Brussel, 31.10.2018

COM(2018) 721 final

2018/0373(NLE)

Voorstel voor een

UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2429 waarbij Letland wordt gemachtigd een bijzondere maatregel in te stellen die afwijkt van artikel 26, lid 1, onder a), en de artikelen 168 en 168 bis van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde


TOELICHTING

Overeenkomstig artikel 395, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna "de btw-richtlijn" genoemd) kan de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke lidstaat machtigen bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen, teneinde de belastinginning te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen.

Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 20 juni 2018, heeft Letland verzocht om een maatregel te mogen blijven toepassen die afwijkt van de algemene beginselen betreffende het recht op aftrek van voorbelasting ter zake van bepaalde personenauto's. Samen met het verzoek om verlenging heeft Letland een verslag ingediend, met daarin ook een evaluatie van het percentage van de beperking van het recht op aftrek.

Overeenkomstig artikel 395, lid 2, van de btw-richtlijn heeft de Commissie de overige lidstaten bij brief van 7 september 2018 van het verzoek van Letland in kennis gesteld. Bij brief van 10 september 2018 heeft de Commissie Letland meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Overeenkomstig artikel 168 van de btw-richtlijn mag een belastingplichtige de btw op de goederen en diensten die hij voor zijn belaste handelingen aanschaft, in mindering brengen. Overeenkomstig artikel 26, lid 1, onder a), van deze richtlijn wordt het gebruik van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel wanneer voor dit goed recht op aftrek van de btw is ontstaan. Op deze manier kan initieel afgetrokken btw worden teruggenomen voor het gedeelte privégebruik.

Bij personenauto's is dit mechanisme moeilijk toe te passen, met name omdat het lastig is het privé- en het zakelijk gebruik op te splitsen. Het bijhouden en controleren van een rittenregistratie vormt zowel voor de bedrijven als voor de belastingdienst een extra last.

Krachtens Uitvoeringsbesluit 2013/191/EU 1 van de Raad mocht Letland het recht op aftrek van de voorbelasting ter zake van bepaalde personenauto's tot 80 % beperken. Omdat dit percentage volgens Letland niet beantwoordde aan de reële omstandigheden, vroeg het vervolgens om het recht op aftrek te mogen beperken tot 50 %, hetgeen bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2429 2 van de Raad werd toegestaan. Dit besluit vervalt op 31 december 2018 en Letland heeft een verzoek ingediend om het voor een beperkte periode te mogen verlengen.

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2429 heeft Letland een verslag ingediend, met daarin ook een evaluatie van het percentage van de aftrekbeperking.

Volgens Letland is het toegepaste percentage nog altijd passend. Gedurende de periode van toepassing van de bijzondere maatregel heeft Letland de aftrekbeperking ten volle gebruikt en geconstateerd dat deze de administratieve lasten voor btw-plichtigen en de belastingdienst verlicht bij personenvoertuigen die niet uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt.

De voorwaarden voor de toepassing van de derogatie blijven onverminderd gelden. De bijzondere maatregel zal dus gelden voor alle personenauto's met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurdersplaats niet meegerekend, en onder een bepaald gewicht die niet uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt. Personenauto's die voor bepaalde specifieke activiteiten worden gebruikt, zijn van de beperking van het recht op aftrek uitgesloten en vallen onder de normale regels — het betreft hier voertuigen die zijn aangekocht met het oog op wederverkoop, verhuur of leasing; voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van personen (zoals taxi's) of goederen; voertuigen die worden gebruikt voor rijlessen; voertuigen die worden gebruikt voor bewakings- of hulpverleningsdiensten; en voertuigen die worden gebruikt als demonstratievoertuig in de autoverkoop.

Gelet op het positieve effect van de bijzondere maatregel op de administratieve lasten voor belastingplichtigen en belastingautoriteiten wordt voorgesteld om de derogatie opnieuw voor een beperkte periode toe te kennen, meer bepaald tot en met 31 december 2021. Een verzoek om verlenging moet uiterlijk 31 maart 2021 aan de Commissie worden toegezonden en vergezeld gaan van een verslag met daarin ook een evaluatie van het toegepaste percentage.

Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied

Aan andere lidstaten zijn soortgelijke derogaties met betrekking tot het recht op aftrek verleend.

Krachtens artikel 176 van de btw-richtlijn zal de Raad bepalen voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de btw bestaat. In afwachting daarvan mogen de lidstaten de uitsluitingen die op 1 januari 1979 van toepassing waren, handhaven. Er bestaat derhalve een reeks standstillbepalingen die het recht op aftrek van de btw ter zake van personenauto's beperken.

Er zijn in het verleden initiatieven genomen om regels vast te stellen voor de uitgavencategorieën die aan een beperking van het recht op aftrek kunnen worden onderworpen 3 ; een dergelijke derogatie is evenwel een passende maatregel in afwachting van de harmonisatie van deze regels op EU-niveau.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Artikel 395 van de btw-richtlijn.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Gelet op de bepaling in de btw-richtlijn die de grondslag voor het voorstel vormt, is het subsidiariteitsbeginsel niet van toepassing.

Evenredigheid

Het voorstel is om de volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

Dit besluit betreft een machtiging die wordt verleend aan een lidstaat op diens eigen verzoek, en houdt geen enkele verplichting in.

Gezien de beperkte werkingssfeer van de derogatie staat de bijzondere maatregel in verhouding tot het beoogde doel, namelijk belastingontduiking bestrijden en de inning van de btw vereenvoudigen.

Keuze van het instrument

Overeenkomstig artikel 395 van de btw-richtlijn kan slechts van de normale btw-regels worden afgeweken indien de Raad een lidstaat daartoe op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen machtigt. Een besluit van de Raad is het aangewezen instrument, omdat het tot individuele lidstaten kan worden gericht.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Raadplegingen van belanghebbenden

Dit voorstel is gebaseerd op een verzoek van Letland en heeft uitsluitend betrekking op deze lidstaat.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid.

Effectbeoordeling

Het voorstel strekt ertoe de belastinginning te vereenvoudigen en btw-ontduiking tegen te gaan, en heeft aldus een potentieel positief effect voor zowel bedrijven als belastingdiensten. De maatregel wordt door Letland als passend beschouwd en is met andere vroegere en huidige derogaties te vergelijken.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel zal geen negatieve gevolgen voor de EU-begroting hebben.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Het voorstel bevat een vervalbepaling - de derogatie loopt automatisch af op 31 december 2021.

Indien Letland een verlenging van de derogatiemaatregel na 2021 alsnog noodzakelijk acht, moet het de Commissie uiterlijk 31 maart 2021 een verslag voorleggen met daarin ook een evaluatie van het toegepaste percentage samen met het verzoek om verlenging.

2018/0373 (NLE)

Voorstel voor een

UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2429 waarbij Letland wordt gemachtigd een bijzondere maatregel in te stellen die afwijkt van artikel 26, lid 1, onder a), en de artikelen 168 en 168 bis van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde 4 , en met name artikel 395, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2429 5 van de Raad is Letland gemachtigd om het recht op aftrek van de voorbelasting ter zake van de aankoop, leasing, intracommunautaire verwerving en invoer van personenauto's met een toegestaan maximumgewicht van ten hoogste 3 500 kg en niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurdersplaats niet meegerekend, alsook ter zake van uitgaven in verband met onderhoud, reparatie en brandstof voor zulke auto's, tot en met 31 december 2018 tot 50 % te beperken.

(2)Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 20 juni 2018, heeft Letland verzocht om machtiging tot verlenging van de bijzondere maatregel die afwijkt van artikel 26, lid 1, onder a), en de artikelen 168 en 168 bis van Richtlijn 2006/112/EG, teneinde het recht op aftrek ter zake van uitgaven voor bepaalde personenauto's die niet uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt, te mogen beperken.

(3)Bij brief van 7 september 2018 heeft de Commissie de overige lidstaten van het verzoek van Letland in kennis gesteld. Bij brief van 10 september 2018 heeft de Commissie Letland meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.

(4)Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2429 heeft Letland een verslag ingediend, met daarin ook een evaluatie van het percentage van de aftrekbeperking. Op basis van actuele gegevens acht Letland de beperking van 50 % nog altijd gerechtvaardigd en passend.

(5)De verlenging van de derogatiemaatregel dient in de tijd beperkt te zijn, zodat de effectiviteit ervan kan worden geëvalueerd evenals de toepasselijkheid van het tarief. Gelet op het positieve effect van de derogatiemaatregel op de administratieve lasten voor belastingplichtigen en belastingautoriteiten moet Letland derhalve worden gemachtigd de maatregel voor een beperkte periode te blijven toepassen, meer bepaald tot en met 31 december 2021.

(6)Indien Letland een verlenging van de derogatiemaatregel na 2021 nodig acht, moet het de Commissie uiterlijk 31 maart 2021, samen met het verzoek om verlenging, een verslag voorleggen met daarin ook een evaluatie van het toegepaste percentage.

(7)De derogatie zal geen noemenswaardige invloed hebben op de totale belastingopbrengst in het stadium van het eindverbruik en geen negatieve gevolgen hebben voor de eigen middelen van de Unie uit de btw.

(8)Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2429 van de Raad moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 6 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2429 van de Raad wordt vervangen door:

"Artikel 6

1. Dit besluit is van toepassing van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2021.

2. Een verzoek om verlenging van de bij dit besluit verleende machtiging dient uiterlijk 31 maart 2021 aan de Commissie te worden voorgelegd, samen met een verslag met daarin ook een evaluatie van het in artikel 1 vastgestelde percentage.".

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing vanaf 1 januari 2019.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Letland.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Uitvoeringsbesluit 2013/191/EU van de Raad van 22 april 2013 waarbij Letland wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 26, lid 1, onder a) en de artikelen 168 en 168 bis van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 113 van 25.4.2013, blz. 11-12).
(2)    Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2429 van de Raad van 10 december 2015 waarbij Letland wordt gemachtigd een bijzondere maatregel in te stellen die afwijkt van artikel 26, lid 1, onder a), en de artikelen 168 en 168 bis van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 334 van 22.12.2015, blz. 15-17).
(3)    COM (2004) 728 def. — Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG met het oog op de vereenvoudiging van de btw-verplichtingen (PB C 24 van 29.1.2005, blz. 10), ingetrokken op 21 mei 2014 (PB C 153 van 21. 5.2014, blz. 3).
(4)    PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.
(5)    Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2429 van de Raad van 10 december 2015 waarbij Letland wordt gemachtigd een bijzondere maatregel in te stellen die afwijkt van artikel 26, lid 1, onder a), en de artikelen 168 en 168 bis van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 334 van 22.12.2015, blz. 15-17).