om afvalwater om te zetten in een waardevolle bron voor water, hulpbronnen (bv. cellulose en voedingsstoffen) en energie 152 .

Nitraatrichtlijn

De nitraatrichtlijn wordt op gewestelijk niveau uitgevoerd. De uitdagingen die verband houden met het agrarische gebruik van nutriënten treffen het hele Belgische grondgebied, behalve het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waar conventionele landbouwactiviteiten vrij uitzonderlijk zijn.

De eerder geconstateerde verbetering in de nitraatconcentratie werd doorgezet in de periode 2012‑2015. In Vlaanderen blijft de agrarische druk op water echter hoog, waarbij de meeste wateren aan eutrofiëring onderhevig zijn. Daarom heeft het gewest besloten de maatregelen uit het nitraatactieprogramma toe te passen op het gehele grondgebied en aanvullende maatregelen te nemen in gerichte gebieden waar de waterkwaliteit onvoldoende is verbeterd. Vlaanderen geniet tot 31 december 2018 een afwijking van de nitraatrichtlijn 153 met betrekking tot de maximale hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest die op land mag worden gebruikt.

In Wallonië bleef de nitraatconcentratie in het water in de periode 2012‑2015 stabiel. De waterkwaliteit blijft echter een probleem in sommige delen van het gewest. Ongeveer 69 % van het in gebruik zijnde landbouwareaal is aangewezen als nitraatgevoelig gebied en er bestaan twijfels over de vraag of het nitraatactieprogramma toereikend is om de schadelijke concentraties in water verder terug te dringen.

In 2017 heeft de Commissie de lidstaten op het hart gedrukt dat de water- en landbouwwetgeving in overeenstemming moet zijn met de langetermijndoelstelling om de Europese landbouw duurzaam te maken en de goede toestand van de waterlichamen te waarborgen zoals gedefinieerd in de kaderrichtlijn water 154 .

In Vlaanderen hebben onderzoekers het "AquaCrop-Hydro"-model ontwikkeld, dat laat zien welke invloed landbouwpraktijken hebben op de beschikbaarheid van water in het stroomgebied van de Plankbeek 155 . Uit het model bleek dat ongeveer twee derde van de regenval in het stroomgebied van de Plankbeek verdampte of door gewassen werd gebruikt en dat 27 % in het grondwater of de rivier terechtkwam. 7,5 % werd bovengronds afgevoerd en 0,2 % werd in de bodem opgeslagen.

Overstromingenrichtlijn

In België bestaat er een aanzienlijk overstromingsrisico voor 24 % van de bevolking (16 % in Wallonië), waarbij de schade meer dan drie keer zo groot kan zijn als de waarde van de activa die gevaar lopen 156 . Een specifiek risico in België is de overstroming van afgesloten waterlopen in stedelijke gebieden, zoals de Zenne in Brussel. Inspanningen om de natuurlijke hydromorfologie te herstellen moeten helpen om deze risico's te verminderen. Klimaatverandering wordt gezien als een belangrijke factor in het ontstaan van overstromingen in België in termen van de verwachte schade aan stedelijke activa, getroffen mensen en het bbp 157 .

De overstromingenrichtlijn biedt een kader voor de beoordeling en het beheer van overstromingsrisico's, teneinde de negatieve gevolgen van grote overstromingen te beperken. België heeft zijn eerste overstromingsrisicobeheerplannen (ORBP's) krachtens de richtlijn vastgesteld en gerapporteerd, en de Commissie heeft een beoordeling uitgevoerd.

Uit de beoordeling van de Commissie bleek dat er goede inspanningen zijn verricht en positieve resultaten zijn behaald bij het stellen van doelen en het bedenken van maatregelen gericht op preventie, bescherming en paraatheid. Uit de beoordeling bleek ook dat de Belgische ORBP's, zoals in andere lidstaten eveneens het geval was, nog geen zo volledig mogelijke schatting van de kosten van maatregelen met vermelding van de specifieke financieringsbronnen bevatten. Daarnaast kan er meer gebruik worden gemaakt van kosten-batenanalyses om in dit opzicht geschikte maatregelen te prioriteren.

Het Vlaams Kenniscentrum Water heeft een project opgezet voor een rationeel waterbeheer in steden en gemeenten om het watergebruik in gebouwen te verminderen. Er wordt in België namelijk veel water verspild (50 % in België en 17,9 % in Vlaanderen in 2016) 158 . Een enquête die in het voorjaar van 2018 in het kader van het project werd afgenomen, maakte onder meer duidelijk dat 97 % van de respondenten bereid is om het waterverbruik tijdens langdurige perioden van droogte te minimaliseren en dat 90 % bereid is regenwater op het eigen grondgebied op te vangen en niet weg te laten lopen naar de riolering 159 .

Het SIGMA II-plan voor het Schelde-estuarium is een uitgelezen voorbeeld van het inzetten van groene infrastructuur om bescherming te bieden tegen overstromingen en de natuur te herstellen. Een ander, door het EFRO medegefinancierd project met de titel "IRMA" heeft België en de buurlanden geholpen om overstromingen van de Maas aan te pakken.

Prioritaire acties voor 2019

·Zorgen dat waterverontreiniging, onder andere door de landbouw, doeltreffend wordt aangepakt krachtens de nitraatrichtlijn en de kaderrichtlijn water.

·Stappen nemen om chemische verontreiniging aan te pakken door in verband met oppervlakte- én grondwater een meer substantiespecifieke benadering te ontwikkelen, waarbij de nadruk ligt op prioritaire stoffen en rivier- en grondwaterspecifieke verontreinigende stoffen.

·Stappen nemen om in het kader van de overstromingsrisicobeheerplannen meer gebruik te maken van kosten-batenanalyses om in dit opzicht geschikte maatregelen te prioriteren.

Chemische stoffen

De EU streeft ernaar dat chemische stoffen tegen 2020 zo worden geproduceerd en gebruikt dat de negatieve gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu tot een minimum worden beperkt. Er wordt een EU-strategie voor een niet-toxisch milieu ontworpen die innovatie begunstigt en duurzame substituten ontwikkelt met niet-chemische opties.

De EU-wetgeving betreffende chemische stoffen 160 voorziet in de referentiebescherming voor de volksgezondheid en het milieu. Deze zorgt ook voor stabiliteit en voorspelbaarheid voor ondernemingen die actief zijn op de interne markt.

Uit het verslag van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (2016) over de werking van Reach en CLP 161 bleek dat de handhavingsactiviteiten zich nog steeds ontwikkelen. Gecoördineerde projecten van het Forum voor de uitwisseling van handhavingsinformatie 162 lieten zien dat de effectiviteit van handhavingsactiviteiten nog altijd kan worden verbeterd, voornamelijk wat betreft registratieverplichtingen en veiligheidsinformatiebladen waarvoor een relatief hoge niet-naleving is geconstateerd.

Hoewel er vorderingen worden geboekt is er ruimte om de nationale handhavingsactiviteiten te verbeteren wat betreft de harmonisering in de Unie, met inbegrip van de controle van ingevoerde goederen. Het is tevens duidelijk dat de handhaving in sommige lidstaten nog steeds zwak is, voornamelijk wat betreft de controle van ingevoerde goederen en verplichtingen in de toeleveringsketen. De architectuur van de handhavingscapaciteiten blijft in de meeste EU-landen complex. De handhavingsprojecten hebben ook verschillen tussen de lidstaten aan het licht gebracht (sommige lidstaten zijn bijvoorbeeld geneigd systematisch een hogere naleving te rapporteren dan het EU-gemiddelde en andere een lagere).

In een studie van de Commissie uit 2015 werd al benadrukt dat de harmonisatie bij de uitvoering van Reach op het gebied van markttoezicht en handhaving door de lidstaten essentieel was voor de werking van een geharmoniseerde eengemaakte markt 163 .

In maart 2018 publiceerde de Commissie een evaluatie van de Reach-verordening 164 . Daarin werd geconcludeerd dat de Reach-doelstellingen worden gehaald, maar dat de vooruitgang trager wordt geboekt dan verwacht. Bovendien zijn de registratiedossiers vaak onvolledig. In de evaluatie wordt benadrukt dat alle actoren de handhaving moeten versterken, inclusief registranten, downstreamgebruikers en met name importeurs, om gelijke kansen te garanderen, de doelstellingen van Reach te verwezenlijken en consistentie te waarborgen met de maatregelen die zijn voorzien ter verbetering van de naleving van de milieuwetgeving en milieugovernance. Consistente rapportage van de handhavingsactiviteiten van de lidstaten werd in dit opzicht als een belangrijk aspect beschouwd.

De Belgische federale en gewestelijke autoriteiten hebben op 21 december 2012 een samenwerkingsakkoord gesloten ten behoeve van de uitvoering van de Reach-verordening 165 . Bij deze overeenkomst werden drie commissies opgericht die een rol spelen in de uitvoering van de Reach-taken (de Belgische Reach-commissie, een wetenschappelijke commissie/nationaal forum, en een handhavingscommissie). Deze handhavingsstructuur omvat verschillende federale en gewestelijke autoriteiten die optreden in het kader van hun eigen bevoegdheden. Het directe toezicht op de naleving en de wetshandhaving zijn taken van inspectiediensten en overheidsinstanties; de indirecte handhaving van de naleving wordt uitgevoerd door vergunningverlenende instanties. De handhavingsautoriteiten, waaronder de douanediensten, onderhouden contact via een nationaal forum om de handhavingsinitiatieven optimaal te benutten en tegelijkertijd de inspanningen die overheidsinstanties en rechtspersonen moeten leveren, te minimaliseren 166 .

België heeft onder meer een nationaal controlebeleidsplan ingevoerd, dat door de inspectoraten wordt opgesteld en door de beleidsmakers wordt vastgesteld. De bewustmaking vindt plaats via folders en nieuwsbrieven, artikelen in vakbladen en voorlichting via de website en de sociale media. De Belgische autoriteiten werken actief samen met ECHA bij de uitvoering van de wetgeving betreffende de autorisatie-, evaluatie- en beperkingsprocessen. België heeft al meer dan 10 stoffen met hormoonontregelaars en PBT- en zPzB-stoffen geëvalueerd.

Het Vlaamse chemisch cluster is al eerder in dit verslag ter sprake gekomen. De haven van Antwerpen herbergt het grootste petrochemische cluster van Europa (het tweede op wereldniveau). De Antwerpse haven is naar verluidt de eerste haven in de EU die toetreedt tot het initiatief "Zero-pellet loss", dat als doel heeft te voorkomen dat kunststoffen in het milieu terechtkomen 167 .

België heeft de samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten en de douane- en inspectiediensten verbeterd om de uitvoering doeltreffender te maken. Er gelden sancties voor inbreuken op Reach en CLP. Er worden regelmatige controles en routinematige inspecties verricht op het gebied van CLP, maar het wordt niet realistisch geacht om alle stoffen die onder de Reach-verordening vallen, te monitoren. Net als de meeste andere EU-lidstaten heeft België een nationale helpdesk om vooral kleine en middelgrote ondernemingen snel nuttige antwoorden te bieden op hun vragen met betrekking tot Reach.

Ten slotte zijn chemische kwesties onderzocht aan de hand van LIFE-projecten, onder meer in de haven van Antwerpen 168 .

Steden duurzamer maken

Uit hoofde van het EU-beleid inzake het stadsmilieu worden steden aangemoedigd beleid vast te stellen voor duurzame stadsplanning. Hieronder moeten innovatieve benaderingen van openbaar vervoer en mobiliteit in de stad, duurzame gebouwen, energie-efficiënte oplossingen en het behoud van de stedelijke biodiversiteit vallen.

Europa kan worden beschouwd als een unie van steden en gemeenten. Ongeveer 75 % van de EU-bevolking woont in stedelijke gebieden 169 en naar verwachting zal dat percentage toenemen tot 80 % tegen 2050 170 . Stedelijke gebieden brengen bijzondere uitdagingen met zich mee voor het milieu en de volksgezondheid, maar bieden ook mogelijkheden voor een efficiënter hulpbronnengebruik. De EU stimuleert gemeenten om groener te worden door middel van initiatieven zoals de Prijs voor de Groene Hoofdstad van Europa 171 , de Green Leaf Award 172 en de Green City Tool 173 .

Financiering voor vergroening van steden

België heeft 141,9 miljoen EUR of 15 % van zijn EFRO-toewijzing bestemd voor duurzame stadsontwikkeling. Het OP voor Brussel is volledig in dit bedrag vervat, terwijl de OP's voor Vlaanderen en Wallonië stedelijke assen omvatten.

België neemt deel aan het netwerk voor stedelijke ontwikkeling 174 .

Het EFRO ondersteunt stedelijke innovatieve acties voor de periode 2014‑2020 om nieuwe, nog niet aangetoonde oplossingen voor stedelijke problemen te testen. De EFRO-begroting voor stedelijke innovatieve acties voor deze periode bedraagt 372 miljoen EUR, en België heeft in de eerste twee projectronden financiering toegewezen gekregen voor acties in Gent en Antwerpen 175 .

Deelname aan stedelijke initiatieven en netwerken van de EU

De European Green Leaf Award 2018 werd gezamenlijk toegekend aan de steden Leuven (België) en Växjö (Zweden). In 2011 stelde Leuven zich het ambitieuze doel om tegen 2030 klimaatneutraal te zijn. In 2013 werd de stad genomineerd voor de titel "duurzaamste gemeente" van België 176 . Twee andere steden hebben zonder succes meegedongen naar Europese prijzen: Mechelen (European Green Leaf Award 2019) en Gent (Prijs voor de Groene Hoofdstad van Europa 2020). Leuven behoorde ook tot de finalisten voor de titel Europese innovatiehoofdstad 2018.

Belgische steden zijn daarnaast bij 22 thematische netwerken van URBACT betrokken om duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen 177 . Binnen URBACT is Antwerpen een van de kartrekkers van het "Sub>urban"-netwerk, dat ernaar streeft de bestaande 20e-eeuwse stedelijke structuur weer aantrekkelijk en kwalitatief hoogstaand te maken. Het Brussels Gewest doet mee aan het "Freight TAILS"-initiatief voor duurzame logistiek in de stad. Gent stuurt twee netwerken aan: "REFILL", een concept waarbij leegstaande gebouwen en braakliggend land tijdelijk worden gebruikt, en "Stay tuned", waarmee de hoge schooluitval in steden en dorpen wordt aangepakt. Belgische steden zijn betrokken bij verschillende door de EU ondersteunde initiatieven met betrekking tot slimme steden, met name op energiegebied 178 .

In Vlaanderen beogen de projecten om bedrijven innovatiever te maken ook om de biodiversiteit op bedrijventerreinen te vergroten met behulp van een kenniscentrum voor "groen bouwen" en om het gebruik van een zorgsysteem te bevorderen 179 . Bovendien heeft Vlaanderen zich ook ingezet voor de "betonstop"-aanpak om de hoeveelheid grijze infrastructuur te verminderen 180 door alle vormen van verstedelijking van open ruimten tegen 2040 te verbieden. Tegen 2025 wordt nog slechts 3 hectare vrije ruimte per dag vrijgemaakt voor gebouwen. In 2040 moet dit zijn gedaald tot nul hectare. Gent verandert de kanaaloevers in groene wandelpaden en verbetert het waterbeheer in het havengebied 181 . De stad heeft ook een scorekaart van haar natuurlijke kapitaal 182 in het leven geroepen. Belgische steden zijn ook actief betrokken bij initiatieven zoals Eurocities en het EU-Burgemeestersconvenant (dat eerder in dit verslag is genoemd).

Het loont de moeite om deze inspanningen te stimuleren, aangezien in 2017 iets meer dan 22,7 % van de bewoners van Belgische steden aangaf dat er in hun omgeving sprake is van verontreiniging, vervuiling of andere milieuproblemen (EU-gemiddelde: 20 %) 183 .

In het door de EU gefinancierde PASTA-project werden de opvattingen van burgers over luchtvervuiling in zeven Europese steden met elkaar vergeleken. Daaruit bleek dat gemiddeld 58 % van de respondenten bezorgd was over de gezondheidseffecten van luchtvervuiling (78 % in Antwerpen) 184 .

Natuur en steden

Meer dan 20 % van het Belgische Natura 2000-netwerk bevindt zich in stedelijk gebied (EU-gemiddelde: 15 % 185 ; zie figuur 19). Wallonië heeft gemeld dat 101 van de 262 gemeenten gemeentelijke plannen voor natuurontwikkeling hebben opgesteld 186 , waarbij zij hun lokale ecologische netwerk in kaart hebben gebracht. Een interessant voorbeeld van groene infrastructuur in België is het LIFE Belini-project voor de rivieren in het stroomgebieddistrict Schelde 2017‑2024. Enkel in het Waalse deel worden tien tijdelijke overstromingszones ingesteld en drie bestaande zones worden omgevormd tot natuur, met een focus op biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Het volledige kanaal tussen Charleroi en Brussel maakt ook deel uit van het LIFE-project 187 . In een specifiek deel van Brussel wordt de Zenne verlicht en wordt een tijdelijk overstromingsgebied aangelegd. In Vlaanderen worden soortgelijke maatregelen genomen in Sint-Pieters-Leeuw en delen van Leuven en worden visladders aangelegd in de Dijle.

Figuur 19: percentage van het Natura 2000-netwerk in functionele stedelijke gebieden (FSG's) 188

Het natuurplan 2016‑2020 van het Brussels Gewest is direct gekoppeld aan het gewestelijk bodemplan 189 en beoogt de natuur in de openbare ruimte en de uitrol van het Brusselse ecologisch netwerk (REB) 190 te versterken, met name om gebieden met een hoge natuurwaarde te beschermen.

Verstedelijking

In 2009 had België met 6,59 UPU/m2  191 de hoogste gewogen stadsuitbreiding ten opzichte van een Europees gemiddelde (EU28 + EER4) van 1,64 UPU/m2, wat een stijging inhoudt van 1,7 % tussen 2006 en 2009 192 .

Een Gentse goede praktijk op het gebied van ruimtelijke ordening is de verstrekking van subsidies om het tijdelijke gebruik van braakliggende terreinen voor economische, culturele en participatieve activiteiten te stimuleren 193 .

Verkeerscongestie en stedelijke mobiliteit

De gemiddelde tijd die men jaarlijks doorbrengt in de file steeg van 35,84 uur in 2014 naar 38,82 uur in 2016. Daarmee behoort België tot de slechtst presterende landen in de EU 194 . Brussel voert de Belgische lijst aan met 39 uur 195 . De kosten van verkeerscongestie komen aan bod in het Belgisch stabiliteitsprogramma 2017‑2020; in beoordelingen van de Commissie, de OESO en het IMF worden de kosten geraamd op 1 % à 2 % van het bbp, oftewel 4,3 miljard tot 8,6 miljard EUR (2017) 196 .

Dan het autobezit. In 2016 telde België 503 personenauto's per duizend inwoners, bijna gelijk aan het EU-gemiddelde (505 personenauto's) 197 . In datzelfde jaar vond 78,5 % van het vervoer in België plaats in particuliere wagens 198 en staken er bij Antwerpen 64 miljoen voertuigen de Schelde over — 65 % boven de huidige capaciteit 199 . In Wallonië vond 95 % van het personenvervoer over het land in 2009 plaats over de weg — in 81 % van de gevallen gebeurde dat met particuliere wagens 200 . In Vlaanderen reist 75 % van de forenzen nog steeds met de eigen wagen 201 .

In Brussel verplaatsen dagelijks zo'n 350 000 forenzen zich binnen de stad met de auto. De mobiliteitstrends in de hoofdstad verschuiven echter. Het aantal autoritten binnen Brussel daalde van 49,6 % in 1999 naar 32 % in 2010 en het ov-gebruik was in hetzelfde jaar gestegen tot 25,9 %, ten opzichte van 14,7 % in 1999 202 . Tussen 2000 en 2012 nam het metrogebruik toe met 69 %; de metro vervoert nu 130 miljoen passagiers per jaar 203   204 . Het aantal fietspaden in Brussel steeg tussen 2005 en 2014 met 65 % en in 2014 waren stoepen en voetpaden goed voor 36,9 % van het totale wegoppervlak 205 .

Op nationaal niveau gaat 48 % van de stadsbewoners elke dag te voet (EU-gemiddelde: 68 %) en gebruikt 57 % dagelijks de auto (EU-gemiddelde: 50 %). Het ov-gebruik ligt in lijn met het EU-gemiddelde; 16 % van de Belgische stedelingen maakt er dagelijks gebruik van. In 2012 vond 50,1 % van de bevolking van plattelandsgebieden, 15,9 % van de inwoners van kleinere steden en voorsteden en 5,2 % van de inwoners van grote steden dat het openbaar vervoer slecht of zeer slecht toegankelijk was voor hen 206 .

15 % van de mensen in België geeft aan ten minste een keer per dag de fiets te gebruiken (EU-gemiddelde: 12 % 207 ). Tussen 2009 en 2015 nam het woon-werkverkeer per fiets toe van 3,9 % naar 6 % in Brussel en van 28,5 % naar 39 % in Antwerpen. In Luik daalde dit percentage echter van 6,1 % naar 5 % 208 . Het percentage mensen dat te voet naar het werk gaat, is in de drie grootste Belgische steden sterk toegenomen: van 8,9 % naar 38 % in Brussel; van 3,1 % naar 33 % in Antwerpen; en van 7,5 % naar 40 % in Luik 209 .

België heeft gehoor gegeven aan de oproep die de Commissie in 2013 deed om duurzame stedelijke mobiliteitsplannen (SUMP's) op te stellen. Zo heeft het Brussels Gewest een goederenvervoersplan ontwikkeld waarmee het tijdens de Europese mobiliteitsweek 2016 de SUMP-award in de wacht sleepte 210 . Het huidige mobiliteitsplan draagt de titel IRIS2. Het plan wordt binnenkort herzien en zal nieuwe maatregelen omvatten waarin actieve vervoerswijzen (te voet, per fiets) en openbaar vervoer centraal zullen staan. In het kader van de herziening, die gepaard gaat met een uitvoerige raadpleging van belanghebbenden, worden de doelstellingen tot 2030 uiteengezet. De inspraakprocedure is inmiddels van start gegaan onder de noemer "Good Move" 211 .

In 2017 heeft de Vlaamse Regering het initiatief "multimodaal.vlaanderen" gelanceerd om mobiliteitsveranderingen te bevorderen. Vlaanderen rolt voorts het nieuwe concept van basismobiliteit uit, waarbij persoonlijke mobiliteitsproblemen worden aangepakt op het niveau van "mobiliteitsregio's" die bestaan uit een aantal steden en gemeenten. Vlaanderen treft voorbereidingen om een lightrail-netwerk aan te leggen in de regio (Brabantnet). Ook het gebruik van autodelen is toegenomen 212 . Leuven is met 1,5 gedeelde auto's per 100 inwoners de leidende autodeelstad van België. Gent heeft op alternatieve brandstoffen rijdende auto's geïntroduceerd en een logistiekplatform ontwikkeld voor duurzaam goederenvervoer 213 . Antwerpen heeft een "stedelijke gegevensscan" met lucht- en geluidsgegevens 214 gebruikt om te investeren in zijn slimme stadsstrategie, die een wandelvriendelijke stad met gezonde, leefbare buurten nastreeft. De Ondersteuningsdienst voor structurele hervormingen van de Commissie investeert ook in de verbetering van de logistiek in de Antwerpse haven, waarvan het milieu de vruchten zal plukken 215 . De initiatieven met betrekking tot "slimme steden" zijn eerder in dit verslag genoemd.

Het in januari 2018 aangenomen Waalse investeringsplan voor 2019‑2024 zet de investeringen in mobiliteit uiteen (600 miljoen EUR voor autodelen, fiets- en voetgangersinfrastructuur, openbaar vervoer en een intelligent vervoerssysteem, en 530 miljoen EUR voor multimodaal vervoer). In november 2017 nam de Waalse Regering haar mobiliteitsvisie "Vision FAST — Mobilité 2030" aan. Ook op gemeentelijk niveau zijn er mobiliteitsplannen, met maatregelen om de druk van het bovenmatige aantal auto's te verlichten. Een lening van de EIB moet Luik in staat stellen een elektrische tramlijn aan te leggen, die tegen 2022 in de plaats komt voor ongeveer tachtig bussen en moet leiden tot minder autoverkeer in het stadscentrum 216 . Een ander plan is het fietsplan "Wallonie Cyclable 1.0" 217 .

Op nationaal niveau speelt het netwerk van waterwegen een belangrijke rol in de vermindering van het goederenvervoer over de weg en van de verkeerscongestie. Het werk aan de Seine-Schelde-verbinding in Vlaanderen en Wallonië zal in 2025 worden voltooid en er lopen nog meer projecten met betrekking tot de Belgische binnenwateren en tot verschillende zee- en binnensluizen, met steun van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen.

In het nationale spoorweginvesteringsplan verleent België voorrang aan de voltooiing van het Gewestelijk ExpresNet rond Brussel en aan de verbetering van de AnGeLiC-lijn (Antwerpen, Gent, Luik, Charleroi). Het Oosterweel-project rond Antwerpen is nodig om de verkeerscongestie te verminderen. In Brussel zal tegen 2025 een derde metrolijn (noord-zuid) worden voltooid, in combinatie met verbeteringen aan tunnels, bruggen en viaducten. Verder publiceerde de Brusselse Kamer van Koophandel 22 mobiliteitsoplossingen 218 en deed het Verbond van Belgische Ondernemingen 15 aanbevelingen 219 .

Het vervoersbeleid op de verschillende overheidsniveaus wordt gecoördineerd via specifieke samenwerkingsovereenkomsten en door het Executief Comité van de Ministers van Mobiliteit (ECMM), dat momenteel aan een interfederale vervoersstrategie werkt.

Deel II: Faciliterend kader: uitvoeringsinstrumenten

4.Groene belastingen, groene overheidsopdrachten, milieufinanciering en -investeringen

Groene belastingen en milieuschadelijke subsidies

Financiële prikkels, belastingheffing en andere economische instrumenten bieden doeltreffende en efficiënte manieren om de doelstellingen van het milieubeleid te halen. In het actieplan voor de circulaire economie wordt het gebruik ervan aangemoedigd. Subsidies die schadelijk zijn voor het milieu worden in het kader van het Europees Semester en het bestuursproces van de energie-unie gemonitord.

De Belgische inkomsten uit milieugerelateerde belastingen behoren tot de laagste in de EU. De milieubelastingen bedroegen 2,24 % van het bbp in 2017 (EU-gemiddelde: 2,4 %; zie figuur 20), en de energiebelastingen 1,45 % van het bbp (EU-gemiddelde: 1,84 %). In datzelfde jaar waren de milieubelastinginkomsten goed voor 4,74 % van alle inkomsten uit belastingen en socialezekerheidsbijdragen (EU-gemiddelde: 5,97 %).

In de Belgische belastingstructuur heeft de inkomstenbelasting een groot aandeel in de totale belastinginkomsten. Met een percentage van 51,9 % nam België in 2016 de zevende positie in de EU in; wat de impliciete belastingdruk op arbeid betreft stond België op de tweede plek (43,6 % in 2015 en 42,4 % in 2016) 220 . De belasting op consumptie bleef relatief laag, waardoor er een groot potentieel bestaat om de belastingheffing te verschuiven van arbeid naar consumptie, met name waar het de milieubelastingen betreft. De accijnzen op energieproducten worden sinds 1 januari 2018 geïndexeerd 221 .

Sinds 2015 heeft België enige vooruitgang geboekt bij de hervorming van zijn belastingstelsel, met name door de belasting te verschuiven van arbeid naar andere grondslagen. Gezien het relatief lage aandeel van consumptie- en milieubelastingen in de totale belastinginkomsten is er een aanzienlijk potentieel voor een "groene" belastingverschuiving. Dit is herhaaldelijk aan de orde gesteld in het kader van het Europees Semester, waaronder in de landspecifieke aanbevelingen voor 2017 en 2018.

De belangrijkste verbeteringen tot nu toe zijn de invoering van een kilometerheffing voor vrachtwagens in alle Belgische gewesten en de wijziging van de motorrijtuigen- en wegenbelasting in Vlaanderen, waarbij rekening is gehouden met milieuoverwegingen. Het Waals en het Vlaams Gewest hebben het gedeelte van hun wegennet waar de tolplicht geldt, uitgebreid. Alle drie de gewesten zijn van plan maatregelen te treffen of hebben die al getroffen om de aankoop van de meest vervuilende auto's te ontmoedigen. Het Vlaams Gewest heeft het ecologische bonus-malussysteem uitgebreid naar niet-geleasete lichte bedrijfswagens.

Figuur 20: inkomsten uit milieubelastingen als % van het bbp (2017) 222  

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest "vergroent" de wegenbelasting door met ingang van juni 2018 dieselvoertuigen hoger te belasten en elektrische voertuigen te stimuleren. Het gewest herziet ook zijn subsidieregeling voor het slopen van auto's. Het Waals Gewest is van plan de motorrijtuigenbelasting aan te passen om rekening te houden met milieucriteria 223 . Verder verleent de federale overheid een belastingkorting van 30 % voor de aankoop van een elektrisch voertuig.

Ondertussen zijn de subsidies voor fossiele brandstoffen in het afgelopen decennium niet verminderd. Vorig jaar zijn ze zelfs licht gestegen 224 . In december 2018 heeft de Belgische regering besloten de benzine- en dieselprijzen in januari 2019 niet te indexeren.

In de afgelopen jaren rijden steeds meer nieuwe personenauto's die in België worden verkocht, op alternatieve brandstoffen. Het marktaandeel hiervan is echter nog relatief laag (slechts 2,1 % in 2016). Het aandeel hernieuwbare energie in het vervoer in België bedroeg in 2015 bijna 4 % 225 , waarmee het land nog ver af is van de doelstelling van 10 % in 2020.

Het Vlaams Gewest onderzoekt hoe doeltreffend de invoering van een slimme kilometerheffing (belasting of heffing) voor lichte voertuigen en de invoering van rekeningrijden 226 zouden zijn om de belastingdruk te verschuiven van arbeid naar het milieu.

Het gunstige belastingtarief voor bedrijfswagen kost de overheid veel geld. Door dit beleid loopt België jaarlijks ongeveer 3,75 miljard EUR aan inkomsten mis (goed voor 0,9 % van het bbp in 2016) 227 . In een verslag staat dat bedrijfswagens in België per jaar 6 000 kilometer meer rijden dan particuliere wagens en dat de bijkomstige inkomstenderving 905 miljoen EUR (0,23 % van het bnp) bedraagt 228 . In maart 2018 introduceerde de federale overheid met terugwerkende kracht per 1 januari 2018 een mobiliteitsvergoeding (de "cash for car"-vergoeding) en een parallel mobiliteitsbudget.

Er is ook vooruitgang geboekt bij de gelijkstelling van diesel. In juli 2018 werden diesel en benzine aan elkaar gelijkgesteld — eerder dan de door de Belgische regering geplande termijn van eind 2018 229 , 230 . De verkoop van nieuwe dieselwagens als aandeel van de totale autoverkoop daalde tussen 2017 en 2018 van 46 % naar 35 % 231 .

Het algemene doel ervan is om (vrijwillige) alternatieven voor bedrijfswagens te creëren. In de tussentijd worden de sterke fiscale prikkels voor bedrijven om bedrijfswagens aan te bieden aan werknemers gehandhaafd en valt nog te bezien welk effect de nieuwe regeling zal hebben op de congestie en de vervuiling.

Eind 2017 werd een studie naar de publieke steun voor milieubelasting in theorie en in de praktijk gepubliceerd. Deze was gebaseerd op een enquête in Vlaanderen. De studie liet zien dat het publiek de voorkeur geeft aan belastingen op brede terreinen zoals onderwijs, inkomen en milieu boven specifieke "nichebelastingen". De studie rangschikte verder de aanvaardbaarheid van verschillende manieren om de inkomsten te herverdelen. Daaruit bleek dat er veel steun is voor milieu-uitgaven 232 .

De derde en laatste fase van de belastingverschuiving in 2019‑2020 biedt een mogelijkheid om het systeem verder te "vergroenen". De toepassing van een koolstofprijs in de Belgische niet-ETS-sector zou een krachtig instrument zijn om overgang naar een koolstofarme samenleving in België te ondersteunen en zou de hoeksteen van een "groene belastingverschuiving" zijn. Bovendien zal de Hoge Raad van Financiën naar verwachting in het voorjaar van 2019 opties presenteren voor milieubelasting en de schrapping van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu.

Groene overheidsopdrachten

Het EU-beleid voor groene overheidsopdrachten moedigt lidstaten aan om verdere stappen te zetten om in ten minste 50 % van de openbare aanbestedingen groene aanbestedingscriteria te hanteren. De Europese Commissie helpt bij het vergroten van het gebruik van overheidsopdrachten als strategisch instrument ter ondersteuning van milieubescherming.

Overheidsopdrachten vertegenwoordigen een koopkracht van ongeveer 1,8 biljoen EUR in de EU (ongeveer 14 % van het bbp). Een aanzienlijk deel van dit bedrag gaat naar sectoren met een grote milieu-impact, zoals de bouw- en de transportsector. Daarom kunnen groene overheidsopdrachten (GO) helpen om de negatieve impact van overheidsuitgaven op het milieu aanzienlijk te verlagen en om duurzame innovatieve bedrijven te ondersteunen. De Commissie heeft Europese GO-criteria voorgesteld 233 .

België heeft sinds 2014 een uitvoerige strategie voor duurzame overheidsopdrachten (DOO) voor de federale departementen, waarin groene en sociale aspecten worden gecombineerd. Er zijn specifieke DOO-regels aangenomen voor hout (2005), voertuigen (2009 en 2010) en energie-efficiëntie (2013), waarbij specifieke beleidsdocumenten zijn opgesteld voor de drie gewesten 234 en op federaal niveau.

Het Vlaams Gewest en de federale overheid hebben GO-criteria ontwikkeld op basis van initiatieven van verschillende departementen. In de meeste gevallen vormen de Europese GO-criteria 235 het vertrekpunt voor het debat op nationaal niveau met de belanghebbenden. Tot op heden zijn voor ongeveer zeventig product- en dienstengroepen federale GO-criteria/duurzaamheidscriteria ontwikkeld 236 .

Het Vlaams Gewest heeft zich ten doel gesteld dat alle overheidsopdrachten tegen 2020 duurzaam zijn. Voorts streeft het gewest het doel na om uitsluitend groene stroom in te kopen voor de gebouwen van het Vlaams Gewest en om auto's met betere milieuprestaties, zoals elektrische en lage-emissiewagens, aan te schaffen. De Vlaamse Regering heeft de prijs "duurzame overheidsopdracht van het jaar" gewonnen tijdens de Ecoprocura-conferentie van 2018 237 , als erkenning voor de zeer positieve ecologische, sociale en economische effecten van de aanbesteding.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hanteert een kader met drie niveaus: ontwikkeling van referenties, bijvoorbeeld voor schone voertuigen en schone bouw- en renovatiewerkzaamheden; voorlichting geven, opleidingsactiviteiten ontplooien en advies verlenen via een helpdesk; vaststelling van een verplicht kader voor de overheidsinstellingen die afhankelijk zijn van het Brussels Gewest. In februari 2017 heeft de Waalse Regering haar actieplan voor verantwoord inkopen door de overheid (2017‑2019) aangenomen.

België heeft de internationale samenwerking opgeschroefd en heeft nauw overleg gevoerd met Nederland en Frankrijk over circulaire aanbesteding.

De Vlaamse Regering heeft een publiek-privaat netwerk opgericht om projecten op het gebied van circulaire aanbesteding te bevorderen. De deelnemers ontwikkelen, delen en verspreiden kennis over circulaire aanbesteding en stimuleren de circulaire economie door middel van hun inkoopbeleid. Sinds oktober 2018 hebben meer dan 150 organisaties toezeggingen gedaan in dit verband. Sinds de aanvang van het project zijn meer dan 100 pilootprojecten op het gebied van circulaire aanbesteding gestart, waarvan de helft door overheidsorganisaties 238 . De Vlaamse en de federale regering zetten monitoringsystemen op om een beter beeld te krijgen van de uitrol van GO in 2018.

Tot slot is uit een studie van het Europees Parlement gebleken dat België een koploper is bij de uitvoering van het nationale actieplan 239 .

Milieufinanciering en -investeringen

In de regelgeving voor Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) is bepaald dat de lidstaten milieu- en klimaatdoelstellingen moeten nastreven in hun financieringsstrategieën en programma's voor economische, sociale en territoriale cohesie, plattelandsontwikkeling en maritiem beleid.

Voor duurzaamheid is het nodig om publieke en particuliere financiering te mobiliseren 240 . Het gebruik van de ESI-fondsen 241 is essentieel voor landen om hun milieudoelstellingen te bereiken en ze in andere beleidsdomeinen te integreren. Andere instrumenten zoals Horizon 2020, het LIFE-programma 242 en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) 243 kunnen de uitvoering en verspreiding van goede praktijken ook ondersteunen.

Volgens de laatste Eurobarometer over de milieu-opvattingen steunt 92 % van de Belgen meer EU-investeringen om het milieu te beschermen (EU-gemiddelde: 85 %).

Europese structuur- en investeringsfondsen 2014-2020

In het kader van tien regionale programma's heeft België voor de periode 2014‑2020 een bedrag van 2,741 miljard EUR uit de ESI-fondsen toegewezen gekregen (zie figuur 21). Gecombineerd met de nationale bijdrage van 3,347 miljard EUR beschikt België over een begroting van in totaal 6,09 miljard EUR.

Andere financieringsbronnen, zoals Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, het LIFE-programma 244 , EIB-leningen en het EFSI 245 kunnen de uitvoering van het milieubeleid en de verspreiding van beste praktijken ook ondersteunen.

Cohesiebeleid

België ontvangt voor de periode 2014‑2020 in totaal iets meer dan 2 miljard EUR aan EU-cohesiebeleidsfinanciering 246 (actuele prijzen, inclusief financiering in het kader van Europese territoriale samenwerking en de toewijzing voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief); dit komt neer op ongeveer 0,57 % van het totale EU-cohesiebeleid voor 2014‑2020.

België is een van de slechts twee EU-lidstaten die het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief inzetten voor milieudoeleinden. Het cohesiebeleid is volledig overgedragen aan de Belgische gewesten. Het medefinancieringspercentage voor het gehele gebied bedraagt 40 %, met uitzondering van het Brussels Gewest (50 %). Milieu-infrastructuur (water, afval) is geen prioriteit voor het EFRO omdat België een relatief rijk land is. Er kunnen voor dit doel echter wel EIB-leningen worden gebruikt.

In Wallonië wordt het EFRO gebruikt om de industriële overgang naar groene groei, eco-innovatie, milieuprestatiebeheer, een beter leefmilieu in de stad, minder luchtvervuiling en geluidshinder, de sanering van verontreinigde grond en de vermindering van bodemafdekking aan te moedigen.

In Vlaanderen wordt het EFRO gebruikt om luchtvervuiling en geluidshinder te verminderen, verontreinigde grond te saneren en oude stortplaatsen te hergebruiken (zogenaamde "enhanced landfill mining"). Daarnaast is er de overkoepelende doelstelling om de ruimte beter te benutten via multifunctioneel grondgebruik en door onderbenutte grond te saneren. Ook eco-innovatie, met inbegrip van de circulaire economie, komt aan bod.

Figuur 21: ESI-fondsen 2014-2020 — EU-toewijzing per thema, België (× 1 miljard EUR) 247

In het Brussels Gewest wordt het EFRO gebruikt om de ontwikkeling van een circulaire economie te ondersteunen, en rationeel hulpbronnengebruik te bevorderen, de ontwikkeling van hernieuwbare energie te stimuleren, verontreinigde grond te saneren en de energieprestaties van gebouwen te verbeteren. In het verleden was bodemsanering in België een belangrijke uitgavenpost. In de periode 2007‑2013 werd dan ook 15 % van de middelen herbestemd voor bodemsanering. De particuliere sector speelde een sleutelrol in de financiering van bodemsanering en nam in Vlaanderen 75 % van de medefinanciering voor zijn rekening (aangevuld met 25 % uit het EFRO). Een voorbeeld is het Genkse project "C-mine", dat in 2010 werd bekroond met de REGIOSTARS-prijs en dat in de perioden 2000‑2006 en 2007‑2013 een bedrag van 3,2 miljoen EUR ontving 248 .

De totale EFRO-toewijzingen voor directe milieuprioriteiten in de Belgische operationele programma's 2007‑2013 stegen tussen 2008 en 2016 met 16 %, van 61,48 miljoen EUR naar 71,47 miljoen EUR 249 . De huidige gegevens suggereren dat de EU-fondsen voor de periode 2007‑2013 vrijwel volledig zijn besteed (94,32 %) 250 . In de periode 2014‑2020 is een EFRO-bijdrage van 43,5 miljoen EUR gereserveerd voor directe milieuprioriteiten en is een bedrag van ongeveer 390 miljoen EUR uit het EFRO en het ESF gereserveerd voor indirecte milieuprioriteiten.

Bij de selectie van EFRO-projecten wordt in Vlaanderen onder meer gekeken naar duurzame ontwikkeling, en Wallonië heeft een vademecum inzake duurzame ontwikkeling opgesteld. Verder bestaat er een uitgebreid milieumonitoringsysteem voor het EFRO-samenwerkingsprogramma tussen België en Frankrijk.

Plattelandsontwikkeling

België ontvangt 648 miljoen EUR van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) voor plattelandsontwikkeling in de periode 2014‑2020. De Belgische plattelandsgebieden hebben te maken met milieudruk in verband met water, lucht, biodiversiteit en de bodem. De twee plattelandsontwikkelingsprogramma's dragen bij aan de aanpak van een brede waaier van belastende factoren voor het milieu. Een bedrag van ongeveer 173 miljoen EUR komt ten goede aan agromilieuverbintenissen en biologische landbouw. België doet er alles aan om zijn Natura 2000-verplichtingen op agromilieu- en klimaatgebied gestand te doen. Zo heeft Wallonië 40 miljoen EUR — met inbegrip van 15 miljoen EUR aan Elfpo-subsidies — toegewezen aan de uitvoering ervan 251 .

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

België ontvangt iets minder dan 42 miljoen EUR aan EU- en nationale middelen uit hoofde van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, waaronder circa 26 miljoen EUR voor het milieu. Er is financiering verstrekt aan verschillende projecten die bevorderlijk zijn voor het milieu, bijvoorbeeld met betrekking tot de vervanging van motoren en nieuw vistuig 252 .

De financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen

De financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) heeft 482 miljoen EUR toegekend aan projecten die duurzaam vervoer bevorderen (zie het hoofdstuk over steden voor voorbeelden). Er zijn verschillende energieprojecten ontplooid om vloeibaar aardgas (LNG) te bevorderen 253 .

Horizon 2020

België heeft sinds het begin van het programma in 2014 financiering uit Horizon 2020 ontvangen. In januari 2019 was aan 1 662 deelnemers maximaal 473,2 miljoen EUR toegewezen voor projecten uit werkprogramma's voor maatschappelijke uitdagingen op het gebied van milieukwesties 254 , 255 .

Naast de bovengenoemde programma's zijn in het hele Horizon 2020-programma uitgaven voor klimaat en biodiversiteit aanwezig. Binnen de projecten die in België tot december 2018 waren goedgekeurd voor financiering in het kader van alle Horizon 2020-werkprogramma's, was 474 miljoen EUR bestemd voor klimaatactie (25,8 % van de totale Horizon 2020-bijdrage aan het land) en 49 miljoen EUR voor biodiversiteitsacties (2,7 % van de Horizon 2020-bijdrage aan België) 256 .

Het LIFE-programma

Gedurende 25 jaar (1992‑2017) is in totaal 640 miljoen EUR uitgegeven in het kader van het LIFE-programma, met inbegrip van een EU-bijdrage van 281 miljoen EUR. Voor de periode 2014‑2017 heeft de EU een bedrag van 24 miljoen EUR toegewezen aan Belgische projecten 257 .

Opmerkelijke Belgische LIFE-projecten (die in dit verslag worden genoemd) zijn de in LIFE geïntegreerde projecten Belini voor het verbeteren van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Schelde en BNIP 258 , dat betrekking heeft op Natura 2000. Een ander project dat opvalt door zijn omvang, is het LIFE-project NARD-US, dat het herstel en het behoud van semi-natuurlijke en natuurlijke habitats in de Belgische oostelijke Ardennen bevordert, waarvoor een EU-bijdrage van meer dan 3 miljoen EUR is aangevraagd 259 . Bovendien is een EU-bijdrage van meer dan 4 miljoen EUR toegekend aan het LIFE-klimaatproject SPARC (Space for Adapting the River Scheldt to Climate Change) 260 , dat gericht is op de ontwikkeling van natuurlijke overstromingsgebieden en het creëren van ruimte voor de rivier door klimaatadaptatie en natuurdoelen te integreren.

Europese Investeringsbank

Alleen in 2018 investeerde de Europese Investeringsbank Groep (de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds) 1,73 miljard EUR in de Belgische economie. Hiervan kwam 27,9 % ten goede aan milieuprojecten en werd 12,4 % geïnvesteerd in innovatie en vaardigheden, 24,4 % in Belgische kleine en middelgrote ondernemingen en 35,2 % in infrastructuur (zie figuur 22).

Europees Fonds voor strategische investeringen

Het EFSI heeft als doel om de bestaande investeringskloof in de EU te dichten en economische groei te ondersteunen. Tot januari 2019 was er voor België voor 1,8 miljard EUR aan EFSI-financiering goedgekeurd, verdeeld over 39 projecten 261 . De secundaire investeringen die voortvloeien uit het EFSI, zijn goed voor meer dan 8 miljard EUR 262 . Zoals eerder aangegeven in dit verslag zijn de EFSI-investeringen op milieugebied met name gebruikt voor de ontwikkeling van brownfields 263 . Het fonds stimuleert ook projecten van kleine en middelgrote ondernemingen gericht op de circulaire economie. Zo werd in 2018 een midcaplening verstrekt aan "De Lage Landen Circularity" (Nederland-België).

Figuur 22: EIB-leningen aan België in 2018 264

Nationale milieufinanciering

Naast de medefinanciering van EU-projecten gaf België in 2013 een bedrag van 6 784 miljoen EUR uit aan milieubescherming 265 . Hiervan was 3 219 miljoen EUR bestemd voor corporaties, 1 597 miljoen EUR voor de overheid en 1 967 miljoen EUR voor huishoudens. In 2015 bedroeg de groene werkgelegenheid 81 649 voltijdsequivalenten 266 .

Afgezien van een vermelding van de activiteiten ter ondersteuning van de groene economie op de website "Investeren in België" 267 is er geen centraal loket met informatie over de beschikbare fondsen voor milieu-investeringen in België. De nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor milieu-investeringen op het gebied van water en afval, hebben tot taak om EIB- en andere leningen zeker te stellen (bijv. BMWB in Wallonië en Hydrobru 268 ). Milieu-infrastructuur is geen uitgavencategorie in het Nationaal Pact en het Waalse plan (zie de paragraaf over stimulerende financiering en doeltreffend gebruik van middelen).

Waterinvesteringen worden betaald door middel van tarieven die de volledige kosten moeten dekken 269 . De schuldfinanciering ligt in België percentueel hoger dan in andere lidstaten.

Het Nationaal Pact voor Strategische Investeringen wordt aangevat om structurele hervormingen te bevorderen en het tekort aan overheidsinvesteringen (in transport, energie enz.) aan te pakken met een oormerking van 150 miljard EUR tot 2030. Onlangs heeft ook Wallonië zijn investeringsplan goedgekeurd, waarin het voor 2019‑2021 een bedrag van 1 450 miljoen EUR heeft geoormerkt voor dit proces. Noch in het nationale pact, noch in het Waalse plan is het milieu uitdrukkelijk geïntegreerd. Er is een interfederale taskforce opgericht om het Nationaal Pact voor Strategische Investeringen en de programma's voor de circulaire economie sterker met elkaar te verbinden. Het is mogelijk om horizontale voorwaarden te stellen, met name aan de hand van regelgeving, zoals omgekeerde logistiek voor de inlevering van recycleerbaar afval. Met publiek-private partnerschappen zijn in België successen behaald, zij het vooral op het gebied van vervoer (bijvoorbeeld de Diablo-luchthavenverbinding met de luchthaven van Brussel).

Groene obligaties

In februari 2018 gaf België zijn eerste groene staatsobligaties uit ter waarde van 4,5 miljard EUR, waarmee het land initiatieven op het gebied van milieu en schone energie kan financieren 270 . Het toegewezen bedrag van 4,5 miljard EUR komt overeen met de maximale uitgiftegrootte gelet op de pool van subsidiabele groene uitgaven die voor de Belgische federale overheid is vastgesteld. Het Federaal Agentschap van de Schuld zal de uitgifte in de komende jaren uitbreiden naar 12 miljard EUR. De obligaties hebben een looptijd van vijftien jaar (april 2033) tegen een coupon van 1,25 %. Barclays, BNP Paribas Fortis, Crédit Agricole, ING Groep NV en JPMorgan Chase & Co zijn ingeschakeld als gezamenlijke hoofdbeheerders van de transactie. Een ander initiatief inzake duurzame financiering is de etikettering van producten door Febelfin 271 en Beama 272 .

Totale milieufinanciering

De totale milieugerelateerde overheidsuitgaven in België worden geschat op ongeveer 1,1 % van het bbp 273 .

5.Verbetering van de milieugovernance

Informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter

Burgers kunnen het milieu doeltreffender beschermen wanneer zij kunnen bouwen op de drie "pijlers" van het Verdrag van Aarhus:

i) toegang tot informatie;

ii) inspraak in de besluitvorming; en

iii) toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden;

Het is van cruciaal belang voor de overheid, het publiek en het bedrijfsleven dat milieu-informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt uitgewisseld 274 . Door middel van publieke inspraak kunnen autoriteiten besluiten nemen waarin rekening wordt gehouden met de overwegingen van het publiek. De toegang tot de rechter bestaat uit een reeks waarborgen die burgers en ngo's de mogelijkheid bieden zich te wenden tot de nationale rechter om het milieu te beschermen 275 . Deze omvatten het recht om in rechte op te komen ("procesbevoegdheid") 276 .

Milieu-informatie

De drie gewesten en de federale overheid hebben elk een milieu-informatiesysteem opgezet om milieugegevens te verspreiden 277 . Los daarvan bestaan er nog andere nationale portalen. Voor de meeste milieugegevens verwijst de federale site door naar de gewestelijke sites.

De drie gewesten en de federale overheid publiceren op regelmatige basis milieuverslagen en verslagen over duurzame ontwikkeling. Daarnaast wordt de toegang tot milieu-informatie ook op gewestelijk niveau georganiseerd. Kijkend naar de toegankelijkheid van online-informatie in verschillende beleidsdomeinen lijkt er sprake te zijn van enige verbetering in de sectoren chemische stoffen en afval en is de informatievoorziening het best voor de domeinen water en lucht.

Bij de uitvoering van de Inspire-richtlijn kan België beter presteren. De prestatie is beoordeeld op basis van het Uitvoeringsverslag voor 2016 278 en de recentste monitoringgegevens uit 2017 279 . Er wordt goede voortgang geboekt in de uitvoering met betrekking tot de coördinatie, het gegevensbeleid, de identificatie van gegevenssets en de gegevensdocumentatie. Er zijn extra inspanningen nodig om de gegevens toegankelijk te maken via diensten, de voorwaarden voor gegevenshergebruik te verbeteren en milieugegevenssets te prioriteren bij de uitvoering — met name de sets die zijn aangemerkt als hoogwaardige ruimtelijke-gegevenssets voor de uitvoering van milieuwetgeving 280 . Momenteel gelden er 182 voorwaarden voor de toegang tot en het gebruik van gegevens en 39 beperkingen voor de toegang van het publiek. Deze zijn gedocumenteerd in door België gepubliceerde metadata. Een in mei 2018 verrichte eerste evaluatie van de online beschikbaarheid van hoogwaardige milieugegevenssets in België laat zien dat er enige vooruitgang is geboekt (213 geïdentificeerde hoogwaardige gegevenssets, waarvan er 146 downloadbaar zijn). Figuur 23 toont de toegang tot ruimtelijke gegevens.

Figuur 23: toegang tot ruimtelijke gegevens aan de hand van weergave- en downloaddiensten in België (2017)

Inspraak

De Belgische autoriteiten hebben hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Aarhus omgezet, waaronder de verplichtingen krachtens de MEB- en de SMEB-richtlijn, en bieden het publiek de mogelijkheid om mee te praten over het ontwerp van beleid. De Belgische website voor de uitvoering van het Verdrag van Aarhus 281 is een centraal loket dat beschrijft hoe de inspraak in het hele land is georganiseerd. Via de website wordt voorlichting gegeven over openbare raadplegingen over plannen of programma's die op federaal en/of gewestelijk niveau worden georganiseerd. Met name op federaal niveau slagen de Belgische autoriteiten er echter niet aan om voldoende respons te genereren. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Wallonië kunnen de inspraak verder bevorderen door de mogelijkheden op dat gebied beter over het voetlicht te brengen bij burgers en belangenorganisaties.

Uit de Eurobarometer-cijfers uit 2017 blijkt dat een relatief groot deel van de respondenten in België (80 %) denkt dat individuen een rol kunnen spelen bij de bescherming van het milieu. Dit is een verbetering ten opzichte van de Eurobarometer 2014. Een goede praktijk is de centrale portaalsite over "Aarhus" en inspraak.

Toegang tot de rechter

Een nationaal Belgisch portaal biedt enige informatie over toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden en over het aantekenen van bezwaar. De informatie is echter vrij beperkt, wat ook geldt voor de online-informatie op gewestelijk niveau.

Ngo's komen op nationaal en gewestelijk niveau in het geweer tegen de niet-naleving van het EU-milieurecht. In het kader van de luchtkwaliteitsprocedures heeft een Belgische rechtbank in 2018 een belangrijke prejudiciële verwijzing voorgelegd het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU). Deze betreft de rechten van het publiek om de locatie van stations voor meting van de luchtkwaliteit in Brussel aan te vechten. Op 10 oktober 2018 gelastte een nationale rechtbank de Vlaamse overheid om de Commissie aanvullende informatie over de meting van de luchtkwaliteit toe te zenden. Er loopt een vergelijkbare zaak over de meting van de luchtkwaliteit in Wallonië. Op het gebied van natuurbehoud heeft de Vlaamse Raad voor Vergunningsbetwistingen een klacht van een ngo toegewezen en de door de Vlaamse overheid verleende goedkeuring van een bepaalde activiteit in een Natura 2000-gebied vernietigd.

Een goede praktijk is de bereidheid van Belgische rechtbanken om het HvJ-EU te raadplegen en de HvJ-jurisprudentie te volgen wat betreft de rechtsbevoegdheid inzake luchtvervuiling en natuur.


Prioritaire acties voor 2019

·De toegang tot ruimtelijke gegevens en diensten verbeteren door de federale Inspire-website beter te koppelen aan de gewestelijke portalen, alle ruimtelijke gegevenssets vaststellen en documenteren die vereist zijn voor de uitvoering van het milieurecht 282 , en ten minste de "ruwe" gegevens en documentatie toegankelijk maken voor andere overheidsinstanties en het publiek door middel van de in de Inspire-richtlijn voorziene digitale diensten.

·Publieke inspraak bij de uitvoering van het EU-milieurecht bevorderen.

·Het publiek beter informeren over het recht op toegang tot de rechter, met name wat betreft luchtvervuiling en natuur.

Waarborging van de naleving

De waarborging van de naleving van milieuwetgeving omvat alle werkzaamheden die overheidsinstanties verrichten om ervoor te zorgen dat sectoren, landbouwers en andere spelers voldoen aan hun verplichtingen om de water- en luchtkwaliteit en de natuur te beschermen en afval te beheren 283 . Dit kader omvat ondersteunende maatregelen van overheidswege, zoals:

i) bevordering van de naleving 284 ;

ii) inspecties en andere controles die zij uitvoeren, d.w.z. toezicht op naleving 285 ; en

iii) de maatregelen die zij moeten treffen om schendingen te beëindigen, straffen op te leggen en te vereisen dat schade wordt hersteld, d.w.z. handhaving 286 .

Dankzij burgerwetenschap en klachten kunnen autoriteiten hun inspanningen beter concentreren. Milieuaansprakelijkheid 287 zorgt ervoor dat de vervuiler betaalt voor het herstellen van schade.

Bevordering van en toezicht op de naleving

De kwaliteit van online informatie voor landbouwers over hoe verplichtingen aangaande nitraten en de natuur moeten worden nageleefd, is een indicator van hoe actief autoriteiten naleving bevorderen op gebieden met ernstige tekortkomingen in de uitvoering. Wallonië en Vlaanderen hebben grote inspanningen geleverd 288 .

Grote industriële installaties brengen ernstige risico's op verontreiniging met zich mee. De autoriteiten moeten beschikken over plannen om deze te inspecteren en om de individuele inspectieverslagen openbaar beschikbaar te maken 289 . Deze zijn echter niet direct toegankelijk op officiële websites in Vlaanderen en Wallonië. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt de informatie over het jaarlijkse inspectieprogramma gepubliceerd op de website, wat ook geldt voor de inspectieverslagen van de ondernemingen die onder de richtlijn industriële emissies vallen 290 .

Burgerwetenschap en klachtafhandeling

Betrokken burgers, onder meer via burgerwetenschap, kunnen de kennis over het milieu verdiepen en de autoriteiten helpen bij hun werkzaamheden. Vlaanderen verzamelt informatie over luchtvervuiling met behulp van 20 000 vrijwilligers die burgerwetenschap bedrijven. Zoals eerder in dit verslag vermeld, verzamelt het Brussels Gewest via bijna 300 inwoners informatie over zwarte koolstof (luchtvervuiling — ExpAIR-project). In Wallonië zetten 1 000 burgers zich in voor tuinieren zonder pesticiden. Zij planten wilde bloemen om bijen en andere bestuivers te helpen 291 . De beschikbaarheid van duidelijke online-informatie over het indienen van klachten is een indicator voor de mate waarin autoriteiten inspelen op klachten van het publiek. Vlaanderen en Wallonië presteren goed, maar er is nog ruimte voor verbetering in Brussel. Desalniettemin maakt het Brusselse geluidsportaal het makkelijker om een klacht in te dienen over geluidsoverlast (± 70 % van de klachten).

Handhaving

Problemen die bij de monitoring aan het licht komen, kunnen op verschillende manieren worden aangepakt. Vlaanderen publiceert jaarverslagen 292 , maar over het algemeen publiceren Wallonië en Brussel geen informatie over afgegeven waarschuwingen, opgelegde sancties en de waarborging van de naleving door middel van follow-up- en handhavingsmaatregelen. Daarnaast ontbreekt het voor heel België aan informatie over inbreuken op de randvoorwaarden inzake nitraten en de natuur.

De bestrijding van afvalmisdrijven, criminaliteit in verband met wilde dieren en planten en overige milieudelicten vormt een grote uitdaging en vereist nauwe samenwerkings- en coördinatieregelingen tussen inspecteurs, douaneautoriteiten, de politie en openbaar aanklagers. De eenheid Milieu van de Federale gerechtelijke politie beschikt over specialisten en maakt deel uit van een breed netwerk van individuen en organisaties die milieudelicten bestrijden. Het is niet duidelijk dat aanklagers er ook deel van uitmaken.

Milieuaansprakelijkheid

De richtlijn milieuaansprakelijkheid stelt een kader vast volgens het beginsel "de vervuiler betaalt" om milieuschade te voorkomen en te herstellen. In de EIR 2017 lag de focus op betere voorlichting over milieuschade, financiële zekerheid en richtsnoeren. De Commissie is nog bezig met het verzamelen van bewijs over de geboekte vooruitgang.

Prioritaire acties voor 2019

·Het publiek beter voorlichten over nalevingbevordering, toezicht en handhaving door ervoor te zorgen dat er ten minste online-informatie beschikbaar is voor landbouwers in Vlaanderen over de naleving van de verplichtingen inzake nitraten en de natuur, en door meer online-informatie te verstrekken over inspectieplannen en verslagen over industriële inspecties in alle drie de Belgische gewesten.

·Informatie publiceren over de resultaten van handhavingsacties in Wallonië en Brussel en over de follow-up van geconstateerde inbreuken op de randvoorwaarden inzake nitraten en de natuur in heel België.

·Meer informatie verstrekken over de samenwerking tussen professionals die milieudelicten bestrijden.

·Meer financiële zekerheid bieden met betrekking tot aansprakelijkheid, de richtsnoeren over de richtlijn milieuaansprakelijkheid verbeteren en informatie over milieuschade publiceren.

Effectiviteit van milieubeheer

Wie op EU-. nationaal, regionaal en lokaal niveau bij de uitvoering van milieuwetgeving betrokken is, moet over de nodige kennis, instrumenten en bekwaamheden beschikken om ervoor te zorgen dat de wetgeving en het beheer van het handhavingsproces de beoogde voordelen opleveren.

Administratieve capaciteit en kwaliteit

België beschikt over een goed ontwikkeld institutioneel en juridisch stelsel voor milieubescherming, en milieugovernance wordt in toenemende mate opgenomen in het ruimtelijke-ordeningsbeleid.

Sinds de financiële crisis van 2008 is de administratieve capaciteit van België verminderd als gevolg van vacaturestops. Dit bleek bijvoorbeeld uit het tekortschietende beheer van het systeem van de houtverordening, hoewel dat beheer de afgelopen twee jaar is verbeterd.

Overlappende verantwoordelijkheden op milieugebied mogen in theorie geen gevolgen hebben voor het Belgische bestuur, maar in de praktijk is het moeilijk om te voorkomen dat het beleid van de ene regering invloed heeft op dat van een andere regering 293 .

De besluitvorming over milieubeleid aan België boet aan doeltreffendheid en efficiëntie in doordat het ontbreekt aan een hiërarchie van de rechtshandelingen. Zo wordt in een recente studie opgemerkt dat er geen nationaal Belgisch klimaatveranderingsbeleid bestaat, terwijl er een desbetreffend nationaal plan is aangenomen; in plaats daarvan zouden er drie gewestelijke beleidslijnen plus een federaal beleid bestaan. Volgens de auteurs van de studie zijn de intergouvernementele betrekkingen over het moeizaam en tijdrovend. Ook in het geval van internationale vertegenwoordiging maakt de vereiste eenparigheid van stemmen het moeilijk om besluiten te nemen 294 . In verschillende verslagen en adviezen van verschillende instanties wordt benadrukt dat het klimaatbeleid in België samenhangender moet worden en beter moeten worden geïntegreerd 295 . In de media wordt regelmatig aandacht besteed aan oproepen vanuit de politiek om de bevoegdheden bij de federale overheid neer te leggen. Om verder bij te dragen aan de gedachtevorming over deze onderwerpen organiseerde de Université Saint-Louis Bruxelles (USLB) in de loop van 2018 met steun van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een reeks academische seminars over klimaatbestuur in België. De resultaten van deze seminars werden gepresenteerd tijdens een "nationaal debat" op 27 november 2018. Zoals vermeld in de EIR 2017 wordt de beleidsvorming van de federale en gewestelijke regeringen gecoördineerd door de Interministeriële Conferentie voor het milieu, een commissie met vertegenwoordigers van de gewestelijke en federale milieuministeries. In mei 1995 hebben de federale overheid en de drie gewesten een afzonderlijke samenwerkingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de internationale dimensie van het Belgische milieubeleid. De overeenkomst wordt uitgevoerd door Coördinatiecomité Internationaal Milieubeleid (CCIM), dat ervoor zorgt dat België op het internationale toneel met één stem spreekt 296 . Andere specifieke coördinatiestructuren zijn de Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu (IRCEL), de Nationale Klimaatcommissie en de Intergewestelijke Verpakkingscommissie.

Sinds de jaren 1980 hebben de gewesten meer bevoegdheden gekregen op milieugebied, waarbij de Belgische bottom-upbenadering van milieugovernance is versterkt. Tegelijkertijd is de Belgische milieugovernance gevormd door het EU-milieurecht en -beleid (top-downprocessen). In algemene zin is de milieugovernance in België beïnvloed door twee parallelle processen: regionalisering en europeanisering 297 .

De gewesten en gemeenten moeten met elkaar samenwerken om tot milieu-investeringen te komen. Bovendien werken gemeenten samen bij de verlening van milieu-, water- en afvaldiensten om de schaalvoordelen te vergroten. Het zelffinancieringspercentage voor afvalinvesteringen is hoger dan dat van waterinvesteringen 298 .

Op 1 april 2017 zijn de Vlaamse departementen van Leefmilieu, Natuur en Energie en Ruimtelijke Ordening samengevoegd tot het departement Leefmilieu en Omgeving om ruimtelijke ordening en milieubeleid beter te integreren 299 .

Het EU-beleid en de internationale milieuverplichtingen van België lijken de belangrijkste drijfveren te zijn van het Belgische milieubeleid. Conflicten tussen overheden worden meestal veroorzaakt door "asymmetrische politieke verhoudingen" in gevoelige sectoren zoals vervoer.

België scoorde 80,15 punten in de Environmental Performance Index 2016 300 .

In de European Quality of Government Index 2017 had België een totaalscore van 0,614 (referentiewaarde voor de EU-28 = 0), met een score van 1,014 voor Vlaanderen, 0,167 voor Wallonië en 0,201 voor het Brussels Gewest 301 .

Steden en gemeenten zijn vaak verenigd in unies van steden en gemeenten, zoals de Union des Villes et Communes de Wallonie, Brulocalis en de Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten. Een van de doelstellingen hiervan is het bevorderen van duurzame ontwikkeling. Zo organiseert Brulocalis (de Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) een forum voor duurzame ontwikkeling.

Om een doeltreffende milieugovernance tot stand te brengen moet het personeel van de milieuautoriteiten over de juiste administratieve en technische kennis en vaardigheden beschikken. Bij de EIR 2017 heeft de Commissie het instrument TAIEX-EIR Peer 2 Peer opgezet om te bevorderen dat deskundigen van milieuautoriteiten in verschillende lidstaten van elkaar leren. België heeft dit instrument al gebruikt om onderzoek te doen naar tropisch hout (zie hieronder).

Ngo's op milieugebied lijken goed vertegenwoordigd te zijn tijdens bijeenkomsten met belanghebbenden op federaal (de stakeholderdialogen) en gewestelijk niveau.

Coördinatie en integratie

Zoals aangegeven in de EIR 2017 zal de omzetting van de herziene MEB-richtlijn 302 een gelegenheid bieden om het regelgevingskader rond milieubeoordelingen te stroomlijnen.

De Commissie moedigt de stroomlijning van de milieubeoordelingen aan, omdat men zo dubbel werk in en overlappingen tussen milieubeoordelingen voor een bepaald project kan beperken/vermijden. Stroomlijning helpt bovendien om onnodige administratieve last te verminderen en om de besluitvorming te versnellen, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de procedure voor milieubeoordelingen 303 . België is een federale staat. De procedure is in het Vlaams Gewest gestroomlijnd voor de MEB-richtlijn, de habitatrichtlijn en de richtlijn industriële emissies.

In Vlaanderen wordt de behoefte aan een multimodale vervoersaanpak in de voorbereidende fase van grote infrastructuurprojecten onderzocht aan de hand van strategische milieubeoordelingen, MEB en kosten-batenanalyses. Daarbij wordt onderzocht welke effecten de voorgestelde maatregelen hebben ten opzichte van ongewijzigd beleid. Enkele voorbeelden zijn het R0-project en Brabantnet, en het Oosterweel-project in Antwerpen. De ruimtelijke-ordeningswetgeving voorziet in milieueffectbeoordelingen en alle projecten met een mogelijke impact moeten aan een MEB worden onderworpen.

In het Vlaamse Gewest is de milieueffectbeoordeling onderdeel van de vergunningsprocedure. De openbare raadpleging wordt aangekondigd op de websites van de gemeenten en van de projectbeheerder, in het gemeentehuis en in ten minste één regionale krant. Bovendien wordt in het kader van de inspraakprocedure een informatiebijeenkomst georganiseerd. Bij de laatste herziening van de Vlaamse wetgeving zijn de MEB-inspraakprocedures op enkele punten gewijzigd, waardoor burgers en ngo's alleen nog bezwaar kunnen maken tegen vergunningen door in de inspraakperiode van 30 dagen een klacht in te dienen. In geval van overmacht geldt er een uitzondering.

Desalniettemin heeft een groep van zeven ngo's een zaak aangespannen bij het Belgische Grondwettelijk Hof 304 . Het WNF concludeert in een recente beoordeling van de uitvoering van de vogel- en de habitatrichtlijn in België dat de inspraakmogelijkheden en de transparantie van de besluitvorming die van invloed is op de natuur tekortschieten 305 .

Gezien de federale structuur en de belangrijke rol die provincies en gemeenten spelen in de ruimtelijke ordening kun je evenwel niet echt spreken van "één loket". Wel heeft het Vlaamse Gewest een aantal belangrijke verbeteringen doorgevoerd in de verdere integratie van milieugovernance, bijvoorbeeld door een enkele milieuvergunning in te voeren die verschillende stedenbouwkundige-, indelings- en milieuvergunningen vervangt en door de handhavingsinstanties en de toegang tot de rechter te vereenvoudigen.

Aanpassingsvermogen, hervormingsdynamiek en innovatie (e-overheid)

In het Digital Scoreboard 2015 scoorde België 84,9 punten voor de e-overheidsindicator "voltooiing van de onlinedienstverlening". Dat is iets boven het EU-gemiddelde van 80,6 punten. Volgens gegevens uit 2017 heeft 55,1 % van de mensen in de leeftijdscategorie tussen 16 en 74 jaar de afgelopen 12 maanden online contact gehad met overheidsdiensten (EU-gemiddelde: 48,8 %) 306 . In 2018 scoorde België 59 van maximaal 100 punten voor de digitale publieke dienstverlening, in lijn met het EU-gemiddelde van 58 punten 307 .

Met een score van 6,0 uit 10 voor het binnenlandse aanpassingsvermogen en 7,0 voor het internationale aanpassingsvermogen voor de indicator "duurzaam bestuur" van de Bertelsmann Stiftung 308 neemt België de 19e plaats in op een lijst van 41 landen. Deze indicator meet in hoeverre de overheid samenwerkt met andere landen en zich in eigen land aanpast aan nieuwe ontwikkelingen.

Stimulerende financiering en doeltreffend gebruik van middelen

België ontvangt nauwelijks middelen uit de ESI-fondsen en voldoet aan de randvoorwaarden voor milieufinanciering in het kader van het cohesiebeleid. Zoals aangegeven in hoofdstuk 4 zijn er geen problemen met het gebruik van deze fondsen. Bovendien wordt de milieu-infrastructuur hoofdzakelijk gefinancierd via de EIB en andere leningen en tarieven.

België lijkt echter achter te blijven bij andere landen wat betreft de kwaliteit van de openbare infrastructuur en het vermogen om het concurrentievermogen van de economie te ondersteunen.

Prioritaire acties voor 2019

·Inspanningen blijven leveren om de milieubeoordelingsprocedures te stroomlijnen en te zorgen voor een efficiënte inspraak.

·België kan zijn milieugovernance in algemene zin verder verbeteren (bijv. op het gebied van transparantie, burgerbetrokkenheid, naleving en handhaving, alsook administratieve capaciteit en coördinatie).

Internationale overeenkomsten

Krachtens de EU-Verdragen moeten door middel van het Europese milieubeleid maatregelen op internationaal niveau worden gestimuleerd om regionale en mondiale milieuproblemen aan te pakken.

De EU spant zich ervoor in het milieurecht en de wereldwijde uitvoering ervan te versterken. Daarom blijft zij het in mei 2018 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties gelanceerde mondiaal pact voor het milieu ondersteunen 309 . De EIR is een instrument om ervoor te zorgen dat de lidstaten het goede voorbeeld geven door zich te houden aan het milieubeleid en het recht van de Europese Unie en aan internationale overeenkomsten.

Daarnaast zijn er nieuwe problemen aan het licht gekomen met betrekking tot tropisch hout en genetische hulpbronnen.

Bos: EU-houtverordening / wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt) 310

Tussen maart 2015 en februari 2017 heeft België geen raming gegeven van het aantal exploitanten dat binnenlands of geïmporteerd hout in de EU in de handel brengt. Bovendien heeft het land in die periode geen controles gepland of verricht bij exploitanten die werken met binnenlands hout. Ook hebben de Belgische autoriteiten niet gemeld dat zij controles hebben verricht bij handelaren. Niettemin heeft België de afgelopen twee jaar 19 controles uitgevoerd bij exploitanten die werken met geïmporteerd hout. Ondertussen lijkt er extra personeel te zijn aangetrokken en moeten de inspecties en de kennis over de basisbegrippen van de houtverordening verder worden opgeschroefd.

België heeft op dit terrein samengewerkt met andere bevoegde autoriteiten en instellingen in de EU-lidstaten. Zo nam het land in oktober 2018 deel aan het EIR-peer-to-peer-programma.

Genetische rijkdommen: Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik 311

In België werkt men toe naar de aanneming van regionale en gewestelijke wetgeving om uitvoering te geven aan de verordening toegang en verdeling van voordelen en het Protocol van Nagoya. De bevoegde autoriteiten zijn geïdentificeerd en de formele aanwijzingsdocumenten doorlopen momenteel de goedkeuringsprocedure of zijn inmiddels aangenomen (Vlaanderen).

Internationale handel in wilde dieren en planten: de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) 312

In België is één autoriteit belast met (onder meer) de regelmatige afgifte van een toenemend aantal import- en (her)exportdocumenten en documenten met betrekking tot de handel binnen de EU. De activiteiten van de Belgische douaneautoriteiten worden door verschillende verslagen gestaafd. Om het Actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten (2016) volledig uit te voeren en de illegale activiteiten op het nationale grondgebied beter te detecteren heeft België extra inspecteurs aangesteld, die belast zijn met de handhaving van de CITES-regels. Verder heeft het land zijn opleidings- en ontwikkelingsactiviteiten ter ondersteuning van handhavingsinstanties in derde landen uitgebreid. Voorbeelden hiervan zijn de oprichting van "Africa Twix" in Centraal-Afrika en de Belgische financiële bijdrage — naast die van andere EU-lidstaten zoals Duitsland, Frankrijk en Nederland — aan het African Elephant Fund. Er is financiering verleend om de slagkracht van het ETIS (Elephant Trade Information System) te vergroten. Dit systeem speelt een belangrijke rol in de opsporing van landen waar illegale ivoorhandel plaatsvindt.

Prioritaire actie voor 2019

·Meer inspanningen leveren om partij te worden bij desbetreffende multilaterale milieuovereenkomsten door de resterende overeenkomsten te ondertekenen en te ratificeren.

Duurzame ontwikkeling en de uitvoering van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN

In het kader van duurzame ontwikkeling worden ecologische, sociale en economische beleidslijnen gesmeed tot een samenhangend geheel. Zo wordt bijgedragen aan de uitvoering van milieuwetgeving en -beleid.

Duurzame ontwikkeling is opgenomen in artikel 7 bis van de Belgische Grondwet: "Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten de doelstellingen na van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties". Duurzame ontwikkeling is zodoende verankerd in het Belgische institutionele kader en wordt erkend als een algemene beleidsdoelstelling waaraan de federale staat, de gemeenten en gewesten moeten bijdragen.

Op nationaal niveau heeft de Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling in het voorjaar van 2017 een nationale strategie voor duurzame ontwikkeling goedgekeurd, die bestaat uit een uitgebreide kadertekst met een gemeenschappelijke visie op de omzetting van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen in de Belgische context en prioritaire thema's voor gezamenlijk optreden.

Binnen het Interfederaal Instituut voor de Statistiek (een koepel waarin Statbel, de Nationale Bank van België, het Federaal Planbureau, Statistiek Vlaanderen, het Waals instituut voor de statistiek IWEPS, en het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse samenkomen) heeft België een specifieke werkgroep voor de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG) opgezet met als taak om de invoering van een optimaal systeem van SDG-indicatoren voor de Belgische context te bevorderen. Bij de start van dit initiatief werd uit een evaluatie van de officiële lijst met SDG-indicatoren duidelijk dat ongeveer de helft van die indicatoren al beschikbaar is voor België.

In 2017 heeft België een vrijwillige nationale evaluatie van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen ingediend bij de VN.

Op federaal niveau bevat de Wet betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling sinds 1997 een federale strategie die in beleidscycli van vijf jaar wordt uitgevoerd (volgens de aanpak: verslag, planning, uitvoeren, controleren, handelen). Dit proces omvat een mechanisme voor periodieke planning en verslaglegging en een raadplegingsprocedure aan de hand van het federale duurzame-ontwikkelingsplan en het federale duurzame-ontwikkelingsverslag 313 . Drie instellingen spelen een centrale rol bij de opstelling, aanneming, uitvoering en verbetering van het beleid. Dat zijn: i) de Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling, die belast is met de plannings- en monitoringstaken van het proces; ii) een taskforce binnen het Federaal Planbureau, die verslag uitbrengt over de actuele situatie en beleidsevaluaties en -prognoses opstelt; en iii) de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, een adviesraad waarin belanghebbenden vertegenwoordigd zijn. Bij de herziening (2010) van de wet van 1997 is een federale langetermijnvisie inzake duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Deze omvat 55 langetermijndoelen voor 2050 en stelt een reeks indicatoren voor om de vooruitgang bij het halen van deze doelen te monitoren. De langetermijnvisie is een referentiekader voor de federale duurzame-ontwikkelingsstrategie en voor de in dat stuk gedefinieerde activiteiten van de instanties. De drie gewesten hebben elk een eigen duurzame-ontwikkelingsstrategie.

Er zijn ook duurzame-ontwikkelingsstrategieën voor de drie gewesten. De tweede Waalse duurzame-ontwikkelingsstrategie werd in juli 2016 aangenomen 314 . Het daarin opgenomen actieplan omvat drie prioriteiten: voedsel, energie en hulpbronnen (hulpbronnenefficiëntie, circulaire economie).

Een Vlaams besluit van 18 juli 2008 over de bevordering van duurzame ontwikkeling bepaalt dat het duurzame-ontwikkelingsbeleid inclusief, gecoördineerd en participatief moet zijn. Voor elke zittingstermijn van het Parlement wordt een strategie vastgesteld om: i) de uitvoering van de vorige Vlaamse strategienota te evalueren; ii) de actuele situatie te analyseren en de verwachte maatschappelijke ontwikkelingen, trends en risico's in verband met duurzame ontwikkeling uiteen te zetten; iii) een langetermijnvisie en doelstellingen voor een duurzame-ontwikkelingsbeleid uit te stippelen; en iv) operationele kortetermijndoelstellingen en prioritaire beleidsopties en -maatregelen voor de kabinetsperiode uiteen te zetten. In de genoemde Visie 2050 — de derde Vlaamse strategie inzake duurzame ontwikkeling — is duurzame ontwikkeling een leidraad en worden de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen onderschreven. Verder heeft de Vlaamse Regering in 2016 een uitvoeringsagenda voor de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen opgesteld2, bestaande uit 7 componenten 315 . De uitvoering van de agenda is een doorlopend proces.

De Waalse Regering zet zich in 316 voor een gebruikersvriendelijke en gemakkelijk toegankelijke bestuurlijke dienstverlening. Bovendien richt het bestuur in de Franstalige gemeenschap zich op duurzame consumptie, verbeterd afvalbeheer en bewustmaking en wil het duurzame-ontwikkelingsoverwegingen geleidelijk gaan integreren in zijn overheidsopdrachten en inkoopbeleid 317 .

In 2013 keurde het Waalse Parlement een besluit goed dat voorziet in de aanneming van een nieuwe duurzame ontwikkelingsstrategie voor elke zittingsperiode. Zulke strategieën worden gedefinieerd als documenten met "richtsnoeren en acties ter stimulering van initiatieven en samenhang met betrekking tot duurzame ontwikkeling in het overheidsbeleid van het Waals Gewest" (Décret relatif à la stratégie wallonne de développement durable, artikel 2, lid 2). Binnen het secretariaat-generaal van de Waalse overheidsdienst is een nieuwe bestuursstructuur voor duurzame ontwikkeling opgezet.

Het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening bepaalt sinds 2004 dat de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een gewestelijk ontwikkelingsplan moet vaststellen. Het regionale ontwikkelingsplan is een instrument voor de algehele planning van de regionale ontwikkeling in het kader van duurzame ontwikkeling (artikel 17). In het op 12 juli 2018 aangenomen gewestelijke duurzame-ontwikkelingsplan stippelt de Brusselse regering haar territoriale visie tot 2040 uit. De ambitie van die visie is om passende antwoorden te bieden op de uitdagingen waar Brussel als stedelijk gebied op stuit. Die uitdagingen zijn onder meer bevolkingsgroei, toegang tot huisvesting, economische hervormingen en toegang tot werkgelegenheid, functionele en sociale diversiteit en verschillende mobiliteits- en milieukwesties 318 .

(1)

Europese Commissie, Pakket circulaire economie 2018 .

(2)

COM(2018) 29 .

(3)

Eurostat, Circular Economy Indicators .

(4)

Europese Commissie, 2017, Special Eurobarometer 486 , "Attitudes of European citizens towards the environment".

(5)

Kabinet van de federale minister voor Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling, Samen de economie doen draaien , 2016.

(6)

KU Leuven, VITO, Benelux, Repairability criteria for energy related products , 2018.

(7)

Benelux, Ronde tafel , 14.12.2015.

(8)

Luxemburgse overheid, Portail de l'environnement .

(9)

EFRO, jaarlijks uitvoeringsverslag 2018 (burgerverslag), België-Frankrijk, blz. 5.

(10)

EFRO, jaarlijks uitvoeringsverslag 2018 (burgerverslag), België-Nederland, blz. 4.

(11)

Waalse Regering, 2018 La Wallonie plus forte .

(12)

Waalse Regering, Plan Marshall.

(13)

Waalse Regering, Déclaration de politique régionale 2014‑2019 (DPR), blz. 22, 24, 83 en 90.

(14)

Waalse Regering, circulaire economie .

(15)

Europees Milieuagentschap, 2016. More for less — material resource efficiency in Europe.  België, Agence de stimulation économique, 2016, blz. 9.

(16)

Vlaamse Regering, Visie 2050 , 2016 .

(17)

Vlaamse Regering, Transitie Circulaire Economie , 2017.

(18)

Vlaamse Regering, 2017, Vlaanderen Circulair .

(19)

Nationaal Hervormingsprogramma , blz. 27.

(20)

Vlaamse Milieumaatschappij, Systeembalans 2017 .

(21)

Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Gewestelijk programma voor circulaire economie , maart 2016.

(22)

Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Nationaal hervormingsprogramma , april 2016, blz. 55 en 66‑67.

(23)

Europese Commissie, Europees stakeholdersplatform voor de circulaire economie .

(24)

Eurostat, Private investments, jobs and gross value added related to circular economy sectors .

(25)

Onder hulpbronnenproductiviteit wordt de verhouding tussen het bruto binnenlands product en het binnenlands materiaalverbruik verstaan.

(26)

Europese Commissie, Hulpbronnenproductiviteit .

(27)

Europese Commissie, Hulpbronnenproductiviteit .

(28)

Europese Commissie, Eco-Management and Audit Scheme .

(29)

Europese Commissie, Ecolabel Facts and Figures .

(30)

Kringloopcentra, De Kringwinkel .

(31)

Umicore .

(32)

Europese Commissie, Flash Eurobarometer 456: SMEs, resource efficiency and green markets , 2018.

(33)

Europese Commissie, 2018 SBA fact sheet – Belgium , blz. 14.

(34)

Europese Commissie, REGIOSTARS-winnaar 2017 .

(35)

Zeer kleine en middelgrote ondernemingen.

(36)

Europese Commissie, European Innovation Scoreboard 2018 , blz. 15.

(37)

Europese Commissie, Eco-innovation Observatory: Eco-Innovation Scoreboard 2017 .

(38)

Europese Commissie, Eco-innovation Observatory: Eco-Innovation Scoreboard 2017 .

(39)

Deze daling houdt met name verband met een gebrek aan gegevens van Belgische zijde. De index was derhalve maar op één van de drie indicatoren gebaseerd: het aantal ISO 14001-gecertificeerde bedrijven. Op dit punt scoorde België inderdaad slecht, waardoor deze component een lage totaalscore opleverde.

(40)

Europese Commissie, Eco-innovation Observatory: EU Eco-Innovation Index 2017 Brief , 2018.

(41)

Internationale Organisatie voor normalisatie, ISO Survey of Certifications , 2016.

(42)

Eurostat, Circular Economy Monitoring Framework , 2018.

(43)

Europese Commissie, Eco-innovation Observatory: Eco-innovation Country Profiles 2016‑2017 .

(44)

Flux50 .

(45)

Catalisti .

(46)

Enginneeringnet.be .

(47)

Technology of Wallonia Energy, Environment and sustainable Development.

(48)

EIB, Smart Cities Financing .

(49)

Stedelijk afval bestaat uit gemengd afval en gescheiden ingezameld afval van huishoudens en van andere bronnen van stedelijk afval met een vergelijkbare aard en samenstelling als huishoudelijk afval. Deze definitie doet geen afbreuk aan de toewijzing van verantwoordelijkheden voor afvalbeheer tussen publieke en private sectoren.

(50)

Zie artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG. Deze richtlijn is in 2018 gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/851 en er zijn ambitieuzere recyclagedoelstellingen gesteld voor de periode tot 2035.

(51)

Eurostat, Municipal waste and treatment, by type of treatment method .

(52)

OVAM , 2016, blz. 12.

(53)

Vivre la Wallonie nr. 35 - Printemps 2017 .

(54)

Leefmilieu Brussel.

(55)

Eurostat, Municipal waste by waste operations .

(56)

De lidstaten mogen een andere methode kiezen dan de methode die door Eurostat wordt gebruikt (en waarnaar in dit verslag wordt verwezen) om hun recyclagepercentages te berekenen en hun voortgang bij het realiseren van de doelstelling voor 2020, namelijk een recyclagepercentage van 50 % voor stedelijk afval, te volgen.

(57)

Nationale bronnen: in Vlaanderen ( OVAM 2015) werd meer dan 70 % (2014) van het huishoudelijk afval aan enige vorm van materiaalterugwinning onderworpen, terwijl in Wallonië 60 % van het huishoudelijk afval gescheiden werd ingezameld (2012). Deze cijfers komen echter niet overeen met die van Eurostat.

(58)

De Richtlijnen (EU) 2018/851 , (EU) 2018/852 , (EU) 2018/850 en (EU) 2018/849 wijzigen de eerdere afvalwetgeving en bevatten ambitieuzere recyclagedoelstellingen voor de periode tot 2035. Deze doelstellingen worden in aanmerking genomen bij de beoordeling van de vooruitgang in toekomstige verslagen over de uitvoering van het milieubeleid.

(59)

Het verbrandingspercentage is gestaag toegenomen tot 44,3 % in 2016 — een stijging van 0,6% ten opzichte van 2014.

(60)

Eurostat, Recycling rate of municipal waste .

(61)

OVAM , 2016, blz. 12; Vivre la Wallonie nr. 35 - Printemps 2017 .

(62)

OVAM , 2016, blz. 12; Vivre la Wallonie nr. 35 - Printemps 2017 , Leefmilieu Brussel .

(63)

OVAM.

(64)

Vlaamse Regering .

(65)

CATL ;  Ceinture allimentaire Charleroi Métropole;  RATav .

(66)

Thematisch netwerk van URBACT getiteld "Sustainable Food in Urban Communities" .

(67)

Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Strategie Good Food "Naar een duurzamer voedingssysteem in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" ;  Good Food-strategie .

(68)

StartUp Europe Awards 2018 .

(69)

Jaarlijkse broeikasgasinventaris van de Europese Unie, 1990‑2016 ( EMA-gegevensmodule voor broeikasgassen ). Approximated EU greenhouse gas inventory 2017: Proxy GHG emission estimates for 2017 (geschatte broeikasgasinventaris van de Unie voor 2017: ramingen voor broeikasgasemissies voor 2017) (Europees Milieuagentschap). Nationale prognoses van de lidstaten, geëvalueerd door het Europees Milieuagentschap.

(70)

Approximated EU greenhouse gas inventory 2017: Proxy GHG emission estimates for 2017 (geschatte broeikasgasinventaris van de Unie voor 2017: ramingen voor broeikasgasemissies voor 2017) (Europees Milieuagentschap). Nationale prognoses van de lidstaten, geëvalueerd door het Europees Milieuagentschap.

(71)

Europese Commissie, Technical Assessment Synopsis Report European Green leaf Award 2017 , blz. 12.

(72)

Europese Commissie, Good Practice Report European Green Capital 2018 , blz. 16.

(73)

Antwerpen morgen .

(74)

Jaarlijkse broeikasgasinventaris van de Europese Unie, 1990‑2016 ( EMA-gegevensmodule voor broeikasgassen ). Approximated EU greenhouse gas inventory 2017: Proxy GHG emission estimates for 2017 (Europees Milieuagentschap). Nationale prognoses van de lidstaten, geëvalueerd door het Europees Milieuagentschap.

(75)

Europese Commissie, Energie-unie 2017 .

(76)

Biodiversiteit 2020, Actualisering van de Belgische nationale strategie .

(77)

Le Vif, Elargissement de la zone Natura 2000 du sud de Bruxelles , 2.7.2018.

(78)

Vlaamse Regering, aanwijzingsdocumenten met inbegrip van instandhoudingsdoelstellingen en prioritaire maatregelen .

(79)

 Vlaamse Regering, 2017, Natuurbeheerplan .

(80)

 Vlaamse Regering, subsidies Natuurbeheerplan .

(81)

Europese Commissie, de aanbevelingen van het evaluatieverslag inzake de strategie voor groene infrastructuur en de EU-richtsnoeren inzake een strategisch kader voor de verdere ondersteuning van de uitrol van groene en blauwe infrastructuur op EU-niveau .

(82)

BISE-pagina over België.

(83)

Leefmilieu Brussel (2016). Natuurplan: Gewestelijk Natuurplan 2016-2020 voor het Brussels Gewest.

(84)

Leefmilieu Brussel. De netwerken .

(85)

De groene wandeling.

(86)

Ruimte Vlaanderen (2018). Beleidsplan Ruimte Vlaanderen — Strategische Visie .

(87)

Agentschap Natuur en Bos (2016). Draaiboek Groenplan. Richtlijnen bij het opmaken van een lokale groenvisie.

(88)

Agentschap Natuur & Bos van de Vlaamse Regering, buurtsubsidies , Pimp je speelplaats en groene-randsubsidies .

(89)

Departement Omgeving (ongedateerd). Wat is een Green Deal?

(90)

Agentschap Natuur en Bos (2016). Prioriteitenkader voor ecosysteemherstel in Vlaanderen. RPF Vlaanderen.

(91)

Agentschap Natuur en Bos. Vlaams Ecologisch Netwerk van het Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk .

(92)

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, IVON .

(93)

Van Den Berge, S., Baeten, L., Vanhellemont, M., Ampoorter, E., Proesmans, W., Eeraerts, M., Hermy, M., Smagghe, G., Vermeulen, I. en Verheyen, K. (2018). Species diversity, pollinator resource value and edibility potential of woody networks in the countryside in northern Belgium. Agriculture, Ecosystems and Environment, 259: 119‑126.

(94)

Waalse Regering (2014). Déclaration de politique régionale 2014‑2019.

(95)

Service Public de Wallonie (2015). Réseau Wallonie Nature: Catalogue d'Actions .

(96)

Ecosysteemdiensten zijn voordelen die uit de natuur voortkomen, zoals voedsel, schoon water en bestuiving, waarvan de menselijke samenleving afhankelijk is.

(97)

Belgian Biodiversity Platform .

(98)

Esmeralda-project .

(99)

Belgian Biodiversity Platform .

(100)

Europese Commissie, Invasive Alien Species .

(101)

Tsiamis K; Gervasini E; Deriu I; D'Amico F; Nunes A; Addamo A; De Jesus Cardoso A. Baseline Distribution of Invasive Alien Species of Union concern. Ispra (Italië): Bureau voor publicaties van de Europese Unie ; 2017, EUR 28596 EN, doi:10.2760/772692.

(102)

BE, DK, IE, NL, DE, FR.

(103)

Kunstmatige bodembedekking wordt gedefinieerd als het totaal aan overdekte, bebouwde gebieden (waaronder gebouwen en broeikassen), kunstmatige onbebouwde gebieden (waaronder gebieden met afgesloten kenmerken, zoals tuinen, erven, begraafplaatsen, parkeerplaatsen enz. en met lineaire kenmerken, zoals straten, wegen, spoorlijnen, landingsbanen en bruggen) en andere kunstmatige gebieden (waaronder bruggen en viaducten, stacaravans, zonnepanelen, krachtcentrales, onderstations, pijpleidingen, waterzuiveringsinstallaties en open stortplaatsen).

(104)

Eurostat, Population density by NUTS 3 region .

(105)

Panagos, P., Borrelli, P., Poesen, J., Ballabio, C., Lugato, E., Meusburger, K., Montanarella, L., Alewell, C., The new assessment of soil loss by water erosion in Europe, (2015) Environmental Science and Policy, 54, blz. 438‑447.

(106)

Ana Paya Perez, Natalia Rodriguez Eugenio (2018), Status of local soil contamination in Europe: Revision of the indicator "Progress in the management Contaminated Sites in Europe".

(107)

Europese Commissie, 2016. The Investment Plan for Europe – state of play Belgium; Ginkgo Advisor .

(108)

Eurostat, Land covered by artificial surfaces by NUTS 2 regions .

(109)

BOFAS npo — Bodemsaneringsfonds voor tankstations .

(110)

Richtlijn 2008/56/EG .

(111)

COM(2018) 562 en SWD(2018) 393 .

(112)

Europese Commissie, 2016. Air Quality Standards.

(113)

Zie EIONET Central Data Repository en Air pollutant emissions data viewer (richtlijn nationale emissieplafonds) .

(114)

De huidige nationale emissieplafonds zijn sinds 2010 verplicht ( Richtlijn 2001/81/EG ); voor 2020 en 2030 zijn herziene plafonds vastgesteld bij Richtlijn (EU) 2016/2284 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG.

(115)

Richtlijn 2016/2284/EU .

(116)

Fijnstof ("particulate matter" of PM) is een mengsel van aërosoldeeltjes (vast en vloeibaar) met erg uiteenlopende afmetingen en chemische samenstellingen. PM10 (PM2,5) verwijst naar deeltjes met een diameter van 10 (2,5) micrometer of minder. Fijnstof wordt uitgestoten door heel wat menselijke bronnen, waaronder verbranding.

(117)

Troposferisch ozon ontstaat door fotochemische reacties op vervuiling.

(118)

118NOx wordt tijdens de verbranding van brandstof uitgestoten, bijvoorbeeld door industriële installaties en de wegtransportsector. NOx is een groep gassen waartoe onder meer stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2) behoren.

(119)

Europees Milieuagentschap. Air Quality in Europe — 2018 Report .

(120)

Gegevens over 2016 die in het kader van de richtlijn nationale emissieplafonds door de lidstaat bij het Europees Milieuagentschap zijn ingediend.

(121)

   EMA, Centrale databank EIONET .

(122)

EMA, Centrale databank EIONET . De gegevens zijn een weergave van de situatie uit het verslag vanaf 26 november 2018.

(123)

Europese Rekenkamer, Speciaal verslag nr. 23/2018: Luchtverontreiniging: onze gezondheid nog steeds onvoldoende beschermd , zie blz. 25 en blz. 27.

(124)

IRCEL, databank .

(125)

Belgische Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu, Belair-app .

(126)

In België zijn geen bindende maatregelen getroffen tegen houtverbranding die schadelijk is voor het milieu.

(127)

Europese Commissie, EIR Dialogue Report , 29.3.2018.

(128)

ExpAir .

(129)

Richtlijn 2010/75/EU heeft betrekking op industriële activiteiten die boven bepaalde drempelwaarden worden uitgevoerd. Deze is van toepassing op de energie-industrie, metaalproductie, minerale en chemische industrie en afvalbeheer, en op veel industriële en landbouwsectoren (bv. de intensieve varkens- en pluimveehouderij, de papierpulp- en papierproductie, de verfsector en de schoonmaaksector).

(130)

Europese Commissie, Industrial emissions policy country profile — Belgium .

(131)

Europese Commissie, Industrial emissions policy country profile — Belgium .

(132)

Europese Commissie, Industrial emissions policy country profile –— Belgium .

(133)

Krachtens artikel 18 van de richtlijn industriële emissies moeten in de vergunning strengere voorwaarden worden opgenomen dan die welke door toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, indien dat nodig is om plaatselijke milieukwesties aan te pakken en/of om te voldoen aan andere regels (bv. de lucht- of waterkwaliteitsnormen).

(134)

Uit hoofde van de kwikverordening (EU) 2017/852 en de BBT-conclusies voor de chlooralkalisector (Uitvoeringsbesluit 2013/732/EU).

(135)

Richtlijn 2002/49/EG .

(136)

WHO/JRC, 2011, Burden of disease from environmental noise, Fritschi, L., Brown, A.L., Kim, R., Schwela, D., Kephalopoulos, S. (red.), Wereldgezondheidsorganisatie, Regionaal Bureau voor Europa , Kopenhagen, Denemarken.

(137)

NB: De hier aangehaalde cijfers zijn afkomstig uit een ongepubliceerd informatieblad van het Europees Milieuagentschap over België uit 2017.

(138)

Conform de richtlijn omgevingslawaai moeten lidstaten om de vijf jaar geluidsbelastingkaarten en -actieplannen opstellen en publiceren voor agglomeraties met meer dan 100 000 inwoners en voor belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens.

(139)

Leefmilieu Brussel.

(140)

Europese Commissie, 2017, Zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie , blz. 120.

(141)

Europese Commissie, EGCA 2019 Good Practice Factsheets .

(142)

Het betreft onder meer de zwemwaterrichtlijn (2006/7/EG) , de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater (91/271/EEG) met betrekking tot lozingen van stedelijk en bepaald industrieel afvalwater, de drinkwaterrichtlijn (98/83/EG) met betrekking tot de kwaliteit van drinkbaar water, de kaderrichtlijn water (2000/60/EG) met betrekking tot het beheer van waterbronnen, de nitraatrichtlijn (91/676/EEG) en de overstromingsrichtlijn (2007/60/EG) .

(143)

Europees Milieuagentschap, WISE dashboard .

(144)

Volgens het laatste verslag werden de microbiologische en chemische parameters van de drinkwaterrichtlijn in zeer hoge mate nageleefd.

(145)

Europees Milieuagentschap, 2018. European bathing water quality in 2017 , blz. 21.

(146)

De Waalse portaalsite over zwemwater en de Vlaamse portaalsite over zwemwater .

(147)

Interactieve kaart .

(148)

Europees Milieuagentschap, 2018. European bathing water quality in 2017 , blz. 21.

(149)

Europese Commissie, Negende verslag over de status van de tenuitvoerlegging en de programma's voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn stedelijk afvalwater ( COM(2017) 749 ) en het werkdocument van de diensten van de Commissie bij het verslag ( SWD(2017) 445 ).

(150)

EIB, SBGE – Brussels South waste water treatment plant , 2014 .

(151)

EIB, Brussels Capital sewerage system , 2010 .

(152)

Nereus -project.

(153)

Uitvoeringsbesluit van de Commissie (EU) 2015/1499 van 3 september 2015 tot verlening van een door België voor het Vlaams Gewest gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 6058) .

(154)

Europese Commissie 2017, Werkdocument van de diensten , blz. 3 .

(155)

Willems, P. (2014) Parsimonious rainfall–runoff model construction supported by time series processing and validation of hydrological extremes — Part 1: step-wise model-structure identification and calibration approach. Journal of Hydrology, 510: 578-590.

(156)

Secundaire gegevens, samengevat in: Europese Commissie — OESO, Belgisch informatieblad, "Assessing member states' investment needs and financing capacities for water supply, sanitation and flood protection, 2018".

(157)

Powerpoint-presentatie, dia 66, workshop van 18 mei 2018.

(158)

Europese Commissie — OESO, Belgisch informatieblad, "Assessing member states' investment needs and financing capacities for water supply, sanitation and flood protection, 2018".

(159)

Vlakwa, Waterenquête 2018 bij burgers .

(160)

Voornamelijk voor chemische stoffen: Reach (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1); voor indeling, etikettering en verpakking: de CLP-verordening ( PB L 252 van 31.12.2006, blz. 1), in combinatie met de wetgeving inzake biociden en gewasbeschermingsmiddelen.

(161)

Europees Agentschap voor chemische stoffen, Report on the Operation of REACH and CLP 2016 .

(162)

ECHA, op basis van de projecten REF-1, REF-2 en REF-3 .

(163)

Europese Commissie, Monitoring the Impacts of REACH on Innovation, Competitiveness and SMEs, Final Report , 2015.

(164)

COM(2018) 116 .

(165)

Belgisch samenwerkingsakkoord inzake Reach.

(166)

ECHA.

(167)

Essenscia , blz. 57.

(168)

Voorbeelden zijn LIFERECYSITE en  Purifying fertiliser rich water through complete recycling of all components. Purifying fertiliser rich water through complete recycling of all components .

(169)

Europese Commissie, Urban Europe , 2016 .

(170)

Europese Commissie, Eurostat, Urban Europe , 2016, blz. 9.

(171)

Europese Commissie, European Green Capital .

(172)

Europese Commissie, European Green Leaf Award .

(173)

Europese Commissie, Green City Tool .

(174)

Europese Commissie, The Urban Development Network .

(175)

UIA-initiatief .

(176)

Europese Commissie, Good Practice Report European Green Leaf 2017 , 2016, blz. 12.

(177)

URBACT .

(178)

EU-informatiesysteem over slimme steden .

(179)

Departement Omgeving .

(180)

Besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2018.

(181)

Europese Commissie, Good Practice Report European Green Capital 2018 , blz. 31 en 56.

(182)

Europese Commissie, EGCA 2019 Good Practice Factsheets .

(183)

Europese Commissie, Eurostat, Pollution, grime or other environmental problems by degree of urbanisation .

(184)

Dons, E., Laeremans, M., AnayaBoig, E. e.a. (2018). Concern over health effects of air pollution is associated to NO2 in seven European cities. Air Quality, Atmosphere & Health 11(5), 591-599.

(185)

Europese Commissie, 2017, Zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie , blz. 121.

(186)

Plans Communaux de la Nature.

(187)

LIFE Belini .

(188)

Europese Commissie, Definition of Functional Urban Areas .

(189)

Plan Régional d'Affectation des Sols.

(190)

Réseau écologique bruxellois.

(191)

Urban Permeation Units meten de omvang van het bebouwde gebied en de mate van spreiding over de regio.

(192)

EMA, Urban Sprawl in Europe , bijlage I, blz. 4‑5.

(193)

Europese Commissie, Good Practice Report European Green Capital 2018 , blz. 28.

(194)

Europese Commissie, Hours spent in road congestion annually .

(195)

INRIX Global Traffic Scorecard , blz. 13 en 17.

(196)

Het stabiliteitsprogramma van België 2017-2020, blz. 48.

(197)

Eurostat, Passenger cars per 1 000 inhabitants , 2018.

(198)

Federaal Planbureau, 2016. Vooruitgang naar de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN .

(199)

Stabiliteitsprogramma België 2018-2021, blz. 47.

(200)

Waals Gewest. Etat de l'Environnement , blz. 83.

(201)

Europese Commissie, EFRO OP Vlaanderen 2014-2020 , blz. 5‑6.

(202)

Pers. comm. Céline Brandeleer. Université Saint Louis Brussel. 29.11.2017.

(203)

Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Mobiliteit en vervoer .

(204)

Stabiliteitsprogramma België 2018-2021, blz. 52.

(205)

Pers. comm. Céline Brandeleer. Université Saint Louis Brussel. 29.11.2017.

(206)

Eurostat, Difficulty in accessing public transport by level of difficulty and degree of urbanisation .

(207)

Europese Commissie, Special Eurobarometer 406, Attitudes of Europeans towards urban mobility, blz. 7‑10.

(208)

Eurostat, Perception survey results , 2018.

(209)

Eurostat, Perception survey results , 2018.

(210)

Europese mobiliteitsweek 2016, SUMP-award .

(211)

Good Move, website .

(212)

Vlaamse Regering, Autodelen .

(213)

Europese Commissie, Expert Panel Technical Assessment Synopsis Report European Green Capital Award 2020 , 2018, blz. 14.

(214)

Programma voor Europese territoriale samenwerking URBACT .

(215)

Europese Commissie, SRSS .

(216)

EIB, Tram de Liège .

(217)

Wallonie mobilité .

(218)

Kamer van Koophandel van Brussel, Mémorandum beci Mobilité .

(219)

VBO .

(220)

Europese Commissie, 2017 Taxation Trends Report .

(221)

Europese Commissie, Taxation Trends in the European Union , 2018, blz. 59.

(222)

Eurostat, Environmental tax revenues , 2018 .

(223)

Nationaal Hervormingsprogramma , blz. 3.

(224)

OESO 2015, Inventory of Support Measures for Fossil Fuels .

(225)

Europese Commissie, " Transport in the European Union Current Trends and Issues ", 2018, blz. 27‑28.

(226)

Nationaal Hervormingsprogramma 2018 , blz. 64. De resultaten worden in het voorjaar van 2019 verwacht.

(227)

Europese Commissie, directoraat-generaal Economische en financiële zaken, "Taxation of Company Cars in Belgium – Room to Reduce their Favourable Treatment", door Savina Princen.

(228)

Federaal Planbureau, Het fiscaal voordeel voor bedrijfswagens heeft een grote invloed op het mobiliteitsgedrag, met aanzienlijke maatschappelijke kosten , 2016.

(229)

Europees Milieuagentschap 2016, Environmental taxation and EU environmental policies , blz. 27.

(230)

Europese Commissie, Taxation Trends in the European Union , 2018, blz. 59.

(231)

FleetEurope en FEBIAC, persbericht .

(232)

Kris Bachus, 2017, The use of taxation as a regulatory policy instrument .

(233)

In haar mededeling "Overheidsopdrachten voor een beter milieu" (COM (2008) 400) heeft de Commissie aanbevolen om een proces voor het vaststellen van gemeenschappelijke GO-criteria uit te werken. Het basisconcept van GO berust op duidelijke, controleerbare, verantwoorde en ambitieuze milieucriteria voor producten en diensten, gebaseerd op een levenscyclusbenadering en wetenschappelijk bewijsmateriaal.

(234)

Europese Commissie, Documentation on National GPP Action Plans , 2017.

(235)

Eurostat, Perception survey results , 2018.

(236)

Europese Commissie, Documentation on National GPP Action Plans , 2017.

(237)

Procura .

(238)

Vlaamse "Green Deal Circulair" .

(239)

Europees Parlement, Green Public Procurement and the Action Plan for the Circular Economy , 2017, blz. 79-80.

(240)

Zie bijvoorbeeld het actieplan duurzame groei financieren ( COM(2018) 97 ).

(241)

D.w.z. het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV). Het EFRO, het CF en het ESF vormen samen de "cohesiebeleidsfondsen".

(242)

Europese Commissie, LIFE-programma .

(243)

Europese Investeringsbank, Europees Fonds voor strategische investeringen , 2016 .

(244)

Europese Commissie, LIFE-informatieblad België , 2017 .

(245)

Europese Investeringsbank, Europees Fonds voor strategische investeringen , 2016 .

(246)

Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds .

(247)

Europese Commissie, European Structural and Investment Funds Data By Country .

(248)

COWI-MILIEU, Study on the integration of environmental concerns in the Cohesion Policy funds (ERDF, ESF, CF) , 2017, blz. 105; blz. 107; blz. 109; Europese Commissie, Reusing Brownfield Sites and Buildings , 2010, blz. 16.

(249)

COWI-MILIEU, Study on the integration of environmental concerns in the Cohesion Policy funds (ERDF, ESF, CF) , 2017, blz. 242.

(250)

Europese Commissie, SF 2007-2013 Funds Absorption Rate , 2018.

(251)

Europese Commissie, databank inzake het cohesiebeleid .

(252)

Europese Commissie, EFMZV-informatieblad over België .

(253)

Europese Commissie, financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen .

(254)

Europese Commissie, eigen berekeningen op basis van CORDA (COmmon Research DAta Warehouse) . Het maximale subsidiebedrag is het maximale subsidiebedrag dat door de Commissie is vastgesteld Dit stemt doorgaans overeen met de gevraagde subsidie, maar kan lager zijn.

(255)

D.w.z. ii) voedselzekerheid, duurzame landbouw en bosbouw, marien en maritiem onderzoek en de bio-economie; iii) veilige, schone en doelmatige energie; iv) slim, groen en geïntegreerd vervoer; en v) klimaatactie, milieu, efficiënt gebruik van hulpbronnen en grondstoffen.

(256)

Europese Commissie, eigen berekeningen op basis van CORDA (COmmon Research DAta Warehouse) .

(257)

Diensten van de Commissie, op basis van gegevens van het Easme.

(258)

Belgian Nature Integrated Project.

(259)

Europese Commissie, LIFE Nardus .

(260)

LIFE-project SPARC .

(261)

Europese Commissie, Europees Semester, landverslag België 2018 , blz. 35.

(262)

Europese Investeringsbank, EFSI-projectkaart .

(263)

EFSI .

(264)

EIB, België en de EIB , 2018.

(265)

Eurostat, Environmental Expenditure .

(266)

Eurostat, Employment in the environmental goods and services sector .

(267)

Investeren in België, groene economie.

(268)

Stabiliteitsprogramma België 2018-2021, blz. 34.

(269)

Europese Commissie — OESO, Belgisch informatieblad, "Assessing member states' investment needs and financing capacities for water supply, sanitation and flood protection, 2018".

(270)

Federaal Agentschap van de Schuld, 2017 Groene Olo-kader .

(271)

Belgische federatie van de financiële sector.

(272)

Belgische Vereniging van Asset Managers.

(273)

Schatting van de EC op jaarbasis, uitgaande van de ESI-fondsen, Horizon 2020, EIB- en EFSI-leningen, LIFE en nationale milieugerelateerde overheidsuitgaven in 2014‑2020.

(274)

Het Verdrag van Aarhus, de richtlijn inzake de toegang tot milieu-informatie (2003/4/EG) en de Inspire-richtlijn (2007/2/EG) vormen samen een juridische basis voor de uitwisseling van milieu-informatie tussen de overheid en het publiek. In deze EIR ligt de focus op Inspire.

(275)

De waarborgen worden uitgelegd in de Mededeling van de Commissie betreffende de toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden, PB L 275 van 18.8.2017, en een daaraan gerelateerde Gids voor burgers.

(276)

Deze EIR bekijkt hoe goed de lidstaten het publiek voorlichten over hun recht op toegang tot de rechter, hun procesbevoegdheid en andere grote obstakels om zaken over natuur en luchtverontreiniging aanhangig te maken.

(277)

Het belangrijkste federale portaal op dit gebied is de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu .

(278)

Inspire, factsheet België 2017.

(279)

Inspire, monitoring dashboard .

(280)

Europese Commissie, lijst met hoogwaardige ruimtelijke-gegevenssets .

(281)

Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu Toepassing van het Verdrag van Aarhus .

(282)

Europese Commissie, MIG .

(283)

Dit concept wordt uitvoerig uitgelegd in de mededeling over EU-maatregelen om de naleving van de milieuwetgeving en milieugovernance te verbeteren COM(2018) 10 en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie, SWD(2018) 10 .

(284)

Deze EIR is gericht op de hulp die aan landbouwers wordt verleend om aan de natuur- en de nitraatwetgeving te voldoen.

(285)

Deze EIR is gericht op de inspectie van grote industriële installaties.

(286)

Deze EIR is gericht op de beschikbaarheid van handhavingsgegevens en coördinatie tussen autoriteiten om milieucriminaliteit aan te pakken.

(287)

De richtlijn milieuaansprakelijkheid, 2004/35/EG , biedt het kader.

(288)

De website "PROTECT'eau" en de website van Natagriwal.

(289)

Artikel 23 van de richtlijn industriële emissies (2010/75/EU) .

(290)

Brussels Hoofdstedelijk Gewest, jaarlijkse inspectieplannen en inspecties uit hoofde van de richtlijn industriële emissies .

(291)

Waalse Regering, Biodiversiteit in Wallonië .

(292)

Vlaamse Regering, Milieuhandhavingsrapport 2016 .

(293)

Von Dooren, W. et al., Public administration characteristics in Belgium (EU PACK-project), 2017.

(294)

Misonne, D., Hannon, E., Gouvernance Energie-Climat: où va la Belgique? , 24.4.2017.

(295)

Bijvoorbeeld het informatieverslag voor de Senaat over het intra-Belgisch besluitvormingsproces inzake burden sharing met betrekking tot klimaatdoelstellingen (2016), de resolutie over het klimaatbeleid van België waarover de federale en gewestelijke parlementen het eens zijn geworden in het kader van de interparlementaire klimaatdialoog (2018) en het advies over de klimaatgovernance van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling.

(296)

Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu .

(297)

Vanhaeren, S. e.a. (2013), La gestion de la qualité de l'air en Belgique: une gouvernance multiniveau entre incertitudes politiques et techniques, Télescope, vol. 19, No 1, blz. 115‑134.

(298)

Investissements et répartition des résultats des intercommunales belges, 2017, BelfiusResearch, blz. 5 en verder.

(299)

Departement Omgeving (2017). Departement Omgeving binnen het domein Omgeving. Opdrachten — basis voor de organisatiestructuur .

(300)

YCELP, Global Metrics for the environment, The Environmental Performance Index ranks countries' performance on high-priority environmental issues , 2016, blz. 18.

(301)

Europese Commissie, Zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie , 2017, blz. 140.

(302)

Richtlijn 2014/52/EU .

(303)

De Commissie heeft in 2016 een richtsnoer gepubliceerd over het opzetten van gecoördineerde en/of gezamenlijke procedures die gelijktijdig onderworpen zijn aan beoordelingen in het kader van de MEB-richtlijn, de habitatrichtlijn, de kaderrichtlijn water en de richtlijn industriële emissies (PB C 273 van 27.7.2016, blz. 1).

(304)

De Morgen, Zeven milieuorganisaties naar rechter tegen beperking inspraak van burgers , 29.11.17.

(305)

WNF, Natuurscorekaart België .

(306)

Europese Commissie, Digital Scoreboard — Data & Indicators .

(307)

Europese Commissie, Digital Economy and Society Index Report 2018, Digital Public Services .

(308)

Sustainable Governance Indicators .

(309)

Algemene Vergadering van de VN, Resolutie 72/277 en Organizational session of the ad hoc open-ended working group .

(310)

Verordening (EG) nr. 2173/2005 .

(311)

Verordening (EG) nr. 511/2014 .

(312)

De Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) .

(313)

Federale overheid, Pathways to Sustainable Development , "First Belgian National Voluntary Review on the Implementation of the 2030 Agenda", politiek forum van de Verenigde Naties op hoog niveau, New York, juli 2017.

(314)

Waalse Regering, 2016, strategie inzake duurzame ontwikkeling .

(315)

Implementatie van Sustainable development goals in Vlaanderen, mededeling aan de Vlaamse Regering, oktober 2016.

(316)

Contrat d'administration 2016‑2020.

(317)

Duurzameontwikkelingsplan van de Franstalige gemeenschap (2010-2015); Déclaration de politique communautaire 2014‑2019.

(318)

Perspective Brussels, Le Plan Régional de Développement (PRD) fixe les objectifs et priorités de développement de la Région, en fonction des besoins économiques, sociaux, environnementaux et de mobilité .