02004R0794 — NL — 13.08.2025 — 012.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

▼M8

VERORDENING (EG) nr. 794/2004 VAN DE COMMISSIE

van 21 april 2004

tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

▼B

(PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

 M1

VERORDENING (EG) Nr. 1627/2006 VAN DE COMMISSIE  van 24 oktober 2006

  L 302

10

1.11.2006

 M2

VERORDENING (EG) nr. 1935/2006 VAN DE COMMISSIE  van 20 december 2006

  L 407

1

30.12.2006

►M3

VERORDENING (EG) Nr. 271/2008 VAN DE COMMISSIE  van 30 januari 2008

  L 82

1

25.3.2008

 M4

VERORDENING (EG) Nr. 1147/2008 VAN DE COMMISSIE  van 31 oktober 2008

  L 313

1

22.11.2008

 M5

VERORDENING (EG) Nr. 257/2009 VAN DE COMMISSIE  van 24 maart 2009

  L 81

15

27.3.2009

 M6

VERORDENING (EG) Nr. 1125/2009 VAN DE COMMISSIE  van 23 november 2009

  L 308

5

24.11.2009

►M7

VERORDENING (EU) Nr. 372/2014 VAN DE COMMISSIE  van 9 april 2014

  L 109

14

12.4.2014

►M8

VERORDENING (EU) 2015/2282 VAN DE COMMISSIE  van 27 november 2015

  L 325

1

10.12.2015

 M9

VERORDENING (EU) 2016/246 VAN DE COMMISSIE  van 3 februari 2016

  L 51

1

26.2.2016

 M10

VERORDENING (EU) 2016/2105 VAN DE COMMISSIE  van 1 december 2016

  L 327

19

2.12.2016

►M11

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/905 VAN DE COMMISSIE  van 12 mei 2025

  L 905

1

13.6.2025


Gerectificeerd bij:

 C1

Rectificatie, PB L 025, 28.1.2005, blz.  74 (794/2004)

 C2

Rectificatie, PB L 131, 25.5.2005, blz.  45 (794/2004)

►C3

Rectificatie, PB L 044, 15.2.2007, blz.  3 (1935/2006)




▼B

▼M8

VERORDENING (EG) nr. 794/2004 VAN DE COMMISSIE

van 21 april 2004

tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

▼B



HOOFDSTUK I

VOORWERP EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Voorwerp en toepassingtsgebied

1.  
Deze verordening behelst nadere bepalingen met betrekking tot de vorm, de inhoud en andere bijzonderheden van de in ►M11  Verordening (EU) 2015/1589 ◄ bedoelde aanmeldingen en jaarverslagen. Zij behelst eveneens bepalingen voor de berekening van de termijnen in alle staatssteunprocedures en van het voor de terugvordering van onrechtmatige steun toe te passen rentepercentage.
2.  
Deze verordening is van toepassing op steun in alle sectoren.

HOOFDSTUK II

AANMELDINGEN

Artikel 2

Aanmeldingsformulieren

Onverminderd de in Beschikking 2002/871/EG van de Commissie ( 1 ) neergelegde verplichting van de lidstaten tot aanmelding van staatssteun in de kolenindustrie, geschieden aanmeldingen van nieuwe steun overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de ►M11  Verordening (EU) 2015/1589 ◄ , met uitzondering van de in artikel 4, lid 2, bedoelde steun, door middel van het in deel I van Bijlage I bij deze verordening opgenomen aanmeldingsformulier.

Aanvullende informatie die nodig is ter beoordeling van de maatregel overeenkomstig verordeningen, richtsnoeren, kaderregelingen en andere regelingen die op staatssteun van toepassing zijn, wordt verstrekt door middel van de in deel III van Bijlage I opgenomen formulieren.

Telkens wanneer de betrokken richtsnoeren of kaderregelingen worden aangepast of vervangen, past de Commissie de dienovereenkomstige informatieformulieren aan.

▼M3

Artikel 3

Toezending van de aanmelding

1.  
De aanmelding wordt de Commissie toegezonden door middel van de elektronische validering door de daartoe door de lidstaat opgegeven persoon. Deze gevalideerde aanmelding wordt geacht te zijn verzonden door de Permanente Vertegenwoordiger.
2.  
De Commissie zendt haar briefwisseling aan de Permanente Vertegenwoordiger van de betrokken lidstaat of aan een ander, door die lidstaat op te geven adres.

▼M11

3.  
Aanmeldingen worden elektronisch verzonden via de door de Commissie aangewezen elektronische applicatie.

Alle correspondentie in verband met een aanmelding wordt elektronisch verzonden via het door de Commissie aangewezen beveiligde elektronische systeem.

▼M3

4.  

In uitzonderlijke omstandigheden en na overeenstemming tussen de Commissie en de betrokken lidstaat kan een ander dan de in lid 3 bedoelde communicatiekanalen worden gebruikt om een aanmelding of briefwisseling in verband met een aanmelding in te dienen.

Bij gebreke van een dergelijk akkoord, worden aanmeldingen of briefwisseling in verband met een aanmelding die door een lidstaat aan de Commissie is gezonden via een ander dan de in lid 3 bedoelde communicatiekanalen, niet geacht bij de Commissie te zijn ingediend.

5.  
Wanneer de aanmelding of de briefwisseling in verband met een aanmelding vertrouwelijke informatie bevat, geeft de betrokken lidstaat duidelijk aan welke gegevens vertrouwelijk zijn en vermeldt hij de redenen waarom die gegevens als vertrouwelijk worden aangemerkt.
6.  

De lidstaten verwijzen bij elke steunverlening aan een uiteindelijke begunstigde naar het staatssteunidentificatienummer dat de Commissie aan de betrokken steunregeling heeft toegewezen.

De eerste alinea geldt niet voor steun verleend in de vorm van fiscale maatregelen.

▼B

Artikel 4

Vereenvoudigde aanmeldingsprocedure voor bepaalde wijzigingen in bestaande steun

1.  
Voor de toepassing van artikel 1, onder c), van ►M11  Verordening (EU) 2015/1589 ◄ wordt onder een wijziging in bestaande steun iedere wijziging verstaan, met uitzondering van aanpassingen van louter formele of administratieve aard die de beoordeling van de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt niet kunnen beïnvloeden. ►M11  

Een verhoging met maximaal 20 procent van de oorspronkelijke middelen van een bestaande steunregeling die is goedgekeurd of in het kader van Verordening (EU) nr. 651/2014 verenigbaar is verklaard, wordt echter niet als een wijziging van bestaande steun beschouwd.

 ◄
2.  

De volgende wijzigingen van bestaande steun worden aangemeld door middel van het in Bijlage II opgenomen formulier voor vereenvoudigde aanmelding:

a) 

verhogingen van de voor een goedgekeurde steunregeling voorziene middelen met meer dan 20 procent;

b) 

de verlenging van een bestaande goedgekeurde steunregeling voor een periode tot zes jaar, al dan niet met een verhoging van de voorziene middelen;

c) 

de aanscherping van de criteria voor de toepassing van een goedgekeurde steunregeling, een verlaging van de steunintensiteit of van de in aanmerking komende uitgaven.

De Commissie poogt naar beste vermogen binnen een termijn van één maand een besluit te nemen over alle door middel van het vereenvoudigde aanmeldingsformulier aangemelde steun.

3.  
De procedure voor vereenvoudigde aanmelding kan niet worden gebruikt voor de aanmelding van wijzigingen in steunregelingen waarvoor lidstaten geen jaarverslagen overeenkomstig de artikelen 5, 6 en 7 hebben ingediend, tenzij de jaarverslagen over de jaren waarin de steun is toegekend, op hetzelfde tijdstip als dat van de aanmelding worden ingediend.

HOOFDSTUK III

JAARVERSLAGEN

Artikel 5

Vorm en inhoud van jaarverslagen

▼M11

1.  
Onverminderd eventuele aanvullende specifieke vereisten inzake verslagen die zijn vervat in overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) 2015/1589 vastgestelde voorwaardelijke besluiten, en onverminderd de naleving van door de betrokken lidstaat in verband met goedkeuringsbesluiten gedane toezeggingen, stellen de lidstaten de jaarverslagen over bestaande steunregelingen en individuele steun voor elk volledig kalenderjaar, of deel daarvan, waarin de regeling van toepassing is, op met gebruikmaking van het in bijlage III gestandaardiseerde verslagmodel.

▼B

2.  
De Commissie kan de lidstaten ook verzoeken bijkomende gegevens over specifieke onderwerpen te verstrekken, na voorafgaande besprekingen met de lidstaten.

Artikel 6

Toezending en bekendmaking van jaarverslagen

1.  
Iedere lidstaat zendt de Commissie zijn jaarverslagen uiterlijk op 30 juni van het jaar volgende op het jaar waarop het verslag betrekking heeft, elektronisch toe.

In gerechtvaardigde gevallen kunnen de lidstaten ramingen voorleggen, mits de werkelijke cijfers ten laatste samen met de gegevens over het volgende jaar worden toegezonden.

2.  
Jaarlijks publiceert de Commissie een scorebord voor staatssteun dat een synthese bevat van de informatie uit de in het jaar voordien ingediende jaarverslagen.

Artikel 7

Status van jaarverslagen

De toezending van jaarverslagen kan niet worden aangemerkt als de nakoming van de verplichting uit hoofde van ►M11  artikel 108, lid 3, van het Verdrag ◄ om steunmaatregelen aan te melden voordat zij ten uitvoer worden gelegd. Deze toezending kan evenmin op enigerlei wijze vooruitlopen op de uitkomst van een onderzoek naar beweerdelijk onrechtmatige steun, overeenkomstig de in Hoofdstuk III van ►M11  Verordening (EU) 2015/1589 ◄ vastgelegde procedure.

HOOFDSTUK IV

TERMIJNEN

Artikel 8

Berekening van termijnen

▼M7

1.  
De termijnen die zijn bepaald in ►M11  Verordening (EU) 2015/1589 ◄ en in de onderhavige verordening, of die door de Commissie in het kader van de toepassing van artikel 108 van het Verdrag zijn vastgesteld, worden berekend overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 en de bijzondere bepalingen die in de leden 2 tot en met 5 ter van dit artikel zijn neergelegd. In geval van tegenstrijdigheid hebben de bepalingen van de onderhavige verordening voorrang.

▼B

2.  
Termijnen worden uitgedrukt in maanden of in werkdagen.

▼M3

3.  
Met betrekking tot de termijnen voor maatregelen van de Commissie is voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 de relevante gebeurtenis, de ontvangst van de aanmelding of de daaropvolgende briefwisseling overeenkomstig artikel 3, leden 1 en 3, van de onderhavige verordening.
4.  
Met betrekking tot de termijnen voor maatregelen van de lidstaten is voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 de relevante gebeurtenis, de ontvangst van de desbetreffende aanmelding of briefwisseling van de Commissie overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de onderhavige verordening.

▼B

5.  
Met betrekking tot de termijn voor de indiening van opmerkingen door derden en door niet rechtstreeks bij de procedure betrokken lidstaten, na de inleiding van de in artikel 6, lid 1, van ►M11  Verordening (EU) 2015/1589 ◄ bedoelde formele onderzoekprocedure, is voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 de relevante gebeurtenis, de bekendmaking van de mededeling betreffende de inleiding van de procedure in het Publicatieblad van de Europese Unie.

▼M7

5 bis.  
Ten aanzien van de termijn voor het verschaffen van de overeenkomstig ►M11  artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) 2015/1589 ◄ van derden verlangde inlichtingen is de ontvangst van het verzoek om inlichtingen de voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 relevante gebeurtenis.
5 ter.  
Ten aanzien van de termijn voor het verschaffen van de overeenkomstig ►M11  artikel 7, lid 7, van Verordening (EU) 2015/1589 ◄ van derden verlangde inlichtingen is de kennisgeving van het besluit de voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 relevante gebeurtenis.

▼B

6.  
Elk verzoek tot verlenging van een termijn wordt met redenen omkleed, en wordt ten minste twee werkdagen vóór het verstrijken van de termijn schriftelijk ingediend op het adres dat is opgegeven door de partij die de termijn vaststelt.

HOOFDSTUK V

BIJ TERUGVORDERING VAN ONRECHTMATIGE STEUN TOE TE PASSEN RENTEPERCENTAGE

▼M3

Artikel 9

Methode voor de vaststelling van het rentepercentage

1.  
Tenzij in een bijzondere beschikking of een bijzonder besluit anders is bepaald, is het bij terugvordering van in strijd met ►M11  artikel 108, lid 3, van het Verdrag ◄ verleende staatssteun toe te passen rentepercentage een vóór elk kalenderjaar door de Commissie vastgesteld jaarlijks rentepercentage.
2.  
Het rentepercentage wordt berekend door de eenjaarlijkse geldmarktrente met 100 basispunt te verhogen. Wanneer die percentages niet beschikbaar zijn, wordt de driemaandelijkse geldmarktrente gebruikt of, bij gebreke daarvan, het rendement van overheidsobligaties.
3.  
Bij gebreke van betrouwbare gegevens over de geldmarkt of het rendement van overheidsobligaties of gelijkwaardige gegevens, of in uitzonderlijke omstandigheden kan de Commissie, in nauwe samenwerking met de betrokken lidstaat of lidstaten, een bij terugvordering toe te passen rentepercentage vaststellen met gebruikmaking van een andere methode en op de grondslag van de gegevens waarover zij beschikt.
4.  
Het bij terugvordering toe te passen rentepercentage wordt eenmaal per jaar herzien. Het basispercentage wordt berekend op basis van de eenjaarlijkse geldmarktrente van de maanden september, oktober en november van het betrokken jaar. Het aldus vastgestelde percentage wordt gedurende het gehele daaropvolgende jaar toegepast.
5.  
Bovendien zal, om rekening te houden met aanzienlijke en onverwachte schommelingen, een aanpassing plaatsvinden telkens wanneer het gemiddelde percentage, berekend over de drie voorgaande maanden, meer dan 15 % afwijkt van het geldende rentepercentage. Dit nieuwe percentage wordt van kracht op de eerste dag van de tweede maand volgende op de maanden die voor de berekening zijn gebruikt.

▼B

Artikel 10

Bekendmaking

De Commissie maakt de geldende en de relevante vroegere bij terugvordering van staatssteun toe te passen rentepercentages bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en, ter kennisneming, op het internet.

Artikel 11

Methode voor de toepassing van het rentepercentage

1.  
Het toepasselijke rentepercentage is het percentage dat van toepassing was op de datum waarop de onrechtmatig verleende steun ter beschikking van de begunstigde is gesteld.
2.  
Het rentepercentage wordt op samengestelde grondslag toegepast, tot de datum waarop de steun is terugbetaald. Over de rente die betrekking heeft op het voorgaande jaar is in elk volgende jaar rente verschuldigd.

▼M3

3.  
Het in lid 1 bedoelde rentepercentage is gedurende de gehele periode, tot het tijdstip van volledige terugbetaling, van toepassing. Wanneer echter meer dan één jaar is verstreken tussen het tijdstip waarop de onrechtmatige steun de begunstigde voor het eerst ter beschikking is gesteld, en het tijdstip waarop de steun volledig is terugbetaald, wordt de rente jaarlijks opnieuw berekend, op de grondslag van het ten tijde van de herberekening geldende percentage.

▼M7

HOOFDSTUK V bis

DE AFHANDELING VAN KLACHTEN

Artikel 11 bis

Ontvankelijkheid van klachten

1.  
Een ieder die, overeenkomstig ►M11  artikel 12, lid 1, en artikel 24, lid 2, van Verordening (EU) 2015/1589 ◄ een klacht indient, toont aan dat hij een belanghebbende is in de zin van artikel 1, onder h), van die verordening.
2.  
Belanghebbenden vullen het in bijlage IV opgenomen formulier correct in en verschaffen alle daarin gevraagde verplichte informatie. Na een gemotiveerd verzoek van een belanghebbende partij kan de Commissie ontheffing verlenen van de verplichting om bepaalde op het formulier verlangde inlichtingen te verschaffen.
3.  
De klachten worden in een van de officiële talen van de Unie ingediend.

HOOFDSTUK V ter

IDENTIFICATIE EN BESCHERMING VAN VERTROUWELIJKE INFORMATIE

Artikel 11 ter

Bescherming van bedrijfsgevoelige en anderszins vertrouwelijke informatie

Een ieder die, overeenkomstig ►M11  Verordening (EU) 2015/1589 ◄ informatie verschaft, geeft duidelijk aan welke informatie hij, onder opgave van redenen, als vertrouwelijk beschouwt, en verschaft de Commissie een afzonderlijke, niet-vertrouwelijke versie van zijn verklaring. Wanneer informatie binnen een bepaalde termijn moet worden verschaft, geldt dezelfde termijn voor het verschaffen van de niet-vertrouwelijke versie.

▼B

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

De Commissie herbeziet, na raadpleging van de lidstaten, de toepassing van deze verordening binnen vier jaar nadat deze in werking is getreden.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Hoofdstuk II is alleen van toepassing op aanmeldingen die de Commissie meer dan vijf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening zijn toegezonden.

Hoofdstuk III is van toepassing op jaarverslagen betreffende steun die vanaf 1 januari 2003 is toegekend.

Hoofdstuk IV is van toepassing op alle termijnen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld, maar nog niet zijn verstreken.

De artikelen 9 en 11 zijn van toepassing op alle terugvorderingsbeschikkingen waarvan na de datum van inwerkingtreding van deze verordening kennis wordt gegeven

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

image

▼M11

DEEL I.

ALGEMENE INFORMATIE

1. STATUS VAN DE AANMELDING

Betreft de in dit formulier verstrekte informatie:

(a) 

□een vooraanmelding? Zo ja, dan hoeft u in dit stadium misschien niet het volledige formulier in te vullen, maar kunt u met de diensten van de Commissie afspraken maken over welke gegevens nodig zijn voor een voorafgaande beoordeling van de voorgenomen maatregel.

(b) 

□een aanmelding overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”)?

(c) 

□een vereenvoudigde aanmelding op grond van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 794/2004 ( 2 )? Zo ja, vul dan alleen het formulier vereenvoudigde aanmelding in bijlage II in.

(d) 

□een maatregel die geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag vormt, maar die ter wille van de rechtszekerheid bij de Commissie wordt aangemeld?

Hebt u punt d) geselecteerd, geef dan hieronder aan waarom de aanmeldende lidstaat van mening is dat de maatregel geen staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag. Geef een volledige beoordeling van de maatregel in het licht van elk van de hiernavolgende vier criteria. Besteed daarbij met name aandacht aan de criteria waaraan de voorgenomen maatregel volgens u niet voldoet.

Houdt de aangemelde maatregel een overdracht van overheidsmiddelen in of valt hij aan de Staat toe te rekenen?

Wordt met de maatregel een voordeel verleend aan ondernemingen?

Is de maatregel discretionair, in de zin dat hij alleen openstaat voor een beperkt aantal ondernemingen, voor een beperkt aantal economische sectoren of dat hij territoriale beperkingen inhoudt?

Beïnvloedt de maatregel de mededinging op de interne markt ongunstig of dreigt hij het handelsverkeer binnen de EU te verstoren?

2. IDENTIFICATIE VAN DE STEUNVERLENENDE AUTORITEIT

Betrokken lidstaat:

Regio('s) van de betrokken lidstaat (op NUTS-niveau 2); geef informatie over hun status inzake regionale steun:

Contactpersoon(-personen):

Naam: …

E-mail: …

Naam, adres (plus webadres) en e-mailadres van de steunverlenende autoriteit:

Naam: …

Adres: …

Webadres: …

E-mail: …

Contactpersoon bij de Permanente Vertegenwoordiging:

Naam: …

Tel.: …

E-mail: …

Indien u wenst dat een afschrift van de door de Commissie aan de lidstaat gerichte ambtelijke correspondentie ook aan andere autoriteiten in uw lidstaat wordt gezonden, vermeld dan hier hun naam, adres (plus webadres) en e-mailadres:

Naam: …

Adres: …

Webadres: …

E-mail: …

3. BEGUNSTIGDEN

3.1.  Vestigingsplaats van de begunstigde(n)

(a) 

□buiten (een) steungebied(en): …

(b) 

□in (een) steungebied(en) op grond van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag; (specificeer het gebied (de gebieden) op NUTS-niveau 2): …

(c) 

□in (een) steungebied(en) op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag; (specificeer het gebied (de gebieden) op NUTS-niveau 3, of lager): …

3.2.  De locatie van het (de) project(en) (indien van toepassing)

(a) 

□buiten (een) steungebied(en): …

(b) 

□in (een) steungebied(en) op grond van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag; (specificeer het gebied (de gebieden) op NUTS-niveau 2): …

(c) 

□in (een) steungebied(en) op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag; (specificeer het gebied (de gebieden) op NUTS-niveau 3, of lager): …

3.3.  Sector(en) getroffen door de steunmaatregel (d.w.z. waar de begunstigden van de steun actief zijn):

(a) 

□De maatregel staat open voor alle sectoren.

(b) 

□Sectorspecifiek. Zo ja, geef de sector(en) op NACE-groepsniveau ( 3 ): … …

3.4.  Gaat het om een steunregeling? Geef dan de volgende informatie.

3.4.1.  Aard van de begunstigde ondernemingen:

(a) 

□grote ondernemingen

(b) 

□kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's);

(c) 

□middelgrote ondernemingen

(d) 

□kleine ondernemingen

(e) 

□micro-ondernemingen

3.4.2.  Geraamd aantal begunstigden:

(a) 

□minder dan 10

(b) 

□van 11 tot en met 50

(c) 

□van 51 tot en met 100

(d) 

□van 101 tot en met 500

(e) 

□van 501 tot en met 1 000

(f) 

□meer dan 1 000

3.5.  Gaat het om individuele steun (in het kader van een regeling of als ad-hocsteun)? Geef dan:

3.5.1.  Naam van de begunstigde(n):

3.5.2.  Soort begunstigde(n):

□ 

Kmo

Aantal werknemers: …

Jaaromzet (het volledige bedrag in nationale valuta, gedurende het laatste boekjaar): …

Jaarlijks balanstotaal (het volledig bedrag in nationale valuta, gedurende het laatste boekjaar): …

Verbonden ondernemingen of partnerondernemingen (voeg een verklaring bij als bedoeld in artikel 3, lid 5, van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie ( 4 ), waaruit blijkt dat de begunstigde onderneming zelfstandig is, dan wel een verbonden onderneming of een partneronderneming ( 5 ) is):

□ 

Grote onderneming

3.6.  Is de begunstigde onderneming een onderneming in moeilijkheden ( 6 )?

□Ja□Neen

3.7.  Uitstaande bevelen tot terugvordering

3.7.1.  In het geval van individuele steun:

De autoriteiten van de lidstaat verbinden zich ertoe om de toekenning of betaling van de aangemelde steun op te schorten indien de begunstigde nog steeds de beschikking heeft over eerdere, onrechtmatige steun die door een besluit van de Commissie onverenigbaar is verklaard (hetzij als individuele steun of als steun in het kader van een steunregeling), totdat die begunstigde het totale bedrag aan onrechtmatige en onverenigbare steun, vermeerderd met terugvorderingsrente, heeft terugbetaald of op een geblokkeerde rekening heeft gestort.

□Ja□Neen

Geef hier de referentie naar de desbetreffende interne rechtsgrondslag:

3.7.2.  in het geval van steunregelingen:

De autoriteiten van de lidstaat verbinden zich ertoe om de toekenning of betaling van enige steun op te schorten voor iedere onderneming die eerdere, onrechtmatige steun heeft ontvangen die door een besluit van de Commissie onverenigbaar is verklaard (hetzij als individuele steun of als steun in het kader van een steunregeling), totdat die onderneming het totale bedrag aan onrechtmatige en onverenigbare steun, vermeerderd met terugvorderingsrente, heeft terugbetaald of op een geblokkeerde rekening heeft gestort.

□Ja□Neen

Geef hier de referentie naar de desbetreffende interne rechtsgrondslag:

4. NATIONALE RECHTSGRONDSLAG

4.1. Geef hier de nationale rechtsgrondslag voor de steunmaatregel, met inbegrip van de uitvoeringsbepalingen ervan. Geef telkens ook de vindplaatsen.

Nationale rechtsgrondslag: …

Uitvoeringsbepalingen (indien van toepassing): …

Vindplaatsen (indien van toepassing): …

4.2. Voeg bij deze aanmelding hetzij:

(a) 

□een kopie van de desbetreffende uittreksels uit de definitieve tekst(en) van de rechtsgrondslag (samen met een weblink die directe toegang geeft tot die teksten (voor zover beschikbaar)); of

(b) 

□een kopie van de desbetreffende uittreksels uit de concepttekst(en) van de rechtsgrondslag (samen met een weblink die directe toegang geeft tot die teksten (voor zover beschikbaar)).

4.3. In geval van een definitieve tekst, bevat die definitieve tekst dan een stand-stillbepaling waardoor de steunverlenende instantie de steun pas kan toekennen nadat de Commissie goedkeuring heeft verleend voor de steun?

□ 

Ja

□ 

Neen. Was een bepaling in die zin opgenomen in de ontwerptekst?

□ 

Ja

□ 

Neen. Waarom is dit soort bepaling niet opgenomen in de rechtsgrondslag?

4.4. Wanneer de tekst van de rechtsgrondslag een standstillbepaling bevat, wat is dan de precieze datum van toekenning van de steun?

□ 

de datum van de goedkeuring door de Commissie

□ 

de datum waarop de nationale autoriteiten toezeggen de steun toe te kennen, onder de voorwaarde dat de Commissie goedkeuring verleent

5. IDENTIFICATIE VAN DE STEUN, DOELSTELLING EN LOOPTIJD

5.1.  Benaming van de steunmaatregel (of naam van de begunstigde onderneming in het geval van individuele steun): …

5.2.  Korte beschrijving van het doel van de steunmaatregel:

5.3.  Soort steun

5.3.1.  Heeft de aanmelding betrekking op een steunregeling?

□ 

Neen

□ 

Ja. Wijzigt de regeling een bestaande steunregeling?

□ 

Neen

□ 

Ja. Zijn de voorwaarden vervuld voor een vereenvoudigde aanmelding overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 794/2004?

□ 

Ja. Vul dan het formulier vereenvoudigde aanmelding (bijlage II) in.

□ 

Neen. Vul dit formulier dan verder in en geef aan of de oorspronkelijke regeling waarin wijzigingen worden aangebracht, bij de Commissie was aangemeld.

□ 

Ja. Specificeer:

— 
Nummer van de steunmaatregel ( 7 ): …
— 
Datum van de goedkeuring door de Commissie (referentie van de brief van de Commissie), indien van toepassing, of groepsvrijstellingsnummer: …
— 
Looptijd van de oorspronkelijke regeling: …
— 
Welke wijzigingen zijn in de oorspronkelijke regeling aangebracht en waarom? …
□ 

Neen. Wanneer is de regeling ten uitvoer gelegd? …

5.3.2.  Heeft de aanmelding betrekking op individuele steun ( 8 )?

□ 

Neen

□ 

Ja. Geef aan of:

□ 

de steun gebaseerd is op een goedgekeurde of onder een groepsvrijstelling vallende regeling en die individueel moet worden aangemeld. Geef de referentie van de goedgekeurde of vrijgestelde steunregeling:

Titel: …

Nummer van de steunmaatregel ( 9 ): …

Goedkeuringsbrief van de Commissie (indien van toepassing): …

□ 

Individuele steun die niet op een regeling is gebaseerd

5.3.3.  Maakt het financieringssysteem integrerend deel uit van de steunmaatregel (bv. via parafiscale heffingen om de voor het toekennen van de steun vereiste middelen aan te kunnen trekken)?

□ 

Neen

□ 

Ja. In dat geval moet ook het financieringssysteem worden aangemeld.

5.4.  Looptijd

□ 

Regeling

Geef de geplande einddatum voor de individuele steunverlening in het kader van de regeling. Indien de looptijd van de regeling langer is dan zes jaar, geef dan aan waarom een langere looptijd onmisbaar is om de doelstellingen van de regeling te bereiken.

□ 

Individuele steun

Geef de datum waarop de steun volgens plan wordt toegekend ( 10 ): …

Wordt de steun in tranches uitgekeerd, geef dan de datum waarop elk van de tranches volgens planning wordt uitgekeerd: …

5.5.  Is de aangemelde maatregel een hervorming en/of investering die in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit wordt gefinancierd?

□Ja□Neen

5.6.  Heeft de aangemelde maatregel betrekking op een investering die in het kader van het Fonds voor een rechtvaardige transitie wordt gefinancierd?

□Ja□Neen

6. VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN

Gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen

(De subrubrieken 6.2 tot en met 6.7 zijn niet van toepassing op steun in de landbouw-, de visserij- en de aquacultuursector ( 11 ))

6.1. Geef de primaire doelstelling – en (indien van toepassing) de secundaire doelstelling(en) – van gemeenschappelijk belang waartoe de steun bijdraagt:



 

Primaire doelstelling

(slechts één vakje aankruisen)

Secundaire doelstelling (1)

Landbouw; bosbouw; plattelandsgebieden

Steun voor samenwerking in de bosbouwsector

Steun voor samenwerking in plattelandsgebieden

Steun voor kwetsbare werknemers en/of werknemers met een handicap

Steun voor acties inzake kennisoverdracht en voorlichting in de landbouwsector

Steun voor afzetbevorderingsmaatregelen voor landbouwproducten

Luchthaveninfrastructuur of -uitrusting

Exploitatie luchthavens

Breedbandinfrastructuur

Sluitingssteun

Vergoeding schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen

Coördinatie van vervoer

Cultuur

Energie

Energie-efficiëntie

Energie-infrastructuur

Milieubescherming

Verwezenlijking van belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang

Visserij en aquacultuur

Instandhouding erfgoed

Bevordering export en internationalisering

Regionale ontwikkeling (incl. territoriale samenwerking)

Opheffing van ernstige verstoring in de economie

Hernieuwbare energie

Redding ondernemingen in moeilijkheden

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Herstructurering ondernemingen in moeilijkheden

Risicofinanciering

Sectorale ontwikkeling

Diensten van algemeen economisch belang (DAEB)

Kmo’s

Sociale ondersteuning van individuele consumenten

Sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur

Opleiding

Aanloopsteun voor luchtvaartmaatschappijen voor uitbouw van nieuwe verbindingen

(1)   

Een secundaire doelstelling is een doelstelling waarvoor de steun, naast de primaire doelstelling, uitsluitend is bestemd. Een regeling met als primaire doelstelling onderzoek en ontwikkeling (O & O) kan bijvoorbeeld als secundaire doelstelling kmo's hebben indien de steun uitsluitend voor kmo's is bestemd. De secundaire doelstelling kan ook sectoraal zijn, zoals bijvoorbeeld een O & O-steunregeling in de ijzer- en staalindustrie.

6.2. Leg uit waarom overheidsmaatregelen nodig zijn. De steun moet op een situatie zijn gericht waar de steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen, en zo een oplossing bieden voor welomschreven marktfalen.

6.3. Leg uit waarom de steun een geschikt instrument is om de bovengenoemde doelstelling van gemeenschappelijk belang (zoals omschreven in punt 6.1) te helpen bereiken. De steun zal niet verenigbaar worden verklaard wanneer met minder verstorende maatregelen dezelfde positieve bijdrage kan worden geleverd.

6.4. Heeft de steun een stimulerend effect (d.w.z. wanneer de steun het gedrag van een onderneming zodanig verandert dat die meer activiteiten onderneemt dan zij zonder de steun had uitgevoerd, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze had uitgevoerd)?

□Ja□Neen

Komen activiteiten die van start zijn gegaan voordat een aanvraag is ingediend, voor steun in aanmerking?

□Ja□Neen

Indien de activiteiten in aanmerking komen, hoe wordt de voorwaarde „stimulerend effect” dan vervuld?

6.5. Leg uit waarom de steun evenredig is, d.w.z. dat de steunbedragen beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om tot de investering of de activiteiten aan te zetten.

6.6. Wat zijn de eventuele negatieve effecten van de steun op de mededinging en het handelsverkeer? In hoeverre wegen de positieve effecten hiertegen op?

6.7. Bevestig, in overeenstemming met de transparantievereisten van de EU-richtsnoeren en -kaderregelingen voor staatssteun, of de volgende informatie zal worden bekendgemaakt in de Transparency Award Module (TAM) van de Europese Commissie ( 12 ) of op één nationale of regionale website: i) de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of een link daarnaar; ii) de identiteit van de steunverlenende autoriteit of autoriteiten; iii) de identiteit van de individuele begunstigde(n); iv) het steuninstrument ( 13 ) en het bedrag aan steun dat elk van de begunstigden wordt toegekend; v) de doelstelling van de steun, de datum van toekenning; vi) het soort onderneming (bv. kmo, grote onderneming); vii) het referentienummer van de steunmaatregel bij de Commissie; viii) de regio waar de begunstigde(n) is (zijn) gevestigd (op NUTS 2-niveau); en ix) de voornaamste economische sector waarin de begunstigde(n) actief is (zijn) (op NACE-groepsniveau) ( 14 )

□Ja□Neen

6.7.1.  Geef het (de) adres(sen) van de website(s) waarop die informatie wordt gepubliceerd:

6.7.2.  In voorkomend geval, geef het (de) adres(sen) van de centrale website die informatie ophaalt bij de regionale website(s):

6.7.3.  Indien de adressen van de websites uit punt 6.7.2 niet bekend zijn bij het indienen van de aanmelding, moet de lidstaat toezeggen om de Commissie op de hoogte te brengen zodra die websites zijn gecreëerd en de adressen ervan bekend zijn.

6.8.  Voor steun die is aangemeld in het kader van artikel 107, lid 3, punt a), eerste onderdeel van punt b) (steunmaatregelen ter bevordering van de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang ), punten c), d) en e), van het Verdrag, artikel 93 van het Verdrag en artikel 106, lid 2, van het Verdrag, bevestig dat noch de activiteit waarvoor steun wordt toegekend, noch de aspecten van de aangemelde staatssteunmaatregel die onlosmakelijk verbonden zijn met het voorwerp van de steun, in strijd zijn met het milieurecht van de Unie.

□Ja □Neen

7. STEUNINSTRUMENT, STEUNBEDRAG, STEUNINTENSITEIT EN FINANCIERINGSBRONNEN

7.1.  Steuninstrument en steunbedrag

Vermeld de aard van de steun die en het steunbedrag ( 15 ) dat aan de begunstigde onderneming(en) ter beschikking wordt gesteld (in voorkomend geval voor elke maatregel):



Steuninstrument

Steunbedrag of uitgetrokken budget (1)

Totaal

Jaarlijks

□  Subsidies (of met vergelijkbaar effect)

(a)  □Rechtstreekse subsidie

(b)  □Rentesubsidie

(c)  □Kwijtschelding schulden

 

 

□  Leningen (of met vergelijkbaar effect)

(a)  □Zachte lening (geef bijzonderheden over gestelde zekerheden en looptijd)

(b)  □Terug te betalen voorschot

(c)  □Belastinguitstel

 

 

□  Garantie

Geef in voorkomend geval een referentie naar het besluit van de Commissie waarbij de methodiek voor het berekenen van het bruto subsidie-equivalent is goedgekeurd, en informatie over de lening of de andere financiële transactie die door de garantie wordt afgedekt, de gestelde zekerheid, de verschuldigde premie, de looptijd, enz.

 

 

□  Vormen van (quasi-)eigen-vermogensmaatregelen

 

 

□  Belastingvoordeel of belastingvrijstelling

(a)  □Belastingvoordeel

(b)  □Versmalling belastinggrondslag

(c)  □Verlaagd belastingtarief

(d)  □Vermindering socialezekerheidsbijdragen

(e)  □Andere (geef aan welke)

 

 

□  Andere (geef aan welke)

Met welke instrumenten zou dit instrument grotendeels overeenkomen wat het effect ervan betreft?

 

 

(1)   

Voor alle gegevens over steunbedragen of -budget die in een van de rubrieken van dit formulier en de formulieren aanvullende informatie worden gevraagd, moet u het hele bedrag in nationale valuta verschaffen.

Voor garanties: geef het maximale bedrag aan gegarandeerde leningen: …

Voor leningen: geef het maximale (nominale) bedrag van de toegekende lening. …

7.2.  Beschrijving van het steuninstrument

Beschrijf voor elk van de steuninstrumenten uit de lijst in punt 7.1 de toepassingsvoorwaarden voor de steun (zoals de fiscale behandeling, de vraag of de steun al dan niet automatisch wordt toegekend op grond van bepaalde objectieve criteria, dan wel of de steunverlenende autoriteiten een zekere discretionaire bevoegdheid hebben).

7.3.  Financieringsbronnen

7.3.1.  Uit welke bronnen wordt de steun gefinancierd?

(a) 

□Algemene begroting van de Staat/regionale overheid/lokale overheid

(b) 

□Uit parafiscale heffingen of belastingen die voor een begunstigde zijn bestemd. Geef een volledige beschrijving van de heffingen en van de producten/activiteiten waarover die worden geheven (en met name of de heffingen worden geheven over producten die uit andere lidstaten worden ingevoerd). Voeg in voorkomend geval een kopie bij van de rechtsgrondslag van de financiering.

(c) 

□Opgebouwde reserves

(d) 

□Overheidsbedrijven

(e) 

□Cofinanciering uit structuurfondsen

(f) 

□Andere (geef aan welke)

7.3.2.  Wordt het budget jaarlijks vastgesteld?

□ 

Ja

□ 

Neen. Welke periode bestrijkt het budget dan? …

7.3.3.  Gaat het bij de aanmelding om wijzigingen in een bestaande steunregeling, geef dan voor elk van de steuninstrumenten de begrotingseffecten van die wijzigingen voor:

het totale budget: …

het jaarbudget ( 16 ): …

7.4.  Cumulering

Mag de steun worden gecumuleerd met steun of de-minimissteun ( 17 ) afkomstig van andere lokale, regionale of nationale steun ( 18 ) ter dekking van dezelfde in aanmerking komende kosten?

□ 

Ja. Geef (voor zover beschikbaar) de benaming, de bedoeling en de doelstelling van de steun.

Verschaf toelichting bij de mechanismen die zijn uitgewerkt om te verzekeren dat de regels inzake cumulering in acht worden genomen.

□ 

Neen

8. EVALUATIE

□ 

Voor een op grond van artikel 108, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie aangemelde regeling:

staat de regeling voor evaluatie gepland?

□ 

Neen

Staat voor de regeling geen evaluatie gepland, leg dan uit waarom de criteria voor een evaluatie volgens u niet zijn vervuld.

□ 

Ja

Op basis van welke criteria staat voor de aangemelde regeling een ex-post-evaluatie gepland?

(a) 

□Regeling waarvoor omvangrijke steunmiddelen zijn uitgetrokken.

(b) 

□Regeling die nieuwe kenmerken bevat.

(c) 

□Regeling waarbij aanzienlijke veranderingen van de markt, de technologie of de regelgeving kunnen worden verwacht

(d) 

□Regeling waarvoor u een evaluatie plant, ook al zijn de overige criteria uit dit punt niet van toepassing

Is een van de criteria uit dit punt vervuld, geef dan de evaluatieperiode en vul het formulier aanvullende informatie in voor het aanmelden van een evaluatieplan (bijlage 1, deel III.8) ( 19 )

Is al een ex-post-evaluatie uitgevoerd voor een vergelijkbare regeling? Zo ja, geef, voor zover beschikbaar, een referentie en een link naar relevante websites.

□ 

VOOR EEN REGELING DIE WORDT GEËVALUEERD OP GROND VAN ARTIKEL 1, LID 2, PUNT A), VAN VERORDENING (EU) NR. 651/2014 (AGVV) OF ARTIKEL 1, LID 3, PUNT A), VAN VERORDENING (EU) 2022/2472 (GVVL) OF ARTIKEL 1, LID 7, PUNT A), VAN VERORDENING (EU) 2022/2473 (GVVV):

Geef het SA-nummer van de regeling. …

Vul het formulier aanvullende informatie voor de kennisgeving van een evaluatieplan in bijlage 1, deel III.8, in ( 20 ).

9. VERSLAGLEGGING EN MONITORING

Om de Commissie in staat te stellen de steunregeling en individuele steun te monitoren, zegt de aanmeldende lidstaat toe om:

□ 

jaarlijks bij de Commissie de verslagen in te dienen die zijn vereist krachtens artikel 26 van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad ( 21 );

□ 

gedurende ten minste tien jaar vanaf het tijdstip waarop de steun (individuele steun en steun in het kader van de steunregeling) is verleend, gedetailleerde dossiers bij te houden die alle informatie en bewijsstukken bevatten die nodig zijn om vast te stellen dat alle verenigbaarheidsvoorwaarden zijn vervuld, en die aan de Commissie, op haar schriftelijk verzoek, binnen twintig werkdagen (of binnen de langere termijn die in het verzoek is vastgesteld) te verschaffen.

Voor fiscale steunregelingen:

□ 

In het geval van fiscale steunregelingen waarbij steun wordt toegekend op basis van belastingaangiften van de begunstigden en waarbij er geen ex-ante-controle is dat alle verenigbaarheidsvoorwaarden voor elke begunstigde zijn vervuld, zegt de lidstaat toe om een passend controlemechanisme op te zetten waarmee hij zich op regelmatige basis (bv. eenmaal per belastingjaar) ten minste ex-post en op basis van een steekproef ervan vergewist dat alle verenigbaarheidsvoorwaarden zijn vervuld, en om in het geval van fraude sancties op te leggen. Om de Commissie in staat te stellen fiscale steunregelingen te monitoren, zegt de aanmeldende lidstaat toe om gedurende ten minste tien jaar vanaf het tijdstip van de controles gedetailleerde dossiers over die controles bij te houden en die aan de Commissie binnen twintig werkdagen (of binnen de langere termijn die in het verzoek is vastgesteld) te verschaffen.

10. VERTROUWELIJKHEID

Bevat de aanmelding vertrouwelijke informatie ( 22 ) die niet aan derden mag worden bekendgemaakt?

□ 

Ja. Zo ja, welk deel van het formulier is dan vertrouwelijk? Leg ook uit waarom hier volgens u vertrouwelijkheid geldt.

□ 

Neen

11. ANDERE INFORMATIE

Hier kunt u indien nodig alle andere informatie geven die u voor de beoordeling van de betrokken maatregel van belang acht.

12. BIJVOEGSELS

Geef hier een lijst van alle documenten die bij de aanmelding zijn gevoegd en voeg een papieren versie van de betrokken documenten bij of geef internetlinks naar die documenten.

13. VERKLARING

Ik bevestig dat de op dit formulier en de in de bijlagen en bijvoegsels verstrekte informatie naar mijn beste weten nauwkeurig en volledig is.

Datum en plaats van ondertekening: …

Handtekening: …

Naam en functie van de ondertekenaar: …

14. FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE

1. 

Kies op basis van de informatie die u in dit formulier „algemene informatie” heeft verschaft, welk formulier „aanvullende informatie” u dient in te vullen:

(a) 

Formulieren aanvullende informatie voor regionale steun:

□ 

investeringssteun

□ 

exploitatiesteun

□ 

individuele steun

(b) 

Formulier aanvullende informatie voor steun ten behoeve van onderzoek, ontwikkeling en innovatie

(c) 

Formulier aanvullende informatie voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden:

□ 

reddingssteun

□ 

herstructureringssteun

□ 

steunregelingen

(d) 

□Formulier aanvullende informatie voor steun aan audiovisuele producties

(e) 

Formulier aanvullende informatie voor breedbandsteun

□ 

voor introductiemaatregelen

□ 

voor de uitrol van breedbandnetwerken

(f) 

Formulier aanvullende informatie voor steun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie

□ 

onder afdeling 4.1 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.2 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.3.1 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.4 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.5 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.6 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.7.1 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.7.2 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.8 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.9 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.10 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

□ 

onder afdeling 4.11 van de richtsnoeren klimaat-, milieubeschermings- en energiesteun (CEEAG)

(g) 

□Formulier aanvullende informatie voor risicofinancieringssteun

(h) 

□Formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan

(i) 

□Formulier algemene informatie voor de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden

□ 

Formulieren aanvullende informatie voor steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden

(j) 

Formulier aanvullende informatie voor steun in het vervoer:

□ 

investeringssteun voor luchthavens

□ 

exploitatiesteun voor luchthavens

□ 

aanloopsteun voor luchtvaartmaatschappijen

□ 

steunmaatregelen van sociale aard (artikel 107, lid 2, punt a), van het Verdrag)

□ 

steun voor het zeevervoer

(k) 

□Formulier algemene informatie voor de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector

□ 

Formulier aanvullende informatie voor steun in de visserij- en aquacultuursector

2. 

Valt de steun niet onder een van de bovenstaande formulieren „aanvullende informatie”, kies dan hier de desbetreffende bepaling van het Verdrag, richtsnoeren of andere tekst die geldt voor staatssteun:

(a) 

□Kortlopende exportkredietverzekering ( 23 )

(b) 

□Emissiehandelssystemen (ETS) ( 24 )

(c) 

□Bankenmededeling ( 25 )

(d) 

□Mededeling belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang ( 26 )

(e) 

□Diensten van algemeen economisch belang (DAEB’s) (artikel 106, lid 2, van het Verdrag) ( 27 )

(f) 

□Artikel 93 van het Verdrag

(g) 

□Artikel 107, lid 2, punt a), van het Verdrag

(h) 

□Artikel 107, lid 2, punt b), van het Verdrag

(i) 

□Artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag

(j) 

□Artikel 107, lid 3, punt b), van het Verdrag

(k) 

□Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag

(l) 

□Artikel 107, lid 3, punt d), van het Verdrag

(m) 

□Andere. Welke? …

Waarom is de steun die onder een van de hierboven gekozen categorieën valt, verenigbaar?

Om praktische redenen kunt u best de documenten nummeren die u bijvoegt, en vervolgens verwijzen naar het nummer van die documenten in de desbetreffende rubrieken van de formulieren aanvullende informatie.

image

▼M8

DEEL III

FORMULIEREN AANVULLENDE INFORMATIE

▼M11

DEEL III.1.A

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE VOOR INDIVIDUELE REGIONALE INVESTERINGSSTEUN

U bent niet verplicht dit formulier aanvullende informatie in te vullen. Het verdient echter aanbeveling om naast het formulier „Algemene informatie” ook dit formulier in te vullen voor de aanmelding van individuele investeringssteun die valt onder de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen die vanaf 1 januari 2022 van toepassing zijn („de richtsnoeren”)  ( 28 ).

1. TOEPASSINGSGEBIED

1.1.  Waarom meldt u de maatregel aan?

□ 

De aanmelding betreft individuele steun in het kader van een regeling en de steun uit alle bronnen samen overschrijdt de aanmeldingsdrempel. Geef de referenties van de staatsteunzaken van de betrokken steunregelingen die werden goedgekeurd of die onder een groepsvrijstelling vallen:

– …

□ 

De aanmelding betreft individuele steun die buiten een regeling om wordt toegekend (ad-hocsteun).

□ 

De aanmelding betreft steun aan een begunstigde die dezelfde of een vergelijkbare activiteit ( 29 ) in de EER heeft gesloten in een periode van twee jaar vóór de steunaanvraag of die op het tijdstip van de indiening van de steunaanvraag voornemens is dit soort activiteit te sluiten binnen een periode van twee jaar nadat de te subsidiëren investering is voltooid.

□ 

Om andere redenen (gelieve toe te lichten):

1.2.  Toepassingsgebied van de aangemelde steunmaatregel

1.2.1. Bevestig hier dat de begunstigde onderneming geen onderneming in moeilijkheden is ( 30 ):

1.2.2. Verschaf een kopie van het aanvraagformulier en de steunverleningsovereenkomst (of het ontwerp daarvan).

2. BIJKOMENDE INFORMATIE OVER DE BEGUNSTIGDE, HET INVESTERINGSPROJECT EN DE STEUN

2.1.  Begunstigde

2.1.1. Vermeld de begunstigde(n) van de steun:

2.1.2. Indien de juridische identiteit van de ontvanger van de steun verschilt van de onderneming(en) die het project financiert (financieren) of van de daadwerkelijke begunstigde(n) van de steun, beschrijf dan deze verschillen en vermeld de andere betrokken ondernemingen.

2.1.3. Geef een duidelijke beschrijving van de relaties tussen de begunstigde onderneming, de ondernemingen waartoe zij behoort en andere verwante ondernemingen, met inbegrip van gemeenschappelijke ondernemingen.

2.2.  Het investeringsproject

2.2.1. Geef de volgende informatie over het aangemelde investeringsproject:

Datum steunaanvraag:

Datum aanvang werkzaamheden aan het investeringsproject:

Geplande datum aanvang productie:

Datum waarop de volledige capaciteit wordt bereikt:

Geplande einddatum van het investeringsproject:

2.2.2. Betreft de aanmelding een investering in een steungebied onder a) of een investering van een kmo ( 31 ) (kmo’s) in een steungebied onder c) (punt 45 van de richtsnoeren)? Vermeld dan om welke categorie of categorieën initiële investeringen het in de aanmelding gaat (punt 19, 13), van de richtsnoeren):

□ 

de oprichting van een nieuwe vestiging

□ 

de uitbreiding van de capaciteit van een bestaande vestiging

□ 

de diversificatie van de productie van een vestiging naar producten die voordien niet in de vestiging werden vervaardigd

□ 

een fundamentele wijziging in het volledige productieproces van het product of de producten waarop de investering in de vestiging betrekking heeft

□ 

een verwerving van activa behorende tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen ( 32 )

2.2.3. Betreft de aanmelding een investering van een grote onderneming in een steungebied onder c)? Om welke categorie/categorieën initiële investeringen gaat het dan in de aanmelding (punt 19, 14), en punt 14 van de richtsnoeren)?

□ 

de oprichting van een nieuwe vestiging

□ 

de diversificatie van de activiteit van een vestiging, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar is met de activiteit die voordien in die vestiging werd uitgeoefend

□ 

de diversificatie van de productie van een vestiging naar producten die voordien niet in de vestiging werden vervaardigd, volgens de drie cumulatieve voorwaarden van punt 14 van de richtsnoeren ( 33 )

□ 

een fundamentele wijziging in het volledige productieproces van de producten waarop de investering in de vestiging betrekking heeft, volgens de drie cumulatieve voorwaarden van punt 14 van de richtsnoeren

□ 

een verwerving van activa behorende tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen, op voorwaarde dat de met de overgenomen activa uit te oefenen nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar is met de activiteit die in die vestiging werd uitgeoefend vóór de overname ervan ( 34 )

2.2.4. Geef een korte beschrijving van het investeringsproject en leg ook uit hoe het betrokken project binnen één of meer van de bovenstaande categorieën initiële investeringen valt.

2.3.  In aanmerking komende kosten, berekend op basis van de investeringskosten

2.3.1. Maak hieronder een uitsplitsing van de totale in aanmerking komende investeringskosten in nominale en contante waarde.



 

Totale in aanmerking komende kosten (nominaal) (1)

Totale in aanmerking komende kosten (contant gemaakt) (1)

Voorbereidende studies of consultancykosten m.b.t. de investering (alleen kmo’s)

 

 

Gronden

 

 

Gebouwen

 

 

Installaties/machines/uitrusting

 

 

Immateriële activa

 

 

Totale in aanmerking komende kosten

 

 

(1)   

In nationale valuta (zie ook punt 2.5)

2.3.2. Bevestig dat de verworven activa nieuw zijn (punt 27 van de richtsnoeren) ( 35 ).

2.3.3. Verschaf hier bewijsmateriaal waaruit blijkt dat in het geval van kmo’s maximaal 50 % van de kosten voor voorbereidende studies of consultancykosten met betrekking tot de investering is opgenomen in de in aanmerking komende kosten (punt 28 van de richtsnoeren).

2.3.4. Verschaf hier bewijsmateriaal waaruit blijkt dat voor steun ten behoeve van een fundamentele verandering in het productieproces de in aanmerking komende kosten hoger liggen dan de in de drie voorgaande belastingjaren doorgevoerde afschrijving voor de met de te moderniseren activiteit verband houdende activa (punt 29 van de richtsnoeren).

2.3.5. Geef hier een referentie naar de rechtsgrondslag of leg uit hoe wordt gegarandeerd dat voor steun ten behoeve van de diversificatie van een bestaande vestiging de in aanmerking komende kosten ten minste 200 % hoger liggen dan de boekwaarde van de opnieuw gebruikte activa, zoals die in het belastingjaar voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden is geboekt (punt 30 van de richtsnoeren). Verschaf zo mogelijk ook documenten met de nodige kwantitatieve gegevens.

2.3.6. Ingeval van huur/leasing van materiële activa: geef een referentie naar de rechtsgrondslag waarin is bepaald dat de volgende voorwaarden dienen te worden nageleefd (punt 31 van de richtsnoeren), of leg uit hoe dit anderszins wordt bereikt.

— 
voor gronden en gebouwen moet de huur na het verwachte tijdstip van de voltooiing van de investering ten minste vijf jaar blijven doorlopen in het geval van grote ondernemingen en drie jaar in het geval van kmo’s;
— 
voor de huur van installaties of machines moet de huur plaatsvinden in de vorm van leasing en moet deze voor de begunstigde van de steun een verplichting inhouden om de activa na afloop van de leaseovereenkomst te kopen.

2.3.7. In punt 32 van de richtsnoeren is bepaald dat „in principe alleen de kosten voor de aankoop van de activa van derden die geen banden met de koper hebben, in aanmerking [mogen] worden genomen. Als echter een familielid van de oorspronkelijke eigenaar, of een werknemer, een kleine onderneming overneemt, is de voorwaarde dat de activa moeten worden gekocht van derden die geen banden hebben met de koper, niet van toepassing. De transactie moet op marktvoorwaarden plaatsvinden. Indien de verwerving van de activa van een vestiging vergezeld gaat van een bijkomende, voor regionale steun in aanmerking komende investering, moeten de in aanmerking komende kosten van die aanvullende investering worden bijgeteld bij de kosten voor de verwerving van de activa van de vestiging”.

Leg, indien dit relevant is in de aangemelde zaak, uit hoe deze voorwaarden in acht zijn genomen. Verschaf ook de desbetreffende documenten die een en ander staven.

2.3.8. Bevatten de in aanmerking komende kosten van het investeringsproject ook immateriële activa? Leg dan uit hoe ervoor wordt gezorgd dat de voorwaarden van de punten 33 en 34 van de richtsnoeren ( 36 ) zullen worden nageleefd. Geef in dat geval een precieze referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag.

2.4.  In aanmerking komende kosten, berekend op basis van de loonkosten

2.4.1. Gelieve:

— 
toe te lichten hoe de in aanmerking komende kosten, berekend op basis van de loonkosten, zijn vastgesteld (punt 35 van de richtsnoeren);
— 
toe te lichten hoe het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen is berekend aan de hand van punt 19, 16), van de richtsnoeren;
— 
toe te lichten hoe de loonkosten van de in dienst genomen personen zijn vastgesteld aan de hand van punt 19, 33), van de richtsnoeren; en
— 
de desbetreffende berekeningen en de documenten die deze cijfergegevens staven te verschaffen.

2.5.  Berekening van de contant gemaakte in aanmerking komende kosten en van het steunbedrag

2.5.1. Verschaf in onderstaande tabel nadere gegevens over de in aanmerking komende kosten, uitgesplitst naar categorie in aanmerking komende kosten die over de volledige looptijd van het investeringsproject moeten worden vergoed.



 

Nominaal/contant gemaakt

N-0 (1)

N+1 (1)

N+2 (1)

N+3 (1)

N+X (1)

Totaal (1)

Voorbereidende studies enz. (alleen kmo’s)

Nominaal

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Gronden

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Gebouwen

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Machines/installaties/

Nominaal

 

 

 

 

 

 

uitrusting

Contant

 

 

 

 

 

 

Immateriële activa

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Loonkosten

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Andere (geef aan welke)

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Totaal

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

(1)   

In nationale valuta

Tot welke datum zijn de bedragen contant gemaakt? Welke disconteringsvoet is daarbij gebruikt? ( 37 )

2.5.2. Verschaf in de onderstaande tabel, per toepasselijke soort steun, de nadere gegevens over de aangemelde steun die wordt (of zal worden) toegekend voor het investeringsproject:



 

Nominaal/contant gemaakt

N-0 (1)

N+1 (1)

N+2 (1)

N+3 (1)

N+X (1)

Totaal (1)

Subsidies

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Lening

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Garantie

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Belastingvoordeel

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

Totaal

Nominaal

 

 

 

 

 

 

 

Contant

 

 

 

 

 

 

(1)   

In nationale valuta

Tot welke datum zijn de bedragen contant gemaakt? Welke disconteringsvoet is daarbij gebruikt?

Geef hier aan hoe voor elke soort steun uit de bovenstaande tabel het subsidie-equivalent is berekend:



Zachte lening:

Garantie:

Belastingvermindering:

Andere:

2.5.3. Staan bepaalde in het kader van het project toe te kennen steunmaatregelen nog niet vast? Zo ja, vermeld dit dan en leg uit hoe de steunverlenende autoriteit ervoor zal zorgen dat de toepasselijke maximale steunintensiteit in acht zal worden genomen (punten 93 en 94 van de richtsnoeren):

2.5.4. Wordt het project medegefinancierd door een van de Uniefondsen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd (de „fondsen”)? Zo ja, geef dan aan in het kader van welk programma dergelijke financiering zal worden verkregen. Vermeld ook het betrokken bedrag aan financiering uit de fondsen.

2.5.5. Heeft de begunstigde (op groepsniveau) steun ontvangen voor één of meer initiële investeringen met betrekking tot dezelfde of een vergelijkbare activiteit die van start zijn gegaan in dezelfde NUTS 3-regio in een periode van drie jaar voor de aanvang van de werkzaamheden aan het investeringsproject (punt 19, 27), van de richtsnoeren)? Verschaf dan nadere gegevens over de steunmaatregelen voor elk van de vorige gesteunde initiële investeringen (waaronder een korte beschrijving van het investeringsproject, de datum van de steunaanvraag, de datum van de toekenning van de steun, de datum van aanvang van de werkzaamheden, de steunbedragen en de in aanmerking komende kosten ( 38 )).



 

In aanmerking komende investeringskosten (1)

Toegekend steunbedrag (1)

Datum aanvraag

Datum toekenning steun

Datum aanvang werkzaamheden

Korte beschrijving

Referentie(s) steunmaatregel

Initieel investeringsproject 1

 

 

 

 

 

 

 

Initieel investeringsproject 2

 

 

 

 

 

 

 

Initieel investeringsproject 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(1)   

In nationale valuta

2.5.6. Bevestig hier dat het totale steunbedrag dat voor het initiële investeringsproject zal worden toegekend, het uit de „maximale steunintensiteit” (in de zin van punt 19, 19), van de richtsnoeren) voortvloeiende bedrag niet overschrijdt, rekening houdend met de verhoogde steunintensiteit voor kmo’s (zoals bepaald in punt 186 van de richtsnoeren) en het „bijgestelde steunbedrag” (in de zin van punt 19, 3), van de richtsnoeren), voor zover van toepassing. Verschaf ook de desbetreffende documenten en berekeningen die dit kunnen staven.

2.5.7. Bevestig dat noch het goedgekeurde maximale steunbedrag in contante waarde, noch de goedgekeurde steunintensiteit zal worden overschreden indien het bedrag van de in aanmerking komende kosten afwijkt van het aangemelde bedrag.

□ 

Ja

2.5.8. Wordt de aan het investeringsproject toe te kennen steun toegekend op grond van meerdere regionalesteunregelingen of wordt die gecumuleerd met ad-hocsteun? Bevestig hier dan dat de maximaal toegestane steunintensiteit die voor het project kan worden toegekend vooraf is berekend door de eerste steunverlenende autoriteit. Vermeld ook deze maximale steunintensiteit. Leg uit hoe de steunverlenende autoriteiten ervoor zullen zorgen dat die maximale steunintensiteit in acht zal worden genomen (punt 99 van de richtsnoeren).

2.5.9. Houdt de initiële investering verband houdt met een project in het kader van de Europese territoriale samenwerking (ETC)? Leg hier dan aan de hand van punt 100 van de richtsnoeren uit hoe de voor het project geldende maximale steunintensiteit en de verschillende betrokken begunstigden worden vastgesteld.

3. VERENIGBAARHEIDSBEOORDELING VAN DE MAATREGEL

3.1.  Bijdrage aan regionale ontwikkeling, positieve effecten en noodzaak van overheidsmaatregelen

3.1.1. Vermeld:

— 
de precieze locatie van het gesteunde project (d.w.z. de plaats en de NUTS 2- of NUTS 3-regio waartoe de plaats behoort)?
— 
het soort regionale-steungebied waarom het gaat volgens de actuele regionale-steunkaart (m.a.w. of het gaat om een gebied dat voor steun in aanmerking komt op grond van artikel 107, lid 3, punt a) of punt c)); en
— 
de maximale steunintensiteit die geldt voor grote ondernemingen.

3.1.2. Hoe zal de steun bijdragen tot de regionale ontwikkeling en, indien van toepassing, welke andere positieve effecten heeft de steun ( 39 )?

3.1.3. Betreft de aanmelding een individuele steunaanvraag in het kader van een regeling? Leg dan uit hoe het project bijdraagt tot de doelstelling van de regeling. Onderbouw dit ook met documenten (punt 46 van de richtsnoeren).

3.1.4. Betreft de aanmelding ad-hocsteun? Leg dan uit hoe het project bijdraagt tot de ontwikkelingsstrategie van het betrokken gebied. Onderbouw dit ook met documenten (punt 53 van de richtsnoeren).

3.1.5. Hoe zal de voorwaarde worden toegepast dat de investering ten minste vijf jaar of, in het geval van kmo’s, drie jaar na de voltooiing ervan in het gebied behouden moet blijven (punt 47 van de richtsnoeren)? Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag (bv. de steunverleningsovereenkomst).

3.1.6. Wordt de steun berekend op basis van de loonkosten? Licht dan toe hoe de bepaling wordt toegepast dat arbeidsplaatsen moeten worden geschapen in de eerste drie jaar nadat de investering is voltooid en dat alle door de betrokken investering geschapen arbeidsplaatsen binnen het betrokken gebied behouden moeten blijven gedurende een periode van vijf jaar (of drie jaar in het geval van kmo’s) te rekenen vanaf de datum waarop de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld (punt 36 van de richtsnoeren). Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag (bv. de steunverleningsovereenkomst).

3.1.7. Geef hier een referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag of toon aan dat de ontvanger(s) van de steun een bijdrage levert (leveren) van ten minste 25 % van de in aanmerking komende kosten – uit eigen middelen dan wel door externe financiering – in een vorm die vrij is van elke financiële steun van de overheid ( 40 ). (punt 48 van de richtsnoeren)

3.1.8. Hebt u voor de betrokken investering een milieueffectbeoordeling uitgevoerd of zegt u toe dat te zullen doen? (punt 49 van de richtsnoeren)

□ 

Ja

□ 

Nee

Zo niet, waarom is er voor dit project geen milieueffectbeoordeling vereist?

3.2.  Stimulerend effect van de maatregel

3.2.1. Bevestig hier dat de werkzaamheden aan de aangemelde individuele investering pas van start zijn gegaan nadat de steunaanvraag is ingediend (punt 62 van de richtsnoeren). Verschaf een kopie van de steunaanvraag die de begunstigde bij de steunverlenende autoriteit heeft ingediend. Verschaf ook bewijsmateriaal aangaande de datum van aanvang van de werkzaamheden.

3.2.2. Licht het stimulerende effect van de steun toe door een beschrijving te geven van het nulscenario aan de hand van een van de twee mogelijke scenario’s die in punt 59 van de richtsnoeren worden beschreven.

3.2.3. Wordt de regionale steun via fondsen in het kader van het cohesiebeleid of het Elfpo in steungebieden onder a) toegekend voor investeringen die nodig zijn om door Unierecht vastgestelde normen te behalen? Licht dan de volgende punten toe (en staaf dit met documenten):

— 
Om welke norm gaat het?
— 
Waarom is de investering nodig om de norm te behalen?
— 
Waarom zou het zonder de steun voor de begunstigde niet voldoende rendabel zijn om de investering in het betrokken gebied te doen (punt 61 van de richtsnoeren)?

3.3.  Geschiktheid van de maatregel

3.3.1. Betreft de aanmelding ad-hocsteun? Toon dan aan hoe de ontwikkeling van het betrokken gebied met dit soort steun beter verzekerd is dan met steun in het kader van een regeling of andere soorten maatregelen (punt 83 van de richtsnoeren).

3.3.2. Wordt de steun toegekend in een vorm die een direct financieel voordeel oplevert ( 41 )? Toon dan aan waarom andere, potentieel minder verstorende vormen van steun zoals terugbetaalbare voorschotten of vormen van steun die gebaseerd zijn op schuld- of eigenvermogensinstrumenten ( 42 ), niet geschikt zijn (punt 85 van de richtsnoeren).

3.4.  Evenredigheid van de maatregel

3.4.1. Geef in scenario 1-zaken de volgende informatie (of verwijs naar de desbetreffende delen van het meegedeelde nulscenario) (punt 96 van de richtsnoeren):

— 
de berekening van de interne opbrengstvoet (IRR) van de investering mét en zónder de steun ( 43 ):
— 
informatie over de relevante benchmarks voor de onderneming (bv. normale rendementspercentages die de begunstigde eist om gelijksoortige projecten uit te voeren, de kapitaalkosten van de onderneming als geheel, benchmarks uit de betrokken bedrijfstak):
— 
een verklaring waarom, op basis van het bovenstaande, de steun het noodzakelijke minimum is om het project voldoende winstgevend te maken:

3.4.2. Geef in scenario 2-zaken de volgende informatie (of verwijs naar de desbetreffende delen van het meegedeelde nulscenario) (punt 97 van de richtsnoeren):

— 
de berekening van het verschil tussen de netto contante waarde (NPV) van de investering in het doelgebied en de netto contante waarde van de investering op de alternatieve locatie ( 44 ):
— 
alle parameters die bij de bovenstaande berekening zijn gebruikt (o.a. gehanteerde looptijd, gebruikte disconteringsvoet enz.):
— 
een verklaring waarom, op basis van het bovenstaande, de steun niet méér bedraagt dan het verschil tussen de netto contante waarde van de investering in het doelgebied en de netto contante waarde op de alternatieve locatie:

3.5.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op mededinging en handelsverkeer

Afbakening van de relevante markt:

3.5.1. Geef de hieronder gevraagde informatie die nodig is om de betrokken productmarkt(en) af te bakenen (d.w.z. de producten die beïnvloed worden door de gedragsverandering van de begunstigde van de steun) en om de getroffen concurrenten en afnemers/consumenten te identificeren (punten 124 en 125 van de richtsnoeren).

— 
Vermeld alle producten die in de gesteunde vestiging zullen worden geproduceerd na de voltooiing van de investering. Geef, waar van toepassing, de NACE- of Prodcom-code of, voor projecten in de dienstensector, de CPA-code.
— 
Vermeld of de met het investeringsproject beoogde producten andere producten zullen vervangen die door de begunstigde onderneming (op groepsniveau) worden geproduceerd. Welk(e) product(en) wordt (worden) vervangen? Indien die vervangen producten niet op de projectlocatie worden vervaardigd, waar worden zij dan thans geproduceerd? Geef een beschrijving van het verband tussen de vervangen productie en de huidige investering. Geef ook een tijdschema voor deze vervanging.
— 
Vermeld welk(e) overige product(en) (dankzij flexibiliteit in de productie-installaties van de begunstigde onderneming) met dezelfde nieuwe faciliteiten kan (kunnen) worden vervaardigd tegen weinig of geen extra kosten.
— 
Heeft het project betrekking op een tussenproduct? Wordt een aanzienlijk deel van de productie dan niet op de markt afgezet (tegen marktvoorwaarden)? Geef op basis van de toelichting hierboven, met het oog op het berekenen, in de rest van deze rubriek, van het marktaandeel en de capaciteitsverhoging, aan of het betrokken product het met het investeringsproject beoogde product is, dan wel of het een downstreamproduct is.
— 
Vermeld de relevante productmarkt(en). Een relevante productmarkt omvat het betrokken product en de daarmee substitueerbare producten aan de vraagzijde (d.w.z. de producten die als dusdanig worden beschouwd door de consument (wegens de kenmerken van het product, de prijs en het gebruik waarvoor het is bestemd)) en daarmee substitueerbare producten aan de aanbodzijde (d.w.z. de producten die als dusdanig worden beschouwd door de producent (wegens de flexibiliteit van de productie-installaties van de begunstigde onderneming en haar concurrenten)). Wat zijn volgens u de relevante substitueerbare producten aan de vraag- en de aanbodzijde? Onderbouw uw conclusies op dit punt indien mogelijk met bewijsmateriaal van een onafhankelijke derde.

3.5.2. Verschaf informatie over de relevante geografische markt van de begunstigde, en documenten die een en ander kunnen staven:

Voor scenario 1-zaken  ( 45 )

Marktmacht (punten 108 en 127 van de richtsnoeren):

3.5.3. Geef de volgende informatie over de marktpositie van de begunstigde van de steun (voor de periode voordat deze steun ontving en de verwachte marktpositie nadat de investering is voltooid) (punt 133 van de richtsnoeren):

— 
een raming van alle verkopen (in waarde en in volume) op de relevante markt (op groepsniveau) door de ontvanger van de steun.
— 
een raming van alle verkopen van alle producten op de relevante markt (in waarde en in volume). Geef, voor zover beschikbaar, statistische gegevens afkomstig van overheidsbronnen en/of onafhankelijke bronnen.

3.5.4. Geef een beoordeling van de structuur van de relevante markt. Kijk daarbij bijvoorbeeld naar de concentratiegraad van de markt, mogelijke toetredingsbarrières, afnemersmacht en barrières voor expansie of uittreding. Onderbouw uw conclusies op dit punt indien mogelijk met bewijsmateriaal van een onafhankelijke derde.

Capaciteit (punt 127, 1), van de richtsnoeren):

3.5.5. Geef een raming van de door de investering gecreëerde bijkomende productiecapaciteit (in volume en in waarde):

Voor alle gevallen

Duidelijk negatieve effecten

3.5.6. Geef in scenario 1-zaken de volgende informatie over de relevante productmarkt en staaf dit met bewijsstukken ( 46 ):

— 
Is, op de lange termijn bezien, de relevante markt in absolute cijfers structureel krimpend (d.w.z. vertoont die een negatief groeipercentage)? (punt 130 van de richtsnoeren)
— 
Krimpt de relevante markt relatief (d.w.z. vertoont die een positief groeipercentage, zonder een benchmarkgroeipercentage te overschrijden)? (punt 130 van de richtsnoeren)

3.5.7. In scenario 2-zaken: Zou de investering zonder de steun zijn gevestigd in een gebied met een hogere of dezelfde regionale-steunintensiteit als het doelgebied? (punt 117 van de richtsnoeren) Gelieve uw standpunt te onderbouwen.

3.5.8. Bevestig hier dat de begunstigde een verklaring heeft ingediend waarin hij bevestigt dat hij, op groepsniveau, niet dezelfde of een vergelijkbare activiteit in de EER heeft gesloten in een periode van twee jaar vóór de steunaanvraag, noch voornemens is dezelfde of een vergelijkbare activiteit in de EER te sluiten binnen een periode van twee jaar nadat de investering is voltooid (punt 118 van de richtsnoeren).

Indien de begunstigde een dergelijke verklaring heeft verstrekt, voeg dan een kopie daarvan bij de aanmelding. Zo niet, leg dan uit waarom dit niet is gebeurd.

3.5.9. Heeft de begunstigde op groepsniveau dezelfde of een vergelijkbare activiteit in een ander EER-gebied gesloten in een periode van twee jaar vóór de steunaanvraag, of is hij voornemens dat te doen binnen een periode van twee jaar nadat de investering is voltooid? Leg dan uit waarom er volgens de begunstigde geen oorzakelijk verband bestaat tussen de steun en de verplaatsing van activiteiten (punt 118 van de richtsnoeren).

3.5.10. Kan de staatssteun rechtstreeks tot een substantieel verlies aan banen leiden op bestaande locaties binnen de EER? Indien dat het geval is, om hoeveel banen gaat het en wat is het aandeel in de totale werkgelegenheid op de betrokken locatie(s)?

4. TRANSPARANTIE

4.1. Bevestig dat de volledige tekst van het besluit tot individuele steunverlening of de goedgekeurde steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvoor, of een link daarnaar, en informatie over elke individuele steun die is verleend ter waarde van meer dan 100 000  EUR, binnen zes maanden na de datum van toekenning van de steun of, in het geval van steun in de vorm van belastingvoordelen, binnen een jaar na de datum voor het indienen van de belastingaangifte aan de hand van de structuur in bijlage VIII zal worden bekendgemaakt in de Transparency Award Module (TAM) van de Europese Commissie of op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau ( 47 ).

□ 

Ja

4.2. Geef hier de referenties naar de betrokken bepalingen in de rechtsgrondslag waarin is bepaald dat de steunverlenende autoriteit in de Transparency Award Module (TAM) of op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau ( 48 ), ten minste de volgende informatie over de aangemelde staatssteunregelingen moet publiceren: de tekst van de aangemelde steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvan, de steunverlenende autoriteit, de individuele begunstigden, het steunbedrag per begunstigde, en de steunintensiteit. (punt 136 van de richtsnoeren)

Zijn dergelijke bepalingen niet voorhanden, leg dan uit waarom niet. Geef ook aan wanneer dergelijke bepalingen niet zijn opgenomen in de rechtsgrondslag voor de aangemelde regeling, maar wel in andere wetgevingsinstrumenten.

4.3. Geef referenties naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waarin is bepaald dat de bovengenoemde informatie gedurende ten minste 10 jaar vanaf de datum van toekenning van de steun zonder beperkingen voor het grote publiek beschikbaar zal worden gesteld. (punt 140 van de richtsnoeren).

5. VERSLAGLEGGING EN TOEZICHT

5.1. Bevestig dat de jaarverslagen overeenkomstig Verordening (EU) 2015/1589 en Verordening (EG) nr. 794/2004 bij de Commissie zullen worden ingediend.

□ 

Ja

5.2. Bevestig dat u gedurende ten minste 10 jaar vanaf de datum van toekenning van de steun gedetailleerde dossiers zult bijhouden met de informatie en bewijsstukken die nodig zijn om vast te stellen dat aan alle verenigbaarheidsvoorwaarden is voldaan, en dat deze dossiers op verzoek aan de Commissie zullen worden verstrekt.

□ 

Ja

DEEL III.1.B

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE VOOR REGELINGEN VOOR REGIONALE INVESTERINGSSTEUN

U bent niet verplicht dit formulier aanvullende informatie in te vullen. Het verdient echter aanbeveling om naast het formulier „Algemene informatie” ook dit formulier in te vullen voor de aanmelding van individuele investeringssteun die valt onder de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen die vanaf 1 januari 2022 van toepassing zijn („de richtsnoeren”)  ( 49 ) .

1. TOEPASSINGSGEBIED

1.1.  Waarom meldt u de regeling aan, in plaats van haar ten uitvoer te leggen op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening („AGVV”) ( 50 )of de de-minimisverordening ( 51 )?

□ 

De aanmelding betreft een sectorale regeling. Geef in dat geval de sector waarop de regeling betrekking heeft (NACE-code):

□ 

Andere. namelijk:

1.2.  Toepassingsgebied van de aangemelde regeling

1.2.1. Bevestig dat de rechtsgrondslag voor de aangemelde regeling een verplichting bevat om individuele steun aan een begunstigde bij de Commissie aan te melden indien de uit alle bronnen verleende steun de in de algemene groepsvrijstellingsverordening („AGVV”) bepaalde individuele aanmeldingsdrempel voor regionale investeringssteun overschrijdt (punt 22 van de richtsnoeren).

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

1.2.2. Bevestig dat de rechtsgrondslag voor de aangemelde regeling een verplichting inhoudt om individuele steun aan een begunstigde bij de Commissie aan te melden, tenzij de begunstigde 1) heeft bevestigd dat hij in de twee jaar voorafgaand aan de steunaanvraag geen verplaatsing heeft uitgevoerd naar de vestiging waar de initiële investering moet plaatsvinden en 2) zich ertoe heeft verbonden die verplaatsing niet te doen gedurende een periode van maximaal twee jaar na de voltooiing van de initiële investering. (punt 23 van de richtsnoeren)

1.2.3. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

1.2.4. Bevestig dat met de aangemelde steunregeling geen regionale investeringssteun zal worden toegekend aan de onderstaande categorieën ondernemingen en sectoren. Geef telkens de desbetreffende rechtsgrondslag van de regeling.



Uitgesloten categorieën ondernemingen en sectoren

Desbetreffende rechtsgrondslag van de regeling

Ondernemingen in moeilijkheden (1)

 

De ijzer- en staalindustrie (2)

 

De bruinkoolsector (3)

 

De steenkoolsector (4)

 

Visserij en aquacultuur (5)

 

Landbouw (6)

 

Verwerking en/of afzet van in bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten tot in die bijlage I genoemde producten (7)

 

Vervoer (8)

 

Breedband (9)

 

Energie (10)

 

(1)   

In de zin van de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

(2)   

Zoals gedefinieerd in bijlage VI bij de richtsnoeren.

(3)   

De term „bruinkool” omvat minderwaardige „C”-kolen (of ortholigniet) en minderwaardige „B”-kolen (of metaligniet) in de zin van het internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties.

(4)   

De term „steenkool” omvat hoogwaardige steenkool, middelwaardige steenkool en laagwaardige A- en B-kolen, in de zin van het internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties en zoals verduidelijkt in het besluit van de Raad van 10 december 2010 betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen (PB L 336 van 21.12.2010, blz. 24).

(5)   

Vallend onder Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

(6)   

Voor staatssteun aan de primaire productie, de verwerking van landbouwproducten tot landbouwproducten uit bijlage I bij het Verdrag en de afzet daarvan, en staatssteun aan de bosbouw gelden de regels van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector (PB C 204 van 1.7.2014, blz. 1).

(7)   

De richtsnoeren zijn van toepassing op steunregelingen ter ondersteuning van activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen en die worden gecofinancierd door het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) of die worden toegekend als aanvullende nationale financiering bij dergelijke gecofinancierde maatregelen, tenzij in de sectorale voorschriften anders is bepaald.

(8)   

Met „vervoer” wordt bedoeld het passagiersvervoer met het vliegtuig, via zeevervoer, over de weg, per spoor of over de binnenwateren, of beroepsgoederenvervoer. Vervoersinfrastructuur die valt onder specifieke richtsnoeren, zoals luchthavens, wordt eveneens van deze richtsnoeren uitgesloten (zie de mededeling van de Commissie „Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen” (PB C 99 van 4.4.2014, blz. 3).

(9)   

Mededeling van de Commissie „EU-richtsnoeren voor de toepassing van de staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van breedbandnetwerken” ( PB C 25 van 26.1.2013, blz. 1).

(10)   

De Commissie zal de verenigbaarheid van staatssteun voor de energiesector beoordelen op grond van de richtsnoeren energie- en milieusteun 2014-2020 (PB C 200 van 28.6.2014, blz. 1).

2. INITIËLE INVESTERING, IN AANMERKING KOMENDE KOSTEN EN STEUN

2.1.  Soorten initiële investeringen die onder de regeling vallen

2.1.1. Heeft de regeling betrekking op investeringen van kmo’s of van grote ondernemingen ( 52 ) in steungebieden onder a) of op investeringen van kmo’s in steungebieden onder c) (punt 45 van de richtsnoeren)? Om welke categorie/categorieën initiële investeringen gaat het dan in de aanmelding (punt 19, 13), van de richtsnoeren)?

□ 

de oprichting van een nieuwe vestiging

□ 

de uitbreiding van de capaciteit van een bestaande vestiging

□ 

de diversificatie van de productie van een vestiging naar producten die voordien niet in de vestiging werden vervaardigd

□ 

een fundamentele wijziging in het volledige productieproces van het product of de producten waarop de investering in de vestiging betrekking heeft

□ 

een verwerving van activa behorende tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen ( 53 )

2.1.2. Betreft de regeling investeringen van een grote ondernemingen in steungebieden onder c)? Om welke categorie/categorieën initiële investeringen gaat het dan in de aanmelding (punt 19, 14), en punt 14 van de richtsnoeren)?

□ 

de oprichting van een nieuwe vestiging

□ 

de diversificatie van de activiteit van een vestiging, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar ( 54 ) is met de activiteit die voordien in die vestiging werd uitgeoefend

□ 

een verwerving van activa behorende tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen, op voorwaarde dat de met de overgenomen activa uit te oefenen nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar is met de activiteit die in die vestiging werd uitgeoefend vóór de overname ervan ( 55 )

2.2.  In aanmerking komende kosten, berekend op basis van de investeringskosten

2.2.1. Indien de in het kader van de regeling in aanmerking komende kosten betrekking hebben op materiële activa (punt 19, 31), van de richtsnoeren), geef dan aan of de waarde van de investering is vastgesteld als een percentage van de kosten van gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting:

□ 

gronden

□ 

gebouwen

□ 

installaties/machines/uitrusting

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

2.2.2. Geef hier een referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat de verworven activa nieuw moeten zijn ( 56 ): (punt 27 van de richtsnoeren)

2.2.3. Geef hier een referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat voor kmo’s maximaal 50 % van de kosten voor voorbereidende studies of consultancykosten met betrekking tot de investering als in aanmerking komende kosten kunnen worden beschouwd (punt 28 van de richtsnoeren):

2.2.4. Geef hier een referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat voor steun aan grote ondernemingen ten behoeve van een fundamentele verandering in het productieproces, de in aanmerking komende kosten hoger liggen dan de in de drie voorafgaande belastingjaren doorgevoerde afschrijving voor de met de te moderniseren activiteit verband houdende activa (punt 29 van de richtsnoeren):

2.2.5. Geef hier een referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat voor steun ten behoeve van de diversificatie van een bestaande vestiging de in aanmerking komende kosten ten minste 200 % hoger moeten liggen dan de boekwaarde van de opnieuw gebruikte activa, zoals die in het belastingjaar voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden is geboekt (punt 30 van de richtsnoeren):

2.2.6. Ingeval van huur/leasing van materiële activa: geef een referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat de volgende voorwaarden dienen te worden nageleefd (punt 31 van de richtsnoeren):

— 
voor gronden en gebouwen moet de huur na het verwachte tijdstip van de voltooiing van de investering ten minste vijf jaar blijven doorlopen in het geval van grote ondernemingen en drie jaar in het geval van kmo’s;
— 
voor de huur van installaties of machines moet de huur plaatsvinden in de vorm van leasing en moet deze voor de begunstigde van de steun een verplichting inhouden om de activa na afloop van de leaseovereenkomst te kopen.

2.2.7. In punt 32 van de richtsnoeren is bepaald dat „in principe alleen de kosten voor de aankoop van de activa van derden die geen banden met de koper hebben, in aanmerking [mogen] worden genomen. Als echter een familielid van de oorspronkelijke eigenaar, of een werknemer, een kleine onderneming overneemt, is de voorwaarde dat de activa moeten worden gekocht van derden die geen banden hebben met de koper, niet van toepassing. De transactie moet op marktvoorwaarden plaatsvinden. Indien de verwerving van de activa van een vestiging vergezeld gaat van een bijkomende, voor regionale steun in aanmerking komende investering, moeten de in aanmerking komende kosten van die aanvullende investering worden bijgeteld bij de kosten voor de verwerving van de activa van de vestiging”.

Geef hier, voor zover dit relevant is voor de aangemelde regeling, een referentie naar de desbetreffende de rechtsgrondslag waar is bepaald dat de bovenstaande voorwaarden moeten worden nageleefd.

2.2.8. Indien de op grond van de regeling in aanmerking komende kosten immateriële activa (punt 19, 15), van de richtsnoeren) vormen, geef dan aan of de waarde van de investering wordt berekend op basis van uitgaven die verband houden met technologieoverdracht door de verwerving van octrooirechten, licenties, knowhow of andere intellectuele eigendom:

□ 

octrooirechten

□ 

licenties

□ 

knowhow

□ 

andere intellectuele eigendom

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

2.2.9. Geef hier een referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat voor grote ondernemingen de kosten voor in aanmerking komende investeringen in immateriële activa maximaal 50 % van de totale in aanmerking komende investeringskosten voor het project mogen bedragen (punt 33 van de richtsnoeren):

2.2.10. Geef hier een referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat de in punt 34 van de richtsnoeren ( 57 ) uiteengezette voorwaarden moeten worden nageleefd:

2.3.  In aanmerking komende kosten, berekend op basis van de loonkosten

2.3.1. Geef hier een referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald hoe de in aanmerking komende kosten, berekend op basis van de loonkosten, moeten worden vastgesteld (punt 35 van de richtsnoeren), hoe het aantal geschapen arbeidsplaatsen moet worden berekend aan de hand van punt 19, 16), van de richtsnoeren en hoe de loonkosten van de in dienst genomen personen moeten worden vastgesteld aan de hand van punt 19, 33), van de richtsnoeren:

2.4.  Berekening van de contant gemaakte in aanmerking komende kosten

2.4.1. Welke vormen van steun zijn toegestaan in het kader van de regeling?

□ 

subsidies. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

– …

□ 

leningen. Hoe zal het subsidie-equivalent worden berekend? Geef ook de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

– …

□ 

garanties. Hoe zal het subsidie-equivalent worden berekend? Geef ook de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

– …

□ 

belastingvoordelen. Om welk soort maatregelen gaat het? Hoe zal het subsidie-equivalent worden berekend? Geef hier ook de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

– …

□ 

andere. Welke? Geef ook aan hoe het subsidie-equivalent zal worden berekend. Geef hier ook de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

2.4.2. Geef aan of de steunregeling in aanmerking komt voor medefinanciering uit een van de Uniefondsen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd („de fondsen”). Zo ja, geef dan aan in het kader van welk programma dergelijke financiering kan worden verkregen. Geef ook het bedrag aan financiering uit de fondsen waarom het gaat, indien dat op dit ogenblik bekend is.

2.4.3. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat de steunverlenende autoriteit, voordat in het kader van de aangemelde regeling individuele steun wordt verleend, moet nagaan of de begunstigde (op groepsniveau) steun heeft ontvangen voor één of meer initiële investeringen die van start zijn gegaan in dezelfde NUTS 3-regio in een periode van drie jaar voor de aanvang van de werkzaamheden aan het investeringsproject.

2.4.4. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat het totale steunbedrag dat in het kader van de regeling aan een project voor initiële investeringen zal worden toegekend, het uit de maximale steunintensiteit (als omschreven in punt 19, 19), van de richtsnoeren) voortvloeiende bedrag niet overschrijdt, rekening houdende met de verhoogde steunintensiteit voor kmo’s (zoals bepaald in punt 186 van de richtsnoeren) of het „bijgestelde steunbedrag” (als omschreven in punt 19, 3), van de richtsnoeren), voor zover van toepassing:

2.4.5. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag die bepalen dat wanneer individuele steun wordt toegekend op grond van meerdere regionale-steunregelingen of die wordt gecumuleerd met ad-hocsteun, de maximaal toegestane steunintensiteit voor het project vooraf zal worden berekend door de eerste steunverlenende autoriteit (punt 99 van de richtsnoeren):

2.4.6. Wanneer de steunregeling de mogelijkheid biedt voor steun ten behoeve van initiële investeringen die verband houden met projecten in het kader van de Europese territoriale samenwerking (ETC), geef dan de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald (aan de hand van punt 100 van de richtsnoeren) hoe de voor het project geldende maximale steunintensiteit en de verschillende betrokken begunstigden zullen worden vastgesteld:

3. VERENIGBAARHEIDSBEOORDELING VAN DE STEUNREGELING

3.1.  Bijdrage aan regionale ontwikkeling, positieve effecten en noodzaak van overheidsmaatregelen

3.1.1. Leg uit hoe de regeling aansluit bij en bijdraagt tot de ontwikkelingsstrategie van het betrokken gebied (punt 44 van de richtsnoeren):

3.1.2. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag die de voorwaarde bevat dat, wanneer dit wettelijk verplicht is, voor de betrokken investeringen een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd voordat aan individuele projecten steun kan worden toegekend (punt 49 van de richtsnoeren):

3.1.3. Hoe zullen de steunverlenende autoriteiten prioriteiten kunnen stellen en de investeringsprojecten kunnen selecteren aan de hand van de doelstellingen van de regeling (bv. op basis van een puntensysteem) (punt 44 van de richtsnoeren)? Geef hier ook de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag of andere daarmee in verband staande bestuurlijke besluiten.

3.1.4. Hoe zal de steunverlenende autoriteit, wanneer krachtens de aangemelde regeling steun aan individuele investeringsprojecten wordt toegekend, bepalen dat het (de) geselecteerde project(en) zal (zullen) bijdragen aan de doelstelling van de regeling, en zo aan de ontwikkelingsstrategie voor het betrokken gebied? (punt 46 van de richtsnoeren)

3.1.5. Hoe zal de voorwaarde worden toegepast dat een in het kader van de aangemelde regeling gesteunde investering ten minste vijf jaar of, in het geval van kmo’s drie jaar, na de voltooiing ervan in het gebied behouden moet blijven (punt 47 van de richtsnoeren)? Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag.

3.1.6. Wordt de in het kader van de aangemelde regeling toegekende steun berekend op basis van de loonkosten? Licht dan toe hoe de bepaling wordt toegepast dat arbeidsplaatsen moeten worden geschapen in de eerste drie jaar nadat de investering is voltooid en dat alle door de betrokken investering geschapen arbeidsplaatsen binnen het betrokken gebied behouden moeten blijven gedurende een periode van vijf jaar (of drie jaar in het geval van kmo’s) te rekenen vanaf de datum waarop de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld (punt 36 van de richtsnoeren). Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag.

3.1.7. Geef hier een referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat de ontvangers van de steun een bijdrage moeten leveren van ten minste 25 % van de in aanmerking komende kosten – uit eigen middelen dan wel door externe financiering – in een vorm die vrij is van alle financiële steun van de overheid ( 58 ) (punt 48 van de richtsnoeren)

3.1.8. Geef hier een referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waaruit blijkt dat de regeling op het tijdstip van toekenning van de steun de geldende plafonds van de regionale-steunkaart in acht moet nemen (punt 88 van de richtsnoeren). Geef ook de referentie naar het besluit van de Commissie waarbij de betrokken regionale-steunkaart is goedgekeurd.

3.2.  Stimulerend effect van de maatregel

3.2.1. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat steunaanvragen moeten zijn ingediend voordat met de uitvoering van het investeringsproject een aanvang wordt gemaakt (punt 62 van de richtsnoeren):

3.2.2. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat aanvragers van steun in het kader van de aangemelde regeling een door de steunverlenende autoriteit verschaft standaardaanvraagformulier moeten indienen waarin zij aan de hand van een nulscenario moeten uitleggen wat er zou gebeuren indien zij de steun niet ontvangen. Daarbij moeten zij aangeven welke van de scenario’s (scenario 1 – investeringsbesluit of scenario 2 – vestigingsbesluit) van toepassing is (punten 64 en 59 van de richtsnoeren). Verschilt dat aanvraagformulier van het in bijlage VII bij de richtsnoeren verschafte voorbeeld, verschaf dan een kopie van dit formulier.

3.2.3. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat grote ondernemingen die steun aanvragen in het kader van de aangemelde regeling bewijsstukken moeten verschaffen ter staving van het in het aanvraagformulier beschreven nulscenario. (punt 65 van de richtsnoeren). Geef ook aan welk soort documenten zal worden verlangd.

3.2.4. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat de steunverlenende autoriteit, bij het beoordelen van individuele steunaanvragen, het meegedeelde nulscenario op zijn geloofwaardigheid moet toetsen en zich ervan moet vergewissen dat regionale steun het vereiste stimulerende effect oplevert dat overeenstemt met scenario 1 of scenario 2 ( 59 ) (punt 66 van de richtsnoeren).

3.3.  Geschiktheid van de regeling

3.3.1. Leg uit waarom regionale steun een geschikt instrument is om het gebied te helpen ontwikkelen ( 60 ) (punt 80 van de richtsnoeren):

3.3.2. Wanneer de regeling sectorspecifiek is, toon dan aan wat de voordelen zijn van dit soort instrument vergeleken met een multisectorale regeling of andere beleidsopties (punt 81 van de richtsnoeren).

3.3.3. Hoe wordt individuele steun in het kader van de aangemelde regeling toegekend?

□ 

Automatisch indien aan de voorwaarden van de regeling is voldaan, of

□ 

Op discretionaire basis, na een besluit van de autoriteiten.

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

Wordt de steun discretionair toegekend, geef dan een beknopte beschrijving van de toegepaste criteria en voeg een kopie bij van de voor de steunverlening geldende interne administratieve bepalingen van de steunverlenende autoriteit.

3.3.4. Wordt de steun in het kader van de regeling toegekend in een vorm die een direct financieel voordeel ( 61 ) oplevert, toon dan aan waarom andere, potentieel minder verstorende vormen van steun zoals terugbetaalbare voorschotten of vormen van steun die gebaseerd zijn op schuld- of eigenvermogensinstrumenten ( 62 ), niet geschikt zijn (punt 85 van de richtsnoeren):

3.4.  Stimulerend effect en evenredigheid van de regeling

3.4.1. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat de in het kader van de aangemelde regeling aan grote ondernemingen verschafte individuele steun beperkt zal zijn tot de nettomeerkosten van de tenuitvoerlegging van de investering in het betrokken gebied vergeleken met het nulscenario waarin er geen steun wordt verleend, gebruikmakend van de in de punten 96 en 97 van de richtsnoeren toegelichte methodiek (punt 95 van de richtsnoeren):

3.5.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op mededinging en handelsverkeer

3.5.1. Hoe zullen de door de aangemelde steunregeling veroorzaakte verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot het minimum beperkt blijven (punt 120 van de richtsnoeren) ( 63 )?

3.5.2. Geef hier verwijzingen naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waar is bepaald dat de steunverlenende autoriteit bij de toekenning van steun in het kader van de regeling aan individuele projecten moet nagaan of en bevestigen dat de steun geen duidelijke negatieve effecten oplevert, zoals het creëren van overcapaciteit op een markt in absolute achteruitgang (punten 112 tot en met 115 van de richtsnoeren), cohesieverstorende effecten (punten 116-117 van de richtsnoeren) of verplaatsing (punt 118 van de richtsnoeren) (punt 121 van de richtsnoeren).

4. TRANSPARANTIE

4.1. Bevestig dat de volledige tekst van het besluit tot individuele steunverlening of de goedgekeurde steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvoor, of een link daarnaar, en informatie over elke individuele steun die is verleend ter waarde van meer dan 100 000  EUR, binnen zes maanden na de datum van toekenning van de steun of, in het geval van steun in de vorm van belastingvoordelen, binnen een jaar na de datum voor het indienen van de belastingaangifte aan de hand van de structuur in bijlage VIII zal worden bekendgemaakt in de Transparency Award Module (TAM) van de Europese Commissie of op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau ( 64 ).

□ 

Ja

4.2. Geef hier de referenties naar de betrokken bepalingen in de rechtsgrondslag waarin is bepaald dat de steunverlenende autoriteit in de Transparency Award Module (TAM) of op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau ( 65 ), ten minste de volgende informatie over de aangemelde staatssteunregelingen moet publiceren: de tekst van de aangemelde steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvan, de steunverlenende autoriteit, de individuele begunstigden, het steunbedrag per begunstigde, en de steunintensiteit. (punt 136 van de richtsnoeren)

Zijn dergelijke bepalingen niet voorhanden, leg dan uit waarom niet. Geef ook aan wanneer dergelijke bepalingen niet zijn opgenomen in de rechtsgrondslag voor de aangemelde regeling, maar wel in andere wetgevingsinstrumenten.

Geef referenties naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waarin is bepaald dat de bovengenoemde informatie gedurende ten minste 10 jaar vanaf de datum van toekenning van de steun zonder beperkingen voor het grote publiek beschikbaar zal worden gesteld. (punt 140 van de richtsnoeren)

5. EVALUATIE, VERSLAGLEGGING EN TOEZICHT

5.1.  Evaluatie

5.1.1. Vermeld het SA-nummer van alle eerdere en lopende staatssteunregelingen met een soortgelijk doel en geografisch gebied. (punt 144 van de richtsnoeren)

Is een van de bovengenoemde staatssteunregelingen achteraf geëvalueerd? (punt 144 van de richtsnoeren)

□ 

Ja

□ 

Nee

Zo ja, geef een korte samenvatting van de belangrijkste resultaten van de evaluatie(s) achteraf (indien van toepassing met een referentie en een link).

Beschrijf hoe met de resultaten van deze evaluaties rekening is gehouden bij het ontwerp van de nieuwe regeling.

5.1.2. Geef aan of het staatssteunbudget van de regeling in een bepaald jaar meer dan 150 miljoen EUR bedraagt (punt 143 van de richtsnoeren):

□ 

Ja

□ 

Nee

Geef aan of het staatssteunbudget van de regeling meer dan 750 miljoen EUR bedraagt over de totale looptijd van de regeling (d.w.z. de gecombineerde looptijd van de regeling en alle voorgaande regelingen die een soortgelijk doel en geografisch gebied bestrijken, vanaf 1 januari 2022):

□ 

Ja

□ 

Nee

5.1.3. Is de regeling (punt 143 van de richtsnoeren):

een regeling die nieuwe kenmerken bevat?

□ 

Ja

□ 

Nee

een regeling waarbij aanzienlijke veranderingen van de markt, de technologie of de regelgeving kunnen worden verwacht?

□ 

Ja

□ 

Nee

een regeling waarvoor u een evaluatie plant, ook al zijn de bovenstaande criteria in de punten 5.1.2. en 5.1.3. niet van toepassing?

□ 

Ja

□ 

Nee

Indien het antwoord op vraag 5.1.1. „nee” en het antwoord op een of meer van de vragen in 5.1.2 of 5.1.3. „ja” is, komt de regeling in aanmerking voor evaluatie achteraf (punt 143 van de richtsnoeren). In dat geval moet u „ja” antwoorden op desbetreffende vraag in het algemene aanmeldingsformulier, de evaluatieperiode vermelden en het ontwerpevaluatieplan in bijlage I - deel III.8 ( 66 ) aanmelden.

5.2.  Verslaglegging en toezicht

5.2.1. Kunt u bevestigen dat:

— 
u jaarverslagen zult indienen bij de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) 2015/1589 en Verordening (EG) nr. 794/2004; en
□ 

Ja

— 
u gedurende ten minste 10 jaar vanaf de datum van toekenning van steun in het kader van de regeling gedetailleerde dossiers zult bijhouden met de informatie en bewijsstukken die nodig zijn om vast te stellen dat aan alle verenigbaarheidsvoorwaarden is voldaan, en dat deze dossiers op verzoek aan de Commissie zullen worden verstrekt?
□ 

Ja

DEEL III.1.C

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE VOOR REGELINGEN VOOR REGIONALE EXPLOITATIESTEUN

U bent niet verplicht dit formulier aanvullende informatie in te vullen. Het verdient echter aanbeveling om naast het formulier „Algemene informatie” ook dit formulier in te vullen voor de aanmelding van exploitatiesteunregelingen die vallen onder de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen die vanaf 1 januari 2022 van toepassing zijn („de richtsnoeren”) ( 67 ).

1. TOEPASSINGSGEBIED

1.1.  Welk soort exploitatiesteun willen uw autoriteiten toekennen?

□ 

Exploitatiesteun om bepaalde specifieke problemen te verminderen waarmee kmo’s in steungebieden onder a) te kampen hebben

□ 

Exploitatiesteun om specifieke bijkomende kosten in de ultraperifere gebieden te compenseren

□ 

Exploitatiesteun om de ontvolking in zeer dunbevolkte gebieden af te remmen

□ 

Andere. namelijk:

1.2. Bevestig dat met de aangemelde steunregeling geen exploitatiesteun zal worden toegekend aan de onderstaande categorieën ondernemingen en sectoren. Geef telkens de desbetreffende rechtsgrondslag van de regeling.



Uitgesloten categorieën ondernemingen en sectoren

 

Desbetreffende rechtsgrondslag van de regeling

Ondernemingen in moeilijkheden (1)

 

 

De ijzer- en staalindustrie (2)

□  Ja

 

De bruinkoolsector (3)

□  Ja

 

De steenkoolsector (4)

□  Ja

 

Visserij en aquacultuur (5)

□  Ja

 

Landbouw (6)

□  Ja

 

Verwerking en/of afzet van in bijlage I bij het (7) Verdrag genoemde landbouwproducten tot in die bijlage I genoemde producten

□  Ja

 

Vervoer (8)

□  Ja

 

Breedband (9)

□  Ja

 

Energie (10)

□  Ja

 

Sectie K „Financiële activiteiten en verzekeringen” van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2

□  Ja

 

70.10 „Activiteiten van hoofdkantoren” en 70.22 „Overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer; adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering”

□  Ja

 

(1)   

In de zin van de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

(2)   

Zoals gedefinieerd in bijlage VI bij de richtsnoeren.

(3)   

De term „bruinkool” omvat minderwaardige „C”-kolen (of ortholigniet) en minderwaardige „B”-kolen (of metaligniet) in de zin van het internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties.

(4)   

De term „steenkool” omvat hoogwaardige steenkool, middelwaardige steenkool en laagwaardige A- en B-kolen, in de zin van het internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties en zoals verduidelijkt in het besluit van de Raad van 10 december 2010 betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen (PB L 336 van 21.12.2010, blz. 24).

(5)   

Vallend onder Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

(6)   

Voor staatssteun aan de primaire productie, de verwerking van landbouwproducten tot landbouwproducten uit bijlage I bij het Verdrag en de afzet daarvan, en staatssteun aan de bosbouw gelden de regels van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector (PB C 204 van 1.7.2014, blz. 1).

(7)   

De richtsnoeren zijn van toepassing op steunregelingen ter ondersteuning van activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen en die worden gecofinancierd door het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) of die worden toegekend als aanvullende nationale financiering bij dergelijke gecofinancierde maatregelen, tenzij in de sectorale voorschriften anders is bepaald.

(8)   

Met „vervoer” wordt bedoeld het passagiersvervoer met het vliegtuig, via zeevervoer, over de weg, per spoor of over de binnenwateren, of beroepsgoederenvervoer. Vervoersinfrastructuur die valt onder specifieke richtsnoeren, zoals luchthavens, wordt eveneens van deze richtsnoeren uitgesloten (zie de mededeling van de Commissie „Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen” (PB C 99 van 4.4.2014, blz. 3)).

(9)   

Mededeling van de Commissie – Richtsnoeren voor staatssteun aan breedbandnetwerken 2023/C 36/01 (PB C 36 van 31.1.2023, blz. 1).

(10)   

De Commissie zal de verenigbaarheid van staatssteun voor de energiesector beoordelen op grond van de richtsnoeren ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (PB C 80 van 18.2.2022, blz. 1).

2. BASISONDERDELEN VAN DE REGELING

2.1.  Beschrijf de belangrijkste elementen van de regeling en de doelstellingen daarvan:

2.2.  Welke vormen van steun zijn toegestaan in het kader van de regeling?

□ 

Subsidies. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

□ 

Leningen. Hoe zal het subsidie-equivalent worden berekend? Geef ook de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

□ 

Garanties. Hoe zal het subsidie-equivalent worden berekend? Geef ook de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

□ 

Belastingvoordelen. Om welk soort maatregelen gaat het? Hoe zal het subsidie-equivalent worden berekend? Geef hier ook de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

□ 

Andere. Welke? Geef ook aan hoe het subsidie-equivalent zal worden berekend. Geef hier ook de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag:

2.3.  Hoe wordt individuele steun in het kader van de aangemelde regeling toegekend?

□ 

Automatisch, voor zover aan de voorwaarden van de regeling is voldaan.

□ 

Op discretionaire basis, na een besluit van de autoriteiten.

Als de steun geval per geval wordt toegekend, geef dan een beknopte beschrijving van de toegepaste criteria en voeg er een kopie bij van de voor steunverlening geldende administratieve bepalingen:

2.4. Geef aan of de steunregeling zal worden medegefinancierd uit een van de Uniefondsen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd („de fondsen”). Zo ja, geef dan aan in het kader van welk programma dergelijke financiering zal worden verkregen. Vermeld ook het betrokken bedrag aan financiering uit de fondsen.

3. VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN

3.1.  Bijdrage aan regionale ontwikkeling en stimulerend effect

Voor steun om bepaalde specifieke problemen te verminderen waarmee kmo’s  ( 68 ) in steungebieden onder a) te kampen hebben:

3.1.1. Beschrijf de specifieke moeilijkheden waarmee kmo’s in het betrokken gebied te kampen hebben en die de regeling moet aanpakken (punt 54 van de richtsnoeren). Toon ook het bestaan en de omvang van die moeilijkheden aan (punt 55 van de richtsnoeren):

3.1.2. Waarom kunnen deze moeilijkheden niet worden overwonnen met investeringssteun en waarom is dus de aangemelde regeling voor exploitatiesteun nodig (punt 55 van de richtsnoeren)?

Voor steun om bepaalde bijkomende kosten in de ultraperifere gebieden te compenseren:

3.1.3. Welke specifieke bijkomende kosten ( 69 ) zullen in het kader van de regeling worden gecompenseerd? Toon ook aan hoe die kosten verband houden met de in artikel 349 van het Verdrag genoemde blijvende handicaps (punt 56 van de richtsnoeren):

Voor steun om de ontvolking in dun- en zeer dunbevolkte gebieden af te remmen:

3.1.4. Toon het risico aan op ontvolking van het betrokken gebied indien geen exploitatiesteun wordt toegekend (punt 57 van de richtsnoeren):

3.2.  Geschiktheid van de regeling

3.2.1. Waarom is de voorgenomen steun volgens u een geschikt instrument om de doelstelling van de regeling te behalen? Leg met name uit waarom andere, minder verstorende beleidsinstrumenten en andere, minder verstorende soorten steun geen geschikt instrument zijn om dezelfde positieve bijdrage aan de regionale ontwikkeling te leveren (punten 78, 84 en 85 van de richtsnoeren):

3.3.  Evenredigheid van de regeling

Voor alle soorten exploitatiesteun:

3.3.1. Welke in aanmerking komende kosten zijn volledig toe te schrijven aan de problemen die de steun wil aanpakken (punt 102 van de richtsnoeren)?

3.3.2. Bevestig hier dat de afschrijvingslasten en de financieringskosten die bij de toekenning van regionale investeringssteun zijn opgenomen in de in aanmerking komende kosten, niet zullen worden opgenomen in de voor exploitatiesteun in aanmerking komende kosten (punt 19, 22), van de richtsnoeren). Geef ook de verwijzing naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

3.3.3. Beschrijf het compensatiemodel (punt 84 van de richtsnoeren) dat zal worden toegepast. Beschrijf ook hoe met dat model een correcte berekening van het steunbedrag kan worden gemaakt die ervoor zorgt dat er geen overcompensatie is in de zin van punt 102 van de richtsnoeren:

3.3.4. Wordt in het gebied ook exploitatiesteun verleend via andere regelingen voor exploitatiesteun? Geef de desbetreffende staatssteunreferentie van die regelingen.

Ingeval in het gebied andere regelingen voor exploitatiesteun van toepassing zijn, leg dan uit hoe ervoor wordt gezorgd dat de exploitatiesteun die in het kader van de verschillende regelingen voor exploitatiesteun wordt verleend, niet tot overcompensatie leidt.

Voor exploitatiesteun in ultraperifere gebieden:

3.3.5. Toon aan dat de bijkomende kosten die in het kader van de aangemelde regeling zullen worden gecompenseerd, zullen worden gekwantificeerd ten opzichte van het niveau van de kosten die vergelijkbare ondernemingen in andere regio’s van de betrokken lidstaat maken (punt 38 van de richtsnoeren):

Voor exploitatiesteun om bepaalde specifieke problemen te verminderen waarmee kmo’s in steungebieden onder a) te kampen hebben:

3.3.6. Leg uit hoe het steunniveau geleidelijk zal worden verminderd tijdens de looptijd van de regeling (punt 103 van de richtsnoeren). Geef ook de verwijzing naar de desbetreffende rechtsgrondslag:

3.4.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op mededinging en handelsverkeer

Leg uit waarom het weinig waarschijnlijk is dat de in het kader van de regeling toegekende steun tot zeer aanzienlijke verstoringen van de mededinging op de markt zal leiden (punt 135 van de richtsnoeren):

4. TRANSPARANTIE

4.1. Bevestig dat de volledige tekst van het besluit tot individuele steunverlening of de goedgekeurde steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvoor, of een link daarnaar, en informatie over elke individuele steun die is verleend ter waarde van meer dan 100 000  EUR, binnen zes maanden na de datum van toekenning van de steun of, in het geval van steun in de vorm van belastingvoordelen, binnen een jaar na de datum voor het indienen van de belastingaangifte aan de hand van de structuur in bijlage VIII zal worden bekendgemaakt in de Transparency Award Module (TAM) van de Europese Commissie of op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau ( 70 ).

□ 

Ja

4.2. Geef hier de referenties naar de betrokken bepalingen in de rechtsgrondslag waarin is bepaald dat de steunverlenende autoriteit in de Transparency Award Module (TAM) of op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau ( 71 ), ten minste de volgende informatie over de aangemelde staatssteunregelingen moet publiceren: de tekst van de aangemelde steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvan, de steunverlenende autoriteit, de individuele begunstigden, het steunbedrag per begunstigde, en de steunintensiteit. (punt 136 van de richtsnoeren)

Zijn dergelijke bepalingen niet voorhanden, leg dan uit waarom niet. Geef ook aan wanneer dergelijke bepalingen niet zijn opgenomen in de rechtsgrondslag voor de aangemelde regeling, maar wel in andere wetgevingsinstrumenten.

Geef referenties naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag waarin is bepaald dat de bovengenoemde informatie gedurende ten minste 10 jaar vanaf de datum van toekenning van de steun zonder beperkingen voor het grote publiek beschikbaar zal worden gesteld. (punt 140 van de richtsnoeren)

5. EVALUATIE, VERSLAGLEGGING EN TOEZICHT

5.1.  Evaluatie

5.1.1. Vermeld het SA-nummer van alle eerdere en lopende staatssteunregelingen met een soortgelijk doel en geografisch gebied. (punt 144 van de richtsnoeren)

Is een van de bovengenoemde staatssteunregelingen achteraf geëvalueerd? (punt 144 van de richtsnoeren)

□ 

Ja

□ 

Nee

Zo ja, geef een korte samenvatting van de belangrijkste resultaten van de evaluatie(s) achteraf (indien van toepassing met een referentie en een link).

Beschrijf hoe met de resultaten van deze evaluaties rekening is gehouden bij het ontwerp van de nieuwe regeling.

5.1.2. Geef aan of het staatssteunbudget van de regeling in een bepaald jaar meer dan 150 miljoen EUR bedraagt (punt 143 van de richtsnoeren):

□ 

Ja

□ 

Nee

Geef aan of het staatssteunbudget van de regeling meer dan 750 miljoen EUR bedraagt over de totale looptijd van de regeling (d.w.z. de gecombineerde looptijd van de regeling en alle voorgaande regelingen die een soortgelijk doel en geografisch gebied bestrijken, vanaf 1 januari 2022):

□ 

Ja

□ 

Nee

5.1.3. Is de regeling (punt 143 van de richtsnoeren):

een regeling die nieuwe kenmerken bevat?

□ 

Ja

□ 

Nee

een regeling waarbij aanzienlijke veranderingen van de markt, de technologie of de regelgeving kunnen worden verwacht?

□ 

Ja

□ 

Nee

een regeling waarvoor u een evaluatie plant, ook al zijn de bovenstaande criteria in de punten 5.1.2. en 5.1.3. niet van toepassing?

□ 

Ja

□ 

Nee

Indien het antwoord op vraag 5.1.1. „nee” en het antwoord op een of meer van de vragen in 5.1.2 of 5.1.3. „ja” is, komt de regeling in aanmerking voor evaluatie achteraf (punt 143 van de richtsnoeren). In dat geval moet u „ja” antwoorden op desbetreffende vraag in het algemene aanmeldingsformulier, de evaluatieperiode vermelden en het ontwerpevaluatieplan in bijlage I - deel III.8 ( 72 ) aanmelden.

5.2.  Verslaglegging en toezicht

Bevestig:

dat de jaarverslagen overeenkomstig Verordening (EU) 2015/1589 en Verordening (EG) nr. 794/2004 bij de Commissie zullen worden ingediend.

□ 

Ja

dat u gedurende ten minste 10 jaar vanaf de datum van toekenning van de steun gedetailleerde dossiers zult bijhouden met de informatie en bewijsstukken die nodig zijn om vast te stellen dat aan alle verenigbaarheidsvoorwaarden is voldaan, en dat deze dossiers op verzoek aan de Commissie zullen worden verstrekt.

□ 

Ja

DEEL III.2

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR ONDERZOEK, ONTWIKKELING EN INNOVATIE

Dit formulier aanvullende informatie moet u gebruiken voor het aanmelden van alle steunmaatregelen (steunregelingen en individuele steun) die vallen onder de kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (hierna „de O&O&I-kaderregeling” genoemd)  ( 73 ) .

Indien er meerdere begunstigden zijn van een individuele steunmaatregel, moet u de betrokken informatie voor elk van die begunstigden verstrekken.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in de desbetreffende rubrieken van dit formulier. Geef duidelijk aan (punten, bladzijden, op een visuele manier) waar de desbetreffende informatie in deze bijlage is opgenomen.

1. KENMERKEN VAN DE AANGEMELDE STEUNMAATREGEL

1.1.  Steunregelingen

1. 

Waarom meldt u de regeling aan?

□ 

De regeling bevat steun die niet transparant is in de zin van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie ( 74 ).

□ 

Andere redenen.

Verschaf nadere bijzonderheden:

2. 

Verduidelijk het sectoraal toepassingsbereik van de aangemelde regeling:

3. 

Bevestig hier dat alle steun die in het kader van de aangemelde regeling wordt verleend, afzonderlijk zal worden aangemeld indien die de toepasselijke drempels van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 651/2014 overschrijdt.

□Ja□Neen

1.2.  Individuele steun

1. 

Geef aan wie de begunstigde is van de steun: de volledige wettelijke benaming, hoofdzetel, wettelijk identificatienummer, vestigingsplaats, activiteitengebied, grootte van de onderneming (klein, middelgroot, groot). Onderbouw dit met bewijsmateriaal.

2. 

Wanneer de steun gebaseerd is op een door de Commissie goedgekeurde regeling of een op grond van Verordening (EU) nr. 651/2014 uitgevoerde regeling, geef dan details over die regeling, met inbegrip van de vindplaats van de bekendmaking (weblink) en het nummer waaronder de steunmaatregel werd geregistreerd.

3. 

Indien van toepassing: geef de voor deze aanmelding gebruikte wisselkoers, met vermelding van de bron en de datum.

1.3.  Algemene informatie

1. 

Om welk soort steunmaatregel gaat het? En op welke manier voldoet deze aan de toepasselijke voorwaarden (teneinde aan te tonen dat aan punt 13 van de O&O&I-kaderregeling is voldaan)?

□ 

Steun voor O&O-projecten (punt 13, a))

□ 

Steun voor haalbaarheidsstudies (punt 13, b))

□ 

Steun voor het bouwen en het upgraden van onderzoeksinfrastructuur (punt 13, c))

□ 

Steun voor het bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuren (punt 13, d))

□ 

Steun voor innovatieactiviteiten voor kmo’s (punt 13, e))

□ 

Steun voor proces- en organisatie-innovatie (punt 13, f))

□ 

Steun voor innovatieclusters (punt 13, g))

2. 

Is met de aangemelde maatregel ook centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Unie beheerde Uniefinanciering gemoeid die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaten staat (die geen staatssteun vormt)?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer de financieringsbron en het bedrag:

3. 

Betreft de aangemelde maatregel ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden ( 75 ) (zie punt 11 van de O&O&I-kaderregeling)?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

4. 

Betreft de aangemelde maatregel ondernemingen ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard (zie punt 12 van de O&O&I-kaderregeling)?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer. Geef ook aan welke bedragen nog moeten worden teruggevorderd:

5. 

Zijn bij de aangemelde maatregel organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding (hierna tezamen „onderzoeksorganisaties” genoemd) of onderzoeksinfrastructuur betrokken, zoals omschreven in punt 16, ff) resp. gg), van de O&O&I-kaderregeling?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

6. 

Zijn bij de aangemelde maatregel test- en experimenteerinfrastructuren betrokken, zoals gedefinieerd in punt 16, ll), van de O&O&I-kaderregeling?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

7. 

Zijn bij de aangemelde maatregel innovatieclusters betrokken, zoals gedefinieerd in punt 16, t), van de O&O&I-kaderregeling?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

8. 

Omvat de aangemelde maatregel het inkopen door de overheid van O&O-diensten?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

9. 

Kan de in het kader van de aangemelde maatregel verleende staatssteun met andere staatssteun worden gecumuleerd?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

10. 

Indien van toepassing op de betrokken maatregel: kruis hieronder het relevante vakje aan om te bevestigen dat de begunstigden voldoen aan de definitie van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s)van de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen ( 76 ). Voor individuele steun: voeg ook de nodige bewijsstukken bij de aanmelding.

□Ja□Neen

2. ORGANISATIES VOOR ONDERZOEK EN KENNISVERSPREIDING EN ONDERZOEKSINFRASTRUCTUREN ALS ONTVANGERS VAN STAATSSTEUN

1. 

Oefenen bij de aangemelde steunmaatregel betrokken onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren economische activiteiten uit die bestaan in het aanbieden van producten of diensten op een bepaalde markt?

□Ja□Neen

Geef hier nadere bijzonderheden over de desbetreffende economische activiteit:

Verschaf ook informatie over de jaarcapaciteit van de betrokken entiteit (d.w.z. een entiteit zoals een laboratorium of een departement met de organisatiestructuur, het kapitaal, het materiaal en de werknemers die het daadwerkelijk ter beschikking heeft om alleen in te staan voor het vervullen van de betrokken activiteit, op het niveau waarvoor de beoordeling moet worden uitgevoerd overeenkomstig punt 21 van de O&O&I-kaderregeling) die wordt besteed aan die economische activiteit(en), en het aandeel van die jaarcapaciteit dat de afgelopen vijf jaar werd besteed aan economische activiteiten.

2. 

Indien dezelfde entiteit zowel economische als niet-economische activiteiten ( 77 ) uitoefent, kunnen die beide soorten activiteiten, en de kosten, financiering en inkomsten daarvan, dan duidelijk van elkaar worden onderscheiden?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

3. 

Indien dezelfde entiteit zowel economische als niet-economische activiteiten uitoefent, blijft het bedrag van de gedurende een specifieke boekhoudkundige periode aan de betrokken entiteit toegewezen publieke financiering dan beperkt tot de kosten die in diezelfde periode met de niet-economische activiteiten worden gemaakt ( 78 )?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

4. 

Indien dezelfde entiteit zowel economische als niet-economische activiteiten uitoefent, blijft het economische gebruik dan zuiver ondersteunend, d.w.z. stemt het overeen met een activiteit die rechtstreeks verband houdt met en noodzakelijk is voor het functioneren van de onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur of intrinsiek verband houdt met het niet-economische hoofdgebruik ervan, en is het beperkt in omvang?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer dan en geef het aandeel van de totale capaciteit dat jaarlijks wordt gebruikt of naar raming zal worden gebruikt voor dit soort economische activiteiten:

5. 

Indien overheidsfinanciering wordt verschaft voor economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren, kan dan worden aangetoond dat zowel de overheidsfinanciering als via die financiering verkregen voordelen volledig worden doorgegeven (bv. via verlaagde tarieven) aan de uiteindelijke ontvangers en dat geen verder voordeel wordt toegekend aan de onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur die louter optreedt als tussenpersoon?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

3. INDIRECTE STAATSSTEUN VOOR ONDERNEMINGEN VIA ONDERZOEKSORGANISATIES EN ONDERZOEKSINFRASTRUCTUREN

3.1.  Onderzoek namens ondernemingen

1. 

Voeren onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren die bij de aangemelde steunmaatregel betrokken zijn contractonderzoek uit of leveren zij onderzoeksdiensten aan ondernemingen?

□Ja□Neen

Verschaf nadere bijzonderheden:

2. 

Indien onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren contractonderzoek uitvoeren of onderzoeksdiensten aan ondernemingen leveren, worden die diensten dan tegen markttarieven geleverd?

□Ja□Neen

Verschaf nadere bijzonderheden:

3. 

Indien onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren contractonderzoek uitvoeren of onderzoeksdiensten aan ondernemingen leveren en er geen markttarief is, leveren zij die diensten dan tegen een tarief

(a) 

dat de volledige kosten van de diensten weergeeft en in het algemeen een marge omvat die is vastgesteld aan de hand van de marges die doorgaans worden gehanteerd door ondernemingen die in de betrokken sector actief zijn, dan wel

□Ja□Neen

(b) 

dat de uitkomst is van onderhandelingen op arm’s length ( 79 ) waarbij onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren onderhandelen om het maximale economische voordeel binnen te halen op het tijdstip dat het contract wordt gesloten zodat ten minste hun marginale kosten gedekt zijn?

□Ja□Neen

Verschaf nadere bijzonderheden:

4. 

In voorkomend geval: Blijft de eigendom van of blijven de toegangsrechten tot intellectuele-eigendomsrechten („IER”) bij de onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur berusten?

□Ja□Neen

Indien de vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt de marktwaarde daarvan in mindering gebracht op de voor de betrokken diensten verschuldigde prijs?

□Ja□Neen

Verschaf nadere bijzonderheden:

3.2.  Samenwerking met ondernemingen

1. 

Werken onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren die bij de aangemelde steunmaatregel betrokken zijn ( 80 ) daadwerkelijk met ondernemingen samen om samen specifieke projecten uit te voeren?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

2. 

Moeten de voorwaarden van een samenwerkingsproject, met name wat betreft de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de uitkomsten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele-eigendomsrechten vóór de aanvang van het project zijn overeengekomen (hiervan uitgesloten zijn formele overeenkomsten over de marktwaarde van de ontstane intellectuele-eigendomsrechten en de waarde van de bijdragen aan het project)?

□Ja□Neen

Geef hier nadere bijzonderheden en verschaf de nodige bewijsstukken:

3. 

Indien onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren daadwerkelijk samenwerken met ondernemingen, zijn dan één of meer van de volgende voorwaarden vervuld?

(a) 

De deelnemende ondernemingen dragen de volledige kosten van het project of de projecten

□Ja□Neen

(b) 

De resultaten van de samenwerking die geen intellectuele-eigendomsrechten opleveren, kunnen breed worden verspreid en alle intellectuele-eigendomsrechten die de activiteiten van de onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur opleveren, worden volledig toegekend aan die entiteiten.

□Ja□Neen

(c) 

Uit het project ontstane intellectuele-eigendomsrechten en alle daarmee verband houdende toegangsrechten worden aan de verschillende samenwerkende partners toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen

□Ja□Neen

Hebt u op een van de bovenstaande vragen „ja” geantwoord, geef dan hier nadere bijzonderheden en verschaf de nodige bewijsstukken:

4. 

Indien onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren daadwerkelijk samenwerken met ondernemingen en u op geen van de vragen uit punt 3 „ja” heeft geantwoord, zijn dan één of meer van de volgende voorwaarden vervuld?

(a) 

De onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren ontvangen een vergoeding voor de intellectuele-eigendomsrechten die uit hun activiteiten ontstaan en die worden toegewezen aan de deelnemende ondernemingen, of waarvoor de deelnemende ondernemingen toegangsrechten krijgen. Het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende verkoopprocedure:

□Ja□Neen

(b) 

De onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren ontvangen een vergoeding die gelijkwaardig is aan de marktprijs voor de intellectuele-eigendomsrechten die uit hun activiteiten ontstaan en die worden toegewezen aan de deelnemende ondernemingen, of waarvoor de deelnemende ondernemingen toegangsrechten krijgen. In een taxatie door een onafhankelijke deskundige is bevestigd dat het bedrag van de vergoeding ten minste gelijk is aan de marktprijs.

□Ja□Neen

(c) 

De onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren kunnen aantonen dat zij daadwerkelijk op arm’s length ( 81 ) hebben onderhandeld over de vergoeding (voor de intellectuele-eigendomsrechten die uit hun activiteiten ontstaan en die worden toegewezen aan de deelnemende ondernemingen, of waarvoor de deelnemende ondernemingen toegangsrechten krijgen), om het maximale economische voordeel binnen te halen op het tijdstip dat het contract werd afgesloten.

□Ja□Neen

(d) 

Wanneer de samenwerkingsovereenkomst de samenwerkende ondernemingen een voorkeurrecht geeft ten aanzien van de door de samenwerkende onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren gegenereerde intellectuele-eigendomsrechten, oefenen die entiteiten een wederzijds recht uit om derden economisch meer voordelige aanbiedingen te vragen zodat de samenwerkende ondernemingen hun aanbod daaraan moet aanpassen.

□Ja□Neen

Geef hier nadere bijzonderheden en verschaf de nodige bewijsstukken:

4. OVERHEIDSOPDRACHTEN VOOR ONDERZOEKS- EN ONTWIKKELINGSDIENSTEN

1. 

Indien de aangemelde maatregel de inkoop door de overheid van O&O-diensten omvat, zijn de verrichters van die diensten dan geselecteerd via een openbare aanbestedingsprocedure in overeenstemming met de toepasselijke richtlijnen ( 82 )?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

2. 

In gevallen waarin voor overheidsopdrachten geen openbare aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de toepasselijke richtlijnen, en waarin de aangemelde maatregel de inkoop door de overheid van O&O-diensten bij ondernemingen omvat, met inbegrip van precommerciële inkoop, zijn dan de volgende voorwaarden vervuld?

(a) 

De selectieprocedure is openbaar, transparant en niet-discriminerend en is gebaseerd op objectieve selectie- en gunningscriteria die vóór de inschrijvingsprocedure zijn vastgesteld

□Ja□Neen

Zo niet, geef dan nadere bijzonderheden waaruit blijkt dat een concurrentiegerichte, transparante en niet-discriminerende procedure is gevolgd die in overeenstemming is met de toepasselijke richtlijnen (bv. gunningsprocedure met onderhandelingen, innovatiepartnerschap of concurrentiegerichte dialoog):

(b) 

De voorgenomen contractuele regelingen met een beschrijving van alle rechten en verplichtingen van de partijen — ook wat de intellectuele-eigendomsrechten betreft — worden vóór de inschrijvingsprocedure beschikbaar gesteld aan alle geïnteresseerde inschrijvers.

□Ja□Neen

Geef hier nadere bijzonderheden:

(c) 

De inkoop levert geen van de deelnemende dienstverrichters een voorkeursbehandeling op bij de levering van commerciële volumes van de eindproducten of einddiensten aan een inkopende overheid in de betrokken lidstaat ( 83 ) en er is voldaan aan een van de volgende voorwaarden (kruis hieronder het relevante vakje aan):

— 
alle resultaten die geen intellectuele-eigendomsrechten opleveren, kunnen breed worden verspreid zodat andere ondernemingen die kunnen reproduceren, en alle intellectuele-eigendomsrechten worden volledig toegekend aan de inkopende overheid, of
□Ja□Neen
— 
een dienstverrichter aan wie de resultaten worden toegekend die intellectuele-eigendomsrechten opleveren, is verplicht om de inkopende overheid onbeperkt kosteloze toegang te geven tot die resultaten en om derden onder marktvoorwaarden toegang te geven.
□Ja□Neen

Geef hier nadere bijzonderheden:

5. BESCHRIJVING VAN DE AANGEMELDE STEUNMAATREGEL

5.1.  Steun voor O&O-projecten

1. 

Welke O&O-fasen worden in het kader van de aangemelde steunmaatregel gesteund?

□ 

Fundamenteel onderzoek zoals gedefinieerd in punt 16, n), van de O&O&I-kaderregeling

□ 

Industrieel onderzoek zoals gedefinieerd in punt 16, r), van de O&O&I-kaderregeling

□ 

Experimentele ontwikkeling zoals gedefinieerd in punt 16, k), van de O&O&I-kaderregeling

2. 

Voor individuele steun, geef hier nadere bijzonderheden over de inhoud van het O&O-project, onder meer over:

(a) 

De huidige stand van de techniek, zoals van toepassing op de betrokken sector, die relevant is voor de beoordeling van het project. Licht toe hoe/in welk opzicht het project verdergaat.

(b) 

De concrete onderzoeksactiviteiten (met voldoende wetenschappelijke en technische bijzonderheden).

(c) 

De beoogde uitkomsten/deliverables/resultaten van het project.

(d) 

De duidelijke structuur van het project in werkpakketten.

(e) 

De mijlpalen.

(f) 

De looptijd van het project (start- en einddatum van het project), met inbegrip van de Gantt-kaart van de wijze waarop de werkpakketten van het project zullen evolueren en eindigen.

(g) 

Indien het project verschillende onderzoekscategorieën omvat, geef dan een lijst van de verschillende taken en geef daarbij aan of het om fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling gaat.

(h) 

Alle andere informatie die u essentieel acht om de onderzoeksinhoud toe te lichten en aan te geven welk soort onderzoek moet worden uitgevoerd.

3. 

Vermeld de totale kosten, de in aanmerking komende kosten en, voor individuele steun, het bedrag per soort in aanmerking komende kosten. Verduidelijk bij gezondheidsgerelateerd onderzoek de aard van de in aanmerking komende kosten door een gedetailleerdere uitsplitsing te geven van de in aanmerking komende kosten ( 84 ).

Staaf uw berekeningen van de in aanmerking komende kosten met de meest recente beschikbare bewijsstukken, die duidelijk en specifiek moeten zijn en bij het aanmeldingsformulier moeten worden gevoegd.



In aanmerking komende kosten voor O&O-projecten

Bedrag in aanmerking komende kosten:

Fundamenteel onderzoek

Bedrag in aanmerking komende kosten:

Industrieel onderzoek

Bedrag in aanmerking komende kosten:

Experimentele ontwikkeling

Personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het project bezighouden

 

 

 

Kosten van apparatuur en uitrusting (afschrijving voor zolang en voor zover zij worden gebruikt voor het project)

 

 

 

Kosten van gebouwen en gronden (afschrijving voor zolang en voor zover zij worden gebruikt voor het project)

 

 

 

Kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt

 

 

 

Bijkomende algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien (1)

 

 

 

Andere exploitatiekosten

 

 

 

Specifiek voor gezondheidsrelevante/-gerelateerde O&O-projecten alle kosten, onder meer voor preklinische en klinische proeven; fase IV-proeven die wetenschappelijke en technische vooruitgang bevorderen

 

 

 

Totale in aanmerking komende kosten

 

 

 

(1)   

Bijkomende algemene kosten en andere operationele kosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien, kunnen alternatief worden berekend op basis van een vereenvoudigde kostenbenadering in de vorm van een forfaitair percentage van maximaal 20 %, toegepast op de totale in aanmerking komend directe O&O-kosten van het project als bepaald in bijlage I, punten a) tot en met d), en punt g), voor gezondheidsrelevante/-gerelateerde O&O-projecten. In dit geval worden de voor de berekening van de indirecte kosten gebruikte O&O-kosten van het project vastgesteld op basis van de normale boekhoudpraktijken en omvatten zij alleen de in bijlage I, punten a) tot en met d), en punt g), vermelde in aanmerking komende projectkosten voor gezondheidsrelevante/-gerelateerde O&O-projecten. Voor projecten met medefinanciering in het kader van het programma Horizon Europa kunnen de lidstaten de vereenvoudigde kostenmethode van Horizon Europa gebruiken om de indirecte kosten van O&O-projecten te berekenen (punt 80 van de O&O&I-kaderregeling).

4. 

Hoeveel bedragen de toepasselijke steunintensiteiten? Geef een nadere onderbouwing indien er sprake is van een verhoging van de basissteunintensiteit.



Toegepaste steunintensiteit:

Kleine onderneming

%

Middelgrote onderneming

%

Grote onderneming

%

Fundamenteel onderzoek

 

 

 

Basissteunintensiteit voor industrieel onderzoek

 

 

 

Verhoging van de basissteunintensiteit voor industrieel onderzoek:

— bij daadwerkelijke samenwerking tussen ondernemingen (voor grote ondernemingen: grensoverschrijdende samenwerking of met ten minste één kmo) of tussen een onderneming en een onderzoeksorganisatie, of

— indien de resultaten breed worden verspreid, of

 

 

 

— indien het O&O-project wordt uitgevoerd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoen, of

— indien het O&O-project wordt uitgevoerd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoen

 

 

 

Basissteunintensiteit van toepassing op industriële onderzoeksactiviteiten

 

 

 

Basissteunintensiteit voor experimentele ontwikkeling

 

 

 

Verhoging van de basissteunintensiteit voor experimentele ontwikkeling

— bij daadwerkelijke samenwerking tussen ondernemingen (voor grote ondernemingen: grensoverschrijdende samenwerking of met ten minste één kmo) of tussen een onderneming en een onderzoeksorganisatie, of

— indien de resultaten breed worden verspreid, of

 

 

 

— indien het O&O-project wordt uitgevoerd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoen, of

— indien het O&O-project wordt uitgevoerd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoen

 

 

 

Basissteunintensiteit van toepassing op experimentele ontwikkelingsactiviteiten

 

 

 

5. 

Geef nadere bijzonderheden over de staatssteun die u van plan bent toe te kennen, waaronder:

(a) 

Het totale nominale bedrag van de staatssteun

(b) 

Om welk staatssteuninstrument het gaat (vorm van de steun)

(c) 

Of de steun in een of meerdere tranches zal worden uitbetaald

(d) 

De voorlopige data (ten minste de jaren) van de uitbetaling, en het bedrag van elke tranche

(e) 

Uw toelichting over de wijze waarop u het bedrag van de staatssteun hebt vastgesteld dat u van plan bent toe te kennen aan het project, evenals de bedragen van de tranches en het tijdschema

6. 

Wanneer de aanmelding betrekking heeft op fiscale maatregelen die staatssteun vormen, geef dan een beschrijving van:

(a) 

de vraag of de fiscale steunmaatregel zonder onderscheid van toepassing is op alle in aanmerking komende activiteiten, en de voor experimentele ontwikkeling geldende steunintensiteit niet wordt overschreden

(b) 

de vraag of de desbetreffende steunintensiteiten niet worden overschreden wanneer bij een fiscale steunmaatregel onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende O&O-categorieën

5.2.  Steun voor haalbaarheidsstudies

1. 

Beschrijf de inhoud en de activiteiten waarop de haalbaarheidsstudies betrekking hebben (zie de definitie in punt 16, l), van de O&O&I-kaderregeling). Verschaf ook informatie over de looptijd van de haalbaarheidsstudies (start- en einddatum), en in voorkomend geval ook een Gantt-kaart om te illustreren hoe de werkpakketten en de (eventuele) activiteiten zullen evolueren en eindigen.

2. 

Geef de in aanmerking komende kosten en vermeld voor individuele steun het bedrag ervan, en verschaf nadere bijzonderheden over de onderliggende aannames bij de berekening ervan. Staaf uw berekeningen van de in aanmerking komende kosten met de meest recente beschikbare bewijsstukken, die duidelijk en specifiek moeten zijn en bij het aanmeldingsformulier moeten worden gevoegd.



In aanmerking komende kosten voor haalbaarheidsstudies

Bedrag in aanmerking komende kosten

[Voeg een rij in voor elke kostenpost die onder de in aanmerking komende kosten van de haalbaarheidsstudie valt]

 

3. 

Geef aan hoeveel de toepasselijke steunintensiteiten bedragen om aan te tonen dat is voldaan aan bijlage II bij en punt 81 van de O&O&I-kaderregeling. Motiveer in voorkomend geval waarom er een verhoging van de basissteunintensiteit van toepassing is.



Toepasselijke steunintensiteit

Kleine onderneming

%

Middelgrote onderneming

%

Grote onderneming

%

Basissteunintensiteit voor haalbaarheidsstudies

 

 

 

Verhoging van de basissteunintensiteit:

— in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoen, of

— in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoen

 

 

 

Toepasselijke steunintensiteit

 

 

 

4. 

Geef nadere bijzonderheden over de staatssteun die u van plan bent toe te kennen, waaronder:

(a) 

Het totale nominale bedrag van de staatssteun

(b) 

Om welk staatssteuninstrument het gaat (vorm van de steun)

(c) 

Of de steun in een of meerdere tranches zal worden uitbetaald

(d) 

De voorlopige data (ten minste de jaren) van de uitbetaling, en het bedrag van elke tranche

(e) 

Uw toelichting over de wijze waarop u het bedrag van de staatssteun hebt vastgesteld dat u van plan ben toe te kennen aan de haalbaarheidsstudie en het tijdschema voor de tranches

5.3.  Steun voor de bouw en het upgraden van onderzoeksinfrastructuren

1. 

Geef aan of de maatregel gericht is op het bouwen van een nieuwe onderzoeksinfrastructuur of het upgraden van een bestaande onderzoeksinfrastructuur.

2. 

Geef een volledige beschrijving van de onderzoeksinfrastructuur (zie de definitie in punt 16, gg), van de O&O&I-kaderregeling), waaronder de locatie, functionaliteiten, faciliteiten en uitrusting, onderzoeksgebieden en diensten, beoogde gebruikers, enz. Vermeld ook de looptijd van het project (start- en einddatum van de bouw- of upgrade-activiteiten), waaronder een Gantt-kaart om te illustreren hoe en wanneer de gesteunde investeringsgerelateerde activiteiten zullen evolueren en eindigen, evenals de datum waarop de infrastructuur in gebruik zal worden genomen en de geplande levensduur ervan.

3. 

Geef aan of de onderzoeksinfrastructuur economische activiteiten zal uitoefenen die bestaan in het aanbieden van producten of diensten op een bepaalde markt? Geef hier nadere bijzonderheden van die activiteiten, onder meer over de betrokken entiteit (d.w.z. een entiteit zoals een laboratorium of een departement met de organisatiestructuur, het kapitaal, het materiaal en de werknemers die het daadwerkelijk ter beschikking heeft om alleen in te staan voor het vervullen van de betrokken activiteit waarvoor de beoordeling moet worden uitgevoerd), de jaarcapaciteit van de betrokken entiteit en het aandeel van die capaciteit dat wordt besteed aan die economische activiteit(en) voor de verwachte levensduur van de onderzoeksinfrastructuur te ondernemen.

4. 

Geef de in aanmerking komende kosten en vermeld voor individuele steun het bedrag ervan, en verschaf nadere bijzonderheden over de onderliggende aannames bij de berekening ervan. Staaf uw berekeningen met de meest recente beschikbare bewijsstukken, die duidelijk en specifiek moeten zijn en bij het aanmeldingsformulier moeten worden gevoegd.



In aanmerking komende kosten

Bedrag in aanmerking komende kosten

Investeringskosten voor het bouwen en upgraden van onderzoeksinfrastructuren

 

[voeg een rij in voor elke kostenpost waarvan u meent dat deze in de algemene categorie van investeringskosten met betrekking tot materiële of immateriële activa valt]

 

Totale in aanmerking komende kosten

 

5. 

Hoeveel bedraagt de toepasselijke steunintensiteit? Licht in voorkomend geval nader toe waarom een verhoging van de basissteunintensiteit van toepassing is.



Toepasselijke steunintensiteit

%

Basissteunintensiteit voor investeringssteun voor het bouwen en upgraden van onderzoeksinfrastructuren

 

Verhoging van de steunintensiteit:

— indien ten minste twee lidstaten de overheidsfinanciering verstrekken, of

— voor op Unieniveau geëvalueerde en geselecteerde test- en experimenteerinfrastructuren

 

Toepasselijke steunintensiteit

 

6. 

Geef nadere bijzonderheden over de staatssteun die u van plan bent toe te kennen, waaronder:

(a) 

Het totale nominale bedrag van de staatssteun

(b) 

Om welk staatssteuninstrument het gaat (vorm van de steun)

(c) 

Of de steun in een of meerdere tranches zal worden uitbetaald

(d) 

De voorlopige data (ten minste de jaren) van de uitbetaling, en het bedrag van elke tranche

(e) 

Uw toelichting over de wijze waarop u het bedrag van de staatssteun hebt vastgesteld dat u van plan ben toe te kennen aan de onderzoeksinfrastructuur en het tijdschema van de tranches

7. 

Indien met de onderzoeksinfrastructuren zowel economische als niet-economische activiteiten worden verricht, kruis dan het onderstaande vakje aan om te bevestigen dat voor de financiering, kosten en inkomsten van elke soort activiteit een gescheiden boekhouding wordt gevoerd, op basis van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen van kostprijsadministratie.

□Ja□Neen

Verschaf bij individuele steun ook de nodige informatie en bewijsstukken:

8. 

Indien de onderzoeksinfrastructuren overheidsfinanciering ontvangen voor zowel economische als niet-economische activiteiten, kruis dan het onderstaande vakje aan om te bevestigen dat een monitoring- en terugvorderingsmechanisme voorhanden is om te garanderen dat de toepasselijke maximale steunintensiteit niet wordt overschreden.

□Ja□Neen

Verschaf de nodige informatie en bewijsstukken:

9. 

Stemt de prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuren wordt berekend overeen met een marktprijs?

□Ja□Neen

Verschaf nadere bijzonderheden:

10. 

Hebben meerdere gebruikers op transparante en niet-discriminerende basis toegang tot de onderzoeksinfrastructuren?

□Ja□Neen

Indien bepaalde ondernemingen preferente toegang krijgen, geef dan nadere bijzonderheden. Geef ook aan welk deel van de investeringskosten die ondernemingen dragen:

5.4.  Steun voor het bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur (wordt ook wel „technologie-infrastructuur” genoemd)

1. 

Geef een volledige beschrijving van de test- en experimenteerinfrastructuur (zie de definitie in punt 16, ll), van de O&O&I-kaderregeling), waaronder de locatie, functionaliteiten, faciliteiten en uitrusting, diensten, beoogde gebruikers en het profiel van de gebruikers (zoals hun omvang, sector, en andere relevante informatie) enz.

2. 

Vermeld ook de looptijd van het project (start- en einddatum van de bouw- of upgrade-activiteiten), waaronder een Gantt-kaart om te illustreren hoe en wanneer de gesteunde investeringsactiviteiten zullen worden uitgevoerd en eindigen, evenals de datum waarop de infrastructuur in gebruik zal worden genomen en de geplande levensduur ervan.

3. 

Geef de in aanmerking komende kosten en vermeld voor individuele steun het bedrag ervan en verschaf nadere bijzonderheden over de onderliggende kostenelementen en aannames voor de berekening ervan. Staaf uw berekeningen met passende bewijsstukken die bij het aanmeldingsformulier moeten worden gevoegd.



In aanmerking komende kosten

Bedrag in aanmerking komende kosten

Investeringskosten voor het bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur

inclusief

 

[voeg een rij in voor elke kostenpost waarvan u meent dat deze in de algemene categorie van investeringskosten met betrekking tot materiële of immateriële activa valt]

 

Totale in aanmerking komende kosten

 

4. 

Hoeveel bedraagt de toepasselijke steunintensiteit? Geef een nadere onderbouwing indien er sprake is van een verhoging van de basissteunintensiteit:



Toepasselijke steunintensiteit

Kleine onderneming

%

Middelgrote onderneming

%

Grote onderneming

%

Basissteunintensiteit voor investeringssteun voor het bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuren

 

 

 

Verhoging van de basissteunintensiteit:

— indien ten minste twee lidstaten de overheidsfinanciering verstrekken, of

— voor test- en experimenteerinfrastructuren (TEI’s) die op Unieniveau zijn geëvalueerd en geselecteerd, en/of

 

 

 

— indien de test- en experimenteerinfrastructuur de diensten hoofdzakelijk aan kmo’s verleent (ten minste 80 % van haar desbetreffende capaciteit)

 

 

 

Toepasselijke steunintensiteit

 

 

 

5. 

Geef nadere bijzonderheden over de staatssteun die u van plan bent toe te kennen, waaronder:

(a) 

Het totale nominale bedrag van de staatssteun

(b) 

Om welk staatssteuninstrument het gaat (vorm van de steun)

(c) 

Of de steun in een of meerdere tranches zal worden uitbetaald

(d) 

De voorlopige data (ten minste de jaren) van de uitbetaling, en het bedrag van elke tranche

(e) 

Uw toelichting over de wijze waarop u het bedrag van de staatssteun hebt vastgesteld dat u van plan ben toe te kennen aan de test- en experimenteerinfrastructuur en het tijdschema van de tranches.

6. 

Verschaf gedetailleerde en nauwkeurige informatie over de geplande of verwachte specialisatie van de infrastructuur, het geavanceerde karakter en de rol die de infrastructuur kan spelen om op regionaal, nationaal of Unieniveau de digitale en groene transitie van de economie van de Unie te faciliteren.

7. 

Verschaf ook informatie over de vraag of er in de Unie vergelijkbare, al dan niet met publieke middelen gefinancierde test- en experimenteerinfrastructuur bestaat.

8. 

Stemt de prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de test- en experimenteerinfrastructuren wordt berekend overeen met een marktprijs?

□Ja□Neen

Licht toe en geef nadere bijzonderheden over de marktprijzen en de aangerekende prijzen, evenals gepaste bewijsstukken voor het bepalen van de marktprijzen:

9. 

Hebben meerdere gebruikers op transparante en niet-discriminerende basis en tegen marktvoorwaarden toegang tot de test- en experimenteerinfrastructuur?

□Ja□Neen

Geef nadere bijzonderheden over de voorwaarden voor de open, transparante en niet-discriminerende toegang:

Indien bepaalde ondernemingen preferente toegang krijgen, geef dan nadere bijzonderheden en motiveer die benadering:

10. 

Geef aan in hoeverre de capaciteit van de test- en experimenteerinfrastructuur wordt toegewezen voor diensten die aan kmo’s worden verleend. Geef hier nadere bijzonderheden en verschaf de nodige bewijsstukken:

11. 

Toon aan dat de overheidssteun niet zal leiden tot duplicatie van diensten die reeds worden aangeboden door bestaande structuren die binnen de Unie actief zijn.

5.5.  Innovatiesteun voor kmo’s

1. 

Geef aan en beschrijf welke activiteiten in het kader van de aangemelde steunmaatregel worden gesteund:

□ 

De verkrijging, validering en verdediging van octrooien en andere immateriële activa

□ 

De detachering van hoogopgeleid personeel

□ 

Het inkopen van diensten inzake innovatieadvies en innovatieondersteuning ( 85 )

2. 

Geef aan in welke periode de gesteunde innovatieactiviteiten zullen worden uitgevoerd (start- en einddatum):

3. 

Geef de in aanmerking komende kosten en vermeld, voor individuele steun, het bedrag ervan.



In aanmerking komende kosten

Bedrag in aanmerking komende kosten

Kosten voor de verkrijging, validering en verdediging van octrooien en andere immateriële activa

 

Kosten voor de detachering van hoogopgeleid personeel

 

Kosten voor het inkopen van diensten inzake innovatieadvies en innovatieondersteuning

 

Totale in aanmerking komende kosten

 

4. 

Hoeveel bedragen de toepasselijke steunintensiteiten? Geef een nadere onderbouwing indien er sprake is van een verhoging van de basissteunintensiteit.



Toepasselijke steunintensiteit

Kleine onderneming

%

Middelgrote onderneming

%

Innovatiesteun voor kmo’s

 

 

5. 

Geef nadere bijzonderheden over de staatssteun die u van plan bent toe te kennen, waaronder:

(a) 

Het totale nominale bedrag van de staatssteun

(b) 

Om welk staatssteuninstrument het gaat (vorm van de steun)

(c) 

Of de steun in een of meerdere tranches zal worden uitbetaald

(d) 

De voorlopige data (ten minste de jaren) van de uitbetaling, en het bedrag van elke tranche

(e) 

Uw toelichting over de wijze waarop u het bedrag van de staatssteun hebt vastgesteld dat u van plan ben toe te kennen aan de gesteunde innovatieactiviteiten en het tijdschema van de tranches

5.6.  Steun voor proces- en organisatie-innovatie

1. 

Geef aan en beschrijf welke activiteiten in het kader van de aangemelde steunmaatregel worden gesteund:

□ 

Procesinnovatie

□ 

Organisatie-innovatie

Beschrijf de gesteunde activiteit:

2. 

Geef een concrete beschrijving van de activiteiten die de proces- of organisatie-innovatie omvatten en motiveer waarom die activiteiten volgens u die vorm van innovatie inhouden (zie de definities in punt 16, z) en cc), van de O&O&I-kaderregeling). Vermeld ook de looptijd van de gesteunde activiteiten (start- en einddatum), evenals een Gantt-kaart.

3. 

Geef de in aanmerking komende kosten en vermeld, voor individuele steun, het bedrag ervan.



In aanmerking komende kosten

Bedrag in aanmerking komende kosten

Personeelskosten voor zover het personeel voor het project is ingezet

 

Kosten van apparatuur en uitrusting (afschrijving voor zover en voor zolang zij worden gebruikt voor het project)

 

Kosten van gebouwen en gronden (afschrijving voor zover en voor zolang zij voor het project worden gebruikt)

 

Kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt

 

Bijkomende algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien

 

Andere exploitatiekosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien

 

Totale in aanmerking komende kosten

 

4. 

Hoeveel bedragen de toepasselijke steunintensiteiten? Geef een nadere onderbouwing indien er sprake is van een verhoging van de basissteunintensiteit.



Toepasselijke steunintensiteit

Kleine onderneming

%

Middelgrote onderneming

%

Grote onderneming

%

Steun voor proces- en organisatie-innovatie

— steun voor grote ondernemingen is afhankelijk van daadwerkelijke samenwerking met ten minste één kmo

 

 

 

5. 

Geef nadere bijzonderheden over de staatssteun die u van plan bent toe te kennen, waaronder:

(a) 

Het totale nominale bedrag van de staatssteun

(b) 

Om welk staatssteuninstrument het gaat (vorm van de steun)

(c) 

Of de steun in een of meerdere tranches zal worden uitbetaald

(d) 

De voorlopige data (ten minste de jaren) van de uitbetaling, en het bedrag van elke tranche

(e) 

Uw toelichting over de wijze waarop u het bedrag van de staatssteun hebt vastgesteld dat u van plan ben toe te kennen aan de gesteunde activiteiten en het tijdschema van de tranches

6. 

Wanneer steun aan grote ondernemingen wordt toegekend, kruis dan het onderstaande vakje aan om te bevestigen dat zij bij de gesteunde activiteit daadwerkelijk samenwerken met kmo’s en dat de samenwerkende kmo’s ten minste 30 % van de totale in aanmerking komende kosten dragen.

Verschaf bij individuele steun ook de nodige informatie en bewijsstukken:

5.7.  Steun voor innovatieclusters

1. 

Licht toe of de maatregel gericht is op investering in een nieuwe innovatiecluster of het upgraden van een bestaande innovatiecluster.

2. 

Geef een zinvolle beschrijving van de innovatiecluster, waaronder de locatie, specialisatie, functies, beoogde gebruikers, faciliteiten en in voorkomend geval het moment waarop de activiteiten van de innovatiecluster van start gingen, enz.

3. 

Geef aan of de begunstigde van de steun de eigenaar en/of de exploitant is van de exploitatiecluster. Geef aan of de exploitant, indien deze niet de eigenaar is, een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft dan wel of het om een consortium van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid gaat (verschaf in het laatste geval naast de namen van de leden van het consortium ook de consortiumovereenkomst, en bevestig dat ieder lid een afzonderlijke boekhouding zal bijhouden voor de kosten en inkomsten uit elke activiteit)

Voor individuele steun, geef hier nadere bijzonderheden:

4. 

Stemmen de vergoedingen die worden berekend voor het gebruik van de faciliteiten van het cluster en voor de deelname aan de activiteiten van het cluster overeen met de marktprijs of weerspiegelen zij de kosten ervan?

□Ja□Neen

Verschaf nadere bijzonderheden:

5. 

Hebben meerdere gebruikers op transparante en niet-discriminerende basis toegang tot de panden, faciliteiten en activiteiten van het cluster?

□Ja□Neen

Verschaf nadere bijzonderheden:

6. 

Indien bepaalde ondernemingen preferente toegang krijgen, geef dan nadere bijzonderheden. Geef ook aan welk deel van de investeringskosten die ondernemingen dragen.

7. 

Verschaf voor individuele steun (zowel voor investeringssteun als voor exploitatiesteun) informatie over:

(a) 

De beoogde of verwachte specialisatie van de innovatiecluster, het bestaande regionale potentieel en de aanwezigheid binnen de Unie van clusters met vergelijkbare doelstellingen.

(b) 

De manier waarop de cluster een positief effect kan hebben op de technologische vooruitgang en de digitale transformatie van de economie van de Unie.

(c) 

De vraag of de gesteunde innovatiecluster een digitale innovatiehub is.

(d) 

De vraag of de samenwerking die door de activiteiten van de innovatiecluster zou worden gestimuleerd of bevorderd, onder meer tot doel kan hebben de tijdspanne tussen het creëren van nieuwe kennis en de omzetting ervan in innovatieve toepassingen in te korten.

(e) 

Alle andere informatie die u relevant acht.

5.7.1.  Investeringssteun

1. 

Geef de in aanmerking komende kosten en vermeld, voor individuele steun, het bedrag ervan.



In aanmerking komende kosten

Bedrag in aanmerking komende kosten

Investeringskosten voor het bouwen en upgraden van de innovatiecluster waaronder

 

[voeg een rij in voor elke kostenpost waarvan u meent dat deze in de algemene categorie van investeringskosten met betrekking tot materiële of immateriële activa valt]

 

Totale in aanmerking komende kosten

 

2. 

Hoeveel bedragen de toepasselijke steunintensiteiten? Vermeld ook eventuele verhogingen voor clusters in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a) of punt c), van het Verdrag.



Investeringssteun voor innovatieclusters

Kleine onderneming

%

Middelgrote onderneming

%

Grote onderneming

%

Basissteunintensiteit voor investeringssteun

 

 

 

Verhoging van de basissteunintensiteit:

— in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoen, of

— in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoen

 

 

 

Toepasselijke steunintensiteit

 

 

 

3. 

Geef nadere bijzonderheden over de staatssteun die u van plan bent toe te kennen, waaronder:

(a) 

Het totale nominale bedrag van de staatssteun

(b) 

Om welk staatssteuninstrument het gaat (vorm van de steun)

(c) 

Of de steun in een of meerdere tranches zal worden uitbetaald

(d) 

De voorlopige data (ten minste de jaren) van de uitbetaling, en het bedrag van elke tranche

(e) 

Uw toelichting over de wijze waarop u het bedrag van de staatssteun hebt vastgesteld dat u van plan ben toe te kennen aan de gesteunde activiteiten en het tijdschema van de tranches

5.7.2.  Exploitatiesteun

1. 

Welke activiteiten worden in het kader van de aangemelde steunmaatregel gesteund? Verschaf nadere informatie over de inhoud en het tijdschema van de gesteunde activiteiten:

□ 

Aansturen van de cluster

□ 

Marketing van de cluster

□ 

Beheer van de faciliteiten van de cluster

□ 

Organisatie van opleidingsprogramma’s, workshops en conferenties

2. 

Geef de in aanmerking komende kosten en vermeld voor individuele steun het bedrag ervan, en verschaf nadere bijzonderheden over de onderliggende aannames bij de berekening ervan. Staaf uw berekeningen met passende bewijsstukken die bij het aanmeldingsformulier moeten worden gevoegd.



Exploitatiesteun voor innovatieclusters

Bedrag in aanmerking komende kosten

Personeelskosten en administratieve kosten (met inbegrip van de algemene kosten) in verband met het aansturen van de cluster

 

Personeelskosten en administratieve kosten (met inbegrip van de algemene kosten) in verband met de marketing van de cluster

 

Personeelskosten en administratieve kosten (met inbegrip van de algemene kosten) in verband met het beheer van de faciliteiten van de cluster

 

Personeelskosten en administratieve kosten (met inbegrip van de algemene kosten) in verband met de organisatie van opleidingsprogramma’s, workshops en conferenties

 

Totale in aanmerking komende kosten

 

3. 

Hoeveel bedraagt de toepasselijke steunintensiteit?



Steunintensiteit voor exploitatiesteun aan de innovatiecluster

%

 

 

4. 

Geef nadere bijzonderheden over de staatssteun die u van plan bent toe te kennen, waaronder:

(a) 

Het totale nominale bedrag van de staatssteun

(b) 

Om welk staatssteuninstrument het gaat (vorm van de steun)

(c) 

Of de steun in een of meerdere tranches zal worden uitbetaald

(d) 

De voorlopige data (ten minste de jaren) van de uitbetaling, en het bedrag van elke tranche

(e) 

Uw toelichting over de wijze waarop u het bedrag van de staatssteun hebt vastgesteld dat u van plan ben toe te kennen aan de gesteunde activiteiten en het tijdschema van de tranches

6. BEOORDELING VAN DE VERENIGBAARHEID VAN DE AANGEMELDE STEUNMAATREGEL

6.1.  Eerste voorwaarde: O&O&I-steun vergemakkelijkt de ontwikkeling van een economische activiteit

6.1.1.  Vaststelling van de ondersteunde economische activiteit

1. 

Voor individuele steun: geef een volledige beschrijving van het gesteunde project of de gesteunde activiteit (of verwijs naar de voorgaande rubrieken indien daar een gedetailleerde beschrijving werd gegeven).

2. 

Geef aan en beschrijf welke economische activiteiten in het kader van de aangemelde steunmaatregel worden gesteund.

6.1.2.  Stimulerend effect

6.1.2.1. Algemene voorwaarden

1. 

Bevestig dat de steun niet dient om de kosten van een activiteit te subsidiëren die de onderneming sowieso zou uitvoeren:

□Ja□Neen

2. 

Bevestig dat de steun niet dient om het normale bedrijfsrisico van een economische activiteit te compenseren:

□Ja□Neen

3. 

Verschaf nadere toelichtingen of verwijs naar een rubriek waar die informatie te vinden is:

4. 

Bevestig dat bij het toekennen van steun in het kader van de aangemelde maatregel wordt gewaarborgd dat werkzaamheden voor de betrokken O&O&I-activiteiten niet zijn aangevat voordat de begunstigde de steunaanvraag bij de nationale autoriteiten heeft ingediend ( 86 ). Geef voor individuele steun ook de betrokken data:

□Ja□Neen

5. 

Kruis een van de onderstaande vakjes aan om te bevestigen dat de steunaanvragen van de begunstigde van de steun bij de nationale autoriteiten ten minste bevatten: de naam van de steunaanvrager en de grootte van de onderneming; een beschrijving van het project, met inbegrip van de locatie en de aanvangs- en einddatum; het bedrag aan steun van de overheid dat nodig is om het project te kunnen uitvoeren, en een lijst van in aanmerking komende kosten:

□Ja□Neen

6. 

Indien de steun wordt toegekend in de vorm van een belastingmaatregel, geef hier dan nadere bijzonderheden. Geef voor maatregelen die niet stapsgewijs in kracht toenemen eventuele evaluatiestudies waaruit het stimulerende effect van de maatregel blijkt:

6.1.2.2. Bijkomende argumenten voor individuele steun

1. 

Wordt de projectomvang door de aangemelde maatregel verruimd?

□Ja□Neen

Zo ja, om welk soort verruiming gaat het dan? Verschaf ook de nodige bewijsstukken.

□ 

Toename van de totale projectkosten (zonder dat de begunstigde zijn uitgaven vermindert ten opzichte van een situatie zonder steun)

□ 

Uitbreiding van het aantal personen dat voor O&O&I-activiteiten wordt ingezet

□ 

Andere soort verruiming

Motiveer uw antwoorden en verschaf nadere bijzonderheden en bewijsstukken:

2. 

Zal de reikwijdte van het project door de aangemelde maatregel worden verruimd?

□Ja□Neen

Zo ja, om welk soort verruiming gaat het dan? Verschaf ook de nodige bewijsstukken.

□ 

Uitbreiding van het aantal van het project te verwachten eindresultaten.

□ 

Een hoger ambitieniveau van het project, wat blijkt uit een hoger aantal betrokken partners, een grotere kans op een wetenschappelijke of technologische doorbraak of een hoger risico op mislukking (met name doordat het een langlopend project betreft en door de onzekerheid over de resultaten ervan).

□ 

Andere soort verruiming.

Motiveer uw antwoorden door nadere bijzonderheden en bewijsstukken te verschaffen:

3. 

Zal de uitvoeringssnelheid van het project door de aangemelde maatregel worden verruimd?

□Ja□Neen

Zo ja, verschaf dan een nadere onderbouwing, nadere bijzonderheden en de nodige bewijsstukken:

4. 

Zal het totale te besteden bedrag dankzij de aangemelde maatregel toenemen?

□Ja□Neen

Zo ja, om welk soort verruiming gaat het dan? Verschaf een nadere onderbouwing, nadere bijzonderheden en de nodige bewijsstukken:

□ 

Stijging van de totale O&O&I-uitgaven door de begunstigde van de steun, in absolute termen of als aandeel van de omzet

□ 

Veranderingen in het voor het project vastgelegde budget (zonder een overeenkomstige daling in het budget dat voor andere projecten is uitgetrokken)

□ 

Andere soort verruiming

5. 

Zal voor de aangemelde maatregel een publiek toegankelijke ex-post-evaluatie van de bijdrage aan het gemeenschappelijk belang worden uitgevoerd?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

6. 

Geef aan de hand van een nulscenario een volledige beschrijving van het gedrag van de begunstigde indien die geen steun zou ontvangen (d.w.z. hetgeen zonder de steun zou zijn gebeurd of naar verwachting redelijkerwijs had kunnen gebeuren). Toon op basis van actuele interne bewijsstukken aan dat de begunstigde rekening heeft gehouden met het nulscenario bij zijn interne besluitvorming, en voeg die bewijsstukken bij dit formulier.

7. 

Geef de bijkomende elementen die relevant zijn om het stimulerende effect van de aangemelde maatregel aan te tonen en licht deze nader toe. Onderbouw dit met bewijsstukken zoals documenten van de raad van bestuur, risicobeoordelingen, financiële rapporten, interne businessplannen, adviezen van deskundigen en andere studies met betrekking tot het project dat ter beoordeling voorligt:

□ 

mate van winstgevendheid (d.w.z. wanneer een project of een investering op zich voor een particuliere onderneming niet winstgevend is om uit te voeren, maar wel belangrijke voordelen zou opleveren voor de samenleving)

□ 

investeringsbedrag en tijdpad van de kasstromen (d.w.z. of de maatregel gepaard gaat met hoge aanloopinvesteringen, weinig onmiddellijk beschikbare kasstromen en een aanzienlijk deel van de kasstromen die pas in de zeer verre toekomst ontstaan of hoogst onzeker zijn, enz.)

□ 

risicograad (geef een beoordeling van het risico waarbij in voorkomend geval met name rekening wordt gehouden met de onomkeerbaarheid van de investering, de kansen op een commerciële mislukking, het risico dat het project minder productief is dan verwacht, het risico dat het project ten koste gaat van andere activiteiten van de begunstigde van de steun en het risico dat de kosten van het project de financiële levensvatbaarheid van de begunstigde in gevaar brengen)

8. 

Verschaf, voor zover beschikbaar, sectorale gegevens waaruit blijkt dat het nulscenario van de begunstigde, zijn vereiste winstgevendheidsniveau en zijn verwachte kasstromen redelijk zijn.

9. 

Geef aan of bij de gesteunde maatregel sprake is van grensoverschrijdende samenwerking of financiering door meer dan één lidstaat (d.w.z. dat deze betrekking heeft op grensoverschrijdende O&O-activiteiten, onderzoeksinfrastructuren, test- en experimenteerinfrastructuren en innovatiesclusters).

6.1.3.  Geen schending van de relevante EU-wetgeving

1. 

Kruis een van de onderstaande vakjes aan om te bevestigen dat de staatssteunmaatregel, de daaraan gekoppelde voorwaarden (zoals de financieringsmethode wanneer die integraal deel uitmaakt van de staatssteunmaatregel) of de activiteit die ermee wordt gefinancierd, niet tot een schending van het Unierecht leiden.

□Ja□Neen

2. 

Voor individuele steun: Geef ook aan of er sprake is van procedures in verband met de schending van de artikelen 101 of 102 van het Verdrag die de begunstigde van de steun kunnen betreffen en die van belang kunnen zijn bij de toetsing van die steun aan artikel 107, lid 3, van het Verdrag.

□Ja□Neen

Verschaf ook nadere informatie en toelichtingen over al deze punten:

6.2.  Tweede voorwaarde: de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, worden door de O&O&I-steun niet zodanig veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad

6.2.1.  Noodzaak van overheidsmaatregelen

1. 

Welk marktfalen remt O&O&I-activiteiten in dit concrete geval af en rechtvaardigt staatssteun? Kruis hieronder het relevante vakje aan. Verschaf nadere verduidelijkingen, toelichtingen en de nodige bewijsstukken.

□ 

Positieve externaliteiten of kennisspillover

□ 

Imperfecte en asymmetrische informatie

□ 

Falen van coördinatie en netwerken

2. 

Hoe kan de aangemelde maatregel daadwerkelijk het marktfalen lenigen dat van invloed is op O&O&I-activiteiten (d.w.z. hoe kan de steunmaatregel zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen)?

6.2.1.1. Bijkomende voorwaarden voor individuele steun

1. 

Licht nader toe of met de steun een algemeen marktfalen op het gebied van O&O&I-activiteiten in de Unie wordt aangepakt, dan wel een specifiek marktfalen in bijvoorbeeld een bepaalde bedrijfssector of een bepaalde bedrijfstak.

2. 

Geef, voor zover beschikbaar, sectorale vergelijkingen en andere studies die de analyse van het aangevoerde marktfalen kunnen onderbouwen.

3. 

Geef, voor zover beschikbaar, informatie over (andere) O&O&I-projecten of -activiteiten in de Unie die, wat de technologische inhoud, risicograad en omvang ervan betreft, vergelijkbaar zijn met die welke onder de aangemelde maatregel vallen. Leg ook uit waarom de steun in het betrokken geval noodzakelijk is.

6.2.2.  Is de steunmaatregel een geschikt instrument?

1. 

Geschiktheid als beleidsinstrument

1.1. 

Waarom is de staatssteun volgens u het geschikte beleidsinstrument om de desbetreffende O&O&I te faciliteren, en is er geen beter geplaatst en minder verstorend beleidsinstrument waarmee dezelfde resultaten kunnen worden bereikt. Leg voorts uit hoe de voordelen zijn vastgesteld van het gebruik van een selectief beleidsinstrument zoals staatssteun om O&O&I-activiteiten te bevorderen. Verschaf ook eventuele effectbeoordelingen en ondersteunende documenten in dat verband.

2. 

Wanneer het project of de O&O&I-activiteiten ook door de Unie worden gefinancierd, toon dan aan dat de staatssteun voor de beoordeelde projecten of activiteiten synergieën zou creëren met financiering of medefinanciering uit programma’s van de Unie.

3. 

Geschiktheid ten opzichte van andere beleidsinstrumenten

(a) 

Leg uit waarom de gekozen vorm van staatssteun naar verwachting het minste risico op verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer oplevert. Wordt de steun toegekend in een vorm die een direct financieel voordeel oplevert (zoals rechtstreekse subsidies, vrijstellingen of verlagingen van belastingen of van andere verplichte bijdragen, of de terbeschikkingstelling van gronden, producten of diensten tegen voordelige prijzen)? Geef dan een analyse van andere opties en leg uit waarom of hoe andere vormen van steun (zoals terugbetaalbare voorschotten of vormen van steun die gebaseerd zijn op schuld- of eigenvermogensinstrumenten, zoals overheidsgaranties, de verwerving van een belang of een andere vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden) minder geschikt zijn om het vastgestelde marktfalen aan te pakken.

(b) 

Voor steunregelingen: geef ook aan of bij de aangemelde regeling de doelstellingen en prioriteiten van operationele programma’s ten uitvoer worden gelegd, en vermeld voor welk financieringsinstrument wordt gekozen in die programma’s.

6.2.3.  Evenredigheid van de steun

1. 

Wordt de steun vastgesteld aan de hand van een vooraf bepaalde reeks in aanmerking komende kosten en blijft deze beperkt tot een bepaald percentage van die in aanmerking komende kosten („steunintensiteit”)? Geef ook aan of de steunintensiteit voor elke steunbegunstigde wordt vastgesteld, ook in het geval van een samenwerkingsproject.

□Ja□Neen

2. 

Geef in het geval van staatssteun voor een project waarbij onderzoeksorganisaties en ondernemingen samenwerken, aan of de bijdrage van rechtstreekse overheidssteun en de bijdragen van onderzoeksorganisaties voor datzelfde project, voor zover deze staatssteun inhouden, niet hoger uitkomen dan de voor elke begunstigde onderneming geldende steunintensiteiten.

□Ja□Neen

Gelieve nader toe te lichten:

3. 

Terug te betalen voorschotten:

(a) 

Wordt de steun toegekend in de vorm van een terugbetaalbaar voorschot uitgedrukt als bruto-subsidie-equivalent, geef dan nadere bijzonderheden over de methode om dit bruto-subsidie-equivalent te berekenen, met inbegrip van de onderliggende verifieerbare gegevens, of geef, in het geval van individuele steun, aan op grond van welke goedgekeurde steunregeling de steun wordt toegekend.

(b) 

Wordt de steun toegekend in de vorm van een terugbetaalbaar voorschot uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten en worden de in het steunkader vastgestelde maximale steunintensiteiten met maximaal 10 procentpunten overschreden? Bevestig dan door het vakje aan te kruisen dat:

□ 

in het geval van een succesvolle uitkomst in de aangemelde maatregel is bepaald dat het voorschot moet worden terugbetaald, vermeerderd met een rente die ten minste gelijk is aan de disconteringsvoet zoals die voortvloeit uit de toepassing van de mededeling van de Commissie over de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld ( 87 )

□ 

in het geval van een succes dat verder gaat dan hetgeen als succesvol werd omschreven, de betrokken lidstaat betalingen eist die verder gaan dan de terugbetaling van het voorschot vermeerderd met rente die in overeenstemming is met de toepasselijke disconteringsvoet

□ 

bij mislukking of bij gedeeltelijk succes, de terugbetaling evenredig is aan de bereikte mate van succes

(c) 

Geef nadere bijzonderheden over de terugbetaling van het voorschot. Omschrijf ook helder wat als een succesvolle uitkomst van de gesteunde activiteiten geldt, op basis van redelijke en voorzichtige aannames.

4. 

Fiscale maatregelen die staatssteun vormen: Wordt de steun toegekend in de vorm van een fiscale maatregel, geef dan aan hoe de steunintensiteiten worden berekend. Geef hier nadere bijzonderheden:

□ 

op basis van individuele projecten, of

□ 

op het niveau van de onderneming, als de verhouding tussen het totale belastingvoordeel en het totaal van alle subsidiabele O&O&I-kosten die in een periode van maximaal drie opeenvolgende belastingjaren zijn gemaakt

6.2.3.1. Bijkomende voorwaarden voor individuele steun

1. 

Geef een omvattend businessplan voor het gesteunde project (met en zonder steun), met inbegrip van alle desbetreffende verwachte kosten en inkomsten voor de levensduur van het project. Verschaf gedetailleerde verduidelijkingen, toelichtingen en de nodige bewijsstukken voor alle onderliggende aannames.

2. 

Indien de begunstigde van de steun een duidelijke keuze heeft om óf een project met steun uit te voeren óf een alternatief project zonder steun, geef dan ook een omvattend businessplan voor de levensduur van het project uit het nulscenario. Verschaf gedetailleerde verduidelijkingen, toelichtingen en de nodige bewijsstukken voor alle onderliggende aannames.

3. 

Indien er geen alternatief project is, leg dan uit op welke manier de steun is beperkt tot het minimum dat voor het gesteunde project noodzakelijk is om voldoende winstgevend te zijn, bijvoorbeeld doordat daarmee een interne opbrengstvoet (IRR) kan worden behaald die overeenstemt met de sectorale of ondernemingsspecifieke benchmark of hurdle rate.

4. 

Indien de begunstigde van de steun een duidelijke keuze heeft om óf een project met steun uit te voeren óf een alternatief project zonder steun, leg dan uit op welke manier de steun is beperkt tot het minimum dat nodig is voor het dekken van de netto extra kosten van het gesteunde project in vergelijking met het nulscenario. Hou daarbij rekening met de mogelijkheid van verschillende zakelijke scenario’s.

5. 

Verschaf eventuele ondersteunende documenten, zoals bedrijfsinterne documenten, waaruit blijkt dat het nulscenario een helder omschreven en voldoende voorspelbaar alternatief project is waarmee de begunstigde bij zijn interne besluitvorming heeft rekening gehouden.

6. 

Leg uit hoe het steunbedrag werd bepaald. Verschaf ook eventuele documenten ter staving.

7. 

Wanneer er meerdere potentiële kandidaten waren om de gesteunde activiteit uit te voeren, is de steun dan op grond van transparante, objectieve en niet-discriminerende criteria toegekend?

□Ja□Neen

Geef hier nadere bijzonderheden:

8. 

Indien de steun bedoeld is om daadwerkelijke of potentiële, rechtstreekse of onrechtstreekse verstoringen van het internationale handelsverkeer aan te pakken, d.w.z. wanneer buiten de Unie gevestigde concurrenten — al dan niet rechtstreeks — in de voorbije drie jaar voor vergelijkbare projecten steun met een gelijkwaardige intensiteit hebben ontvangen of zullen ontvangen, verschaf dan voldoende informatie om de Commissie in staat te stellen de situatie te beoordelen, met name wat betreft de noodzaak om rekening te houden met het concurrentievoordeel dat een concurrent in een derde land geniet. Wanneer verstoringen van het internationale handelsverkeer zich waarschijnlijk pas na meer dan drie jaar voordoen, kan, gelet op het specifieke karakter van de betrokken sector, de referentieperiode dienovereenkomstig worden verlengd.

6.2.4.  Cumulering van steun

1. 

Bevestig, door het vakje aan te kruisen, dat:

(a) 

Wanneer centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaten staat, wordt gecombineerd met staatssteun, mag het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet hoger uitkomen dan het gunstigste financieringspercentage dat in de toepasselijke regels van het Unierecht is vastgesteld.

□Ja□Neen

(b) 

Wanneer de voor O&O&I-steun in aanmerking komende uitgaven potentieel ook volledig of gedeeltelijk in aanmerking komen voor steun ten behoeve van andere doeleinden, zal voor het overlappende gedeelte het — krachtens de desbetreffende regels — gunstigste plafond van toepassing zijn.

□Ja□Neen

(c) 

O&O&I-steun zal niet worden gecumuleerd met de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende uitgaven indien dat een steunintensiteit zou opleveren die de in dit steunkader vastgestelde intensiteiten overschrijdt.

□Ja□Neen

(d) 

Voor steunmaatregelen inzake test- en experimenteerinfrastructuren die worden medegefinancierd door de Unie: toon het noodzakelijke bedrag van de totale overheidsfinanciering (d.w.z. staatssteun en andere bronnen van overheidsfinanciering) aan op basis van een geloofwaardige beoordeling van de financieringskloof om ervoor te zorgen dat het totale bedrag aan overheidsfinanciering niet tot overcompensatie leidt.

Verschaf voldoende informatie om het noodzakelijke bedrag van de totale overheidsfinanciering voor de test- en experimenteerinfrastructuren te beoordelen, en verschaf de nodige bewijsstukken:

2. 

Geef met betrekking tot de in punt 1) hierboven gevraagde bevestigingen nadere bijzonderheden met vermelding van de letter van de bovenstaande vragen waarop deze verduidelijkingen betrekking hebben.

6.2.5.  Transparantie

1. 

Kruis het relevante vakje aan om te bevestigen dat de lidstaat in de „transparency award module” van de Europese Commissie of op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau, het volgende zal bekendmaken:

(a) 

de volledige tekst van het besluit tot individuele steunverlening of de goedgekeurde steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvan, of een link daarnaar;

□Ja□Neen

(b) 

de volgende informatie over elke afzonderlijke steun die ad hoc is toegekend of volgens een steunregeling die op basis van deze kaderregeling is goedgekeurd en meer dan 100 000  EUR bedraagt:

— 
Identiteit van de afzonderlijke begunstigde
— 
Naam
— 
Identificator van de begunstigde
□Ja□Neen
— 
Soort begunstigde onderneming op het tijdstip van de steunverlening:
— 
Kmo
— 
Grote onderneming
□Ja□Neen
— 
Regio waar de begunstigde is gevestigd, op NUTS 2-niveau of lager
□Ja□Neen
— 
De voornaamste economische sector waarin de begunstigde zijn activiteiten heeft, op NACE-groepsniveau
□Ja□Neen
— 
Steunelement en, als dat verschillend is, het nominale bedrag van de steun, uitgedrukt in hele bedragen, in nationale valuta
□Ja□Neen
— 
Steuninstrument:
— 
Subsidie/rentesubsidie/kwijtschelding van schuld
— 
Lening/terugbetaalbaar voorschot/terugbetaalbare subsidie
— 
Garantie
— 
Belastingvoordeel of belastingvrijstelling
— 
Risicofinanciering
— 
Andere (geef aan welke)
□Ja□Neen
— 
Datum van toekenning en datum van bekendmaking
□Ja□Neen
— 
Doel van de steun
□Ja□Neen
— 
Identiteit van de steunverlenende autoriteit of autoriteiten
□Ja□Neen
— 
Waar van toepassing, de naam van de met het beheer belaste entiteit en de namen van de geselecteerde financiële intermediairs
□Ja□Neen
— 
Referentie van de steunmaatregel
□Ja□Neen
(c) 

Vermeld de weblink van de staatssteunwebsite:

(d) 

Voor regelingen in de vorm van belastingvoordelen: bevestig dat de vereiste informatie over individuele steunbedragen volgens de in punt 102 van de O&O&I-kaderregeling beschreven tranches zullen worden bekendgemaakt:

□Ja□Neen

2. 

Kruis hieronder het relevante vakje aan om te bevestigen dat de lidstaat zijn uitgebreide staatssteunwebsite (zoals aangegeven in het vorige punt) zodanig zal opzetten dat de informatie gemakkelijk toegankelijk is, dat de informatie wordt gepubliceerd in een open spreadsheetformaat waarmee gegevens effectief kunnen worden doorzocht, opgehaald, gedownload en gemakkelijk op het internet kunnen worden bekendgemaakt, bv. in CSV- of XML-formaat, en dat de website toegankelijk is voor het publiek zonder beperkingen, dus ook zonder voorafgaande registratie.

□Ja□Neen

3. 

Kruis hieronder het relevante vakje aan om te bevestigen dat de bovenstaande informatie zal worden bekendgemaakt binnen zes maanden vanaf de datum van toekenning van de steun of, voor steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar vanaf de datum waarop de belastingaangifte moet zijn ingediend.

□Ja□Neen

Vermeld de termijn die van toepassing is op uw steunmaatregel:

4. 

Voor onrechtmatige maar uiteindelijk wel met de interne markt verenigbare steun: kruis in voorkomend geval hieronder het relevante vakje aan om te bevestigen dat de lidstaat deze informatie zal bekendmaken binnen een termijn van uiterlijk zes maanden vanaf de datum van het besluit van de Commissie dat de steun verenigbaar met de interne markt verklaarde.

□Ja□Neen

5. 

Om de handhaving van de staatssteunregels krachtens het Verdrag mogelijk te maken, moet de informatie gedurende ten minste tien jaar vanaf de datum waarop de steun is verleend, beschikbaar blijven.

□Ja□Neen

6.2.6.  Verificatie of specifieke negatieve effecten van O&O&I-steun op de mededinging en de handelsvoorwaarden tot een minimum worden beperkt of vermeden

Geef aan

1. 

of de toekenning van steun de begunstigde van de steun een concurrentievoordeel oplevert door:

□ 

lagere productiekosten

□ 

grotere productiecapaciteit

□ 

de ontwikkeling van nieuwe producten

□ 

andere effecten (geef aan welke):

2. 

of de steunverlening is verbonden aan de verplichting voor de begunstigde om zijn hoofdkantoor in de betrokken lidstaat te hebben of om overwegend in die lidstaat te zijn gevestigd (punt 117 van de O&O&I-kaderregeling):

□Ja□Neen

3. 

of de steunverlening is verbonden aan de verplichting voor de begunstigde om binnenlandse producten of diensten te gebruiken (punt 117 van de O&O&I-kaderregeling):

□Ja□Neen

4. 

of de steunmaatregel voor de begunstigde de mogelijkheid beperkt om in andere lidstaten de O&O&I-resultaten te benutten (punt 117 van de O&O&I-kaderregeling):

□Ja□Neen

5. 

of de steunmaatregel de begunstigde enige andere verplichting oplegt:

□Ja□Neen

6. 

Onderbouw de antwoorden die u hebt geselecteerd en verschaf waar nodig bewijsstukken. Hebt u op een van de vragen uit deze rubriek „ja” geantwoord, geef dan hier nadere bijzonderheden:

6.2.6.1. Steunregeling

1. 

Hoe zal bij steunregelingen worden gewaarborgd dat negatieve effecten tot het minimum beperkt zullen zijn (rekening houdende met bijvoorbeeld de omvang van de betrokken projecten, de individuele en gecumuleerde steunbedragen, het verwachte aantal begunstigden en de kenmerken van de beoogde sectoren)? Leg uit en verschaf ook eventuele effectbeoordelingen of ex-post-evaluaties die zijn uitgevoerd voor vergelijkbare voorgaande regelingen.

6.2.6.2. Bijkomende voorwaarden voor individuele steun

1. 

Beschrijf, in voorkomend geval, het effect dat van de steun te verwachten valt voor concurrentie bij innovatieprocessen (punt 109 van de O&O&I-kaderregeling).

2. 

Op welke productmarkten zal de steun naar verwachting invloed hebben? Wat is het huidige marktaandeel van de begunstigde en hoe beoordeelt u de marktpositie en de marktmacht van de begunstigde op elk van de betrokken markten? Tot welke verschuivingen in die marktaandelen, marktpositie en marktmacht kunnen de gesteunde activiteiten leiden?

3. 

Geef voor elk van de betrokken productmarkten de belangrijkste concurrenten van de begunstigde van de steun. Geef ook hun marktaandelen.

Geef indien beschikbaar de bijbehorende Herfindal-Hirschman Index („HHI”).

4. 

Geef voor elk van de betrokken productmarkten informatie over de afnemers of consumenten die door de gesteunde activiteiten worden getroffen.

5. 

Beschrijf aangaande de volgende aspecten de structuur en de dynamiek van de betrokken markten (punten 124 en 126 van de O&O&I-kaderregeling):

(a) 

recente ontwikkelingen en toekomstige groeivooruitzichten

(b) 

het bedrag dat de belangrijkste marktspelers besteden aan vergelijkbare projecten

(c) 

de hoogte van de drempels voor markttoetreding en -uittreding

(d) 

het bestaan van compenserende kopersmacht

(e) 

prikkels om op toekomstige markten te concurreren

(f) 

productdifferentiatie en intensiteit van de concurrentie

(g) 

andere kenmerken die waarschijnlijk effect kunnen hebben op concurrenten, afnemers of consumenten

6. 

Heeft de begunstigde van de steun enige invloed op het selectieproces, bijvoorbeeld doordat hij het recht heeft ondernemingen aan te bevelen of hij het onderzoekstraject kan beïnvloeden?

□Ja□Neen

Zo ja, geef dan nadere bijzonderheden:

7. 

Kruis het juiste vakje aan om aan te geven of de steun wordt toegekend op markten met overcapaciteit of in krimpende sectoren.

□Ja□Neen

Zo ja, geef dan nadere bijzonderheden over die markten en sectoren en onderbouw waarom de steun volgens u geen aanleiding zou geven tot bezorgdheid:

8. 

Geef aan of de begunstigde van de steun alternatieve locaties heeft overwogen voor de gesteunde activiteiten.

□Ja□Neen

Geef nadere bijzonderheden en betrouwbare actuele interne bewijsstukken van de begunstigde van de steun om de stelling te onderbouwen.

9. 

Geef uw algemene visie op de reden waarom de steun volgens u geen aanleiding zal geven tot potentiële verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten.

6.2.7.  Afweging van de positieve en negatieve effecten van de steun

1. 

Geef aan welke positieve effecten de steun volgens u heeft op de ondersteunde economische activiteit, en met welke bredere positieve O&O&I-gerelateerde effecten rekening moet worden gehouden in de analyse. Voor een nadere en gedetailleerde onderbouwing mag u verwijzen naar uw uitgebreide antwoorden op de volgende vragen.

2. 

Om welke doelstelling gaat het precies? Leg ook uit hoe de aangemelde maatregelen zouden moeten bijdragen tot O&O&I-activiteiten in de Unie.

3. 

Licht toe of de steun bredere positieve O&O&I-gerelateerde effecten teweegbrengt.

Licht toe of deze positieve effecten worden weerspiegeld in beleidslijnen van de Unie (zoals de nieuwe EOR voor onderzoek en innovatie, de Europese Green Deal, de Europese digitale strategie en de nieuwe industriestrategie voor Europa).

4. 

Geef aan of de staatssteunmaatregel bijdraagt aan digitale transformatie van de bedrijfswereld van de Unie en de overgang van de Unie naar een koolstofarme of koolstofneutrale economie. Zo ja, leg dan uit op welke manier.

5. 

In het geval van een steunregeling: Maakt die steunregeling deel uit van een omvattend programma of actieplan om O&O&I-activiteiten of strategieën voor slimme specialisatie te bevorderen?

□Ja□Neen

Geef in voorkomend geval ook de verwijzing naar evaluaties van vergelijkbare steunmaatregelen uit het verleden:

6. 

Licht in voorkomend geval toe of de ondersteunde O&O&I-activiteiten in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 88 ).

Zo neen, leg uit of een alternatieve methodiek werd toegepast om O&O&I-activiteiten voor technologieën, producten of andere oplossingen voor ecologisch duurzame economische activiteiten vast te stellen.

6.2.7.1. Afweging van de positieve en de negatieve effecten van de steun

1. 

Geef aan waarom u van mening bent (zowel voor steunregelingen als voor individuele steun) dat de positieve effecten van de steun, zoals door u hierboven in deze rubriek aangegeven en onderbouwd, opwegen tegen de negatieve effecten van de steun op de mededinging en de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt.

7. OVERIGE INFORMATIE

1. 

Geef hier alle andere informatie die relevant kan zijn om de aangemelde steunmaatregel aan het steunkader te toetsen.

2. 

Voeg hieronder een lijst toe met alle bijlagen bij het formulier (daartoe behoren de relevante bewijsstukken, businessplannen, studies enz.). Geef duidelijk aan (punten, bladzijden, op een visuele manier) waar in deze bijlagen de informatie is opgenomen ter onderbouwing van de antwoorden in het formulier.

▼M8

DEEL III.3.A

Formulier aanvullende informatie voor steun ten behoeve van het redden van niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden: individuele steun

Dit formulier aanvullende informatie moet u gebruiken voor het aanmelden van individuele reddingssteun die valt onder de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden  ( 89 ) (hierna „de richtsnoeren” genoemd).

1.    Subsidiabiliteit

1.1.   Onderneming in moeilijkheden

A) 

Is de onderneming een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ( 90 ) waar meer dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal is verdwenen door opgebouwde verliezen ( 91 )?



□Ja.

□Neen.

B) 

Is de onderneming een vennootschap waarin ten minste sommige vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schulden van de onderneming ( 92 ) en waar meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming, zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de opgebouwde verliezen is verdwenen?



□Ja.

□Neen.

C) 

Loopt tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure of voldoet zij volgens het nationale recht aan de criteria om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen?



□Ja.

□Neen.

D) 

Ingeval de onderneming geen kmo is:

— 
bedroeg de verhouding tussen het vreemd en het eigen vermogen van de onderneming gedurende de voorbije twee jaar meer dan 7,5
en
— 
lag gedurende de voorbije twee jaar de rentedekkingsgraad, berekend op basis van de inkomsten vóór aftrek van interest, belastingen, afschrijvingen op activa en afschrijvingen op leningen en goodwill (EBITDA), lager dan 1,0?



□Ja.

□Neen.

E) 

Hebt u op een van de vragen in de punten A tot en met D „ja” geantwoord, onderbouw dan uw antwoord. Verwijs uw antwoord ook naar het ondersteunende bewijsmateriaal of de ondersteunende documenten uit de bijlage (recentste winst-en-verliesrekeningen met balansen, besluit van de rechter om een collectieve insolventieprocedure tegen de onderneming in te leiden, bewijs dat is voldaan aan de nationale wettelijke criteria om de onderneming, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te onderwerpen enz.).

1.2.   Een onderneming die te kampen heeft met acute liquiditeitsbehoeften

Indien de begunstigde onderneming volgens u in aanmerking komt voor reddingssteun, ook al vormt zij geen onderneming in moeilijkheden, leg uit waarom u vindt dat de onderneming als gevolg van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden te maken heeft met acute liquiditeitsbehoeften. Voeg ook verwijzingen toe naar het ondersteunende bewijsmateriaal of de ondersteunende documenten (bijv. kasstroomprognoses).

1.3.   Nieuw opgerichte onderneming of grotere ondernemingsgroep

A) 

Wanneer is de onderneming opgericht?

B) 

Sedert wanneer is de onderneming in bedrijf?

C) 

Behoort de onderneming tot een grotere ondernemingsgroep?



□Ja.

□Neen.

D) 

Hebt u op punt C „ja” geantwoord? Verschaf dan volledige gegevens over de ondernemingsgroep (organogram waaruit de onderlinge banden tussen de leden van de ondernemingsgroep blijken, met bijzonderheden aangaande kapitaal en stemrechten). Toon ook aan dat de moeilijkheden ondernemingsspecifiek zijn en niet het gevolg van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep en dat die moeilijkheden van de onderneming te groot zijn om door de ondernemingsgroep zelf te kunnen worden opgelost.

1.4.   Sectoraal toepassingsbereik

Gaat het om een onderneming uit:



A)  de kolenindustrie? (1)

□Ja.

□Neen.

B)  de ijzer- en staalindustrie (2)?

□Ja.

□Neen.

C)  sectoren die vallen onder specifieke regels voor financiële instellingen (3)?

□Ja.

□Neen.

(1)   

In de zin van Besluit 2010/787/EU.

(2)   

In de zin van bijlage IV bij de mededeling van de Commissie „Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020” (PB C 209 van 23.7.2013, blz. 1).

(3)   

Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis („Bankenmededeling”) (PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1).

2.    Verenigbaarheid met de interne markt

2.1.   Bijdrage aan een doelstelling van gemeenschappelijk belang

A) 

Is de begunstigde onderneming gevestigd in een regio of in regio's (op NUTS II-niveau) waar het werkloosheidspercentage hetzij:

— 
hoger ligt dan het Uniegemiddelde, hardnekkig is en gepaard gaat met moeilijkheden om nieuwe werkgelegenheid in de betrokken regio('s) te scheppen?
of
— 
hoger ligt dan het landelijke gemiddelde, hardnekkig is en gepaard gaat met moeilijkheden om nieuwe werkgelegenheid in de betrokken regio('s) te scheppen?



□Ja.

□Neen.

B) 

Bestaat er een risico op verstoring van een belangrijke dienst die moeilijk te dupliceren is en zou het voor concurrenten moeilijk zijn om zomaar in te stappen (bijv. een landelijke aanbieder van infrastructuur)?



□Ja.

□Neen.

C) 

Heeft de onderneming een aanzienlijke systemische relevantie voor een bepaalde regio of sector? Zou het verdwijnen van de onderneming (bijvoorbeeld als aanbieder van een belangrijke toevoer) potentieel negatieve gevolgen hebben?



□Ja.

□Neen.

D) 

Bestaat er een risico op verstoring van de continuïteit in het beheer van een DAEB?



□Ja.

□Neen.

E) 

Zou het falen van de kredietmarkten of negatieve prikkels op die markten een anders levensvatbare onderneming in het faillissement storten?



□Ja.

□Neen.

F) 

Zou het van de markt verdwijnen van de betrokken onderneming leiden tot onherstelbaar verlies van belangrijke technische kennis of deskundigheid?



□Ja.

□Neen.

G) 

Zou het verdwijnen van de begunstigde onderneming leiden tot vergelijkbare ernstige problemen die niet in de bovenstaande lijst voorkomen?



□Ja.

□Neen.

H) 

Hebt u op een van de vragen in de punten A tot en met G „ja” geantwoord, onderbouw dan uw antwoord(en). Voeg ook verwijzingen toe naar verder ondersteunend bewijsmateriaal of naar ondersteunende documenten uit een bijlage.

2.2.   Geschikt karakter/Vorm van de steun

A) 

Wordt de steun verleend in de vorm van kredietgaranties of leningen?



□Ja.

□Neen.

B) 

Hebt u hier „ja” geantwoord, beschrijf dan de voorwaarden van de lening of garantie. Voeg ook de nodige documenten bij (bijv. ontwerp van de kredietovereenkomst, ontwerpgarantie).

C) 

Is de rentevoet van de lening (of in voorkomend geval de totale financieringskosten van de gegarandeerde lening, met inbegrip van de rentevoet van de lening en de garantiepremie) vastgesteld als een percentage dat ten minste het referentiepercentage bedraagt zoals dat is bepaald in de mededeling van de Commissie over het referentiepercentage ( 93 ) voor zwakke ondernemingen met een normale zekerheidsstelling?



□Ja.

□Neen.

D) 

Leg uit waarvoor de reddingssteun zal worden gebruikt: Zal de reddingssteun worden gebruikt voor het financieren van structurele maatregelen, zoals de overname van andere belangrijke bedrijfsonderdelen of activa dan die welke tijdens de reddingsperiode vereist zijn voor het overleven van de begunstigde onderneming?



□Ja.

□Neen.

E) 

Zo ja, licht toe:

F) 

Zal de lening zijn terugbetaald of zal de kredietgarantie worden beëindigd binnen een termijn van maximaal zes maanden na de betaling van de eerste tranche aan de begunstigde onderneming?



□Ja.

□Neen.

G) 

Zegt u toe om de Commissie uiterlijk zes maanden nadat toestemming is gegeven voor de maatregel tot redding van de onderneming het volgende te delen:

— 
hetzij het bewijs dat de lening volledig is terugbetaald en/of dat de garantie is stopgezet?
— 
hetzij een herstructureringsplan?
— 
hetzij een vereffeningsplan waarin in detail de stappen worden beschreven die binnen een redelijk tijdsbestek leiden tot de vereffening van de begunstigde onderneming zonder verdere steun?



□Ja.

□Neen.

2.3.   Evenredigheid van het steunbedrag/steun beperkt tot het minimum

Is het bedrag van de reddingssteun vastgesteld volgens de in bijlage I bij de richtsnoeren uiteengezette formule?



□Ja.

□Neen.

Zo ja, geef dan de berekening van het bedrag van de reddingssteun overeenkomstig die formule.

Valt het bedrag van de reddingssteun hoger uit dan de berekeningen op basis van de in bijlage I bij de richtsnoeren uiteengezette formule? Verschaf dan een goed onderbouwd liquiditeitsplan waarin de liquiditeitsbehoeften van de begunstigde onderneming voor de komende zes maanden worden beschreven:

2.4.   Negatieve effecten — Eenmalig karakter van de steun

Heeft de onderneming (of de groep waarvan zij deel uitmaakt) in het verleden reeds reddingssteun of herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun ( 94 ) en/of niet-aangemelde steun ontvangen?



□Ja.

□Neen.

Zo ja, gelieve alle bijzonderheden te vermelden (datum, bedrag, in voorkomend geval verwijzing naar een eerder besluit van de Commissie enz.) ( 95 ):

3.    Andere informatie

Geef hier alle andere informatie die u van belang acht voor de beoordeling van de betrokken maatregel(en) in het licht van de richtsnoeren:

DEEL III.3.B

Formulier aanvullende informatie voor steun ten behoeve van de herstructurering van niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden: individuele steun

Dit formulier aanvullende informatie moet u gebruiken voor het aanmelden van individuele herstructureringssteun die valt onder de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden  ( 96 ) (hierna „de richtsnoeren” genoemd).

1.    Subsidiabiliteit

1.1.   Onderneming in moeilijkheden

A) 

Is de onderneming een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ( 97 ) waar meer dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal is verdwenen door de opgebouwde verliezen ( 98 )?



□Ja.

□Neen.

B) 

Is de onderneming een vennootschap waarin ten minste sommige vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schulden van de onderneming ( 99 ) en waar meer dan de helft van haar kapitaal zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld door de gecumuleerde verliezen is verdwenen?



□Ja.

□Neen.

C) 

Loopt tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure of voldoet de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria om op verzoek van haar schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen?



□Ja.

□Neen.

D) 

Ingeval de onderneming geen kmo is:

— 
bedroeg de verhouding tussen het vreemd en het eigen vermogen van de onderneming tijdens de voorbije twee jaar meer dan 7,5
en
— 
lag de rentedekkingsgraad van de onderneming, berekend op basis van de inkomsten vóór aftrek van interest, belastingen, afschrijvingen op activa en afschrijvingen op leningen en goodwill (EBITDA), de voorbije twee jaar lager dan 1,0?



□Ja.

□Neen.

E) 

Hebt u op een van de vragen in de punten A tot en met D „ja” geantwoord, onderbouw dan uw antwoord. Verwijs in uw antwoord ook naar het ondersteunende bewijsmateriaal of de ondersteunende documenten uit een bijlage (recentste winst-en-verliesrekeningen met balansen, besluit van de rechter om een collectieve insolventieprocedure tegen de onderneming in te leiden, bewijs dat is voldaan aan de criteria om de onderneming op verzoek van haar schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te onderwerpen enz.).

1.2.   Nieuw opgerichte onderneming of grotere ondernemingsgroep

A) 

Wanneer is de onderneming opgericht? …

B) 

Sedert wanneer is de onderneming in bedrijf? …

C) 

Behoort de onderneming tot een grotere ondernemingsgroep?



□Ja.

□Neen.

D) 

Zo ja, verschaf dan volledige gegevens over de ondernemingsgroep (organogram waaruit de onderlinge banden tussen de leden van de ondernemingsgroep blijken, met bijzonderheden aangaande kapitaal en stemrechten). Verschaf ook bewijsmateriaal dat de moeilijkheden ondernemingsspecifiek zijn en niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep, en dat die moeilijkheden van de onderneming te groot zijn om door de ondernemingsgroep zelf te kunnen worden opgelost.

1.3.   Sectoraal toepassingsbereik

Gaat het om een onderneming uit:



A)  de kolenindustrie (1)?

□Ja.

□Neen.

B)  de ijzer- en staalindustrie (2)?

□Ja.

□Neen.

C)  sectoren die vallen onder specifieke regels voor financiële instellingen (3)?

□Ja.

□Neen.

(1)   

In de zin van Besluit 2010/787/EU.

(2)   

In de zin van bijlage IV bij de mededeling van de Commissie „Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020” (PB C 209 van 23.7.2013, blz. 1).

(3)   

Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis („Bankenmededeling”) (PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1).

1.4.   DAEB-beheerder

A) 

Beheert de onderneming diensten van algemeen economisch belang (DAEB's)?



□Ja.

□Neen.

B) 

Hebt u in punt A „ja” geantwoord? Beschrijf dan die dienst(en) van algemeen economisch belang en voeg een kopie bij van het (de) toewijzingsbesluit(en).

C) 

Hebt u in punt A „ja” geantwoord? Geef dan het bedrag van de compensatie voor de openbare dienst die de onderneming ontvangt en beschrijf de methode voor de berekening van die compensatie. Verschaf ook de betrokken rechtsgrondslag waarin de methode voor de berekening van de compensatie voor de openbare dienst is vastgesteld.

2.    Verenigbaarheid met de interne markt

2.1.   Bijdrage aan een doelstelling van gemeenschappelijk belang

A) 

Is de begunstigde onderneming gevestigd in een regio of in regio's (op NUTS II-niveau) waar het werkloosheidspercentage:

— 
hetzij hoger ligt dan het Uniegemiddelde, hardnekkig is en gepaard gaat met moeilijkheden om nieuwe werkgelegenheid in de betrokken regio('s) te scheppen
— 
hetzij hoger ligt dan het landelijke gemiddelde, hardnekkig is en gepaard gaat met moeilijkheden om nieuwe werkgelegenheid in de betrokken regio('s) te scheppen?



□Ja.

□Neen.

B) 

Bestaat er een risico op verstoring van een belangrijke dienst die moeilijk te dupliceren is en zou het voor concurrenten moeilijk zou zijn om zomaar in te stappen (bijv. een landelijke aanbieder van infrastructuur)?



□Ja.

□Neen.

C) 

Heeft de onderneming een aanzienlijke systemische relevantie voor een bepaalde regio of sector? Zou het verdwijnen van de onderneming (bijvoorbeeld als aanbieder van een belangrijke toevoer) potentieel negatieve gevolgen hebben?



□Ja.

□Neen.

D) 

Bestaat er een risico op verstoring van de continuïteit in het beheer van een DAEB?



□Ja.

□Neen.

E) 

Zou het falen van de kredietmarkten of negatieve prikkels op die kredietmarkten een anders levensvatbare onderneming in het faillissement storten?



□Ja.

□Neen.

F) 

Zou het van de markt verdwijnen van de betrokken onderneming leiden tot onherstelbaar verlies van belangrijke technische kennis of deskundigheid?



□Ja.

□Neen.

G) 

Zou het verdwijnen van de begunstigde onderneming leiden tot vergelijkbare ernstige problemen die niet in de bovenstaande lijst voorkomen?



□Ja.

□Neen.

H) 

Hebt u op een van de vragen in de bovenstaande punten A tot en met G „ja” geantwoord, onderbouw dan uw antwoord(en). Voeg ook een verwijzing toe naar verder ondersteunend bewijsmateriaal of naar ondersteunende documenten uit een bijlage:

2.2.   Herstructureringsplan en herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn

Verschaf het herstructureringsplan ( 100 ) dat de levensvatbaarheid op lange termijn ( 101 ) van de begunstigde onderneming binnen een redelijk tijdsbestek moet herstellen. Verschaf ook een marktstudie en een gevoeligheidsanalyse waaruit blijkt welke parameters bepalend zijn voor de prestaties van de begunstigde onderneming en wat de belangrijke risicofactoren voor de toekomst zijn (volg hierbij zoveel mogelijk het indicatieve herstructureringsplan dat u in bijlage II bij de richtsnoeren vindt).

3.    Noodzaak van overheidsmaatregelen/stimulerend effect

3.1.

Verschaf een vergelijking tussen de in het herstructureringsplan beschreven maatregelen en een geloofwaardig alternatief scenario zonder staatssteun ( 102 ) om aan te tonen hoe, in het alternatieve scenario, de relevante doelstelling(en) uit punt 2.1 niet zou(den) worden bereikt of in mindere mate zou(den) worden bereikt.

3.2.

Toon aan dat de begunstigde onderneming zonder de steun zou zijn geherstructureerd, verkocht of geliquideerd op een wijze waarmee de in punt 2.1 genoemde doelstelling van gemeenschappelijk belang niet zou zijn behaald.

4.    Geschikt instrument

4.1.

Beschrijf kort het gekozen staatssteuninstrument, met inbegrip van vorm, bedrag en vergoeding ( 103 ):

4.2.

Zijn de problemen van de begunstigde veroorzaakt door liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen, of door beide?

4.3.

Toon aan dat de gekozen staatssteuninstrumenten geschikt zijn om de in punt 4.2 genoemde problemen (d.w.z. liquiditeit- of solvabiliteitproblemen) aan te pakken:

5.    Evenredigheid van het steunbedrag/steun beperkt tot het minimum

5.1.   Eigen bijdrage

A) 

Beloopt de eigen bijdrage van de begunstigde ten minste 50 % van de herstructureringskosten ( 104 )?



□Ja.

□Neen.

B) 

Beschrijf en kwantificeer elke categorie te maken herstructureringskosten, geef het totale bedrag van die kosten en vermeld welk percentage van de herstructureringskosten door de eigen bijdrage zal worden gedekt:

C) 

Beschrijf en kwantificeer de eigen bijdrage in de herstructureringskosten die zal worden geleverd uit de eigen middelen van de onderneming, haar aandeelhouders of schuldeisers of de ondernemingsgroep waarvan zij deel uitmaakt, of van nieuwe investeerders:

D) 

Waarom is die eigen bijdrage volgens u reëel en vrij van steun?

E) 

Toon aan dat de eigen bijdrage, wat het effect op de solvabiliteit of liquiditeit van de begunstigde onderneming betreft, vergelijkbaar is met de verleende steun. ( 105 ). Is dat niet het geval, leg dan uit waarom. Verwijs waar nodig naar ondersteunende documenten (bijv. balansen, kasstroomoverzichten):

5.2.   Lastendeling

Dit deel moet u invullen indien de staatssteun wordt toegekend in een vorm die de eigenvermogenspositie van de begunstigde onderneming versterkt  ( 106 ).

A) 

Hebben de bestaande aandeelhouders en/of houders van achtergestelde schulden volledig rekenschap gegeven voor de schulden, zijn die schulden aan hen volledig toegewezen en hebben zij die volledig geabsorbeerd?



□Ja.

□Neen.

B) 

Hebt u in punt A „ja” geantwoord, verschaf dan het nodige bewijsmateriaal, op basis van een actuele analyse van de balanspositie van de begunstigde onderneming:

C) 

Zal tijdens de herstructureringsperiode worden voorkomen dat financiële middelen van de begunstigde onderneming wegvloeien naar de houders van aandelenkapitaal en/of achtergestelde schulden?



□Ja.

□Neen.

D) 

Hebt u in punt C „neen” geantwoord, leg dan uit waarom:

E) 

Ontvangt de Staat een redelijk deel van de toekomstige waardestijgingen van de begunstigde onderneming, gelet op de verhouding tussen enerzijds het door de Staat ingebrachte kapitaal en anderzijds het eigen vermogen van de onderneming na verrekening van de verliezen?



□Ja.

□Neen.

F) 

Hebt u in punt E „ja” geantwoord, onderbouw dan uw antwoord en verschaf het nodige bewijsmateriaal:

G) 

Indien de verliezen van de begunstigde niet volledig zijn geabsorbeerd (zie punt A) en/of tijdens de herstructureringsperiode niet wordt voorkomen dat financiële middelen van de begunstigde onderneming wegvloeien naar de houders van aandelenkapitaal en/of achtergestelde schulden (zie punt C), leg dan uit waarom. Leg met name uit waarom de onverkorte toepassing van die voorwaarden tot onevenredige resultaten zou leiden:

H) 

Dragen houders van niet-achtergestelde schulden bij tot het herstel van de eigenvermogenspositie van de begunstigde onderneming?



□Ja.

□Neen.

I) 

Hebt u in punt H „ja” geantwoord, leg dan uit hoe houders van niet-achtergestelde schulden zullen bijdragen:

6.    Negatieve effecten

6.1.   Eenmalig karakter van de steun

Heeft de onderneming (of de groep waarvan zij deel uitmaakt) reeds reddingssteun of herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun ( 107 ) en/of niet-aangemelde steun ontvangen?



□Ja.

□Neen.

Zo ja, gelieve alle bijzonderheden te vermelden (datum, bedrag, in voorkomend geval verwijzing naar een eerder besluit van de Commissie enz.) ( 108 ):

6.2.   Maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging

Structurele maatregelen — afstotingen en inkrimpingen van bedrijfsactiviteiten

A) 

Beschrijf de afstotingen van activa, capaciteitsinkrimping of vermindering van de aanwezigheid op de markt waarvan de uitvoering is toegezegd. Toon aan dat de afstotingen, afschrijvingen en sluitingen van verliesgevende activiteiten die in de toezeggingen zijn opgenomen niet noodzakelijk zijn om de levensvatbaarheid van de begunstigde onderneming op de lange termijn te herstellen. Geef ook aan op welke relevante markten die afstotingen zullen plaatsvinden en volgens welk tijdschema ( 109 ). Geef bovendien aan of de begunstigde onderneming afstotingen zal bevorderen, bijvoorbeeld door activiteiten af te schermen (ring-fencing) en door toe te zeggen om niet te proberen om klanten van het afgestoten bedrijfsonderdeel binnen te halen?

B) 

Indien structurele maatregelen bij wijze van uitzondering alleen plaatsvinden in de vorm van afstoting van activa zonder dat daarmee een levensvatbare entiteit tot stand komt die op de markt kan concurreren, toon dan aan dat geen andere vorm van structurele maatregelen haalbaar is of dat andere structurele maatregelen de economische levensvatbaarheid van de onderneming ernstig in gevaar zouden brengen:

Gedragsmaatregelen

C) 

Stemt de begunstigde onderneming ermee in om tijdens de herstructureringsperiode geen aandelen in ondernemingen te verwerven, tenzij een en ander van onmisbaar belang is om de levensvatbaarheid van de begunstigde onderneming op lange termijn te verzekeren en in dat geval aanmelding te doen bij en goedkeuring te vragen aan de Commissie?



□Ja.

□Neen.

D) 

Stemt de begunstigde onderneming erin toe om bij het op de markt brengen van haar producten en diensten de staatssteun niet als een concurrentievoordeel te adverteren?



□Ja.

□Neen.

E) 

Zijn er enige andere gedragsmaatregelen gepland?



□Ja.

□Neen.

Maatregelen om de markt open te stellen

F) 

Zullen de nationale autoriteiten of de begunstigde onderneming maatregelen nemen om opener, gezondere en meer concurrerende markten te bevorderen, bijvoorbeeld door het bevorderen van markttoetreding en -uittreding ( 110 )?



□Ja.

□Neen.

G) 

Hebt u in punt F „ja” geantwoord, beschrijf dan om welke maatregelen en welke markt het gaat. Geef ook aan hoe de maatregelen direct of indirect verband houden met de activiteiten van de begunstigde onderneming:

De ijking van maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging

H) 

Is enig gedeelte van de steun bestemd voor het dekken van de sociale kosten van de herstructurering ( 111 )?



□Ja.

□Neen.

I) 

Hebt u in punt H „ja” geantwoord, gelieve te specificeren.

7.    Andere informatie

7.1.

Geef hier alle andere informatie die u van belang acht om de betrokken maatregel(en) in het licht van de richtsnoeren te beoordelen (bijv. aangaande maatregelen om de inzetbaarheid van overtollige werknemers te verhogen of hen te helpen bij hun zoektocht naar een nieuwe baan):

DEEL III.3.C

Formulier aanvullende informatie voor reddingssteun, herstructureringssteun en/of tijdelijke flankerende herstructureringssteun: steunregelingen

Dit formulier aanvullende informatie moet u gebruiken voor regelingen inzake reddingssteun, herstructureringssteun en tijdelijke flankerende herstructureringssteun die vallen onder de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden  ( 112 ) (hierna „de richtsnoeren” genoemd).

1.    Toepassingsgebied van de regeling

1.1.

Gaat het bij regeling om de toekenning van:



a)  reddingssteun?

□Ja.

□Neen.

b)  herstructureringssteun?

□Ja.

□Neen.

c)  tijdelijke flankerende herstructureringssteun?

□Ja.

□Neen.

2.    Subsidiabiliteit

2.1.

Is de regeling beperkt tot kmo's ( 113 ) in moeilijkheden of tot kleinere overheidsbedrijven in moeilijkheden ( 114 ) (tenzij anders aangegeven, hierna samen „kmo's” genoemd)?



□Ja.

□Neen.

2.2.

Is de regeling beperkt tot kmo's die voldoen aan een van de volgende criteria om in aanmerking te komen?

a) 

Zijn de kmo's vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid ( 115 ) waar meer dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal is verdwenen door de opgebouwde verliezen ( 116 )?



□Ja.

□Neen.

b) 

Zijn de kmo's ondernemingen waarin ten minste sommige vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schulden van de onderneming ( 117 ) en waar meer dan de helft van het kapitaal zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld door de opgebouwde verliezen is verdwenen?



□Ja.

□Neen.

c) 

Loopt tegen de kmo's een collectieve insolventieprocedure of voldoen zij volgens het nationale recht aan de criteria om, op verzoek van hun schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen?



□Ja.

□Neen.

d) 

In het geval van kleinere overheidsbedrijven: bedroeg de verhouding tussen het vreemd en het eigen vermogen van de onderneming meer dan 7,5 en lag gedurende de voorbije twee jaar de rentedekkingsgraad, berekend op basis van de inkomsten vóór aftrek van interest, belastingen, afschrijvingen op activa en afschrijvingen op leningen en goodwill (EBITDA), lager dan 1,0?



□Ja.

□Neen.

2.3.

Is in de regeling bepaald dat reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun, of beide, kan worden toegekend aan kmo's die niet kwalificeren als onderneming in moeilijkheden, maar die als gevolg van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden wel te kampen hebben met acute liquiditeitsbehoeften?



□Ja.

□Neen.

2.4.

Indien u in punt 2.3 „ja” heeft geantwoord: Hoe zal worden beoordeeld of een kmo met acute liquiditeitsbehoeften te kampen heeft en welke omstandigheden zullen als uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden gelden?

2.5.

Is de regeling van toepassing op nieuw opgerichte kmo's?



□Ja.

□Neen.

2.6.

Is de regeling van toepassing op kmo's die actief zijn in:



a)  de kolenindustrie (1)?

□Ja.

□Neen.

b)  de ijzer- en staalindustrie (2)?

□Ja.

□Neen.

c)  sectoren die vallen onder specifieke regels voor financiële instellingen (3)?

□Ja.

□Neen.

(1)   

In de zin van Besluit 2010/787/EU.

(2)   

In de zin van bijlage IV bij de mededeling van de Commissie „Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020” (PB C 209 van 23.7.2013, blz. 1).

(3)   

Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis („Bankenmededeling”) (PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1).

3.    Maximaal steunbedrag

3.1.

Is het totale maximumbedrag aan steun dat in het kader van de regeling aan één kmo wordt toegekend, beperkt tot maximaal 10 miljoen EUR, met inbegrip van steun uit andere bronnen of op grond van andere regelingen?



□Ja.

□Neen.

3.2.

Wat is het maximumbedrag aan steun dat aan een kmo in het kader van de regeling kan worden toegekend?

4.    Verenigbaarheid met de interne markt

Reddingssteun, herstructureringssteun en tijdelijke flankerende herstructureringssteun

4.1.

Bijdrage aan een doelstelling van gemeenschappelijk belang

a) 

Is de regeling alleen van toepassing in gevallen waarin het verdwijnen van de begunstigde onderneming waarschijnlijk zal leiden tot sociale problemen of marktfalen, met name wanneer:

— 
het verdwijnen van een innovatieve kmo of van een kmo met groot groeipotentieel kan leiden tot negatieve gevolgen?



□Ja.

□Neen.

— 
het verdwijnen van een kmo met uitgebreide banden met andere lokale of regionale kmo's kan leiden tot negatieve gevolgen?



□Ja.

□Neen.

— 
marktfalen of negatieve prikkels op kredietmarkten een anders levensvatbare kmo in het faillissement zouden storten?



□Ja.

□Neen.

— 
zich vergelijkbare probleemsituaties zouden voordoen die de begunstigde onderneming afdoende kan staven?



□Ja.

□Neen.

b) 

Hebt u op een van de vragen in punt a) „ja” geantwoord, onderbouw dan uw antwoord(en) omstandig. Licht ook de criteria toe aan de hand waarvan de nationale autoriteiten de bijdragen tot de doelstellingen van gemeenschappelijk belang zullen beoordelen:

Herstructureringssteun

4.2.   Herstructureringsplan en herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn

Wat de toekenning van herstructureringssteun betreft, wordt in de regeling geëist dat een herstructureringsplan ( 118 ) wordt verschaft op basis waarvan binnen een redelijk tijdsbestek de levensvatbaarheid van de begunstigde onderneming op lange termijn ( 119 ) wordt hersteld? (Een indicatief herstructureringsplan vindt u in bijlage II bij de richtsnoeren.)



□Ja.

□Neen.

5.    Noodzaak van overheidsmaatregelen en stimulerend effect

5.1.

Wat de toekenning van herstructureringssteun betreft, wordt in de regeling geëist dat de nationale autoriteiten een vergelijking maken tussen de in het herstructureringsplan beschreven maatregelen en een geloofwaardig alternatief scenario waarmee geen staatssteun gemoeid is ( 120 ), om aan te tonen hoe, in het alternatieve scenario, de relevante doelstelling(en) van gemeenschappelijk belang uit deel 4.1 niet zou(den) worden bereikt of in mindere mate zou(den) worden bereikt? Met name, wordt in de regeling geëist dat wordt aangetoond dat — zonder de steun — de begunstigde onderneming zou zijn geherstructureerd, verkocht of ontbondenop een wijze waarmee de doelstelling van gemeenschappelijk belang (zoals beschreven in punt 4.1) niet zou zijn behaald?



□Ja.

□Neen.

5.2.

Hebt u in punt 5.1 „ja” geantwoord, leg dan uit aan de hand van welke criteria de nationale autoriteiten een en ander zullen beoordelen:

6.    Geschikt instrument

Reddingssteun

6.1.

Blijft de in het kader van de regeling toegekende steun beperkt tot steun in de vorm van kredietgaranties of leningen?



□Ja.

□Neen.

6.2.

Wordt in de regeling geëist dat de financiële kosten van de lening (of, in het geval van kredietgaranties, de totale financieringskosten van de gegarandeerde lening, met inbegrip van de rente van de lening en de garantiepremie) worden vastgesteld als een percentage dat ten minste het referentiepercentage bedraagt zoals dat is bepaald in de mededeling van de Commissie over het referentiepercentage ( 121 ) voor zwakke ondernemingen met een normale zekerheidsstelling?



□Ja.

□Neen.

6.3.

Is in de regeling bepaald dat de reddingssteun wordt toegekend voor maximaal zes maanden en dat in die periode de toestand van de begunstigde onderneming moet worden onderzocht?



□Ja.

□Neen.

6.4.

Is in de regeling bepaald dat binnen zes maanden na de toekenning van de reddingssteun de lening moet zijn afgelost of de garantie moet zijn stopgezet, tenzij vóór dat tijdstip: a) de nationale autoriteiten een herstructurerings- of vereffeningsplan hebben goedgekeurd, of b) (in het geval van tijdelijke flankerende herstructureringssteun) de begunstigde onderneming een vereenvoudigd herstructureringsplan ( 122 ) heeft ingediend?



□Ja.

□Neen.

6.5.

Wordt in de regeling geëist dat de reddingssteun niet mag worden gebruikt voor het financieren van structurele maatregelen, zoals de overname van andere belangrijke bedrijfsonderdelen of activa dan die welke tijdens de reddingsperiode vereist zijn voor het overleven van de begunstigde onderneming?



□Ja.

□Neen.

Herstructureringssteun

6.6.

Leg uit op basis van welke criteria de nationale autoriteiten zullen beoordelen in hoeverre de problemen van de begunstigde verband houden met liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen (of beide) en hoe zij de staatssteuninstrumenten zullen selecteren waarmee de vastgestelde problemen het best kunnen worden aangepakt.

Tijdelijke flankerende herstructureringssteun

6.7.

Blijft de in het kader van de regeling toegekende tijdelijke flankerende herstructureringssteun beperkt tot steun in de vorm van kredietgaranties of leningen?



□Ja.

□Neen.

6.8.

Wordt in de regeling geëist dat de financiële kosten van de lening (of, in het geval van kredietgaranties, de totale financieringskosten van de gegarandeerde lening, met inbegrip van de rente van de lening en de garantiepremie) worden vastgesteld als een percentage dat ten minste het referentiepercentage bedraagt zoals dat is bepaald in de mededeling van de Commissie over het referentiepercentage voor zwakke ondernemingen met een normale zekerheidsstelling?



□Ja.

□Neen.

6.9.

Wordt in de regeling geëist dat de vergoeding voor de tijdelijke flankerende herstructureringssteun wordt verhoogd met ten minste 50 basispunten nadat twaalf maanden zijn verstreken sinds het tijdstip waarop de eerste tranche aan de begunstigde onderneming is betaald (onder aftrek van de eventuele daaraan onmiddellijk voorafgaande periode van reddingssteun)?



□Ja.

□Neen.

6.10.

Wordt in de regeling bepaald dat tijdelijke flankerende herstructureringssteun voor maximaal 18 maanden wordt toegekend (onder aftrek van de eventuele daaraan onmiddellijk voorafgaande periode van reddingssteun)?



□Ja.

□Neen.

6.11.

Wordt in de regeling bepaald dat de nationale autoriteiten uiterlijk zes maanden na de betaling aan de begunstigde van de eerste tranche van de tijdelijke flankerende herstructureringssteun (onder aftrek van de eventuele daaraan onmiddellijk voorafgaande periode van reddingssteun) een vereenvoudigd herstructureringsplan zullen goedkeuren?



□Ja.

□Neen.

6.12.

Wordt in de regeling bepaald dat, binnen 18 maanden te rekenen vanaf de datum van toekenning van de tijdelijke flankerende herstructureringssteun (onder aftrek van de eventuele daaraan onmiddellijk voorafgaande periode van reddingssteun) de lening moet zijn afgelost of de garantie moet zijn stopgezet, tenzij de nationale autoriteiten voordien een herstructurerings- of vereffeningsplan van de begunstigde hebben goedgekeurd?



□Ja.

□Neen.

7.    Evenredigheid van het steunbedrag of steun beperkt tot het minimum

Reddingssteun en tijdelijke flankerende herstructureringssteun

7.1.   Steunbedrag

a) 

Wordt in de regeling bepaald dat het steunbedrag niet hoger zal uitvallen dan de berekeningen op basis van de in bijlage I bij de richtsnoeren uiteengezette formule?



□Ja.

□Neen.

b) 

Hebt u op punt a) „neen” geantwoord, wordt in de regeling dan geëist dat een liquiditeitsplan wordt opgesteld waarin de liquiditeitsbehoeften van de begunstigde onderneming voor de komende zes maanden (18 maanden in het geval van tijdelijke flankerende herstructureringssteun) worden beschreven?



□Ja.

□Neen.

c) 

Hebt u op punt b) „ja” geantwoord, leg dan uit op basis waarvan en op basis van welke gegevens de nationale autoriteiten zullen beoordelen of het liquiditeitsplan waarin de liquiditeitsbehoeften van de begunstigde onderneming voor de komende zes maanden (18 maanden in het geval van tijdelijke flankerende herstructureringssteun) worden beschreven, goed is onderbouwd.

Herstructureringssteun

7.2.   Eigen bijdrage

a) 

Wordt in de regeling geëist dat een reële bijdrage, vrij van steun, wordt geleverd uit de eigen middelen van de begunstigde onderneming, haar aandeelhouders, schuldeisers, de ondernemingsgroep waarvan zij deel uitmaakt of van nieuwe investeerders, waarbij die bijdrage ten minste 40 % van de herstructureringskosten bedraagt in het geval van middelgrote ondernemingen of ten minste 25 % van de herstructureringskosten in het geval van kleine ondernemingen?



□Ja.

□Neen.

b) 

Hebt u op punt a) „ja” geantwoord, leg dan uit welke elementen de nationale autoriteiten in aanmerking zullen nemen om te beoordelen of het gaat om een reële eigen bijdrage, vrij van steun.

c) 

Wordt in de regeling geëist dat de eigen bijdrage, wat het effect op de solvabiliteit of liquiditeit van de begunstigde onderneming betreft, vergelijkbaar is met de verleende steun ( 123 )?



□Ja.

□Neen.

d) 

Hebt u op punt c) „ja” geantwoord, leg dan uit aan de hand van welke criteria de nationale autoriteiten een en ander zullen beoordelen:

7.3.   Lastendeling

Dit deel moet u invullen indien in de regeling is bepaald dat de staatssteun kan worden toegekend in een vorm die de eigenvermogenspositie van de begunstigde onderneming versterkt  ( 124 ).

a) 

Wordt in de regeling bepaald dat overheidsmaatregelen pas mogen plaatsvinden nadat volledig rekenschap is gegeven voor de schulden en zij aan de bestaande aandeelhouders en aan de houders van achtergestelde schulden zijn toegewezen?



□Ja.

□Neen.

b) 

Zal, voor zover dat wettelijk mogelijk is, tijdens de herstructureringsperiode worden voorkomen dat financiële middelen van de begunstigde onderneming wegvloeien naar de houders van aandelenkapitaal en achtergestelde schulden?



□Ja.

□Neen.

c) 

Hebt u op punt b) „neen” geantwoord, leg dan uit op basis van welke criteria de nationale autoriteiten zullen beoordelen of daarmee de partijen die vers aandelenkapitaal hebben ingebracht, niet onevenredig worden getroffen?

d) 

Zullen de nationale autoriteiten uitzonderingen toestaan op de voorwaarden uit de punten a) en b) hierboven?

□ 

Neen.

□ 

Ja. Zo ja, licht toe.

e) 

Is in de regeling bepaald dat de Staat een redelijk deel van de toekomstige waardestijgingen van de begunstigde onderneming zal ontvangen, gelet op de verhouding tussen enerzijds het door de Staat ingebrachte kapitaal en anderzijds het eigen vermogen van de onderneming na verrekening van de verliezen?



□Ja.

□Neen.

8.    Negatieve effecten

8.1.

Eenmalig karakter van de steun

Wordt in de regeling uitgesloten ( 125 ) dat steun wordt verstrekt aan een kmo die in het verleden reddingssteun of herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun ( 126 ) en/of niet-aangemelde steun heeft ontvangen?



□Ja.

□Neen.

Herstructureringssteun

8.2.

Maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging ( 127 )

Structurele maatregelen — afstotingen en inkrimpingen van bedrijfsactiviteiten

a) 

Worden in de regeling van de begunstigde ondernemingen afstotingen van activa, capaciteitsinkrimpingen of verminderingen van de aanwezigheid op de markt geëist ( 128 ), waarbij ook moet worden aangegeven op welke relevante markten die afstotingen zullen plaatsvinden ( 129 ) en volgens welk tijdschema ( 130 )?



□Ja.

□Neen.

b) 

Wordt in de regeling verklaard dat structurele maatregelen normaal de vorm dienen aan te nemen van afstoting, bij voortzetting van de bedrijfsactiviteiten, van levensvatbare, zelfstandig functionerende bedrijfsonderdelen die, mits zij door een geschikte overnemer worden geëxploiteerd, op lange termijn daadwerkelijk kunnen concurreren?



□Ja.

□Neen.

c) 

Hebt u op punt b) „neen” geantwoord, wordt dan in de regeling bepaald dat, ingeval dit soort onderdelen niet voorhanden zijn, de begunstigde onderneming een bestaande en afdoende gefinancierde activiteit kan afsplitsen en vervolgens afstoten, om zo een nieuwe en levensvatbare entiteit te creëren die op de markt zou moeten kunnen concurreren?



□Ja.

□Neen.

d) 

Indien volgens de regeling structurele maatregelen alleen mogen plaatsvinden in de vorm van afstoting van activa, zonder dat daarmee een levensvatbare entiteit tot stand komt die op de markt kan concurreren, moet dan worden aangetoond dat geen andere vorm van structurele maatregelen haalbaar is of dat andere structurele maatregelen de economische levensvatbaarheid van de onderneming ernstig in gevaar zouden brengen?



□Ja.

□Neen.

Gedragsmaatregelen

e) 

Verlangd de regeling van de begunstigde onderneming dat zij ervan afziet om gedurende de herstructureringsperiode aandelen in ondernemingen te verwerven, tenzij dat onontbeerlijk is om de levensvatbaarheid op lange termijn te verzekeren?



□Ja.

□Neen.

f) 

Wordt in de regeling geëist dat de begunstigde onderneming erin toestemt om bij het op de markt brengen van haar producten en diensten de staatssteun niet als een concurrentievoordeel te adverteren?



□Ja.

□Neen.

g) 

Wordt in de regeling bepaald dat de begunstigde onderneming dient af te zien van commerciële gedragingen die gericht zijn op een snelle uitbreiding van haar marktaandeel voor specifieke producten of op geografische markten door het aanbieden van voorwaarden (bijv. op het gebied van prijzen en andere commerciële voorwaarden) die niet haalbaar zijn voor concurrenten die geen staatssteun ontvangen?



□Ja.

□Neen.

h) 

Hebt u in punt g) „ja” geantwoord, onder welke voorwaarden dan? Leg uit:

i) 

Wordt door de regeling in andere gedragsmaatregelen voorzien?

□ 

Neen.

□ 

Ja. Zo ja, beschrijf die dan:

Maatregelen om de markt open te stellen

j) 

Biedt de regeling de mogelijkheid aan de nationale autoriteiten of de begunstigde onderneming om maatregelen te nemen om opener, gezondere en meer concurrerende markten te bevorderen, bijvoorbeeld door het bevorderen van markttoetreding en -uittreding ( 131 )?



□Ja.

□Neen.

k) 

Hebt u in punt j) „ja” geantwoord, gelieve dan nader te beschrijven:

9.    Algemeen

9.1.

Is de regeling van toepassing op kmo's die in een steungebied actief zijn?



□Ja.

□Neen.

9.2.

Gelden in het kader van deze regeling bijzondere bepalingen voor kmo's in steungebieden?



□Ja.

□Neen.

9.3.

Hebt u in punt 9.2 „ja” geantwoord, leg dan uit welke bijzondere bepalingen van toepassing zijn en waarom die bijzondere bepalingen verantwoord zijn.

9.4.

Zijn de nationale autoriteiten voornemens in te stemmen met een bijdrage die minder bedraagt dan 40 % van de herstructureringskosten in het geval van middelgrote ondernemingen of minder dan 25 % van de herstructureringskosten in het geval van kleine ondernemingen?



□Ja.

□Neen.

9.5.

Hebt u in punt 9.4 „ja” geantwoord, leg dan uit hoe de nationale autoriteiten de vereisten zullen toepassen inzake de maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging om de negatieve systemische impact voor de regio te beperken.

10.    Andere informatie

Geef hier alle andere informatie die u van belang acht om de aangemelde steunmaatregel in het licht van de richtsnoeren te beoordelen (bijv. aangaande maatregelen om de inzetbaarheid van overtollige werknemers te verhogen of hen te helpen bij hun zoektocht naar een nieuwe baan):

DEEL III.4

Formulier aanvullende informatie voor steun ten behoeve van films en andere audiovisuele werken

Dit formulier aanvullende informatie moet u gebruiken voor het aanmelden van steun die onder de mededeling van de Commissie betreffende staatssteun voor films en andere audiovisuele werken  ( 132 ) valt.

1.    Kenmerken van de aangemelde steunmaatregel(en)

1.1.

Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk het doel van de steun, in voorkomend geval voor elk van de maatregelen.

1.2.

Beschrijf het toepassingsgebied van elke maatregel, in termen van:

1.2.1.

het soort activiteiten waarop hij ziet (bijv. ontwikkeling, productie, distributie);

1.2.2.

het soort werken waarop hij ziet (bijv. cinematografische werken, televisieseries, transmediale projecten).

1.3.

Indien de steunregeling ook een maatregel ter ondersteuning van transmediale projecten bevat, houden de gesteunde activiteiten dan rechtstreeks verband met de component „filmproductie” van het werk?



□Ja.

□Neen.

1.4.

Vermeld de bepalingen waardoor de culturele doelstelling van de steun wordt gewaarborgd:

2.    Voorwaarden voor subsidiabiliteit

2.1.

Vermeld de voorwaarden onder de voorgenomen maatregel voor de subsidiabiliteit van activiteiten of werken:

2.2.

Vermeld de voorwaarden waaronder begunstigden onder de voorgenomen maatregel in aanmerking komen voor steun:

— 
Wordt in de regeling onderscheid gemaakt op basis van nationaliteit of vestigingsplaats?
— 
Moeten de begunstigden nog aan andere voorwaarden voldoen, behalve dat zij zijn vertegenwoordigd door een vaste inrichting op het tijdstip dat de steun wordt uitbetaald?
— 
Moeten de begunstigden, ingeval de steun een belastingvoordeel omvat, nog aan andere voorwaarden of verplichtingen voldoen dan de voorwaarde dat zij belastbare inkomsten hebben op het grondgebied van de lidstaat?
— 
Overige voorwaarden:

3.    Territoriale bestedingseisen

3.1.

Bevat de maatregel bepalingen waarin wordt geëist dat de producent het productiebudget (of delen daarvan) besteedt op het grondgebied van de lidstaat of in een van de deelgebieden daarvan:

3.1.1.

om voor steun in aanmerking te komen?



□Ja.

□Neen.

3.1.2.

als voorwaarden voor de toekenning van de steun?



□Ja.

□Neen.

3.2.

Gelden de territoriale bestedingseisen voor specifieke posten van het productiebudget?

3.3.

Indien een minimumniveau van territoriale besteding vereist is om voor steun in aanmerking te komen, geef dan een beschrijving van de voorwaarden:

3.3.1.

van impliciete aard (bijv. een minimaal aantal draaidagen voor de productie op het grondgebied):

3.3.2.

van expliciete aard (bijv. een minimumbedrag of -minimumpercentage aan bestedingen):

3.4.

Indien territoriale bestedingseisen aan de toekenning van de steun zijn verbonden, licht dan de volgende punten toe:

3.4.1.

Wordt de steun berekend als een percentage van de territoriale bestedingen?

3.4.2.

Wordt de vereiste territoriale besteding berekend ten opzichte van het totale budget van de film?

3.4.3.

Wordt de vereiste territoriale besteding berekend ten opzichte van het aan steun toegekende bedrag?

4.    In aanmerking komende kosten

Welke kosten worden in aanmerking genomen om het steunbedrag te bepalen?

5.    Steunintensiteit

5.1.

Zijn in de regeling steunintensiteiten van meer dan 50 % van het productiebudget mogelijk? Zo ja, voor welke soorten werken en welke plafonds gelden er voor de steunintensiteit?

5.2.

Indien het begrip „moeilijke audiovisuele werken” wordt gehanteerd, om welke categorieën werken gaat het dan (geef m.a.w. aan welke definitie is gebruikt)?

5.3.

Indien er in het kader van de regeling steun gaat naar het schrijven van scenario's of naar ontwikkeling, zijn de kosten van het schrijven van scenario's en ontwikkeling dan opgenomen in het productiebudget en worden zij meegerekend voor het berekenen van de steunintensiteit van het audiovisuele werk?

5.4.

Indien distributie- en promotieactiviteiten worden gesteund in het kader van de regeling, wat zijn dan in het kader van de regeling de toegestane steunintensiteiten?

6.    Cinematografisch erfgoed

Verschaf in voorkomend geval informatie over de maatregelen die zijn genomen ten behoeve van cinematografisch erfgoed:

7.    Verenigbaarheid

7.1.

Geef een gemotiveerde onderbouwing voor de verenigbaarheid van de steun in het licht van de beginselen zoals die zijn geformuleerd in de mededeling van de Commissie betreffende staatssteun voor films en andere audiovisuele werken:

7.2.

Gaat het bij de regeling om steun voor bioscopen? Geef dan een gemotiveerde onderbouwing voor de verenigbaarheid van de steun als steun ter bevordering van cultuur in de zin van artikel 107, lid 3, onder d), VWEU, met name wat betreft de noodzaak van de steun en de geschiktheid en de evenredigheid ervan:

8.    Andere informatie

Geef hier alle andere informatie die u van belang acht voor de beoordeling van de betrokken maatregel(en) in het licht van de mededeling van de Commissie betreffende staatssteun voor films en andere audiovisuele werken:

▼M11

DEEL III.5.A

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STAATSSTEUN VOOR INTRODUCTIEMAATREGELEN

Dit formulier aanvullende informatie moet worden gebruikt voor aanmeldingen van steun voor de uitrol van introductiemaatregelen die onder de richtsnoeren van de Commissie voor staatssteun aan breedbandnetwerken  ( 133 ) (hierna „de breedbandrichtsnoeren” genoemd) valt.

1. ALGEMENE INFORMATIE

1.1. Gelieve een gedetailleerde beschrijving van de steunmaatregel en van de doelstellingen ervan te geven.

1.2. Gelieve toe te lichten waarom de steunmaatregel volgens u staatssteun inhoudt ( 134 ).

1.3. Gelieve aan te geven of de steunmaatregel bestaat uit:

□ 

sociale vouchers ( 135 )

□ 

connectiviteitsvouchers ( 136 )

1.4. Gelieve toe te lichten hoe de steunmaatregel aansluit bij de nationale breedbandstrategie en het digitale beleid en de milieudoelstellingen van de Europese Unie ( 137 ).

1.5. Gelieve toe te lichten of de reden die de steunmaatregel rechtvaardigt, bestaat uit ( 138 ):

□ 

de financiële consequenties die een abonnement op breedbanddiensten met zich meebrengt. Zo ja, gelieve nadere gegevens hierover te verstrekken.

□ 

het niet op de hoogte zijn van de voordelen die een abonnement op breedbanddiensten oplevert. Zo ja, gelieve nadere gegevens hierover te verstrekken.

□ 

overige redenen. Zo ja, gelieve nadere gegevens hierover te verstrekken.

1.6. Gelieve de context van de steunmaatregel toe te lichten (bv. huidig niveau van dekking van breedbandnetwerken in de lidstaat, huidig niveau van benutting van breedbanddiensten), en aan te geven uit welke informatiebronnen deze afkomstig is.

1.7. Gelieve te bevestigen dat alle in deze aanmelding vermelde snelheden worden beschouwd als gemiddelde snelheden onder piektijdomstandigheden ( 139 ).

□Ja□Nee

1.8. Gelieve indien beschikbaar de volgende documenten mee te sturen en een beschrijving van de inhoud te geven.

□ 

Effectbeoordeling van de steunmaatregel. …

□ 

Ex-postevaluatieplannen van vergelijkbare voorgaande regelingen. …

□ 

Een contrafeitelijke analyse die aantoont dat de maatregel positieve effecten heeft ten opzichte van dat wat zonder de steun zou hebben plaatsgevonden. …

2. SOCIALE VOUCHERS

2.1. Gelieve aan te geven op welke specifieke categorieën individuele verbruikers de steunmaatregel is gericht, en de financiële omstandigheden te specificeren die het rechtvaardigen dat de steun om sociale redenen wordt toegekend (bv. gezinnen met een laag inkomen, studenten, leerlingen enz.) en de objectieve criteria die worden gebruikt om vast te stellen welke consumenten in aanmerking komen ( 140 ).

2.2. Gelieve een schatting te geven van het aantal consumenten dat van de steunmaatregel zou kunnen profiteren.

2.3. Gelieve aan te geven welke dienstverleners in aanmerking komen.

2.4. Gelieve aan te geven welke in aanmerking komende diensten onder de steunmaatregel vallen (bv. in termen van downloadsnelheid, uploadsnelheid enz.) en toe te lichten hoe uw autoriteiten deze diensten hebben aangewezen.

2.5. Gelieve aan te geven hoe de vouchers zullen worden gebruikt. Geef ook nadere bijzonderheden ( 141 ):

□ 

Abonnement op nieuwe breedbanddiensten. Nadere bijzonderheden:

□ 

Bestaande abonnementen houden. Nadere bijzonderheden:

□ 

Andere. Nadere bijzonderheden:

2.6. Gelieve aan te geven onder welke maatregel de in aanmerking komende kosten vallen ( 142 ).

2.7. Gelieve de maximale duur van de voucher te vermelden (indien van toepassing).

2.8. Gelieve de vorm en het bedrag van de vouchers te vermelden, aan te geven hoe dit bedrag is vastgesteld en welk percentage van de abonnementskosten door de voucher wordt gedekt.

2.9. Gelieve toe te lichten of en hoe de steunmaatregel in overeenstemming is met het beginsel van technologische neutraliteit ( 143 ).

2.10. Om aan te tonen dat de steunmaatregel een gelijke behandeling van alle mogelijke dienstverleners garandeert en consumenten een zo ruim mogelijke keuze aan leveranciers biedt ( 144 ), gelieve (met relevante details) te bevestigen dat ( 145 ):

(a) 

er een online register van alle in aanmerking komende dienstverleners (of een gelijkwaardig alternatief platform) zal worden opgezet.

(b) 

consumenten het register vrij kunnen raadplegen.

(c) 

alle ondernemingen die in aanmerking komende breedbanddiensten kunnen aanbieden, kunnen verzoeken om te worden opgenomen in het register (of in het gekozen alternatieve platform).

(d) 

het register (of het gekozen alternatieve platform) ook aanvullende informatie bevat om consumenten te helpen (bv. het soort diensten dat door de verschillende ondernemingen wordt aangeboden enz.). Zo ja, gelieve aan te geven welke aanvullende informatie is verstrekt.

2.11. Gelieve de uitvoeringsprocedure van de steunmaatregel nader toe te lichten.

2.12. Openbare raadpleging ( 146 ). Gelieve de volgende gegevens te verstrekken:

(a) 

Begin- en einddatum van elke uitgevoerde openbare raadpleging.

(b) 

Inhoud van elke uitgevoerde openbare raadpleging.

(c) 

Openbaar toegankelijke internetsite (op regionaal en nationaal niveau) waar de raadpleging is gepubliceerd.

(d) 

Een overzicht van de belangrijkste opmerkingen die de deelnemers aan elke openbare raadpleging hebben ingediend, met vermelding van de wijze waarop deze zijn behandeld.

2.13. Gelieve aan te geven of er aanvullende waarborgen zullen worden toegepast om eventueel misbruik van sociale vouchers te voorkomen. Zo ja, gelieve nadere gegevens hierover te verstrekken ( 147 ).

2.14. Gelieve aan te geven of de steunmaatregel voorziet in specifieke regels voor het beheer van het abonnement, onder meer met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging van het abonnement, de mogelijkheid om het abonnement tijdens de looptijd van de voucher over te zetten naar een andere aanbieder (zo ja, onder welke voorwaarden) en de voortzetting van het abonnement na het verstrijken van de voucher. Zo ja, gelieve nadere gegevens hierover te verstrekken.

3. CONNECTIVITEITSVOUCHERS

3.1. Gelieve aan te geven op welk type eindgebruikers de maatregel is gericht.

□ 

Consumenten

□ 

Bedrijven

3.2. Gelieve toe te lichten aan welke voorwaarden eindgebruikers moeten voldoen om connectiviteitsvouchers te krijgen.

3.3. Gelieve een schatting te geven van het aantal eindgebruikers dat baat zou kunnen hebben bij de steunmaatregel.

3.4. Gelieve aan te geven welke dienstverleners in aanmerking komen.

3.5. Gelieve aan te geven welke in aanmerking komende diensten onder de steunmaatregel vallen (bv. in termen van downloadsnelheid, uploadsnelheid enz.) en toe te lichten hoe uw autoriteiten deze diensten hebben aangewezen. Gelieve in dit verband de behoeften van de eindgebruikers aan te geven waarin kan worden voorzien door verbindingen die de in aanmerking komende diensten leveren, en gelieve daarvoor verifieerbare ondersteunende bewijzen te leveren (bv. consumentenenquêtes, onafhankelijke studies) ( 148 ).

3.6. Gelieve aan te geven hoe de vouchers zullen worden gebruikt en geef nadere bijzonderheden. Gelieve bovendien te bevestigen dat de vouchers niet kunnen worden gebruikt om bestaande abonnementen aan te houden ( 149 ).

□ 

Abonnement op nieuwe breedbanddiensten. Nadere bijzonderheden:

□ 

Bestaande abonnementen opwaarderen. Nadere bijzonderheden:

□ 

Bevestiging dat de vouchers niet kunnen worden gebruikt om bestaande abonnementen aan te houden. Nadere bijzonderheden:

3.7. Gelieve aan te geven onder welke maatregel de in aanmerking komende kosten vallen ( 150 ).

3.8. Gelieve de vorm en het bedrag van de vouchers aan te geven en te specificeren hoe dit bedrag is vastgesteld en welk percentage van de abonnementskosten door de voucher wordt gedekt) ( 151 ).

3.9. Gelieve toe te lichten of en hoe de steunmaatregel in overeenstemming is met het beginsel van technologische neutraliteit ( 152 ).

3.10. Om aan te tonen dat de steunmaatregel een gelijke behandeling van alle mogelijke dienstverleners garandeert en de consumenten een zo ruim mogelijke keuze aan leveranciers biedt, gelieve (met relevante gegevens) te bevestigen dat ( 153 ):

(a) 

er een online register van alle in aanmerking komende dienstverleners (of een gelijkwaardig alternatief platform) zal worden opgezet.

(b) 

consumenten het register vrij kunnen raadplegen.

(c) 

alle ondernemingen die in aanmerking komende breedbanddiensten kunnen aanbieden, kunnen verzoeken om te worden opgenomen in het register (of in het gekozen alternatieve platform).

(d) 

het register (of het gekozen alternatieve platform) ook aanvullende informatie bevat om consumenten te helpen (bv. het soort diensten dat door de verschillende ondernemingen wordt aangeboden enz.). Zo ja, gelieve aan te geven welke aanvullende informatie is verstrekt.

3.11. Gelieve de uitvoeringsprocedure van de steunmaatregel nader toe te lichten.

3.12. Openbare raadpleging. Gelieve de volgende gegevens te verstrekken ( 154 ):

(a) 

Begin- en einddatum van elke uitgevoerde openbare raadpleging.

(b) 

Inhoud van elke uitgevoerde openbare raadpleging.

(c) 

Openbaar toegankelijke internetsite (op regionaal en nationaal niveau) waar de raadpleging is gepubliceerd.

(d) 

Een overzicht van de belangrijkste opmerkingen die de deelnemers aan elke openbare raadpleging hebben ingediend, met vermelding van de wijze waarop deze zijn behandeld.

3.13. Gelieve aan te geven of er aanvullende waarborgen zullen worden toegepast om eventueel misbruik van connectiviteitsvouchers te voorkomen. Zo ja, gelieve nadere gegevens hierover te verstrekken ( 155 ).

3.14. Gelieve aan te geven of de steunmaatregel voorziet in specifieke regels voor het beheer van het abonnement, onder meer met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging van het abonnement, de mogelijkheid om het abonnement tijdens de looptijd van de voucher over te zetten naar een andere aanbieder (zo ja, onder welke voorwaarden) en de voortzetting van het abonnement na het verstrijken van de voucher. Zo ja, gelieve nadere gegevens hierover te verstrekken.

3.15. Gelieve aan te geven welke economische activiteiten door de steunmaatregel zullen worden vergemakkelijkt dankzij de verbeterde connectiviteit en de toegang tot performante breedbanddiensten, en toe te lichten hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund ( 156 ).

3.16. Gelieve bewijzen te verstrekken voor het stimulerend effect van de steunmaatregel ( 157 ).

3.17. Gelieve te bevestigen dat de steunmaatregel, de daaraan verbonden voorwaarden (met inbegrip van de financieringsmethode indien die methode integrerend deel uitmaakt van de steun) of de activiteit die hij financiert, geen schending van bepalingen of algemene beginselen van het Unierecht inhouden.

□Ja□Neen. Leg uit in dit geval.

3.18. Gelieve toe te lichten waarom andere maatregelen dan staatssteun (bv. administratieve maatregelen, regelgevende maatregelen, marktconforme instrumenten, leningen, belastingmaatregelen enz.) niet geschikt zijn om de doelstelling(en) van de steunmaatregel aan te pakken ( 158 ).

3.19. Gelieve een marktbeoordeling in te dienen met: i) een beoordeling van het risico dat de steunmaatregel een onevenredig voordeel oplevert – op retail- en/of wholesaleniveau – voor sommige aanbieders ten koste van andere, waardoor mogelijk de (lokale) marktdominantie op de markt wordt versterkt; ii) een beoordeling om na te gaan in hoeverre er daadwerkelijk behoefte aan invoering van connectiviteitsvouchers bestaat en wel door een vergelijking te maken tussen de situatie in één of meer steungebieden en de situatie in andere gebieden in de lidstaat of in de Unie; iii) een analyse van de trends in de afname van in aanmerking komende diensten door eindgebruikers ( 159 ).

3.20. Gelieve aan te geven of een van de in aanmerking komende aanbieders van breedbanddiensten verticaal geïntegreerd is en een retailmarktaandeel van meer dan 25 % heeft.

□Ja□Nee.

3.21. Ingeval de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, gelieve te bevestigen dat elke verticaal geïntegreerde aanbieder van breedbanddiensten met een retailmarktaandeel van meer dan 25 % op de overeenstemmende wholesaletoegangsmarkt wholesaletoegangsproducten zal aanbieden op basis waarvan elke om toegang verzoekende partij de in aanmerking komende diensten kan aanbieden onder open, transparante en niet-discriminerende voorwaarden.

□Ja□Nee

3.22. Gelieve de duur van de steunmaatregel en de geldigheidsduur van de vouchers voor individuele eindgebruikers te vermelden ( 160 ).

3.23. Gelieve toe te lichten wat de mogelijke negatieve effecten zijn van de steunmaatregel op de mededinging en het handelsverkeer en welke elementen in de vormgeving van de maatregel die risico’s tot een minimum kunnen beperken.

4. ANDERE INFORMATIE (VAN TOEPASSING OP ZOWEL SOCIALE VOUCHERS ALS CONNECTIVITEITSVOUCHERS)

4.1. Gelieve toe te lichten welke rol de NRI heeft gespeeld bij de uitwerking, uitvoering en monitoring van de steunmaatregel.

4.2. Gelieve het advies van de NRI over de steunmaatregel te rapporteren (indien beschikbaar).

4.3. Gelieve het advies van de nationale mededingingsautoriteit over de steunmaatregel te rapporteren (indien beschikbaar).

4.4. Transparantie.

(a) 

Gelieve te bevestigen dat de lidstaat het volgende bekend zal maken: i) de volledige tekst van het besluit tot goedkeuring van de steunmaatregel en de uitvoeringsbepalingen ervan (of een link daarnaar) en ii) informatie over elke individuele steunverlening van meer dan 100 000  EUR, overeenkomstig bijlage II ( 161 ) (binnen zes maanden vanaf de datum waarop de steun is verleend, of, in het geval van steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar vanaf de datum voor het indienen van de belastingaangifte) ( 162 ).

□ 

In de Transparency Award Module van de Commissie ( 163 ).

□ 

Op een uitgebreide staatssteunwebsite (met het relevante internetadres). Gelieve in dit geval aan te geven of het om een nationale of regionale website ( 164 ) gaat en of de informatie die op de steunwebsite is geregistreerd, gemakkelijk toegankelijk is (d.w.z. dat het algemene publiek zonder beperkingen toegang moet krijgen tot de website) ( 165 ).

(b) 

Gelieve te bevestigen dat de in punt 4.4 bedoelde informatie beschikbaar zal zijn gedurende ten minste tien jaar vanaf de datum waarop de steun is verleend, in een open spreadsheetformaat zal worden bekendgemaakt, waarmee de gegevens effectief kunnen worden doorzocht, opgehaald, gedownload en gemakkelijk op internet kunnen worden bekendgemaakt (bijvoorbeeld in CSV- of XML-formaat).

□Ja□Nee

(c) 

Gelieve te bevestigen dat, voor steun die onrechtmatig is maar vervolgens verenigbaar is bevonden, de relevante informatie binnen zes maanden na de datum van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar wordt verklaard, op een staatssteunwebsite (met vermelding van het relevante internetadres) wordt bekendgemaakt ( 166 ).

□Ja□Nee

4.5. Rapportage. Gelieve te bevestigen dat uw autoriteiten het volgende bij de Commissie zullen indienen: i) jaarverslagen over elke maatregel die op grond van de breedbandrichtsnoeren is goedgekeurd; en ii) om de twee jaar een verslag met belangrijke informatie over de steunmaatregelen die op grond van de breedbandrichtsnoeren zijn goedgekeurd, overeenkomstig bijlage III bij die richtsnoeren ( 167 ).

4.6. Monitoring. Gelieve te bevestigen dat uw autoriteiten gedurende tien jaar vanaf het tijdstip waarop de steun werd verleend gedetailleerde dossiers zullen bijhouden over alle steunmaatregelen, die alle gegevens bevatten die nodig zijn om aan te tonen dat is voldaan aan alle verenigbaarheidsvoorwaarden van de breedbandrichtsnoeren, en dat zij zich ertoe verbinden deze op verzoek aan de Commissie te bezorgen ( 168 ).

4.7. Gelieve aan te geven of de steunmaatregel in aanmerking komt voor een ex-postevaluatieplan.

□ 

Nee. Gelieve toe te lichten waarom volgens u niet is voldaan aan de criteria voor het ex-postevaluatieplan.

□ 

Ja. Zo ja, gelieve aan te geven volgens welke criteria de steunmaatregel in aanmerking komt voor een ex-postevaluatie en de relevante informatie te verstrekken over het ex-postevaluatieplan zoals beschreven in punt 8 van de breedbandrichtsnoeren.

4.8. Gelieve alle andere informatie te verstrekken die relevant is voor de beoordeling van de steunmaatregel in het licht van de breedbandrichtsnoeren of andere informatie die relevant is vanuit het oogpunt van de Unieregels op het gebied van mededinging en de interne markt.

4.9. Gelieve aan te geven of dit formulier aanvullende informatie vertrouwelijke informatie bevat die niet aan derden mag worden verstrekt ( 169 ).

□ 

Ja. Zo ja, gelieve de vertrouwelijke informatie te vermelden en de redenen voor vertrouwelijkheid te geven.

□ 

Nee.

4.10. Gelieve te bevestigen dat de steunmaatregel niet onder artikel 52 quater van Verordening (EU) nr. 651/2014 ( 170 ) of onder Verordening (EU) 2023/2831 ( 171 ) valt.

□Ja□Nee

DEEL III.5.B

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STAATSSTEUN VOOR DE UITROL VAN BREEDBANDNETWERKEN

Dit formulier aanvullende informatie moet worden gebruikt voor aanmeldingen van steun voor de uitrol van breedbandnetwerken die onder de richtsnoeren van de Commissie voor staatssteun aan breedbandnetwerken  ( 172 ) (hierna „de breedbandrichtsnoeren” genoemd) valt.

1. ALGEMENE INFORMATIE

1.1. Gelieve een gedetailleerde beschrijving van de steunmaatregel en van de doelstellingen ervan te geven.

1.2. Gelieve het type breedbandnetwerk ( 173 ) te vermelden dat door de steunmaatregel wordt ondersteund.

□ 

Uitrol van vaste toegangsnetwerken ( 174 ). Zo ja, gelieve het soort gebieden te vermelden waarop de steunmaatregel is gericht.

□ 

Wit ( 175 )

□ 

Grijs ( 176 )

□ 

Gemengd (wit en grijs) ( 177 )

□ 

Zwart ( 178 )

□ 

Uitrol van mobiele toegangsnetwerken ( 179 ).

□ 

4G

□ 

5G

□ 

ander

□ 

Uitrol van backhaulnetwerken ( 180 ).

□ 

Alleen backhaul

□ 

Backhaul in verband met de uitrol van een toegangsnetwerk ( 181 )

1.3. Gelieve toe te lichten hoe de steunmaatregel aansluit bij de nationale breedbandstrategie en het digitale beleid en de milieudoelstellingen van de Europese Unie ( 182 ).

1.4. Gelieve te bevestigen dat alle in deze aanmelding vermelde snelheden worden beschouwd als gemiddelde snelheden onder piektijdomstandigheden ( 183 ).

□Ja□Nee

1.5. Gelieve de tijdshorizon ( 184 ) van de steunmaatregel te vermelden en hoe deze is vastgesteld.

1.6. Gelieve het investeringsmodel te vermelden waarmee de steunmaatregel ten uitvoer wordt gelegd.

□ 

Gap funding ( 185 )

□ 

Steun in natura ( 186 )

□ 

Directe investeringen ( 187 )

□ 

Concessiehouder ( 188 )

□ 

Andere. Zo ja, gelieve nadere gegevens hierover te verstrekken. …

2. FACILITERING VAN DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE ACTIVITEIT

2.1. Gelieve aan te geven welke economische activiteiten door de steunmaatregel zullen worden vergemakkelijkt en toe te lichten hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund ( 189 ).

2.2. Gelieve te bevestigen dat de steunmaatregel, de daaraan verbonden voorwaarden (met inbegrip van de financieringsmethode indien die methode integrerend deel uitmaakt van de steun) of de activiteit die hij financiert, geen schending van bepalingen of algemene beginselen van het Unierecht inhouden ( 190 ).

□Ja□Neen. Leg uit in dit geval …

3. POSITIEVE EFFECTEN VAN DE STEUN

3.1. Gelieve te beschrijven of en, zo ja, hoe de steunmaatregel positieve effecten zal hebben (bv. in termen van verkleining van de digitale kloof ( 191 ), correctie van sociale of regionale ongelijkheden, rechtvaardigheid, duurzaamheidsdoelstellingen ( 192 ), lagere prijzen en een betere keuze voor eindgebruikers, hogere kwaliteit en innovatie, voltooiing van de digitale eengemaakte markt ( 193 )) ( 194 ).

4. MARKTFALEN IN VERBAND MET VASTE TOEGANGSNETWERKEN

4.1. Gelieve de prestaties te vermelden in termen van downloadsnelheid (en, indien van toepassing, de uploadsnelheid en andere parameters) die de gesubsidieerde netwerken moeten leveren ( 195 ).

4.2. Gelieve aan te geven in welke huidige en toekomstige behoeften van eindgebruikers kan worden voorzien door vaste netwerken die de in punt 4.1 genoemde prestaties leveren (en niet door de bestaande vaste netwerken), met verifieerbare bewijzen daarvan (bv. consumentenenquêtes, onafhankelijke studies) ( 196 ).

4.3. Kartering ( 197 ). Gelieve de volgende gegevens te verstrekken.

(a) 

Prestaties van de bestaande en geplande netwerken (in de relevante tijdshorizon) die in kaart zijn gebracht (bv. downloadsnelheid, uploadsnelheid, latentie, pakketverlies, pakketfouten, jitter, beschikbaarheid van diensten) ( 198 ).

(b) 

Hoe toekomstige investeringsplannen binnen de relevante tijdshorizon van de steunmaatregel zijn beoordeeld om hun geloofwaardigheid vast te stellen ( 199 ). Gelieve onder meer aan te geven:

(i) 

Het bewijs dat is gevraagd aan en ingediend door de relevante belanghebbenden om de geloofwaardigheid van hun investeringsplannen aan te tonen ( 200 ).

(ii) 

De beoordelingscriteria die zijn toegepast om de geloofwaardigheid van toekomstige investeringsplannen te beoordelen ( 201 ).

(iii) 

Of de betrokken belanghebbenden werden uitgenodigd om verbintenissen te ondertekenen met betrekking tot de uitvoering van de aangemelde investeringsplannen ( 202 ).

□Ja□Nee

Zo ja, gelieve te verduidelijken of dergelijke verbintenissen mijlpalen en verplichtingen bevatten om verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang ( 203 ).

(iv) 

Of de resultaten van de beoordeling en de relatieve gerechtvaardigde conclusies zijn meegedeeld aan alle belanghebbenden die informatie over hun particuliere investeringsplannen hebben ingediend (en hoe) ( 204 )..

(c) 

Begin- en einddatum van elke stap van de kartering.

(d) 

Aantal en identiteit van de contribuanten aan elke stap van de kartering.

(e) 

Tussentijdse resultaten en eindresultaten van de kartering.

(f) 

Bevestiging dat de kartering is uitgevoerd ( 205 ):

□ 

voor vaste bekabelde netwerken op adresniveau op basis van aansluitbare panden ( 206 ).

□ 

voor vaste netwerken voor draadloze toegang, op adresniveau op basis van aansluitbare panden of op basis van netwerkroosters van ten hoogste 100 x 100 meter (of kleiner); Gelieve aan te geven welk van de twee criteria is toegepast. …

(g) 

Bevestiging dat bij de kartering ook bestaande netwerken in kaart zijn gebracht die kunnen worden opgewaardeerd met beperkte investeringen (zoals een upgrade van de actieve componenten) om downloadsnelheden van 1 Gbps en uploadsnelheden van 150 Mbps te bieden, en dat dergelijke gebieden van het steungebied zijn geschrapt ( 207 ).

□Ja□Nee

(h) 

Of de autoriteiten van uw land hebben voldaan aan de beste praktijken voor de toepassing van de in bijlage I bij de breedbandrichtsnoeren beschreven karteringsmethodologieën ( 208 ).

□ 

Ja

□ 

Nee. Gelieve in dit geval aan te geven in welke opzichten uw autoriteiten van bijlage I bij de breedbandrichtsnoeren zijn afgeweken en om welke reden.

(i) 

Bevestiging dat de methodologie en de onderliggende technische criteria voor de kartering openbaar zijn gemaakt (en hoe) ( 209 ).

4.4. Indien de steunmaatregel gericht is op gebieden waar ten minste twee onafhankelijke netwerken aanwezig zijn die onder piektijdomstandigheden een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps bieden of op geloofwaardige wijze zijn gepland ( 210 ), gelieve toe te lichten of:

(a) 

geen van de bestaande of op geloofwaardige wijze geplande netwerken een downloadsnelheid biedt van ten minste 300 Mbps onder piektijdomstandigheden ( 211 ).

□Ja□Nee

(b) 

ten minste een van de bestaande of op geloofwaardige wijze geplande netwerken een downloadsnelheid van ten minste 300 Mbps biedt onder piektijdomstandigheden, maar geen downloadsnelheid van ten minste 500 Mbps onder piektijdomstandigheden ( 212 ).

□Ja□Nee

Zo ja, gelieve te verduidelijken waarom uw autoriteiten van mening zijn dat er geen netwerken zullen evolueren in de richting van dezelfde downloadsnelheid (en, in voorkomend geval, dezelfde aanvullende kenmerken) als de netwerken die in het kader van de steunmaatregel worden gesubsidieerd, zodat overheidsmaatregelen nodig zijn om marktfalen aan te pakken ( 213 ).

(c) 

ten minste een van de bestaande of op geloofwaardige wijze geplande netwerken een downloadsnelheid van ten minste 500 Mbps biedt ( 214 ).

□Ja□Nee

4.5. Openbare raadpleging. Gelieve de volgende gegevens te verstrekken:

(a) 

Begin- en einddatum van elke uitgevoerde openbare raadpleging ( 215 ).

(b) 

Inhoud van elke uitgevoerde openbare raadpleging ( 216 ).

(c) 

Openbaar toegankelijke internetsite (op regionaal en nationaal niveau) waar de raadpleging is gepubliceerd ( 217 ).

(d) 

Een overzicht van de belangrijkste opmerkingen die de deelnemers aan elke openbare raadpleging hebben ingediend, met vermelding van de wijze waarop deze zijn behandeld.

4.6. Gelieve aan te geven wat het uiteindelijke toepassingsgebied van de steunmaatregel is in termen van het steungebied en de bevolkingsdichtheid ervan.

5. MARKTFALEN IN VERBAND MET MOBIELE TOEGANGSNETWERKEN

5.1. Gelieve de prestaties te vermelden in termen van downloadsnelheid (en, indien van toepassing, de uploadsnelheid en andere parameters) die de gesubsidieerde netwerken moeten leveren ( 218 ).

5.2. Gelieve aan te geven in welke huidige en toekomstige behoeften van eindgebruikers kan worden voorzien door mobiele netwerken die de in punt 5.1 genoemde prestaties leveren (en niet door de bestaande mobiele netwerken), met verifieerbare bewijzen daarvan (bv. consumentenenquêtes, onafhankelijke onderzoeken) ( 219 ).

5.3. Gelieve te bevestigen dat de steunmaatregel niet kan worden gebruikt om wettelijke verplichtingen na te komen (bv. verplichtingen in verband met de toewijzing van spectrumrechten) ( 220 ).

5.4. Gelieve aan te geven of de steunmaatregel gericht is op gebieden waar er al ten minste één bestaand of op geloofwaardige wijze gepland mobiel netwerk ( 221 ) is dat kan voorzien in de geïdentificeerde behoeften van eindgebruikers.

□Ja□Nee

Zo ja, gelieve aan te tonen (met verifieerbaar bewijs): a) waarom een dergelijk netwerk ontoereikend wordt geacht om eindgebruikers diensten van voldoende kwaliteit te bieden om aan hun veranderende behoeften te voldoen; en b) of en hoe de steunmaatregel een dergelijke kwaliteit van de diensten zal leveren, waardoor een wezenlijke verbetering wordt bewerkstelligd die de markt niet kan realiseren ( 222 ).

5.5. Kartering ( 223 ). Gelieve de volgende gegevens te verstrekken:

(a) 

Het soort netwerken (bv. 3G, 4G, 5G, 6G, andere) en het aantal netwerken dat beschikbaar is in het steungebied.

(b) 

Prestatiecriteria van de bestaande en geplande netwerken (in de relevante tijdshorizon) die in kaart zijn gebracht (bv. downloadsnelheid, uploadsnelheid, latentie, pakketverlies, pakketfouten, jitter, beschikbaarheid van diensten) ( 224 ).

(c) 

Hoe toekomstige investeringsplannen binnen de relevante tijdshorizon van de steunmaatregel zijn beoordeeld om hun geloofwaardigheid vast te stellen. Gelieve onder meer aan te geven:

(i) 

Het bewijs dat is gevraagd aan en ingediend door de relevante belanghebbenden om de geloofwaardigheid van hun investeringsplannen aan te tonen ( 225 ).

(ii) 

De beoordelingscriteria die zijn toegepast om de geloofwaardigheid van toekomstige investeringsplannen te beoordelen ( 226 ).

(iii) 

Of de betrokken belanghebbenden werden uitgenodigd om verbintenissen te ondertekenen met betrekking tot de uitvoering van de aangemelde investeringsplannen ( 227 ).

□Ja□Nee

Zo ja, gelieve te verduidelijken of dergelijke verbintenissen mijlpalen en verplichtingen bevatten om verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang ( 228 ).

(iv) 

Of de resultaten van de beoordeling en de relatieve gerechtvaardigde conclusies zijn meegedeeld aan alle belanghebbenden die informatie over hun particuliere investeringsplannen hebben ingediend, en hoe ( 229 ).

(d) 

Begin- en einddatum van elke stap van de kartering.

(e) 

Aantal en identiteit van de contribuanten aan elke stap van de kartering.

(f) 

Tussentijdse resultaten en eindresultaten van de kartering.

(g) 

Bevestiging dat de kartering op adresniveau is uitgevoerd op basis van aansluitbare panden of op basis van maximaal 100 x 100 meter (of kleinere) roosters ( 230 ). Gelieve aan te geven welke van de twee criteria is toegepast.

(h) 

Of de autoriteiten van uw land hebben voldaan aan de beste praktijken voor de toepassing van de in bijlage I bij de breedbandrichtsnoeren beschreven karteringsmethodologieën ( 231 ).

□ 

Ja

□ 

Nee. Gelieve in dit geval aan te geven in welke opzichten de autoriteiten van uw land zijn afgeweken van bijlage I bij de breedbandrichtsnoeren en om welke reden.

(i) 

Bevestiging dat de methodologie en de onderliggende technische criteria voor de kartering openbaar zijn gemaakt (en hoe) ( 232 ).

5.6. Openbare raadpleging. Gelieve de volgende gegevens te verstrekken:

(a) 

Begin- en einddatum van elke uitgevoerde openbare raadpleging ( 233 ).

(b) 

Inhoud van elke uitgevoerde openbare raadpleging ( 234 ).

(c) 

Openbaar toegankelijke internetsite (op regionaal en nationaal niveau) waar de raadpleging is gepubliceerd ( 235 ).

(d) 

Een overzicht van de belangrijkste opmerkingen die de deelnemers aan elke openbare raadpleging hebben ingediend, met vermelding van de wijze waarop deze zijn behandeld.

6. MARKTFALEN IN VERBAND MET BACKHAULNETWERKEN

6.1. Gelieve te verduidelijken welke netwerken door de gesubsidieerde backhaulnetwerken worden ondersteund:

□ 

Vaste toegangsnetwerken

□ 

Mobiele toegangsnetwerken

□ 

Beide

6.2. Gelieve de technische kenmerken van de gesubsidieerde backhaulnetwerken te vermelden, met inbegrip van het gewenste prestatieniveau, betrouwbaarheid, capaciteit of dimensionering ( 236 ).

6.3. Gelieve de verwachte ontwikkeling van vaste of mobiele toegangsnetwerken toe te lichten op basis van de huidige en toekomstige behoeften van eindgebruikers en waarom de bestaande of geplande backhaulcapaciteit niet berekend is op deze verwachte ontwikkeling, door verifieerbare bewijzen daarvoor in te dienen (bv. onafhankelijke onderzoeken) ( 237 ).

6.4. Gelieve te verduidelijken of staatssteun noodzakelijk wordt geacht, omdat bestaande backhaulnetwerken een suboptimale combinatie van dienstenkwaliteit en tarieven bieden ( 238 ).

6.5. Kartering ( 239 ). Gelieve de volgende gegevens te verstrekken:

(a) 

Of de bestaande of geplande backhaulnetwerken gebaseerd zijn op:

□ 

glasvezel

□ 

andere technologie met dezelfde prestaties als glasvezel

□ 

andere technologieën zonder dezelfde prestaties als glasvezel

(b) 

Prestatiecriteria van de bestaande of geplande backhaulnetwerken (binnen de relevante tijdshorizon) die zijn gekarteerd.

(c) 

Hoe toekomstige investeringsplannen binnen de relevante tijdshorizon van de steunmaatregel zijn beoordeeld om hun geloofwaardigheid vast te stellen. Gelieve onder meer aan te geven:

(i) 

Het bewijs dat is gevraagd aan en ingediend door de relevante belanghebbenden om de geloofwaardigheid van hun investeringsplannen aan te tonen ( 240 ).

(ii) 

De beoordelingscriteria die zijn toegepast om de geloofwaardigheid van toekomstige investeringsplannen te beoordelen ( 241 ).

(iii) 

Of de betrokken belanghebbenden werden uitgenodigd om verbintenissen te ondertekenen met betrekking tot de uitvoering van de aangemelde investeringsplannen ( 242 ).

□Ja□Nee

Zo ja, gelieve te verduidelijken of dergelijke verbintenissen mijlpalen en verplichtingen bevatten om verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang ( 243 ).

(iv) 

Of de resultaten van de beoordeling en de relatieve gerechtvaardigde conclusies zijn meegedeeld aan alle belanghebbenden die informatie over hun particuliere investeringsplannen hebben ingediend (en hoe) ( 244 ).

(d) 

Begin- en einddatum van elke stap van de kartering.

(e) 

Aantal en identiteit van de contribuanten aan elke stap van de kartering.

(f) 

Tussentijdse resultaten en eindresultaten van de kartering.

(g) 

Bevestiging dat de methodologie en de onderliggende technische criteria voor de kartering openbaar zijn gemaakt (en hoe) ( 245 ).

6.6.  Openbare raadpleging. Gelieve de volgende gegevens te verstrekken:

(a) 

Begin- en einddatum van elke uitgevoerde openbare raadpleging ( 246 ).

(b) 

Inhoud van elke uitgevoerde openbare raadpleging ( 247 ).

(c) 

Openbaar toegankelijke internetsite (op regionaal en nationaal niveau) waar de raadpleging is gepubliceerd ( 248 ).

(d) 

Een overzicht van de belangrijkste opmerkingen die de deelnemers aan elke openbare raadpleging hebben ingediend, met vermelding van de wijze waarop deze zijn behandeld.

7. GESCHIKTHEID VAN DE STEUN ALS BELEIDSINSTRUMENT

7.1. Gelieve toe te lichten waarom alternatieve, minder verstorende maatregelen dan staatssteun (bv. administratieve maatregelen, regelgevende maatregelen, marktconforme instrumenten, leningen, belastingmaatregelen enz.) niet geschikt zijn om de doelstelling(en) van de steunmaatregel en het vastgestelde marktfalen aan te pakken ( 249 ).

7.2.  Sprongsgewijze verandering ( 250 ).

(a) 

Gelieve voor een steunmaatregel betreffende vaste toegangsnetwerken de volgende informatie te verstrekken:

(i) 

Indien het overheidsoptreden betrekking heeft op witte of grijze gebieden, gelieve dan aan te geven of de gesubsidieerde netwerken ten minste de downloadsnelheid van bestaande netwerken verdrievoudigen en een aanzienlijke nieuwe infrastructuurinvestering inhouden die aanzienlijke nieuwe mogelijkheden op de markt introduceert (bv. in termen van beschikbaarheid, capaciteit, snelheden en concurrentie) ( 251 ).

(ii) 

Indien het overheidsoptreden betrekking heeft op gemengde (d.w.z. witte en grijze) gebieden, gelieve dan aan te geven waarom de scheiding van witte en grijze gebieden niet gerechtvaardigd is ( 252 ).

Gelieve bovendien te bevestigen dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan ( 253 ):

— 
De overbebouwing van de grijze gebieden ( 254 ) leidt niet tot ongerechtvaardigde verstoringen van de mededinging, op basis van de resultaten van een openbare raadpleging.
— 
De overbebouwing is beperkt tot maximaal 10 % van alle locaties in het doelgebied.
— 
De gesubsidieerde netwerken zorgen ten minste voor een verdrievoudiging van de downloadsnelheid van netwerken die reeds in het witte gedeelte van het gemengde gebied bestaan en bieden aanzienlijk betere diensten aan dan de diensten die beschikbaar zijn in het grijze gedeelte van het gemengde gebied.
(iii) 

Indien het overheidsoptreden betrekking heeft op zwarte gebieden, gelieve dan te bevestigen dat de gesubsidieerde netwerken aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen ( 255 ):

— 
Ze zorgen ten minste voor een verdrievoudiging van de downloadsnelheid die door de bestaande netwerken wordt geboden.
— 
Ze bieden een downloadsnelheid van ten minste 1 Gbps en een uploadsnelheid van ten minste 150 Mbps.
— 
Ze vormen een aanzienlijke nieuwe investering in infrastructuur die aanzienlijke nieuwe capaciteiten op de markt brengt (bv. in termen van beschikbaarheid, capaciteit, snelheden en concurrentie).
(b) 

Voor steunmaatregelen met betrekking tot mobiele toegangsnetwerken: gelieve toe te lichten of en hoe de steunmaatregel zal zorgen voor een verbetering van de beschikbaarheid, de capaciteit, de snelheden en de concurrentie van mobiele diensten die de invoering van nieuwe innovatieve diensten kan bevorderen ( 256 ).

(c) 

Voor steunmaatregelen met betrekking tot backhaulnetwerken: gelieve toe te lichten of en hoe, als gevolg van het overheidsoptreden, de gesubsidieerde netwerken een aanzienlijke investering in backhaulinfrastructuur vormen en de toenemende behoeften van vaste en/of mobiele toegangsnetwerken adequaat ondersteunen ( 257 ).

8. EVENREDIGHEID VAN DE STEUN

8.1.  Concurrerende selectieprocedure.

(a) 

Gelieve aan te geven of de steun wordt toegekend op basis van een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure, in overeenstemming met de beginselen inzake overheidsopdrachten ( 258 ).

□Ja□Nee

(b) 

Zo ja:

(i) 

Gelieve toe te lichten of en hoe de opzet van de concurrerende selectieprocedure een zo breed mogelijke deelname kan bevorderen ( 259 ).

(ii) 

Gelieve te bevestigen dat, indien het aantal deelnemers aan de concurrerende selectieprocedure of het aantal in aanmerking komende inschrijvingen niet toereikend is, een onafhankelijke controleur zal worden belast met de beoordeling van de winnende inschrijving (met inbegrip van kostenberekeningen) ( 260 ).

(iii) 

Gelieve te bevestigen dat de inschrijving zal worden gegund op basis van de economisch voordeligste offerte ( 261 ) en nadere bijzonderheden hierover te verstrekken.

(iv) 

Gelieve de objectieve, transparante en niet-discriminerende gunningscriteria te vermelden en het relatieve gewicht van elk criterium te specificeren ( 262 ).

(c) 

Zo neen, gelieve dan te bevestigen dat de steunmaatregel wordt uitgevoerd door middel van een model voor directe investeringen en een adequate motivering te geven van de keuze van het netwerk en van de gekozen technologische oplossing ( 263 ).

(d) 

Gelieve te bevestigen dat elke concessie of andere toewijzing door een overheidsinstantie of interne entiteit aan een derde om een gesubsidieerd netwerk te ontwerpen, aan te leggen of te exploiteren, wordt toegekend via een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure, in overeenstemming met de beginselen inzake overheidsopdrachten, op basis van het economisch voordeligste bod ( 264 ). Gelieve in dit verband nadere bijzonderheden te verstrekken.

8.2.  Technologische neutraliteit. Gelieve toe te lichten of en hoe de steunmaatregel in overeenstemming is met het beginsel van technologische neutraliteit ( 265 ).

8.3.  Gebruik van bestaande infrastructuur. Gelieve de volgende gegevens te verstrekken:

(a) 

Of en, zo ja, hoe ondernemingen die aan een concurrerende selectieprocedure wensen deel te nemen, worden aangemoedigd om gebruik te maken van de beschikbare bestaande infrastructuur om de gesubsidieerde netwerken uit te rollen ( 266 ).

(b) 

Of en, zo ja, hoe ondernemingen die aan een concurrerende selectieprocedure wensen deel te nemen, worden aangemoedigd om tijdig gedetailleerde informatie te verstrekken over de bestaande infrastructuur die zij in het geplande steungebied bezitten of controleren, waarmee rekening moet worden gehouden bij het opstellen van de inschrijvingen, met vermelding van het soort gevraagde informatie ( 267 ).

(c) 

Of de verstrekking van deze informatie een voorwaarde is voor deelname aan de selectieprocedure ( 268 ).

□Ja□Nee

(d) 

Of en, zo ja, hoe alle beschikbare informatie over bestaande infrastructuur die kan worden gebruikt voor de uitrol van breedbandnetwerken in de steungebieden toegankelijk wordt gemaakt, waarbij wordt gespecificeerd of een centraal informatiepunt is opgezet overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2014/61/EU ( 269 ).

8.4.  Wholesaletoegang voor derden tot de gesubsidieerde netwerken.

(a) 

Algemene informatie.

(i) 

Gelieve te bevestigen dat dergelijke wholesaletoegang zo vroeg mogelijk vóór de aanvang van de levering van de desbetreffende diensten zal worden verleend, en ten minste zes maanden vóór met de retaildiensten wordt begonnen in gevallen waarin de netwerkexploitant tevens van plan is die retaildiensten aan te bieden ( 270 ).

(ii) 

Gelieve te bevestigen dat de gesubsidieerde netwerken onder eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang zullen bieden, waarbij moet worden aangegeven of dit de upgrade en/of uitbreiding van de capaciteit van bestaande infrastructuur inhoudt, en de uitrol van voldoende nieuwe infrastructuur ( 271 ). Gelieve in dit verband nadere bijzonderheden te verstrekken.

(iii) 

Gelieve te bevestigen dat de voorwaarden en prijzen voor de wholesaletoegangsproducten zullen worden vermeld in de documenten van de vergelijkende selectieprocedure en op een alomvattende website, op nationaal of regionaal niveau, die zonder beperkingen toegankelijk is voor het algemene publiek (met vermelding van het relevante internetadres) ( 272 ).

(iv) 

Gelieve te bevestigen dat wholesaletoegang ook zal worden verleend tot onderdelen van het netwerk die niet door de overheid zijn gefinancierd en mogelijk niet door de begunstigde van de steun zijn uitgerold, indien dat nodig is om de wholesaletoegang doeltreffend te maken en om aanvragers van toegang in staat te stellen hun diensten aan te bieden ( 273 ).

(b) 

Voorwaarden van wholesaletoegang.

(i) 

Gelieve aan te geven gedurende hoeveel jaar effectieve wholesaletoegang zal worden verleend aan:

□ 

actieve producten (met uitzondering van VULA) ( 274 ): …

□ 

VULA ( 275 ) …

□ 

nieuwe infrastructuur ( 276 ) …

(ii) 

Gelieve te bevestigen dat, indien staatssteun wordt verleend voor nieuwe infrastructuur, de infrastructuur groot genoeg zal zijn om te voldoen aan de huidige en evoluerende vraag van de aanvragers van toegang ( 277 ).

□Ja□Nee

(iii) 

Gelieve toe te lichten hoe de nieuwe infrastructuur kan voldoen aan de huidige en evoluerende vraag van de aanvragers van toegang (bv. grootte van de buizen, aantal glasvezels enz.).

(iv) 

Gelieve te bevestigen dat dezelfde toegangsvoorwaarden van toepassing zijn op het gehele gesubsidieerde netwerk, met inbegrip van de delen van het netwerk waar bestaande infrastructuur is gebruikt ( 278 ).

□Ja□Nee

(v) 

Gelieve te bevestigen dat de verplichting toegang te verlenen zal worden afgedwongen, ongeacht of er een verandering is van eigenaar, van management of van exploitatie van het gesubsidieerde netwerk ( 279 ).

□Ja□Nee

(vi) 

Gelieve toe te lichten of de begunstigde van de steun en/of de aanvragers van toegang die banden hebben met de begunstigde van de steun hun netwerken met eigen middelen mogen uitbreiden tot aangrenzende gebieden buiten het doelgebied ( 280 ).

□Ja□Nee

Zo ja, gelieve te bevestigen dat:

— 
in de openbare raadpleging werd aangegeven dat uitbreidingen op particuliere basis in een later stadium waren toegestaan en dat er betekenisvolle informatie werd verstrekt over de mogelijke dekking van dergelijke uitbreidingen ( 281 ).
□Ja□Nee
— 
uit de resultaten van de openbare raadpleging niet blijkt dat er een risico bestaat op aanzienlijke verstoringen van de mededinging ( 282 ).
□Ja□Nee
— 
Gelieve te bevestigen dat, indien een van de volgende situaties zich voordoet, uitbreidingen naar aangrenzende gebieden pas twee jaar na de ingebruikname van het gesubsidieerde netwerk mogen plaatsvinden ( 283 ):
— 
tijdens de openbare raadpleging tonen belanghebbenden aan dat de geplande uitbreiding het risico inhoudt zich uit te strekken tot een aangrenzend gebied dat reeds wordt bediend door ten minste twee onafhankelijke netwerken met snelheden die vergelijkbaar zijn met die van het door de overheid gefinancierde netwerk; of
— 
er bevindt zich in het aangrenzende gebied minstens één netwerk met snelheden die vergelijkbaar zijn met die van het gesubsidieerde netwerk dat minder dan vijf jaar vóór het gesubsidieerde netwerk in gebruik is genomen ( 284 ).
□Ja□Nee
(c) 

Wholesaletoegangsproducten.

(i) 

Uitrol van vaste toegangsnetwerken in witte gebieden. Gelieve de wholesaletoegangsproducten te vermelden die het gesubsidieerde netwerk moet leveren, rekening houdend met het feit dat het ten minste bitstroomtoegang, toegang tot dark fibre en toegang tot infrastructuur (waaronder straatkasten, masten, torens en buizen) ( 285 ) en daarnaast ten minste fysieke ontbundeling ofwel VULA ( 286 ) moet bieden.

(ii) 

Uitrol van vaste toegangsnetwerken in grijze en zwarte gebieden. Gelieve de wholesaletoegangsproducten te vermelden die het gesubsidieerde netwerk moet leveren, rekening houdend met het feit dat het ten minste bitstroomtoegang, toegang tot dark fibre en toegang tot infrastructuur (waaronder straatkasten, masten, torens en buizen) en daarnaast fysieke ontbundeling moet bieden ( 287 ). Indien uw autoriteiten voornemens zijn een afwijking toe te staan van de verplichting tot fysieke ontbundeling, gelieve dan de nodige redenen te geven, aan te tonen dat de afwijking de mededinging niet ongerechtvaardigd dreigt te verstoren en aan te geven welke opmerkingen in dit verband tijdens de openbare raadpleging zijn ontvangen (en hoe deze zijn aangepakt) ( 288 ).

(iii) 

Mobiele toegangsnetwerken. Gelieve de wholesaletoegangsproducten te vermelden die het gesubsidieerde netwerk moet leveren, rekening houdend met het feit dat het ten minste roaming ( 289 ) en toegang tot straatkasten, masten, torens en buizen moet bieden. Gelieve bovendien te bevestigen dat het gesubsidieerde netwerk de toegangsproducten moet leveren die nodig zijn om de meer geavanceerde functies (bv. MORAN, MOCN, segmentatie van netwerken ( 290 )) van mobiele netwerken, zoals 5G en toekomstige generaties mobiele netwerken, te benutten zodra die beschikbaar komen ( 291 ).

(iv) 

Backhaulnetwerken. Gelieve de wholesaletoegangsproducten te vermelden die het gesubsidieerde netwerk moet leveren, rekening houdend met het feit dat het ten minste één actieve dienst en toegang tot straatkasten, masten, torens en buizen en dark fibre moet bieden ( 292 ). Gelieve bovendien te bevestigen dat de steunmaatregel voorziet in de uitrol van voldoende capaciteit voor nieuwe infrastructuur om daadwerkelijke toegang onder eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden te waarborgen ( 293 ).

(v) 

Wholesaletoegang op grond van een redelijke vraag. Indien uw autoriteiten voornemens zijn de levering van bepaalde wholesaletoegangsproducten te beperken tot gevallen waarin een aanvrager van toegang een redelijke vraag heeft, gelieve:

— 
goed gemotiveerde, objectieve en verifieerbare gegevens en argumenten (met inbegrip van kostenberekeningen) te verstrekken waaruit blijkt dat het aanbieden van dergelijke producten de investeringskosten onevenredig zou opdrijven zonder dat daar aanzienlijke voordelen in de zin van grotere concurrentie tegenover staan ( 294 );
— 
te bevestigen dat het verzoek van de aanvrager van toegang redelijk wordt geacht wanneer de aanvrager van toegang een businessplan overlegt dat de ontwikkeling van het product op het gesubsidieerde netwerk rechtvaardigt en er in hetzelfde geografische gebied niet reeds een vergelijkbaar product wordt aangeboden door een andere onderneming tegen soortgelijke tarieven als die welke in dichter bevolkte gebieden van toepassing zijn ( 295 );
□Ja□Nee
— 
te bevestigen dat, indien een verzoek om toegang redelijk wordt geacht, de extra kosten om aan het verzoek tot toegang te voldoen, moeten worden gedragen door de begunstigde van de steun ( 296 ).
□Ja□Nee
(d) 

Tariefstelling inzake wholesaletoegang. Gelieve aan te geven op welke van de volgende benchmarks en tariefstellingsbeginselen het wholesaletoegangstarief voor elk product berust:

□ 

Gemiddelde gepubliceerde wholesaletarieven die gelden in andere vergelijkbare en meer concurrerende gebieden van de lidstaat ( 297 ).

□ 

Gereguleerde prijzen die reeds door de nationale regelgevende instantie zijn vastgesteld of goedgekeurd voor de betrokken markten en diensten ( 298 ).

□ 

Kostenoriëntatie of een methodologie die is voorgeschreven overeenkomstig het sectorale regelgevingskader ( 299 ).

8.5.  Terugvordering. Gelieve aan te geven of voor de levensduur van het gesubsidieerde netwerk op de steunmaatregel:

□Ja ( 300 )□Nee

Zo nee, gelieve toe te lichten waarom niet: …

Zo ja, gelieve dan de volgende gegevens te verschaffen:

(a) 

Gelieve te bevestigen dat het terugvorderingsmechanisme zal worden toegepast voor de levensduur van het gesubsidieerde netwerk ( 301 ).

□Ja□Nee

(b) 

Gelieve te bevestigen dat de regels van het terugvorderingsmechanisme transparant en duidelijk zijn uiteengezet in de stukken van de aanbestedingsprocedure ( 302 ). Gelieve in dit verband nadere bijzonderheden te verstrekken.

(c) 

Gelieve toe te lichten hoe bij de opzet van het terugvorderingsmechanisme twee doelstellingen in aanmerking worden genomen en in evenwicht worden gebracht, namelijk de terugvordering door de lidstaat van de bedragen die een redelijk winstniveau overschrijden en het waarborgen van prikkels voor ondernemingen om deel te nemen aan een aanbestedingsprocedure en bij de uitrol van het netwerk te streven naar kostenefficiëntie (efficiëntiewinsten) ( 303 ). Geef in dit verband aan welke criteria zijn vastgesteld om efficiëntiewinsten te stimuleren.

(d) 

Gelieve het maximale stimuleringspercentage (in percentage toegestane redelijke winst ( 304 )) te vermelden. Gelieve bovendien het begrip „redelijke winst” te verduidelijken die in het kader van het terugvorderingsmechanisme wordt toegepast ( 305 ).

(e) 

Gelieve te bevestigen dat extra winst die gelijk is aan of lager is dan de drempel hieronder (d.w.z. de redelijke winst vermeerderd met het stimuleringsbedrag) niet door de lidstaat zal worden teruggevorderd, terwijl winst boven de drempel zal worden verdeeld tussen de begunstigde van de steun en de lidstaat, op basis van de steunintensiteit waartoe de aanbestedingsprocedure heeft geleid ( 306 ). Gelieve in dit verband nadere bijzonderheden te verstrekken.

(f) 

Gelieve te bevestigen dat het terugvorderingsmechanisme ook rekening houdt met winsten uit andere transacties in verband met het gesubsidieerde netwerk ( 307 ).

□Ja□Nee

8.6.  Boekhoudkundige scheiding. Gelieve te bevestigen dat de begunstigde van de steun moet zorgen voor een boekhoudkundige scheiding, zodat de kosten voor de uitrol en exploitatie en de inkomsten uit de exploitatie van het gesubsidieerde netwerk duidelijk zijn aangemerkt ( 308 ).

□Ja□Nee

9. ROL VAN DE NATIONALE AUTORITEITEN

9.1. Gelieve toe te lichten welke rol de NRI heeft gespeeld bij de uitwerking, uitvoering en monitoring van de steunmaatregel ( 309 ). Gelieve onder meer te verduidelijken of zij betrokken was bij:

□ 

kartering ( 310 ). Zo ja, gelieve dan nadere bijzonderheden te geven: …

□ 

beoordeling van particuliere investeringsplannen ( 311 ). Zo ja, gelieve dan nadere bijzonderheden te geven: …

□ 

openbare raadpleging ( 312 ). Zo ja, gelieve dan nadere bijzonderheden te geven: …

□ 

beoordeling van de naleving van de eis van sprongsgewijze verandering ( 313 ). Zo ja, gelieve dan nadere bijzonderheden te geven: …

□ 

definitie van producten, voorwaarden en tariefstelling inzake wholesaletoegang ( 314 ). Zo ja, gelieve dan nadere bijzonderheden te geven: …

□ 

beslechting van geschillen in verband met wholesaletoegang ( 315 ). Zo ja, gelieve dan nadere bijzonderheden te geven: …

□ 

bestaande infrastructuur die onderworpen is aan ex-anteregulering ( 316 ). Zo ja, gelieve dan nadere bijzonderheden te geven: …

□ 

definitie van het terugvorderingsmechanisme. Zo ja, gelieve dan nadere bijzonderheden te geven: …

9.2. Gelieve het advies van de NRI over de steunmaatregel ( 317 ) te verschaffen (indien beschikbaar).

9.3. Gelieve aan te geven of de NRI richtsnoeren heeft uitgevaardigd voor, onder meer, het uitvoeren van marktanalyses en definities van wholesaletoegangsproducten en prijsstelling. Zo ja, vermeld dan de inhoud van de richtsnoeren en licht toe of daarin rekening wordt gehouden met het desbetreffende regelgevingskader en de aanbevelingen van de Commissie ( 318 ).

9.4. Gelieve het advies van de nationale mededingingsautoriteit over de steunmaatregel te verschaffen ( 319 ) (indien beschikbaar).

9.5. Gelieve aan te geven of het adviesbureau voor breedband betrokken is geweest bij de opzet van de steunmaatregel ( 320 ).

10. TRANSPARANTIE, VERSLAGLEGGING EN MONITORING VAN DE STEUN

10.1.  Transparantie.

(a) 

Gelieve te bevestigen dat uw autoriteiten het volgende bekend zullen maken: i) de volledige tekst van het besluit tot goedkeuring van de steunmaatregel en de uitvoeringsbepalingen ervan (of een link daarnaar) en ii) informatie over elke individuele steunverlening van meer dan 100 000  EUR, overeenkomstig bijlage II ( 321 ) (binnen zes maanden vanaf de datum waarop de steun is verleend, of, in het geval van steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar vanaf de datum voor het indienen van de belastingaangifte) ( 322 ).

□ 

In de Transparency Award Module van de Commissie ( 323 ).

□ 

Op een uitgebreide staatssteunwebsite (met het relevante internetadres). Gelieve in dit geval aan te geven of het om een nationale of regionale website ( 324 ) gaat en of de informatie die op de steunwebsite is geregistreerd, gemakkelijk toegankelijk is (d.w.z. dat het algemene publiek zonder beperkingen toegang moet krijgen tot de website) ( 325 ).

(b) 

Gelieve te bevestigen dat de in punt 10.1 bedoelde informatie beschikbaar zal zijn gedurende ten minste tien jaar vanaf de datum waarop de steun is verleend, in een open spreadsheetformaat zal worden bekendgemaakt, waarmee de gegevens effectief kunnen worden doorzocht, opgehaald, gedownload en gemakkelijk op internet kunnen worden bekendgemaakt (bijvoorbeeld in CSV- of XML-formaat).

□Ja□Nee

(c) 

Gelieve te bevestigen dat, voor steun die onrechtmatig is maar vervolgens verenigbaar is bevonden, de relevante informatie binnen zes maanden na de datum van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar wordt verklaard, op een staatssteunwebsite (met vermelding van het relevante internetadres) wordt bekendgemaakt ( 326 ).

□Ja□Nee

10.2.  Rapportage. Gelieve te bevestigen dat uw autoriteiten het volgende bij de Commissie zullen indienen: i) jaarverslagen over elke maatregel die op grond van de breedbandrichtsnoeren is goedgekeurd; en ii) om de twee jaar een verslag met belangrijke informatie over de steunmaatregelen die op grond van de breedbandrichtsnoeren zijn goedgekeurd, overeenkomstig bijlage III bij die richtsnoeren ( 327 ).

10.3.  Monitoring. Gelieve te bevestigen dat uw autoriteiten gedurende tien jaar vanaf het tijdstip waarop de steun werd verleend gedetailleerde dossiers zullen bijhouden over alle steunmaatregelen, die alle gegevens bevatten die nodig zijn om aan te tonen dat is voldaan aan alle verenigbaarheidsvoorwaarden van de breedbandrichtsnoeren, en dat zij zich ertoe verbinden deze op verzoek aan de Commissie te bezorgen ( 328 ).

11. NEGATIEVE EFFECTEN OP DE MEDEDINGING EN HET HANDELSVERKEER

11.1. Gelieve toe te lichten wat de mogelijke negatieve effecten van de steunmaatregel op de mededinging en het handelsverkeer zijn (bv. potentieel om particuliere investeringen ( 329 ) weg te drukken of om een machtspositie te versterken) en welke elementen in de vormgeving van de maatregel die risico’s tot een minimum kunnen beperken ( 330 ).

DEEL III.6.A

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) voor maatregelen die onder afdeling 4.1 van de richtsnoeren vallen.

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.1 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Indien nog niet besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van eventuele doelstellingen van de Unie voor de vermindering en verwijdering van de vervoersemissies die met de maatregel moet worden ondersteund.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de interne markt kunnen leiden.

2.  Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de steunregeling in werking moet treden.

2.2. Geef de looptijd van de regeling aan ( 331 ).

3.  Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de (potentiële) begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaten of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren aan of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5.  Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen ( 332 ).

5.2. Indien de maatregelen door middel van een heffing worden gefinancierd, vermeld dan duidelijk of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld; Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(c) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producten;

(d) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(e) 

met de heffing waarmee de aangemelde maatregel wordt gefinancierd, ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. Positieve voorwaarde: de steun moet de ontwikkeling van een economische bedrijvigheid vergemakkelijken

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.1.1 (punten 23 tot en met 25), afdeling 4.1.1 (punt 77) en afdeling 4.1.2 (punten 78 tot en met -88) van de richtsnoeren.

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef aan, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren, welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

7. Beschrijf, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren, of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

8. Geef ook aan in hoeverre de steun verband houdt met de in punt 77 van de richtsnoeren beschreven beleidsmaatregelen.

9. Beschrijf de subsidiabiliteitsvereisten die van toepassing zijn op de begunstigde(n) (bijvoorbeeld door technische, ecologische (d.w.z. vergunningen), financiële (d.w.z. zekerheden) of andere voorwaarden voor de begunstigde(n) op te nemen).

10. Geef informatie over de precieze reikwijdte en ondersteunde activiteiten van de steunmaatregelen, zoals vermeld in afdeling 4.1.2 punten 78 tot en met 88 van de richtsnoeren.

(a) 

Geef aan, voor steun voor hernieuwbare energie, of alle soorten hernieuwbare energie worden ondersteund, en beschrijf het precieze toepassingsgebied voor elke betrokken hernieuwbare energiebron. Verstrek informatie waaruit blijkt dat het toepassingsgebied overeenstemt met de soorten hernieuwbare energie die voldoen aan de voorwaarden van de punten 79 tot en met 82 van de richtsnoeren.

(b) 

Geef, voor andere steun voor de vermindering en verwijdering van broeikasgasemissies en voor energie-efficiëntie, het precieze toepassingsgebied alsmede de informatie waaruit blijkt dat het toepassingsgebied voldoet aan de voorwaarden van de punten 83 tot en met 88 van de richtsnoeren.

1.2.  Stimulerend effect

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.2 (punten 26 tot en met 32) van de richtsnoeren.

11. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Voor de beoordeling van de naleving van punt 26 van de richtsnoeren, geef aan hoe de maatregelen „de begunstigde ervan ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren”.

12. Overeenkomstig punt 28 van de richtsnoeren, geef een uitgebreide beschrijving van het feitelijke scenario dat naar verwachting uit de steunmaatregel zal voortvloeien en het waarschijnlijke nulscenario zonder de steunmaatregel ( 333 ). Wanneer u verwacht dat verschillende categorieën begunstigden kunnen worden ondersteund, zorg er dan voor dat het nulscenario voor elk van deze categorieën geloofwaardig is.

13. Verklaar kort de redenen voor de keuze van het waarschijnlijke nulscenario, in het licht van de voorgestelde verschillende categorieën begunstigden, indien van toepassing.

(a) 

Wanneer steun wordt toegekend zonder concurrerende biedprocedure, motiveer de gedragswijziging, voor zover relevant voor elke categorie van begunstigden, op basis van het respectieve referentieproject, de overeenkomstige tegenfactoren en de resulterende financieringskloof, in overeenstemming met de kwantificering die onder punt 21 moet worden verstrekt.

OF

(b) 

Wanneer steun wordt toegekend op basis van een concurrerende biedprocedure, motiveer de gedragswijziging (indien relevant voor elke categorie begunstigde/referentieproject) aan de hand van hetzelfde bewijsmateriaal als vereist onder a) hierboven. U kunt ook relevant bewijsmateriaal verstrekken op basis van ander kwantitatief of kwalitatief bewijsmateriaal, waaronder marktstudies, investeringsplannen, financiële verslagen, interne bedrijfsplannen, adviezen van deskundigen, informatie over vergelijkbare projecten in andere regio’s, met inbegrip van biedingen van soortgelijke projecten in recente vergelijkbare concurrerende aanbestedingsprocedures ( 334 ).

14. Geef, om te beoordelen of aan punt 27 van de richtsnoeren is voldaan, informatie om te bevestigen dat de steun niet de kosten dekt van een activiteit die de begunstigde van de steun hoe dan ook zou uitvoeren en niet het normale zakelijke risico van een economische activiteit compenseert.

15. Om aan te tonen dat aan de punten 29 en 31 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat niet met de werkzaamheden aan het project of de activiteit is aangevangen voordat de begunstigde bij de nationale autoriteiten een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend;

OF

(b) 

Voor projecten die vóór de steunaanvraag zijn aangevangen, toon aan dat het project valt onder een van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 31, a), b) of c), van de richtsnoeren.

16. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

17. Om aan te tonen dat aan punt 32 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan of er Unienormen ( 335 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregelen, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld. Verstrek in dat verband informatie om het stimulerende effect aan te tonen.

18. In gevallen waarin er reeds Unienormen zijn aangenomen maar nog niet in werking zijn, toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm ten uitvoer te leggen en te voltooien.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

19. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

20. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de informatie die in het kader van vraag 5.2. is verstrekt, wanneer de aangemelde maatregel(en) wordt (worden) gefinancierd door middel van een heffing.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Kwantificeringsvereisten afhankelijk van de opzet van de maatregel

De lidstaten moeten kwantitatief bewijsmateriaal indienen dat relevant is voor verschillende delen van de onderstaande punten, met name over de noodzaak en evenredigheid van de steun. Om het verstrekken van informatie te vereenvoudigen, worden de vereiste relevante gegevens gegroepeerd in deze afdeling van het aanmeldingsformulier en moet verwezen worden naar de relevante afdelingen (zie met name de vragen 30, 32, 39, 42, 43, en 56 hieronder). De vereiste mate van gedetailleerdheid hangt af van de voorgestelde specifieke maatregel. De volgende onderafdelingen 2.1.1.1, 2.1.1.2 en 2.1.1.3 zijn dan ook alternatief: geef alleen antwoorden op de toepasselijke onderafdeling, afhankelijk van de opzet van de voorgestelde maatregel.

2.1.1.1. Regelingen zonder concurrerende biedprocedure of ad-hocsteunaanmeldingen

Wanneer steun zal worden verleend zonder een concurrerende biedprocedure, is kwantitatief bewijsmateriaal vereist, rekening houdend met de contrafeitelijke situatie en met de relevante kosten en inkomsten, met inbegrip van die welke verband houden met het ETS, waaruit blijkt dat het referentieproject, of het project van elke begunstigde indien de aangemelde maatregel slechts één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komt, zonder de steun niet zou worden uitgevoerd. In dergelijke situaties zal een volledige beoordeling van de financieringskloof nodig zijn om de vereiste netto extra kosten te kwantificeren. Verstrek daarom voor dergelijke soorten maatregelen het volgende:

21. Overeenkomstig punt 51 van de richtsnoeren kunnen de typische nettomeerkosten worden geraamd als het verschil tussen de netto contante waarde (NPV) voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario over de levensduur van het project of per referentieproject indien van toepassing. Verstrek voor deze beoordeling een kwantificering voor het feitelijke scenario, en een realistisch nulscenario ( 336 ) zoals vastgesteld in antwoord op vraag 12, van alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet (WACC) van de begunstigden (of referentieprojecten), alsmede de netto contante waarde (NPV) voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario, over de levensduur van het project/referentieproject.

(a) 

Vermeld dit in een bijlage bij deze aanmelding (in een Excel-bestand waarin alle formules zichtbaar zijn).

(b) 

Geef gedetailleerde informatie over de aannames, methodieken, redenen en onderliggende bronnen daarvan, die worden gebruikt voor elk aspect van de kwantificering van de kosten en opbrengsten in het feitelijke scenario en het waarschijnlijke nulscenario (vermeld bijvoorbeeld de aannames die zijn gebruikt om die scenario’s te ontwikkelen en de bron/redenen voor deze aannames).

(c) 

U kunt bij deze aanmelding ook de in voetnoot 39 van de richtsnoeren genoemde documenten voegen. Documenten van de raad van bestuur kunnen bijzonder nuttig zijn voor individuele steunmaatregelen of -regelingen die alleen aan een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen. Indien dergelijke documenten bij de aanmelding zijn gevoegd, verstrek dan hieronder een lijst van die documenten en vermeld daarbij de auteur, de datum waarop zij zijn opgesteld en de context waarin zij zijn gebruikt.

22. Indien de aangemelde maatregelen betrekking hebben op een steunregeling met een looptijd van meer dan drie jaar, bevestig dat u, zoals vereist op grond van punt 92 van de richtsnoeren, de analyse van de relevante kosten en inkomsten van referentieprojecten zal bijwerken om ervoor te zorgen dat de steun voor elke categorie begunstigden noodzakelijk blijft.

2.1.1.2. Regelingen met concurrerende biedingen die openstaan voor alle in aanmerking komende begunstigden

Hoewel in punt 49 van de richtsnoeren wordt verduidelijkt dat een gedetailleerde beoordeling van de netto extra kosten niet vereist is indien de steunbedragen via een concurrerende biedprocedure worden vastgesteld, moet ook worden aangetoond dat de biedprocedure daadwerkelijk concurrerend is. Overeenkomstig punt 104, eerste zin, van de richtsnoeren moet de biedprocedure in beginsel openstaan voor alle in aanmerking komende begunstigden om een kosteneffectieve toewijzing van steun mogelijk te maken en concurrentieverstoringen te beperken. Indien dit het geval is, vermeld dan het volgende:

23. Leg uit op basis van welke elementen u aanneemt dat de biedprocedure open en naar behoren met inschrijvingen beantwoord zal zijn, d.w.z. dat kan worden verwacht dat niet alle bieders steun zullen ontvangen en dat het aantal verwachte bieders voldoende is om daadwerkelijke mededinging tijdens de looptijd van de regeling te waarborgen (punt 49, c), van de richtsnoeren). Hou in uw toelichting rekening met het budget of de omvang van de regeling. Verwijs indien nodig naar de bewijsstukken in antwoord op de vragen 12 en 13.

24. Verklaar of er maximumbiedingen zullen worden gebruikt. Wanneer uit de analyse in antwoord op de vragen 12 en 13 hierboven of de vragen 31 en 43 hieronder blijkt dat er sprake kan zijn van een aanzienlijke afwijking tussen de verwachte inschrijvingsniveaus van verschillende categorieën begunstigden, leg dan uit hoe overcompensatie van goedkopere technologieën zal worden vermeden (zie punt 106 van de richtsnoeren). Indien maximumbiedingen worden voorgesteld, verstrek het relevante kwantitatieve bewijsmateriaal om de bepaalde niveaus te rechtvaardigen, bijvoorbeeld verwijzing naar het reeds verstrekte bewijsmateriaal in antwoord op de vragen 12 en 13 hierboven.

2.1.1.3. Regelingen met concurrerende biedingen die beperkt zijn tot een of meer specifieke categorieën begunstigden

De inschrijvingsprocedures moeten overeenkomstig punt 104, eerste zin, van de richtsnoeren in beginsel open staan voor alle in aanmerking komende begunstigden. Overeenkomstig punt 104, tweede volzin, van de richtsnoeren kan de biedprocedure echter ook worden beperkt tot een of meer specifieke categorieën begunstigden. Indien dit het geval is, gelieve dan het volgende te verstrekken:

25. Geef in overeenstemming met punt 104, a), van de richtsnoeren een specifieke motivering waarom één enkele biedprocedure voor alle in aanmerking komende begunstigden zou leiden tot een suboptimaal resultaat of het niet mogelijk zou maken de doelstellingen van de maatregel te verwezenlijken. In uw antwoord kunt u verwijzen naar de specifieke criteria van punt 96 van de richtsnoeren.

26. Volgens punt 104, b), en punt 105 van de richtsnoeren kunnen beperkingen in de biedprocedure gerechtvaardigd zijn indien de verwachte biedingen tussen de verschillende categorieën begunstigden met meer dan 10 % afwijken. Indien dit naar verwachting het geval zal zijn, beschrijf dan voor elke categorie begunstigden het verwachte niveau van de inschrijving, aan de hand van bewijsstukken zoals verstrekt in antwoord op de vragen 12 en 13 hierboven, ter staving van het verschil tussen de gekozen categorieën.

27. Leg uit op basis van welke elementen u aanneemt dat de biedprocedure voor elke categorie open zal zijn en naar behoren met inschrijvingen beantwoord zal worden, d.w.z. dat kan worden verwacht dat niet alle bieders steun zullen ontvangen en dat het aantal verwachte bieders voldoende is om daadwerkelijke mededinging tijdens de looptijd van de regeling te waarborgen (punt 49, c), van de richtsnoeren). Hou in uw toelichting rekening met het budget of de omvang van de regeling. Verwijs indien nodig naar de bewijsstukken in antwoord op de vragen 12 en 13.

28. Indien de aangemelde maatregelen betrekking hebben op een steunregeling met een looptijd van meer dan drie jaar, bevestig dat u, zoals vereist op grond van punt 92 van de richtsnoeren, de analyse van de relevante kosten en inkomsten van referentieprojecten zal bijwerken om ervoor te zorgen dat de steun voor elke categorie begunstigden noodzakelijk blijft. Bevestig daarnaast dat punt 105 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

29. Verklaar of er maximumbiedingen zullen worden gebruikt. Wanneer uit de analyse in antwoord op de vragen 12 en 13 hierboven of de vragen 31 en 43 hieronder blijkt dat er sprake kan zijn van een aanzienlijke afwijking tussen de verwachte inschrijvingsniveaus van verschillende categorieën begunstigden, leg dan uit hoe overcompensatie van goedkopere technologieën zal worden vermeden (zie punt 106 van de richtsnoeren). Indien maximumbiedingen worden voorgesteld, verstrek het relevante kwantitatieve bewijsmateriaal om de bepaalde niveaus te rechtvaardigen, bijvoorbeeld verwijzing naar het reeds verstrekte bewijsmateriaal in antwoord op de vragen 12 en 13 hierboven.

2.1.2.  Noodzaak van de steun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.1.3.1 (punten 89-92) van de richtsnoeren.

30. Geef aan, in overeenstemming met punt 89 van de richtsnoeren, welke beleidsmaatregelen reeds zijn genomen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name die welke van toepassing zijn op de sectoren waarop de maatregelen betrekking hebben.

31. Om te beoordelen of aan de voorwaarden van punt 90, eerste zin, van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat met gebruikmaking in voorkomend geval van het reeds in antwoord op vraag 12 verstrekte bewijsmateriaal, dat de steun nodig is voor de voorgestelde activiteiten, rekening houdend met de contrafeitelijke situatie en met de relevante kosten en inkomsten, met inbegrip van de kosten en inkomsten in verband met het ETS en de daarmee verband houdende beleidsinitiatieven en maatregelen, verstrekt onder vraag 30 hierboven.

32. Om te beoordelen of aan punt 90, tweede zin, van de richtsnoeren is voldaan, leg uit of er grote onzekerheid bestaat over toekomstige marktontwikkelingen met betrekking tot een groot deel van de businesscase. Zo ja, a) beschrijf de grote onzekerheid met betrekking tot toekomstige marktontwikkelingen, b) de vorm van de steun en met name of de steun de vorm aanneemt van een bepaalde gegarandeerde vergoeding om de blootstelling aan negatieve scenario’s te beperken, en c) leg uit of in het kader van de maatregelen een beperking van de winstgevendheid en/of een terugvordering (d.w.z. een mechanisme om potentiële overtollige steun terug te vorderen als gevolg van een mogelijk positief scenario, bijvoorbeeld met hoge toekomstige inkomsten of lage toekomstige kosten) wordt voorgesteld als onderdeel van de maatregelen om de evenredigheid te waarborgen.

33. Indien de aangemelde maatregelen betrekking hebben op een steunregeling met een looptijd van meer dan drie jaar, bevestig dat u, zoals vereist op grond van punt 92 van de richtsnoeren, de analyse van de relevante kosten en inkomsten van referentieprojecten zal bijwerken om ervoor te zorgen dat de steun voor elke categorie begunstigden noodzakelijk blijft.

2.1.3.  Geschiktheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.1.3.2 (punten 93 en 94) van de richtsnoeren.

34. Indien de aangemelde maatregelen energieprestatiecontracten betreffen, verklaar dan de vorm van dit aspect van de steun (zie punt 94 van de richtsnoeren).

2.1.4.  Subsidiabiliteit

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.1.3.3 (punten 95-97) van de richtsnoeren.

35. Om na te gaan of aan de punten 95 en 96 van de richtsnoeren is voldaan, geef voor maatregelen die niet alle concurrerende technologieën en projecten omvatten, een gedetailleerde motivering voor de beperkte subsidiabiliteit.

36. Indien de aangemelde maatregelen betrekking hebben op een regeling, bevestig dat de subsidiabiliteitsregels en de daarmee verband houdende regels zullen worden geëvalueerd overeenkomstig punt 97 van de richtsnoeren.

2.1.5.  Publieke consultatie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.1.3.4 (punten 98 tot en met 102) van de richtsnoeren.

37. Leg uit of voor de maatregelen een publieke consultatie vereist is overeenkomstig afdeling 4.1.3.4, en zo nee, waarom niet.

38. Indien voor de maatregel een publieke consultatie nodig is:

(a) 

vermeld de duur van de publieke consultatie en geef een samenvatting van de belangrijkste behandelde kwesties:

(b) 

vermeld, in overeenstemming met de vereisten van punt 101 van de richtsnoeren, het adres van de openbare website waar vragenlijsten voor raadplegingen en de samenvatting van de antwoorden van de regering zullen worden/worden gepubliceerd:

2.1.6.  Evenredigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.3 (punten 47 tot en met 57) en afdeling 4.1.3.5 (punten 103 tot en met 113) van de richtsnoeren. De volgende twee afdelingen 2.1.6.1 en 2.1.6.2 zijn een alternatief. Geef alleen antwoorden op de toepasselijke afdeling, afhankelijk van de opzet van de voorgestelde maatregel.

2.1.6.1. Evenredigheid van steun die via een concurrerende biedprocedure wordt verleend

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 49, 50, 103 tot en met 106, 111 en 112 van de richtsnoeren.

39. Om na te gaan of aan de punten 49, 50 en 103 van de richtsnoeren is voldaan, geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit hoe de autoriteiten ervoor zorgen dat de biedprocedure open, helder, transparant en niet-discriminerend is en gebaseerd op objectieve criteria, die vooraf zijn vastgesteld overeenkomstig de doelstelling van de maatregel en het risico op strategisch bieden tot een minimum beperken (punt 49, a), van de richtsnoeren) Verwijs, indien van toepassing, ook naar uw antwoorden op de vragen 23 en 26 hierboven.

(b) 

De selectiecriteria die worden gebruikt om de inschrijvingen te rangschikken en uiteindelijk het steunniveau in de concurrerende biedprocedure vast te stellen. Verwijs indien nodig naar de bewijsstukken in antwoord op de vragen 12 of 13. Meer in het bijzonder:

(i) 

Geef een lijst van de selectiecriteria en geef aan welke daarvan al dan niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en). Neem de weging van de criteria op.

(ii) 

Leg uit hoe de selectiecriteria de bijdrage aan de hoofddoelstellingen van de maatregel(en) direct of indirect in verband brengen met het door de aanvrager gevraagde steunbedrag. Dit kan bijvoorbeeld worden uitgedrukt in steun per eenheid milieubescherming (punt 50 en voetnoot 44 van de richtsnoeren).

(c) 

Indien er andere selectiecriteria zijn die niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en), motiveer dan de voorgestelde aanpak en leg uit hoe deze geschikt is voor de met de maatregel(en) nagestreefde doelstellingen. Bevestig ook dat deze criteria niet meer dan 30 % vertegenwoordigen van alle selectiecriteria die worden meegewogen (punt 50 van de richtsnoeren).

(d) 

Leg uit hoe lang vooraf vóór elke concurrerende biedprocedure de selectiecriteria zullen worden gepubliceerd (punt 49, b), en voetnoot 43 van de richtsnoeren).

(e) 

Bevestig dat het budget of het volume in verband met de inschrijvingsprocedure een bindende beperking is, aangezien kan worden verwacht dat niet alle inschrijvers steun zullen ontvangen (punt 49, c), van de richtsnoeren). Verwijs, voor zover van toepassing, naar uw antwoorden op de vragen 22 of 26 hierboven.

(f) 

Geef informatie over het aantal geplande biedronden en het verwachte aantal inschrijvers in de eerste ronde en in de loop van de tijd.

(g) 

In het geval van een of meer inschrijvingsprocedures waarvoor onvoldoende is ingeschreven, leg uit hoe, en wanneer, de opzet van de biedprocedures tijdens de uitvoering van de regeling zal worden gecorrigeerd om de daadwerkelijke mededinging te herstellen (punt 49, c), van de richtsnoeren).

(h) 

Bevestig dat aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen of contingentering) worden vermeden (punt 49, d), van de richtsnoeren).

(i) 

Indien „subsidievrije biedingen” mogelijk zijn, leg uit hoe de evenredigheid zal worden gewaarborgd. Licht toe of de autoriteiten in de concurrerende biedprocedure voorzien in het gebruik van minimum- en maximumprijzen. Indien dit het geval is, onderbouw dan het gebruik ervan en leg uit hoe zij de concurrerende biedprocedure niet beperken (punt 49 en voetnoot 42 van de richtsnoeren).

40. Bevestig dat bij het ontwerpen van de aangemelde maatregelen rekening is gehouden met de informatie over de steun die reeds is ontvangen uit de documentatie van het massabalanssysteem overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn (EU) 2018/2001 (punt 111 van de richtsnoeren).

41. Leg uit of de aangemelde maatregelen betrekking hebben op de overdracht van concessierechten, netaansluitingrechten of andere voordelen, en zo ja, hoe deze rechten worden toegewezen (punt 112 van de richtsnoeren).

2.1.6.2. Evenredigheid van niet via een concurrerende biedprocedure verleende steun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 51 tot en met 55 en 107 tot en met 113 van de richtsnoeren.

42. Leg uit waarom geen gebruik wordt gemaakt van een concurrerende biedprocedure (overeenkomstig punt 107 van de richtsnoeren). Verwijs in voorkomend geval naar uw antwoord op bovenstaande vraag 21.

43. Toon aan dat de steun niet hoger is dan het noodzakelijke minimum, d.w.z. het verschil tussen de NPV voor het feitelijke scenario en voor het contrafeitelijke scenario gedurende de looptijd van het referentieproject, door te verwijzen naar de kwantificering verstrekt in het antwoord op bovenstaande vraag 21 of in het geval van 52 richtsnoeren dat de steun de NPV van het feitelijke scenario niet overschrijdt. Indien u verwacht dat verschillende categorieën begunstigden steun kunnen ontvangen in het kader van de aangemelde maatregel, geef dan de bovenstaande toelichting voor elke categorie begunstigden.

44. Indien punt 55 van de richtsnoeren van toepassing is, geef dan informatie over de compensatiemodellen die de lidstaat eventueel voornemens is in te voeren (een combinatie van mechanismen voor terugvordering vooraf en ex post of achteraf voor terugvordering of kostenmonitoring).

Indien punt 55 van de richtsnoeren niet van toepassing is op de maatregelen, gelieve dit te motiveren.

45. Bevestig dat bij het ontwerpen van de aangemelde maatregelen rekening is gehouden met de informatie over de steun die reeds is ontvangen uit de documentatie van het massabalanssysteem overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn (EU) 2018/2001 (punt 111 van de richtsnoeren).

46. Leg uit of de aangemelde maatregelen betrekking hebben op de overdracht van concessierechten, netaansluitingrechten of andere voordelen, en zo ja, hoe deze rechten worden toegewezen (punt 112 van de richtsnoeren).

47. Indien de aangemelde maatregelen de vorm hebben van concurrerende regelingen met certificaten of regelingen met leveranciersverplichtingen (punt 108 van de richtsnoeren:

(a) 

bevestig dat de vraag in de regeling onder het niveau van het potentiële aanbod wordt vastgesteld;

(b) 

leg uit hoe de afkoopsom of geldboete zal worden vastgesteld; en

(c) 

indien de maatregel betrekking heeft op biomassa, hoe rekening zal worden gehouden met de informatie over steun die reeds is ontvangen uit de documentatie over het massabalanssysteem.

48. Indien de aangemelde maatregelen de vorm aannemen van belasting- of heffingskortingen:

(a) 

Geef een gedetailleerde beschrijving van de belastingen en/of heffingen die zullen worden verlaagd (met inbegrip van het doel ervan, de wijze waarop zij over de grondslag worden geheven, de methode voor de berekening van het tarief en de entiteiten die betrokken zijn bij de vaststelling en herziening van het tarief en bij de inning en het beheer van de gegenereerde inkomsten). Toon op basis hiervan aan dat de voorgestelde maatregel geen verlagingen van belastingen of heffingen met zich meebrengt die de essentiële kosten van de levering van energie of aanverwante diensten weerspiegelen, zoals nettarieven of heffingen ter financiering van capaciteitsmechanismen.

(b) 

Beschrijf hoe de steun wordt toegekend, met name om ervoor te zorgen dat:

(i) 

overeenkomstig punt 109 van de richtsnoeren die steun op dezelfde wijze zal worden toegekend voor alle in aanmerking komende ondernemingen die in dezelfde economische sector actief zijn en zich in dezelfde of vergelijkbare feitelijke situatie bevinden wat betreft de doelstellingen van de steunmaatregel;

(ii) 

overeenkomstig punt 110 van de richtsnoeren het steunbedrag niet hoger zal uitkomen dan het verschil tussen de kosten van het milieuvriendelijke project of de milieuvriendelijke activiteit en het minder milieuvriendelijke nulscenario. Geef ook aan hoe potentiële kostenbesparingen en/of extra inkomsten van het milieuvriendelijker project in aanmerking zullen worden genomen.

(c) 

Beschrijf de jaarlijkse monitoring die zal worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de steun noodzakelijk blijft.

49. Indien de steun de vorm aanneemt van een niet-achtergestelde lening aan de aanbieder van de maatregelen ter verbetering van de energieprestaties in het kader van een energieprestatiecontract (punt 113 van de richtsnoeren),

(a) 

vermeld:

(i) 

het niveau van het mede-investeringspercentage door commerciële verstrekkers van schuldfinanciering;

(ii) 

de waarde van de portefeuille van de onderliggende energieprestatiecontracten van de aanbieder; en

(iii) 

of de terugbetaling door de aanbieder van de maatregelen ter verbetering van de energieprestaties ten minste gelijk is aan de nominale waarde van de lening.

(b) 

Bevestig dat de overheidslening beperkt is tot maximaal tien jaar en geef de exacte looptijd aan.

50. Indien de steun de vorm aanneemt van een garantie aan de aanbieder van de maatregelen ter verbetering van de energieprestaties in het kader van een energieprestatiecontract (punt 113 van de richtsnoeren):

(a) 

vermeld het aandeel van de hoofdsom van de onderliggende lening dat de overheidsgarantie zal dekken;

(b) 

vermeld hoe verliezen worden gedragen naar evenredigheid door de kredietinstelling worden gedragen (aandeel en voorwaarden);

(c) 

Bevestig dat het gegarandeerde bedrag proportioneel afneemt op zodanige wijze dat de garantie nooit meer dan 80 % van de uitstaande lening dekt; en

(d) 

Bevestig dat de garantie beperkt is tot maximaal tien jaar en geef de exacte looptijd aan.

2.1.7.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

51. Verduidelijk, voor zover nog niet vermeld in deel I van het algemene aanmeldingsformulier en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de aangemelde maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd. U kunt desgewenst verwijzen naar de hierboven vermelde kwantificering.

52. Indien punt 56 van de richtsnoeren van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de aangemelde maatregelen voor een project of een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van punt 51 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

53. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 337 ) (die geen staatssteun vormt), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.1.8.  Transparantie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 61) van de richtsnoeren.

54. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

55. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.1.4 (punten 114 tot en met 133) van de richtsnoeren.

56. Om na te gaan of aan punt 115 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

verstrek een raming van de subsidie per ton vermeden CO2-equivalente emissies per project of referentieproject; en

(b) 

de aannamen en methodologie voor de berekening.

Wanneer steun via een concurrerende biedprocedure wordt toegekend, moet de bovenvermelde raming gebaseerd zijn op het verstrekte bewijsmateriaal, met name in antwoord op de vragen 12, 13, 25, 26, 31 en 39 hierboven.

Wanneer steun wordt toegekend zonder concurrerende biedprocedure, moet bij de berekeningen rekening worden gehouden met de kwantificering die is verstrekt in het antwoord op punt 21 hierboven.

57. Om na te gaan of aan de punten 116, 127, 128 en 129 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

toon aan dat de steun niet alleen de uitstoot van broeikasgassen van de ene sector naar de andere verplaatst (door een toename van indirecte emissies) en een totale vermindering van broeikasgasemissies oplevert. Dit moet voor elk project of referentieproject worden aangetoond. De aannamen en methodologie hiervoor moeten worden verstrekt.

(b) 

Leg uit of ondersteunde investeringen of activiteiten schonere alternatieven die reeds op de markt beschikbaar zijn, kunnen verdringen, of tot lock-in van bepaalde technologieën kunnen leiden (waardoor de ruimere ontwikkeling van een markt voor en het gebruik van schonere oplossingen wordt belemmerd).

(c) 

indien de aangemelde maatregelen nieuwe investeringen in energie of industriële productie op basis van aardgas kunnen stimuleren, leg dan uit hoe de maatregel zal zorgen voor een bijdrage tot de verwezenlijking van de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 en de doelstelling van klimaatneutraliteit in 2050. Leg met name uit hoe een lock-in van deze gasgestookte energieproductie of gasgestookte productie-installaties zal worden vermeden.

58. Indien de aangemelde maatregelen projecten voor energieopwekking kunnen ondersteunen, bevestig dat er geen stimulansen zijn voor de opwekking van energie die minder vervuilende vormen van energie zouden vervangen (zie punt 126 van de richtsnoeren).

59. Om na te gaan of aan de punten 117, 118 en 119 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Bevestig voor steun voor het koolstofvrij maken van industriële activiteiten dat de maatregel de rechtstreeks uit die industriële activiteit voortvloeiende emissies vermindert.

(b) 

Bevestig voor steun ter verbetering van de energie-efficiëntie van industriële activiteiten dat de maatregel de energie-efficiëntie van de activiteiten van de begunstigden verbetert of dat steun wordt verleend om energieprestatiecontracten te vergemakkelijken.

(c) 

Indien de steun voor het faciliteren van energieprestatiecontracten niet via een concurrerende biedprocedure wordt toegekend, bevestig dat staatssteun in beginsel op dezelfde wijze wordt toegekend voor alle in aanmerking komende ondernemingen die in dezelfde economische sector actief zijn en zich in dezelfde of vergelijkbare feitelijke situatie bevinden wat betreft de doelstellingen van de steunmaatregel.

60. Om na te gaan of aan punt 120 van de richtsnoeren is voldaan, geef informatie over de volgende punten:

(a) 

De maatregelen die zijn genomen om ervoor te zorgen dat de projecten waarvoor steun is verleend, daadwerkelijk worden ontwikkeld.

(b) 

Indien de steunmaatregelen meer flexibiliteit toestaan met betrekking tot de prekwalificatie-eisen voor projecten die ontwikkeld zijn door en voor 100 % in handen zijn van kmo's of van hernieuwbare-energiegemeenschappen, als middel om de belemmeringen voor hun deelname te verminderen, beschrijf dan deze flexibiliteit/ facilitering in detail.

(c) 

Zo ja, leg ook uit hoe de positieve effecten van het waarborgen van de deelname en aanvaarding van kmo’s of hernieuwbare-energiegemeenschappen in de aangemelde maatregelen opwegen tegen de mogelijke verstorende effecten.

61. Om na te gaan of aan de punten 121 en 122 van de richtsnoeren is voldaan, geef informatie over de volgende punten:

(a) 

De precieze vorm van de steun in de maatregel.

(b) 

Indien de steunmaatregel kosten dekt die grotendeels verband houden met de exploitatie in plaats van met investeringen, toon dan aan dat dit resulteert in milieuvriendelijkere besluiten op het gebied van exploitatie.

(c) 

Indien de steunmaatregel hoofdzakelijk nodig is ter dekking van kosten op korte termijn die variabel kunnen zijn, zoals de kosten van biomassabrandstof of de inputkosten voor elektriciteit, en wordt betaald over perioden van meer dan één jaar, bevestig dan dat de productiekosten waarop het steunbedrag is gebaseerd, zullen worden gemonitord en dat het steunbedrag ten minste eenmaal per jaar wordt geactualiseerd.

62. Om na te gaan of aan punt 123 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Geef aan welke markten mogelijk rechtstreeks door de steunmaatregel worden beïnvloed (bv. elektriciteitsmarkt, gasmarkt of andere brandstofmarkten, productmarkten).

(b) 

Leg nader uit hoe de maatregel efficiënte exploitatieprikkels en prijssignalen in stand houdt (blootstelling aan prijsvariatie en marktrisico, geen prikkel om output aan te bieden onder de marginale kosten, geen productiesteun in perioden waarin de marktwaarde van die productie negatief is).

63. Indien de aangemelde maatregelen projecten met specifieke infrastructuur kunnen ondersteunen, om na te gaan of aan de punten 124 en 125 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Beschrijf de omvang en reikwijdte van de specifieke infrastructuur in verhouding tot de betrokken markt(en), en het effect op de waarschijnlijkheid van aanvullende marktgebaseerde investeringen.

(b) 

Leg uit hoeveel gebruikers of groepen gebruikers in eerste instantie zullen profiteren van de specifieke infrastructuur en of er een geloofwaardig plan of een vaste verbintenis bestaat om verbinding te maken met een breder netwerk.

(c) 

Vermeld, indien van toepassing, de duur van eventuele afwijkingen of vrijstellingen van de internemarktwetgeving, de structuur van de markt en de positie van de begunstigden op die markt.

64. Indien de aangemelde maatregelen projecten kunnen ondersteunen in verband met de productie van biobrandstoffen uit voedsel- en voedergewassen, om na te gaan of aan punt 130 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Bevestig dat staatssteun voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biogas en biomassabrandstoffen niet de plafonds zullen overschrijden om te bepalen of zij meetellen voor de berekening van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 26 van Richtlijn (EU) 2018/2001.

(b) 

Indien de plafonds worden of kunnen worden overschreden, beschrijf dan nader of welke positieve effecten van de maatregel de negatieve effecten zouden kunnen compenseren.

65. Indien de aangemelde maatregelen slechts aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen, om na te gaan of aan de punten 131 en 132 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek dan met name:

(a) 

de lijst van de vijf grootste marktspelers in de betrokken sectoren en hun omzet (in volume of waarde) in vergelijking met de totale omzet van de sectoren ( 338 ).

(b) 

de redenen waarom de lidstaten van mening zijn dat de aangemelde maatregelen de marktmacht van de begunstigden niet zouden versterken of handhaven, de expansie van bestaande concurrenten zouden ontmoedigen of hen ertoe zouden aanzetten de markt te verlaten of de toetreding van nieuwe concurrenten zouden ontmoedigen.

Leg in dit verband ook uit of de steunmaatregel zal leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit van de begunstigde(n);

(c) 

beschrijf de maatregelen die zijn genomen om de potentiële verstoring van de mededinging als gevolg van de toekenning van de steun aan de begunstigde(n) te beperken.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie punt 76, a), punt 131 en afdeling 5 (punten 455 tot en met 463) van de richtsnoeren.

66. Indien de aangemelde maatregel(en) de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijdt (overschrijden), leg dan uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij deze aanmelding een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 339 ).

67. Indien u een ontwerp-evaluatieplan verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

68. Bevestig, om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

69. Om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, ingeval momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, verstrek hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal bekendmaken.

70. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

71. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

72. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van deel 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.B

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.2 – Steun voor de verbetering van de energie- en milieuprestaties van gebouwen

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.2 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en):

1.1. Indien dit nog niet is besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef dan de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van eventuele doelstellingen van de Unie met betrekking tot de energie- en milieuprestaties van gebouwen die met de maatregel moet(en) worden ondersteund.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de mededinging op de interne markt kunnen leiden.

2.  Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de steunregeling in werking moet treden.

2.2. Geef de looptijd van de regeling aan ( 340 ).

3.  Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaat of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef aan met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5.  Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen ( 341 ).

5.2. Indien de maatregelen door middel van een heffing worden gefinancierd, vermeld dan duidelijk of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld; Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(c) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producten;

(d) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(e) 

met de heffing voor de financiering van de aangemelde maatregel ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Zo ja, vermeld de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.1 (punten 23, 24 en 25), afdelingen 4.2.1 en 4.2.2 (punten 136 tot en met 140 van de richtsnoeren).

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef aan, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren, welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

7. Beschrijf, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren, of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

Geef ook aan in hoeverre de steun verband houdt met de in punt 135 van de richtsnoeren beschreven beleidsmaatregelen.

8. Beschrijf de subsidiabiliteitsvereisten die van toepassing zijn op de begunstigde(n) (bijvoorbeeld door technische, ecologische (d.w.z. vergunningen), financiële (d.w.z. zekerheden) of andere voorwaarden voor de begunstigde(n) op te nemen).

9. Geef informatie over de precieze reikwijdte en ondersteunde activiteiten van de steunmaatregel(en), zoals vermeld in afdeling 4.2.2 van de richtsnoeren. Met name:

(a) 

Geef aan of de steunmaatregelen alleen steun voor de verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen verstrekken of steun voor de verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen combineren met steun voor een of alle in punt 137 van de richtsnoeren genoemde investeringen. Vermeld in het laatste geval duidelijk welke investeringen in aanmerking komen voor steun in het kader van de maatregelen.

(b) 

Licht toe of de steunmaatregelen ook soorten steun omvatten die op grond van punt 4.2 van de richtsnoeren uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van punt 138 van die richtsnoeren. Zo ja, dan moeten de desbetreffende aanmeldingen worden verricht met betrekking tot de desbetreffende delen van de maatregelen.

10. Geef aan of de in het kader van de maatregelen verleende steun betrekking heeft op de renovatie van bestaande gebouwen, de installatie of vervanging van slechts één soort gebouwelement ( 342 ) en/of investeringen in energie-efficiëntie in nieuwe gebouwen, zoals gedefinieerd in punt 139, a), b) en c), van de richtsnoeren.

11. Toon aan dat de in het kader van de steunmaatregelen verleende steun zal leiden tot de in punt 139, a), b) en c), van de richtsnoeren vereiste verbeteringen van de energieprestaties.

12. Geef aan of de steun in het kader van de steunmaatregelen wordt toegekend aan kmo’s en kleine midcapondernemingen die maatregelen ter verbetering van de energieprestatie aanbieden om energieprestatiecontracten te vergemakkelijken, zoals bepaald in punt 140 van de richtsnoeren.

1.2.  Stimulerend effect

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.2 (punten 26 tot en met 32) en afdeling 4.2.3 (punten 141, 142 en 143) van de richtsnoeren.

13. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Voor de beoordeling van de naleving van punt 26 van de richtsnoeren, geef aan hoe de maatregelen „de begunstigde ervan ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren”. Om te beoordelen of aan punt 27 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig ook dat de maatregel geen vergoeding is voor het normale zakelijke risico van een economische activiteit, en licht kort toe waarom.

14. Overeenkomstig punt 28 van de richtsnoeren:

(a) 

Geef een uitgebreide beschrijving van het feitelijke scenario dat naar verwachting uit de steunmaatregel zal voortvloeien en het waarschijnlijke nulscenario zonder de steunmaatregel ( 343 ). Wanneer u verwacht dat verschillende categorieën begunstigden kunnen worden ondersteund, zorg er dan voor dat het nulscenario voor elk van deze categorieën geloofwaardig is.

(b) 

Verklaar kort waarom gekozen is voor het waarschijnlijke nulscenario, in het licht van de voorgestelde verschillende categorieën begunstigden, indien van toepassing.

(c) 

Kwantificeer de kosten en inkomsten van de feitelijke en contrafeitelijke scenario’s en motiveer de gedragswijziging indien relevant voor elke categorie begunstigden, op basis van:

(i) 

de respectieve referentieprojecten ( 344 ), de overeenkomstige contrafeitelijke factoren en de daaruit voortvloeiende financieringskloof;

OF

(ii) 

het relevante kwantitatief bewijsmateriaal op basis van marktstudies (met name studies over verwachte terugverdientijden), beleggingsplannen, financiële verslagen of ander kwantitatief bewijsmateriaal, inclusief in voorkomend geval inschrijvingen voor soortgelijke projecten in recente vergelijkbare concurrerende inschrijvingsprocedures ( 345 ).

15. Om aan te tonen dat aan de punten 29 en 31 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat niet met de werkzaamheden aan het project of de activiteit is aangevangen voordat de begunstigde bij de nationale autoriteiten een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend;

OF

(b) 

Voor projecten die vóór de steunaanvraag zijn aangevangen, toon aan dat het project valt onder een van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 31, a), b) of c), van de richtsnoeren.

16. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

17. Om aan te tonen dat aan de punten 32 en 142 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Geef aan of er Unienormen ( 346 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregelen, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld;

(b) 

In gevallen waarin het Unierecht Unienormen oplegt, bevestig en toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm ten uitvoer te leggen en te voltooien.

(c) 

Geef aan of projecten met een terugverdientijd ( 347 ) van minder dan vijf jaar in aanmerking komen voor steun in het kader van de maatregelen. Zo ja, gelieve aan te tonen dat steun nodig is om een gedragsverandering teweeg te brengen, zoals vereist op grond van punt 142 van de richtsnoeren.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

18. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

19. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de informatie die in het kader van vraag 5.2. is verstrekt, wanneer de aangemelde maatregel(en) wordt (worden) gefinancierd door middel van een heffing.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Noodzaak van de steun

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.1 (punten 34 tot en met 38) van de richtsnoeren.

20. Leg uit welk marktfalen uw autoriteiten hebben vastgesteld dat het bereiken van een toereikend niveau van milieubescherming in de weg staat. Geef aan in welke categorie het vastgestelde marktfalen valt, onder verwijzing naar punt 34, punt a), b), c) of d), van de richtsnoeren.

21. Verstrek, overeenkomstig punt 35 van de richtsnoeren, informatie over bestaande beleidslijnen en maatregelen die uw autoriteiten hebben vastgesteld en die reeds op het geconstateerde regulerings- of marktfalen zijn gericht.

22. Om aan te tonen dat aan punt 36 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie waaruit blijkt dat de steun het resterende marktfalen daadwerkelijk aanpakt, mede in het licht van andere beleidslijnen en maatregelen die al zijn opgezet om een deel van het geconstateerde marktfalen aan te pakken.

23. Om aan te tonen dat aan punt 37 van de richtsnoeren is voldaan, leg uit of, voor zover bekend bij uw autoriteiten, projecten of activiteiten die vergelijkbaar zijn met die welke onder de aangemelde maatregelen vallen, wat betreft hun technologische inhoud, risiconiveau en omvang binnen de Unie al tegen marktvoorwaarden worden uitgevoerd. Indien dit het geval is, verschaf dan verder bewijsmateriaal om de noodzaak van staatssteun aan te tonen.

24. Verwijs, om aan te tonen dat aan punt 38 van de richtsnoeren is voldaan, naar het kwantitatieve bewijsmateriaal dat reeds onder vraag 14, c), is verstrekt.

2.1.2.  Geschiktheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.2 (punten 39 tot en met 46), afdeling 4.2.4.1 (punten 144 en 145) en punten 153 en 157 van de richtsnoeren.

25. Om na te gaan of aan punt 40 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat er geen minder verstorende instrumenten beschikbaar zijn die geschikter zijn dan staatssteun.

26. Om na te gaan of aan punt 41 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de steunmaatregel zodanig is opgezet dat de efficiëntie van andere maatregelen om hetzelfde marktfalen te verhelpen, zoals marktgebaseerde mechanismen (bv. het EU-ETS), niet wordt ondermijnd.

27. Om aan te tonen dat aan punt 42 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat geen van de begunstigden van de steunmaatregelen op grond van het bestaande Unierecht of het nationale recht aansprakelijk kan worden gesteld voor de verontreiniging (beginsel „de vervuiler betaalt”).

28. Om na te gaan of aan de punten 43 tot en met 46 van de richtsnoeren is voldaan, en om aan te tonen dat de steun geschikt is in vergelijking met andere beleidsinstrumenten, geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit waarom andere potentieel minder verstorende vormen van steun minder geschikt zijn, zoals vereist in punt 44 van de richtsnoeren. Terugbetaalbare voorschotten kunnen minder verstorende vormen van steun zijn in vergelijking met rechtstreekse subsidies; belastingverrekening in vergelijking met belastingkortingen; of vormen van steun die gebaseerd zijn op financiële instrumenten, zoals schuldinstrumenten, in vergelijking met eigenvermogensinstrumenten (bv. leningen tegen lage rente of met rentekorting, overheidsgaranties of een alternatieve vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden).

(b) 

Toon aan dat het gekozen steuninstrument geschikt is voor het marktfalen dat de steunmaatregel(en) beoogt (beogen) aan te pakken, zoals vereist in punt 45 van de richtsnoeren.

(c) 

Leg uit hoe de steunmaatregel en de vormgeving ervan geschikt zijn om de doelstelling van de maatregel waarop de steun is gericht, te bereiken, zoals vereist in punt 46 van de richtsnoeren.

29. Indien in het kader van de maatregelen steun wordt verleend aan kmo’s en kleine midcapondernemingen die in het kader van energieprestatiecontracten maatregelen ter verbetering van de energieprestatie verstrekken, bevestig, zoals vereist op grond van punt 145 van de richtsnoeren, dat de steun de vorm aanneemt van een lening of garantie aan de aanbieder of een financieel product inhoudt dat gericht is op de financiering van de aanbieder (bijvoorbeeld factoring of forfaiting).

30. Indien in het kader van de maatregelen steun wordt verleend in de vorm van financiële instrumenten, bevestig dat:

(a) 

de steun aan de eigenaar of huurder van het gebouw wordt verleend in de vorm van een garantie of een lening, overeenkomstig punt 153 van de richtsnoeren; en

(b) 

de steun aan de financieel intermediair (bv. fonds voor energie-efficiëntie) de vorm van dotatiekapitaal, eigen vermogen, een garantie of een lening aanneemt, overeenkomstig punt 157 van de richtsnoeren;

2.1.3.  Evenredigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.2.4.2 (punten 146 tot en met 153) van de richtsnoeren.

De volgende drie afdelingen 2.1.3.1, 2.1.3.2 en 2.1.3.3 zijn een alternatief. Geef alleen antwoorden op de toepasselijke afdeling, afhankelijk van de opzet van de voorgestelde maatregel.

2.1.3.1. Evenredigheid van de steun wanneer de steun niet via een concurrerende biedprocedure wordt verleend en niet in de vorm van financiële instrumenten wordt verleend

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 146 tot en met 151 en 153 van de richtsnoeren.

31. Om na te gaan of aan punt 146 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan welke kosten in het kader van de maatregelen in aanmerking komen en hoe deze beperkt zijn tot de investeringskosten die rechtstreeks verband houden met het bereiken van een hoger energie- of milieuprestatieniveau.

32. Vermeld de maximale steunintensiteiten die in het kader van de maatregel van toepassing zijn en geef aan of eventuele opslagen (zoals beschreven in de punten 147 tot en met 150 van de richtsnoeren) van toepassing zijn.

33. Indien van toepassing, motiveer de toepassing van de verhoging van de steunintensiteit voor verbeteringen die leiden tot een vermindering van de vraag naar primaire energie met ten minste 40 %, overeenkomstig punt 148 van de richtsnoeren.

34. Indien in afwijking van de punten 147 tot en met 150 van de richtsnoeren wordt aangenomen dat steun boven de in deze punten vastgestelde maximale steunintensiteiten nodig is, geef aan welk steunniveau noodzakelijk wordt geacht en motiveer dit op basis van een analyse van de financieringskloof, overeenkomstig de punten 51 en 52 van de richtsnoeren.

Dien voor deze analyse van de financieringskloof een kwantificering in voor het feitelijke scenario, en een realistisch nulscenario ( 348 ) zoals vastgesteld in antwoord op vraag 14, c), van alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet van de begunstigden (of referentieprojecten), alsmede de netto contante waarde voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario, over de levensduur van het project/referentieproject.

Voor gevallen van individuele steun en regelingen die een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen, moet de lidstaat het bewijsmateriaal op het niveau van het gedetailleerde ondernemingsplan voor het project overleggen, terwijl de lidstaat voor gevallen van steunregelingen het bewijsmateriaal moet overleggen op basis van een of meer referentieprojecten.

(a) 

Vermeld dit in een bijlage bij deze aanmelding (in een Excel-bestand waarin alle formules zichtbaar zijn).

(b) 

Geef gedetailleerde informatie over de aannames, methodieken, redenen en onderliggende bronnen daarvan, die worden gebruikt voor elk aspect van de kwantificering van de kosten en opbrengsten in het feitelijke scenario en het waarschijnlijke nulscenario (vermeld bijvoorbeeld de aannames die zijn gebruikt om die scenario’s te ontwikkelen en de bron/redenen voor deze aannames).

(c) 

U kunt bij deze aanmelding ook de in voetnoot 39 van de richtsnoeren genoemde documenten voegen. Documenten van de raad van bestuur kunnen bijzonder nuttig zijn voor individuele steunmaatregelen of -regelingen die alleen aan een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen. Indien dergelijke documenten bij de aanmelding zijn gevoegd, verstrek dan hieronder een lijst van die documenten en vermeld daarbij de auteur, de datum waarop zij zijn opgesteld en de context waarin zij zijn gebruikt.

35. Toon aan dat de toepassing van een hoger steunbedrag, zoals in vraag 34 aangegeven, er niet toe zou leiden dat de steun de financieringskloof overschrijdt.

36. Indien punt 52 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat het meest waarschijnlijke nulscenario erin bestaat dat de begunstigde een activiteit of investering niet uitvoert of zijn bedrijfsactiviteiten ongewijzigd voortzet, verschaf bewijsmateriaal om deze aanname te onderbouwen ( 349 ).

2.1.3.2. Evenredigheid van de steun wanneer steun wordt verleend in de vorm van financiële instrumenten

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 146 en 153 van de richtsnoeren.

37. Om na te gaan of aan punt 146 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan welke kosten in het kader van de maatregelen in aanmerking komen en hoe deze beperkt zijn tot de investeringskosten die rechtstreeks verband houden met het bereiken van een hoger energie- of milieuprestatieniveau.

38. Om na te gaan of aan punt 153 van de richtsnoeren is voldaan, geef de volgende informatie:

(a) 

Indien de steun in de vorm van een garantie wordt toegekend, bevestig dat de garantie niet meer dan 80 % van de onderliggende lening zal bedragen en leg uit hoe de naleving van dit vereiste zal worden gewaarborgd.

(b) 

Indien de steun in de vorm van een lening wordt toegekend, bevestig dat de terugbetaling door de eigenaar of eigenaren van het gebouw aan het fonds voor energie-efficiëntie of het fonds voor hernieuwbare energie of een andere financiële intermediair ten minste gelijk zal zijn aan de nominale waarde van de lening. Leg uit hoe de naleving van dit vereiste zal worden verzekerd.

2.1.3.3. Evenredigheid van steun die via een concurrerende biedprocedure wordt verleend

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 49 en 50 van de richtsnoeren.

39. Om na te gaan of aan de punten 49 en 50 van de richtsnoeren is voldaan, geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit hoe de autoriteiten ervoor zorgen dat de biedprocedure open, helder, transparant en niet-discriminerend is en gebaseerd op objectieve criteria, die vooraf zijn vastgesteld overeenkomstig de doelstelling van de maatregel en het risico op strategisch bieden tot een minimum beperken (punt 49, a), van de richtsnoeren).

(b) 

De selectiecriteria die worden gebruikt om de inschrijvingen te rangschikken en uiteindelijk het steunniveau in de concurrerende biedprocedure vast te stellen. Meer in het bijzonder:

(i) 

Geef een lijst van de selectiecriteria en geef aan welke daarvan al dan niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en). Neem de weging van de criteria op.

(ii) 

Leg uit hoe de selectiecriteria de bijdrage aan de hoofddoelstellingen van de maatregel(en) direct of indirect in verband brengen met het door de aanvrager gevraagde steunbedrag. Dit kan bijvoorbeeld worden uitgedrukt in steun per eenheid milieubescherming ( 350 ) (punt 50 en voetnoot 44 van de richtsnoeren).

(iii) 

Indien er andere selectiecriteria zijn die niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en), motiveer dan de voorgestelde aanpak en leg uit hoe deze geschikt is voor de met de maatregel(en) nagestreefde doelstellingen. Bevestig ook dat deze criteria niet meer dan 30 % vertegenwoordigen van alle selectiecriteria die worden meegewogen (punt 50 van de richtsnoeren).

(iv) 

Leg uit hoe lang vooraf vóór elke concurrerende biedprocedure de selectiecriteria zullen worden gepubliceerd (punt 49, b), en voetnoot 43 van de richtsnoeren).

(c) 

Leg uit op basis van welke elementen u aanneemt dat de biedprocedure open en naar behoren met inschrijvingen beantwoord zal zijn, d.w.z. dat kan worden verwacht dat niet alle bieders steun zullen ontvangen en dat het aantal verwachte bieders voldoende is om daadwerkelijke mededinging tijdens de looptijd van de regeling te waarborgen (punt 49, c), van de richtsnoeren). Hou in uw toelichting rekening met het budget of de omvang van de regeling. Raadpleeg indien nodig de bewijsstukken in de antwoorden op vraag 14.

(d) 

Geef informatie over het aantal geplande biedronden en het verwachte aantal inschrijvers in de eerste ronde en in de loop van de tijd.

(e) 

In het geval van een of meer inschrijvingsprocedures waarvoor onvoldoende is ingeschreven, leg uit hoe, en wanneer, de opzet van de biedprocedures tijdens de uitvoering van de regeling zal worden gecorrigeerd om de daadwerkelijke mededinging te herstellen (punt 49, c), van de richtsnoeren).

(f) 

Bevestig dat aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen of contingentering) worden vermeden (punt 49, d), van de richtsnoeren).

(g) 

Indien „subsidievrije biedingen” mogelijk zijn, leg dan uit hoe de evenredigheid zal worden gewaarborgd (zie punt 49, voetnoot 42, van de richtsnoeren).

(h) 

Licht toe of de autoriteiten in de concurrerende biedprocedure voorzien in het gebruik van minimum- en maximumprijzen. Indien dit het geval is, onderbouw dan het gebruik ervan en leg uit hoe zij de concurrerende biedprocedure niet beperken (punt 49 en voetnoot 42 van de richtsnoeren).

2.1.4.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

40. Verduidelijk, voor zover nog niet vermeld in deel I van het algemene aanmeldingsformulier en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de aangemelde maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek dan nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd.

41. Indien punt 56 van de richtsnoeren van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de aangemelde maatregel(en) voor een project of een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van afdeling 4.2.4.2 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

42. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 351 ) (die geen staatssteun vormt), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.1.5.  Transparantie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 62) van de richtsnoeren.

43. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

44. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.2 (punten 63 tot en met 70) en afdeling 4.2.4.3 (punten 154 tot en met 157) van de richtsnoeren.

45. Om na te gaan of aan punt 67 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie over de eventuele negatieve korte- en langetermijneffecten van de aangemelde maatregel(en) op de mededinging en het handelsverkeer.

46. Leg uit of de maatregel onder een van de volgende situaties valt:

(a) 

Het gaat om een markt (of markten) waar gevestigde exploitanten marktmacht hebben opgebouwd vóór de vrijmaking van de markt.

(b) 

Het gaat om concurrerende biedprocedures op (een) opkomende markt(en), wanneer er een speler met een sterke markpositie is.

(c) 

De maatregel komt slechts ten goede aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden.

47. Indien de steunmaatregel is gericht op een specifieke technologische keuze/route, geef dan de reden voor de technologische keuze en onderbouw dat deze de toepassing van schonere technologieën niet zal ontmoedigen.

48. Indien de aangemelde maatregelen slechts aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen, en om na te gaan of aan punt 68 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

leg uit of de aangemelde maatregelen de marktmacht van de begunstigde(n) versterken of handhaven, of de groei van bestaande concurrenten ontmoedigen, hen ertoe aanzetten de markt te verlaten of ontradend werken voor de markttoetreding van nieuwe concurrenten. Leg in dit verband ook uit of de steunmaatregel zal leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit van de begunstigde;

(b) 

beschrijf de maatregelen die zijn genomen om de potentiële verstoring van de mededinging als gevolg van de toekenning van de steun aan de begunstigde(n) te beperken.

49. Om na te gaan of aan punt 69 van de richtsnoeren is voldaan, leg uit:

(a) 

of de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun erop gericht is een economische activiteit in een bepaalde regio te behouden of deze aan te trekken vanuit andere regio’s binnen de interne markt;

(b) 

indien dit het geval is, geef dan aan wat het netto-effect voor het milieu is van de aangemelde maatregel(en) en hoe de aangemelde maatregel(en) het bestaande niveau van milieubescherming in de lidstaten verbetert (verbeteren);

(c) 

hoe de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun geen kennelijk negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer oplevert;

(d) 

in het geval van individuele steun, de belangrijkste factoren voor de keuze van de locatie van de investeringen door de begunstigde.

50. Om na te gaan of aan punt 70 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat steun in het kader van de aangemelde regeling kan worden toegekend voor een periode van maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar werd verklaard;

(b) 

de autoriteiten in uw lidstaat de maatregel opnieuw zullen aanmelden indien zij de regeling na die maximumperiode wensen te verlengen.

51. Indien de steun wordt toegekend in de vorm van een dotatiekapitaal, eigen vermogen, een garantie of een lening aan een fonds voor energie-efficiëntie, een fonds voor hernieuwbare energie of een andere financiële intermediair, om na te gaan of aan punt 157 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Toon aan dat financiële intermediairs of fondsbeheerders zullen worden geselecteerd via een open, transparante en niet-discriminerende procedure in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht;

(b) 

Toon aan dat de voorwaarden voorhanden zijn om te waarborgen dat financiële intermediairs, met inbegrip van fondsen voor energie-efficiëntie of fondsen voor hernieuwbare energie, op zakelijke basis worden beheerd en voor winstgedreven financieringsbesluiten zullen zorgen;

(c) 

Toon aan dat de beheerders van het fonds voor energie-efficiëntie of het fonds voor hernieuwbare energie of andere financiële intermediairs het voordeel zo veel mogelijk aan de uiteindelijke begunstigden (de eigena(a)r(en) of huurder(s) van het gebouw) door moeten geven in de vorm van hogere volumes aan financiering, lagere eisen inzake zekerheden, lagere garantiepremies of lagere rentepercentages.

3. AFWEGING TUSSEN DE POSITIEVE EFFECTEN VAN DE STEUN EN DE NEGATIEVE EFFECTEN ERVAN OP DE MEDEDINGING EN HET HANDELSVERKEER

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3,3 (punten 71 en 76) van de richtsnoeren.

52. Om na te gaan of aan punt 72 van de richtsnoeren is voldaan, verklaar of activiteiten die in het kader van de aangemelde maatregelen worden ondersteund, voldoen aan de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 352 ), met inbegrip van het beginsel „geen ernstige afbreuk doen”, of aan andere vergelijkbare methoden.

53. Leg uit (in het geval van een concurrerende biedprocedure) of de aangemelde maatregelen kenmerken bevatten om de deelname van kmo’s aan concurrerende biedprocedures te vergemakkelijken. Indien dit het geval is, geef dan informatie over die kenmerken en onderbouw hoe de positieve effecten van het waarborgen van de deelname van kmo’s aan de aangemelde maatregelen opwegen tegen de mogelijke verstorende effecten.

54. Om na te gaan of aan de punten 74 en 155 en 156 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of investeringen in aardgasapparatuur in aanmerking komen voor steun in het kader van de aangemelde maatregelen. Zo ja, toon aan dat de steun investeringen in schonere alternatieven die reeds op de markt beschikbaar zijn, niet zal verdringen of bepaalde technologieën zal blokkeren. Leg ook uit of de apparatuur die aardgas gebruikt, energieapparatuur vervangt die gebruikmaakt van de meest vervuilende fossiele brandstoffen, zoals olie en steenkool.

(b) 

Bevestig dat investeringen in apparatuur die vervuilende fossiele brandstoffen, zoals olie en steenkool, gebruikt, niet in aanmerking komen voor steun in het kader van de aangemelde maatregelen. Steun voor de installatie van apparatuur die fossiele brandstoffen gebruikt, zoals olie en steenkool, wordt geacht negatieve gevolgen voor de mededinging te hebben vanwege de grotere koolstofemissies als gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen, het aanzienlijke risico dat aan fossielebrandstoftechnologieën wordt vastgehouden, en dat investeringen in op de markt beschikbare schonere en innovatievere alternatieven worden verlegd.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 5 (punten 455 en 463) van de richtsnoeren.

55. Indien de aangemelde maatregel(en) de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijdt (overschrijden), leg dan uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij deze aanmelding een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 353 ).

56. Indien u een ontwerp-evaluatieplan verstrekt:

(a) 

geef dan hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen.

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld dan de datum en de internetlink waar het evaluatieplan bekend zal worden gemaakt.

57. Bevestig, om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

58. Om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, ingeval momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, verstrek hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal bekendmaken.

59. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

(d) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(e) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

60. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.C

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.3.1 - Steun voor de aanschaf en leasing van schone voertuigen en schoon mobiel servicematerieel en voor de retrofitting van voertuigen en mobiel servicematerieel

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.3.1 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Indien dit nog niet is besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef dan de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van eventuele doelstellingen van de Unie voor de vermindering van de vervoersemissies die met de maatregel moeten worden ondersteund.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de mededinging op de interne markt kunnen leiden.

2.  Inwerkingtreding en looptijd

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de steunregeling in werking moet treden.

2.2. Geef de looptijd van de regeling aan ( 354 ).

3.  Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de (potentiële) begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaat of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef aan met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5.  Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen ( 355 ).

5.2. Indien de maatregelen door middel van een heffing worden gefinancierd, vermeld dan duidelijk of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld; Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(c) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producten;

(d) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(e) 

met de heffing waarmee de aangemelde maatregel wordt gefinancierd, ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.1 (punten 23 tot en met 25), afdeling 4.3.1.1 (punten 160 en 161) en afdeling 4.3.1.2 (punten 162 en 163) van de richtsnoeren.

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren aan welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

7. Beschrijf, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren, of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

8. Geef ook aan in hoeverre de steun verband houdt met de in de punten 160 en 161 van de richtsnoeren beschreven beleidsmaatregelen.

9. Beschrijf de subsidiabiliteitsvereisten die van toepassing zijn op de begunstigde(n) (bijvoorbeeld door technische, ecologische (d.w.z. vergunningen), financiële (d.w.z. zekerheden) of andere voorwaarden voor de begunstigde(n) op te nemen).

10. Geef informatie over de precieze reikwijdte en de precieze ondersteunde activiteiten van de steunmaatregel(en), zoals vermeld in afdeling 4.3.1.2 (punten 162 en 163) van de richtsnoeren.

1.2.  Stimulerend effect

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.2 (punten 26 tot en met 32) en afdeling 4.3.1.3 (punten 164 tot en met 169) van de richtsnoeren.

11. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Voor de beoordeling van de naleving van punt 26 van de richtsnoeren, geef aan hoe de maatregelen „de begunstigde ervan ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren”.

12. Overeenkomstig punt 28 van de richtsnoeren:

(a) 

Geef een uitgebreide beschrijving van het feitelijke scenario dat naar verwachting uit de steunmaatregel zal voortvloeien en het (de) waarschijnlijke nulscenario(’s) zonder de steunmaatregel ( 356 ). Wanneer u verwacht dat verschillende categorieën begunstigden kunnen worden ondersteund, zorg er dan voor dat het nulscenario voor elk van deze categorieën geloofwaardig is. Punt 165 van de richtsnoeren vereist dat het nulscenario overeenstemt met een investering waarvan de capaciteit, levensduur en, in voorkomend geval, andere relevante technische kenmerken dezelfde zijn als die van de milieuvriendelijke investering. De punten 165 tot en met 169 van de richtsnoeren bevatten aanvullende alternatieve vereisten voor het nulscenario:

(i) 

Wanneer het nulscenario bestaat in de aanschaf of leasing van minder milieuvriendelijke voertuigen of minder milieuvriendelijk mobiel servicematerieel van dezelfde categorie en met dezelfde capaciteit als het emissievrije of schone voertuig, toon dan aan dat het minder milieuvriendelijke voertuig of het minder milieuvriendelijke materieel ten minste voldoet aan de Unienormen, indien van toepassing.

(ii) 

Wanneer het nulscenario erin bestaat het bestaande voertuig of het bestaande mobiele servicematerieel in bedrijf te houden voor een periode die overeenkomt met de levensduur van de milieuvriendelijke investering, moeten de contant gemaakte kosten voor onderhoud, reparatie en modernisering over die periode in aanmerking worden genomen.

(iii) 

Wanneer het nulscenario bestaat in een latere vervanging van het voertuig of het mobiele servicematerieel; vermeld dan de contant gemaakte waarde van het voertuig of het mobiele servicematerieel om rekening te houden met het verschil in de respectieve economische levensduur van het materieel.

(iv) 

Geef in het geval van voertuigen of mobiel servicematerieel waarop leasingregelingen van toepassing zijn een vergelijking van de contant gemaakte waarde van de leasing van de schone voertuigen of het schone mobiele servicematerieel met de contant gemaakte waarde van de leasing van de minder milieuvriendelijke voertuigen of het minder milieuvriendelijke mobiele servicematerieel die/dat zonder de steun zouden/zou zijn gebruikt.

(v) 

Indien de investering bestaat in de toevoeging van uitrusting aan een bestaand voertuig of aan bestaand mobiel servicematerieel om de milieuprestaties ervan te verbeteren (bijvoorbeeld retrofitting van systemen die verontreiniging tegengaan), leg dan uit of het nulscenario bestaat in voortzetting van het gebruik van het voertuig zonder de investering in retrofitting. In dat geval kunnen de in aanmerking komende kosten de totale investeringskosten zijn.

(b) 

Verklaar kort waarom gekozen is voor het waarschijnlijke nulscenario, in het licht van de voorgestelde verschillende categorieën begunstigden, indien van toepassing.

(c) 

Kwantificeer de kosten en opbrengsten van de feitelijke en nulscenario’s als volgt:

(i) 

Wanneer steun wordt toegekend zonder een concurrerende biedprocedure, onderbouw dan de gedragswijziging indien relevant voor elke categorie begunstigden, op basis van het respectieve referentieproject ( 357 ), de overeenkomstige nulscenario’s en de daaruit voortvloeiende financieringskloof.

(ii) 

Wanneer steun wordt toegekend op basis van een concurrerende biedprocedure, onderbouw dan de gedragswijziging (indien relevant voor elke categorie begunstigden/elk referentieproject) aan de hand van hetzelfde bewijsmateriaal als vereist op grond van punt C), i), hierboven, of verstrek dan relevant kwantitatief bewijsmateriaal op basis van marktstudies, plannen van investeerders, financiële verslagen of ander kwantitatief bewijsmateriaal, met inbegrip van biedingen van soortgelijke projecten in recente vergelijkbare concurrerende biedprocedures ( 358 ).

13. Verstrek met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 27 van de richtsnoeren informatie om te bevestigen dat de steun niet bedoeld is om te voorzien in de kosten van een activiteit die de begunstigde van de steun hoe dan ook zou moeten uitvoeren, en deze geen vergoeding is voor het normale zakelijke risico van een economische activiteit.

14. Om aan te tonen dat aan de punten 29 en 31 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat niet met de werkzaamheden aan het project of de activiteit is aangevangen voordat de begunstigde bij de nationale autoriteiten een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend;

OF

(b) 

Voor projecten die vóór de steunaanvraag zijn aangevangen, toon aan dat het project valt onder een van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 31, a), b) of c), van de richtsnoeren.

15. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

16. Om aan te tonen dat aan punt 32 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan of er Unienormen ( 359 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregelen, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld. Verstrek in dat verband informatie om het stimulerende effect aan te tonen.

17. In gevallen waarin er reeds Unienormen zijn aangenomen maar nog niet in werking zijn, toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm ten uitvoer te leggen en te voltooien.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

18. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

19. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de informatie die in het kader van vraag 5.2. is verstrekt, wanneer de aangemelde maatregel(en) wordt (worden) gefinancierd door middel van een heffing.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Noodzaak van de steun

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.1 (punten 34 tot en met 38) van de richtsnoeren.

20. Leg uit welk marktfalen uw autoriteiten hebben vastgesteld dat het bereiken van een toereikend niveau van milieubescherming in de weg staat. Geef aan in welke categorie het vastgestelde marktfalen valt, onder verwijzing naar punt 34, punt a), b), c) of d), van de richtsnoeren.

21. Verstrek, overeenkomstig punt 35 van de richtsnoeren, informatie over bestaande beleidslijnen en maatregelen die uw autoriteiten hebben vastgesteld en die reeds op het geconstateerde regulerings- of marktfalen zijn gericht.

22. Om aan te tonen dat aan punt 36 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie waaruit blijkt dat de steun het resterende marktfalen daadwerkelijk aanpakt, mede in het licht van andere beleidslijnen en maatregelen die al zijn opgezet om een deel van het geconstateerde marktfalen aan te pakken.

23. Om aan te tonen dat aan punt 37 van de richtsnoeren is voldaan, leg uit of, voor zover bekend bij uw autoriteiten, projecten of activiteiten die vergelijkbaar zijn met die welke onder de aangemelde maatregelen vallen, wat betreft hun technologische inhoud, risiconiveau en omvang binnen de Unie al tegen marktvoorwaarden worden uitgevoerd. Indien dit het geval is, verschaf dan verder bewijsmateriaal om de noodzaak van staatssteun aan te tonen.

24. Verwijs, om aan te tonen dat aan punt 38 van de richtsnoeren is voldaan, naar het kwantitatieve bewijsmateriaal dat reeds onder vraag 12, c), is verstrekt.

2.1.2.  Geschiktheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.2 (punten 39 tot en met 46) en afdeling 4.3.1.4.1 (punt 171) van de richtsnoeren.

25. Om na te gaan of aan punt 41 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de steunmaatregel zodanig is opgezet dat de efficiëntie van andere maatregelen om hetzelfde marktfalen te verhelpen, zoals marktgebaseerde mechanismen (bv. het EU-ETS), niet wordt ondermijnd.

26. Om na te gaan of aan punt 42 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat geen van de begunstigden van de steunmaatregelen op grond van het bestaande Unierecht of het nationale recht aansprakelijk kan worden gesteld voor de verontreiniging (beginsel „de vervuiler betaalt”).

27. Om na te gaan of aan de punten 43 tot en met 46 van de richtsnoeren is voldaan, en om aan te tonen dat de steun geschikt is in vergelijking met andere beleidsinstrumenten, geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit waarom andere potentieel minder verstorende vormen van steun minder geschikt zijn, zoals vereist in punt 44 van de richtsnoeren. Terugbetaalbare voorschotten kunnen minder verstorende vormen van steun zijn in vergelijking met rechtstreekse subsidies; belastingverrekening in vergelijking met belastingkortingen; of vormen van steun die gebaseerd zijn op financiële instrumenten, zoals schuldinstrumenten, in vergelijking met eigenvermogensinstrumenten (bv. leningen tegen lage rente of met rentekorting, overheidsgaranties of een alternatieve vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden).

(b) 

Toon aan dat het gekozen steuninstrument geschikt is voor het marktfalen dat de steunmaatregelen beogen aan te pakken, zoals vereist in punt 45 van de richtsnoeren.

(c) 

Leg uit hoe de steunmaatregel en de vormgeving ervan geschikt zijn om de doelstelling te bereiken van de maatregel waarop de steun is gericht (punt 46 van de richtsnoeren).

28. Verklaar, om na te gaan of aan de punten 40 en 171 van de richtsnoeren is voldaan, of ander soorten overheidsinterventies dan staatssteun de ontwikkeling van een schone-mobiliteitsmarkt niet kunnen stimuleren, en beschrijf de verwachte impact in vergelijking met die van de voorgestelde maatregel. Dergelijke andere soorten interventies kunnen onder meer de invoering van algemene maatregelen ter bevordering van de aanschaf van schone voertuigen zijn, zoals ecologische bonusregelingen of sloopregelingen of de instelling van lage-emissiezones in de betrokken lidstaat.

2.1.3.  Evenredigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.3 (punten 47 tot en met 55) en afdeling 4.3.1.4.2 (punten 172 tot en met 181) van de richtsnoeren. De volgende twee afdelingen 2.1.3.1 en 2.1.3.2 vormen een alternatief. Geef alleen antwoorden op de toepasselijke afdeling, afhankelijk van de opzet van de voorgestelde maatregel.

2.1.3.1. Evenredigheid van steun die via een concurrerende biedprocedure wordt verleend

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 49, 50, 173, 174 en 175 van de richtsnoeren.

29. Verstrek, om na te gaan of aan de punten 49, 50 en 173 van de richtsnoeren is voldaan, de volgende informatie:

(a) 

Leg uit hoe de autoriteiten ervoor zorgen dat de biedprocedure open, helder, transparant en niet-discriminerend is en gebaseerd op objectieve criteria, die vooraf zijn vastgesteld overeenkomstig de doelstelling van de maatregel en het risico op strategisch bieden tot een minimum beperken (punt 49, a), van de richtsnoeren)

(b) 

De selectiecriteria die worden gebruikt om de inschrijvingen te rangschikken en uiteindelijk het steunniveau in de concurrerende biedprocedure vast te stellen. Meer in het bijzonder:

(i) 

Geef een lijst van de selectiecriteria en geef aan welke daarvan al dan niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en). Neem de weging van de criteria op.

(ii) 

Leg uit hoe de selectiecriteria de bijdrage aan de hoofddoelstellingen van de maatregel(en) direct of indirect in verband brengen met het door de aanvrager gevraagde steunbedrag. Dit kan bijvoorbeeld worden uitgedrukt in steun per eenheid milieubescherming of steun per schoon of emissievrij voertuig (punt 50 en voetnoot 44 van de richtsnoeren).

(iii) 

Indien er andere selectiecriteria zijn die niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en), motiveer dan de voorgestelde aanpak en leg uit hoe deze geschikt is voor de met de maatregel(en) nagestreefde doelstellingen. Bevestig ook dat deze criteria niet meer dan 30 % vertegenwoordigen van alle selectiecriteria die worden meegewogen (punten 50 en 174 van de richtsnoeren).

(iv) 

Leg uit hoe lang vooraf vóór elke concurrerende biedprocedure de selectiecriteria zullen worden gepubliceerd (punt 49, b), en voetnoot 43 van de richtsnoeren).

(c) 

Leg uit op basis van welke elementen u aanneemt dat de biedprocedure open en naar behoren met inschrijvingen beantwoord zal zijn, d.w.z. dat kan worden verwacht dat niet alle bieders steun zullen ontvangen en dat het aantal verwachte bieders voldoende is om daadwerkelijke mededinging tijdens de looptijd van de regeling te waarborgen (punt 49, c), van de richtsnoeren). Hou in uw toelichting rekening met het budget of de omvang van de regeling. Raadpleeg indien nodig de bewijsstukken in de antwoorden op vraag 12.

(d) 

Geef informatie over het aantal geplande biedronden en het verwachte aantal inschrijvers in de eerste ronde en in de loop van de tijd.

(e) 

In het geval van een of meer inschrijvingsprocedures waarvoor onvoldoende is ingeschreven, leg uit hoe, en wanneer, de opzet van de biedprocedures tijdens de uitvoering van de regeling zal worden gecorrigeerd om de daadwerkelijke mededinging te herstellen (punt 49, c), van de richtsnoeren).

(f) 

Bevestig dat aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen of contingentering) worden vermeden (punt 49, d), van de richtsnoeren).

(g) 

Indien „subsidievrije biedingen” mogelijk zijn, leg dan uit hoe de evenredigheid zal worden gewaarborgd (zie punt 49, voetnoot 42, van de richtsnoeren).

(h) 

Licht toe of de autoriteiten in de concurrerende biedprocedure voorzien in het gebruik van minimum- en maximumprijzen. Indien dit het geval is, onderbouw dan het gebruik ervan en leg uit hoe zij de concurrerende biedprocedure niet beperken (punt 49 en voetnoot 42 van de richtsnoeren).

30. Leg uit hoe de vormgeving van de concurrerende biedprocedure waarborgt dat voor aanvragers voldoende prikkels overblijven om te bieden voor projecten voor de aanschaf van emissievrije voertuigen — voor zover deze voor die vervoersvorm beschikbaar zijn — die doorgaans duurder zijn dan minder milieuvriendelijke alternatieven. Leg bijvoorbeeld uit of de opzet van de concurrerende biedprocedure bonussen omvat waardoor een hogere score kan worden toegekend aan projecten die milieuwinst opleveren die verder gaat dan hetgeen met subsidiabiliteitsvereisten of de primaire doelstelling van de maatregel wordt behaald (punt 175 van de richtsnoeren).

2.1.3.2. Evenredigheid van niet via een concurrerende biedprocedure verleende steun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 51 tot en met 55 en 176 tot en met 181 van de richtsnoeren.

31. Leg uit waarom geen concurrerende biedprocedure wordt gebruikt (onder verwijzing naar de uitzonderingen in punt 176 van de richtsnoeren):

(a) 

het verwachte aantal deelnemers is niet voldoende om een daadwerkelijke mededinging te garanderen of strategisch bieden te vermijden; OF

(b) 

een concurrerende biedprocedure, zoals beschreven in de punten 49 en 50, is niet geschikt om de evenredigheid van de steun te waarborgen en het gebruik van de alternatieve methoden van de punten 177 tot en met 180 van de richtsnoeren zou het risico van ongewenste verstoringen van de mededinging niet verhogen, afhankelijk van de kenmerken van de maatregel of van de betrokken sectoren of vervoerswijzen; OF

(c) 

de steun wordt toegekend ten behoeve van de aanschaf of leasing van voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door ondernemingen die actief zijn in de sector openbaar vervoer over de weg, per spoor of over water.

32. Stel de netto extra kosten van de investering vast. Deze worden berekend als het verschil tussen de Total Cost of Ownership van het schone voertuig dat naar verwachting zal worden aangeschaft of geleased en de Total Cost of Ownership in het nulscenario, met uitzondering van kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieuprestaties. Wat betreft de retrofitting van voertuigen of mobiel servicematerieel, kunnen de in aanmerking komende kosten overeenstemmen met de totale retrofittingkosten, mits de voertuigen of het mobiele servicematerieel in het nulscenario dezelfde economische levensduur behouden zonder de retrofitting (punten 178 en 179 van de richtsnoeren).

33. Vermeld de maximale steunintensiteiten die in het kader van de maatregel van toepassing zijn en geef aan of eventuele bonussen (zoals beschreven in punt 177 van de richtsnoeren) van toepassing zijn.

34. Indien in afwijking van de punten 177 tot en met 179 van de richtsnoeren wordt aangenomen dat steun boven de in punt 177 van de richtsnoeren vastgestelde maximale steunintensiteiten nodig is, geef aan welk steunniveau noodzakelijk wordt geacht en motiveer dit op basis van een analyse van de financieringskloof voor de referentieprojecten in het feitelijke en het nulscenario zoals aangewezen in antwoord op vraag 12, c), i), hierboven, overeenkomstig de punten 51 en 52 van de richtsnoeren.

Dien voor deze analyse van de financieringskloof een kwantificering in voor het feitelijke scenario, en een realistisch nulscenario ( 360 ) zoals vastgesteld in antwoord op vraag 12, van alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet van de begunstigden (of referentieprojecten), alsmede de netto contante waarde voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario, over de levensduur van het project/referentieproject.

(a) 

Vermeld dit in een bijlage bij deze aanmelding (in een Excel-bestand waarin alle formules zichtbaar zijn).

(b) 

Geef gedetailleerde informatie over de aannames, methodieken, redenen en onderliggende bronnen daarvan, die worden gebruikt voor elk aspect van de kwantificering van de kosten en opbrengsten in het feitelijke scenario en het waarschijnlijke nulscenario (vermeld bijvoorbeeld de aannames die zijn gebruikt om die scenario’s te ontwikkelen en de bron/redenen voor deze aannames).

(c) 

In het geval van individuele steun en regelingen die een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen, moet de lidstaat het bewijsmateriaal op het niveau van het gedetailleerde bedrijfsplan van het project presenteren.

In het geval van steunregelingen moet de lidstaat het bewijsmateriaal op basis van een of meer referentieprojecten presenteren.

(d) 

U kunt bij deze aanmelding ook de in voetnoot 39 van de richtsnoeren genoemde documenten voegen. Documenten van de raad van bestuur kunnen bijzonder nuttig zijn voor individuele steunmaatregelen of -regelingen die alleen aan een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen. Indien dergelijke documenten bij de aanmelding zijn gevoegd, verstrek dan hieronder een lijst van die documenten en vermeld daarbij de auteur, de datum waarop zij zijn opgesteld en de context waarin zij zijn gebruikt.

35. Toon ook aan dat de toepassing van een hoger steunbedrag, zoals aangegeven in vraag 34, er niet toe zou leiden dat de steun de financieringskloof overschrijdt.

36. Indien punt 52 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat het meest waarschijnlijke nulscenario erin bestaat dat de begunstigde een activiteit of investering niet uitvoert of zijn bedrijfsactiviteiten ongewijzigd voortzet, verschaf dan bewijsmateriaal om deze aanname te onderbouwen ( 361 ).

37. In alle gevallen waarin de evenredigheid wordt gerechtvaardigd met verwijzing naar een analyse van de financieringskloof, bevestig dan ook dat de autoriteiten van uw land een monitoring achteraf zullen uitvoeren om de aannames over het vereiste steunniveau na te gaan, en een terugvorderingsmechanisme zullen opzetten. Beschrijf ook het monitoring- en terugvorderingsmechanisme dat uw autoriteiten voornemens zijn toe te passen (punt 180 van de richtsnoeren).

2.1.4.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

38. Verduidelijk, voor zover dit niet reeds is gedaan in deel I van het algemene aanmeldingsformulier en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de aangemelde maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek dan nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd.

39. Indien punt 56 van de richtsnoeren van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de aangemelde maatregel(en) voor een project of een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van punt 173, punt 177 of punt 180 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

40. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 362 ) (die geen staatssteun vormt), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.1.5.  Transparantie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 61) van de richtsnoeren.

41. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

42. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.2 (punten 63 tot en met 70) en afdeling 4.3.1.5 (punten 183 tot en met 189) van de richtsnoeren.

43. Om na te gaan of aan punt 67 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie over de eventuele negatieve korte- en langetermijneffecten van de aangemelde maatregel(en) op de mededinging en het handelsverkeer.

44. Leg uit of de maatregel onder een van de volgende situaties valt:

(a) 

Het gaat om een markt (of markten) waar gevestigde exploitanten marktmacht hebben opgebouwd vóór de vrijmaking van de markt.

(b) 

Het gaat om concurrerende biedprocedures op (een) opkomende markt(en), wanneer er een speler met een sterke markpositie is.

(c) 

De maatregel komt slechts ten goede aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden.

45. Indien de steunmaatregel is gericht op een specifieke technologische keuze/route, geef dan de reden voor de technologische keuze en onderbouw dat deze de toepassing van schonere technologieën niet zal ontmoedigen.

46. Indien de aangemelde maatregel(en) slechts aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komt (komen), en om na te gaan of aan punt 68 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Leg uit of de aangemelde maatregel(en) de marktmacht van de begunstigde(n) versterkt (versterken) of handhaaft (handhaven), of de groei van bestaande concurrenten ontmoedigt (ontmoedigen), hen ertoe aanzet(ten) de markt te verlaten of ontradend werkt (werken) voor de markttoetreding van nieuwe concurrenten. Leg in dit verband ook uit of de steunmaatregel zal leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit van de begunstigde.

(b) 

beschrijf de maatregelen die zijn genomen om de potentiële verstoring van de mededinging als gevolg van de toekenning van de steun aan de begunstigde(n) te beperken.

47. Om na te gaan of aan punt 69 van de richtsnoeren is voldaan, leg uit:

(a) 

of de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun erop gericht is een economische activiteit in een bepaalde regio te behouden of deze aan te trekken vanuit andere regio’s binnen de interne markt;

(b) 

indien dit het geval is, geef dan aan wat het netto-effect voor het milieu is van de aangemelde maatregel(en) en hoe de aangemelde maatregel(en) het bestaande niveau van milieubescherming in de lidstaten verbetert (verbeteren);

(c) 

hoe de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun geen kennelijk negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer oplevert;

(d) 

in het geval van individuele steun, de belangrijkste factoren voor de keuze van de locatie van de investeringen door de begunstigde.

48. Om na te gaan of aan punt 70 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat steun in het kader van de aangemelde regeling kan worden toegekend voor een periode van maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar werd verklaard;

(b) 

Bevestig dat de autoriteiten in uw lidstaat de maatregel opnieuw zullen aanmelden indien zij de regeling na die maximumperiode wensen te verlengen.

49. Indien de aangemelde maatregel(en) aanzet(ten) tot nieuwe investeringen in voertuigen en mobiel servicematerieel die gebruik maken van aardgas, leg dan uit hoe de maatregel kan worden geacht geen lock-ineffecten op lange termijn te hebben en geen investeringen in schonere alternatieven te verdringen. Toon daarom aan, voor steun voor de aanschaf of leasing van op cng en lpg rijdende vervoermiddelen voor vervoer over water en voor mobiel servicematerieel, dat schonere alternatieven om de desbetreffende vervoerswijze koolstofvrij te maken niet onmiddellijk op de markt beschikbaar zijn en volgens de verwachtingen niet op de korte termijn beschikbaar zullen zijn. Neem hiertoe een periode van twee tot vijf jaar na de aanmelding van de steunmaatregel in aanmerking (of een andere periode, indien naar behoren gerechtvaardigd) en dien ondersteunende onafhankelijke marktstudies of ander passend bewijsmateriaal in.

50. Indien de aangemelde maatregel kan aanzetten tot investeringen in andere schone luchtvaartuigen dan emissievrije luchtvaartuigen die fossiele brandstoffen gebruiken, toon dan aan dat de steun bijdraagt tot de marktintroductie van nieuwe, efficiëntere en wezenlijk milieuvriendelijkere luchtvaartuigen. Leg ook uit hoe dergelijke investeringen in overeenstemming zijn met een traject naar klimaatneutraliteit, en hoe de maatregel het risico van lock-in van bepaalde technologieën en verdringing van investeringen in schonere alternatieven voorkomt.

51. Leg, indien de maatregel betrekking heeft op de luchtvervoersdienst, uit of de autoriteiten in uw lidstaat voornemens zijn te eisen dat de begunstigde eenzelfde aantal minder milieuvriendelijke luchtvaartuigen met een vergelijkbaar startgewicht als het met staatssteun aangekochte of geleasede luchtvaartuig buiten dienst stelt, om de potentieel verstorende effecten van de steun te beperken met betrekking tot de marktpositie van de begunstigde of om de positieve effecten van de steunmaatregel te vergroten.

52. Leg uit, met betrekking tot steun voor de aanschaf of leasing van voertuigen of mobiel servicemateriaal, of de ingebruikname van nieuwe voertuigen zou resulteren in marktfalen of bestaand marktfalen zou verergeren, zoals overcapaciteit in de betrokken sector.

53. Indien met de aangemelde maatregel gerichte steun wordt verleend aan een individuele begunstigde of aan een beperkt aantal specifieke begunstigden zonder een concurrerende biedprocedure, onderbouw dan de opzet van de maatregel en de redenen waarom de maatregel niet openstaat voor alle concurrenten die bereid zijn dezelfde dienst, hetzelfde product of hetzelfde voordeel te leveren, en toon aan dat met de maatregel de grotere risico’s op concurrentieverstoring naar behoren worden aangepakt.

3. AFWEGING TUSSEN DE POSITIEVE EFFECTEN VAN DE STEUN EN DE NEGATIEVE EFFECTEN ERVAN OP DE MEDEDINGING EN HET HANDELSVERKEER

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3,3 (punten 71 en 76) van de richtsnoeren.

54. Om na te gaan of aan punt 72 van de richtsnoeren is voldaan, verklaar of activiteiten die in het kader van de aangemelde maatregelen worden ondersteund, voldoen aan de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 363 ), met inbegrip van het beginsel „geen ernstige afbreuk doen”, of aan andere vergelijkbare methoden.

55. Leg uit (in het geval van een concurrerende biedprocedure) of de aangemelde maatregelen kenmerken bevatten om de deelname van kmo’s aan concurrerende biedprocedures te vergemakkelijken. Indien dit het geval is, geef dan informatie over die kenmerken en onderbouw hoe de positieve effecten van het waarborgen van de deelname van kmo’s aan de aangemelde maatregelen opwegen tegen de mogelijke verstorende effecten.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 5 (punten 455 en 463) van de richtsnoeren.

56. Indien de aangemelde maatregel(en) de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijdt (overschrijden), leg dan uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij deze aanmelding een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 364 ).

57. Indien u een ontwerp-evaluatieplan verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

58. Om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, bevestig, indien voor de steunregeling momenteel geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

59. Om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, geef hieronder de toezegging, indien voor de steunregeling momenteel geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal aanmelden.

60. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

61. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

62. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.D

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.3.2. – Steun voor de uitrol van oplaad- of tankinfrastructuur

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.3.2 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Indien nog niet besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef dan de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van eventuele doelstellingen van de Unie voor de vermindering van de vervoersemissies die met de maatregel moet worden ondersteund.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de mededinging op de interne markt kunnen leiden.

2.  Inwerkingtreding en looptijd

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de steunregeling in werking moet treden.

2.2. Geef de looptijd van de regeling aan ( 365 ).

3.  Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de (potentiële) begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaten of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef aan met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5.  Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen. ( 366 )

5.2. Indien de maatregelen door middel van een heffing worden gefinancierd, vermeld dan duidelijk of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld. Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(c) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producten;

(d) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(e) 

met de heffing waarmee de aangemelde maatregel wordt gefinancierd, ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.1 (punten 23 tot en met 25), afdeling 4.3.2.1 (punten 190 en 191) en afdeling 4.3.2.2 (punten 192 en 193) van de richtsnoeren.

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren aan welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

7. Beschrijf, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren, of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

8. Geef ook aan in hoeverre de steun verband houdt met de in de punten 190 en 191 van de richtsnoeren beschreven beleidsmaatregelen.

9. Beschrijf de subsidiabiliteitsvereisten die van toepassing zijn op de begunstigde(n) (bijvoorbeeld door technische, ecologische (d.w.z. vergunningen), financiële (d.w.z. zekerheden) of andere voorwaarden voor de begunstigde(n) te vermelden).

10. Geef informatie over de precieze reikwijdte en de precieze ondersteunde activiteiten van de steunmaatregel(en), zoals vermeld in afdeling 4.3.2.2 (punten 192 en 193) van de richtsnoeren.

1.2.  Stimulerend effect

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.1.2 (punten 26 tot en met 32) van de richtsnoeren.

11. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Voor de beoordeling van de naleving van punt 26 van de richtsnoeren, geef aan hoe de maatregelen „de begunstigde ervan ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren”.

12. Overeenkomstig punt 28 van de richtsnoeren:

(a) 

Geef een uitgebreide beschrijving van het feitelijke scenario dat naar verwachting uit de steunmaatregel zal voortvloeien en het (de) waarschijnlijke nulscenario(’s) zonder de steunmaatregel ( 367 ). Wanneer u verwacht dat verschillende categorieën begunstigden kunnen worden ondersteund, zorg er dan voor dat het nulscenario voor elk van deze categorieën geloofwaardig is.

(b) 

Verklaar kort de redenen voor de keuze van het waarschijnlijke nulscenario, in het licht van de voorgestelde verschillende categorieën begunstigden, indien van toepassing.

. …

(c) 

Kwantificeer de kosten en opbrengsten van de feitelijke en nulscenario’s als volgt:

(i) 

Wanneer steun wordt toegekend zonder een concurrerende biedprocedure, onderbouw dan de gedragswijziging indien relevant voor elke categorie begunstigden, op basis van het respectieve referentieproject ( 368 ), de overeenkomstige nulscenario’s en de daaruit voortvloeiende financieringskloof.

(ii) 

Wanneer steun wordt toegekend op basis van een concurrerende biedprocedure, onderbouw dan de gedragswijziging (indien relevant voor elke categorie begunstigden/elk referentieproject) aan de hand van hetzelfde bewijsmateriaal als vereist op grond van punt a), hierboven, of verstrek dan relevant kwantitatief bewijsmateriaal op basis van marktstudies, plannen van investeerders, financiële verslagen of ander kwantitatief bewijsmateriaal, met inbegrip van biedingen van soortgelijke projecten in recente vergelijkbare concurrerende biedprocedures ( 369 ).

13. Verstrek met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 27 van de richtsnoeren informatie om te bevestigen dat de steun niet bedoeld is om te voorzien in de kosten van een activiteit die de begunstigde van de steun hoe dan ook zou moeten uitvoeren, en deze geen vergoeding is voor het normale zakelijke risico van een economische activiteit.

14. Om aan te tonen dat aan de punten 29 en 31 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat niet met de werkzaamheden aan het project of de activiteit is aangevangen voordat de begunstigde bij de nationale autoriteiten een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend;

OF

(b) 

Voor projecten die vóór de steunaanvraag zijn aangevangen, toon aan dat het project valt onder een van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 31, a), b) of c), van de richtsnoeren.

15. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

16. Om aan te tonen dat aan punt 32 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan of er Unienormen ( 370 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregelen, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld. Verstrek in dat verband informatie om het stimulerende effect aan te tonen.

17. In gevallen waarin er reeds Unienormen zijn aangenomen maar nog niet in werking zijn, toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm ten uitvoer te leggen en te voltooien.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

18. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

19. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de informatie die in het kader van vraag 5.2. is verstrekt, wanneer de aangemelde maatregel(en) wordt (worden) gefinancierd door middel van een heffing.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Noodzaak van de steun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.3.2.3.1 (punten 194 en 195) van de richtsnoeren.

20. Leg uit of en hoe is gecontroleerd dat steun noodzakelijk is om de uitrol te stimuleren van oplaad- of tankinfrastructuur van dezelfde categorie als de infrastructuur die met staatssteun zou worden uitgerold, in die zin dat soortgelijke infrastructuur waarschijnlijk niet op korte termijn op commerciële voorwaarden zal worden ontwikkeld. Dit kan worden aangetoond aan de hand van een voorafgaande openbare raadpleging, een onafhankelijke marktstudie of op basis van ander passend bewijsmateriaal zoals uiteengezet in afdeling 3.2.1.1 van de richtsnoeren. Verstrek, indien van toepassing, informatie over het effect van een emissiehandelssysteem (ETS). Gelieve de bewijsstukken te verstrekken.

21. Indien de ondersteunde oplaad- of tankinfrastructuur toegankelijk zal zijn voor andere gebruikers dan de begunstigde of begunstigden van de steun, vermeld dan i) de marktpenetratie van de schone voertuigen die door de infrastructuur zouden worden bediend, in vergelijking met het totale wagenpark van geregistreerde voertuigen in uw lidstaat; en/of ii) de verkeersvolumes in de regio of regio’s waarop de maatregel betrekking heeft.

2.1.2.  Geschiktheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.2 (punten 39 tot en met 46) en afdeling 4.3.2.3.2 (punten 196 tot en met 197) van de richtsnoeren.

22. Om na te gaan of aan punt 41 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de steunmaatregel zodanig is opgezet dat de efficiëntie van andere maatregelen om hetzelfde marktfalen te verhelpen, zoals marktgebaseerde mechanismen (bv. het EU-ETS), niet wordt ondermijnd.

23. Om na te gaan of aan punt 42 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat geen van de begunstigden van de steunmaatregelen op grond van het bestaande Unierecht of het nationale recht aansprakelijk kan worden gesteld voor de verontreiniging (beginsel „de vervuiler betaalt”).

24. Om na te gaan of aan de punten 43 tot en met 46 van de richtsnoeren is voldaan, en om aan te tonen dat de steun geschikt is in vergelijking met andere beleidsinstrumenten, geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit waarom andere potentieel minder verstorende vormen van steun minder geschikt zijn, zoals vereist in punt 44 van de richtsnoeren. Terugbetaalbare voorschotten kunnen minder verstorende vormen van steun zijn in vergelijking met rechtstreekse subsidies; belastingverrekening in vergelijking met belastingkortingen; of vormen van steun die gebaseerd zijn op financiële instrumenten, zoals schuldinstrumenten, in vergelijking met eigenvermogensinstrumenten (bv. leningen tegen lage rente of met rentekorting, overheidsgaranties of een alternatieve vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden).

(b) 

Toon aan dat het gekozen steuninstrument geschikt is voor het marktfalen dat de steunmaatregelen beogen aan te pakken, zoals vereist in punt 45 van de richtsnoeren.

(c) 

Leg uit hoe de steunmaatregel en de vormgeving ervan geschikt zijn om de doelstelling te bereiken van de maatregel waarop de steun is gericht (punt 46 van de richtsnoeren).

25. Verklaar, om na te gaan of aan punt 197 van de richtsnoeren is voldaan, of ander soorten regulerende (waaronder nieuwe) interventies de verschuiving naar schone mobiliteit niet kunnen stimuleren, en beschrijf de verwachte impact in vergelijking met die van de voorgestelde maatregel.

2.1.3.  Evenredigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.3.2.3.3 (punten 198 tot en met 204) van de richtsnoeren. De volgende twee afdelingen 2.1.3.1 en 2.1.3.2 vormen een alternatief. Geef alleen antwoorden op de toepasselijke afdeling, afhankelijk van de opzet van de voorgestelde maatregel.

2.1.3.1. Evenredigheid van steun die via een concurrerende biedprocedure wordt verleend

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie de punten 49, 50 en 199 van de richtsnoeren.

26. Verstrek, om na te gaan of aan de punten 49, 50 en 199 van de richtsnoeren is voldaan, de volgende informatie:

(a) 

Leg uit hoe de autoriteiten ervoor zorgen dat de biedprocedure open, helder, transparant en niet-discriminerend is en gebaseerd op objectieve criteria, die vooraf zijn vastgesteld overeenkomstig de doelstelling van de maatregel en het risico op strategisch bieden tot een minimum beperken (punt 49, a), van de richtsnoeren).

(b) 

De selectiecriteria die worden gebruikt om de inschrijvingen te rangschikken en uiteindelijk het steunniveau in de concurrerende biedprocedure vast te stellen. Meer in het bijzonder:

(i) 

Geef een lijst van de selectiecriteria en geef aan welke daarvan al dan niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en). Neem de weging van de criteria op.

(ii) 

Leg uit hoe de selectiecriteria de bijdrage aan de hoofddoelstellingen van de maatregel(en) direct of indirect in verband brengen met het door de aanvrager gevraagde steunbedrag. Dit kan bijvoorbeeld worden uitgedrukt in steun per eenheid milieubescherming of steun per oplaad- of tankpunt (punt 50 en voetnoot 44 van de richtsnoeren).

(iii) 

Indien er andere selectiecriteria zijn die niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en), motiveer dan de voorgestelde aanpak en leg uit hoe deze geschikt is voor de met de maatregel(en) nagestreefde doelstellingen. Bevestig ook dat deze criteria niet meer dan 30 % vertegenwoordigen van alle selectiecriteria die worden meegewogen (punten 50 en 199 van de richtsnoeren).

(iv) 

Leg uit hoe lang vooraf vóór elke concurrerende biedprocedure de selectiecriteria zullen worden gepubliceerd (punt 49, b), en voetnoot 43 van de richtsnoeren).

(c) 

Leg uit op basis van welke elementen u aanneemt dat de biedprocedure open en naar behoren met inschrijvingen beantwoord zal zijn, d.w.z. dat kan worden verwacht dat niet alle bieders steun zullen ontvangen en dat het aantal verwachte bieders voldoende is om daadwerkelijke mededinging tijdens de looptijd van de regeling te waarborgen (punt 49, c), van de richtsnoeren). Hou in uw toelichting rekening met het budget of de omvang van de regeling. Verwijs indien nodig naar de bewijsstukken in antwoord op de vragen 12, c), ii) hierboven.

(d) 

Geef informatie over het aantal geplande biedronden en het verwachte aantal inschrijvers in de eerste ronde en in de loop van de tijd.

(e) 

In het geval van een of meer inschrijvingsprocedures waarvoor onvoldoende is ingeschreven, leg uit hoe, en wanneer, de opzet van de biedprocedures tijdens de uitvoering van de regeling zal worden gecorrigeerd om de daadwerkelijke mededinging te herstellen (punt 49, c), van de richtsnoeren).

(f) 

Bevestig dat aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen of contingentering) worden vermeden (punt 49, d), van de richtsnoeren).

(g) 

Indien „subsidievrije biedingen” mogelijk zijn, leg dan uit hoe de evenredigheid zal worden gewaarborgd (zie punt 49, voetnoot 42, van de richtsnoeren).

(h) 

Licht toe of de autoriteiten in de concurrerende biedprocedure voorzien in het gebruik van minimum- en maximumprijzen. Indien dit het geval is, onderbouw dan het gebruik ervan en leg uit hoe zij de concurrerende biedprocedure niet beperken (punt 49 en voetnoot 42 van de richtsnoeren). Indien gebruik wordt gemaakt van biedplafonds, motiveer de niveaus ervan aan de hand van de kwantificering van de kosten en inkomsten van referentieprojecten overeenkomstig vraag 12, c), ii) hierboven.

27. Leg uit hoe de vormgeving van de concurrerende biedprocedure waarborgt dat voor aanvragers voldoende prikkels overblijven om te bieden voor projecten voor oplaad- of tankinfrastructuur die uitsluitend hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare waterstof levert. Leg bijvoorbeeld uit of de opzet van de concurrerende biedprocedure bonussen omvat waardoor een hogere score kan worden toegekend aan projecten die milieuwinst opleveren die verder gaat dan hetgeen met subsidiabiliteitsvereisten of de primaire doelstelling van de maatregel wordt behaald (punt 199 van de richtsnoeren).

2.1.3.2. Evenredigheid van niet via een concurrerende biedprocedure verleende steun

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie de punten 200 tot en met 204 van de richtsnoeren.

28. Leg uit waarom geen concurrerende biedprocedure wordt gebruikt (onder verwijzing naar de vrijstellingen in punt 200 van de richtsnoeren):

(a) 

het verwachte aantal deelnemers is niet voldoende om een daadwerkelijke mededinging te garanderen of strategisch bieden te vermijden;

OF

(b) 

een concurrerende biedprocedure, zoals beschreven in de punten 49 en 50, is niet geschikt om de evenredigheid van de steun te waarborgen en het gebruik van de alternatieve methoden van de punten 201 tot en met 204 van de richtsnoeren zou het risico van ongewenste verstoringen van de mededinging niet verhogen, afhankelijk van de kenmerken van de maatregel of van de betrokken sectoren of vervoerswijzen;

OF

(c) 

de steun wordt toegekend ten behoeve van oplaad- of tankinfrastructuur die uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is voor gebruik door ondernemingen die actief zijn in de sector openbaar vervoer over de weg, per spoor of over water;

OF

(d) 

de steun wordt toegekend ten behoeve van oplaad- of tankinfrastructuur die uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is voor gebruik door de begunstigde van de steun en die niet toegankelijk is voor het publiek. Geef in dit geval de redenen waarom een concurrerende biedprocedure niet wordt overwogen.

OF

(e) 

de steun wordt toegekend voor oplaad- of tankinfrastructuur die bestemd is voor bepaalde voertuigtypes waarvoor de relevante marktpenetratiegraad (per relevant voertuigtype dat de infrastructuur zou gebruiken) in de betrokken lidstaat of waarvoor de verkeersvolumes in de betrokken regio of regio's zeer beperkt zijn, en ondersteunende gegevens bezorgen.

2.1.3.2.1. Evenredigheid van steun verleend door middel van een analyse van de financieringskloof

29. Indien de steun wordt vastgesteld op basis van een analyse van de financieringskloof, om na te gaan of aan punt 201 van de richtsnoeren is voldaan, motiveer dan het steunbedrag op basis van een analyse van de financieringskloof overeenkomstig de punten 48, 51-52 van de CEEAG voor referentieprojecten in de feitelijke en contrafeitelijke scenario’s zoals vastgesteld in het antwoord op bovenstaande vraag 12.

30. Dien voor deze analyse van de financieringskloof een kwantificering in voor het feitelijke scenario, en een realistisch nulscenario ( 371 ) zoals vastgesteld in antwoord op vraag 12, van alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet van de begunstigden (of referentieprojecten), alsmede de netto contante waarde voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario, over de levensduur van het project/referentieproject.

(a) 

Vermeld dit in een bijlage bij deze aanmelding (in een Excel-bestand waarin alle formules zichtbaar zijn).

(b) 

Geef gedetailleerde informatie over de aannames, methodieken, redenen en onderliggende bronnen daarvan, die worden gebruikt voor elk aspect van de kwantificering van de kosten en opbrengsten in het feitelijke scenario en het waarschijnlijke nulscenario (vermeld bijvoorbeeld de aannames die zijn gebruikt om die scenario’s te ontwikkelen en de bron/redenen voor deze aannames).

(c) 

In het geval van individuele steun en regelingen die een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen, moet de lidstaat het bewijsmateriaal op het niveau van het gedetailleerde bedrijfsplan van het project presenteren.

In het geval van steunregelingen moet de lidstaat het bewijsmateriaal op basis van een of meer referentieprojecten presenteren punt 53 van de richtsnoeren).

(d) 

U kunt bij deze aanmelding ook de in voetnoot 39 van de richtsnoeren genoemde documenten voegen. Documenten van de raad van bestuur kunnen bijzonder nuttig zijn voor individuele steunmaatregelen of -regelingen die alleen aan een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen. Indien dergelijke documenten bij de aanmelding zijn gevoegd, verstrek dan hieronder een lijst van die documenten en vermeld daarbij de auteur, de datum waarop zij zijn opgesteld en de context waarin zij zijn gebruikt.

31. Indien punt 52 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat het meest waarschijnlijke nulscenario erin bestaat dat de begunstigde een activiteit of investering niet uitvoert of zijn bedrijfsactiviteiten ongewijzigd voortzet, verschaf bewijsmateriaal om deze aanname te onderbouwen ( 372 ).

32. In alle gevallen waarin de evenredigheid wordt gerechtvaardigd met verwijzing naar een analyse van de financieringskloof, bevestig dan ook dat de autoriteiten van uw land een monitoring achteraf zullen uitvoeren om de aannames over het vereiste steunniveau na te gaan, en een terugvorderingsmechanisme zullen opzetten. Beschrijf ook het terugvorderingsmechanisme dat uw autoriteiten voornemens zijn toe te passen (punt 201 van de richtsnoeren).

2.1.3.2.2. Evenredigheid van de verleende steun op basis van de in aanmerking komende kosten en steunintensiteiten

33. Indien het steunbedrag wordt bepaald op basis van de in aanmerking komende kosten en steunintensiteiten, beschrijf dan de in aanmerking komende kosten in het kader van de maatregel, met dien verstande dat, overeenkomstig de punten 202, 203 en 204 van de richtsnoeren, de in aanmerking komende kosten alle investeringskosten voor de bouw, installatie, upgrade of uitbreiding van oplaad- of tankinfrastructuur zijn. Het kan bijvoorbeeld gaan om de kosten voor:

(a) 

de oplaad- of tankinfrastructuur en de daarmee samenhangende elektrische uitrusting;

(b) 

de installatie of upgrades van elektrische of andere onderdelen, met inbegrip van elektrische kabels en stroomomvormers, die noodzakelijk zijn om de oplaad- of tankinfrastructuur aan te sluiten op het net of op een lokale eenheid voor de productie of opslag van elektriciteit of waterstof en om ervoor te zorgen dat de oplaadinfrastructuur gereed is voor slimme toepassingen;

(c) 

civieltechnische werkzaamheden, terrein- of wegaanpassingen, installatiekosten en kosten voor het verkrijgen van de vereiste vergunningen;

(d) 

investeringskosten van de ter plaatse geproduceerde hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare/koolstofarme productie-eenheden voor waterstof of van de opslaginstallaties.

34. Vermeld de maximale steunintensiteiten die in het kader van de maatregel van toepassing zijn, en geef aan of eventuele bonussen (zoals beschreven in punt 202 van de richtsnoeren) van toepassing zijn.

2.1.4.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

35. Voor zover nog niet vermeld in deel I van het algemene aanmeldingsformulier en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, verduidelijk of de steun in het kader van de aangemelde maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd.

36. Indien punt 56 van de richtsnoeren van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de aangemelde maatregel(en) voor een project of een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van punt 199, 201 of 202 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

37. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 373 ) (die geen staatssteun vormt), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.1.5.  Transparantie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 61) van de richtsnoeren.

38. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

39. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.2 (punten 63 tot en met 70) en afdeling 4.3.2.4. (punten 205 tot en met 216) van de richtsnoeren.

40. Om na te gaan of aan punt 67 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie over de eventuele negatieve korte- en langetermijneffecten van de aangemelde maatregel(en) op de mededinging en het handelsverkeer.

41. Leg uit of de maatregel onder een van de volgende situaties valt:

(a) 

Het gaat om een markt (of markten) waar gevestigde exploitanten marktmacht hebben opgebouwd vóór de vrijmaking van de markt.

(b) 

Het gaat om concurrerende biedprocedures op (een) opkomende markt(en), wanneer er een speler met een sterke markpositie is.

(c) 

De maatregel komt slechts ten goede aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden.

42. Indien de steunmaatregel is gericht op een specifieke technologische keuze/route, geef dan de reden voor de technologische keuze en onderbouw dat deze de toepassing van schonere technologieën niet zal ontmoedigen.

43. Indien de aangemelde maatregel(en) slechts aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komt (komen), en om na te gaan of aan punt 68 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Leg uit of de aangemelde maatregelen de marktmacht van de begunstigden versterken of handhaven, de expansie van bestaande concurrenten ontmoedigen of hen ertoe aanzetten de markt te verlaten of de toetreding van nieuwe concurrenten ontmoedigen. Leg in dit verband ook uit of de steunmaatregel zal leiden tot een verhoging van de capaciteit van de begunstigde;

(b) 

beschrijf de maatregelen die zijn genomen om de potentiële verstoring(en) van de mededinging als gevolg van de toekenning van de steun aan de begunstigde(n) te beperken.

44. Om na te gaan of aan punt 69 van de richtsnoeren is voldaan, leg uit:

(a) 

of de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun erop gericht is een economische activiteit in een bepaalde regio te behouden of deze aan te trekken vanuit andere regio’s binnen de interne markt;

(b) 

indien dit het geval is, geef dan aan wat het netto-effect voor het milieu is van de aangemelde maatregel(en) en hoe de aangemelde maatregel(en) het bestaande niveau van milieubescherming in de lidstaten verbetert (verbeteren);

(c) 

hoe de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun geen kennelijk negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer oplevert;

(d) 

in het geval van individuele steun, de belangrijkste factoren voor de keuze van de locatie van de investeringen door de begunstigde.

45. Om na te gaan of aan punt 70 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat steun in het kader van de aangemelde regeling kan worden toegekend voor een periode van maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar werd verklaard;

(b) 

Bevestig dat de autoriteiten in uw lidstaat de maatregel opnieuw zullen aanmelden indien zij de regeling na die maximumperiode wensen te verlengen.

46. Bevestig dat nieuwe oplaadinfrastructuur die een overdracht van elektriciteit met een uitgangsvermogen tot 22 kW mogelijk maakt, in staat is om slimme oplaadfuncties te ondersteunen (punt 206 van de richtsnoeren).

47. Indien steun wordt verleend voor tankinfrastructuur voor vervoer over water en door de lucht en voor de levering van synthetische brandstoffen, met inbegrip van hernieuwbare vloeibare en gasvormige vervoersbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, of van biobrandstoffen, motiveer dan de noodzaak van nieuwe infrastructuur. In het geval van synthetische „drop-inbrandstoffen” of „drop-inbiobrandstoffen” moet de lidstaat nagaan in hoeverre de bestaande infrastructuur kan worden gebruikt voor de levering van synthetische „drop-inbrandstoffen” of biobrandstoffen (punt 207 van de richtsnoeren).

48. Indien de steun bestemd is voor de bouw, installatie, verbetering of uitbreiding van CNG- en LNG-tankinfrastructuur voor vervoer over water:

(a) 

toon aan dat schonere alternatieven niet onmiddellijk beschikbaar zijn op de markt en naar verwachting ook niet op korte termijn beschikbaar zullen zijn;

(b) 

leg uit hoe die tankinfrastructuur zal worden gebruikt om de transitie naar koolstofarme brandstoffen op gang te brengen (punt 209 van de richtsnoeren); en

(c) 

of de investering deel uitmaakt van een traject naar decarbonisatie en hoe de steun bijdraagt tot de verwezenlijking van de in Uniewetgeving vastgestelde doelstellingen inzake de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (punt 209 van de richtsnoeren).

49. Indien de steun bestemd is voor de bouw, installatie, verbetering of uitbreiding van LNG-tankinfrastructuur voor zware bedrijfsvoertuigen, bevestig dan dat de steun niet zal worden toegekend na 2025. Leg uit hoe de steun zal bijdragen tot de verwezenlijking van de in Uniewetgeving vastgestelde doelstellingen inzake de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (punt 210 van de richtsnoeren).

50. In het geval van tankinfrastructuur voor waterstof, geef aan of de steun in het kader van de maatregel afhankelijk is van de voorwaarde dat de waterstof die op de ondersteunde tankinfrastructuur wordt geleverd, gedurende de gehele levensduur ervan hernieuwbaar of koolstofarm is. Zo niet, leg uit of en hoe ervoor zal worden gezorgd dat de begunstigden een geloofwaardig traject hebben om de tankinfrastructuur tegen 2035 niet meer te bevoorraden met waterstof die niet hernieuwbaar of koolstofarm is (punt 212 van de richtsnoeren).

51. Leg uit of de aangemelde maatregel garanties bevat tegen het creëren of versterken van posities op marktmacht die daadwerkelijke mededinging op opkomende of zich ontwikkelende markten kunnen verhinderen of belemmeren (bijvoorbeeld de vaststelling van een maximumpercentage van het budget voor de maatregel dat aan één onderneming kan worden toegewezen) (punt 213 van de richtsnoeren).

52. Beschrijf de waarborgen die zijn ingesteld om ervoor te zorgen dat exploitanten van oplaad- of tankinfrastructuur die op hun infrastructuur contractuele betalingen aanbieden of mogelijk maken, niet onrechtmatig discrimineren tussen aanbieders van mobiliteitsdiensten, bijvoorbeeld door ongerechtvaardigde preferentiële toegangsvoorwaarden toe te passen of door een ongerechtvaardigde prijsdifferentiatie (punt 214 van de richtsnoeren).

53. Bevestig dat iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de oplaad- of tankinfrastructuur te exploiteren, op concurrerende, transparante en niet-discriminerende basis plaatsvindt, in voorkomend geval rekening houdende met de geldende Unievoorschriften inzake overheidsopdrachten (punt 215 van de richtsnoeren).

54. Indien de infrastructuur toegankelijk zal zijn voor andere gebruikers dan de begunstigde(n) van de steun, bevestig dan dat niet-discriminerende toegang voor gebruikers zal worden gewaarborgd, onder meer, in voorkomend geval, met betrekking tot tarieven, authenticatie- en betalingsmethoden en andere gebruiksvoorwaarden (punt 216 van de richtsnoeren).

55. Bevestig dat de vergoedingen die aan gebruikers in rekening worden gebracht voor het gebruik van de ondersteunde oplaad- of tankinfrastructuur, marktconform zijn (punt 216 van de richtsnoeren). Geef aan of exploitanten van de ondersteunde laad- of tankinfrastructuur onderworpen zullen zijn aan prijsplafonds; zo ja, leg uit hoe dergelijke prijsplafonds zijn vastgesteld.

3.  Afweging tussen de positieve effecten van de steun en de negatieve effecten ervan op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3,3 (punten 71 en 76) van de richtsnoeren.

56. Om na te gaan of aan punt 72 van de richtsnoeren is voldaan, verklaar of activiteiten die in het kader van de aangemelde maatregelen worden ondersteund, voldoen aan de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 374 ), met inbegrip van het beginsel „geen ernstige afbreuk doen”, of aan andere vergelijkbare methoden.

57. Leg uit (in het geval van een concurrerende biedprocedure) of de aangemelde maatregelen kenmerken bevatten om de deelname van kmo’s aan concurrerende biedprocedures te vergemakkelijken. Indien dit het geval is, geef dan informatie over die kenmerken en onderbouw hoe de positieve effecten van het waarborgen van de deelname van kmo’s aan de aangemelde maatregelen opwegen tegen de mogelijke verstorende effecten.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 5 (punten 455 en 463) van de richtsnoeren.

58. Indien de aangemelde maatregelen de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijden, leg dan uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij deze aanmelding een bijlage met een ontwerp-evaluatieplan dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde gegevens bestrijkt ( 375 ).

59. Indien u een ontwerp-evaluatieplan verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

60. Bevestig, om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

61. Doe, om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal aanmelden.

62. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

63. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

64. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.E

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.4 – Investeringssteun voor hulpbronnenefficiëntie en ter ondersteuning van de transitie naar een circulaire economie

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.4 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Indien dit nog niet is besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef dan de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van eventuele doelstellingen voor de transitie naar een circulaire economie die met de maatregel moeten worden ondersteund.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de mededinging op de interne markt kunnen leiden.

2.  Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de steunregeling in werking moet treden.

2.2. Geef de looptijd van de regeling aan ( 376 ).

3.  Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaat of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef aan met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5.  Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen ( 377 ).

5.2. Indien de maatregelen door middel van een heffing worden gefinancierd, vermeld dan duidelijk of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld. Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(c) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producten;

(d) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(e) 

met de heffing waarmee de aangemelde maatregel wordt gefinancierd, ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.1.1 (punten 23, 24 en 25), afdeling 4.4.1 (punten 217, 218 en 219) en afdeling 4.4.2 (punten 220 tot en met 224) van de richtsnoeren.

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren aan welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

7. Beschrijf, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren, of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

8. Geef ook aan in hoeverre de steun verband houdt met de in de punten 217, 218 en 219 van de richtsnoeren beschreven beleidsmaatregelen.

9. Beschrijf de subsidiabiliteitsvereisten die van toepassing zijn op de begunstigde(n) (bijvoorbeeld door technische, ecologische (d.w.z. vergunningen), financiële (d.w.z. zekerheden) of andere voorwaarden voor de begunstigde(n) op te nemen).

10. Verstrek voor individuele steun en steunregelingen die ten goede komen aan een bijzonder beperkt aantal begunstigden of een gevestigde begunstigde, een kwantificering van de verwachte milieuvoordelen van de maatregel (bespaarde middelen/vermeden gebruik van hulpbronnen) en leg uit welke methode is gevolgd om deze te kwantificeren.

11. Geef informatie over de reikwijdte en de ondersteunde activiteiten van de steunmaatregel(en) en geef aan met welke van de in de punten 220 en 221 van de richtsnoeren vermelde activiteiten zij verband houden.

12. De volgende investeringssteunmaatregelen worden niet beoordeeld in het kader van afdeling 4.4:

(a) 

terugwinning van restwarmte uit productieprocessen

(b) 

koolstofafvang, -gebruik en -opslag (CCUS)

(c) 

productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biogas of biomassabrandstoffen uit afval

(d) 

energieopwekking uit afval

(e) 

productie van energie of warmte uit afval in verband met investeringen in stadsverwarmings- en -koelingssystemen of voor de exploitatie ervan.

Raadpleeg voor de in de punten a) tot en met d) genoemde investeringen het aanmeldingsformulier voor afdeling 4.1, aangezien deze maatregelen zullen worden beoordeeld zoals uiteengezet in afdeling 4.1 van de richtsnoeren, alsmede voor de in punt e) beschreven investering het aanmeldingsformulier voor afdeling 4.10, aangezien deze zal worden beoordeeld zoals uiteengezet in afdeling 4.10 van de richtsnoeren.

13. Geef aan of de steunmaatregel ook betrekking heeft op exploitatiekosten voor gescheiden inzameling en sortering van afval en zo ja, voor welke afvalstromen of afvalsoorten?

1.2.  Stimulerend effect

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.2 (punten 26 tot en met 32) en afdeling 4.4.3. (punten 225 tot en met 233) van de richtsnoeren.

14. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Voor de beoordeling van de naleving van punt 26 van de richtsnoeren, geef aan hoe de maatregelen „de begunstigde ervan ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren”.

15. Overeenkomstig punt 28 van de richtsnoeren:

15.1. Geef een uitgebreide beschrijving van het feitelijke scenario dat naar verwachting uit de steunmaatregel zal voortvloeien en het (de) waarschijnlijke nulscenario(’s) zonder de steunmaatregel ( 378 ). Wanneer u verwacht dat verschillende categorieën begunstigden kunnen worden ondersteund, zorg er dan voor dat het nulscenario voor elk van deze categorieën geloofwaardig is. Hou rekening met de vereisten inzake het nulscenario in de punten 226 tot en met 230 en 239 van de richtsnoeren, met name:

(a) 

Over het algemeen komt het nulscenario overeen met een investering met dezelfde capaciteit, levensduur en, in voorkomend geval, relevante technische kenmerken als de milieuvriendelijke investering, hetgeen echter leidt tot een lager niveau van milieubescherming, bijvoorbeeld een installatie die het afval verwerkt op basis van een handeling die lager in de rangorde van de afvalhiërarchie ligt of op een minder hulpbronnenefficiënte manier; wanneer het hergebruikte of gerecyclede (secundaire) product technisch en economisch substitueerbaar is met de primaire grondstof of het primaire product, kan het nulscenario bestaan uit de conventionele installatie voor de productie van primaire grondstoffen of producten.

(b) 

Als alternatief kan het nulscenario ook overeenstemmen met een van de volgende scenario’s:

(i) 

de bestaande installaties of uitrusting worden in bedrijf gehouden voor een periode die overeenstemt met de levensduur van de milieuvriendelijke investering. In dat geval moeten de contant gemaakte kosten voor onderhoud, reparatie en modernisering over die periode in aanmerking worden genomen (punt 227 van de richtsnoeren);

(ii) 

een latere vervanging van de installaties of de uitrusting; in dat geval moet de contant gemaakte waarde van de installaties en de uitrusting in aanmerking worden genomen en moet het verschil in de respectieve economische levensduur van de installaties of uitrusting worden verevend, overeenkomstig punt 228 van de richtsnoeren;

(iii) 

de leasing van de minder milieuvriendelijke uitrusting die zonder de steun zou zijn gebruikt; in dat geval moet de contant gemaakte waarde van de leasing van de minder milieuvriendelijke uitrusting in aanmerking worden genomen, overeenkomstig punt 229 van de richtsnoeren;

(iv) 

het nulscenario kan ook bestaan in het ontbreken van een alternatief investeringsproject, met name wanneer de gesteunde investering bestaat in de toevoeging van installaties of uitrusting aan bestaande faciliteiten, installaties of uitrusting en waarvoor geen gelijkwaardig conventioneel alternatief bestaat.

Vermeld bij de beschrijving van het feitelijke scenario en het (de) waarschijnlijke nulscenario(’s) de capaciteit, levensduur en andere technische kenmerken van de investering voor zowel het feitelijke als het (de) nulscenario(’s).

15.2. Verklaar kort waarom gekozen is voor het waarschijnlijke nulscenario, in het licht van de voorgestelde verschillende categorieën begunstigden, indien van toepassing.

15.3. Kwantificeer de kosten en inkomsten van de feitelijke en contrafeitelijke scenario’s en motiveer de gedragswijziging indien relevant voor elke categorie begunstigden, op basis van:

(a) 

de respectieve referentieprojecten ( 379 ), de overeenkomstige nulscenario’s en de daaruit voortvloeiende financieringskloof;

OF

(b) 

het relevante kwantitatief bewijsmateriaal op basis van marktstudies, beleggingsplannen, financiële verslagen of ander kwantitatief bewijsmateriaal, inclusief inschrijvingen voor soortgelijke projecten in recente vergelijkbare concurrerende inschrijvingsprocedures ( 380 ).

16. Verstrek met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 27 van de richtsnoeren informatie om te bevestigen dat de steun niet bedoeld is om te voorzien in de kosten van een activiteit die de begunstigde van de steun hoe dan ook zou moeten uitvoeren, en deze geen vergoeding is voor het normale zakelijke risico van een economische activiteit.

17. Om aan te tonen dat aan de punten 29 en 31 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat niet met de werkzaamheden aan het project of de activiteit is aangevangen voordat de begunstigde bij de nationale autoriteiten een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend;

OF

(b) 

Voor projecten die vóór de steunaanvraag zijn aangevangen, toon aan dat het project valt onder een van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 31, a), b) of c), van de richtsnoeren.

18. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

19. Om aan te tonen dat aan de punten 32, 232 en 233 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Geef aan of er Unienormen ( 381 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregelen, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld;

Verstrek in dat verband informatie om het stimulerende effect aan te tonen.

(b) 

In gevallen waarin er reeds Unienormen zijn aangenomen maar nog niet in werking zijn, toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm uit te voeren en te voltooien, overeenkomstig punt 233 van de richtsnoeren.

20. Om aan te tonen dat aan afdeling 4.4.3 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan of projecten met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar in aanmerking komen voor steun in het kader van de steunmaatregel. Zo ja, leg dan uit waarom die steun nodig is om een gedragsverandering teweeg te brengen overeenkomstig punt 231 van de richtsnoeren.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

21. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

22. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de informatie die in het kader van vraag 5.2. is verstrekt, wanneer de aangemelde maatregel(en) wordt (worden) gefinancierd door middel van een heffing.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Noodzaak van de steun

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.1 (punten 34 tot en met 38) en afdeling 4.4.4.1 (punten 234, 235 en 236) van de richtsnoeren.

23. Leg uit welk marktfalen uw autoriteiten hebben vastgesteld dat het bereiken van een toereikend niveau van milieubescherming in de weg staat. Geef aan in welke categorie het vastgestelde marktfalen valt, onder verwijzing naar punt 34, punt a), b), c) of d), van de richtsnoeren.

24. Verstrek, overeenkomstig punt 35 van de richtsnoeren, informatie over bestaande beleidslijnen en maatregelen die uw autoriteiten hebben vastgesteld en die reeds op het geconstateerde regulerings- of marktfalen zijn gericht.

25. Om aan te tonen dat aan punt 36 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie waaruit blijkt dat de steun het resterende marktfalen daadwerkelijk aanpakt, mede in het licht van andere beleidslijnen en maatregelen die al zijn opgezet om een deel van het geconstateerde marktfalen aan te pakken.

26. Om aan te tonen dat aan punt 37 van de richtsnoeren is voldaan, leg uit of, voor zover bekend bij uw autoriteiten, projecten of activiteiten die vergelijkbaar zijn met die welke onder de aangemelde maatregelen vallen, wat betreft hun technologische inhoud, risiconiveau en omvang binnen de Unie al tegen marktvoorwaarden worden uitgevoerd. Indien dit het geval is, verschaf dan verder bewijsmateriaal om de noodzaak van staatssteun aan te tonen.

27. Verwijs, om aan te tonen dat aan punt 38 van de richtsnoeren is voldaan, naar het kwantitatieve bewijsmateriaal dat reeds onder vraag 15 is verstrekt.

28. Beschrijf daarnaast, in overeenstemming met punt 235 van de richtsnoeren, wat de gevestigde handelspraktijken in de betrokken sector zijn en toon aan dat het project verder gaat dan deze gevestigde handelspraktijken die in de hele Unie en in alle technologieën algemeen worden toegepast.

29. Om na te gaan of aan punt 236 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

In het geval van steun voor de gescheiden inzameling en sortering van afval of andere producten, materialen of stoffen, toon aan dat die gescheiden inzameling en sortering in uw lidstaat nog weinig ontwikkeld is ( 382 ).

(b) 

In geval van steun voor het dekken van exploitatiekosten, toon aan dat die steun gedurende een overgangsperiode noodzakelijk is om de ontwikkeling van activiteiten in verband met de gescheiden inzameling en sortering van afval te vergemakkelijken. Hou rekening met de verplichtingen van ondernemingen uit hoofde van regelingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die u overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2008/98/EG mogelijk heeft ingevoerd, en geef er een beschrijving van.

2.1.2.  Geschiktheid

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.2 (punten 39 tot en met 46) en afdeling 4.4.4.2 (punt 238) van de richtsnoeren.

30. Om na te gaan of aan punt 40 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat er geen minder verstorende instrumenten aanwezig zijn die geschikter zijn.

31. Om na te gaan of aan punt 41 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de steunmaatregel zodanig is opgezet dat de efficiëntie van andere maatregelen om hetzelfde marktfalen te verhelpen, zoals marktgebaseerde mechanismen (bv. het EU-ETS), niet wordt ondermijnd.

32. Om na te gaan of aan punt 42 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat geen van de begunstigden van de steunmaatregelen op grond van het bestaande Unierecht of het nationale recht aansprakelijk kan worden gesteld voor de verontreiniging (beginsel „de vervuiler betaalt”).

33. Om na te gaan of aan punt 238 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de steun ondernemingen die afval produceren, niet bevrijdt van kosten of verplichtingen met betrekking tot de verwerking van afval waarvoor zij aansprakelijk zijn uit hoofde van Unierecht of nationaal recht, met inbegrip van regelingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Evenmin mag de steun ondernemingen bevrijden van kosten die als kosten van een normale bedrijfsvoering moeten worden beschouwd.

34. Om na te gaan of aan de punten 43 tot en met 46 van de richtsnoeren is voldaan, en om aan te tonen dat de steun geschikt is in vergelijking met andere beleidsinstrumenten, geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit waarom andere potentieel minder verstorende vormen van steun minder geschikt zijn, zoals vereist in punt 44 van de richtsnoeren. Terugbetaalbare voorschotten kunnen minder verstorende vormen van steun zijn in vergelijking met rechtstreekse subsidies; belastingverrekening in vergelijking met belastingverlagingen; of vormen van steun die gebaseerd zijn op financiële instrumenten, zoals schuldinstrumenten, in vergelijking met eigenvermogensinstrumenten (bv. leningen tegen lage rente of met rentekorting, overheidsgaranties of een alternatieve vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden).

(b) 

Toon aan dat het gekozen steuninstrument geschikt is voor het marktfalen dat de steunmaatregel(en) beoogt (beogen) aan te pakken, zoals vereist in punt 45 van de richtsnoeren.

(c) 

Leg uit hoe de steunmaatregel en de vormgeving ervan geschikt zijn om de doelstelling van de maatregel waarop de steun is gericht, te bereiken, zoals vereist in punt 46 van de richtsnoeren.

2.1.3.  Evenredigheid

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie de punten 239 tot en met 244 van de richtsnoeren. De volgende drie afdelingen 2.1.3.1, 2.1.3.2 en 2.1.3.3 zijn een alternatief. Geef alleen antwoord op het toepasselijke deel, afhankelijk van de opzet van de voorgestelde maatregel [voor exploitatiesteun voor inzameling, zie afdeling 2.1.3.3].

2.1.3.1. Steun op basis van de in de punten 240 tot en met 244 van de richtsnoeren vastgestelde steunintensiteiten

35. Geef aan, met het oog op de beschrijving van de kosten die overeenkomstig punt 239 van de richtsnoeren in aanmerking komen, welke extra investeringskosten rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming.

36. Leg uit hoe de investeringskosten van het feitelijke scenario en het minder milieuvriendelijke scenario zullen worden bepaald en geverifieerd.

37. Indien de producten, stoffen of materialen afval zou vormen als het niet werd hergebruikt, er geen wettelijke verplichting bestond om die producten, stoffen of materialen te verwijderen of op een andere manier te verwerken, bevestig dat de in aanmerking komende kosten zullen overeenstemmen met de investering die noodzakelijk is om dat product, die betrokken stof of dat materiaal terug te winnen.

38. Vermeld de maximale steunintensiteiten die in het kader van de maatregel van toepassing zijn, en geef aan of eventuele opslagen van toepassing zijn (punten 241 tot en met 244 van de richtsnoeren).

39. Voor eco-innovatieactiviteiten, toon aan dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan (punt 244 van de richtsnoeren):

(a) 

de eco-innovatieactiviteit is nieuw of sterk verbeterd ten opzichte van de huidige stand van de techniek in de betrokken sector in de Unie ( 383 );

(b) 

het verwachte voordeel voor het milieu is aanzienlijk hoger dan de verbetering die voortvloeit uit de algemene evolutie van de state-of-the-art in vergelijkbare activiteiten ( 384 );

(c) 

het innovatieve karakter van de activiteit houdt in dat – uit oogpunt van technologie, markt of financiën – de risicograad duidelijk hoger is dan het risico dat doorgaans verbonden is aan vergelijkbare niet-innovatieve activiteiten ( 385 ).

40. Indien in afwijking van de punten 241 tot en met 244 van de richtsnoeren wordt aangenomen dat steun boven de maximale steunintensiteiten nodig is, geef aan welk steunniveau noodzakelijk wordt geacht en motiveer dit op basis van een analyse van de financieringskloof voor de referentieprojecten in het feitelijke en het nulscenario zoals aangewezen in antwoord op vraag 15 hierboven, overeenkomstig de punten 51 en 52 van de richtsnoeren.

Dien voor deze analyse van de financieringskloof een kwantificering in voor de feitelijke scenario’s, en realistische nulscenario’s ( 386 ) zoals vastgesteld in antwoord op vraag 15, van alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet van de begunstigden (of referentieprojecten), alsmede de netto contante waarde voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario, over de levensduur van het project/referentieproject.

(a) 

Vermeld dit in een bijlage bij deze aanmelding (in een Excel-bestand waarin alle formules zichtbaar zijn).

(b) 

Geef gedetailleerde informatie over de aannames, methodieken, redenen en onderliggende bronnen daarvan, die worden gebruikt voor elk aspect van de kwantificering van de kosten en opbrengsten in het feitelijke scenario en het waarschijnlijke nulscenario (vermeld bijvoorbeeld de aannames die zijn gebruikt om die scenario’s te ontwikkelen en de bron/redenen voor deze aannames).

(c) 

In het geval van individuele steun en regelingen die een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen, moet de lidstaat het bewijsmateriaal op het niveau van het gedetailleerde bedrijfsplan van het project presenteren.

In het geval van steunregelingen moet de lidstaat het bewijsmateriaal op basis van een of meer referentieprojecten presenteren.

(d) 

U kunt bij deze aanmelding ook de in voetnoot 39 van de richtsnoeren genoemde documenten voegen. Documenten van de raad van bestuur kunnen bijzonder nuttig zijn voor individuele steunmaatregelen of -regelingen die alleen aan een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen. Indien dergelijke documenten bij de aanmelding zijn gevoegd, verstrek dan hieronder een lijst van die documenten en vermeld daarbij de auteur, de datum waarop zij zijn opgesteld en de context waarin zij zijn gebruikt.

41. Toon ook aan dat de toepassing van een hoger steunbedrag, zoals aangegeven in vraag 40, er niet toe zou leiden dat de steun de financieringskloof overschrijdt.

42. Indien punt 52 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat het meest waarschijnlijke nulscenario erin bestaat dat de begunstigde een activiteit of investering niet uitvoert of zijn bedrijfsactiviteiten ongewijzigd voortzet, verschaf dan bewijsmateriaal om deze aanname te onderbouwen.

43. Bevestig in overeenstemming met punt 245 van de richtsnoeren dat, indien op basis van vraag 40 een hogere steunintensiteit vereist is, uw autoriteiten een monitoring achteraf zullen uitvoeren om de aannames over het vereiste steunniveau te verifiëren en een terugvorderingsmechanisme in te stellen, en beschrijf de monitoring- en terugvorderingsmechanismen die de lidstaat voornemens is in te voeren.

2.1.3.2. Evenredigheid van de steun die via een concurrerende biedprocedure wordt verleend

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie de punten 49, 50 en 246 van de richtsnoeren.

44. Om na te gaan of aan de punten 49, 50 en 246 van de richtsnoeren is voldaan, geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit hoe de autoriteiten ervoor zorgen dat de biedprocedure open, helder, transparant en niet-discriminerend is en gebaseerd op objectieve criteria, die vooraf zijn vastgesteld overeenkomstig de doelstelling van de maatregel en het risico op strategisch bieden tot een minimum beperken (punt 49, a), van de richtsnoeren)

(b) 

De selectiecriteria die worden gebruikt om de inschrijvingen te rangschikken en uiteindelijk het steunniveau in de concurrerende biedprocedure vast te stellen. Meer in het bijzonder:

(i) 

Geef een lijst van de selectiecriteria en geef aan welke daarvan al dan niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en). Neem de weging van de criteria op.

(ii) 

Leg uit hoe de selectiecriteria de bijdrage aan de hoofddoelstellingen van de maatregel(en) direct of indirect in verband brengen met het door de aanvrager gevraagde steunbedrag. Dit kan bijvoorbeeld worden uitgedrukt in steun per eenheid milieubescherming (punt 50 en voetnoot 44 van de richtsnoeren).

(iii) 

Indien er andere selectiecriteria zijn die niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en), motiveer dan de voorgestelde aanpak en leg uit hoe deze geschikt is voor de met de maatregel(en) nagestreefde doelstellingen. Bevestig ook dat deze criteria niet meer dan 30 % vertegenwoordigen van alle selectiecriteria die worden meegewogen (punt 50 van de richtsnoeren).

(iv) 

Leg uit hoe lang vooraf vóór elke concurrerende biedprocedure de selectiecriteria zullen worden gepubliceerd (punt 49, b), en voetnoot 43 van de richtsnoeren).

(c) 

Leg uit op basis van welke elementen u aanneemt dat de biedprocedure open en naar behoren met inschrijvingen beantwoord zal zijn, d.w.z. dat kan worden verwacht dat niet alle bieders steun zullen ontvangen en dat het aantal verwachte bieders voldoende is om daadwerkelijke mededinging tijdens de looptijd van de regeling te waarborgen (punt 49, c), van de richtsnoeren). Hou in uw toelichting rekening met het budget of de omvang van de regeling. Raadpleeg indien nodig de bewijsstukken in de antwoorden op vraag 15.

(d) 

Geef informatie over het aantal geplande biedronden en het verwachte aantal inschrijvers in de eerste ronde en in de loop van de tijd.

(e) 

In het geval van een of meer inschrijvingsprocedures waarvoor onvoldoende is ingeschreven, leg uit hoe, en wanneer, de opzet van de biedprocedures tijdens de uitvoering van de regeling zal worden gecorrigeerd om de daadwerkelijke mededinging te herstellen (punt 49, c), van de richtsnoeren).

(f) 

Bevestig dat aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen of contingentering) worden vermeden (punt 49, d), van de richtsnoeren).

(g) 

Indien „subsidievrije biedingen” mogelijk zijn, leg dan uit hoe de evenredigheid zal worden gewaarborgd (zie punt 49, voetnoot 42, van de richtsnoeren).

(h) 

Licht toe of de autoriteiten in de concurrerende biedprocedure voorzien in het gebruik van minimum- en maximumprijzen. Indien dit het geval is, onderbouw dan het gebruik ervan en leg uit hoe zij de concurrerende biedprocedure niet beperken (punt 49 en voetnoot 42 van de richtsnoeren).

2.1.3.3. Evenredigheid van steun ter dekking van de exploitatiekosten van gescheiden inzameling en sortering van afval

45. Volgens punt 247 van de richtsnoeren kan de steun exploitatiekosten dekken indien deze betrekking heeft op de gescheiden inzameling en sortering van afval of andere producten, materialen of stoffen met betrekking tot specifieke afvalstromen of afvalsoorten met het oog op de voorbereiding voor hergebruik of recycling. Indien u van plan bent dergelijke steun te verlenen:

(a) 

verstrek bewijs dat de steun zal worden toegekend na een concurrerende biedprocedure die overeenkomstig de in de punten 49 en 50 van de richtsnoeren uiteengezette criteria verloopt, en die op niet-discriminerende basis moet openstaan voor alle marktdeelnemers die diensten voor gescheiden inzameling en sortering aanbieden; Daartoe moeten de in punt 42 hierboven genoemde informatie en bewijsstukken worden verstrekt.

(b) 

Geef aan of de biedprocedure regels omvat die de steun beperken in bepaalde vooraf vastgestelde, welomschreven omstandigheden. Indien dat het geval is:

(i) 

Toon aan dat deze beperkingen gerechtvaardigd zijn door een hoge mate van onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling van de exploitatiekosten gedurende de looptijd van de maatregel.

(ii) 

Beschrijf deze regels en de daarmee samenhangende gevestigde omstandigheden.

(c) 

Verstrek informatie over investeringssteun die is verleend voor een installatie voor gescheiden inzameling en sortering van afval waarvoor ook exploitatiesteun wordt verleend. Wanneer beide vormen van steun dezelfde in aanmerking komende kosten dekken, toon dan aan dat de investeringssteun in mindering zal worden gebracht op de exploitatiesteun voor dezelfde installatie, en vermeld hoe dit zal worden gewaarborgd.

(d) 

Bevestig dat de duur van de toekenning van de steun niet meer dan vijf jaar bedraagt.

2.1.4.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

46. Verduidelijk, voor zover nog niet vermeld in deel I van het algemene aanmeldingsformulier en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de aangemelde maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd.

47. Indien punt 56 van de richtsnoeren van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de aangemelde maatregelen voor een project of een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van de punten 241 tot en met 245 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

48. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 387 ) (die geen staatssteun vormt), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.1.5.  Transparantie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 61) van de richtsnoeren.

49. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

50. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten van de steun op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.2 (punten 63 tot en met 70) en afdeling 4.4.5 (punten 248 tot en met 252) van de richtsnoeren.

51. Om na te gaan of aan punt 67 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie over de eventuele negatieve korte- en langetermijneffecten van de aangemelde maatregel(en) op de mededinging en het handelsverkeer.

52. Leg uit of de maatregel onder een van de volgende situaties valt:

(a) 

Het gaat om een markt (of markten) waar gevestigde exploitanten marktmacht hebben opgebouwd vóór de vrijmaking van de markt.

(b) 

Het gaat om concurrerende biedprocedures op (een) opkomende markt(en), wanneer er een speler met een sterke markpositie is.

(c) 

De maatregel komt slechts ten goede aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden.

53. Indien de steunmaatregel is gericht op een specifieke technologische keuze/route, geef dan de reden voor de technologische keuze en onderbouw dat deze de toepassing van schonere technologieën niet zal ontmoedigen.

54. Indien de aangemelde maatregel(en) slechts aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komt (komen), en om na te gaan of aan punt 68 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Leg uit of de aangemelde maatregel(en) de marktmacht van de begunstigde(n) versterkt (versterken) of handhaaft (handhaven), of de groei van bestaande concurrenten ontmoedigt (ontmoedigen), hen ertoe aanzet(ten) de markt te verlaten of ontradend werkt (werken) voor de markttoetreding van nieuwe concurrenten. Leg in dit verband ook uit of de steunmaatregel zal leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit van de begunstigde.

(b) 

beschrijf de maatregelen die zijn genomen om de potentiële verstoring van de mededinging als gevolg van de toekenning van de steun aan de begunstigde(n) te beperken.

55. Om na te gaan of aan punt 69 van de richtsnoeren is voldaan, verklaar:

(a) 

of de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun erop gericht is een economische activiteit in een bepaalde regio te behouden of deze aan te trekken vanuit andere regio’s binnen de interne markt;

(b) 

indien dit het geval is, geef dan aan wat het netto-effect voor het milieu is van de aangemelde maatregelen, hoe deze het bestaande niveau van milieubescherming in de lidstaten verbeteren;

(c) 

hoe de in het kader van de aangemelde maatregelen verleende steun geen kennelijk negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer opleveren.

(d) 

in het geval van individuele steun, de belangrijkste factoren voor de keuze van de locatie van de investeringen door de begunstigde.

56. Om na te gaan of aan punt 70 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Bevestig dat steun in het kader van de aangemelde regeling kan worden toegekend voor een periode van maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar werd verklaard.

(b) 

Bevestig dat indien uw autoriteiten de maatregel opnieuw zullen aanmelden indien zij deze na die maximumperiode wensen te verlengen.

57. Om na te gaan of aan punt 249 van de richtsnoeren is voldaan, motiveer dat de steun de productie van afval niet zal stimuleren of het gebruik van hulpbronnen niet zal doen toenemen.

58. Om na te gaan of aan punt 250 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat wanneer de steun de vraag naar afval of andere materialen en hulpbronnen die bestemd zijn voor hergebruik, recycling of terugwinning, doet toenemen, de inzamelingscapaciteit van dergelijk afval, andere materialen en hulpbronnen dienovereenkomstig zal worden verhoogd om aan de toegenomen vraag te voldoen.

59. Om na te gaan of aan punt 251 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan of de steun potentiële effecten zal hebben op het functioneren van de markten voor primaire en secundaire materialen met betrekking tot de betrokken producten, en waartoe deze potentiële effecten kunnen leiden.

60. Om na te gaan of aan punt 252 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan, wanneer de steun exploitatiekosten dekt in verband met gescheiden inzameling en sortering van afval of andere producten, materialen of stoffen met betrekking tot specifieke afvalstromen of soorten afval met het oog op voorbereiding voor hergebruik of recycling, of er een mogelijke wisselwerking is met regelingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in uw lidstaat, beschrijf deze regelingen en de mogelijke wisselwerking.

3. AFWEGING TUSSEN DE POSITIEVE EFFECTEN VAN DE STEUN EN DE NEGATIEVE EFFECTEN ERVAN OP DE MEDEDINGING EN HET HANDELSVERKEER

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.3 (punten 71 tot en met 76) van de richtsnoeren.

61. Om na te gaan of aan punt 72 van de richtsnoeren is voldaan, verklaar of activiteiten die in het kader van de aangemelde maatregelen worden ondersteund, voldoen aan de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 388 ), met inbegrip van het beginsel „geen ernstige afbreuk doen”, of aan andere vergelijkbare methoden.

62. Leg uit (in het geval van een concurrerende biedprocedure) of de aangemelde maatregelen kenmerken bevatten om de deelname van kmo’s aan concurrerende biedprocedures te vergemakkelijken. Indien dit het geval is, geef dan informatie over die kenmerken en onderbouw hoe de positieve effecten van het waarborgen van de deelname van kmo’s aan de aangemelde maatregelen opwegen tegen de mogelijke verstorende effecten.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 5 (punten 455 tot en met 463) van de richtsnoeren.

63. Indien de aangemelde maatregelen de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijden, leg dan uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij deze aanmelding een bijlage met een ontwerp-evaluatieplan dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde gegevens bestrijkt ( 389 ).

64. Indien u een ontwerp-evaluatieplan verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

65. Bevestig, om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

66. Doe, om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal aanmelden.

67. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

68. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

69. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.F

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.5 – Steun voor het voorkomen of reduceren van verontreiniging niet afkomstig van broeikasgassen

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.5 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Indien dit nog niet is besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef dan de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van eventuele doelstellingen van de Unie met betrekking tot de milieudoelstelling(en) die met de maatregel moet(en) worden ondersteund.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de mededinging op de interne markt kunnen leiden.

2. Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de steunregeling in werking moet treden.

2.2. Geef de looptijd van de regeling aan ( 390 ).

3. Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaat of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef aan met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5. Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen ( 391 ).

5.2. Indien de maatregelen door middel van een heffing worden gefinancierd, vermeld dan duidelijk of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld. Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de korting op de heffing wordt gefinancierd door een verhoging van de heffing voor andere verbruikers.

(c) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(d) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producten;

(e) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(f) 

met de heffing waarmee de aangemelde maatregel wordt gefinancierd, ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.1 (punten 23, 24 en 25), afdeling 4.5.1 (punten 253 en 254) en afdeling 4.5.2 (punten 255 tot en met 259) van de richtsnoeren.

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren aan welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

7. Beschrijf met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

8. Geef ook aan in hoeverre de steun verband houdt met de in de punten 253 en 254 van de richtsnoeren beschreven beleidsmaatregelen.

9. Beschrijf de subsidiabiliteitsvereisten die van toepassing zijn op de begunstigde(n) (bijvoorbeeld door technische, ecologische (d.w.z. vergunningen), financiële (d.w.z. zekerheden) of andere voorwaarden voor de begunstigde(n) op te nemen).

10. Geef informatie over de precieze reikwijdte en ondersteunde activiteiten van de steunmaatregel(en), zoals vermeld in afdeling 4.5.2 (punten 255 tot en met 259) van de richtsnoeren. Geef aan welke van de volgende categorieën investeringen in het kader van de steunmaatregel in aanmerking komen:

(a) 

investeringen die ondernemingen in staat stellen verontreiniging niet afkomstig van broeikasgassen nog verder terug te dringen dan de niveaus die door de Unienormen voor milieubescherming worden voorgeschreven;

(b) 

investeringen die ondernemingen in staat stellen bij ontstentenis van Unienormen verontreiniging niet afkomstig van broeikasgassen te voorkomen of te verminderen;

(c) 

investeringen die ondernemingen in staat stellen Unienormen in acht te nemen die zijn vastgesteld maar nog niet van kracht zijn.

11. In het geval van steun in de vorm van verhandelbare vergunningen ( 392 ):

(a) 

Beschrijf uitvoerig de regeling inzake verhandelbare vergunningen. Vermeld onder meer de doelstellingen, de methodiek voor de toewijzing van emissierechten, de betrokken overheden of instellingen, de rol van de staat, de begunstigden en de procedurele aspecten.

(b) 

Leg uit hoe de regeling inzake verhandelbare vergunningen is vormgegeven om verontreiniging te voorkomen of te reduceren tot niveaus die lager liggen dan die welke worden opgelegd door de Unienormen die voor de betrokken ondernemingen bindend zijn.

12. Bevestig dat de steun gericht is op het voorkomen of reduceren van verontreiniging die rechtstreeks met de eigen activiteiten van de begunstigde verband houdt.

13. Beschrijf hoe ervoor zal worden gezorgd dat de steun niet gewoonweg verontreiniging tussen sectoren of van één milieucompartiment naar een ander zal verschuiven, en dat daarmee een totale reductie van verontreiniging zal worden bereikt.

14. Geef voor individuele steun en steunregelingen die aan een bijzonder beperkt aantal begunstigden of een begunstigde gevestigde exploitant ten goede komen en gericht zijn op het verminderen van verontreiniging niet afkomstig van broeikasgassen, een kwantificering van de vermindering van emissies en verontreinigende stoffen die naar verwachting uit de maatregel zal voortvloeien, en leg uit welke kwantificeermethode daarbij is gevolgd.

15. Geef aan of de steunmaatregel ook bijdraagt tot de preventie of reductie van broeikasgasemissies.

Zo ja, geef een vergelijking van de verwachte resultaten van de maatregel in termen van het voorkomen of reduceren van emissies van broeikasgassen en van andere verontreinigende stoffen, op basis van geloofwaardige, gedetailleerde kwantificeringen.

Indien de preventie of reductie van broeikasgasemissies de belangrijkste doelstelling van de steunmaatregel is, vul dan het formulier aanvullende informatie voor afdeling 4.1 in, aangezien de verenigbaarheid van de maatregel zal worden beoordeeld op basis van die afdeling. Indien de hoofddoelstelling van de maatregel echter bestaat in de preventie of reductie van verontreiniging niet afkomstig van broeikasgassen, dan zal deze worden beoordeeld op basis van afdeling 4.5 (punt 259 van de richtsnoeren).

1.2.  Stimulerend effect

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.2 (punten 26 tot en met 32) en afdeling 4.5.3 (punten 260, 261 en 262) van de richtsnoeren.

16. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Voor de beoordeling van de naleving van punt 26 van de richtsnoeren, geef aan hoe de maatregelen „de begunstigde ervan ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren”.

17. Overeenkomstig punt 28 van de richtsnoeren:

17.1. Geef een uitgebreide beschrijving van het feitelijke scenario dat naar verwachting uit de steunmaatregel zal voortvloeien en het (de) waarschijnlijke nulscenario(’s) zonder de steunmaatregel ( 393 ). Wanneer u verwacht dat verschillende categorieën begunstigden kunnen worden ondersteund, zorg er dan voor dat het nulscenario voor elk van deze categorieën geloofwaardig is.

Hou rekening met de vereisten inzake het nulscenario in de punten 266 en 226 tot en met 230 van de richtsnoeren, met name:

(a) 

Het nulscenario stemt doorgaans overeen met een investering waarvan de capaciteit, levensduur en, in voorkomend geval, andere relevante technische kenmerken dezelfde zijn als die van de milieuvriendelijke investering, wat echter leidt tot een lager niveau van milieubescherming.

(b) 

Als alternatief kan het nulscenario ook overeenkomen met een van de volgende scenario’s:

(i) 

de bestaande installaties of uitrusting worden in bedrijf gehouden voor een periode die overeenstemt met de levensduur van de milieuvriendelijke investering. In dat geval moeten de contant gemaakte kosten voor onderhoud, reparatie en modernisering over die periode in aanmerking worden genomen (punt 227 van de richtsnoeren);

(ii) 

een latere vervanging van de installaties of de uitrusting; in dat geval moet de contant gemaakte waarde van de installaties en de uitrusting in aanmerking worden genomen en moet het verschil in de respectieve economische levensduur van de installaties of uitrusting worden verevend, overeenkomstig punt 228 van de richtsnoeren;

(iii) 

de leasing van de minder milieuvriendelijke uitrusting die zonder de steun zou zijn gebruikt; in dat geval moet de contant gemaakte waarde van de leasing van de minder milieuvriendelijke uitrusting in aanmerking worden genomen, overeenkomstig punt 229 van de richtsnoeren;

(iv) 

het ontbreken van een alternatief project, met name wanneer de gesteunde investering bestaat in het toevoegen van installaties of uitrusting aan bestaande faciliteiten, installaties of uitrusting.

Vermeld bij de beschrijving van het feitelijke scenario en het (de) waarschijnlijke nulscenario(’s) de capaciteit, levensduur en andere technische kenmerken van de investering voor zowel het feitelijke als het (de) nulscenario(’s).

17.2. Licht kort de redenen toe voor de keuze van het (de) waarschijnlijke nulscenario(’s), in het licht van de voorgestelde verschillende categorieën begunstigden, indien van toepassing.

17.3. Kwantificeer de kosten en inkomsten van de feitelijke en nulscenario’s en motiveer de gedragswijziging indien relevant voor elke categorie begunstigden, op basis van:

(a) 

de respectieve referentieprojecten ( 394 ), de overeenkomstige nulscenario’s en de daaruit voortvloeiende financieringskloof;

OF

(b) 

het relevante kwantitatief bewijsmateriaal op basis van marktstudies, beleggingsplannen, financiële verslagen of ander kwantitatief bewijsmateriaal, inclusief inschrijvingen voor soortgelijke projecten in recente vergelijkbare concurrerende inschrijvingsprocedures ( 395 ).

18. Om aan te tonen dat aan de punten 29 en 31 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat niet met de werkzaamheden aan het project of de activiteit is aangevangen voordat de begunstigde bij de nationale autoriteiten een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend;

OF

(b) 

Voor projecten die vóór de steunaanvraag zijn aangevangen, toon aan dat het project valt onder een van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 31, a), b) of c), van de richtsnoeren.

19. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

20. Om aan te tonen dat aan de punten 32, 261 en 262 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Geef aan of er Unienormen ( 396 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregelen, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld.

Verstrek in dat verband informatie om het stimulerende effect aan te tonen.

(b) 

In gevallen waarin er reeds Unienormen zijn aangenomen maar nog niet in werking zijn, toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm uit te voeren en te voltooien, overeenkomstig punt 262 van de richtsnoeren.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

21. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

22. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de informatie die in het kader van vraag 5.2. is verstrekt, wanneer de aangemelde maatregel(en) wordt (worden) gefinancierd door middel van een heffing.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Noodzaak van de steun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.1 (punten 34 tot en met 38) en afdeling 4.5.4.1 (punt 264) van de richtsnoeren.

23. Leg uit welk marktfalen uw autoriteiten hebben vastgesteld dat het bereiken van een toereikend niveau van milieubescherming in de weg staat. Geef aan in welke categorie het vastgestelde marktfalen valt, onder verwijzing naar punt 34, punt a), b), c) of d), van de richtsnoeren.

24. Verstrek, overeenkomstig punt 35 van de richtsnoeren, informatie over bestaande beleidslijnen en maatregelen die uw autoriteiten hebben vastgesteld en die reeds op het geconstateerde regulerings- of marktfalen zijn gericht.

25. Verstrek, om aan te tonen dat aan punt 36 van de richtsnoeren is voldaan, informatie waaruit blijkt dat de steun het resterende marktfalen daadwerkelijk aanpakt, mede in het licht van andere beleidslijnen en maatregelen die al zijn opgezet om een deel van het geconstateerde marktfalen aan te pakken.

26. Om aan te tonen dat aan punt 37 van de richtsnoeren is voldaan, leg uit of, voor zover bekend bij uw autoriteiten, projecten of activiteiten die vergelijkbaar zijn met die welke onder de aangemelde maatregelen vallen, wat betreft hun technologische inhoud, risiconiveau en omvang binnen de Unie al tegen marktvoorwaarden worden uitgevoerd. Indien dit het geval is, verschaf dan verder bewijsmateriaal om de noodzaak van staatssteun aan te tonen.

27. Verwijs, om aan te tonen dat aan punt 38 van de richtsnoeren is voldaan, naar het kwantitatieve bewijsmateriaal dat reeds onder vraag 17 is verstrekt.

28. In het geval van steun in de vorm van verhandelbare vergunningen, verschaf bewijsstukken waaruit blijkt dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan, overeenkomstig punt 264 van de richtsnoeren:

(a) 

de volledige veiling leidt tot een aanzienlijke toename van de productiekosten voor elke sector of categorie van individuele begunstigden;

(b) 

de aanzienlijke toename van de productiekosten kan niet aan klanten worden doorberekend zonder dat dit tot aanzienlijk omzetverlies leidt ( 397 );

(c) 

individuele ondernemingen in de betrokken sector hebben niet de mogelijkheid de emissieniveaus te reduceren om de kosten van de certificaten/verhandelbare vergunningen terug te brengen tot een niveau dat voor die ondernemingen draaglijk is. Dit kan worden aangetoond door het emissieniveau van de potentiële begunstigden te vergelijken met de emissieniveaus die zijn bereikt door de best presterende techniek toe te passen, en aan te tonen dat de best presterende techniek in de EER is gebruikt als benchmark voor het niveau van de toegekende rechten.

2.1.2.  Geschiktheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.2 (punten 39 tot en met 46) van de richtsnoeren.

29. Om na te gaan of aan punt 40 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat er geen minder verstorende instrumenten beschikbaar zijn die geschikter zijn.

30. Om na te gaan of aan punt 41 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de steunmaatregel zodanig is opgezet dat de efficiëntie van andere maatregelen om hetzelfde marktfalen te verhelpen, zoals marktgebaseerde mechanismen (bv. het EU-ETS), niet wordt ondermijnd.

31. Om na te gaan of aan punt 42 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat geen van de begunstigden van de steunmaatregelen op grond van het bestaande Unierecht of het nationale recht aansprakelijk kan worden gesteld voor de verontreiniging (beginsel „de vervuiler betaalt”).

32. Om na te gaan of aan de punten 43 tot en met 46 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de steun geschikt is in vergelijking met andere beleidsinstrumenten en geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit waarom andere potentieel minder verstorende vormen van steun minder geschikt zijn, zoals vereist in punt 44 van de richtsnoeren. Terugbetaalbare voorschotten kunnen minder verstorende vormen van steun zijn in vergelijking met rechtstreekse subsidies; belastingverrekening in vergelijking met belastingkortingen; of vormen van steun die gebaseerd zijn op financiële instrumenten, zoals schuldinstrumenten, in vergelijking met eigenvermogensinstrumenten (bv. leningen tegen lage rente of met rentekorting, overheidsgaranties of een alternatieve vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden).

(b) 

Toon aan dat het gekozen steuninstrument geschikt is voor het marktfalen dat de steunmaatregel(en) beoogt (beogen) aan te pakken, zoals vereist in punt 45 van de richtsnoeren.

(c) 

Leg uit hoe de steunmaatregel en de opzet ervan geschikt zijn om de doelstelling ervan te verwezenlijken (punt 46 van de richtsnoeren).

2.1.3.  Evenredigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.3 (punten 47 tot en met 57) en afdeling 4.5.4.2 (punten 265 tot en met 273) van de richtsnoeren. De volgende drie afdelingen 2.1.3.2, 2.1.3.3 en 2.1.3.4 zijn een alternatief. Geef alleen antwoorden op de toepasselijke afdeling, afhankelijk van de opzet van de voorgestelde maatregel. Voor steun in de vorm van verhandelbare vergunningen, gelieve ook vraag 33 te beantwoorden (afdeling 2.1.3.1).

2.1.3.1. Evenredigheid van steun in de vorm van verhandelbare vergunningen

33. In het geval van steun in de vorm van verhandelbare vergunningen, licht overeenkomstig punt 273 toe op welke wijze:

(a) 

de toekenning transparant zal plaatsvinden, op basis van objectieve criteria en van gegevensbronnen van de best beschikbare kwaliteit;

(b) 

het totale aantal verhandelbare vergunningen of rechten dat aan elke onderneming tegen een prijs onder hun marktwaarde wordt toegekend, niet méér zal bedragen dan haar verwachte behoeften, zoals geraamd voor een situatie zonder de handelsregeling.

2.1.3.2. Evenredigheid van steun op basis van de in de punten 265 tot en met 273 van de richtsnoeren vastgestelde steunintensiteiten

34. Geef met het oog op de beschrijving van de kosten die in het kader van de maatregel in aanmerking komen aan welke extra investeringskosten rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming. Raadpleeg in dit verband het relevante nulscenario, zoals vastgesteld in het antwoord op vraag 17 en de punten 266 en 226 tot en met 230 van de richtsnoeren.

35. Leg uit hoe de investeringskosten van het feitelijke scenario en het nulscenario zullen worden bepaald en geverifieerd.

36. Vermeld de maximale steunintensiteiten die in het kader van de maatregel van toepassing zijn en geef aan of eventuele opslagen van toepassing zijn (punten 267 tot en met 270 van de richtsnoeren).

37. Toon voor eco-innovatieactiviteiten aan dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan (punt 270 van de richtsnoeren):

(a) 

de eco-innovatieactiviteit is nieuw of sterk verbeterd ten opzichte van de huidige stand van de techniek in de betrokken sector in de Unie ( 398 );

(b) 

het verwachte voordeel voor het milieu is aanzienlijk hoger dan de verbetering die voortvloeit uit de algemene evolutie van de state-of-the-art in vergelijkbare activiteiten ( 399 );

(c) 

het innovatieve karakter van de activiteit houdt in dat – uit oogpunt van technologie, markt of financiën – de risicograad duidelijk hoger is dan het risico dat doorgaans verbonden is aan vergelijkbare niet-innovatieve activiteiten ( 400 ).

38. Indien in afwijking van de punten 267 tot en met 270 van de richtsnoeren wordt aangenomen dat steun boven de in afdeling 4.5.4.2 vastgestelde maximale steunintensiteiten nodig is, geef aan welk steunniveau noodzakelijk wordt geacht en motiveer dit op basis van een analyse van de financieringskloof voor de referentieprojecten in het feitelijke en het nulscenario zoals aangewezen in antwoord op vraag 17, c), hierboven, overeenkomstig de punten 51 en 52 van de richtsnoeren.

Dien voor deze analyse van de financieringskloof een kwantificering in voor het feitelijke scenario, en een realistisch nulscenario ( 401 ) zoals vastgesteld in antwoord op vraag 17, c), hierboven, van alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet van de begunstigden (of referentieprojecten), alsmede de netto contante waarde voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario, over de levensduur van het project/referentieproject.

(a) 

Vermeld dit in een bijlage bij dit formulier aanvullende informatie (in een Excel-bestand waarin alle formules zichtbaar zijn).

(b) 

Geef gedetailleerde informatie over de aannames, methodieken, redenen en onderliggende bronnen daarvan, die worden gebruikt voor elk aspect van de kwantificering van de kosten en opbrengsten in het feitelijke scenario en het waarschijnlijke nulscenario (vermeld bijvoorbeeld de aannames die zijn gebruikt om die scenario’s te ontwikkelen en de bron/redenen voor deze aannames).

(c) 

In het geval van individuele steun en regelingen die een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen, moet de lidstaat het bewijsmateriaal op het niveau van het gedetailleerde bedrijfsplan van het project presenteren.

In het geval van steunregelingen moet de lidstaat het bewijsmateriaal op basis van een of meer referentieprojecten presenteren.

(d) 

U kunt bij dit formulier aanvullende informatie ook de in voetnoot 39 van de richtsnoeren genoemde documenten voegen. Documenten van de raad van bestuur kunnen bijzonder nuttig zijn voor individuele steunmaatregelen of -regelingen die alleen aan een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen. Indien dergelijke documenten bij het formulier aanvullende informatie zijn gevoegd, verstrek dan hieronder een lijst van die documenten en vermeld daarbij de auteur, de datum waarop zij zijn opgesteld en de context waarin zij zijn gebruikt.

39. Toon ook aan dat de toepassing van een hoger steunbedrag, zoals aangegeven in vraag 38, er niet toe zou leiden dat de steun de financieringskloof overschrijdt.

40. Indien punt 52 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat het meest waarschijnlijke nulscenario erin bestaat dat de begunstigde een activiteit of investering niet uitvoert of zijn bedrijfsactiviteiten ongewijzigd voortzet, verschaf dan bewijsmateriaal om deze aanname te onderbouwen ( 402 ).

41. In alle gevallen waarin de evenredigheid wordt gerechtvaardigd met verwijzing naar een analyse van de financieringskloof, bevestig dan dat de autoriteiten van uw land een monitoring achteraf zullen uitvoeren om de aannames over het vereiste steunniveau na te gaan, en een terugvorderingsmechanisme zullen opzetten. Beschrijf ook het monitoring- en terugvorderingsmechanisme dat uw autoriteiten voornemens zijn toe te passen (punt 271 van de richtsnoeren).

2.1.3.3. Evenredigheid van de steun die via een concurrerende biedprocedure wordt verleend

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 49, 50 en 272 van de richtsnoeren.

42. Om na te gaan of aan de punten 49 en 50 van de richtsnoeren is voldaan, geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit hoe de autoriteiten ervoor zorgen dat de biedprocedure open, helder, transparant en niet-discriminerend is en gebaseerd op objectieve criteria, die vooraf zijn vastgesteld overeenkomstig de doelstelling van de maatregel en het risico op strategisch bieden tot een minimum beperken (punt 49, a), van de richtsnoeren)

(b) 

De selectiecriteria die worden gebruikt om de inschrijvingen te rangschikken en uiteindelijk het steunniveau in de concurrerende biedprocedure vast te stellen. Meer in het bijzonder:

(i) 

Geef een lijst van de selectiecriteria en geef aan welke daarvan al dan niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en). Neem de weging van de criteria op.

(ii) 

Leg uit hoe de selectiecriteria de bijdrage aan de hoofddoelstellingen van de maatregel(en) direct of indirect in verband brengen met het door de aanvrager gevraagde steunbedrag. Dit kan bijvoorbeeld worden uitgedrukt in steun per eenheid milieubescherming ( 403 ) (punt 50 en voetnoot 44 van de richtsnoeren).

(iii) 

Indien er andere selectiecriteria zijn die niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en), motiveer dan de voorgestelde aanpak en leg uit hoe deze geschikt is voor de met de maatregel(en) nagestreefde doelstellingen. Bevestig ook dat deze criteria niet meer dan 30 % vertegenwoordigen van alle selectiecriteria die worden meegewogen (punt 50 van de richtsnoeren).

(iv) 

Leg uit hoe lang vooraf vóór elke concurrerende biedprocedure de selectiecriteria zullen worden gepubliceerd (punt 49, b), en voetnoot 43 van de richtsnoeren).

43. Leg uit op basis van welke elementen u aanneemt dat de biedprocedure open en naar behoren met inschrijvingen beantwoord zal zijn, d.w.z. dat kan worden verwacht dat niet alle bieders steun zullen ontvangen en dat het aantal verwachte bieders voldoende is om daadwerkelijke mededinging tijdens de looptijd van de regeling te waarborgen (punt 49, c), van de richtsnoeren). Hou in uw toelichting rekening met het budget of de omvang van de regeling. Raadpleeg indien nodig de bewijsstukken in de antwoorden op vraag 17.

44. Geef informatie over het aantal geplande biedronden en het verwachte aantal inschrijvers in de eerste ronde en in de loop van de tijd.

45. In het geval van een of meer inschrijvingsprocedures waarvoor onvoldoende is ingeschreven, leg uit hoe, en wanneer, de opzet van de biedprocedures tijdens de uitvoering van de regeling zal worden gecorrigeerd om de daadwerkelijke mededinging te herstellen (punt 49, c), van de richtsnoeren).

46. Bevestig dat aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen of contingentering) worden vermeden (punt 49, d), van de richtsnoeren).

47. Indien „subsidievrije biedingen” mogelijk zijn, leg dan uit hoe de evenredigheid zal worden gewaarborgd (zie punt 49, voetnoot 42, van de richtsnoeren).

48. Licht toe of de autoriteiten in de concurrerende biedprocedure voorzien in het gebruik van minimum- en maximumprijzen. Indien dit het geval is, onderbouw dan het gebruik ervan en leg uit hoe zij de concurrerende biedprocedure niet beperken (punt 49 en voetnoot 42 van de richtsnoeren).

2.1.4.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

49. Verduidelijk, voor zover dit niet reeds is gedaan in deel I van het algemene aanmeldingsformulier en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de aangemelde maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd.

50. Indien punt 56 van de richtsnoeren van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de aangemelde maatregelen voor een project of een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van de punten 267 tot en met 273 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

51. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 404 ) (die geen staatssteun vormt), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.1.5.  Transparantie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 62) van de richtsnoeren.

52. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

53. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.2 (punten 63 tot en met 70) en afdeling 4.5.5 (punten 274 tot en met 275) van de richtsnoeren.

54. Verstrek, om na te gaan of aan punt 67 van de richtsnoeren is voldaan, informatie over de eventuele negatieve korte- en langetermijneffecten van de aangemelde maatregel(en) op de mededinging en het handelsverkeer.

55. Leg uit of de maatregel onder een van de volgende situaties valt:

(a) 

Het gaat om een markt (of markten) waar gevestigde exploitanten marktmacht hebben opgebouwd vóór de vrijmaking van de markt.

(b) 

Het gaat om concurrerende biedprocedures op (een) opkomende markt(en), wanneer er een speler met een sterke markpositie is.

(c) 

De maatregel komt slechts ten goede aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden.

56. Indien de steunmaatregel is gericht op een specifieke technologische keuze/route, geef dan de reden voor de technologische keuze en onderbouw dat deze de toepassing van schonere technologieën niet zal ontmoedigen.

57. Indien de aangemelde maatregel(en) slechts aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komt (komen), en om na te gaan of aan punt 68 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Leg uit of de aangemelde maatregel(en) de marktmacht van de begunstigde(n) versterkt (versterken) of handhaaft (handhaven), of de groei van bestaande concurrenten ontmoedigt (ontmoedigen), hen ertoe aanzet(ten) de markt te verlaten of ontradend werkt (werken) voor de markttoetreding van nieuwe concurrenten. Leg in dit verband ook uit of de steunmaatregel zal leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit van de begunstigde.

(b) 

beschrijf de maatregelen die zijn genomen om de potentiële verstoring van de mededinging als gevolg van de toekenning van de steun aan de begunstigde(n) te beperken.

58. Om na te gaan of aan punt 69 van de richtsnoeren is voldaan, verklaar:

(a) 

of de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun erop gericht is een economische activiteit in een bepaalde regio te behouden of deze aan te trekken vanuit andere regio’s binnen de interne markt;

(b) 

indien dit het geval is, geef dan aan wat het netto-effect voor het milieu is van de aangemelde maatregel(en) en hoe de aangemelde maatregel(en) het bestaande niveau van milieubescherming in de lidstaten verbetert (verbeteren);

(c) 

hoe de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun geen kennelijk negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer oplevert;

(d) 

in het geval van individuele steun, de belangrijkste factoren voor de keuze van de locatie van de investeringen door de begunstigde.

59. Om na te gaan of aan punt 70 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Bevestig dat steun in het kader van de aangemelde regeling kan worden toegekend voor een periode van maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar werd verklaard.

(b) 

Bevestig dat de autoriteiten in uw lidstaat de maatregel opnieuw zullen aanmelden indien zij de regeling na die maximumperiode wensen te verlengen.

60. In het geval van steun in de vorm van verhandelbare vergunningen, bevestig dan, om na te gaan of aan punt 275 van de richtsnoeren is voldaan, of de maatregel aan alle volgende criteria voldoet:

(a) 

De keuze van de begunstigden is gebaseerd op objectieve en transparante criteria en de steun wordt in beginsel voor alle concurrenten in dezelfde sector op dezelfde wijze toegekend indien zij zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden.

(b) 

Bij de toekenningsmethode worden bepaalde ondernemingen of sectoren niet bevoordeeld.

(c) 

Indien de toekenningsmethode bepaalde ondernemingen of sectoren begunstigt, leg dan uit hoe dat gerechtvaardigd is door de milieuargumenten van de regeling zelf of noodzakelijk is voor de coherentie met andere milieubeleidslijnen.

(d) 

Nieuwkomers krijgen in beginsel geen vergunningen of rechten tegen gunstigere voorwaarden dan bestaande ondernemingen die op dezelfde markten actief zijn.

(e) 

Wanneer aan bestaande installaties meer rechten worden toegekend dan aan nieuwkomers, resulteert een en ander niet in het opwerpen van ontoelaatbare toegangsbelemmeringen.

3. AFWEGING TUSSEN DE POSITIEVE EFFECTEN VAN DE STEUN EN DE NEGATIEVE EFFECTEN ERVAN OP DE MEDEDINGING EN HET HANDELSVERKEER

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.3 (punten 71 tot en met 76) van de richtsnoeren.

61. Om na te gaan of aan punt 72 van de richtsnoeren is voldaan, verklaar of activiteiten die in het kader van de aangemelde maatregelen worden ondersteund, voldoen aan de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 405 ), met inbegrip van het beginsel „geen ernstige afbreuk doen”, of aan andere vergelijkbare methoden.

62. Leg uit (in het geval van een concurrerende biedprocedure) of de aangemelde maatregelen kenmerken bevatten om de deelname van kmo’s aan concurrerende biedprocedures te vergemakkelijken. Indien dit het geval is, geef dan informatie over die kenmerken en onderbouw hoe de positieve effecten van het waarborgen van de deelname van kmo’s aan de aangemelde maatregelen opwegen tegen de mogelijke verstorende effecten.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 5 (punten 455 en 463) van de richtsnoeren.

63. Indien de aangemelde maatregelen de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijden, leg uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij dit formulier aanvullende informatie voor staatssteun een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 406 ).

64. Indien een ontwerp-evaluatieplan wordt verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

65. Bevestig, om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

66. Doe, om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal aanmelden.

67. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

68. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

69. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.G

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.6 – Steun voor het herstel van verontreinigde locaties, de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemenen voor de biodiversiteit en nature-based solutions

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.6 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Indien dit nog niet is besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef dan de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van eventuele doelstellingen van de Unie voor het herstel van verontreinigd terreinen, de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemen, de bescherming of het herstel van de biodiversiteit en de uitvoering van nature-based solutions, die met de maatregel moeten worden ondersteund.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de mededinging op de interne markt kunnen leiden.

2. Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de steunregeling in werking moet treden.

2.2. Geef de looptijd van de regeling aan ( 407 ).

3. Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de (potentiële) begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaat of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef aan met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5. Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen. ( 408 )

5.2. Indien de maatregelen door middel van een heffing worden gefinancierd, vermeld dan duidelijk of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld. Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(c) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producten;

(d) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(e) 

met de heffing voor de financiering van de aangemelde maatregel ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.1.1 (punten 23, 24 en 25), afdeling 4.6.1 (punten 276, 277 en 278) en afdeling 4.6.2 (punten 279 tot en met 282) van de richtsnoeren.

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren aan welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

7. Beschrijf, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren, of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

8. Geef ook aan in hoeverre de steun verband houdt met de in de punten 276, 277 en 278 van de richtsnoeren beschreven beleidsmaatregelen.

9. Beschrijf de subsidiabiliteitsvereisten die van toepassing zijn op de begunstigde(n) (bijvoorbeeld door technische, ecologische (d.w.z. vergunningen), financiële (d.w.z. zekerheden) of andere voorwaarden voor de begunstigde(n) op te nemen).

10. Geef informatie over de precieze reikwijdte en de precieze ondersteunde activiteiten van de steunmaatregel(en) om aan te tonen dat de regeling betrekking heeft op activiteiten die onder een of meer van de in punt 281 van de richtsnoeren vermelde categorieën vallen.

11. Bevestig dat de in het kader van de maatregel(en) verleende steun niet wordt toegekend voor herstel of sanering na de sluiting van elektriciteitscentrales en mijnbouw- of winningsactiviteiten voor zover de betrokken steun onder afdeling 4.12 (punt 280, a), van de richtsnoeren) valt. Indien de steun voor herstel of sanering direct volgt op de vervroegde sluiting van winstgevende kolen-, turf- en schalieolieactiviteiten of de stopzetting van niet-concurrerende kolen-, turf- en schalieolieactiviteiten, vul dan het formulier aanvullende informatie in voor staatssteun die is toegekend op grond van afdeling 4.12 van de richtsnoeren, aangezien dergelijke steun in het kader van afdeling 4.12 wordt beoordeeld.

12. Bevestig dat de in het kader van de maatregel(en) verleende steun niet wordt toegekend voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen, zoals aardbevingen, lawines, aardverschuivingen, overstromingen, tornado’s, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden van natuurlijke oorsprong (punt 280, b), van de richtsnoeren).

13. Om te bepalen of de verenigbaarheid van de maatregelen zal worden beoordeeld op grond van afdeling 4.6 of afdeling 4.1, geef aan of de in het kader van de maatregelen verleende steun ook bijdraagt tot de vermindering van broeikasgasemissies.

14. Indien dat het geval is, om te bepalen welke van beide doelstellingen overheerst, geef in overeenstemming met punt 282 en voetnoot 124 van de richtsnoeren een vergelijking van de verwachte resultaten van de maatregel in termen van het voorkomen of reduceren van broeikasgasemissies en het herstel van milieuschade, de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemen, de bescherming of het herstel van de biodiversiteit en de uitvoering van nature-based solutions voor klimaatadaptatie en -mitigatie, op basis van geloofwaardige, gedetailleerde kwantificeringen.

1.2.  Stimulerend effect

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.1.2 (punten 26 tot en met 32) en afdeling 4.6.3 (punten 283 tot en met 287) van de richtsnoeren.

15. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Voor de beoordeling van de naleving van punt 26 van de richtsnoeren, geef aan hoe de maatregelen „de begunstigde ervan ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren”.

16. Overeenkomstig punt 28 van de richtsnoeren, geef een uitgebreide beschrijving van het feitelijke scenario dat naar verwachting uit de steunmaatregel zal voortvloeien en het waarschijnlijke nulscenario zonder de steunmaatregel ( 409 ). Wanneer u verwacht dat verschillende categorieën begunstigden kunnen worden ondersteund, zorg er dan voor dat het nulscenario voor elk van deze categorieën geloofwaardig is.

Onderbouw de gedragswijziging indien relevant voor elke categorie begunstigden, op basis van het respectieve referentieproject ( 410 ), de overeenkomstige nulscenario’s en de daaruit voortvloeiende financieringskloof.

17. Verstrek met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 27 van de richtsnoeren informatie om te bevestigen dat de steun niet bedoeld is om te voorzien in de kosten van een activiteit die de begunstigde van de steun hoe dan ook zou moeten uitvoeren, en deze geen vergoeding is voor het normale zakelijke risico van een economische activiteit.

18. Om aan te tonen dat aan de punten 29 en 31 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat niet met de werkzaamheden aan het project of de activiteit is aangevangen voordat de begunstigde bij de nationale autoriteiten een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend;

OF

(b) 

Voor projecten die vóór de steunaanvraag zijn aangevangen, toon aan dat het project valt onder een van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 31, a), b) of c), van de richtsnoeren.

19. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

20. Om aan te tonen dat aan punt 32 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan of er Unienormen ( 411 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregelen, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld; Verstrek in dat verband informatie om het stimulerende effect aan te tonen.

21. In gevallen waarin er reeds Unienormen zijn aangenomen maar nog niet in werking zijn, toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm ten uitvoer te leggen en te voltooien.

22. Onverminderd Richtlijn 2004/35/EG of andere relevante regels van de Unie ( 412 ), om na te gaan of de punten 284 en 285 van de richtsnoeren en het beginsel „de vervuiler betaalt” worden nageleefd:

(a) 

Bevestig dat de onderneming die de milieuschade heeft veroorzaakt niet kan worden geïdentificeerd of aansprakelijk kan worden gesteld voor de financiering van de werkzaamheden die nodig zijn om de milieuschade te voorkomen en te corrigeren overeenkomstig het beginsel „de vervuiler betaalt”.

(b) 

Toon aan dat alle nodige maatregelen, met inbegrip van gerechtelijke stappen, zijn genomen om de aansprakelijke entiteit of onderneming die aan de basis van de milieuschade ligt, te identificeren en te verplichten de desbetreffende kosten te dragen.

(c) 

Geef aan of de onderneming die de milieuschade heeft veroorzaakt, rechtens niet langer bestaat en een andere onderneming als haar wettelijke of economische opvolger kan worden beschouwd, alsook of er onvoldoende zekerheden zijn om de herstelkosten te dekken.

23. Om na te gaan of aan punt 286 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de steun niet wordt toegekend voor de uitvoering van compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad ( 413 ).

24. Geef aan of de steun extra kosten dekt die noodzakelijk zijn om de omvang of het ambitieniveau van die maatregelen uit te breiden tot buiten de wettelijke verplichtingen uit hoofde van artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

25. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

26. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de informatie die in het kader van vraag 5.2. is verstrekt, wanneer de aangemelde maatregel(en) wordt (worden) gefinancierd door middel van een heffing.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.1 (punten 34 tot en met 38) van de richtsnoeren.

27. Leg uit welk marktfalen uw autoriteiten hebben vastgesteld dat het bereiken van een toereikend niveau van milieubescherming in de weg staat. Geef aan in welke categorie het vastgestelde marktfalen valt, onder verwijzing naar punt 34, punt a), b), c) of d), van de richtsnoeren.

28. Verstrek, overeenkomstig punt 35 van de richtsnoeren, informatie over bestaande beleidslijnen en maatregelen die uw autoriteiten hebben vastgesteld en die reeds op het geconstateerde regulerings- of marktfalen zijn gericht.

29. Om aan te tonen dat aan punt 36 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie waaruit blijkt dat de steun het resterende marktfalen daadwerkelijk aanpakt, mede in het licht van andere beleidslijnen en maatregelen die al zijn opgezet om een deel van het geconstateerde marktfalen aan te pakken.

30. Om aan te tonen dat aan punt 37 van de richtsnoeren is voldaan, leg uit of, voor zover bekend bij uw autoriteiten, projecten of activiteiten die vergelijkbaar zijn met die welke onder de aangemelde maatregelen vallen, wat betreft hun technologische inhoud, risiconiveau en omvang binnen de Unie al tegen marktvoorwaarden worden uitgevoerd. Indien dit het geval is, verschaf dan verder bewijsmateriaal om de noodzaak van staatssteun aan te tonen.

31. Verwijs, om aan te tonen dat aan punt 38 van de richtsnoeren is voldaan, naar het kwantitatieve bewijsmateriaal dat reeds onder vraag 16 is verstrekt.

2.1.2.  Geschiktheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.2 (punten 39 tot en met 46) van de richtsnoeren.

32. Om na te gaan of aan punt 40 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat er geen minder verstorende instrumenten beschikbaar zijn die geschikter zijn.

33. Om na te gaan of aan punt 41 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de steunmaatregel zodanig is opgezet dat de efficiëntie van andere maatregelen om hetzelfde marktfalen te verhelpen, zoals marktgebaseerde mechanismen (bv. het EU-ETS), niet wordt ondermijnd.

34. Om na te gaan of aan de punten 43 tot en met 46 van de richtsnoeren is voldaan, en om aan te tonen dat de steun geschikt is in vergelijking met andere beleidsinstrumenten, geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit waarom andere potentieel minder verstorende vormen van steun minder geschikt zijn, zoals vereist in punt 44 van de richtsnoeren. Terugbetaalbare voorschotten kunnen minder verstorende vormen van steun zijn in vergelijking met rechtstreekse subsidies; belastingverrekening in vergelijking met belastingkortingen; of vormen van steun die gebaseerd zijn op financiële instrumenten, zoals schuldinstrumenten, in vergelijking met eigenvermogensinstrumenten (bv. leningen tegen lage rente of met rentekorting, overheidsgaranties of een alternatieve vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden).

(b) 

Toon aan dat het gekozen steuninstrument geschikt is voor het marktfalen dat de steunmaatregelen beogen aan te pakken, zoals vereist in punt 45 van de richtsnoeren.

(c) 

Leg uit hoe de steunmaatregel en de vormgeving ervan geschikt zijn om de doelstelling te bereiken van de maatregel waarop de steun is gericht (punt 46 van de richtsnoeren).

2.1.3.  Evenredigheid

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.6.4 (punten 288 tot en met 291) van de richtsnoeren.

35. Beschrijf welke kosten in het kader van de steunmaatregel in aanmerking komen en hoe deze zullen worden vastgesteld.

36. Voor investeringen in het herstel van milieuschade of de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemen:

(a) 

Vermeld i) de herstel- of saneringskosten en vermeld de bedragen ervan aan de hand van de kwantificering van de projectkosten of de kosten van het referentieproject in vraag 16, en ii) de waarde van de grond vóór de sanering of rehabilitatie en nadat de sanering of rehabilitatie is verricht, of beschrijf de procedure om de waardestijging van de grond te bepalen.

(b) 

Bevestig dat de steun niet hoger mag zijn dan het verschil tussen de herstel- of saneringskosten en de stijging van de grondwaarde (punt 288 van de richtsnoeren).

(c) 

Bevestig dat taxaties van de waardestijging van het terrein of eigendom als gevolg van het herstel of de rehabilitatie door een onafhankelijke deskundige zullen worden verricht (punt 288 van de richtsnoeren).

37. Voor investeringen in de bescherming of het herstel van de biodiversiteit en in de uitvoering van nature-based solutions voor klimaatadaptatie en -mitigatie, bevestig dat de in aanmerking komende kosten niet hoger mogen zijn dan de totale kosten van de werkzaamheden die zullen bijdragen aan de bescherming of het herstel van de biodiversiteit of de uitvoering van nature-based solutions voor klimaatadaptatie en -mitigatie (punt 289 van de richtsnoeren).

38. Indien steun wordt toegekend voor de toepassing van nature-based solutions in gebouwen waarvoor een energieprestatiecertificaat bestaat, toon aan dat deze investeringen de toepassing van de in het energieprestatiecertificaat aanbevolen energie-efficiëntiemaatregelen niet in de weg staan (punt 290 van de richtsnoeren).

39. Volgens punt 291 van de richtsnoeren kan de steunintensiteit oplopen tot 100 %. Vermeld de maximale steunintensiteiten die in het kader van de maatregel van toepassing zijn.

2.1.4.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

40. Verduidelijk, voor zover nog niet vermeld in deel I van het algemene aanmeldingsformulier en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de aangemelde maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd.

41. Indien punt 56 van de richtsnoeren van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de aangemelde maatregelen voor een project of een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van punt 291 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

42. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 414 ) (die geen staatssteun vormt), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.1.5.  Transparantie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 61) van de richtsnoeren.

43. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

44. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.2 (punten 63 tot en met 70) van de richtsnoeren.

45. Om na te gaan of aan punt 67 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie over de eventuele negatieve korte- en langetermijneffecten van de aangemelde maatregel(en) op de mededinging en het handelsverkeer.

46. Leg uit of de maatregel onder een van de volgende situaties valt:

(a) 

Het gaat om een markt (of markten) waar gevestigde exploitanten marktmacht hebben opgebouwd vóór de vrijmaking van de markt.

(b) 

Het gaat om concurrerende biedprocedures op (een) opkomende markt(en), wanneer er een speler met een sterke markpositie is.

(c) 

De maatregel komt slechts ten goede aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden.

47. Indien de steunmaatregel is gericht op een specifieke technologische keuze/route, geef dan de reden voor de technologische keuze en onderbouw dat deze de toepassing van schonere technologieën niet zal ontmoedigen.

48. Indien de aangemelde maatregel(en) slechts aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komt (komen), en om na te gaan of aan punt 68 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Leg uit of de aangemelde maatregel(en) de marktmacht van de begunstigde(n) versterkt (versterken) of handhaaft (handhaven), of de groei van bestaande concurrenten ontmoedigt (ontmoedigen), hen ertoe aanzet(ten) de markt te verlaten of ontradend werkt (werken) voor de markttoetreding van nieuwe concurrenten. Leg in dit verband ook uit of de steunmaatregel zal leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit van de begunstigde.

(b) 

Beschrijf de maatregelen die zijn genomen om de potentiële verstoring van de mededinging als gevolg van de toekenning van de steun aan de begunstigde(n) te beperken.

49. Om na te gaan of aan punt 69 van de richtsnoeren is voldaan, leg uit:

(a) 

of de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun erop gericht is een economische activiteit in een bepaalde regio te behouden of deze aan te trekken vanuit andere regio’s binnen de interne markt;

(b) 

indien dit het geval is, geef dan aan wat het netto-effect voor het milieu is van de aangemelde maatregel(en) en hoe de aangemelde maatregel(en) het bestaande niveau van milieubescherming in de lidstaten verbetert (verbeteren);

(c) 

hoe de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun geen kennelijk negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer oplevert;

(d) 

in het geval van individuele steun, de belangrijkste factoren voor de keuze van de locatie van de investeringen door de begunstigde.

50. Om na te gaan of aan punt 70 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Bevestig dat steun in het kader van de aangemelde regeling kan worden toegekend voor een periode van maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar werd verklaard.

(b) 

bevestig dat de autoriteiten in uw lidstaat de maatregel opnieuw zullen aanmelden indien zij de regeling na die maximumperiode wensen te verlengen.

3. AFWEGING TUSSEN DE POSITIEVE EFFECTEN VAN DE STEUN EN DE NEGATIEVE EFFECTEN ERVAN OP DE MEDEDINGING EN HET HANDELSVERKEER

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3,3 (punten 71 en 76) van de richtsnoeren.

51. Om na te gaan of aan punt 72 van de richtsnoeren is voldaan, verklaar of activiteiten die in het kader van de aangemelde maatregelen worden ondersteund, voldoen aan de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 415 ), met inbegrip van het beginsel „geen ernstige afbreuk doen”, of aan andere vergelijkbare methoden.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 5 (punten 455 en 463) van de richtsnoeren.

52. Indien de aangemelde maatregel(en) de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijdt (overschrijden), leg dan uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij deze aanmelding een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 416 ).

53. Indien u een ontwerp-evaluatieplan verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

54. Om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, bevestig, indien voor de steunregeling momenteel geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

55. Om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, geef hieronder de toezegging, indien voor de steunregeling momenteel geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal aanmelden.

56. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

57. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

58. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.H

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.7.1. – Steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen of -heffingen

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.7.1 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de maatregel(en)

1.1. Indien dit nog niet is besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef dan de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van het verband met milieudoelstellingen van de Unie die met de maatregel moeten worden ondersteund.

1.2. Indien dit nog niet is besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de interne markt kunnen leiden.

2. Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Indien de informatie nog niet is verstrekt in deel 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), vermeld:

(a) 

voor een steunregeling:

— 
de datum waarop de regeling naar verwachting in werking zal treden:
— 
De looptijd van de regeling ( 417 ).
(b) 

voor individuele steun:

— 
de (geplande) datum van toekenning van de steun (belofte van de steun):
en
— 
de betalingsdatum (eerste betalingsdatum indien verschillende opeenvolgende betalingen zijn gepland):

3. Begunstigde(n):

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaten of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren aan of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5. Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; Indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van aanbestedingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen. ( 418 )

5.2. Aangezien de maatregel een milieubelasting of -heffing ( 419 ) betreft, gelieve te verduidelijken of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld. Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de korting op de heffing wordt gefinancierd door een verhoging van de heffing voor andere verbruikers.

(c) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven.

(d) 

de maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producenten.

(e) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien met de heffing de maatregel slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(f) 

met de heffing waarmee de maatregel wordt gefinancierd ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een economische activiteit, stimulerend effect, motivering van de steun en omvang van de ondersteunde activiteiten

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de afdelingen 3.1.1 en 3.1.2 voor zover zij van toepassing zijn op de maatregel(en), en de afdelingen 4.7.1.1 en 4.7.1.2 (punten 293 tot en met 296) van de richtsnoeren.

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef aan, om te beoordelen of aan punt 23 van de richtsnoeren is voldaan, welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

7. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Geef aan, om te beoordelen of aan afdeling 3.1.2 van de richtsnoeren is voldaan, hoe de maatregel(en) „de begunstigde ervan ertoe aanzet(ten) zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren” in het licht van de motivering van de steun zoals toegelicht in afdeling 4.7.1.1. van de richtsnoeren.

8. Beschrijf, om te beoordelen of aan punt 293 van de richtsnoeren is voldaan, i) waarom „kortingen op milieubelastingen of -heffingen [die] ongunstig kunnen uitwerken op de milieubeschermingsdoelstelling, (…) niettemin misschien toch noodzakelijk [kunnen] zijn” en waarom „de begunstigden anders een zodanig concurrentienadeel zouden ondervinden dat het sowieso niet doenbaar zou zijn om de milieubelasting of -heffing in te voeren.”

9. Beschrijf, om te beoordelen of aan punt 294 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

waarom „het verlenen van een gunstigere behandeling aan sommige ondernemingen het mogelijk [kan] maken een hoger algemeen niveau van bijdrage aan de milieubelastingen of -heffingen te bereiken”;

(b) 

waarom „kortingen op milieubelastingen of -heffingen dan ook indirect [kunnen] bijdragen aan een hoger niveau van milieubescherming”;

EN

(c) 

hoe de lidstaat waarborgt dat die kortingen „de algemene doelstelling van de milieubelasting of -heffing om milieuschadelijk gedrag te ontmoedigen niet ondermijnen en/of […] de kosten van dergelijk gedrag niet verhogen wanneer er geen bevredigende alternatieven voorhanden zijn”.

10. Verstrek, om te beoordelen of aan punt 295 van de richtsnoeren is voldaan, de in punt 296 van de CEEAG beschreven informatie:

(a) 

een beschrijving van de sectoren of categorieën begunstigden die voor de kortingen in aanmerking komen,

(b) 

een lijst van de grootste begunstigden in elke betrokken sector, hun omzet, marktaandeel, de omvang van de belastinggrondslag en het aandeel van de milieubelasting of -heffing in hun winst vóór belasting met en zonder de korting (deze mag worden verstrekt in een afzonderlijke bijlage bij dit formulier aanvullende informatie),

(c) 

een beschrijving van de situatie van deze begunstigden waarin wordt uitgelegd waarom zij niet in staat zouden zijn het normale tarief van de milieubelasting of -heffing te betalen,

(d) 

een toelichting van de wijze waarop de belasting- of heffingskorting zou bijdragen tot een daadwerkelijke verhoging van het niveau van milieubescherming in vergelijking met het niveau van milieubescherming dat zonder kortingen zou worden bereikt ( 420 ).

1.2.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

11. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

12. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de in vraag 5.2. hierboven verstrekte informatie.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

De afdelingen 2.1.1 en 2.1.2 zijn alternatief. Voor gevallen die in aanmerking komen voor een vereenvoudigde aanpak overeenkomstig afdeling 2.1.1 hieronder, zijn antwoorden onder afdeling 2.1.2 niet vereist.

2.1.1.  Vereenvoudigde aanpak voor geharmoniseerde milieubelastingen

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.7.1.3 (punten 297 tot en met 300) van de richtsnoeren. Indien milieubelastingen worden geharmoniseerd, kan de Commissie een vereenvoudigde aanpak toepassen om de noodzaak en evenredigheid van de steun te beoordelen. In het kader van Richtlijn 2003/96/EG kan de Commissie een vereenvoudigde aanpak toepassen voor belastingkortingen die in overeenstemming zijn met het in de punten 298 en 299 beschreven Unieminimumbelastingniveau.

13. Gelieve te verduidelijken of de maatregel(en) binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/96/EG valt (vallen).

14. Zo ja, en om te beoordelen of aan punt 298 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek de volgende informatie:

(a) 

Vermeld het toepasselijke Unieminimumbelastingniveau en het toepasselijke belastingtarief dat de begunstigde in het kader van de maatregel heeft betaald.

(b) 

Vermeld de criteria voor de selectie van begunstigden en licht deze toe. Licht in uw antwoord toe waarom deze objectief en transparant zijn.

(c) 

Licht toe en bevestig dat de steun wordt voor alle ondernemingen in dezelfde sector op dezelfde wijze toegekend indien zij zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden.

(d) 

Bevestig dat er een voorafgaande open publieke consultatie is gehouden waarbij de voor de kortingen in aanmerking komende sectoren naar behoren worden beschreven en een lijst van de grootste begunstigden voor elke sector is verstrekt. Verstrek relevante bewijsstukken voor deze consultatie.

15. Om te beoordelen of aan punt 299 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Leg uit of de steun wordt toegekend in de vorm van een verlaging van het belastingtarief of als een vast jaarlijks compensatiebedrag (teruggaaf van belasting), of als een combinatie van beide.

(b) 

Indien de steun (deels) wordt toegekend als een belastingteruggaaf, bevestig dan dat i) het bedrag van de belastingteruggaaf wordt berekend op basis van historische gegevens, d.w.z. het niveau van productie en het verbruik dat of de verontreiniging die in een bepaald referentiejaar voor de onderneming werd waargenomen; en ii) het niveau van de belastingteruggaaf niet hoger is dan het Unieminimumbelastingbedrag dat anders voor het basisjaar verschuldigd zou zijn.

2.1.2.  Diepgaande beoordeling van de maatregel(en)

Indien milieubelastingen niet geharmoniseerd zijn of de begunstigden minder betalen dan het minimumniveau van de geharmoniseerde belasting in de Unie, voor zover toegestaan door Richtlijn 2003/96/EG, is een grondige beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de steun nodig.

2.1.2.1. Noodzaak van de steun

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.1 voor zover deze van toepassing is op de maatregel(en), en afdeling 4.7.1.3.1 (punten 301 tot en met 303) van de richtsnoeren.

16. Beschrijf, om te beoordelen of aan de vereisten van afdeling 3.2.1.1 van richtsnoeren is voldaan, hoe de maatregel(en) gericht is (zijn) op een situatie waar steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt alleen niet tot stand kan brengen. Verwijs in uw antwoord naar vormen van marktfalen zoals beschreven in punt 34 van de richtsnoeren, voor zover van toepassing, en leg uit waarom andere beleidslijnen en maatregelen die reeds van voorhanden zijn, zoals vermeld in punt 35 van de CEEAG, niet volstaan om deze aan te pakken.

17. Geef aan, om te beoordelen of aan punt 302 van de richtsnoeren is voldaan, of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(a) 

De selectie van de begunstigden is gebaseerd op objectieve en transparante criteria en de steun wordt op dezelfde wijze toegekend voor alle in aanmerking komende ondernemingen die in dezelfde economische sector actief zijn en zich, wat betreft de doelstellingen van de steunmaatregel, in dezelfde of een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden;

(b) 

De milieubelasting of -heffing zou zonder de korting leiden tot een aanzienlijke toename van de productiekosten, berekend als een percentage van de bruto toegevoegde waarde voor elke sector of categorie begunstigden (bv. op basis van cijfers van representatieve begunstigden of geaggregeerde cijfers voor de sector of categorie begunstigden);

(c) 

De aanzienlijke toename van de productiekosten kan niet aan klanten worden doorberekend zonder dat dit tot aanzienlijk omzetverlies leidt (bv. op basis van verwijzingen naar concurrentie van ondernemingen in rechtsgebieden die niet aan de belasting zijn onderworpen en de mate van substitueerbaarheid van het betrokken product);

18. Voor belastingverlagingen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen, om te beoordelen of aan punt 303 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Bevestig dat er een mechanisme zal zijn om na te gaan of de maatregel nog steeds noodzakelijk is, waarbij de noodzakelijkheidsvoorwaarden van punt 4.1.3.1 van de richtsnoeren worden toegepast;

(b) 

Leg uit hoe dit mechanisme zal werken; en

(c) 

Bevestig dat de lidstaat passende maatregelen zal nemen, zoals beëindiging van de vrijstelling of een verlaging van het steunniveau, en specificeer welke passende maatregelen concreet zullen worden toegepast.

2.1.2.2. Geschiktheid van de steun

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.2 voor zover deze van toepassing is op de maatregel(en), en afdeling 4.7.1.3.2 (punten 304 tot en met 306) van de richtsnoeren.

19. Beschrijf, om te beoordelen of aan de toepasselijke vereisten van afdeling 3.2.1.2 van de richtsnoeren is voldaan, waarom de maatregel(en) een geschikt beleidsinstrument is (zijn) om de beoogde doelstelling van de steun te bereiken, d.w.z. dat er geen minder verstorend beleids- en steuninstrument mag zijn waarmee dezelfde resultaten kunnen worden bereikt, rekening houdend met andere beleidsinstrumenten en verschillende steuninstrumenten die als alternatief kunnen worden toegepast.

20. Bevestig, om te beoordelen of aan punt 305 van de richtsnoeren is voldaan, dat i) de looptijd van de maatregel(en) maximaal tien jaar bedraagt en ii) elke heraanmelding gebaseerd zal zijn op een herbeoordeling van de geschiktheid van de maatregel(en).

21. Indien de steun (deels) wordt toegekend als een belastingteruggaaf en om te beoordelen of aan punt 306 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat het bedrag van de belastingteruggaaf wordt berekend op basis van historische gegevens, d.w.z. het niveau van productie en het verbruik dat of de verontreiniging die in een bepaald referentiejaar voor de onderneming werd waargenomen.

2.1.2.3. Evenredigheid van de steun

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie afdeling 4.7.1.3.3 (punten 307 tot en met 309) van de richtsnoeren.

22. Verstrek, om te beoordelen of aan punt 308 van de richtsnoeren (dat vereist dat ten minste één van de volgende voorwaarden is vervuld) is voldaan, een van de volgende gegevens te verstrekken:

(a) 

Geef aan of elke begunstigde van de steun ten minste 20 % betaalt van het nominale bedrag van de milieubelasting of -heffing die zonder de korting op die begunstigde van toepassing zou zijn;

(b) 

of geef aan of i) de belasting- of heffingskorting niet meer dan 100 % van de nationale milieubelasting of -heffing bedraagt; ii) de belastingkorting afhankelijk wordt gesteld van het sluiten van overeenkomsten tussen de lidstaat en de begunstigden of verenigingen van begunstigden, waarbij deze begunstigden of verenigingen van begunstigden zich ertoe verbinden de milieubeschermingsdoelstellingen te verwezenlijken die hetzelfde effect hebben als wanneer begunstigden of verenigingen van begunstigden ten minste 20 % van de nationale belasting betalen ( 421 ).

23. Indien gebruik wordt gemaakt van optie ii) van vraag 22, en om te beoordelen of aan punt 309 van de richtsnoeren is voldaan, beschrijf dan:

(a) 

de kern van de toepasselijke overeenkomsten, met inbegrip van de specifieke streefdoelen en het vaste tijdschema om deze te bereiken;

(b) 

hoe de onafhankelijke en regelmatige monitoring van de verbintenissen in de overeenkomsten zal worden gegarandeerd;

(c) 

hoe de overeenkomsten periodiek worden herzien in het licht van technologische en andere ontwikkelingen en effectieve sancties bevatten voor het geval de verbintenissen niet worden nagekomen.

2.2.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

24. Verduidelijk, voor zover dit niet reeds is gedaan in deel I van het algemene aanmeldingsformulier en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek dan nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd.

25. Indien punt 56 van de richtsnoeren van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de maatregelen voor een project of een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van punt 308 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

26. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 422 ) (die geen staatssteun vormt), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.3.  Transparantie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 62) van de richtsnoeren.

27. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

28. Geef de internetlink(s) waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, en informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van deze richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.4.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.2 van de richtsnoeren, voor zover deze van toepassing is op de maatregel(en).

29. Beschrijf, om te beoordelen of aan de toepasselijke vereisten van afdeling 3.2.2 van de richtsnoeren is voldaan, hoe de maatregel(en) eventuele kennelijk negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer beperkt (beperken).

30. Om te beoordelen of aan punt 70 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Indien dit niet reeds gebeurd is in het antwoord op vraag 20 hierboven, bevestig dat de looptijd van de regeling maximaal tien jaar is, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar werd verklaard.

(b) 

Gelieve te bevestigen dat een verlenging van de looptijd van de maatregel na die maximumperiode een nieuwe aanmelding van de maatregel (en) vereist.

3. AFWEGING TUSSEN DE POSITIEVE EFFECTEN VAN DE STEUN EN DE NEGATIEVE EFFECTEN ERVAN OP DE MEDEDINGING EN HET HANDELSVERKEER

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie afdeling 3.3 (punten 71 tot en met 76) van de richtsnoeren, voor zover deze van toepassing is op de maatregel(en).

31. Om te beoordelen of aan de toepasselijke vereisten van afdeling 3.3. van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Leg uit hoe de positieve effecten van de maatregel(en) over het algemeen opwegen tegen de negatieve effecten.

(b) 

Verduidelijk, voor de toepassing van punt 75 van de richtsnoeren, of de maatregel(en) elementen bevat(ten) om de deelname van kmo’s te vergemakkelijken. Indien dit het geval is, geef dan informatie over die elementen en onderbouw hoe de positieve effecten van het waarborgen van de deelname en aanvaarding van kmo’s in de maatregelen opwegen tegen de mogelijke verstorende effecten.

(c) 

Wat de toepassing van punt 76, c), van de richtsnoeren betreft, geef aan of voor de steunmaatregel(en) een beperking in de tijd geldt.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie punt 76, a), en afdeling 5 (punten 455 tot en met 463) van de richtsnoeren.

32. Indien de maatregelen de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijden, leg dan uit waarom de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren volgens de lidstaat van toepassing moet zijn, of voeg bij dit formulier aanvullende informatie voor staatssteun een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 423 ).

33. Indien een ontwerp-evaluatieplan wordt verstrekt:

(a) 

verstrek dan hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

34. Bevestig, om te beoordelen of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

35. Om te beoordelen of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, en indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, geef hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal aanmelden.

36. Om te beoordelen of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

37. Om nader te beoordelen of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door de lidstaat voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

38. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van deel 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.I

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.7.2. – Steun voor milieubescherming in de vorm van belasting- of heffingskortingen

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.7.2 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Indien dit nog niet is besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef dan de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van eventuele doelstellingen van de Unie met betrekking tot de milieubeschermingsdoelstelling(en) die met de maatregel moet(en) worden ondersteund.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de mededinging op de interne markt kunnen leiden.

2. Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de steunregeling in werking moet treden.

2.2. Geef de looptijd van de regeling aan ( 424 ).

3. Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaat of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef aan met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5. Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen ( 425 ).

5.2. Indien de maatregelen door middel van een heffing worden gefinancierd, vermeld dan duidelijk of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld; Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(c) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producten;

(d) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(e) 

met de heffing waarmee de aangemelde maatregel wordt gefinancierd, ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.1.1 (punten 23, 24 en 25), afdeling 4.7.2.1 (punt 310) en afdeling 4.7.2.2 (punten 311, 312 en 313) van de richtsnoeren.

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren aan welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

7. Beschrijf, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren, of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

8. Geef verder aan, naargelang van de afdeling van de richtsnoeren waaronder de ondersteunde activiteiten vallen, in hoeverre de steun verband houdt met de doelstellingen en/of beleidsmaatregelen die zijn beschreven in punt 135 van de richtsnoeren (voor afdeling 4.2), punten 160 en 161 van de richtsnoeren (voor afdeling 4.3.1), punten 190 en 191 van de richtsnoeren (voor afdeling 4.3.2), punten 217, 218 en 219 van de richtsnoeren (voor afdeling 4.4), punten 253 en 254 van de richtsnoeren (voor afdeling 4.5) of punten 276, 277 en 278 van de richtsnoeren (voor afdeling 4.6).

9. Geef overeenkomstig punt 311 van de richtsnoeren, en naargelang van de afdeling van de richtsnoeren waaronder de ondersteunde activiteiten vallen, informatie over de precieze reikwijdte en ondersteunde activiteiten van de steunmaatregel(en) door de volgende vraag (vragen) van het desbetreffende formulier aanvullende informatie in te vullen. Voor activiteiten die vallen onder afdeling:

□ 

4.2 (vragen 9-12 van het desbetreffende formulier aanvullende informatie)

□ 

4.3.1 (vraag 10 van het desbetreffende formulier aanvullende informatie)

□ 

4.3.2 (vraag 10 van het desbetreffende formulier aanvullende informatie)

□ 

4.4 (vragen 11-13 van het desbetreffende formulier aanvullende informatie)

□ 

4.5 (vragen 10-15 van het desbetreffende formulier aanvullende informatie)

□ 

4.6 (vragen 10-12 van het desbetreffende formulier aanvullende informatie)

10. Geef aan of de ondersteunde activiteiten in de eerste plaats gericht zijn op de doelstelling van decarbonisatie. Indien preventie of reductie van broeikasgasemissies de belangrijkste doelstelling van de steunmaatregel is, vul dan het formulier aanvullende informatie voor afdeling 4.1 van de richtsnoeren in, overeenkomstig punt 312 van de richtsnoeren, aangezien de verenigbaarheid van de maatregel zal worden beoordeeld op basis van die afdeling.

11. Geef een gedetailleerde beschrijving van de belastingen en/of heffingen die zullen worden verlaagd (met inbegrip van het doel ervan, de wijze waarop zij over de grondslag worden geheven, het tarief en de entiteiten die betrokken zijn bij de vaststelling en herziening van het tarief en bij de inning en het beheer van de gegenereerde inkomsten). Met het oog op naleving van punt 313 van de richtsnoeren, toon aan dat de voorgestelde maatregel geen verlaging meebrengt van belastingen of heffingen die de essentiële kosten van de levering van energie of aanverwante diensten weerspiegelen, zoals nettarieven of heffingen ter financiering van capaciteitsmechanismen. Bevestig ook dat de maatregel geen heffingskortingen omvat op het elektriciteitsverbruik die een doelstelling inzake energiebeleid financieren.

12. Beschrijf de subsidiabiliteitsvereisten die van toepassing zijn op de begunstigde(n) (bijvoorbeeld door technische, ecologische (d.w.z. vergunningen), financiële (d.w.z. zekerheden) of andere voorwaarden voor de begunstigde(n) op te nemen).

1.2.  Stimulerend effect

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.1.2 (punten 26 tot en met 32) en afdeling 4.7.2.3 (punten 315 tot en met 316) van de richtsnoeren.

13. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Voor de beoordeling van de naleving van punt 26 van de richtsnoeren, geef aan hoe de maatregelen „de begunstigde ervan ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren”.

14. Overeenkomstig de punten 28 en 315 van de richtsnoeren:

14.1. Geef een uitgebreide beschrijving van het feitelijke scenario dat naar verwachting uit de steunmaatregel zal voortvloeien en het (de) waarschijnlijke nulscenario(’s) zonder de steunmaatregel ( 426 ). Wanneer u verwacht dat verschillende categorieën begunstigden kunnen worden ondersteund, zorg er dan voor dat het nulscenario voor elk van deze categorieën geloofwaardig is.

Houd rekening met de vereisten voor het nulscenario overeenkomstig de punten 165 tot en met 169 van de richtsnoeren (voor projecten en activiteiten die binnen het toepassingsgebied van afdeling 4.3.1 vallen) en 226 tot en met 230 van de richtsnoeren (voor projecten en activiteiten die binnen het toepassingsgebied van de afdelingen 4.4 en 4.5 vallen) en vul de vragen van het desbetreffende formulier aanvullende informatie in voor de afdelingen 4.3.1, 4.4 of 4.5.

14.2. Verklaar kort de redenen voor de keuze van het waarschijnlijke nulscenario, in het licht van de voorgestelde verschillende categorieën begunstigden, indien van toepassing.

14.3. Kwantificeer de kosten en inkomsten van feitelijke en nulscenario’s en motiveer de gedragsverandering, indien relevant voor elke categorie begunstigden, door de winstgevendheid van het referentieproject ( 427 ) of van de referentieactiviteit te vergelijken met en zonder de korting op de belasting of de heffing ( 428 ), op basis van:

(a) 

de respectieve referentieprojecten, de overeenkomstige nulscenario’s en de daaruit voortvloeiende financieringskloof ( 429 );

OF

(b) 

gelijkwaardige gegevens.

15. Verstrek, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 27 van de richtsnoeren, informatie om te bevestigen dat de steun niet de kosten steunt van een activiteit die de begunstigde van de steun hoe dan ook zou moeten uitvoeren, en deze geen vergoeding is voor het normale zakelijke risico van een economische activiteit.

16. Om aan te tonen dat aan de punten 29, 31 en 316 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan of het project of de activiteit reeds van start is gegaan voordat de begunstigde een schriftelijke steunaanvraag bij de nationale autoriteiten heeft ingediend.

17. Voor projecten of activiteiten die van start zijn gegaan vóór de indiening van de steunaanvraag:

(a) 

bevestig dat de maatregel op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria een aanspraak op steun vestigt zonder dat de lidstaat nog een beoordelingsbevoegdheid uitoefent, en dat de maatregel is goedgekeurd en van kracht is voordat de werkzaamheden aan het gesteunde project of de gesteunde activiteit van start zijn gegaan;

OF

(b) 

Indien het project of de activiteit reeds van start is gegaan vóór een schriftelijke steunaanvraag en vóór de vaststelling en/of inwerkingtreding van de maatregel, bevestig dan dat het project of de activiteit reeds onder een eerdere soortgelijke regeling in de vorm van fiscale of parafiscale voordelen viel.

OF

(c) 

toon aan dat het project of de activiteit onder een van de uitzonderlijke omstandigheden valt als bedoeld in punt 31, b) of c), van de richtsnoeren.

18. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

19. Om aan te tonen dat aan punt 32 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Geef aan of er Unienormen ( 430 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregelen, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld.

Verstrek in dat verband informatie om het stimulerende effect aan te tonen.

(b) 

In gevallen waarin er reeds Unienormen zijn aangenomen maar nog niet in werking zijn, toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm ten uitvoer te leggen en te voltooien.

(c) 

Voor projecten en activiteiten die binnen het toepassingsgebied van deel 4.2 vallen, leg uit of projecten met een terugverdientijd ( 431 ) van minder dan vijf jaar in aanmerking komen voor steun in het kader van de maatregel(en). Zo ja, gelieve aan te tonen dat steun nodig is om een gedragsverandering teweeg te brengen, zoals vereist op grond van punt 142 van de richtsnoeren.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

20. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

21. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de informatie die in het kader van vraag 5.2. is verstrekt, wanneer de aangemelde maatregel(en) wordt (worden) gefinancierd door middel van een heffing.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Noodzaak van de steun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.1 (punten 34 tot en met 38) van de richtsnoeren.

22. Leg uit welk marktfalen uw autoriteiten hebben vastgesteld dat het bereiken van een toereikend niveau van milieubescherming in de weg staat. Geef aan in welke categorie het vastgestelde marktfalen valt, onder verwijzing naar punt 34, punt a), b), c) of d), van de richtsnoeren.

23. Verstrek, overeenkomstig punt 35 van de richtsnoeren, informatie over bestaande beleidslijnen en maatregelen die uw autoriteiten hebben vastgesteld en die reeds op het geconstateerde regulerings- of marktfalen zijn gericht.

24. Verstrek, om aan te tonen dat aan punt 36 van de richtsnoeren is voldaan, informatie waaruit blijkt dat de steun het resterende marktfalen daadwerkelijk aanpakt, mede in het licht van andere beleidslijnen en maatregelen die al zijn opgezet om een deel van het geconstateerde marktfalen aan te pakken.

25. Om aan te tonen dat aan punt 37 van de richtsnoeren is voldaan, leg uit of, voor zover bekend bij uw autoriteiten, projecten of activiteiten die vergelijkbaar zijn met die welke onder de aangemelde maatregelen vallen, wat betreft hun technologische inhoud, risiconiveau en omvang binnen de Unie al tegen marktvoorwaarden worden uitgevoerd. Indien dit het geval is, verschaf dan verder bewijsmateriaal om de noodzaak van staatssteun aan te tonen.

26. Verwijs, om aan te tonen dat aan punt 38 van de richtsnoeren is voldaan, naar het kwantitatieve bewijsmateriaal dat reeds onder vraag 14, c), is verstrekt.

2.1.2.  Geschiktheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.2 (punten 39 tot en met 46) van de richtsnoeren.

27. Om na te gaan of aan punt 40 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat er geen minder verstorende instrumenten beschikbaar zijn die geschikter zijn.

28. Om na te gaan of aan punt 41 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de steunmaatregel zodanig is opgezet dat de efficiëntie van andere maatregelen om hetzelfde marktfalen te verhelpen, zoals marktgebaseerde mechanismen (bv. het EU-ETS), niet wordt ondermijnd.

29. Om na te gaan of aan punt 42 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat geen van de begunstigden van de steunmaatregelen op grond van het bestaande Unierecht of het nationale recht aansprakelijk kan worden gesteld voor de verontreiniging (beginsel „de vervuiler betaalt”).

30. Om na te gaan of aan de punten 43 tot en met 46 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de steun geschikt is in vergelijking met andere beleidsinstrumenten en geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit waarom andere potentieel minder verstorende vormen van steun minder geschikt zijn, zoals vereist in punt 44 van de richtsnoeren.

(b) 

Toon aan dat het gekozen steuninstrument geschikt is voor het marktfalen dat de steunmaatregelen beogen aan te pakken, zoals vereist in punt 45 van de richtsnoeren.

(c) 

Leg uit hoe de steunmaatregel en de opzet ervan geschikt zijn om de doelstelling ervan te verwezenlijken (punt 46 van de richtsnoeren).

2.1.3.  Evenredigheid

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.7.2.4 (punten 318, 319 en 320) van de richtsnoeren.

31. Om na te gaan of aan punt 318 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie om aan te tonen dat de steun niet hoger is dan het normale bedrag van de belasting of heffing dat anders van toepassing zou zijn.

32. Wanneer de belasting- of -heffingskorting verband houdt met investeringskosten, beschrijf dan, naargelang van het deel van de richtsnoeren waaronder de ondersteunde activiteiten vallen, hoe ervoor wordt gezorgd, in overeenstemming met punt 319 van de richtsnoeren, dat de steun de toepasselijke steunintensiteiten en maximale steunbedragen niet overschrijdt:

□ 

Voor afdeling 4.2 (punten 146 tot en met 151 van de richtsnoeren)

□ 

Voor afdeling 4.3.1 (punten 177 tot en met 180 van de richtsnoeren)

□ 

Voor afdeling 4.3.2 (punten 200 tot en met 204 van de richtsnoeren)

□ 

Voor afdeling 4.4 (punten 239 tot en met 245 van de richtsnoeren)

□ 

Voor afdeling 4.5 (punten 265 tot en met 271 van de richtsnoeren)

□ 

Voor afdeling 4.6 (punten 288 tot en met 291 van de richtsnoeren)

Vul voor de maximale steunintensiteiten en maximale steunbedragen de vragen uit het desbetreffende formulier aanvullende informatie in voor het desbetreffende deel.

33. In gevallen waarin de belasting- of heffingskorting terugkerende exploitatiekosten doet dalen, beschrijf, om na te gaan of aan punt 320 van de richtsnoeren is voldaan, hoe ervoor wordt gezorgd dat het steunbedrag niet hoger zal uitkomen dan het verschil tussen de kosten van het milieuvriendelijke project of de milieuvriendelijke activiteit en de kosten van het minder milieuvriendelijke nulscenario. Geef ook aan hoe potentiële kostenbesparingen en/of extra inkomsten van het milieuvriendelijker project in aanmerking zullen worden genomen.

2.1.4.  Transparantie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 62) van de richtsnoeren.

34. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

35. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt. De individuele steunbedragen kunnen daarbij worden bekendgemaakt in tranches zoals bedoeld in punt 60 van de richtsnoeren.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.2 (punten 63 tot en met 70) en afdeling 4.7.2.5 (punten 322, 323 en 324) van de richtsnoeren.

36. Om na te gaan of aan punt 67 van de richtsnoeren is voldaan, verstrek informatie over de eventuele negatieve korte- en langetermijneffecten van de aangemelde maatregel(en) op de mededinging en het handelsverkeer.

37. Leg uit of de maatregel onder een van de volgende situaties valt:

(a) 

de maatregel komt slechts ten goede aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden;

(b) 

de maatregel is gericht op een markt (of markten) waar gevestigde exploitanten marktmacht hebben opgebouwd vóór de vrijmaking van de markt.

38. Indien de steunmaatregel is gericht op een specifieke technologische keuze/route, geef dan de reden voor de technologische keuze en onderbouw dat deze de toepassing van schonere technologieën niet zal ontmoedigen.

39. Indien de aangemelde maatregel(en) slechts aan één of een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komt (komen), en om na te gaan of aan punt 68 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Leg uit of de aangemelde maatregel(en) de marktmacht van de begunstigde(n) versterkt (versterken) of handhaaft (handhaven), of de groei van bestaande concurrenten ontmoedigt (ontmoedigen), hen ertoe aanzet(ten) de markt te verlaten of ontradend werkt (werken) voor de markttoetreding van nieuwe concurrenten. Leg in dit verband ook uit of de steunmaatregel zal leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit van de begunstigde.

(b) 

beschrijf de maatregelen die zijn genomen om de potentiële verstoring van de mededinging als gevolg van de toekenning van de steun aan de begunstigde(n) te beperken.

40. Om na te gaan of aan punt 69 van de richtsnoeren is voldaan, verklaar:

(a) 

of de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun erop gericht is een economische activiteit in een bepaalde regio te behouden of deze aan te trekken vanuit andere regio’s binnen de interne markt;

(b) 

indien dit het geval is, geef dan aan wat het netto-effect voor het milieu is van de aangemelde maatregel(en) en hoe de aangemelde maatregel(en) het bestaande niveau van milieubescherming in de lidstaten verbetert (verbeteren);

(c) 

hoe de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun geen kennelijk negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer oplevert;

41. Om na te gaan of aan punt 70 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Bevestig dat steun in het kader van de aangemelde regeling kan worden toegekend voor een periode van maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar werd verklaard.

(b) 

Bevestig dat de autoriteiten in uw lidstaat de maatregel opnieuw zullen aanmelden indien zij de regeling na die maximumperiode wensen te verlengen.

42. Beschrijf hoe ervoor wordt gezorgd dat de steun, overeenkomstig punt 322 van de richtsnoeren, op dezelfde wijze wordt toegekend voor alle in aanmerking komende ondernemingen die in dezelfde economische sector actief zijn en zich, wat betreft de doelstellingen van de steunmaatregel, in dezelfde of een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden.

43. Beschrijf voor regelingen die langer dan 3 jaar lopen, overeenkomstig punt 323 van de richtsnoeren, het toezicht dat zal worden uitgeoefend om ervoor te zorgen dat de steun noodzakelijk blijft, en bevestig dat de regeling ten minste om de 3 jaar zal worden geverifieerd.

44. Geef overeenkomstig punt 324 van de richtsnoeren, en naargelang van de afdeling van de richtsnoeren waaronder de ondersteunde activiteiten vallen, informatie over de precieze reikwijdte en ondersteunde activiteiten van de steunmaatregelen door de volgende vragen van het desbetreffende formulier aanvullende informatie in te vullen. Voor activiteiten die vallen onder afdeling:

□ 

4.2 (vraag 52 van het desbetreffende formulier aanvullende informatie)

□ 

4.3.1 (vragen 49 tot en met 52 van het desbetreffende formulier aanvullende informatie)

□ 

4.3.2 (vragen 46 tot en met 55 van het desbetreffende formulier aanvullende informatie)

3. AFWEGING TUSSEN DE POSITIEVE EFFECTEN VAN DE STEUN EN DE NEGATIEVE EFFECTEN ERVAN OP DE MEDEDINGING EN HET HANDELSVERKEER

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.3 (punten 71 tot en met 76) van de richtsnoeren.

45. Om na te gaan of aan punt 72 van de richtsnoeren is voldaan, verklaar of activiteiten die in het kader van de aangemelde maatregelen worden ondersteund, voldoen aan de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 432 ), met inbegrip van het beginsel „geen ernstige afbreuk doen”, of aan andere vergelijkbare methoden.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 5 (punten 455 en 463) van de richtsnoeren.

46. Indien de aangemelde maatregelen de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijden, leg uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij dit formulier aanvullende informatie voor staatssteun een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 433 ).

47. Indien een ontwerp-evaluatieplan wordt verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

48. Bevestig, om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

49. Doe, om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal aanmelden.

50. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

51. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D –   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

52. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.J

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.8. – Steun voor de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening

Dit aanmeldingsformulier heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.8 van de richtsnoeren vallen. Indien de aanmelding maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan ook het aanmeldingsformulier in dat betrekking heeft op het desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit aanmeldingsformulier verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit aanmeldingsformulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Indien nog niet besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef dan de achtergrond en de hoofddoelstelling van de maatregel.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die geen betrekking hebben op de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening of milieubescherming uit of zij tot verstoringen van de interne markt kunnen leiden.

2. Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de maatregelen in werking moeten treden.

2.2. Geef de looptijd van de maatregelen aan ( 434 ).

3. Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaten of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren aan of in het kader van de maatregel steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de aangemelde maatregel.

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5. Budget

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen ( 435 ).

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.1 (punten 23, 24 en 25), afdelingen 4.8.1 en 4.8.2 (punten 325 tot en met 328 van de richtsnoeren).

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef aan, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren, welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund. In punt 328 van de richtsnoeren worden voorbeelden gegeven van economische activiteiten met betrekking tot maatregelen voor het verbeteren van de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening.

7. Beschrijf, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren, of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

8. Beschrijf de voorwaarden die van toepassing zijn op de begunstigde(n) (bijvoorbeeld door technische, ecologische (d.w.z. vergunningen), financiële (d.w.z. zekerheden) of andere voorwaarden voor de begunstigde(n) op te nemen).

9. Geef informatie over de redenen van de maatregel, zoals vermeld in afdeling 4.8.1 (punt 325) van de richtsnoeren.

10. Geef informatie over de reikwijdte van de maatregel, zoals vermeld in afdeling 4.8.2 (punten 326 en 327) van de richtsnoeren.

1.2.  Stimulerend effect

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie punt 329 en afdeling 3.1.2 (punten 29 tot en met 32) van de richtsnoeren.

11. Om aan te tonen dat aan de punten 29 en 31 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat niet met de werkzaamheden aan het project of de activiteit is aangevangen voordat de begunstigde bij de nationale autoriteiten een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend;

OF

(b) 

Voor projecten die vóór de steunaanvraag zijn aangevangen, toon aan dat het project valt onder een van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 31, a), b) of c), van de richtsnoeren.

12. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

13. Om aan te tonen dat aan punt 32 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan of er Unienormen ( 436 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregel, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld; Verstrek in dat verband informatie om het stimulerende effect aan te tonen.

14. In gevallen waarin er reeds Unienormen zijn aangenomen maar nog niet in werking zijn, toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm ten uitvoer te leggen en te voltooien.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

15. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen (zie bv. vraag 49 met betrekking tot naleving van Verordening (EU) 2019/943).

16. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren (zie vraag 54 hieronder), verduidelijk dan of:

(a) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(b) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producten.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Noodzaak van de steun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.8.4.1 (punten 331 tot en met 339) van de richtsnoeren.

17. Volgens punt 331 van de richtsnoeren moeten de aard en de oorzaken van het probleem met de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening, en dus de noodzaak van staatssteun om de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening te garanderen, correct worden geanalyseerd en gekwantificeerd, onder meer de vraag wanneer en waar het probleem zich naar verwachting zal voordoen, in voorkomend geval, volgens de betrouwbaarheidsnorm in de zin van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/943.

Geef een analyse om het probleem van de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening in kaart te brengen en te kwantificeren. Ga in uw antwoord nader in op de overwegingen die in de punten 331, 332 en 333 van de richtsnoeren worden geformuleerd.

18. Verstrek, overeenkomstig punt 334 van de richtsnoeren en voor maatregelen betreffende het risico van elektriciteitscrises, het in artikel 11 van Verordening (EU) 2019/941 bedoelde nationale risicoparaatheidsplan waarin de voorgestelde maatregel moet worden vastgesteld.

19. Overeenkomstig punt 335 van de richtsnoeren en in geval van een voorstel voor de invoering van verschillende maatregelen om de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening te waarborgen, maak duidelijk hoe deze op elkaar inwerken bij het waarborgen van de totale kosteneffectiviteit van de gecombineerde maatregelen om de voorzieningszekerheid te waarborgen, bijvoorbeeld door wat betreft capaciteitsmechanismen uit te leggen hoe zij de in punt 331 bedoelde betrouwbaarheidsnorm bereiken (doch niet overtreffen).

20. Vermeld, overeenkomstig punt 336 van de richtsnoeren, het regulerings- of marktfalen, naast alle andere problemen die beletten dat zonder de maatregel voldoende zekerheid van de elektriciteitsvoorziening (en, in voorkomend geval, voldoende milieubescherming) wordt bereikt.

21. Vermeld, overeenkomstig punt 337 van de richtsnoeren, bestaande maatregelen die reeds gericht zijn op het regulerings- of marktfalen of andere in punt 336 genoemde problemen. Voor zover van toepassing, kunt u het bewijsmateriaal aanhalen dat reeds in antwoord op vraag 16 is gegeven.

22. Geef aan, overeenkomstig punt 338 van de richtsnoeren, om welke redenen de markt, zonder staatssteun, waarschijnlijk niet de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening kan opleveren, rekening houdende met door de lidstaat voorgenomen hervormingen en verbeteringen van de markt en met technologische ontwikkelingen.

23. Geef de volgende informatie in overeenstemming met punt 339 van de richtsnoeren:

(a) 

een inschatting van de impact van variabele productie, ook die welke afkomstig is van aangrenzende netten;

(b) 

een inschatting van het effect van de participatie aan de vraagzijde en de opslagparticipatie, met inbegrip van een beschrijving van maatregelen om vraagbeheersing te bevorderen;

(c) 

een inschatting van de daadwerkelijke of potentiële beschikbaarheid van interconnectoren en belangrijke interne transmissienetinfrastructuur, met inbegrip van een beschrijving van projecten in aanbouw en in planning;

(d) 

een beoordeling van alle overige elementen die het probleem inzake zekerheid van de elektriciteitsvoorziening kunnen veroorzaken of aanscherpen, zoals plafonds voor groothandelstarieven of ander regulerings- of marktfalen. Verstrek, in voorkomend geval, het uitvoeringsplan, en hou er rekening mee, voor maatregelen om vastgesteld regulerings- of marktfalen weg te werken, alsook het advies van de Commissie over een dergelijk uitvoeringsplan uit hoofde van artikel 20, leden 3 en 5, van Verordening (EU) 2019/943;

(e) 

alle relevante inhoud in een actieplan als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EU) 2019/943.

2.1.2.  Geschiktheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.8.4.2 (punten 341 en 342) van de richtsnoeren.

24. Om te beoordelen of aan punt 341 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Leg uit welke alternatieve oplossingen zijn onderzocht om zekerheid van de elektriciteitsvoorziening te bereiken, met name een doeltreffender ontwerp van de elektriciteitsmarkt ter vermindering van marktfalen dat de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening aantast. In dit verband bevat punt 341 van de richtsnoeren voorbeelden hoe het ontwerp van de elektriciteitsmarkt van worden verbeterd (door het functioneren van de onbalansverrekening voor elektriciteit te verbeteren, door betere integratie van variabele productie, door het stimuleren en integreren van vraagrespons en opslag, door efficiënte prijsprikkels mogelijk te maken, door het verwijderen van belemmeringen voor grensoverschrijdende handel of door infrastructuur zoals interconnectie te verbeteren).

(b) 

Toon aan dat, ondanks passende en evenredige verbeteringen in de opzet van de markt en investeringen in netwerkactiva, ongeacht of deze reeds ten uitvoer zijn gelegd of gepland, een punt van zorg voor de voorzieningszekerheid blijft bestaan (punt 341 van de richtsnoeren).

25. Voor maatregelen om netwerkcongestie aan te pakken, licht toe hoe de efficiëntie van redispatchmaatregelen wordt verbeterd in overeenstemming met artikel 13 van Verordening (EU) 2019/943 (punt 342 van de richtsnoeren).

2.1.3.  Subsidiabiliteit

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.8.4.3 (punten 343 tot en met 346) van de richtsnoeren.

26. Om aan te tonen dat aan punt 343 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de maatregel open zal staan voor alle begunstigden of projecten die technisch in staat zijn efficiënt bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstelling van voorzieningszekerheid (bv. opwekking, opslag, vraagrespons, aggregatie van kleine eenheden in grotere blokken).

27. Leg uit, in overeenstemming met punt 344 van de richtsnoeren, of er beperkingen zijn op deelname aan de voorgestelde maatregel voor voorzieningszekerheid die tot doel hebben ervoor te zorgen dat de maatregel de milieubescherming niet ondermijnt.

28. Indien de aangemelde maatregel voor voorzieningszekerheid aanvullende criteria of kenmerken bevat om de deelname van groenere technologieën te bevorderen (of de deelname van vervuilende technologieën te verminderen) die nodig zijn om de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van de Unie te ondersteunen, toon aan dat die aanvullende criteria of kenmerken objectief, transparant en niet-discriminerend zijn in verhouding tot duidelijk omschreven milieubeschermingsdoelstellingen en niet tot overcompensatie van de begunstigden zullen leiden (punt 345 van de richtsnoeren).

29. Overeenkomstig punt 346 van de richtsnoeren,

(a) 

toon aan of de maatregel ten behoeve van de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening openstaat voor directe grensoverschrijdende deelname van capaciteitsaanbieders uit een andere lidstaat. Zo nee, motiveer waarom.

(b) 

toon aan dat buitenlandse capaciteit die technische prestaties kan leveren die gelijkwaardig zijn aan binnenlandse capaciteit, de mogelijkheid zal krijgen om deel te nemen aan dezelfde concurrerende procedure als binnenlandse capaciteit.

(c) 

toon aan, indien van toepassing, dat is voldaan aan de relevante regels van artikel 26 van Verordening (EU) 2019/943 betreffende grensoverschrijdende deelname aan capaciteitsmechanismen.

2.1.4.  Publieke consultatie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.8.4.4 (punten 348 tot en met 351) van de richtsnoeren.

30. Leg uit of voor de maatregelen een publieke consultatie vereist is overeenkomstig afdeling 4.8.4.4, en zo nee, waarom niet.

31. Indien voor de maatregel een publieke consultatie nodig is:

(a) 

vermeld de duur van de publieke consultatie en geef een samenvatting van de belangrijkste behandelde kwesties.

(b) 

Vermeld, in overeenstemming met de vereisten van punt 350 van de richtsnoeren, het adres van de openbare website waar vragenlijsten voor raadplegingen en de samenvatting van de antwoorden van de regering worden gepubliceerd of zullen worden gepubliceerd.

2.1.5.  Evenredigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.3 (punten 49 tot en met 53 en punt 55) en afdeling 4.8.4.5 (punten 353 tot en met 357) van de richtsnoeren. De volgende twee afdelingen 2.1.5.1 en 2.1.5.2 vormen een alternatief. Geef alleen antwoorden op de toepasselijke afdeling, afhankelijk van de opzet van de voorgestelde maatregel.

2.1.5.1. Evenredigheid van steun die via een concurrerende biedprocedure wordt verleend

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.3 (punten 49, 50, 51, 52, 53 en 55) en punten 353, 354 en 356 van de richtsnoeren.

Voor steun die zonder concurrerende biedprocedure wordt verleend, is deze afdeling niet van toepassing. Ga voor dergelijke maatregelen rechtstreeks naar punt 2.1.5.2.

32. Om de naleving van punt 353 van de richtsnoeren te beoordelen, en voor het geval dat daarop nog niet is geantwoord onder bovenstaande vraag 16, geef een analyse die wordt gebruikt om het vraagniveau in de aangemelde maatregel voor voorzieningszekerheid vast te stellen op basis van de betrouwbaarheidsnorm of de kosten-batenanalyse. Bevestig dat de analyse die wordt gebruikt om het vraagniveau vast te stellen, hoogstens twaalf maanden oud is op het moment waarop het vraagniveau wordt vastgesteld.

33. Overeenkomstig punt 354 van de richtsnoeren, toon aan dat de doorlooptijd tussen de toekenning van de steun en de termijn waarin projecten moeten zijn uitgevoerd, de mogelijkheid biedt voor daadwerkelijke concurrentie tussen uiteenlopende in aanmerking komende projecten.

34. Overeenkomstig punt 356 van de richtsnoeren, toon aan dat de begunstigden van maatregelen voor voorzieningszekerheid efficiënte prikkels zullen krijgen om tijdens de leveringsperiode bij te dragen tot de voorzieningszekerheid. Deze stimulansen moeten in het algemeen gerelateerd zijn aan de waarde van verloren belasting (VoLL) zoals bepaald overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2019/943.

35. Om na te gaan of aan de punten 49 en 50 van de richtsnoeren is voldaan, geef de volgende informatie:

(a) 

Leg uit hoe de autoriteiten ervoor zorgen dat de biedprocedure open, helder, transparant en niet-discriminerend is en gebaseerd op objectieve criteria, die vooraf zijn vastgesteld overeenkomstig de doelstelling van de maatregel en het risico op strategisch bieden tot een minimum beperken (punt 49, a), van de richtsnoeren)

(b) 

De selectiecriteria die worden gebruikt om de inschrijvingen te rangschikken en uiteindelijk het steunniveau in de concurrerende biedprocedure vast te stellen. Meer in het bijzonder:

(i) 

Geef een lijst van de selectiecriteria en geef aan welke daarvan al dan niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel(en). Neem de weging van de criteria op.

(ii) 

Leg uit hoe de selectiecriteria de bijdrage aan de hoofddoelstellingen van de maatregel(en) direct of indirect in verband brengen met het door de aanvrager gevraagde steunbedrag. Dit kan bijvoorbeeld worden uitgedrukt in steun per eenheid milieubescherming (punt 50 en voetnoot 44 van de richtsnoeren).

(iii) 

Indien er andere selectiecriteria zijn die niet direct of indirect verband houden met de hoofddoelstellingen van de maatregel, motiveer dan de voorgestelde aanpak en leg uit hoe deze geschikt is voor de met de maatregel nagestreefde doelstellingen. Bevestig ook dat deze criteria niet meer dan 30 % vertegenwoordigen van alle selectiecriteria die worden meegewogen (punt 50 van de richtsnoeren).

(iv) 

Leg uit hoe lang vooraf vóór elke concurrerende biedprocedure de selectiecriteria zullen worden gepubliceerd (punt 49, b), en voetnoot 43 van de richtsnoeren).

(c) 

Bevestig dat het budget of het volume in verband met de inschrijvingsprocedure een bindende beperking is, aangezien kan worden verwacht dat niet alle inschrijvers steun zullen ontvangen (punt 49, c), van de richtsnoeren).

(d) 

Geef informatie over het aantal geplande biedronden en het verwachte aantal inschrijvers in de eerste ronde en in de loop van de tijd.

(e) 

In geval van een of meer inschrijvingsprocedures waarvoor onvoldoende is ingeschreven, leg uit hoe en wanneer de opzet van de biedprocedures tijdens de uitvoering van de regeling zal worden gecorrigeerd om de daadwerkelijke mededinging te herstellen (punt 49, c), van de richtsnoeren).

(f) 

Bevestig dat aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen of contingentering) worden vermeden (punt 49, d), van de richtsnoeren).

(g) 

Indien „subsidievrije biedingen” mogelijk zijn, leg dan uit hoe de evenredigheid zal worden gewaarborgd.

(h) 

Licht toe of de autoriteiten in de concurrerende biedprocedure voorzien in het gebruik van minimum- en maximumprijzen. Indien dit het geval is, onderbouw dan het gebruik ervan en leg uit hoe zij de concurrerende biedprocedure niet beperken ( 437 ) (punt 49 en voetnoot 42 van de richtsnoeren).

2.1.5.2. Evenredigheid van niet via een concurrerende biedprocedure verleende steun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 51 tot en met 55 en 353 tot en met 357 van de richtsnoeren.

Deze afdeling is niet van toepassing op maatregelen waarbij steun wordt verleend via een concurrerende biedprocedure. Ga voor dergelijke maatregelen rechtstreeks naar punt 2.5.1.1.

36. Om de naleving van punt 353 van de richtsnoeren te beoordelen, en voor het geval dat daarop nog niet is geantwoord onder bovenstaande vraag 16, geef een analyse die wordt gebruikt om het vraagniveau in de aangemelde maatregel voor voorzieningszekerheid vast te stellen op basis van de betrouwbaarheidsnorm of de kosten-batenanalyse. Bevestig dat de analyse die wordt gebruikt om het vraagniveau vast te stellen, hoogstens twaalf maanden oud is op het moment waarop het vraagniveau wordt vastgesteld.

37. Overeenkomstig punt 354 van de richtsnoeren, toon aan dat de doorlooptijd tussen de toekenning van de steun en de termijn waarin projecten moeten zijn uitgevoerd, de mogelijkheid biedt voor daadwerkelijke concurrentie tussen uiteenlopende in aanmerking komende projecten.

38. Overeenkomstig punt 356 van de richtsnoeren, toon aan dat de begunstigden van maatregelen voor voorzieningszekerheid efficiënte prikkels zullen krijgen om tijdens de leveringsperiode bij te dragen tot de voorzieningszekerheid. Deze stimulansen moeten in het algemeen gerelateerd zijn aan de waarde van verloren belasting (VoLL) zoals bepaald overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2019/943.

39. Leg uit waarom geen gebruik wordt gemaakt van een concurrerende biedprocedure (overeenkomstig punt 355 van de richtsnoeren).

40. Geef in het geval van steunregelingen een lijst van referentieprojecten en een toelichting waarom deze zijn gedefinieerd (bijvoorbeeld door uit te leggen dat de kosten en inkomsten binnen elk referentieproject naar verwachting grotendeels vergelijkbaar zullen zijn). Om twijfel weg te nemen, is een referentieproject een voorbeeld dat representatief is voor het gemiddelde project in een categorie van voor een steunregeling in aanmerking komende begunstigden (punt 19, 63), van de richtsnoeren).

41. Toon aan, op grond van punt 51 van de richtsnoeren, voor elk referentieproject (in het geval van steunregelingen) of voor elke begunstigde (in het geval van individuele steun), dat de steun niet hoger is dan het noodzakelijke minimum, d.w.z. het verschil tussen de netto contante waarde (NPV) voor het feitelijke scenario en de NPV voor het nulscenario gedurende de looptijd van het referentieproject of het project. Verstrek voor deze beoordeling een kwantificering, voor het feitelijke scenario, en voor een realistisch nulscenario ( 438 ), van alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet (WACC) van de begunstigden (of van de referentieprojecten in het geval van steunregelingen), alsmede de NPV voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario, over de levensduur van het project/referentieproject.

(a) 

Vermeld dit in een bijlage bij deze aanmelding (in een Excel-bestand waarin alle formules zichtbaar zijn).

(b) 

Geef gedetailleerde informatie over de aannames, methodieken, redenen en onderliggende bronnen daarvan, die worden gebruikt voor elk aspect van de kwantificering van de kosten en opbrengsten in het feitelijke scenario en het waarschijnlijke nulscenario (vermeld bijvoorbeeld de aannames die zijn gebruikt om die scenario’s te ontwikkelen en de bron/redenen voor deze aannames).

(c) 

U kunt bij deze aanmelding ook de in voetnoot 39 van de richtsnoeren genoemde documenten voegen. Documenten van de raad van bestuur kunnen bijzonder nuttig zijn voor individuele steunmaatregelen of -regelingen die alleen aan een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen. Indien dergelijke documenten bij de aanmelding zijn gevoegd, verstrek dan hieronder een lijst van die documenten en vermeld daarbij de auteur, de datum waarop zij zijn opgesteld en de context waarin zij zijn gebruikt.

42. Indien punt 55 van de richtsnoeren van toepassing is, geef dan informatie over de compensatiemodellen die de lidstaat eventueel voornemens is in te voeren (een combinatie van mechanismen voor terugvordering vooraf en ex post of achteraf voor terugvordering of kostenmonitoring).

Indien punt 55 van de richtsnoeren niet van toepassing is op de maatregelen, gelieve dit te motiveren.

43. Indien de aangemelde maatregelen de vorm hebben van concurrerende regelingen met certificaten of regelingen met leveranciersverplichtingen (punt 357 van de richtsnoeren:

(a) 

bevestig dat de vraag in de regeling onder het niveau van het potentiële aanbod wordt vastgesteld; en

(b) 

leg uit hoe de afkoopsom of geldboete zal worden vastgesteld en ervoor zorgt dat er geen sprake is van overcompensatie.

2.1.6.  Cumulatie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

44. Verduidelijk, voor zover nog niet vermeld in deel I van het algemene aanmeldingsformulier en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de aangemelde maatregel gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek dan nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd. U kunt desgewenst verwijzen naar de hierboven vermelde kwantificering.

45. Indien punt 56 van de richtsnoeren van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de aangemelde maatregelen voor een project of een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Het maximale steunbedrag dat in het kader van de richtsnoeren is toegestaan, is hetzij het steunbedrag dat in de succesvolle offerte in aanmerking is genomen, hetzij, indien er geen concurrerende procedure plaatsvindt, de financieringskloof, rekening houdend met alle belangrijkste inkomsten, met inbegrip van andere bronnen van steun (punt 51 van de richtsnoeren). Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

46. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 439 ) (die geen staatssteun vormt), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.1.7.  Transparantie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 61) van de richtsnoeren.

47. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

48. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.8.5 (punten 359 tot en met 370) en afdeling 3.3. (punten 71 tot en met 76) van de richtsnoeren.

49. Om na te gaan of aan de punten 359, 360 en 361 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

toon aan (ingeval daarop nog niet onder bovenstaande vraag 23 is geantwoord) dat de steun bedoeld is om de efficiënte werking van de markten te handhaven en efficiënte exploitatieprikkels en prijssignalen in stand te houden;

(b) 

bevestig dat er geen prikkels worden gegeven voor de productie van energie die minder vervuilende energievormen zou verdringen;

(c) 

geef aan of de maatregel betaalt voor capaciteit (EUR per megawatt (MW)) of voor elektriciteitsoutput (EUR/MWh).

50. Toon aan dat de maatregel voldoet aan de in artikel 22 van Verordening (EU) 2019/943 bepaalde toepasselijke voorwaarden voor de opzet van mechanismen (punt 362 van de richtsnoeren).

51. Voor strategische reserves en alle andere maatregelen ten behoeve van de toereikendheid van de elektriciteitsvoorziening, met inbegrip van afschakelregelingen, waarbij capaciteit buiten de markt wordt gehouden, is, om te garanderen dat de prijsvorming op de markt niet wordt verstoord, toon aan, overeenkomstig punt 363 van de richtsnoeren, dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

(a) 

dispatching van de middelen van de maatregel kan slechts plaatsvinden indien de transmissiesysteembeheerders waarschijnlijk al hun balanceringsmiddelen zullen moeten inzetten om een evenwicht tussen vraag en aanbod tot stand te brengen;

(b) 

tijdens onbalansvereffeningsperiodes waarin dispatching van middelen uit de maatregel plaatsvindt, moeten onbalansen op de markt worden verrekend tegen ten minste de waarde van de verloren belasting (VOLL) of tegen een waarde boven de intraday-technische prijslimieten, als deze hoger is;

(c) 

de output van de maatregel(en) na de dispatching moet via het onbalansverrekeningsmechanisme worden toegewezen aan de balanceringsverantwoordelijken;

(d) 

de middelen ontvangen geen vergoeding van de groothandelsmarkt voor elektriciteit of balanceringsmarkten;

(e) 

de middelen in de maatregel moeten buiten de markt worden gehouden voor ten minste de duur van de contractperiode.

52. Voor maatregelen om netwerkcongestie aan te pakken, wanneer middelen buiten de markt worden gehouden, bevestig dat deze middelen geen vergoeding van de groothandelsmarkt voor elektriciteit of van de balanceringsmarkten zullen ontvangen en gedurende ten minste de contractuele periode buiten de energiemarkten zullen worden gehouden (punt 364 van de richtsnoeren).

53. Voor andere capaciteitsmechanismen dan strategische reserves, toon aan, overeenkomstig punt 365 van de richtsnoeren, dat de maatregel:

(a) 

zodanig wordt opgezet dat de prijs die voor het beschikbaar houden wordt betaald automatisch naar nul neigt wanneer het niveau van de geleverde capaciteit naar verwachting voldoende zal zijn om aan het niveau van de gevraagde capaciteit te voldoen;

(b) 

de participerende middelen alleen vergoedt voor hun beschikbaarheid en de vergoeding geen invloed heeft op beslissingen van de capaciteitsaanbieder om al dan niet elektriciteit op te wekken;

(c) 

het mogelijk maakt dat capaciteitsverplichtingen kunnen worden overgedragen tussen in aanmerking komende capaciteitsaanbieders.

54. Om na te gaan of aan punt 366 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de maatregel niet:

(a) 

tot onnodige marktverstoringen leidt of de zoneoverschrijdende handel beperkt.

(b) 

prikkels om te investeren in interconnectiecapaciteit niet afzwakt – door bijvoorbeeld congestieopbrengsten voor bestaande of nieuw interconnectoren te verlagen;

(c) 

koppeling van markten, met inbegrip van intraday- en balanceringsmarkten, niet aantast;

(d) 

besluiten voor investeringen in capaciteit die van vóór de maatregel dateren, niet ondermijnt.

55. Om na te gaan of aan punt 367 van de richtsnoeren is voldaan, toon aan dat de kosten van de aangemelde maatregel zullen worden gedragen door de marktdeelnemers die bijdragen aan de noodzaak van de maatregel(en). Indien u van mening bent dat een dergelijke kostentoerekening niet nodig is, leg dan uit waarom en verstrek bewijsmateriaal, waaronder het materiaal dat in het kader van de openbare raadpleging is verzameld ( 440 ).

56. Verklaar op grond van punt 72 van de richtsnoeren waarom de aangemelde maatregel voldoet aan de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 441 ), met inbegrip van het beginsel „geen ernstige afbreuk doen” ( 442 ), of aan andere vergelijkbare methoden.

57. Verduidelijk, overeenkomstig punt 75 van de richtsnoeren, in gevallen waarin de lidstaat ervoor kiest een concurrerende aanbestedingsprocedure in te voeren, of de aangemelde maatregel kenmerken bevat om de deelname van kmo’s of hernieuwbare-energiegemeenschappen te vergemakkelijken. Indien dit het geval is, geef dan informatie over die kenmerken en onderbouw hoe de positieve effecten van het waarborgen van de deelname en aanvaarding van kmo’s in de aangemelde maatregelen opwegen tegen de mogelijke verstorende effecten.

58. Om na te gaan of aan de punten 368 en 369 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

Indien de aangemelde maatregel aanzet tot nieuwe investeringen in de meest vervuilende fossiele brandstoffen, leg dan uit of de maatregel, met inbegrip van maatregelen voor netwerkcongestie en afschakelbaarheidsregelingen, voldoet aan de emissiedrempel die van toepassing is op capaciteitsmechanismen als bedoeld in artikel 22 van Verordening (EU) 2019/943.

(b) 

indien de aangemelde maatregel aanzet tot nieuwe investeringen in opwekking van energie op basis van aardgas, leg dan uit hoe de maatregel zal zorgen voor een bijdrage tot het behalen van de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 en het streefdoel van klimaatneutraliteit tegen 2050. Leg met name uit hoe een lock-in van deze gasgestookte energieproductie of gasgestookte productie-installaties zal worden vermeden.

59. Voor individuele steunmaatregelen of regelingen die alleen aan een bijzonder beperkt aantal begunstigden of een begunstigde gevestigde exploitant ten goede komen, toon verder aan dat de voorgenomen steunmaatregel niet tot een toename van marktmacht zal leiden (punt 370 van de richtsnoeren).

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie punt 76, a), en afdeling 5 (punten 455 tot en met 463) van de richtsnoeren.

60. Indien de aangemelde maatregel(en) de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijdt (overschrijden), leg dan uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij deze aanmelding een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 443 ).

61. Indien u een ontwerp-evaluatieplan verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

62. Bevestig, om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

63. Om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, ingeval momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, verstrek hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal bekendmaken.

64. Overeenkomstig punt 461 van de richtsnoeren,

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

65. Overeenkomstig punt 461 van de richtsnoeren,

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

66. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.K

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.9 – Steun voor energie-infrastructuur

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.9 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Indien nog niet besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van eventuele doelstellingen van de Unie voor de vermindering en verwijdering van de vervoersemissies die met de maatregel moet worden ondersteund.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de interne markt kunnen leiden.

2. Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de maatregel in werking moet treden.

2.2. Indien de maatregel betrekking heeft op een steunregeling, geef dan de looptijd ervan aan ( 444 ).

3. Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de (potentiële) begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaten of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef aan, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren, of in het kader van de maatregel(en) individuele steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (al dan niet in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

3.4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

Volgens de punten 373 en 374 van de richtsnoeren „ valt steun voor energie-infrastructuur in het kader van een wettelijk monopolie niet onder de staatssteunvoorschriften ”. Dit zou het geval kunnen zijn wanneer de bouw en exploitatie van bepaalde infrastructuurvoorzieningen bij wet uitsluitend is voorbehouden voor de transmissiesysteembeheerder (TSB) of distributiesysteembeheerder (DSB). Op dezelfde manier bepaalt punt 375 van de richtsnoeren dat er met investeringen geen staatssteun is gemoeid indien de energie-infrastructuur wordt geëxploiteerd in het kader van een „natuurlijk monopolie”.

Wordt het project aangemeld in het kader van een wettelijk monopolie of valt het onder een „natuurlijk monopolie”?

3.5. Indien het antwoord op de vorige vraag ja luidt, leg dan uit waarom het aangemelde project binnen het kader van een wettelijk en/of natuurlijk monopolie valt, onder verwijzing naar elk cumulatief criterium dat is vastgesteld in punt 374 van de richtsnoeren voor wettelijke monopolies en/of in punt 375 van de richtsnoeren voor natuurlijke monopolies.

4. Budget en financiering van de maatregel(en)

4.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen ( 445 ).

4.2. Indien de maatregelen door middel van een heffing worden gefinancierd, vermeld dan duidelijk of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld; Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(c) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producten;

(d) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(e) 

met de heffing waarmee de aangemelde maatregel wordt gefinancierd, ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.1 (punten 23, 24 en 25) en afdelingen 4.9.1 en 4.9.2 van de richtsnoeren.

5. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef aan, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren, welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

6. Beschrijf, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren, of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

7. Geef ook aan in hoeverre de steun verband houdt met de in de punten 371 en 372 van de richtsnoeren beschreven beleidsmaatregelen.

8. Geef informatie over de reikwijdte en ondersteunde activiteiten van de steunmaatregel(en), zoals vermeld in punt 376 van de richtsnoeren. Gelieve dan ook:

(a) 

ervoor te zorgen dat het project betrekking heeft op een energie-infrastructuur zoals gedefinieerd in punt 19, 36), van de richtsnoeren.

(b) 

ervoor te zorgen dat het project geen betrekking heeft op specifieke infrastructuur en/of andere energie-infrastructuur in combinatie met productie- en/of verbruiksactiviteiten.

(c) 

aan te geven welk soort kosten door de maatregel zal worden ondersteund: investerings- of exploitatiekosten.

(d) 

Ingeval de maatregel exploitatiekosten zal dekken, toon aan dat deze kosten niet kunnen worden verhaald op de gebruikers van het netwerk en geen verband houden met verzonken kosten, en dat de exploitatiesteun leidt tot een gedragswijziging die het mogelijk maakt de doelstellingen inzake voorzieningszekerheid of milieubescherming te verwezenlijken.

1.2.  Stimulerend effect

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.1.2 (punten 26 tot en met 32) van de richtsnoeren.

9. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Voor de beoordeling van de naleving van punt 26 van de richtsnoeren, geef aan hoe de maatregelen „de begunstigde ervan ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren”.

10. Geef, om te beoordelen of aan punt 27 van de richtsnoeren is voldaan, informatie om te bevestigen dat de steun niet de kosten dekt van een activiteit die de begunstigde van de steun hoe dan ook zou uitvoeren en niet het normale zakelijke risico van een economische activiteit compenseert. ( 446 ).

11. Om de aanwezigheid van een stimulerend effect aan te tonen, vereist punt 28 van de richtsnoeren dat het feitelijke scenario en het waarschijnlijke nulscenario zonder steun worden bepaald. Voor infrastructuursteun wordt, zoals aangegeven in punt 52, het nulscenario geacht de situatie te zijn waarin het project niet zou plaatsvinden.

(a) 

Geef een uitgebreide beschrijving van het feitelijke scenario. In geval van regelingen die verschillende referentieprojecten bestrijken ( 447 ), geef een beschrijving van het feitelijke scenario voor elk referentieproject.

(b) 

Voor zover de maatregel geen steunregeling is, voeg bij dit aanmeldingsformulier alle officiële documenten van de raad van bestuur, risicobeoordelingen, financieel verslag, interne bedrijfsplannen, deskundigenadviezen en andere studies met betrekking tot het te beoordelen project, documenten met informatie over vraagprognoses, kostenprognoses, financiële prognoses, documenten die aan een investeringscomité worden overgelegd en waarin investerings-/exploitatiescenario’s zijn uitgewerkt, of documenten die aan de financiële instellingen worden verstrekt overeenkomstig punt 28, voetnoot 39, van de richtsnoeren.

Het moet hierbij gaan om documenten uit dezelfde periode als de periode waarin het investerings-/exploitatiebesluit werd genomen.

Indien dergelijke documenten bij de aanmelding zijn gevoegd, verstrek dan hieronder een lijst van die documenten en vermeld daarbij de auteur, de datum waarop zij zijn opgesteld en de context waarin zij zijn gebruikt.

12. Om aan te tonen dat aan de punten 29 en 31 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat niet met de werkzaamheden aan het project of de activiteit is aangevangen voordat de begunstigde bij de nationale autoriteiten een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend;

OF

(b) 

Voor projecten die vóór de steunaanvraag zijn aangevangen, toon aan dat het project valt onder een van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 31, a), b) of c), van de richtsnoeren.

13. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

14. Om aan te tonen dat aan punt 32 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan of er Unienormen ( 448 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregelen, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld. Verstrek in dat verband informatie om het stimulerende effect aan te tonen.

15. In gevallen waarin er reeds Unienormen zijn aangenomen maar nog niet in werking zijn, toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm ten uitvoer te leggen en te voltooien.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

16. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

17. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de informatie die in het kader van vraag 4.2. is verstrekt, wanneer de aangemelde maatregel(en) wordt (worden) gefinancierd door middel van een heffing.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  De noodzaak en de geschiktheid van staatssteun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.9.3.1 (punten 379 en 380) van de richtsnoeren.

18. Punt 379 van de richtsnoeren bepaalt dat, wat de energie-infrastructuur betreft, marktfalen gewoonlijk wordt aangepakt/gefinancierd door middel van verplichte gebruikerstarieven die aan regelgeving zijn onderworpen. Zoals in punt 380 van de richtsnoeren is vermeld, kan dit echter niet altijd het geval zijn. Leg uit in hoeverre de maatregel marktfalen aanpakt dat niet met verplichte gebruikerstarieven kan worden weggewerkt.

19. Geef aan, tot staving van de noodzaak en de geschiktheid van de staatssteun, onder welke van de verschillende situaties het aangemelde project moet worden beoordeeld:

(a) 

het aangemelde project is een project van gemeenschappelijk belang in de zin van artikel 2, punt 4, van Verordening (EU) nr. 347/2013, dat volledig onder de wetgeving inzake de interne energiemarkt valt. In dat geval is er volgens de Commissie sprake van een vermoeden van marktfalen. De lidstaat hoeft de noodzaak en de geschiktheid van de staatssteun niet nader te rechtvaardigen, of

(b) 

het aangemelde project is geen project van gemeenschappelijk belang zoals hierboven gedefinieerd of een project van gemeenschappelijk belang, maar is geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van de wetgeving inzake de interne energiemarkt, of

(c) 

het project is geen project van gemeenschappelijk belang en is gesloten tussen de Unie en een derde land.

20. Indien het aangemelde project onder de in punt 19, b), genoemde situatie valt, leg dan uit, ter rechtvaardiging van de noodzaak en de geschiktheid van de maatregel, in hoeverre:

— 
marktfalen leidt tot een suboptimaal aanbod van de vereiste infrastructuur;
— 
de infrastructuur openstaat voor toegang van derden en aan tariefregulering s onderworpen;
— 
het project bijdraagt bij tot de voorzieningszekerheid in de Unie of tot de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit in de Unie.

21. Indien het project zich in de in punt 19, c), genoemde situatie bevindt, leg dan uit of i) voor het deel van de infrastructuur dat zich op het grondgebied van de Unie bevindt, het project is gebouwd en geëxploiteerd in overeenstemming met de Uniewetgeving, met name de Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, en ii) voor het deel dat zich in een derde land of betrokken landen bevindt, het project in hoge mate aangepast is aan de regelgeving en de algemene doelstellingen van de Unie ondersteunt, met name om te zorgen voor:

— 
een goed werkende interne energiemarkt;
— 
energievoorzieningszekerheid op basis van samenwerking en solidariteit;
— 
een energiesysteem dat zich ontwikkelt in de richting van decarbonisatie in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs en de klimaatdoelstellingen van de Unie, en met name
— 
het vermijden van koolstoflekkage.

2.1.2.  De evenredigheid van de steun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie de punten 51, 52 en 381 van de richtsnoeren.

22. Overeenkomstig punt 51 van de richtsnoeren kunnen de typische nettomeerkosten worden geraamd als het verschil tussen de netto contante waarde (NPV) voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario over de levensduur van het project of per referentieproject indien van toepassing. Wanneer volgens het nulscenario het project niet zal worden uitgevoerd (zie punt 52 van de richtsnoeren), is de negatieve netto contante waarde van het feitelijke scenario gelijk aan de netto extra kosten.

Vermeld dit in een bijlage bij deze aanmelding (in een Excel-bestand waarin alle formules zichtbaar zijn).

(a) 

Voor het bepalen van de financieringskloof ( 449 ), dien, voor het feitelijke scenario, een kwantificering in van:

(i) 

alle belangrijke kosten en inkomsten van het project;

(ii) 

de geschatte gewogen gemiddelde vermogenskosten (weighted average cost of capital, afgekort „WACC”) van de begunstigden om toekomstige kasstromen te verdisconteren;

(iii) 

de netto contante waarde (net present value afgekort „NPV”) voor het feitelijke scenario, gedurende de looptijd van het project.

(b) 

Vermeld in een bijlage bij dit aanmeldingsformulier gedetailleerde informatie over de aannames, methodieken, redenen en onderliggende bronnen daarvan die worden gebruikt voor elk aspect van de kwantificering van kosten en inkomsten in het feitelijke scenario (vermeld bijvoorbeeld de aannames die zijn gebruikt om het feitelijke scenario te ontwikkelen).

23. Voor gevallen van individuele steun en regelingen die een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen, moet de lidstaat overeenkomstig punt 53 van de richtsnoeren het bewijsmateriaal op het niveau van het gedetailleerde bedrijfsplan van het project presenteren.

In het geval van steunregelingen moet de lidstaat het bewijsmateriaal op basis van een of meer referentieprojecten presenteren.

24. Om de Commissie in staat te stellen na te gaan dat het steunbedrag niet hoger is dan het minimum dat nodig is om het gesteunde project voldoende winstgevend te maken ( 450 ), verstrek de volgende informatie:

(a) 

de interne opbrengstvoet (IRR) die overeenkomt met de sector- of ondernemingsspecifieke benchmark of hurdle rate; of

(b) 

de normale rendementspercentages die door de begunstigde worden verlangd voor andere soortgelijke investeringsprojecten, de kapitaalkosten in hun geheel; of

(c) 

de rendementen die gewoonlijk in de betrokken sector worden waargenomen; of

(d) 

alle andere informatie waaruit blijkt dat het steunbedrag niet hoger is dan het minimum dat nodig is om het gesteunde project voldoende winstgevend te maken.

25. Overeenkomstig punt 381 van de richtsnoeren kan, indien de steun dicht bij het toegestane maximum ligt en er een risico op uitzonderlijke winsten bestaat, een monitoring- en terugvorderingsmechanisme noodzakelijk zijn, waarbij er voor de begunstigden prikkels blijven bestaan om hun kosten zo beperkt mogelijk te houden en de uitbouw van hun activiteiten op termijn efficiënter te laten verlopen. Licht toe of er een monitoring- en terugvorderingsmechanisme bestaat. Zo nee, waarom niet?

2.1.3.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

26. Verduidelijk, voor zover dit niet reeds is gedaan in deel 7.4 van het algemene aanmeldingsformulier (deel I) en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de aangemelde maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek dan nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd. U kunt desgewenst verwijzen naar de hierboven vermelde kwantificering.

27. Indien steun gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten, leg dan uit hoe het totale bedrag aan steun voor een project of activiteit niet leidt tot overcompensatie of het op grond van de punten 51 en 381 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

28. Indien de in het kader van de aangemelde maatregelen verleende steun met centraal beheerde Uniefinanciering wordt gecombineerd, leg overeenkomstig punt 57 van de richtsnoeren ( 451 ) uit hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.1.4.  Transparantie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 62) van de richtsnoeren.

29. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

30. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 4.9.4 (punten 382 en volgende van de richtsnoeren).

31. Indien het aangemelde project geheel of gedeeltelijk is vrijgesteld van de wetgeving inzake de interne energiemarkt, licht dan toe:

— 
in welke mate de gesteunde infrastructuur openstaat voor toegang door derden;
— 
In welke mate klanten eventueel toegang hebben tot eventuele alternatieve infrastructuur;
— 
in welke mate het project kan leiden tot verdringing van particuliere investeringen;
— 
de concurrentiepositie van de begunstigde(n), zowel wat de exploitatie van de infrastructuur als de relevante productmarkten voor het met de infrastructuur vervoerde goed betreft.

32. Indien het aangemelde project een aardgasinfrastructuur is, geef dan informatie over de wijze waarop het aangemelde project aan de volgende voorwaarden zal voldoen:

— 
de infrastructuur is klaar voor het gebruik van waterstof en leidt tot een toename van het gebruik van hernieuwbare gassen; of, in het andere geval, waarom het niet mogelijk is het project zodanig te ontwerpen dat het klaar is voor waterstof en hoe het project geen lock-ineffect voor het gebruik van aardgas creëert;
— 
de investering draagt bij aan de verwezenlijking van de klimaatdoelen van de Unie voor 2030 en het streefdoel om de Unie tegen 2050 klimaatneutraal te maken.

33. Indien het aangemelde project een project van gemeenschappelijk belang of een project van wederzijds belang is dat niet onder de internemarktwetgeving valt, leg dan uit welk effect het project zal hebben op de markten voor aanverwante diensten en op andere dienstenmarkten.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie punt 76, a), en afdeling 5 (punten 455 tot en met 463) van de richtsnoeren.

34. Indien de aangemelde maatregel(en) de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijdt (overschrijden), leg dan uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij deze aanmelding een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 452 ).

35. Indien u een ontwerp-evaluatieplan verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

36. Bevestig, om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

37. Om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, ingeval momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, verstrek hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal bekendmaken.

38. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

39. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

40. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van deel 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.L

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.10 – Steun ten behoeve van stadsverwarming en stadskoeling

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.10 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Indien nog niet besproken in afdeling 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van eventuele doelstellingen van de Unie voor de vermindering en verwijdering van de vervoersemissies die met de maatregel moet worden ondersteund.

1.2. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de interne markt kunnen leiden.

2. Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Geef aan, voor zover dit niet reeds is vermeld in het kader van afdeling 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), op welke datum de steunregeling in werking moet treden.

2.2. Geef de looptijd van de regeling aan ( 453 ).

3. Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de (potentiële) begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaten of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Geef met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren aan of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5. Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder afdeling 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen ( 454 ).

5.2. Indien de maatregelen door middel van een heffing worden gefinancierd, vermeld dan duidelijk of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld; Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de heffing zowel op binnenlandse als op ingevoerde producten wordt geheven;

(c) 

de aangemelde maatregelen in gelijke mate ten goede zullen komen aan binnenlandse en ingevoerde producenten;

(d) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(e) 

met de heffing waarmee de aangemelde maatregel wordt gefinancierd, ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.1 (punten 23, 24 en 25), afdelingen 4.10.1 en 4.10.2 (punten 383 tot en met 390 van de richtsnoeren).

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef aan, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 23 van de richtsnoeren, welke economische activiteiten met behulp van de steun zullen worden vergemakkelijkt en hoe de ontwikkeling van die activiteiten wordt ondersteund.

7. Beschrijf, met het oog op de beoordeling van de naleving van punt 25 van de richtsnoeren, of en hoe de steun zal bijdragen aan de verwezenlijking van doelstellingen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid van de Unie, en meer specifiek de van de steun verwachte baten in termen van de wezenlijke bijdrage ervan aan de bescherming van het milieu, met inbegrip van klimaatmitigatie, of het efficiënte functioneren van de interne energiemarkt.

8. Geef ook aan in hoeverre de steun verband houdt met de in de punten 383 en 384 van de richtsnoeren beschreven beleidsmaatregelen. Verduidelijk op die manier ook of het project hernieuwbare energie bevordert in overeenstemming met artikel 2, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001. Bevestig met name of met de maatregel efficiënte systemen voor stadsverwarming en -koeling in de zin van artikel 26 van Richtlijn (EU) 2023/1791 worden ontwikkeld om verwarming en koeling uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen.

9. Volgens de punten 385 en 386 van de richtsnoeren kan steun die beperkt is tot distributienetten voor stadsverwarming, onder bepaalde omstandigheden worden geacht buiten het staatssteuntoezicht te vallen.

(a) 

Worden met de maatregel distributienetten voor stadsverwarming ondersteund waarvoor toegang door derden, ontvlechting (d.w.z. scheiding tussen opwekking en distributie van verwarming/koeling) en gereguleerde tarieven gelden?

(b) 

Indien het antwoord op punt a) bevestigend is, licht toe of het distributienet onder een wettelijk en/of natuurlijk monopolie zal vallen, aan de hand van de criteria van de punten 374 en 375 van de richtsnoeren.

10. Geef informatie over de precieze reikwijdte en ondersteunde activiteiten van de steunmaatregel(en), zoals vermeld in afdeling 4.10.2 (punten 388 en 389) van de richtsnoeren. Gelieve dan ook:

(a) 

uit te leggen waarom het project onder de definitie van stadsverwarming/stadskoeling in punt 19, 27), van de richtsnoeren en onder de definitie van stadsverwarming en/of stadskoelingssysteem in punt 19 28), van de richtsnoeren valt.

(b) 

uit te leggen of het project de bouw, upgrade of exploitatie ondersteunt van:

— 
een productie-eenheid, en/of
— 
een opslagbedrijf en/of
— 
een distributienetwerk.
(c) 

Als de steun betrekking heeft op een productie-eenheid, leg dan uit welke hulpbronnen deze productie-eenheid gebruikt om elektriciteit, stadsverwarming of -koeling te produceren: hernieuwbare energie, afvalwarmte of hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, met inbegrip van oplossingen voor thermische opslag.

(d) 

Als de steun betrekking heeft op een productie-eenheid die afval gebruikt, bevestig dat de steun beperkt is tot afval dat voldoet aan de definitie van hernieuwbare energiebron of afval dat wordt gebruikt als brandstof voor installaties die voldoen aan de definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling.

(e) 

Indien steun wordt verleend voor de upgrade van een systeem voor stadsverwarming en -koeling, verduidelijk of dit systeem voldoet aan de norm van efficiënte stadsverwarming en -koeling overeenkomstig artikel 2, punt 46, en artikel 26 van Richtlijn (EU) 2023/1791.

(f) 

Geef aan welk soort kosten door de maatregel zal worden ondersteund: investerings- en/of exploitatiekosten.

11. Indien de steun bedoeld is ter ondersteuning van de upgrade van een stadsverwarmings- en -koelingssysteem zonder dat dit ertoe leidt dat het systeem als gevolg van de ondersteunde upgrade voldoet aan de norm van efficiënte stadsverwarming en -koeling in de zin van artikel 26 van Richtlijn (EU) 2023/1791, geef dan de toezegging, overeenkomstig punt 390 van de richtsnoeren, dat de begunstigde binnen drie jaar na de upgradewerkzaamheden een aanvang maakt met de werkzaamheden om aan die efficiëntienorm te voldoen.

1.2.  Stimulerend effect

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.1.2 (punten 26 tot en met 32) van de richtsnoeren.

12. Alleen indien steun een stimulerend effect heeft, kan deze worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt. Voor de beoordeling van de naleving van punt 26 van de richtsnoeren, geef aan hoe de maatregelen „de begunstigde ervan ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen, extra economische activiteiten te ondernemen of milieuvriendelijkere economische activiteiten te ondernemen, die hij zonder de steun niet zou uitvoeren, dan wel beperkt of anders zou uitvoeren”.

13. Geef, om te beoordelen of aan punt 27 van de richtsnoeren is voldaan, informatie om te bevestigen dat de steun niet de kosten dekt van een activiteit die de begunstigde van de steun hoe dan ook zou uitvoeren en niet het normale zakelijke risico van een economische activiteit compenseert. ( 455 ).

14. Geef een uitgebreide beschrijving van het feitelijke scenario en het (de) waarschijnlijke nulscenario (s). In geval van regelingen die verschillende referentieprojecten bestrijken ( 456 ), moet deze beschrijving voor elk referentieproject worden ingediend. Voor de aanleg, upgrade en exploitatie van distributienetwerken wordt aangenomen dat het contrafeitelijke scenario de situatie is waarin het project niet zou plaatsvinden (punt 395 van de richtsnoeren).

(a) 

Zoals bepaald in punt 28, voetnoot 39 van de richtsnoeren, voeg bij dit formulier aanvullende informatie officiële documenten van de raad van bestuur, risicobeoordelingen, financieel verslag, interne bedrijfsplannen, deskundigenadviezen en andere studies met betrekking tot het te beoordelen project, documenten met informatie over vraagprognoses, kostenprognoses, financiële prognoses, documenten die aan een investeringscomité worden overgelegd en waarin investerings-/exploitatiescenario’s zijn uitgewerkt, of documenten die aan de financiële instellingen worden verstrekt.

Het moet hierbij gaan om documenten uit dezelfde periode als de periode waarin het investerings-/exploitatiebesluit werd genomen.

Indien dergelijke documenten bij het formulier aanvullende informatie zijn gevoegd, verstrek dan hieronder een lijst van die documenten en vermeld daarbij de auteur, de datum waarop zij zijn opgesteld en de context waarin zij zijn gebruikt.

(b) 

Verstrek in een bijlage bij dit formulier aanvullende informatie (gebruik makend van een Excel-bestand waarin alle formules zichtbaar zijn) een kwantificering, voor het feitelijke scenario en voor een geloofwaardig nulscenario als beschreven in punt i, van alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet („WACC”) van begunstigden, alsmede de netto contante waarde („NPV”) voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario, over de levensduur van het project. In het geval van individuele steun en regelingen die een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen, moeten die berekeningen en prognoses worden gepresenteerd op het niveau van het gedetailleerde bedrijfsplan van het project, en voor steunregelingen op basis van één of meer referentieprojecten.

(c) 

Vermeld in een bijlage bij dit formulier aanvullende informatie gedetailleerde informatie over de aannames, methodieken, redenen en onderliggende bronnen daarvan die worden gebruikt voor elk aspect van de kwantificering van kosten en inkomsten in het feitelijke scenario en het waarschijnlijke nulscenario (vermeld bijvoorbeeld de aannames die zijn gebruikt om die scenario’s te ontwikkelen).

15. Om aan te tonen dat aan de punten 29 en 31 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat niet met de werkzaamheden aan het project of de activiteit is aangevangen voordat de begunstigde bij de nationale autoriteiten een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend;

OF

(b) 

Voor projecten die vóór de steunaanvraag zijn aangevangen, toon aan dat het project valt onder een van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 31, a), b) of c), van de richtsnoeren ( 457 ).

16. Om aan te tonen dat aan punt 30 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de projectaanvraag ten minste de naam van de aanvrager, een beschrijving van het project of de activiteit, waaronder de locatie, en het voor de uitvoering daarvan benodigde bedrag bevat.

17. Om aan te tonen dat aan punt 32 van de richtsnoeren is voldaan, geef aan of er Unienormen ( 458 ) van toepassing zijn op de aangemelde maatregelen, verplichte nationale normen die strenger of ambitieuzer zijn dan de overeenkomstige Unienormen, of verplichte nationale normen die bij ontstentenis van Unienormen zijn vastgesteld. Verstrek in dat verband informatie om het stimulerende effect aan te tonen.

18. In gevallen waarin er reeds Unienormen zijn aangenomen maar nog niet in werking zijn, toon aan dat de steun een stimulerend effect heeft omdat hij een stimulans bevat om de investering ten minste 18 maanden voor de inwerkingtreding van de norm ten uitvoer te leggen en te voltooien.

1.3.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

19. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

20. Indien een heffing wordt gebruikt om de maatregel(en) te financieren, verduidelijk dan of de naleving van de artikelen 30 en 110 van het Verdrag moet worden beoordeeld. Indien dit het geval is, toon dan aan hoe de maatregel in overeenstemming is met de artikelen 30 en 110 van het Verdrag. In dit verband kan worden verwezen naar de informatie die in het kader van vraag 5.2. is verstrekt, wanneer de aangemelde maatregel(en) wordt (worden) gefinancierd door middel van een heffing.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Noodzaak en geschiktheid van staatssteun

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.10.3 (punten 391, 392 en 393) van de richtsnoeren.

21. Leg nader uit hoe het project zal bijdragen tot de totstandbrenging, uitbreiding of upgrade van efficiënte systemen voor stadsverwarming en -koeling.

22. Indien de maatregel bij wijze van uitzondering exploitatiekosten dekt, toon dan overeenkomstig punt 392 van de richtsnoeren aan dat deze kosten niet kunnen worden doorberekend aan afnemers van stadsverwarming en -koeling zonder de milieubescherming te ondermijnen. Toon aan dat de ondersteunde stadsverwarmings- en -koelingssystemen de energie-efficiëntie verhogen, de CO2-emissies en andere bronnen van verontreiniging verminderen, alsook netwerkverliezen verminderen in vergelijking met alternatieve oplossingen voor stadsverwarming en -koeling.

23. Indien het project gebaseerd is op afval als inputbrandstof, licht dan overeenkomstig punt 393 van de richtsnoeren toe hoe het project het beginsel van de afvalhiërarchie nakomt (artikel 4, punt 1), van Richtlijn (EU) 2008/98).

2.1.2.  De evenredigheid van de steun

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.3 en afdeling 4.10.4 (punten 394 tot en met 395) van de richtsnoeren.

24. Om na te gaan of aan punt 51 van de richtsnoeren is voldaan, geef de volgende informatie:

(a) 

Voor het bepalen van de financieringskloof ( 459 ), verstrek voor het feitelijke scenario en een geloofwaardig nulscenario ( 460 ) een kwantificering van:

(i) 

alle belangrijke kosten en inkomsten van het project;

(ii) 

de geschatte gewogen gemiddelde vermogenskosten (weighted average cost of capital, afgekort „WACC”) van de begunstigden om toekomstige kasstromen te verdisconteren;

(iii) 

de netto contante waarde (net present value afgekort „NPV”) voor het feitelijke scenario en het nulscenario, gedurende de looptijd van het project.

(b) 

een verantwoording van de aannames die voor elk aspect van de kwantificering worden gebruikt, en uitleg en verantwoording voor de gehanteerde methodieken.

In het geval van individuele steun en regelingen die een bijzonder beperkt aantal begunstigden ten goede komen, moet de lidstaat het bewijsmateriaal op het niveau van het gedetailleerde bedrijfsplan van het project presenteren.

In het geval van steunregelingen moet de lidstaat het bewijsmateriaal op basis van een of meer referentieprojecten presenteren.

25. Indien er geen alternatief project bestaat, verstrek dat de volgende informatie, om de Commissie in staat te stellen na te gaan dat het steunbedrag niet hoger is dan het minimum dat nodig is om het gesteunde project voldoende winstgevend te maken ( 461 ):

(a) 

de interne opbrengstvoet (IRR) die overeenkomt met de sector- of ondernemingsspecifieke benchmark of hurdle rate; of

(b) 

de normale rendementspercentages die door de begunstigde worden verlangd voor andere soortgelijke investeringsprojecten, de kapitaalkosten in hun geheel; of

(c) 

de rendementen die gewoonlijk in de betrokken sector worden waargenomen; of

(d) 

alle andere informatie waaruit blijkt dat het steunbedrag niet hoger is dan het minimum dat nodig is om het gesteunde project voldoende winstgevend te maken.

2.1.3.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

26. Verduidelijk, om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de aangemelde maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek dan nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd.

27. Indien punt 56 van de richtsnoeren op de aangemelde steunmaatregel(en) van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de aangemelde maatregelen voor een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van de punt 394 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

28. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 462 ), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.1.4.  Transparantie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 61) van de richtsnoeren.

29. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

30. Geef de internetlink waar de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of informatie over iedere individuele steunverlening die ad-hoc of in het kader van een op grond van de richtsnoeren goedgekeurde steunregeling is toegekend en meer dan 100 000  EUR bedraagt, wordt bekendgemaakt.

2.2.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.10.5 (punten 396, 397 en 398) van de richtsnoeren.

31. Indien de systemen voor stadsverwarming en -koeling afhankelijk zijn van de meest vervuilende fossiele brandstoffen zoals steenkool, bruinkool, olie en diesel, leg dan uit of overeenkomstig punt 396 van de richtsnoeren aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

(a) 

de steun blijft beperkt tot investeringen in het distributienetwerk;

(b) 

het is reeds mogelijk om met het distributienetwerk warmte of koude te transporteren die met hernieuwbare energiebronnen, afvalwarmte of koolstofneutrale bronnen is geproduceerd;

(c) 

de steun resulteert niet in een toegenomen productie van energie uit de meest vervuilende fossiele brandstoffen (bv. door extra klanten aan te sluiten);

(d) 

er is een duidelijk tijdsschema met harde toezeggingen voor een transitie weg van de meest vervuilende fossiele brandstoffen, in het licht van het klimaatdoel van de Unie voor 2030 en het streefdoel om de Unie tegen 2050 klimaatneutraal te maken (zie voorbeeld in voetnoot 156 van de richtsnoeren).

32. Indien het project nieuwe investeringen in aardgas of de exploitatie van activa voor energieopwekking op basis van aardgas stimuleert, leg dan in overeenstemming met punt 397 van de richtsnoeren uit of het project het volgende waarborgt:

(a) 

de investering draagt bij aan de verwezenlijking van de klimaatdoelen van de Unie voor 2030 en het streefdoel om de Unie tegen 2050 klimaatneutraal te maken;

(b) 

hoe een lock-ineffect van de gasgestookte energieopwekking zal worden vermeden;

(c) 

hoe de steun investeringen in schonere alternatieven die reeds op de markt beschikbaar zijn, niet vervangt en de ontwikkeling en het gebruik van schonere technologieën niet belemmert.

33. Verduidelijk of het systeem voor stadsverwarming en -koeling toegankelijk is voor derden, met het oog op de naleving van punt 398 van de richtsnoeren, en of het gebruik van duurzame alternatieve verwarmingsoplossingen mogelijk is.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie punt 76, a), en afdeling 5 (punten 455 tot en met 463) van de richtsnoeren.

34. Indien de aangemelde maatregelen de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijden, leg uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij dit formulier aanvullende informatie voor staatssteun een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 463 ).

35. Indien u een ontwerp-evaluatieplan verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

36. Bevestig, om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

37. Om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, ingeval momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, verstrek hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal bekendmaken.

38. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

39. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

40. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van deel 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.6.M

Formulier aanvullende informatie voor staatssteun verleend in het kader van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (hierna „de richtsnoeren” genoemd) - Afdeling 4.11 - Steun in de vorm van kortingen op elektriciteitsheffingen voor energie-intensieve gebruikers

Dit formulier aanvullende informatie heeft betrekking op maatregelen die onder afdeling 4.11 van de richtsnoeren vallen. Indien de kennisgeving maatregelen omvat die onder meer dan één afdeling van de richtsnoeren vallen, vul dan, zodra beschikbaar, ook het desbetreffende formulier aanvullende informatie in dat betrekking heeft op de desbetreffende afdeling van de richtsnoeren.

Alle documenten die lidstaten als bijlagen bij dit formulier aanvullende informatie verstrekken, moeten genummerd zijn en de nummers van de documenten moeten worden aangegeven in het desbetreffende deel van dit formulier.

Afdeling A:   Samenvatting van de belangrijkste kenmerken van de aangemelde maatregel(en)

1. Achtergrond en doelstelling(en) van de aangemelde maatregel(en)

1.1. Geef aan of het gaat om een nieuwe maatregel of om een wijziging van een bestaande maatregel. Indien het een wijziging betreft, geef dan nadere gegevens over de wijzigingen in de regeling.

1.2. Indien dit nog niet is besproken in deel 5.2 van het formulier algemene informatie (deel I), geef dan de achtergrond en de hoofddoelstelling, met inbegrip van het verband met milieudoelstellingen van de Unie die met de maatregel moet worden ondersteund.

1.3. Geef aan welke andere doelstellingen met de maatregel worden nagestreefd. Leg voor doelstellingen die niet uitsluitend betrekking hebben op het milieu uit of zij tot verstoringen van de interne markt kunnen leiden.

2. Inwerkingtreding en looptijd:

2.1. Indien de informatie nog niet is verstrekt in deel 5.5 van het formulier algemene informatie (deel I), vermeld:

(a) 

Voor een steunregeling:

— 
de datum waarop de regeling naar verwachting in werking zal treden:
— 
De looptijd van de regeling ( 464 ).
(b) 

voor individuele steun:

— 
de (geplande) datum van toekenning van de steun (belofte van de steun):
en
— 
de betalingsdatum (eerste betalingsdatum indien verschillende opeenvolgende betalingen zijn gepland):

3. Begunstigde(n)

3.1. Indien dit nog niet is vermeld in afdeling 3 van het formulier algemene informatie (deel I), beschrijf dan de (potentiële) begunstigde(n) van de maatregel(en).

3.2. Vermeld de locatie van de (potentiële) begunstigde(n) (d.w.z. of alleen economische entiteiten in de desbetreffende lidstaten of ook in andere lidstaten in aanmerking komen voor deelname aan de maatregel).

3.3. Voor de beoordeling van de naleving van punt 15 van de richtsnoeren, geef aan of in het kader van de maatregel(en) steun wordt verleend ten behoeve van een onderneming (op individuele basis of in het kader van een regeling) ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.

Indien dit het geval is, geef dan informatie over het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd, zodat de Commissie hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de steunmaatregel(en).

4. Bevestig dat de maatregel(en) geen steun inhoudt (inhouden) voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de richtsnoeren vallen (zie punt 13 van de richtsnoeren). Als dat niet het geval is, verstrek dan nadere informatie.

5. Budget en financiering van de maatregel(en)

5.1. Indien dit niet reeds vermeld is in de tabel onder deel 7.1 van het formulier algemene informatie (deel I), vul dan het jaarlijkse en/of totale budget voor de gehele looptijd van de maatregel(en) in; indien het totale budget niet bekend is (bijvoorbeeld omdat het afhankelijk is van de resultaten van de inschrijvingen), geef dan een geraamd budget op, met inbegrip van de aannames die zijn gebruikt om het respectieve geraamde budget te berekenen. ( 465 )

5.2. Aangezien de maatregel betrekking heeft op een heffing, geef aan of:

(a) 

de heffing bij wet of een andere wetgevingshandeling is vastgesteld; Zo ja, vermeld de rechtshandeling, het nummer en de datum waarop deze is vastgesteld en in werking is getreden, en de internetlink naar de rechtshandeling;

(b) 

de korting op de heffing wordt gefinancierd door een verhoging van de heffing voor andere verbruikers.

(c) 

de maatregel met de heffing volledig of slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd. Indien de maatregel met de heffing slechts gedeeltelijk wordt gefinancierd, vermeld dan de andere financieringsbronnen van de maatregel en hun respectieve aandeel;

(d) 

met de heffing waarmee de aangemelde maatregel wordt gefinancierd, ook andere steunmaatregelen worden gefinancierd. Indien dit het geval is, vermeld dan de andere steunmaatregelen die met de betrokken heffing worden gefinancierd.

Afdeling B:   Verenigbaarheidsbeoordeling van de steun

1. POSITIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Bijdrage aan de ontwikkeling van een vorm van economische bedrijvigheid en stimulerend effect

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie afdeling 4.11.1 van de richtsnoeren.

6. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken verenigbaar kan verklaren, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, moet dus bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Voorts kan steun alleen worden beschouwd als een maatregel die een economische activiteit vergemakkelijkt, indien hij een stimulerend effect heeft. Er is sprake van een stimulerend effect indien de steun de begunstigde ertoe aanzet zijn gedrag te veranderen in de richting van de ontwikkeling van een met de steun nagestreefde economische bedrijvigheid en indien de gedragsverandering zonder de steun anders niet zou plaatsvinden.

(a) 

Leg uit hoe het mechanisme van heffingskortingen stimulansen biedt aan in aanmerking komende ondernemingen om het risico te vermijden dat activiteiten worden verplaatst buiten de Unie waar er geen of minder ambitieuze milieuvoorschriften gelden, of stimulansen om de elektrificatie van productieprocessen aan te moedigen overeenkomstig punt 400 van de richtsnoeren.

(b) 

Geef aan in welk deel van de (ontwerp-)rechtsgrondslag deze overweging is opgenomen.

1.2.  Geen schending van relevante bepalingen van het Unierecht

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.1.3 (punt 33) van de richtsnoeren.

7. Verstrek informatie om de naleving van de relevante bepalingen van het EU-recht, overeenkomstig punt 33 van de richtsnoeren, te bevestigen.

2. NEGATIEVE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

2.1.  Verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer tot een minimum beperken

2.1.1.  Noodzaak en geschiktheid van staatssteun

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.11.2 en punt 413 van de richtsnoeren.

8. Punt 403 van de richtsnoeren is van toepassing op heffingskortingen op elektriciteitsverbruik waarmee energie- en milieudoelstellingen worden gefinancierd. Geef voor elk van de heffingen waarvoor kortingen worden overwogen, een volledige en gedetailleerde beschrijving van de aard, de reikwijdte en de toepassing van de heffingen, door uit te leggen hoe het heffingenstelsel in de praktijk werkt (werking van de regeling en de steunverlenende autoriteit) en door gedetailleerde verwijzingen naar het regelgevingskader (rechtsgrondslag).

Verstrek met name informatie over de volgende elementen:

(a) 

het doel van elke heffing (met toelichting over hoe de inkomsten uit elke heffing worden gebruikt);

(b) 

hoe en aan wie de heffing wordt opgelegd; de grondslag waarop de heffing wordt opgelegd aan een onderneming; de methode voor de berekening van het tarief van de heffing; de vraag of, waarom en hoe verschillende tarieven van de heffing worden toegepast op de grondslag van de heffing; hoe vaak en op welke basis het heffingstarief wordt herzien;

(c) 

een beschrijving van de verschillende entiteiten die betrokken zijn bij de vaststelling en herziening van de heffing, alsmede van de entiteiten die betrokken zijn bij de inning en het beheer van de inkomsten uit de heffing;

(d) 

een beschrijving van hoe het systeem voor de inning en herverdeling van heffingen werkt;

(e) 

vermeld de meest recente jaarcijfers over de toegepaste heffingstarieven en de totale inkomsten. Geef, indien beschikbaar, prognoses voor de toekomst;

9. In punt 404 van de richtsnoeren is bepaald dat de lidstaten alle kortingen van mogelijk meervoudige elektriciteitsheffingen voor energie-intensieve gebruikers moeten opnemen in één regeling en de Commissie in kennis moeten stellen van het gecumuleerde effect van alle in aanmerking komende heffingen en alle voorgenomen heffingskortingen.

(a) 

Bevestig dat alle op grond van afdeling 4.11 van de richtsnoeren toe te kennen heffingskortingen onder de aangemelde maatregel vallen en dat mogelijke toekomstige kortingen op heffingen die niet onder de regeling vallen, zullen worden aangemeld door middel van een wijziging van de aangemelde maatregel.

(b) 

Geef op basis van de afgelopen jaren en mogelijke prognoses informatie over het gecumuleerde effect van alle relevante heffingen (zowel in absolute als in relatieve termen, in vergelijking met de totale elektriciteitskosten en de totale heffingen, retributies en belastingen op elektriciteit) en van de daarmee samenhangende kortingen voor de begunstigden in het kader van de aangemelde regeling.

10. Beschrijf of de steun in het kader van de aangemelde maatregel de vorm zal aannemen van een korting vooraf op de heffingen, een compensatiebedrag achteraf (terugbetaling) of een combinatie van beide. Vermeld in uw antwoord specifieke verwijzingen naar de (ontwerp-)rechtsgrondslag (bv. artikel 7, lid 3).

(a) 

Indien de steun in de vorm van heffingskortingen wordt toegekend, bevestig dan overeenkomstig punt 413 van de richtsnoeren:

(i) 

dat er een mechanisme voor monitoring achteraf bestaat;

(ii) 

en dat eventueel te veel betaalde steun vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar zal worden terugbetaald. Vermeld waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag.

(b) 

Indien de steun overeenkomstig punt 413, laatste volzin, van de richtsnoeren wordt toegekend in de vorm van een teruggaaf, bevestig dat deze wordt berekend op basis van de waargenomen niveaus van elektriciteitsverbruik en, in voorkomend geval, de bruto toegevoegde waarde over de periode waarin de in aanmerking komende heffingen van toepassing waren.

2.2.  Subsidiabiliteit

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.11.3.1 (punten 405, 406 en 407) van de richtsnoeren.

11. Punt 405 van de richtsnoeren definieert elektriciteitsintensieve sectoren als sectoren die „een aanzienlijk risico lopen” (punt a)) en sectoren die „risico lopen” (punt b)). Om na te gaan of aan punt 405 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat alle in aanmerking komende elektriciteitsintensieve sectoren die in het kader van de aangemelde maatregel „een aanzienlijk risico lopen” en „risico lopen”, zijn opgenomen in de desbetreffende delen van bijlage I bij de richtsnoeren, en in de bijlage bij dit formulier de lijsten verstrekken van „aanzienlijk risico” en „risico” lopende NACE-4-sectoren die in aanmerking komen voor steun in het kader van de maatregel, met vermelding van de plaats waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag (bv. artikel 7, lid 3).

12. Volgens punt 406 van de richtsnoeren wordt een niet in bijlage I bij de richtsnoeren opgenomen sector of subsector ( 466 ) ook als een in aanmerking komende sector of subsector beschouwd, mits hij voldoet aan de subsidiabiliteitscriteria van punt 405. Indien de steun in het kader van de aangemelde maatregel ook bestemd is voor niet in bijlage I bij de richtsnoeren opgenomen sectoren en/of subsectoren:

(a) 

toon aan dat de methode van punt 405 van de richtsnoeren voor elke (sub)sector wordt nageleefd;

(b) 

verstrek in de bijlage bij dit formulier gegevens die representatief zijn voor de sector of subsector op het niveau van de Unie ( 467 ), geverifieerd door een onafhankelijke deskundige en gebaseerd op een periode van ten minste drie opeenvolgende jaren die niet eerder dan 2013 begint.

13. Beschrijf hoe de aanvragers moeten aantonen dat zij actief zijn in een in aanmerking komende sector, met vermelding van de plaats waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag (bv. artikel 7, lid 3).

14. Geef alle andere voorwaarden om in aanmerking te komen voor steun in het kader van de aangemelde maatregel, met vermelding van de plaats waar deze informatie in de rechtsgrondslag te vinden is (bv. artikel 7, lid 3). Licht met name toe a) of begunstigden of (sub)sectoren die in beginsel in aanmerking komen uit hoofde van bijlage I bij de richtsnoeren, zijn uitgesloten, b) of er aanvullende subsidiabiliteitscriteria zijn die van toepassing zouden zijn en niet in afdeling 4.11 van de richtsnoeren worden vermeld, en c) of verschillende heffingskortingen worden overwogen voor begunstigden in dezelfde categorie.

15. Overeenkomstig punt 407 van de richtsnoeren kunnen de in aanmerking komende begunstigden van de maatregel verder worden beperkt. Indien dat het geval is, leg voor elk van deze aanvullende subsidiabiliteitsvoorwaarden de onderliggende motieven uit en toon aan dat i) de desbetreffende voorwaarde gebaseerd is op objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria en dat ii) de steun in beginsel op dezelfde wijze wordt toegekend aan alle in aanmerking komende begunstigden in dezelfde sector indien zij zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden.

2.3.  De evenredigheid van de steun (steun beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstelling ervan), met inbegrip van cumulatie

2.3.1.  De evenredigheid van de steun

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.11.3.2 en punt 407 van de richtsnoeren.

16. Om aan te tonen dat aan de bepalingen van afdeling 4.11.3.2 en punt 407 van de richtsnoeren is voldaan, geef een volledige en gedetailleerde beschrijving van de methode voor de berekening van de heffingskortingen die van toepassing zijn op de in aanmerking komende begunstigden, met vermelding van de plaats waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag (bv. artikel 7, lid 3). Met name:

(a) 

vermeld het maximale percentage van korting op de heffing dat van toepassing is op ondernemingen die actief zijn in de respectieve sectoren met een „aanzienlijk risico” en een „risico”;

(b) 

vermeld of de aangemelde maatregel, in vergelijking met punt i hierboven, voorziet in een verdere beperking van de extra kosten die voortvloeien uit de desbetreffende elektriciteitsheffingen. Indien dat het geval is, a) geef dan de waarde van dergelijke limieten ten opzichte van de bruto toegevoegde waarde van ondernemingen die actief zijn in „risico” en „aanzienlijk risico” lopende sectoren, en b) beschrijf hoe de bruto toegevoegde waarde van in aanmerking komende „risico” en „aanzienlijk risico” lopende sectoren” wordt berekend;

(c) 

Bevestig dat heffingskortingen niet resulteren in een heffing van minder dan 0,5 EUR/MWh.

17. Geef aan of de aangemelde maatregel, in overeenstemming met punt 410 van de richtsnoeren, voorziet in hogere steunintensiteiten voor ondernemingen in „risico” lopende sectoren die de koolstofvoetafdruk van hun elektriciteitsverbruik verkleinen.

indien, dat het geval is:

(a) 

beschrijf de hogere steunintensiteiten en bevestig de daarmee gerelateerde voorwaarden waaraan de betrokken ondernemingen moeten voldoen (d.w.z. 50 % van het elektriciteitsverbruik uit koolstofvrije bronnen, waarvan ten minste 10 % wordt gedekt met een termijninstrument zoals een PPA of ten minste 5 % wordt gedekt met ter plaatse of in de buurt geproduceerde elektriciteit). Geef aan waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag (bv. artikel 7, lid 3).

(b) 

Beschrijf hoe de naleving van deze voorwaarden zal worden gemonitord en, in het geval van monitoring achteraf, wat het effect zou zijn in geval van niet-naleving door een onderneming.

18. Beschrijf, indien van toepassing, eventuele verdere modulatie van het heffingskortingspercentage naargelang het gaat om begunstigden in sectoren die respectievelijk „risico” en „aanzienlijk risico” lopen en geef aan waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag (bv. artikel 7, lid 3). Toon aan dat a) verschillende heffingskortingen gebaseerd zijn op objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria en dat b) de steun voor alle in aanmerking komende begunstigden in dezelfde sector in beginsel op dezelfde wijze wordt toegekend indien zij zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden.

2.3.2.  Energieaudits en energiebeheersystemen

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.11.3.4 van de richtsnoeren.

19. Beschrijf, in overeenstemming met punt 414 van de richtsnoeren, hoe de nationale autoriteiten in het kader van de aangemelde maatregel zullen nagaan of de begunstigden voldoen aan de verplichting om een energieaudit uit te voeren in de zin van artikel 8 van Richtlijn 2012/27/EU. Vermeld waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag. (bv. artikel 7, lid 3).

20. Volgens punt 415 van de richtsnoeren moeten begunstigden die een energieaudit moeten uitvoeren, voldoen aan ten minste een van de volgende drie opties, namelijk a) het uitvoeren van auditaanbevelingen, voor zover de terugverdientijd maximaal drie jaar bedraagt en de kosten van hun investeringen evenredig zijn, of b) het dekken van ten minste 30 % van hun elektriciteitsverbruik met koolstofvrije bronnen, of c) ten minste 50 % van de steun investeren in projecten die leiden tot aanzienlijke reducties van de broeikasgasemissies. Beschrijf hoe de nationale autoriteiten in het kader van de aangemelde maatregel erop zullen toezien dat begunstigden die krachtens artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU een energieaudit moeten uitvoeren, voldoen aan een of meer van de drie opties van punt 415 van de richtsnoeren. Geef aan waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag (bv. artikel 7, lid 3). Beschrijf met name voor elke optie waarin de aangemelde maatregel voorziet:

(a) 

hoe de begunstigden precies moeten aantonen dat zij aan de eisen voldoen;

(b) 

wanneer de termijn is vastgesteld om aan de vereisten te voldoen (bv. om de betrokken investeringen binnen één jaar na de toekenning van de steun te voltooien) en hoe vaak de begunstigden zullen moeten aantonen dat zij aan de voorwaarden voldoen (bv. op jaarbasis);

(c) 

hoe en hoe vaak de naleving van de voorwaarden zal worden gemonitord (bv. jaarlijks);

(d) 

welke gevolgen niet-naleving heeft voor de begunstigden (bv. weigering om de steun te verlenen bij verificatie vooraf, of terugbetaling van de reeds toegekende steun, bij verificatie achteraf).

2.3.3.  Cumulatie

Voor de informatie die in deze afdeling moet worden verstrekt, zie de punten 56 en 57 van de richtsnoeren.

21. Verduidelijk, voor zover dit niet reeds is gedaan in deel I van het algemene aanmeldingsformulier en om na te gaan of aan punt 56 van de richtsnoeren is voldaan, of de steun in het kader van de aangemelde maatregel(en) gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen kan worden toegekend of kan worden gecumuleerd met ad-hocsteun of de-minimissteun met betrekking tot dezelfde in aanmerking komende kosten. Indien dit het geval is, verstrek dan nadere bijzonderheden over die steunregelingen, ad-hocsteun of de-minimissteun en hoe de steun zal worden gecumuleerd.

22. Indien punt 56 van de richtsnoeren op de aangemelde steunmaatregel(en) van toepassing is, onderbouw dan hoe het totale bedrag aan steun dat in het kader van de aangemelde maatregelen voor een activiteit wordt toegekend, niet leidt tot overcompensatie en het op grond van de punten 408, 409 en 410 van de richtsnoeren toegestane maximale steunbedrag niet overschrijdt. Geef aan, voor elke maatregel waarmee de in het kader van de aangemelde steunmaatregel(en) verleende steun kan worden gecumuleerd, welke methode wordt gebruikt om de voorwaarden van punt 56 van de richtsnoeren na te leven.

23. Indien punt 57 van de richtsnoeren van toepassing is, d.w.z. dat de in het kader van de aangemelde maatregel(en) verleende steun wordt gecombineerd met centraal beheerde Uniefinanciering ( 468 ), onderbouw dan hoe het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet tot overcompensatie leidt.

2.3.4.  Overgangsregels

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 4.11.3.5 van de richtsnoeren.

24. Geef aan of deze aanmelding niet-aangemelde steun omvat die in de periode voor de publicatie van de richtsnoeren is verleend in de vorm van kortingen op elektriciteitsheffingen voor energie-intensieve gebruikers. Zo ja, leg uit hoe de niet-aangemelde steun in overeenstemming is met punt 419, a) en b), van de richtsnoeren.

25. Vermeld of de aangemelde maatregel een overgangsplan bevat om ontwrichtende wijzigingen in de heffingsdruk te vermijden voor individuele ondernemingen die niet voldoen aan de in afdeling 4.11 van de richtsnoeren vastgestelde subsidiabiliteitsvoorwaarden. Zo ja, beantwoord de volgende vragen van deze afdeling.

26. Leg uit, overeenkomstig punt 416 van de richtsnoeren, hoe de subsidiabiliteit voor het overgangsplan beperkt zal zijn tot ondernemingen die i) voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria van afdeling 3.7.2 van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020, en ii) steun in de vorm van heffingskortingen hebben ontvangen in ten minste één van de laatste twee jaren vóór de wijziging van bestaande steunregelingen om deze in overeenstemming te brengen met de richtsnoeren. Vermeld waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag (bv. artikel 7, lid 3).

27. Beschrijf hoe het overgangsplan zal leiden tot een geleidelijke en volledige aanpassing van de voorwaarden die voortvloeien uit de toepassing van de subsidiabiliteits- en evenredigheidscriteria van afdeling 4.11 van de richtsnoeren, en met name hoe de steunintensiteit in de loop van de tijd afneemt en hoe het plafond voor de bruto toegevoegde waarde in de loop van de tijd toeneemt overeenkomstig het in punt 417 van de richtsnoeren genoemde tijdschema. Vermeld specifiek waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag (bv. artikel 7, lid 3).

28. Geef aan of het overgangsplan bij wijze van uitzondering vaste steunintensiteiten gedurende de gehele overgangsperiode toestaat, op voorwaarde dat de betrokken ondernemingen de koolstofvoetafdruk van hun elektriciteitsverbruik verkleinen overeenkomstig de voorwaarden van punt 418 van de richtsnoeren (d.w.z. 50 % van het elektriciteitsverbruik uit koolstofvrije bronnen, waarvan ten minste 10 % van een termijninstrument zoals een PPA, of ten minste 5 % van de productie ter plaatse of nabij de locatie). Zo ja, geef aan waar deze informatie te vinden is in de (ontwerp-)rechtsgrondslag (bv. artikel 7, lid 3) en leg uit hoe de naleving van punt 418 van de richtsnoeren wordt gewaarborgd en gecontroleerd door de nationale autoriteiten.

2.4.  Transparantie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.1.4 (punten 58 tot en met 62) van de richtsnoeren.

29. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van de punten 58 tot en met 61 van de richtsnoeren.

30. Om na te gaan of aan punt 61 van de richtsnoeren is voldaan, bevestig dat de in punt 58, b), verstrekte informatie beschikbaar zal blijven gedurende ten minste tien jaar vanaf de datum waarop de steun is toegekend, teneinde de handhaving van de staatssteunregels uit hoofde van het Verdrag mogelijk te maken.

2.5.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.2.2 van de richtsnoeren.

31. Om na te gaan of aan punt 70 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

bevestig dat de looptijd van de regeling maximaal tien jaar is, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het besluit van de Commissie waarbij de steun verenigbaar werd verklaard;

(b) 

bevestig dat, indien een lidstaat de maatregel na die maximumperiode van tien jaar wenst te verlengen, hij de maatregel opnieuw zal aanmelden.

3. AFWEGING TUSSEN DE POSITIEVE EFFECTEN VAN DE STEUN EN DE NEGATIEVE EFFECTEN ERVAN OP DE MEDEDINGING EN HET HANDELSVERKEER

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 3.3 (punten 71 tot en met 76) en punten 400, 401 en 402 van de richtsnoeren.

32. Verduidelijk in overeenstemming met punt 75 van de richtsnoeren of de aangemelde maatregel kenmerken bevat om de deelname van kmo’s te vergemakkelijken. Indien dit het geval is, geef dan informatie over die kenmerken en onderbouw hoe de positieve effecten van het waarborgen van de deelname en aanvaarding van kmo’s in de aangemelde maatregelen opwegen tegen de mogelijke verstorende effecten.

33. Wat de toepassing van punt 76, c), van de richtsnoeren betreft, geef aan of voor de steunmaatregel(en) een beperking in de tijd geldt.

Afdeling C:   Evaluatie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie punt 76, a), en afdeling 5 (punten 455 tot en met 463) van de richtsnoeren.

34. Indien de aangemelde maatregelen de budget- of uitgavendrempels in punt 456 van de richtsnoeren overschrijden, leg uit waarom volgens u de uitzondering in punt 457 van de richtsnoeren van toepassing moet zijn, of voeg bij dit formulier aanvullende informatie voor staatssteun een bijlage die een ontwerp-evaluatieplan bevat dat de in punt 458 van de richtsnoeren vermelde werkingssfeer bestrijkt ( 469 ).

35. Indien u een ontwerp-evaluatieplan verstrekt:

(a) 

verstrek hieronder een samenvatting van dat ontwerp-evaluatieplan dat in de bijlage is opgenomen;

(b) 

bevestig dat punt 460 van de richtsnoeren zal worden nageleefd;

(c) 

vermeld de datum en de internetlink waar het evaluatieplan openbaar zal worden gemaakt.

36. Bevestig, om na te gaan of aan punt 459, b), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd en de looptijd ervan meer dan drie jaar bedraagt, dat u uiterlijk dertig werkdagen na een aanzienlijke wijziging waarbij het budget van de regeling is verhoogd tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling, een ontwerp-evaluatieplan zult aanmelden.

37. Om na te gaan of aan punt 459, c), van de richtsnoeren is voldaan, indien momenteel voor de steunregeling geen evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd, geef hieronder de toezegging dat de lidstaat uiterlijk dertig werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van meer dan 150 miljoen EUR aan uitgaven in het voorafgaande jaar, een ontwerp-evaluatieplan zal aanmelden.

38. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

geef aan of de onafhankelijke deskundige reeds is geselecteerd of in de toekomst zal worden geselecteerd;

(b) 

verstrek informatie over de procedure voor de selectie van de deskundige;

(c) 

onderbouw hoe de deskundige onafhankelijk is van de toekennende autoriteit.

39. Om na te gaan of aan punt 461 van de richtsnoeren is voldaan:

(a) 

vermeld de door u voorgestelde termijnen voor de indiening van het tussentijdse en het eindevaluatieverslag. Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en uiterlijk negen maanden voordat de regeling afloopt, in overeenstemming met punt 463 van de richtsnoeren. Die termijn kan worden verkort voor regelingen waarbij de evaluatieverplichting in de twee laatste jaren van uitvoering wordt geactiveerd;

(b) 

bevestig dat het tussentijdse en het eindevaluatieverslag openbaar zullen worden gemaakt. Vermeld dan de datum en de internetlink waar die verslagen openbaar zullen worden gemaakt.

Afdeling D:   Rapportage en monitoring

Voor de in dit deel te verstrekken informatie, zie afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

40. Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake rapportage en monitoring van afdeling 6 (punten 464 en 465) van de richtsnoeren.

DEEL III.7

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE VOOR RISICOFINANCIERINGSSTEUN

Wanneer u een steunregeling aanmeldt die valt onder de richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen (hierna „de richtsnoeren” genoemd)  ( 470 ) , moet u dit formulier invullen naast het formulier „Deel I. Algemene informatie”. De definities vindt u in punt 35 van de richtsnoeren.

Gelieve samen met dit formulier aanvullende informatie een diepgaande ex-antebeoordeling in te dienen waarin het specifieke marktfalen of een andere relevante belemmering wordt aangetoond en wordt gemotiveerd hoe de aangemelde regeling noodzakelijk, passend en evenredig is om deze aan te pakken  ( 471 ).

1. TOEPASSINGSGEBIED

1.1.  Waarom meldt u de regeling aan?

(a) 

De regeling voldoet niet aan Verordening (EU) nr. 651/2014 ( 472 ). Geef aan welke bepalingen in de rechtsgrondslag van de regeling verder gaan dan Verordening (EU) nr. 651/2014 en om welke bepalingen uit Verordening (EU) nr. 651/2014 het precies gaat:

(b) 

□De regeling voldoet niet aan de de-minimisverordening ( 473 ). Leg uit waarom:

(c) 

□De regeling voldoet op één of meer niveaus (dat van de investeerders, dat van de financiële intermediair en zijn beheerder en dat van de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd) niet aan het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie (zie de mededeling van de Commissie betreffende het begrip „staatssteun” ( 474 ); voor leningen, zie de mededeling betreffende het referentiepercentage ( 475 ); voor garanties, zie de garantiemededeling ( 476 )). Leg uit waarom:

(d) 

□De regeling behelst geen steun en wordt ter wille van de rechtszekerheid aangemeld.

1.2.  Toepassingsgebied van de aangemelde regeling: (bevestig door het vakje aan te kruisen):

(a) 

□De aangemelde regeling wordt via financiële intermediairs of alternatieve handelsplatforms ten uitvoer gelegd, behalve in het geval van fiscale prikkels met betrekking tot directe investeringen in in aanmerking komende ondernemingen (punt 22 van de richtsnoeren).

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

(b) 

□De aangemelde regeling sluit grote ondernemingen uit, met uitzondering van midcapondernemingen („midcaps”) die hetzij kleine midcapondernemingen, hetzij innovatieve midcapondernemingen zijn (punt 23 van de richtsnoeren).

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

(c) 

□De aangemelde regeling sluit risicofinancieringssteun uit aan ondernemingen die zijn toegelaten tot de officiële notering van een gereglementeerde markt (punt 24 van de richtsnoeren).

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

(d) 

□Aan de aangemelde regeling nemen onafhankelijke particuliere investeerders deel (punt 25 van de richtsnoeren).

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

(e) 

□In de aangemelde regeling is bepaald dat, wat de asymmetrische risico-beloningsverdeling tussen de Staat en particuliere investeerders betreft, particuliere investeerders een substantieel risico lopen of dat de Staat wordt gecompenseerd voor zijn investering (punt 26 van de richtsnoeren).

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

(f) 

□De aangemelde regeling mag niet worden gebruikt ter ondersteuning van buy-outs (punt 27 van de richtsnoeren).

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

(g) 

□In de aangemelde regeling is bepaald dat geen risicofinancieringssteun zal worden toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden ( 477 ). (Voor de toepassing van de richtsnoeren worden kmo's die niet langer op een markt actief zijn geweest dan de in artikel 21 van Verordening (EU) nr. 651/2014 vastgestelde periode om in aanmerking te komen en die binnen zeven jaar na hun eerste commerciële verkoop die in aanmerking komen voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair, niet beschouwd als ondernemingen in moeilijkheden, tenzij tegen die ondernemingen een insolventieprocedure loopt of zij volgens het nationale recht voldoen aan de criteria om, op verzoek van hun schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen.) (punt 28, a), van de richtsnoeren).

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:

(h) 

□De aangemelde regeling sluit steun uit aan ondernemingen die onrechtmatige staatssteun hebben ontvangen die nog niet volledig is terugbetaald (punt 28, b), van de richtsnoeren).

(i) 

□De aangemelde regeling geldt niet voor steun voor activiteiten die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, d.w.z. steun die rechtstreeks is gerelateerd aan de uitgevoerde hoeveelheden, de oprichting en de exploitatie van een distributienet of andere lopende uitgaven in verband met activiteiten op het gebied van de uitvoer, alsmede steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen (punt 29 van de richtsnoeren).

(j) 

□De aangemelde regeling stelt de steun niet afhankelijk van de verplichting om binnenlands geproduceerde goederen of binnenlandse diensten te gebruiken; maakt geen inbreuk op de vrijheid van vestiging door aan de steun voor de financiële intermediairs, hun beheerders of de uiteindelijke begunstigden de verplichting te verbinden een hoofdkantoor op het grondgebied van de betrokken lidstaat te hebben of het daar naartoe te verplaatsen; en legt geen voorwaarden op die inbreuk maken op artikel 63 van het Verdrag inzake het vrije verkeer van kapitaal (punt 41 van de richtsnoeren).

2. BESCHRIJVING VAN DE REGELING

2.1.  Voor de regeling uitgetrokken middelen

(a) 

Hoe groot is het totale bedrag aan investeringen (van zowel publieke als private partijen) per doelonderneming over de hele investeringscyclus voor elk van de ondernemingen die voor de regeling in aanmerking komen- (dus niet per jaar)? Specificeer het publieke en het particuliere gedeelte:

(b) 

Hoe groot is het jaarbudget van de regeling?

(c) 

Hoe groot is het totale budget van de regeling over de hele looptijd ervan?

(d) 

Wat is de omvang van de investeringsfondsen die in het kader van de regeling worden opgezet?

(e) 

Wordt de regeling medegefinancierd uit Uniefondsen (InvestEU-fonds, Europees Sociaal Fonds, Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, andere)? Specificeer welk Uniefonds:

2.2.  Looptijd van de regeling

(a) 

Hoe lang zal de maatregel lopen? (Geef de datum van inwerkingtreding en de einddatum.)

(b) 

Wat is de beoogde looptijd van de investeringsperiode?

(c) 

Wat is de beoogde looptijd van de periode dat de investering wordt aangehouden?

(d) 

Zijn er verschillende einddata voor verschillende vormen van steun in het kader van de regeling?

2.3.  Doelondernemingen die de uiteindelijke begunstigden van de aangemelde regeling zijn: Uit de ex-antebeoordeling ( 478 )is gebleken dat de regeling moet worden gericht op de volgende ondernemingen als uiteindelijke begunstigden (punten 53 t/m 66 van de richtsnoeren)

(a) 

□Kleine midcapondernemingen (d.w.z. ondernemingen die geen kmo’s zijn en i) niet meer dan 499 werknemers hebben, berekend overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 651/2014 en ii) waarvan de jaaromzet 100 miljoen EUR niet overschrijdt en waarvan het jaarlijkse balanstotaal 86 miljoen EUR niet overschrijdt). Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

(b) 

□Innovatieve midcapondernemingen volgens de definitie in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 651/2014. Verschaf, aan de hand van de ex-antebeoordeling, een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

(c) 

□Ondernemingen die de initiële risicofinancieringsinvestering ontvangen terwijl ze langer op een markt actief zijn geweest dan de in artikel 21, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 651/2014 vastgestelde periode om in aanmerking te komen. Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

(d) 

□Start-ups en kmo’s die een totale risicofinancieringsinvestering (door zowel publieke als private partijen) nodig hebben voor een bedrag dat het in artikel 21 van Verordening (EU) nr. 651/2014 vastgestelde plafond van 16,5 miljoen EUR per in aanmerking komende onderneming overschrijdt. Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

(e) 

□Alternatieve handelsplatforms die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 651/2014. Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

(f) 

□Andere:

Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

2.4.  Financiële instrumenten: uit de ex-antebeoordeling blijkt een behoefte aan de volgende vormgevingsparameters die niet aan Verordening (EU) nr. 651/2014 voldoen (punten 82 t/m 88 van de richtsnoeren):

(a) 

□De inbreng van de onafhankelijke particuliere investeerders ligt lager dan de in artikel 21, lid 12, van Verordening (EU) nr. 651/2014 vastgestelde percentages (punten 82 en 83 van de richtsnoeren).

Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

(b) 

□Financiële instrumenten met vormgevingsparameters die de plafonds in artikel 21, lid 10, punt b) (eerste, voor rekening van de publieke investeerder komende verlies) en punt c) (garantiepercentage) van Verordening (EU) nr. 651/2014 overschrijden, d.w.z. waarbij de publieke investeerder meer risico op zich neemt dan volgens Verordening (EU) nr. 651/2014 is toegestaan (punten 84 en 85 van de richtsnoeren).

Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

(c) 

□Financiële instrumenten niet zijnde garanties waarbij investeerders, financiële intermediairs en de beheerders daarvan worden geselecteerd door de voorkeur te geven aan neerwaartse bescherming (d.w.z. bescherming tegen verliezen) boven opwaartse prikkels (punten 86 tot en met 88 van de richtsnoeren).

Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

(d) 

□Andere:

Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

2.5.  Fiscale instrumenten: uit de ex-antebeoordeling blijkt een behoefte aan de volgende vormgevingsparameters die niet aan Verordening (EU) nr. 651/2014 voldoen

(a) 

□Fiscale prikkels voor zakelijke investeerders (met inbegrip van financiële intermediairs of beheerders daarvan die als mede-investeerders optreden) (punten 89 en 90 van de richtsnoeren).

Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

(b) 

□Fiscale prikkels voor zakelijke investeerders om in kmo's te investeren via een alternatief handelsplatform (punt 81 van de richtsnoeren).

Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

(c) 

□Andere:

Verschaf aan de hand van de ex-antebeoordeling een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een passende verantwoording:

2.6.  Particuliere investeerders die in de aangemelde regeling deelnemen met eigen vermogen, leningen of garanties:

(Zie de definitie van „onafhankelijke particuliere investeerder” in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 651/2014).

(a) 

Wat zijn de kenmerken van de particuliere investeerders die in de maatregel deelnemen (bv. zakelijke investeerders, natuurlijke personen enz.)?

(b) 

Verstrekken de particuliere investeerders eigen vermogen, leningen of garanties op het niveau van de financiële intermediair (bv. dakfondsen) of op het niveau van de uiteindelijke begunstigden? Specificeer het niveau en hoeveel:

(c) 

Zijn de financiële intermediairs die de regeling ten uitvoer leggen (zie het volgende deel 2.7), ook mede-investeerders (en moeten zij dus ook als particuliere investeerders worden beschouwd)?

□ 

Ja. Verschaf nadere bijzonderheden:…

□ 

Neen.

2.7.  Financiële intermediairs en met het beheer belaste entiteit die de aangemelde regeling ten uitvoer leggen:

(zie de brede definitie van financieel intermediair in punt 35, 11) van de richtsnoeren: dit omvat ook fondsen met of zonder rechtspersoonlijkheid)

(a) 

Verschaf nadere bijzonderheden over de aard van de financiële intermediairs die de regeling ten uitvoer leggen:

(b) 

Is bij de tenuitvoerlegging van de maatregel een „met het beheer belaste entiteit” (in de zin van punt 35, 5) van de richtsnoeren) betrokken?

□ 

Ja. Specificeer:

□ 

Neen.

(c) 

Investeert die met het beheer belaste entiteit samen met de lidstaat uit haar eigen middelen?

□ 

Ja. Geef hier de referentie naar de rechtsgrondslag op grond waarvan die met het beheer belaste entiteit die mede-investeringen mag doen:

□ 

Neen.

(d) 

Hoe wordt de met het beheer belaste entiteit geselecteerd?

□ 

Via een open, transparante, niet-discriminerende en objectieve selectieprocedure. Verschaf nadere bijzonderheden:

□ 

Via rechtstreekse aanstelling. Licht de methode toe voor het berekenen van de vergoeding die zij voor de tenuitvoerlegging van de maatregel ontvangt en die ervoor moet zorgen dat zij niet wordt overgecompenseerd (punt 150 van de richtsnoeren):

(e) 

Beheert de met het beheer belaste entiteit het (de) fonds(en) waarlangs de financiering in het kader van de aangemelde regeling wordt verschaft?

□Ja.□Neen.

(f) 

Wat zijn de kenmerken van de beheersonderneming die belast is met de tenuitvoerlegging van de maatregel op het niveau van de financiële intermediair?

(g) 

Zijn meerdere niveaus van financiële intermediairs bij de regeling betrokken zijn (met inbegrip van dakfondsen)? Geef dan alle vereiste informatie voor elk van de niveaus van financiële intermediairs:

2.8.  Is bij de aangemelde regeling nog een andere partij betrokken dan de steunverlenende overheidsinstantie, de doelondernemingen en de particuliere investeerders?

□ 

Ja. Verschaf nadere bijzonderheden: …

□ 

Neen.

2.9.  Nadere beschrijving van de investeringsstrategie en het (de) investeringsinstrument(en):

— 
Wat is de investeringsstrategie van de financiële intermediair?
— 
Welke beleidsdoelstellingen worden met de investeringsstrategie nagestreefd?
— 
U kunt het best de structuur van de regeling en de verschillende instrumenten ervan visualiseren in een schema waarop u alle betrokken partijen aangeeft, de omvang van hun aandeel en (in voorkomend geval) een bijlage met een overzicht van de algemene vormgeving van de aangemelde regeling.
— 
Schets de vormgevingsparameters om bij particuliere investeerders en financiële intermediairs te peilen of zij belangstelling zouden laten blijken om in de aangemelde regeling deel te nemen. Dit kunt u doen door de vragen in deze rubriek te beantwoorden.

2.9.1.  Financiële instrumenten

Risicofinancieringssteun in de vorm van financiële instrumenten moet:

1) 

via financiële intermediairs ten uitvoer worden gelegd (punt 22 van de richtsnoeren) en

2) 

voorzien in de deelname van particuliere investeerders (punt 25 van de richtsnoeren). Daarom bevatten die maatregelen drie niveaus: i) een overheidsmaatregel op het niveau van financiële intermediairs, ii) investeringen van financiële intermediairs in uiteindelijk begunstigde ondernemingen, en iii) investeringen van particuliere investeerders op een van de vorige twee niveaus.

2.9.1.1. Maatregelen op het niveau van financiële intermediairs

A.  OVERHEIDSMAATREGELEN OP HET NIVEAU VAN FINANCIËLE INTERMEDIAIRS

De Staat verschaft het volgende aan financiële intermediairs (kruis aan en vul in wat van toepassing is):

□ 

Injectie door de staat van (quasi-)eigen vermogen op het niveau van de financiële intermediairs

1. Verschaf de volgende gegevens:

— 
de voorwaarden van de injectie van eigen vermogen (voeg ook een vergelijking bij met de marktvoorwaarden voor dit soort injectie van eigen vermogen):
— 
het soort financieel intermediair:
— 
het soort financieringsstructuur van de financieel intermediair (bv. investeringsfonds met een aandeel private en publieke deelneming, dakfondsen, meerlagige structuur met gespecialiseerde subfondsen, publiek fonds dat mede-investeert met particuliere investeerders voor individuele transacties) Geef nadere bijzonderheden:

2. Beschrijf in het geval van quasi-eigen vermogen in detail de aard van het overwogen instrument:

3. Bij particuliere deelneming op dit niveau (bv. particuliere investeerders die, naast de Staat, eigen vermogen verschaffen aan de financiële intermediair):

— 
Wat is het aandeel van de deelneming van publieke investeerders en dat van particuliere investeerders?
— 
Welk soort voorkeursbehandeling wordt overwogen ten behoeve van deelnemende particuliere investeerders, zoals beschreven in de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling (geef nadere details)?
□ 

Opwaartse prikkels (betere winsten behalen): …

□ 

Neerwaartse bescherming (bescherming tegen verliezen): …

— 
Indien de kenmerken van de ongelijke verliesdeling niet binnen de in artikel 21, lid 10, van Verordening (EU) nr. 651/2014 bepaalde grenzen vallen, geef dan, aan de hand van de ex-antebeoordeling, economisch bewijsmateriaal en argumenten (punt 113 van de richtsnoeren):
— 
In voorkomend geval: Is de first-loss-tranche die voor rekening van de publieke investeerder komt gemaximeerd (punt 113 van de richtsnoeren)?
□ 

Ja. Hoe is dat maximum dan bepaald?

□ 

Neen. (Licht toe.):

4. Hoe is het instrument zodanig vormgegeven dat de belangen van de investeringsstrategie van de financiële intermediair en de beleidsdoelstellingen op elkaar zijn afgestemd?

5. Geef nadere toelichting bij de looptijd van het instrument of de exitstrategie die aan de eigen-vermogensinvestering ten grondslag ligt. Leg ook uit hoe de exit strategisch is gepland door de publieke investeerder:

6. Andere nuttige informatie:

□ 

GEFINANCIERDE SCHULDINSTRUMENTEN: LENINGINSTRUMENTEN (HIERNA „LENINGEN” GENOEMD) OP HET NIVEAU VAN FINANCIËLE INTERMEDIAIRS

1. Verschaf de volgende gegevens:

— 
Soort lening (bv. achtergesteld of niet, risicodeling voor de kredietportefeuille) (verschaf nadere bijzonderheden):
— 
Voorwaarden van de lening in het kader van de maatregel (voeg ook een vergelijking bij met de marktvoorwaarden voor dit soort leningen):
— 
Maximale omvang van de lening: …
— 
Maximale looptijd van de lening: …
— 
Zekerheden of andere voorwaarden: …
— 
Andere nuttige informatie: …

2. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag die verbieden dat de steun wordt gebruikt om bestaande leningen te herfinancieren (punt 46 van de richtsnoeren):

3. Indien er op dit niveau sprake is van particuliere deelneming (bv. particuliere investeerders die, naast de Staat, leningen verstrekken aan de financiële intermediair):

— 
Wat is het aandeel van de deelneming van publieke investeerders/kredietgevers en dat van particuliere investeerders/kredietgevers?
Met name in het geval van leningen met portefeuillerisicodeling (Portfolio risk-sharing loans — PRSL), wat is het percentage waarvoor de geselecteerde financiële intermediair mede-investeert? Dit percentage moet ten minste 30 % van de waarde van de onderliggende leningenportefeuille bedragen (punt 117 van de richtsnoeren): Het percentage bedraagt … %
— 
Beschrijf hoe de risico's en beloning tussen de publieke en particuliere investeerders of kredietgevers zijn verdeeld:
Ingeval de publieke investeerder/kredietgever een first-loss-positie inneemt die hoger uitvalt dan het in Verordening (EU) nr. 651/2014 bepaalde maximum (d.w.z. 25 %), moet de reden daarvoor ernstig marktfalen zijn dat bij de ex-antebeoordeling aan het licht is gekomen (punt 116 van de richtsnoeren). Onderbouw een en ander kort:
— 
Indien er andere risicolimiteringsmechanismen zijn ten behoeve van particuliere investeerders/kredietgevers, licht dan een en ander ook toe:

4. Wat is het mechanisme voor het doorgeven van voordelen (dat wordt geëist in punt 106 van de richtsnoeren) dat ervoor moet zorgen dat de financiële intermediair het voordeel dat hij van de Staat ontvangt, doorgeeft aan de uiteindelijk begunstigde ondernemingen? Welke eisen moet de financiële intermediair aan de uiteindelijke begunstigden stellen (bv. in termen van rentepercentage, zekerheden, risicoklasse)? (Geef zeer precieze details.) Verschaf ook nadere bijzonderheden rond de vraag in hoeverre de in het kader van de maatregel op te bouwen portefeuille verder gaat dan het standaard kredietrisicobeleid van de financiële intermediair:

5. Hoe is het instrument zodanig vormgegeven dat de belangen van de investeringsstrategie van de financiële intermediair en de beleidsdoelstellingen op elkaar zijn afgestemd?

6. Geef nadere toelichting bij de looptijd van het instrument of de exitstrategie die aan de investering in schuldinstrumenten ten grondslag ligt. Leg ook uit hoe de exit strategisch is gepland door de publieke investeerder:

7. Andere nuttige informatie:

□ 

NIET-GEFINANCIERDE SCHULDINSTRUMENTEN: DOOR DE STAAT OP HET NIVEAU VAN FINANCIËLE INTERMEDIAIRS AFGEGEVEN GARANTIES OP ONDERLIGGENDE TRANSACTIES MET UITEINDELIJKE BEGUNSTIGDEN

1. Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag die eist dat in aanmerking komende transacties die door de garantie worden gedekt, nieuw geïnitieerde in aanmerking komende risicofinancieringskrediettransacties zijn, met inbegrip van lease-instrumenten, alsmede quasi-eigenvermogensinstrumenten, met uitsluiting van eigenvermogensinstrumenten (punt 118 van de richtsnoeren): …

2. Dekken de aan financiële intermediairs afgegeven garanties een portefeuille van onderliggende transacties — en niet één onderliggende transactie?

□Ja.□Neen.

3. Soort garantie:

□ 

Gemaximeerd: garantie voor maximaal … %.

(Dit maximum geldt voor portefeuilles die worden gehouden door financiële intermediairs en het maximum bedraagt best niet meer dan 35 % (punt 120 van de richtsnoeren).); Wat zijn de argumenten voor dit percentage?

Kruis ook nog de volgende vakjes aan om aan te geven:

(a) 

□dat het maximumpercentage alleen geldt voor verwachte verliezen; of

(b) 

□dat het maximumpercentage ook geldt voor onverwachte verliezen. Laat in dat geval ook zien hoe de tarifering van de garantie die bijkomende risicodekkingsgraad tot uiting brengt: …

□ 

Niet gemaximeerd. Onderbouw in dat geval ook de noodzaak hiervan en laat zien hoe de tarifering van de garantie die bijkomende risicodekkingsgraad tot uiting brengt:

□ 

Tegengarantie (garantie aan garantie-instellingen)

□ 

Andere: specificeer a.u.b.: …

4. Wat is het garantiepercentage (het percentage van de dekking door de publieke investeerder van de verliezen op elke onderliggende transactie; zie de definitie in punt 35, 18), van de richtsnoeren)? (Dit garantiepercentage mag niet meer dan 90 % bedragen (zie punt 119 van de richtsnoeren)): … %;

Onderbouw de hoogte van dit percentage:

5. Door de garantie afgedekte onderliggende transacties:

— 
Aard van de onderliggende transacties: …
— 
totale nominale omvang van de onderliggende transacties (in EUR): …
— 
maximale nominale bedrag van de onderliggende transactie per uiteindelijke begunstigde:
— 
Looptijd van de onderliggende transacties: …
— 
andere relevante kenmerken van de onderliggende transacties (o.a. rating):

6. Beschrijf de overige kenmerken van de garantie (voeg ook een vergelijking bij met de marktvoorwaarden voor dit soort garantie):

— 
Maximale looptijd van de garantie: … Deze mag normaal gesproken niet meer dan 10 jaar bedragen (punt 121 van de richtsnoeren).
— 
Geef hier de referentie naar de betrokken bepalingen in de rechtsgrondslag waarin wordt bepaald dat de garantie wordt beperkt indien de financiële intermediair gedurende een gespecificeerde periode niet een bepaald minimumbedrag in de portefeuille investeert en dat voor niet-gebruikte bedragen een bereidstellingsprovisie in rekening moet worden gebracht: …
— 
Wordt een garantievergoeding overwogen?
□Ja.□Neen.
Welke partij zal de garantievergoeding moeten betalen?
Beschrijf de tarifering in detail: …
— 
Andere: …

7. Wat is het mechanisme voor het doorgeven van voordelen (dat wordt geëist in punt 106 van de richtsnoeren) dat ervoor moet zorgen dat de financiële intermediair het voordeel dat hij van de Staat ontvangt, doorgeeft aan de uiteindelijk begunstigde ondernemingen? Welke eisen moet de financiële intermediair aan de uiteindelijke begunstigden stellen (bv. in termen van rentepercentage, zekerheden, risicoklasse)? Geef zeer precieze details. Verschaf ook nadere bijzonderheden rond de vraag in hoeverre de in het kader van de maatregel op te bouwen portefeuille verder gaat dan het standaard kredietrisicobeleid van de financiële intermediair:

8. Hoe is het instrument zodanig vormgegeven dat de belangen van de investeringsstrategie van de financiële intermediair en de beleidsdoelstellingen op elkaar zijn afgestemd?

9. Geef nadere toelichting bij de looptijd van het instrument of de exitstrategie die ten grondslag ligt aan de investering in schuldinstrumenten. Leg ook uit hoe de exit strategisch is gepland door de publieke investeerder:

10. Andere nuttige informatie:

□ 

OVERIGE FINANCIËLE INSTRUMENTEN (BESCHRIJF):

B.  MAATREGELEN VAN FINANCIËLE INTERMEDIAIRS OP VERDERE NIVEAUS VAN FINANCIËLE INTERMEDIAIRS

Situaties kunnen zich voordoen (o.m. bij dakfondsstructuren) waarin de Staat bijvoorbeeld eigen vermogen, leningen of garanties verstrekt aan een financiële intermediair, die dan op zijn beurt eigen vermogen, leningen of garanties verstrekt aan weer een andere financiële intermediair, die uiteindelijk risicofinancieringsinvesteringen verschaft aan uiteindelijk begunstigden. In dergelijke gevallen, waar er een tweede niveau (of nog meer niveaus) van financiële intermediairs bij de regeling is (zijn) betrokken, moet u voor elk bijkomend niveau financiële intermediairs alle relevante informatie verschaffen over eigen vermogen/leningen/garanties/andere financiële instrumenten waarnaar in deel 2.9.1.1.A wordt gevraagd:

2.9.1.2. Risicofinancieringsinvesteringen door financiële intermediairs in uiteindelijk begunstigden

De risicofinancieringsinvestering in de uiteindelijk begunstigde neemt de volgende vorm aan (kruis aan en vul in wat van toepassing is):

□ 

INVESTERING DOOR DE FINANCIËLE INTERMEDIAIRS VAN EIGEN VERMOGEN (INCL. QUASI-EIGEN-VERMOGEN) IN UITEINDELIJK BEGUNSTIGDEN

(a) 

Beschrijf in het geval van quasi-eigen vermogen in detail de aard van het overwogen instrument:

(b) 

Beschrijf in detail de voorwaarden voor het investeren van eigen vermogen (voeg ook een vergelijking bij met de marktvoorwaarden voor dit soort investering van eigen vermogen):

(c) 

Beschrijf in detail alle kenmerken van de door de financiële intermediair uit te voeren investeringen, met onder meer de voorwaarden waaraan de investeringsstrategie van de in aanmerking komende financiële intermediairs moet voldoen:

(d) 

Geef nadere toelichting bij de looptijd van het instrument of de exitstrategie die aan de eigen-vermogensinvestering ten grondslag ligt:

(e) 

Indien er op dit niveau sprake is van particuliere deelneming (bv. particuliere investeerders die ook eigen vermogen verschaffen aan de uiteindelijke begunstigden):

— 
Voor welk percentage nemen particuliere partijen deel? …
— 
Welk soort voorkeursbehandeling wordt overwogen ten behoeve van deelnemende particuliere investeerders, zoals beschreven in de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling (geef nadere details)?
□ 

Opwaartse prikkels: …

□ 

Neerwaartse bescherming: …

— 
Indien de kenmerken van de ongelijke verliesdeling niet binnen de in artikel 21, lid 10, van Verordening (EU) nr. 651/2014 bepaalde grenzen vallen, geef dan, aan de hand van de ex-antebeoordeling, economisch bewijsmateriaal en argumenten (punt 113 van de richtsnoeren):
— 
In voorkomend geval: Is de first-loss-tranche die voor rekening van de publieke investeerder komt gemaximeerd (punt 113 van de richtsnoeren)?
□ 

Ja. Hoe is dat maximum dan bepaald?

□ 

Neen. (Licht toe.):

□ 

GEFINANCIERDE SCHULDINSTRUMENTEN: LENINGEN VAN FINANCIËLE INTERMEDIAIRS AAN UITEINDELIJKE BEGUNSTIGDEN

— 
Soort lening: Geef nadere bijzonderheden:
— 
Voorwaarden van de lening in het kader van de maatregel (voeg ook een vergelijking bij met de marktvoorwaarden voor dit soort leningen):
— 
Maximale omvang van de lening per begunstigde:
— 
Maximale looptijd van de lening:
— 
Nadere toelichting bij de looptijd van het instrument of de exitstrategie die aan de investering in schuldinstrumenten ten grondslag ligt:
— 
Rating van de uiteindelijke begunstigden:
— 
Zekerheden of andere voorwaarden:
— 
Andere nuttige informatie:
— 
Indien er op dit niveau sprake is van particuliere deelneming (bv. particuliere investeerders die ook leningen verschaffen aan de uiteindelijke begunstigden):
Voor welk percentage nemen particuliere partijen deel?
Beschrijf hoe de risico's en beloning tussen de publieke en particuliere investeerders zijn verdeeld:
Met name, indien de publieke investeerder het first-loss voor zijn rekening neemt, op welk percentage is dat dan gemaximeerd? Maximaal … %. (Dit maximum bedraagt liefst niet meer dan 35 % (zie punt 116 van de richtsnoeren).)
Ingeval de publieke investeerder of kredietgever een first-loss-positie inneemt die hoger uitvalt dan het in Verordening (EU) nr. 651/2014 bepaalde maximum (d.w.z. 25 %), rechtvaardig dit dan door te verwijzen naar maatregelen die uitsluitend gericht zijn op start-ups en kmo’s vóór hun eerste commerciële verkoop of in de proof-of-concept-fase; door te verwijzen naar een ernstig marktfalen dat aan het licht is gekomen bij de ex-antebeoordeling of een andere relevante belemmering (punt 116 van de richtsnoeren). Onderbouw een en ander ook kort:
Indien er andere risicolimiteringsmechanismen zijn ten behoeve van particuliere investeerders/kredietgevers, licht dan een en ander ook toe:
□ 

Niet-gefinancierde schuldinstrumenten: garanties van financiële intermediairs aan uiteindelijke begunstigden:

1. 

Beschrijf de aard en de voorwaarden van de garantie in detail (voeg ook een vergelijking bij met de marktvoorwaarden voor dit soort garanties):

2. 

Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag die eist dat in aanmerking komende transacties die door de garantie worden gedekt, nieuw geïnitieerde in aanmerking komende risicofinancieringskrediettransacties zijn, met inbegrip van lease-instrumenten, alsmede quasi-eigenvermogensinstrumenten, met uitsluiting van eigenvermogensinstrumenten (punt 118 van de richtsnoeren):

3. 

Om welk soort onderliggende transacties gaat het en welke voorwaarden zijn daaraan verbonden?

□ 

Overige financiële instrumenten

— 
Beschrijf het financieel instrument dat met de maatregel ten uitvoer zal worden gelegd:
— 
Geef ook een nadere beschrijving voor alle elementen uit deel 2.9.1.2 hierboven (voor zover van toepassing op het gekozen financiële instrument):

2.9.2.  Fiscale instrumenten:

Vul deze hele rubriek in voor elke fiscale prikkel: Worden met de maatregel meerdere vormen van fiscale prikkels verleend, dan moet u voor elke vorm van steun de vragenlijst beantwoorden.

— 
Fiscale prikkel voor:
(a) 

□directe investeringen in ondernemingen

(b) 

□indirecte investeringen in ondernemingen (d.w.z. via financiële intermediairs)

(c) 

□indirecte investeringen in ondernemingen via een alternatief handelsplatform.

— 
Fiscale prikkel voor:
(a) 

□zakelijke investeerders

(b) 

□investeerders die natuurlijke personen zijn, ten behoeve van investeringen die buiten het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 651/2014 vallen.

— 
Vorm van de fiscale prikkels:
(a) 

□verlaging van de belastbare grondslag in de inkomstenbelasting

(b) 

□aftrek van de verschuldigde belasting in de inkomstenbelasting

(c) 

□korting op de vermogenswinstbelasting

(d) 

□korting op de dividendbelasting

(e) 

□andere: …

— 
Beschrijf in detail de voorwaarden waaraan de investering moet voldoen om voor de fiscale prikkel in aanmerking te komen:
— 
Beschrijf in detail hoe de fiscale prikkel wordt berekend, met inbegrip van: i) het maximumpercentage van het geïnvesteerde bedrag waarvoor de investeerder belastingkorting kan krijgen, ii) het maximale bedrag dat kan worden afgetrokken van de door de investeerder verschuldigde belastingen en iii) het maximumbedrag per begunstigde:
— 
Verschaf, aan de hand van de ex-antebeoordeling, een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een verantwoording voor elke categorie in aanmerking komende ondernemingen (punt 123 van de richtsnoeren):
— 
Verschaf bewijsmateriaal dat de selectie van de in aanmerking komende ondernemingen is gebaseerd op een samenhangend geheel van investeringsvereisten, die op passende wijze zijn bekendgemaakt en waarin de kenmerken zijn aangegeven van de in aanmerking komende ondernemingen die te kampen hebben met marktfalen of een andere relevante belemmering (punt 125 van de richtsnoeren):
— 
Geplande maximale looptijd van de fiscale prikkel:

Normaal gesproken mag de looptijd van fiscale regelingen niet meer dan 10 jaar bedragen (punt 126 van de richtsnoeren).

(a) 

Is deze fiscale prikkel een verlenging van een bestaande maatregel?

□ 

Ja. Geef het zaaknummer van de bestaande maatregel: …

□ 

Neen.

(b) 

Bedraagt de looptijd van de fiscale regeling (met inbegrip van de eventuele voorloper ervan) meer dan 10 jaar?

□Ja□Neen

Zo ja, specificeer:

— 
is er een nieuwe ex-antebeoordeling uitgevoerd?
□Ja□Neen
— 
is er voor de bestaande maatregel een ex-postbeoordeling uitgevoerd?
□Ja□Neen
(c) 

Licht de specifieke kenmerken van het nationale belastingstelsel toe die van belang zijn voor een volledig begrip van de fiscale prikkel:

(d) 

Beschrijf verwante/vergelijkbare/relevante fiscale prikkels die in de lidstaat al voorhanden zijn en de wisselwerking tussen die prikkels en de aangemelde fiscale prikkel:

(e) 

Staat de fiscale prikkel open voor alle investeerders die aan de toepasselijke criteria voldoen, zonder dat daarbij naar plaats van vestiging wordt gediscrimineerd (punt 128 van de richtsnoeren)?

□Ja□Neen

Verschaf bewijzen dat voldoende ruchtbaarheid is gegeven aan de reikwijdte en de technische parameters van de maatregel (o.m. plafonds en maxima, maximaal investeringsbedrag) (punt 128 van de richtsnoeren):

(f) 

Bedraagt de totale investering per begunstigde onderneming niet meer dan het maximumbedrag van 16,5 miljoen EUR per in aanmerking komende ondernemen, zoals bepaald in artikel 21 van Verordening (EU) nr. 651/2014 (punt 151 van de richtsnoeren)?

□Ja□Neen

(g) 

Indien het bedrag hoger is, rechtvaardig dit dan door te verwijzen naar het marktfalen dat aan het licht is gekomen bij de ex-antebeoordeling:

(h) 

Gaat het bij de in aanmerking komende aandelen om alle risico's dragende, nieuw door een in aanmerking komende onderneming uitgegeven aandelen als omschreven in de ex-antebeoordeling vooraf, en moeten die ten minste voor een periode van drie jaar worden gehouden (punt 152 van de richtsnoeren)?

□ 

Ja.

□ 

Neen. Geef hier nadere bijzonderheden:

(i) 

Staat de belastingvermindering open voor investeerders die onafhankelijk zijn van de onderneming waarin wordt geïnvesteerd (punt 152 van de richtsnoeren)?

□ 

Ja.

□ 

Neen. Geef hier nadere bijzonderheden: …

(j) 

In het geval van een vermindering van de inkomstenbelasting: Hoe hoog kan het bedrag oplopen dat in de in aanmerking komende onderneming wordt geïnvesteerd (maximumpercentage)? Een belastingkorting gemaximeerd op 30 % van het geïnvesteerde bedrag wordt als redelijk beschouwd (punt 153 van de richtsnoeren): … %

Kan de belastingvermindering hoger uitkomen dan de door de investeerder maximaal verschuldigde inkomstenbelasting, zoals die vóór de belastingmaatregel is vastgesteld?

□ 

Ja. Geef hier nadere bijzonderheden. …

□ 

Neen

2.9.3.  Maatregelen ter ondersteuning van alternatieve handelsplatforms

— 
Gaat het om een bestaand platform?
□ 

Ja.

□ 

Neen, het gaat om een nieuw op te richten platform.

— 
Is er een businessplan waarin wordt aangetoond dat het gesteunde platform binnen tien jaar zelfvoorzienend kan zijn (punt 129 van de richtsnoeren)?
— 
Is het platform een subplatform of dochteronderneming van een bestaande effectenbeurs (of zal het dat zijn)?
□ 

Ja. Welke? …

□ 

Neen

— 
Bestaan er al alternatieve handelsplatforms in uw lidstaat (punt 131 van de richtsnoeren)?
□ 

Ja. Welke? …

□ 

Neen

— 
Wordt het platform opgezet door en zal het actief zijn in meerdere lidstaten (punt 130 van de richtsnoeren)?
□ 

Ja. Verschaf nadere bijzonderheden: …

□ 

Neen

Welk soort ondernemingen wordt op het platform verhandeld?

— 
Voor welk percentage van de gemaakte investeringskosten voor de oprichting van het platform wordt ondersteuning geboden? Er kan staatssteun worden verleend voor maximaal 50 % van de gemaakte kosten voor de oprichting van een dergelijk platform (punt 156 van de richtsnoeren).

VOEG BIJ DEZE AANMELDING DE VOLGENDE DOCUMENTEN:

— 
Bewijsmateriaal dat de meeste financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op de alternatieve handelsplatforms, zijn (of zullen worden) uitgegeven door kmo's.
— 
Een exemplaar van het businessplan van de exploitant van het platform waaruit blijkt dat het gesteunde platform binnen tien jaar zelfvoorzienend kan zijn (punt 129 van de richtsnoeren).
— 
Plausibele nulscenario's waarin, in termen van toegang tot de vereiste financiering, een vergelijking wordt gemaakt met situaties waarmee de genoteerde ondernemingen te maken zouden krijgen indien het platform niet zou bestaan (punt 129 van de richtsnoeren).
— 
Voor bestaande platforms: een exemplaar van de voorgestelde bedrijfsstrategie van het platform waaruit blijkt dat het betrokken platform, ondanks zijn levensvatbaarheid op lange termijn, op kortetermijnsteun is aangewezen vanwege een aanhoudend tekort aan noteringen — en dus een liquiditeitstekort (punt 131 van de richtsnoeren).

VORM VAN DE MAATREGEL:

□ 

Fiscale prikkels voor zakelijke investeerders ten aanzien van hun via een alternatief handelsplatform verlopende risicofinancieringsinvesteringen in in aanmerking komende investeringen: Vul dan deel 2.9.2 over fiscale instrumenten in.

□ 

Ondersteuning van platformexploitanten:

— 
De platformexploitant is:
□ 

een kleine onderneming.

□ 

groter dan een kleine onderneming.

— 
Maximumbedrag van de maatregel: … EUR.
— 
Ligt het maximumbedrag hoger dan dat voor starterssteun in het kader van Verordening (EU) nr. 651/2014?
□Ja□Neen
— 
Hoeveel bedragen de investeringsuitgaven voor de oprichting van het platform? … EUR
— 
Bedraagt de steun aan de exploitant meer dan 50 % van die investeringsuitgaven (punt 156 van de richtsnoeren)?
□Ja□Neen
— 
Voor hoeveel jaar is starterssteun voor het platform toegestaan?
— 
Voor platforms die een subplatform of dochteronderneming van een bestaande effectenbeurs (zullen) zijn: Verschaf bewijzen voor het tekort aan financiering waarmee dit soort subplatform te maken zou krijgen:
— 
Andere nuttige informatie:

3. VERDERE INFORMATIE TEN BEHOEVE VAN DE VERENIGBAARHEIDSBEOORDELING VAN DE STEUNREGELING

3.1.  Noodzaak van overheidsmaatregelen (deel 3.2.2 van de richtsnoeren)

(a) 

Een risicofinancieringsregeling valt alleen te verantwoorden indien die is gericht op het aanpakken van een specifiek marktfalen of andere relevante belemmeringen voor de toegang tot financiering die bij de ex-antebeoordeling aan het licht zijn gekomen ( 479 ).

(b) 

Gelieve samen met dit formulier aanvullende informatie een diepgaande ex-antebeoordeling in te dienen waarin het specifieke marktfalen of een andere relevante belemmering wordt aangetoond (punten 50 en 56 van de richtsnoeren).

3.1.1.  Informatie over de ex-antebeoordeling (punt 3.2.1 van de richtsnoeren)

(a) 

Datum van de ex-antebeoordeling: …

(b) 

De beoordeling is uitgevoerd door (punt 57 van de richtsnoeren):

□ 

een onafhankelijke entiteit …

□ 

een entiteit verbonden met de volgende overheidsinstantie:

(c) 

Bewijsmateriaal en methodologieën waarop de beoordeling is gebaseerd (punt 57 van de richtsnoeren):

(d) 

□Kruis dit vakje aan om te bevestigen dat de ex-antebeoordeling is gebaseerd op gegevens van minder dan drie jaar voorafgaand aan de aanmelding: (punt 57 van de richtsnoeren):

(e) 

□De aangemelde regeling wordt ten dele gefinancierd uit Europese structuur- en investeringsfondsen en de beoordeling werd uitgevoerd overeenkomstig artikel 37, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad) ( 480 ) of artikel 58, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1060 ( 481 ) (punt 60 van de richtsnoeren).

3.1.2.  De steun vergemakkelijkt de ontwikkeling van een economische activiteit (deel 3.1 van de richtsnoeren)

(a) 

Identificeer de ondersteunde economische activiteit (punt 42 van de richtsnoeren), en geef aan of u dit als een risicovolle of kapitaalintensieve sector beschouwt en waarom (punten 75 en 77 van de richtsnoeren):

(b) 

Omschrijf de aard van het marktfalen of de andere relevante belemmering en toon de aanwezigheid ervan aan (punt 61 van de richtsnoeren).

(c) 

Stimulerend effect: Op welke manier zet de aangemelde regeling i) de begunstigde van de steun en/of ii) particuliere investeerders ertoe aan om hun gedrag te wijzigen door activiteiten te ontplooien die zij zonder de steun niet of slechts in beperktere mate zou ontplooien (punten 43 tot en met 47 van de richtsnoeren)?

3.1.3.  Identificatie van de specifieke doelstellingen en prestatie-indicatoren voor de aangemelde regeling op basis van de resultaten van de ex-antebeoordeling (punten 164 en 165 van de richtsnoeren):

(a) 

Geef hier de specifieke doelstellingen die werden bepaald. Verwijs daarbij naar het betrokken deel van de ex-antebeoordeling:

(b) 

Geef hier de prestatie-indicatoren die werden bepaald (voor voorbeelden, zie punt 164 van de richtsnoeren). Verwijs daarbij naar het betrokken deel van de ex-antebeoordeling:

3.1.4.  Economisch bewijsmateriaal en verantwoording in de ex-antebeoordeling van de noodzaak van overheidsmaatregelen (deel 3.2.2 van de richtsnoeren): zie de delen 2.3, 2.4, en 2.5 van dit formulier.

3.2.  Geschiktheid van de aangemelde regeling (deel 3.2.3 van de richtsnoeren)

3.2.1.  Algemeen:

(a) 

Leg, aan de hand van de ex-antebeoordeling uit waarom met de bestaande en geplande nationale beleidsinitiatieven en Uniebeleidsinitiatieven (punt 58 van de richtsnoeren) die op hetzelfde vastgestelde marktfalen zijn gericht, dat marktfalen niet afdoende kan worden aangepakt (punten 92 en 93 van de richtsnoeren):

(b) 

Leg uit waarom de vormgeving van het voorgenomen staatssteuninstrument het meest geschikt is om een doelmatige financieringsstructuur te verzekeren (punten 94 en 95 van de richtsnoeren):

3.2.2.  Geschiktheidsvoorwaarden voor financiële instrumenten (deel 3.2.3.2 van de richtsnoeren):

1. Minimumpercentages inzake particuliere investeringen (punten 97 t/m 99 van de richtsnoeren):

— 
Hoeveel bedraagt het minimale, geaggregeerde percentage (d.w.z. voor alle niveaus samen) van de inbreng van particuliere investeerders voor de investering van risicofinanciering in de uiteindelijke begunstigde? … % van de (publieke en private) risicofinanciering verschaft aan de uiteindelijke begunstigde.
— 
Ingeval de inbreng van onafhankelijke particuliere investeerders onder de in artikel 21, lid 12, van Verordening (EU) nr. 651/2014 vereiste percentages blijft: Geef een overzicht van het economische bewijsmateriaal en een nadere verantwoording voor dit percentage (cf. punt 97 van de richtsnoeren), aan de hand van de ex-antebeoordeling:
— 
Is de particuliere niet-onafhankelijke inbreng in de aangemelde regeling aanvaardbaar (punt 98 van de richtsnoeren)?
□ 

Ja. Verschaf economisch bewijsmateriaal en verantwoording:

□ 

Neen.

— 
Welke toereikende beperkingen bevat de aangemelde regeling ingeval ondernemingen die op het tijdstip van de eerste risicofinancieringsinvestering langer dan de in artikel 21, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 651/2014 vastgestelde periode voor inaanmerkingneming op een markt actief zijn (punt 99 van de richtsnoeren)? …
— 
Bedraagt het aandeel van particuliere investeringen ten minste 60 % (punt 99 van de richtsnoeren)?
□Ja□Neen

2. Evenwicht van risico's en beloningen tussen publieke en particuliere financiers (punten 100 t/m 102 van de richtsnoeren)

— 
Waarom kan de verdeling van risico's en beloningen tussen publieke en particuliere financiers zoals die hierboven werd beschreven in de delen over de betrokken financiële instrumenten, als evenwichtig worden beschouwd (punten 100 t/m 102 van de richtsnoeren)?

3. Aard van de prikkels te bepalen via selectie van financiële intermediairs, fondsbeheerders of investeerders (punten 103 en 104 van de richtsnoeren)

Bevestig door het betrokken vakje aan te kruisen.

A. 

SELECTIE VAN DE FINANCIËLE INTERMEDIAIRS DIE DE REGELING TEN UITVOER LEGGEN

(a) 

Elke financiële intermediair wordt geselecteerd via een open, transparante en niet-discriminerende procedure, aan de hand waarvan de precieze aard van de prikkels wordt bepaald.

□ 

Ja.

□ 

Neen. Leg uit waarom (licht de selectie van investeerders toe):

— 
Beschrijf de concurrentiegerichte selectieprocedure. Leg ook uit hoe die selectieprocedure aan de voorwaarden voldoet, met inbegrip van i) de in de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling opgenomen selectiecriteria, ii) het evaluatieschema dat is gebruikt voor de screening en iii) het boekenonderzoek:
— 
Geef hier de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:
— 
Beschrijf hoe wordt geborgd dat de voorwaarden voor zakelijk beheer en winstgerichte besluitvorming zoals die in Verordening (EU) nr. 651/2014 zijn beschreven (artikel 21, leden 15 en 16 van Verordening (EU) nr. 651/2014), worden nageleefd (punt 172 van de richtsnoeren):
— 
Verschaf bewijsmateriaal en de referentie naar de rechtsgrondslag:
(b) 

In het kader van die selectieprocedure moeten financiële intermediairs aantonen hoe de door hen voorgestelde investeringsstrategie bijdraagt tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen (op basis van de in de ex-antebeoordeling bepaalde prestatie-indicatoren). Voeg bij deze aanmelding de volgende documenten:

— 
De documenten van elke financiële intermediair waarin zijn investeringsstrategie (incl. het tariefbeleid) nader is uitgewerkt en hoe die strategie kan bijdragen tot de verwezenlijking van de verschillende beleidsdoelstellingen.
— 
Beschrijf in detail het mechanisme uit de aangemelde regeling waarmee de lidstaat ervoor zorgt dat de investeringsstrategie van de intermediairs steeds aansluit op de overeengekomen beleidsdoelen (bv. door monitoring, rapportage, en deelneming in de vertegenwoordigingsorganen) en dat ingrijpende wijzigingen in de investeringsstrategie alleen met voorafgaande toestemming van de lidstaat mogelijk zijn:
— 
Geef ook de referentie naar de desbetreffende bepaling in de rechtsgrondslag:
(c) 

De beheerder van de financiële intermediair of de beheersonderneming („de beheerder”) wordt geselecteerd via een open, transparante, niet-discriminerende en objectieve selectieprocedure, of de vergoeding van de beheerder weerspiegelt het op de markt geldende vergoedingsniveau.

□ 

Ja.

□ 

Neen. Leg uit waarom (licht ook de selectie van investeerders toe):

— 
Beschrijf de concurrentiegerichte selectieprocedure. Leg ook uit hoe die selectieprocedure aan de voorwaarden van dit punt voldoet:
— 
Geef hier de referentie naar de bepaling in de rechtsgrondslag welke die voorwaarden bevat.
(d) 

□De beheerders van dakfondsen moeten zich juridisch ertoe verbinden om, in het kader van hun investeringsmandaat, via een concurrentiegerichte selectieprocedure de preferente voorwaarden vast te stellen die kunnen worden toegepast op het niveau van de subfondsen (punt 103 van de richtsnoeren).

B. 

SELECTIE VAN PARTICULIERE INVESTEERDERS

□ 

De particuliere investeerders worden geselecteerd via een open, transparante en niet-discriminerende procedure, aan de hand waarvan de precieze aard van de prikkels wordt bepaald (punt 103 van de richtsnoeren).

— 
Beschrijf hoe private investeerders concreet worden geïdentificeerd en geselecteerd:

4. Mede-investerende financiële intermediair of fondsbeheerder die ten minste 10 % van de first-loss-tranche voor zijn rekening neemt (punt 105 van de richtsnoeren)

— 
Wanneer de financiële intermediair of de fondsbeheerder als mede-investeerder naast de lidstaat investeert, dient elk potentieel belangenconflict te worden vermeden en moeten zij ten minste 10 % van de first-loss-tranche voor hun rekening nemen (punt 105 van de richtsnoeren). Bevestig hier (in voorkomend geval) dat dit het geval is:

5. Mechanisme voor het doorgeven van voordelen in het geval van schuldinstrumenten (leningen of garanties) (punt 106 van de richtsnoeren)

(a) 

□De aangemelde regeling bevat een mechanisme voor het doorgeven van voordelen (zoals beschreven in deel 2.9.1.1.A.) dat ervoor moet zorgen dat de financiële intermediair het voordeel dat hij van de Staat ontvangt, doorgeeft aan de uiteindelijk begunstigde ondernemingen. Geef hier de desbetreffende bepalingen van de rechtsgrondslag:

(b) 

□Het mechanisme voor het doorgeven van voordelen bevat ook monitoringregelingen én een terugvorderingsmechanisme of gelijkwaardig contractueel mechanisme. Geef hier de desbetreffende bepalingen van de rechtsgrondslag en omschrijf:

3.2.3.  Geschiktheidsvoorwaarden voor fiscale instrumenten (deel 3.2.3.3 van de richtsnoeren):

Voor het beoordelen van die voorwaarden, zal worden gekeken naar de informatie die u in deel 2.9.2 heeft verschaft.

— 
Is er nog andere informatie die u van belang acht voor het beoordelen van de vraag of die voorwaarden in acht worden genomen? … …

3.2.4.  Geschiktheidsvoorwaarden voor maatregelen ter ondersteuning van alternatieve handelsplatforms (deel 3.2.3.4 van de richtsnoeren):

Voor het beoordelen van die voorwaarden, zal worden gekeken naar de informatie die u in deel 2.9.3 heeft verschaft.

— 
Is er nog andere informatie die u van belang acht voor het beoordelen van de vraag of die voorwaarden in acht worden genomen? … …

3.3.  Evenredigheid van de steun (deel 3.2.4 van de richtsnoeren)

3.3.1.  Evenredigheid aan het vastgestelde marktfalen

— 
Voor risicofinancieringssteun die betrekking heeft op financiële instrumenten met een deelneming van onafhankelijke particuliere investeerders onder de in artikel 21, lid 12, van Verordening (EU) nr. 651/2014 vereiste percentages:
□ 

Kruis dit vakje aan en geef een samenvatting van de beoordeling waaruit blijkt dat de ex-antebeoordeling een voldoende gedetailleerde beoordeling vormt van het niveau en de structuur van het aanbod van particuliere financiering voor het soort in aanmerking komende onderneming in het betrokken geografische gebied en toon aan dat het vastgestelde marktfalen of de andere relevante belemmering niet kan worden aangepakt met maatregelen die voldoen aan alle vereisten inzake particuliere deelneming die in Verordening (EU) nr. 651/2014 zijn bepaald (punt 63 van de richtsnoeren):

Samenvatting:

— 
Voor risicofinancieringsinvesteringen voor een bedrag dat het in artikel 21, lid 8, van Verordening (EU) nr. 651/2014 vastgestelde plafond van 16,5 miljoen EUR per in aanmerking komende onderneming overschrijdt:
Wordt het in artikel 21, lid 8, van Verordening (EU) nr. 651/2014 vastgestelde plafond nageleefd?
□ 

Ja. Verschaf nadere bijzonderheden:

□ 

Neen. Verschaf nadere bijzonderheden:

Wordt in voorkomend geval in de ex-antebeoordeling de financieringskloof d.w.z. het niveau van de momenteel onvervulde vraag naar financiering vanuit in aanmerking komende ondernemingen) als gevolg van het vastgestelde marktfalen of de andere relevante belemmering gekwantificeerd?
□ 

Ja. Geef een samenvatting van de beoordeling en de toegepaste berekening, waaruit blijkt dat de financieringskloof op het niveau van de in aanmerking komende ondernemingen het bovengenoemde maximale bedrag overschrijdt. Deze kwantificering moet zijn gebaseerd op beschikbare beste praktijken en methoden die het mogelijk maken te ramen in welke mate er sprake is van een onvervulde vraag naar financiering van de doelondernemingen (punten 64 en 65 van de richtsnoeren):

□ 

Neen

In voorkomend geval: hoe wordt gewaarborgd dat het totale bedrag aan risicofinanciering de gekwantificeerde financieringskloof niet overschrijdt? Licht toe:
— 
Beschrijf hoe het totale bedrag aan (publieke en particuliere) risicofinanciering die in het kader van de steunmaatregel wordt verschaft, evenredig is (punten 133 en 134 van de richtsnoeren):
— 
Leg uit, aan de hand van de ex-antebeoordeling, hoe de preferente behandeling van particuliere investeerders wordt beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is om de door de regeling vereiste minimumpercentages aan inbreng van particulier kapitaal te behalen (punten 135 en 136 van de richtsnoeren):

3.3.2.  Evenredigheidsvoorwaarden voor financiële instrumenten (deel 3.2.4.1 van de richtsnoeren):

1. Voor financiële intermediairs/fondsbeheerders:

— 
Wordt de precieze waarde van de prikkels bepaald tijdens de procedure voor de selectie van de financiële intermediairs of fondsmanagers (punt 137 van de richtsnoeren)?
□Ja.□Neen
— 
Geef de volgende informatie over de vergoeding van de financiële intermediairs of de fondsmanagers (punten 145 van de richtsnoeren):
— 
Omvat die vergoeding een jaarlijkse beheersvergoeding in overeenstemming met de richtsnoeren (punt 145)?
□ 

Ja.

□ 

Neen. Geef hier nadere bijzonderheden:

— 
Omvat die vergoeding prestatiegerelateerde prikkels, waaronder prikkels voor financiële prestaties en beleidsgerelateerde prikkels, in overeenstemming met de richtsnoeren (punt 146)?
□ 

Ja.

□ 

Neen. Geef hier nadere bijzonderheden:

— 
Welke sancties gelden indien de beleidsdoelstellingen niet worden gehaald?
— 
Verschaf nadere bijzonderheden over de prestatiegerelateerde vergoeding en vergelijk die met de marktpraktijk (punt 147 van de richtsnoeren):
— 
Verschaf nadere bijzonderheden over het totaal van de beheersvergoedingen en vergelijk die met de marktpraktijk (punt 148 van de richtsnoeren):
— 
Wordt de algehele vergoedingsstructuur geëvalueerd als onderdeel van de scoring van de selectieprocedure en wordt de maximale vergoeding vastgesteld als resultaat van die selectie (punt 149 van de richtsnoeren)?
□ 

Ja.

□ 

Neen. Leg uit waarom niet …

Indien de financiële intermediair en de beheerder ervan overheidsinstanties zijn en niet zijn geselecteerd via een open, transparante, niet-discriminerende en objectieve selectieprocedure, bevestig dan onderstaande punten door ze aan te kruisen. Verschaf ook het nodige bewijsmateriaal:

(a) 

□Leg uit waarom het nodig werd geacht om een met het beheer belaste entiteit rechtstreeks aan te wijzen als financieel intermediair of fondsbeheerder:

(b) 

□De publieke financiële intermediairs worden volgens zakelijke beginselen beheerd en de beheerders ervan nemen op winst gerichte investeringsbesluiten op arm's length met de Staat. Geef met name toelichting bij de mechanismen die zijn opgezet om alle mogelijke interferentie door de Staat in het dagelijkse beheer van het publieke fonds te voorkomen:

(c) 

In het geval van een rechtstreekse aanstelling van een met het beheer belaste entiteit: Hoeveel bedraagt de jaarlijkse beheersvergoeding, ongerekend prestatiegerelateerde prikkels? … % van het in de entiteit in te brengen kapitaal. Die vergoeding mag maximaal 3 % bedragen (punt 150 van de richtsnoeren).

2. Voor de particuliere investeerders:

— 
Ingeval een publiek fonds mede-investeert met particuliere investeerders die per individuele transactie deelnemen, worden die particuliere investeerders dan per transactie geselecteerd via een afzonderlijke concurrentiegerichte procedure, om het redelijke rendement te kunnen bepalen (punt 139 van de richtsnoeren)?
□ 

Ja. Onderbouw een en ander met bewijsmateriaal:

□ 

Neen.

— 
Wanneer particuliere investeerders niet via dit soort procedure worden geselecteerd, wordt het redelijke rendement dan bepaald door een onafhankelijke deskundige op basis van een analyse van marktbenchmarks en marktrisico's en aan de hand van de Discounted Cash Flow (DCF) waarderingsmethode waarin wordt uiteengezet hoe een minimumpercentage voor het redelijke rendement en een passende marge om de risico's tot uiting te brengen worden berekend (punt 140 van de richtsnoeren)? Zijn ook alle voorwaarden van punt 141 van de richtsnoeren vervuld?
□ 

Ja. Verschaf dan het rapport met die evaluatie, geef de naam van de deskundige en beschrijf de regels die voor zijn aanstelling gelden. Verschaf ook het nodige bewijsmateriaal:

□ 

Neen.

□ 

Kruis dit vakje aan om te bevestigen dat binnen een periode van drie jaar niet tweemaal op dezelfde deskundige een beroep mag worden gedaan.

— 
Leg uit hoe het risicogewogen rendement voor de particuliere investeerders beperkt blijft tot het redelijke rendement (punt 142 van de richtsnoeren):
— 
Leg uit, aan de hand van de ex-antebeoordeling, wat de economische argumenten zijn voor de specifieke financiële parameters die aan de maatregel ten grondslag liggen:

3.3.3.  Evenredigheidsvoorwaarden voor fiscale instrumenten (deel 3.2.4.2 van de richtsnoeren)

Voor het beoordelen van die voorwaarden, zal worden gekeken naar de informatie die u in deel 2.9.2 heeft verschaft.

— 
Verschaf hier overige informatie aangaande de evenredigheidsvoorwaarden die volgens u relevant is: …

3.3.4.  Evenredigheidsvoorwaarden voor maatregelen ter ondersteuning van alternatieve handelsplatforms (deel 3.2.4.3. van de richtsnoeren):

Voor het beoordelen van die voorwaarden, zal worden gekeken naar de informatie die u in deel 2.9.3 heeft verschaft.

— 
Verschaf hier overige informatie aangaande de evenredigheidsvoorwaarden die volgens u relevant is: …

3.4.  Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer (deel 3.2.5 van de richtsnoeren)

— 
Verschaf, als onderdeel van de ex-antebeoordeling, informatie over de mogelijke negatieve effecten van de aangemelde regeling. Ga hier nader in op de mogelijke negatieve effecten op de drie niveaus: i) het niveau van de markt voor het verschaffen van risicofinanciering (bv. het risico op verdringing van particuliere investeerders); ii) het niveau van de financiële intermediairs en hun beheerders, en iii) het niveau van de uiteindelijke begunstigden (o.a. de markten waarop de begunstigden actief zijn):
— 
Zorgt de aangemelde regeling ervoor dat de risicofinanciering alleen is gericht op potentieel levensvatbare ondernemingen (punt 171 van de richtsnoeren)?
□ 

Ja. Omschrijf hoe een en ander wordt gewaarborgd. Geef ook de desbetreffende bepalingen in de rechtsgrondslag: …

□ 

Neen.

— 
Is de aangemelde regeling geografisch of regionaal beperkt (punt 173 van de richtsnoeren)?
□ 

Ja. Verschaf nadere bijzonderheden: …

□ 

Neen.

— 
Is in de rechtsgrondslag (de iure) de aangemelde regeling beperkt tot specifieke sectoren (punt 174 van de richtsnoeren)?
□ 

Ja. Verschaf nadere bijzonderheden: …

□ 

Neen.

— 
Is de aangemelde regeling in de praktijk beperkt tot specifieke sectoren?
□ 

Ja. Verschaf nadere bijzonderheden: …

□ 

Neen.

— 
Hoe worden negatieve effecten zoveel mogelijk tot een minimum beperkt?

3.5.  Transparantie (deel 3.2.6. van de richtsnoeren):

Bevestig dat de lidstaat zal voldoen aan de voorwaarden inzake transparantie van deel 3.2.6. van de richtsnoeren en de bijlage.

□ 

Ja.

4. CUMULERING VAN STEUN

Risicofinancieringssteun mag worden gecumuleerd met andere staatssteunmaatregelen zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten of met de-minimissteun, tot het hoogste betrokken totale financieringsplafond dat in de specifieke omstandigheden van elke zaak is bepaald door een door de Commissie vastgestelde groepsvrijstellingsverordening of een door de Commissie vastgesteld besluit (punt 159 van de richtsnoeren).

□ 

Kruis dit vakje aan om te bevestigen dat die regel in acht wordt genomen.

— 
Geef hier de referentie naar de rechtsgrondslag:
— 
Hoe wordt bereikt dat de cumuleringsregels in acht worden genomen?

5. ANDERE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie geven die u van belang acht voor de toetsing van de betrokken maatregel(en) aan de richtsnoeren:

DEEL III.8

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE VOOR DE AANMELDING VAN EEN EVALUATIEPLAN

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor het aanmelden van een evaluatieplan overeenkomstig artikel 1, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie  ( 482 ) , artikel 1, lid 3, punt a), van Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie  ( 483 ) of artikel 1, lid 7, punt a), van Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie  ( 484 ) , en in het geval van een aangemelde steunregeling die onderworpen is aan een evaluatie als bedoeld in de betrokken richtsnoeren van de Commissie.

In het werkdocument van de diensten van de Commissie “Gemeenschappelijke methodiek voor de evaluatie van staatssteun  ( 485 ) vindt u nadere aanwijzingen over hoe u een evaluatieplan opstelt.

1. DE TE EVALUEREN STEUNREGELING

1. Benaming van de steunregeling:

2. Gaat het om een evaluatieplan voor:

(a) 

□een op grond van artikel 1, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 651/2014 te evalueren regeling?

(b) 

□een op grond van artikel 1, lid 3, punt a), van Verordening (EU) 2022/2472 te evalueren regeling?

(c) 

□een op grond van artikel 1, lid 7, punt a), van Verordening (EU) 2022/2473 te evalueren regeling?

(d) 

□een op grond van artikel 108, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie aangemelde regeling?

Geef het SA-nummer van de regeling. …

3. Vermeld het SA-nummer van alle eerdere en lopende staatssteunregelingen met een soortgelijk doel en geografisch gebied. Geef aan of deze regelingen een voorloper zijn van de huidige steunregeling.

Is een van de bovengenoemde staatssteunregelingen achteraf geëvalueerd?

□Ja.□Neen

3.1. Zo ja, geef een korte samenvatting van de belangrijkste resultaten van de evaluatie(s) achteraf (indien van toepassing met een referentie en een link).

3.2. Beschrijf hoe met de resultaten van deze evaluaties rekening is gehouden bij het ontwerp van de nieuwe regeling.

4. Vermeld hier alle ex-ante-evaluaties of effectbeoordelingen die voor de steunregeling voorhanden zijn. Verschaf voor elk van die studies de volgende informatie: a) een korte beschrijving van de doelstellingen van de studie, de gehanteerde methodieken, uitkomsten en conclusies, en b) specifieke methodologische uitdagingen waarmee de evaluaties en studies eventueel te maken kregen (zoals beschikbaarheid van gegevens die relevant zijn voor de beoordeling van het huidige evaluatieplan). Geef (in voorkomend geval) aan welke relevante sectoren of thema's niet in de vorige evaluatieplannen aan bod kwamen, maar die in deze evaluatie wel aan bod zouden moeten komen. Geef een overzicht van dit soort evaluaties en studies in een bijlage of geef (voor zover beschikbaar) internetlinks naar de betrokken documenten:

2. DOELSTELLINGEN VAN DE TE EVALUEREN STEUNREGELING

1. Beschrijf de steunregeling. Geef daarbij aan op welke behoeften en problemen de regeling een antwoord wil bieden, welke de beoogde categorieën begunstigden zijn (bv. grootte, sectoren, locatie, indicatief aantal):

2. Geef de doelstellingen van de regeling en de verwachte impact ervan, zowel op het niveau van de beoogde begunstigden als wat de doelstelling van gemeenschappelijk belang betreft:

3. Welke mogelijke negatieve effecten – op de begunstigden van de steun of de economie meer in het algemeen – zijn direct of indirect met de steunregeling verbonden ( 486 )?

4. Geef: a) het jaarbudget dat voor de regeling is uitgetrokken; b) de beoogde looptijd van de regeling ( 487 ); c) het (de) steuninstrument(en); en d) de in aanmerking komende kosten:

5. Geef een overzicht van de verenigbaarheidscriteria en de methoden om de begunstigden van de steun te selecteren. Beschrijf met name de volgende punten: a) de methoden voor het selecteren van de begunstigden (zoals bv. scoring); b) het indicatieve budget dat voor elke groep begunstigden beschikbaar is; c) de kans dat het budget voor bepaalde groepen uitgeput raakt; d) de scoringregels, indien die bij de regeling worden gebruikt; e) de maximale steunintensiteiten, en f) de criteria waarmee de steunverlenende autoriteit rekening zal houden bij het beoordelen van aanvragen.

6. Vermeld hier specifieke restricties of risico's die ongunstig kunnen uitwerken op de tenuitvoerlegging van de regeling, de verwachte impact daarvan en het behalen van de doelstellingen daarvan:

3. EVALUATIEVRAGEN

1. Op welke specifieke kwesties moet de evaluatie nader ingaan door kwantitatief bewijsmateriaal te leveren voor de impact van de steun? Maak daarbij een onderscheid tussen: a) kwesties die de rechtstreekse impact van de steun op de begunstigden betreffen; b) kwesties die de indirecte impact betreffen, en c) kwesties die de evenredigheid en de geschiktheid van de steun betreffen. Leg ook uit hoe de evaluatievragen verband houden met de doelstellingen van de regeling:

4. RESULTAATINDICATOREN

1. Gebruik de onderstaande tabel om te beschrijven welke indicatoren zullen worden ontwikkeld om de uitkomsten van de regeling te meten, alsmede de relevante controlevariabelen (met inbegrip van databronnen) en hoe iedere resultaatindicator zal beantwoorden aan de evaluatievragen. Vermeld met name: a) de desbetreffende evaluatievraag; b) de indicator; c) de databron; d) de frequentie waarmee data worden verzameld (bv. jaarlijks, maandelijks); e) het niveau waarop de data worden verzameld (bv. op ondernemingsniveau, op bedrijfslocatieniveau, op regionaal niveau), en f) de in de databron bestreken populatie (bv. begunstigden van steun, niet-begunstigden, alle ondernemingen).



Evaluatievraag

Indicator

Bron

Frequentie

Niveau

Bevolking

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leg uit waarom de gekozen indicatoren het meest relevant zijn voor het meten van de impact van deze regeling:

5. VOOR HET UITVOEREN VAN DE EVALUATIE OVERWOGEN METHODEN

1. Beschrijf in het licht van de evaluatievragen de methoden waarvan het gebruik wordt overwogen om bij de evaluatie het causale effect van de steun op de begunstigden te bepalen en om andere indirecte effecten te meten. Leg met name uit waarom voor die methoden is gekozen en andere methoden zijn verworpen (bv. om redenen die verband houden met de vormgeving van de regeling) ( 488 ):

2. Beschrijf nauwkeurig de identificatiestrategie voor de evaluatie van het causale effect van de steun en de aannames waarop die strategie berust. Beschrijf in detail de samenstelling en het belang van de controlegroep:

3. Leg uit hoe in de beoogde methoden wordt omgegaan met mogelijke vertekeningen bij selectie. Valt met voldoende zekerheid te verklaren dat geobserveerde verschillen in de uitkomsten voor de begunstigden toe te schrijven zijn aan de steun?

4. Leg (in voorkomend geval) uit hoe de beoogde methoden willen omgaan met specifieke uitdagingen van complexe regelingen (bv. regelingen die regionaal gedifferentieerd ten uitvoer worden gelegd of regelingen die verschillende steuninstrumenten gebruiken):

6. GEGEVENSVERZAMELING

1. Geef informatie over de mechanismen en bronnen voor het verzamelen en verwerken van data over de begunstigden van de steun en over het beoogde nulscenario ( 489 ). Beschrijf alle relevante informatie met betrekking tot de selectiefase: data verzameld over steunaanvragers, data ingediend door steunaanvragers en uitkomsten van de selectie. Geef ook toelichting bij mogelijke problemen met betrekking tot de beschikbaarheid van data:

2. Geef hier informatie over de frequentie waarmee voor de evaluatie relevante data worden verzameld. Zijn er observaties beschikbaar op een voldoende gedesaggregeerd niveau, d.w.z. op het niveau van individuele ondernemingen?

3. Wordt toegang tot de voor het uitvoeren van de evaluatie vereiste data belemmerd door wet- en regelgeving inzake vertrouwelijkheid van gegevens? Hoe worden die kwesties dan opgelost? Zijn er eventueel nog andere problemen met betrekking tot gegevensverzameling en hoe worden die aangepakt?

4. Staan er enquêtes van begunstigden van de steun of van andere ondernemingen gepland? Is het de bedoeling om aanvullende informatiebronnen te gebruiken?

7. VOORGENOMEN TIJDPAD VOOR DE EVALUATIE

1. Wat is het voorgenomen tijdpad voor de evaluatie, met mijlpalen voor het verzamelen van data, tussentijdse rapporten en betrokkenheid van stakeholders? Sluit, voor zover relevant, een bijlage in met een gedetailleerd tijdpad:

2. Tegen wanneer zal het definitieve evaluatieverslag bij de Commissie worden ingediend?

3. Welke factoren kunnen eventueel invloed hebben op het beoogde tijdpad?

8. DE EVALUERENDE INSTANTIE

1. Verschaf specifieke informatie over de evaluerende instantie of, mocht die nog niet zijn geselecteerd, over het tijdpad, de procedure en de criteria voor de selectie van de evaluerende instantie.

2. Verschaf informatie over de onafhankelijkheid van de evaluerende instantie. Hoe worden eventuele belangenconflicten uitgesloten tijdens de selectieprocedure?

3. Wat is de relevante deskundigheid en knowhow van de evaluerende instantie of hoe wordt die knowhow gegarandeerd tijdens de selectieprocedure?

4. Welke regelingen zal de steunverlenende instantie treffen om de uitvoering van de evaluatie te beheren en te monitoren?

5. Verschaf informatie (ook al zijn dat maar indicaties) over de vereiste personele en financiële hulpmiddelen die beschikbaar zullen worden gesteld om de evaluatie uit te voeren:

9. OPENBAARMAKING VAN DE EVALUATIE

1. Hoe zal de evaluatie openbaar worden gemaakt, d.w.z. door de publicatie van het evaluatieplan en het eindrapport op een website?

2. Hoe wordt de betrokkenheid van stakeholders gegarandeerd? Wordt overwogen om publieke consultaties of evenementen te houden met betrekking tot de evaluatie?

3. Hoe zullen de uitkomsten van de evaluatie worden gebruikt door de steunverlenende autoriteit en andere instanties, bv. om vervolgregelingen of vergelijkbare regelingen uit te werken?

4. Worden de voor de evaluatie verzamelde of gebruikte data toegankelijk gemaakt voor verdere studie en onderzoek? Op welke voorwaarden?

5. Bevat het evaluatieplan vertrouwelijke informatie die de Commissie niet mag vrijgeven?

10. OVERIGE INFORMATIE

1. Hier kunt u alle andere informatie geven die u van belang acht voor de beoordeling van het evaluatieplan:

2. Geef hier een lijst van alle documenten die bij de aanmelding zijn gevoegd. Voeg ook een papieren versie van de betrokken documenten bij of geef directe internetlinks naar die documenten:

DEEL III.12

FORMULIER ALGEMENE INFORMATIE VOOR DE RICHTSNOEREN VOOR STAATSSTEUN IN DE LANDBOUW- EN DE BOSBOUWSECTOR EN IN PLATTELANDSGEBIEDEN

Dit formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun moet worden gebruikt voor alle sectoren die vallen onder de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden  ( 490 ) („de richtsnoeren”). Vul voor alle maatregelen die onder de richtsnoeren vallen, ook het toepasselijke formulier aanvullende informatie in.

BEOORDELING VAN DE VERENIGBAARHEID OP GROND VAN ARTIKEL 107, LID 3, PUNT C), VAN HET VERDRAG

Op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) kan de Commissie staatssteun om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken, als verenigbaar met de interne markt aanmerken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Bij haar beoordeling houdt de Commissie rekening met de in dit formulier beschreven aspecten.

1. Voldoet de staatssteunmaatregel aan de volgende voorwaarden?

Eerste voorwaarde:

□ 

vaststelling van de betrokken economische activiteit;

□ 

stimulerend effect: de steun moet het gedrag van de betrokken ondernemingen zodanig veranderen dat zij extra activiteiten ondernemen die zij zonder de steun niet, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze zouden uitvoeren;

□ 

de steun is niet in strijd met de toepasselijke bepalingen en de algemene beginselen van het Unierecht.

Tweede voorwaarde:

□ 

noodzaak van overheidsmaatregelen: de steunmaatregel moet zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen, door bijvoorbeeld een oplossing te bieden voor marktfalen of door in voorkomend geval iets te doen aan een rechtvaardigheids- of cohesieprobleem;

□ 

geschiktheid van de steun: de voorgenomen steunmaatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de ontwikkeling van de economische activiteit te vergemakkelijken;

□ 

evenredigheid van de steun (steun beperkt tot het noodzakelijke minimum): het steunbedrag en de steunintensiteit moeten beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om de betrokken ondernemingen aan te zetten tot de extra investering of activiteit;

□ 

transparantie van de steun: de lidstaten, de Commissie, de marktdeelnemers en het publiek moeten gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot alle toepasselijke besluiten en tot relevante informatie over de op grond van die besluiten verleende steun;

□ 

vermijden van negatieve effecten van de steun die nadelig zijn voor de mededinging en het handelsverkeer;

□ 

afwegen van de positieve en negatieve effecten die de steun mogelijk heeft op de mededinging en het handelsverkeer tussen lidstaten (de afwegingstoets).

1. EERSTE VOORWAARDE: DE STEUN MOET EEN ECONOMISCHE ACTIVITEIT VERGEMAKKELIJKEN

1.1. Bijdrage aan de ontwikkeling van een ondersteunde economische activiteit

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.1 (punten 42 tot en met 45) van de richtsnoeren.

1.1.1. In artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag is bepaald dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken als verenigbaar met de interne markt kan aanmerken mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Bijgevolg moet steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Verstrek, voor de beoordeling of aan punt 42 van de richtsnoeren wordt voldaan, informatie aan de hand waarvan de Commissie kan vaststellen welke economische activiteit(en) de steun zal vergemakkelijken, en toon aan hoe de steun de ontwikkeling van die activiteit(en) vergemakkelijkt:

1.1.2. Vermeld of, en zo ja, hoe de steun bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het GLB en, binnen dat beleid, tot de doelstellingen van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad ( 491 ), en beschrijf meer specifiek de verwachte voordelen van de steun:

Deze informatie is voor de Commissie noodzakelijk om na te gaan of de steun strookt met punt 44 van de richtsnoeren.

1.1.3. Gaat het om steun voor maatregelen op het gebied van risico- en crisisbeheer die overeenkomstig deel II, afdeling 1.2, van de richtsnoeren wordt verleend?

□ja□nee

Zo ja, geef een nadere beschrijving van de betrokken maatregel(en) op het gebied van risico- en crisisbeheer:

Op grond van punt 45 van de richtsnoeren stelt de Commissie zich op het standpunt dat steun voor maatregelen op het gebied van risico- en crisisbeheer die overeenkomstig deel II, afdeling 1.2, van de richtsnoeren wordt verleend, de ontwikkeling van de betrokken economische activiteit of regionale economie kan vergemakkelijken, aangezien die ontwikkeling zonder steun misschien niet in dezelfde mate zou plaatsvinden.

1.1.4. Wordt de steun toegekend voor individueel aan te melden investeringsprojecten in het kader van een regeling?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat het geselecteerde project zal bijdragen aan de doelstellingen van de regeling en dus aan de doelstellingen van steun die wordt verleend in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden. Zie hiervoor ook vraag 2.6. van dit formulier, waarin informatie wordt gevraagd over de positieve effecten van de investeringssteun.

1.2. Stimulerend effect

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.2 (punten 47 tot en met 60) van de richtsnoeren.

Staatssteun kan alleen als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt als hij een stimulerend effect heeft. Een stimulerend effect doet zich voor wanneer de steun het gedrag van een onderneming zodanig verandert dat zij extra activiteiten onderneemt die aan de ontwikkeling van de sector bijdragen en die zij zonder de steun niet, of slechts in beperktere mate of op een andere wijze zou hebben uitgevoerd.

1.2.1. Leg, voor de beoordeling of aan punt 47 van de richtsnoeren wordt voldaan, uit hoe de maatregel(en) tot een dusdanige gedragswijziging bij de onderneming van de begunstigde leidt (leiden) dat extra economische activiteiten worden ondernomen die aan de ontwikkeling van de sector bijdragen en die de begunstigde zonder de steun niet, of slechts in beperktere mate of op een andere wijze zou hebben uitgevoerd.

1.2.2. Gelieve te bevestigen dat de steun niet louter de kosten zal subsidiëren van een activiteit die een onderneming sowieso zou hebben verricht, en evenmin het normale bedrijfsrisico van een economische activiteit zal compenseren.

□ja□nee

Op grond van punt 47 van de richtsnoeren mag de steun niet dienen om de kosten te subsidiëren van een activiteit die een onderneming sowieso zou hebben verricht, noch om het normale bedrijfsrisico van een economische activiteit te compenseren.

1.2.3. Gelieve te bevestigen dat de aangemelde staatssteunmaatregel niet louter bedoeld is om de financiële situatie van ondernemingen te verbeteren, zonder op enige wijze bij te dragen tot de ontwikkeling van de sector:

□ja□nee

Op grond van punt 48 van de richtsnoeren wordt, tenzij de wetgeving van de Unie of de richtsnoeren uitdrukkelijk in uitzonderingen voorzien, staatssteun die louter bedoeld is om de financiële situatie van ondernemingen te verbeteren, maar op geen enkele wijze tot de ontwikkeling van de sector bijdraagt, en vooral steun die uitsluitend op basis van prijzen, hoeveelheden, productie-eenheden of eenheden van productiemiddelen wordt toegekend, beschouwd als exploitatiesteun die onverenigbaar is met de interne markt. Voorts heeft dit soort steun, door de aard ervan, waarschijnlijk een verstorend effect op de mechanismen van de gemeenschappelijke marktordening.

1.2.4. Is de steun die in het kader van deel II, afdelingen 1.2 en 2.8.5, van de richtsnoeren wordt verleend, beperkt tot het helpen van ondernemingen die in de landbouw- en de bosbouwsector actief zijn en tal van moeilijkheden ondervinden ondanks hun redelijke inspanningen om die risico’s zo veel mogelijk te beperken?

□ja□nee

Op grond van punt 49 van de richtsnoeren moet steun die in het kader van deel II, afdelingen 1.2 en 2.8.5, wordt verleend, worden beperkt tot het helpen van ondernemingen die in de landbouw- en de bosbouwsector actief zijn en die tal van moeilijkheden ondervinden, ondanks hun redelijke inspanningen om die risico’s zo veel mogelijk te beperken. Staatssteun mag er niet toe leiden dat de ondernemingen onnodige risico’s nemen. Ondernemingen die actief zijn in de landbouw- en de bosbouwsector, moeten zelf de gevolgen dragen van onvoorzichtige keuzen met betrekking tot productiemethoden of producten.

1.2.5. Zal de begunstigde een steunaanvraag bij de nationale autoriteiten indienen voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit van start gaan?

□ja□nee

Op grond van punt 50 van de richtsnoeren heeft de steun geen stimulerend effect voor de begunstigde wanneer het betrokken project of de betrokken activiteit reeds is gestart voordat de begunstigde zijn steunaanvraag bij de nationale autoriteiten heeft ingediend.

1.2.6. Zal de steunaanvraag ten minste het volgende bevatten: de naam van de aanvrager en de grootte van de onderneming, een beschrijving van het project of de activiteit, met vermelding van de locatie en de start- en einddatum, het steunbedrag dat nodig is om het project of de activiteit uit te voeren en de in aanmerking komende kosten?

□ja□nee

1.2.7. Wordt de steun aan grote ondernemingen verleend?

□ja□nee

1.2.8. Als het antwoord op de vorige vraag „ja” is, zullen de begunstigden die grote ondernemingen zijn, in de steunaanvraag de situatie beschrijven als er geen steun zou worden verleend (deze situatie moet worden aangeduid als het nulscenario, het alternatieve project of de alternatieve activiteit) en bewijsstukken overleggen om het in de aanvraag beschreven nulscenario te staven?

□ja□nee

Op grond van punt 52 van de richtsnoeren geldt deze vereiste niet voor gemeenten die autonome lokale autoriteiten zijn met een jaarlijkse begroting van minder dan 10 miljoen EUR en met minder dan 5 000 inwoners.

1.2.9. Zal de steunverlenende autoriteit het nulscenario op zijn geloofwaardigheid toetsen en bevestigen dat de steun het vereiste stimulerende effect heeft?

□ja□nee

Op grond van punt 53 van de richtsnoeren is een nulscenario geloofwaardig als het reëel is en verband houdt met factoren die meespeelden in de besluitvorming op het tijdstip waarop de begunstigde het besluit nam ten aanzien van het betrokken project of de betrokken activiteit.

1.2.10. Wordt, indien de steun in de vorm van belastingvoordelen wordt toegekend, aan de volgende voorwaarden voldaan?

(a) 

de steunregeling geeft volgens objectieve criteria recht op steun zonder dat de lidstaat nog een beoordelingsbevoegdheid uitoefent, en

(b) 

de steunregeling is goedgekeurd en in werking getreden voordat de werkzaamheden in het kader van het gesteunde project of de gesteunde activiteit zijn gestart ( 492 )?

□ja□nee

Op grond van punt 54 van de richtsnoeren wordt steun in de vorm van belastingvoordelen geacht een stimulerend effect te hebben indien aan de twee genoemde voorwaarden is voldaan. Op grond van punt 54 van de richtsnoeren geldt de vereiste van punt b) van deze vraag niet in het geval van fiscale vervolgregelingen voor zover de activiteit al onder de voorgaande regelingen in de vorm van belastingvoordelen viel.

1.2.11. Valt de steun onder een van de volgende steuncategorieën van de richtsnoeren?

(a) 

□steunregelingen voor ruilverkaveling overeenkomstig deel II, afdelingen 1.3.6 en 2.9.2, van de richtsnoeren en steunregelingen met milieu-, beschermings- en recreatiedoelstellingen overeenkomstig deel II, afdeling 2.8, van de richtsnoeren, die aan de volgende voorwaarden voldoen:

(i) 

□de steunregeling geeft volgens objectieve criteria recht op steun zonder dat de lidstaat nog een beoordelingsbevoegdheid uitoefent,

(ii) 

□de steunregeling is goedgekeurd en is in werking getreden voordat de begunstigde de kosten die op grond van deel II, afdelingen 1.3.6, 2.9.2 en 2.8, van de richtsnoeren in aanmerking komen, heeft gemaakt, en

(iii) 

□de steunregeling heeft uitsluitend betrekking op kmo’s;

(b) 

□steun voor het opvangen van gebiedsspecifieke nadelen die het gevolg zijn van bepaalde verplichte vereisten overeenkomstig deel II, afdeling 1.1.6, van de richtsnoeren;

(c) 

□steun voor gebieden met natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen overeenkomstig deel II, afdeling 1.1.7, van de richtsnoeren;

(d) 

□steun voor voorlichtingsacties in de landbouwsector overeenkomstig deel II, afdeling 1.1.10.1, van de richtsnoeren, bestaande uit het ter beschikking stellen van informatie aan een onbepaald aantal begunstigden;

(e) 

□steun voor het herstel van door natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen veroorzaakte schade overeenkomstig deel II, afdeling 1.2.1.1, van de richtsnoeren;

(f) 

□steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld overeenkomstig deel II, afdeling 1.2.1.2, van de richtsnoeren;

(g) 

□steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten, plantenplagen en plagen van invasieve uitheemse soorten en steun voor het herstel van schade als gevolg van dierziekten, plantenplagen en invasieve uitheemse soorten overeenkomstig deel II, afdeling 1.2.1.3, van de richtsnoeren;

(h) 

□steun voor de kosten van het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren overeenkomstig deel II, afdeling 1.2.1.4, van de richtsnoeren;

(i) 

□steun ter vergoeding van door beschermde dieren veroorzaakte schade overeenkomstig deel II, afdeling 1.2.1.5, van de richtsnoeren;

(j) 

□steun voor het herstel van door beschermde dieren veroorzaakte schade in bossen overeenkomstig deel II, afdeling 2.8.5, van de richtsnoeren;

(k) 

□steun voor voorlichtingsacties in de bosbouwsector overeenkomstig deel II, afdeling 2.4, van de richtsnoeren, bestaande uit het ter beschikking stellen van informatie aan een onbepaald aantal begunstigden;

(l) 

□steun voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven overeenkomstig deel II, afdeling 1.1.1.2, van de richtsnoeren, met uitzondering van individuele steun die meer bedraagt dan 500 000  EUR per onderneming per investeringsproject;

(m) 

□steun voor afzetbevorderingsmaatregelen overeenkomstig punt 468, b), c) en d), van de richtsnoeren;

(n) 

□steun ter compensatie van extra vervoerskosten overeenkomstig de punten 480 en 481 van de richtsnoeren;

(o) 

□steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouw- en de bosbouwsector overeenkomstig deel II, afdelingen 1.3.7 en 2.9.1, van de richtsnoeren;

(p) 

□steun voor het herstel van schade aan bossen als gevolg van branden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen, dierziekten, rampzalige gebeurtenissen en aan de klimaatverandering gerelateerde gebeurtenissen overeenkomstig deel II, afdeling 2.1.3, van de richtsnoeren;

(q) 

□steun voor de kosten van de behandeling en de preventie van de verspreiding van plagen, boomziekten en invasieve uitheemse soorten en steun voor het herstel van schade als gevolg van plagen, boomziekten en invasieve uitheemse soorten overeenkomstig deel II, afdeling 2.8.1, van de richtsnoeren.

Op grond van punt 55 van de richtsnoeren hoeven de bovenstaande categorieën steun geen stimulerend effect te hebben of wordt ervan uitgegaan dat zij dat effect sowieso hebben. Als de steun voor een van de bovengenoemde categorieën wordt toegekend, zijn de punten (50) tot en met (53) van de richtsnoeren dus niet van toepassing.

Aanvullende voorwaarden voor individueel aan te melden investeringssteun

Als de steun wordt toegekend voor individuele investeringen, vul dan ook de onderstaande vragen 1.2.12. tot en met 1.2.16. in.

1.2.12. Toon in de aanmelding duidelijk aan dat de steun de investeringskeuze werkelijk beïnvloedt.

Geef een nadere omschrijving van die invloed:

Op grond van punt 56 van de richtsnoeren moet de lidstaat, om een uitgebreide beoordeling mogelijk te maken, niet alleen informatie over het gesteunde project verstrekken, maar ook een uitvoerige beschrijving geven van het nulscenario waarin de begunstigde van geen enkele overheidsinstantie steun krijgt toegekend.

1.2.13. Geef een uitvoerige beschrijving van het nulscenario waarin de begunstigde van geen enkele overheidsinstantie steun krijgt toegekend:

Op grond van punt 59 van de richtsnoeren kan, wanneer er geen specifiek nulscenario bekend is, worden aangenomen dat er een stimulerend effect is wanneer er een financieringskloof is. Dat is het geval wanneer de investeringskosten hoger uitvallen dan de netto contante waarde van de verwachte exploitatiebaten van de investering op basis van een vooraf opgesteld bedrijfsplan.

1.2.14. Geef aan welke als onderdeel van de aanmelding ingediende documenten betrekking hebben op het te beoordelen investeringsproject:

Op grond van punt 57 van de richtsnoeren wordt de lidstaten gevraagd om zich te baseren op authentieke en officiële documenten van de raad van bestuur, risicobeoordelingen, met onder meer een beoordeling van de locatiegebonden risico’s, financiële verslagen, interne bedrijfsplannen, adviezen van deskundigen en andere studies in verband met het investeringsproject dat ter beoordeling voorligt. Die documenten moeten betrekking hebben op de periode waarin het besluitvormingsproces met betrekking tot de investering of de locatie ervan plaatsvond. Documenten die informatie bevatten over vraagprognoses, kostenprognoses en financiële prognoses, documenten die aan een investeringscomité worden overgelegd en waarin verschillende investeringsscenario’s zijn uitgewerkt, of documenten die aan de financiële instellingen worden verstrekt, kunnen de lidstaten helpen om het stimulerende effect aan te tonen.

1.2.15. Geef aan hoe de winstgevendheid beoordeeld zal worden:

Op grond van punt 58 van de richtsnoeren kan de winstgevendheid worden beoordeeld aan de hand van methoden die in de betrokken sector gebruikelijk zijn, zoals methoden om de netto contante waarde (NPV) ( 493 ) van het project, de interne opbrengstvoet (IRR) ( 494 ) of de gemiddelde Return on Capital Employed (ROCE) vast te stellen. De winstgevendheid van het project moet worden vergeleken met normale rendementspercentages die de begunstigde hanteert bij andere soortgelijke investeringsprojecten. Wanneer die percentages niet beschikbaar zijn, moet de winstgevendheid van het project worden vergeleken met de kapitaalkosten van de onderneming als geheel of met de rendementspercentages die doorgaans in de betrokken sector worden waargenomen.

1.2.16. Vertoont het investeringsproject een financieringskloof of, anders gezegd, vallen de investeringskosten hoger uit dan de netto contante waarde van de verwachte exploitatiebaten van de investering op basis van een vooraf opgesteld bedrijfsplan?

□ja□nee

Zo ja, verstrekt nadere gegevens:

Op grond van punt 59 van de richtsnoeren kan worden aangenomen dat er een stimulerend effect is wanneer het investeringsproject een financieringskloof vertoont. Dat is het geval wanneer de investeringskosten hoger uitvallen dan de netto contante waarde van de verwachte exploitatiebaten van de investering op basis van een vooraf opgesteld bedrijfsplan.

1.3. Geen inbreuk op de toepasselijke bepalingen en de algemene beginselen van het recht van de Unie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.1.3 (punten 61 tot en met 64) van de richtsnoeren.

1.3.1. Gelieve te bevestigen dat de staatssteunmaatregel, de daaraan gekoppelde voorwaarden, met inbegrip van de wijze van financiering ervan wanneer die een integrerend onderdeel van de staatssteunmaatregel vormt, of de activiteit die ermee wordt gefinancierd, niet leiden tot een schending van het toepasselijke recht van de Unie.

□ja□nee

Op grond van punt 61 van de richtsnoeren kan de steun niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt als een staatssteunmaatregel, de daaraan verbonden voorwaarden, met inbegrip van de wijze van financiering ervan wanneer die een integrerend onderdeel van de staatssteunmaatregel vormt, of de activiteit die ermee wordt gefinancierd, leiden tot een schending van het toepasselijke recht van de Unie.

Verstrek, voor de beoordeling of aan punt 61 van de richtsnoeren wordt voldaan, informatie waaruit blijkt dat de steunmaatregel niet leidt tot een schending van het toepasselijke recht van de Unie:

1.3.2. Maakt het financieringssysteem integraal deel uit van de steunmaatregel?

□ja□nee

Zo ja, geef een beschrijving van het financieringssysteem:

Op grond van punt 26 van de richtsnoeren moet een financieringssysteem, bijvoorbeeld een systeem op basis van parafiscale heffingen, worden aangemeld wanneer dit systeem integraal deel uitmaakt van de steunmaatregel.

1.3.3. Wanneer de steunmaatregel betrekking heeft op landbouwproducten ( 495 ), is de steun verenigbaar met de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten?

□ja□nee

Op grond van punt 62 van de richtsnoeren zal de Commissie geen staatssteun goedkeuren die onverenigbaar is met de bepalingen betreffende de gemeenschappelijke marktordening of een belemmering voor de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening zou vormen.

1.3.4. Is aan de steun de verplichting voor de begunstigde onderneming verbonden om nationale producten of diensten te gebruiken?

□ja□nee

Zo ja, dan kan de steun op grond van punt 63 van de richtsnoeren niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt.

1.3.5. Stelt de steun beperkingen aan de mogelijkheden voor de begunstigde onderneming om de resultaten van onderzoek, ontwikkeling en innovatie in andere lidstaten te exploiteren?

□ja□nee

Zo ja, dan kan de steun op grond van punt 63 van de richtsnoeren niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt.

1.3.6. Gaat het om steun voor met de uitvoer naar derde landen of lidstaten verband houdende activiteiten die rechtstreeks gekoppeld is aan uitgevoerde hoeveelheden, steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse goederen in plaats van ingevoerde goederen, steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienetwerk of steun voor de financiering van andere uitgaven in verband met exportactiviteiten?

□ja□nee

Op grond van punt 64 van de richtsnoeren geeft de Commissie geen toestemming voor steun voor met de uitvoer naar derde landen of lidstaten verband houdende activiteiten die rechtstreeks gekoppeld is aan uitgevoerde hoeveelheden, noch voor steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse goederen in plaats van ingevoerde goederen, noch voor steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of voor de financiering van andere uitgaven in verband met exportactiviteiten. Steun ter financiering van de kosten van deelneming aan handelsbeurzen of van studies of consultancydiensten die noodzakelijk zijn om een nieuw of een bestaand product op een nieuwe markt uit te brengen, is in de regel geen exportsteun.

2. TWEEDE VOORWAARDE: DE STEUN MAG DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, NIET ZODANIG VERANDEREN DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

Op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag kan steun om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, slechts als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt „mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad”.

Elke steunmaatregel veroorzaakt, naar zijn aard zelf, verstoringen van de mededinging en beïnvloedt het handelsverkeer tussen de lidstaten. Om vast te stellen of de verstorende effecten van de steun tot het minimum beperkt blijven, zal de Commissie echter nagaan of de steun noodzakelijk, passend, evenredig en transparant is.

De Commissie zal dan het verstorende effect van de desbetreffende steun op de mededingings- en handelsvoorwaarden beoordelen. Vervolgens zal de Commissie de positieve effecten van de steun afwegen tegen de negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer. Wanneer de positieve effecten opwegen tegen de negatieve effecten, zal de Commissie de steun verenigbaar verklaren.

2.1. Noodzaak van overheidsmaatregelen

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.1 (punten 70 en 71) van de richtsnoeren.

2.1.1. Op grond van punt 70 van de richtsnoeren moet staatssteun gericht zijn op situaties waar steun kan zorgen voor een wezenlijke ontwikkeling die de markt zelf niet tot stand kan brengen, door bijvoorbeeld een oplossing te bieden voor marktfalen met betrekking tot de gesteunde activiteit of investering in kwestie. Staatssteunmaatregelen kunnen immers, onder bepaalde voorwaarden, marktfalen corrigeren en zodoende bijdragen tot het doelmatige functioneren van de markten en het versterken van het concurrentievermogen.

Verstrek, voor de beoordeling of aan punt 70 van de richtsnoeren wordt voldaan, alle informatie waaruit blijkt dat de steun kan zorgen voor een wezenlijke ontwikkeling die de markt zelf niet tot stand kan brengen of dat hij marktfalen kan corrigeren en zodoende kan bijdragen tot het doelmatige functioneren van de markten en het versterken van het concurrentievermogen:

Voor de toepassing van de richtsnoeren is de Commissie van mening dat de markt in het geval van steunmaatregelen die aan de specifieke voorwaarden van deel I van de richtsnoeren voldoen, de verwachte doelstellingen niet zonder overheidsmaatregelen verwezenlijkt. Daarom moet dergelijke steun noodzakelijk worden geacht.

2.2. Geschiktheid van de steun

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.2 (punten 72 en 82) van de richtsnoeren.

De voorgestelde steunmaatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de betrokken beleidsdoelstelling te helpen bereiken. De lidstaat moet aantonen dat de steun en de vormgeving ervan geschikt zijn om de doelstelling van de maatregel waarop de steun is gericht, te bereiken.

Een geschikt instrument in vergelijking met mogelijke andere beleidsinstrumenten

2.2.1. Voldoet de steun aan de specifieke voorwaarden van de desbetreffende afdelingen van deel II van de richtsnoeren?

□ja□nee

Zo ja, vermeld de desbetreffende afdeling:

Op grond van punt 73 van de richtsnoeren beschouwt de Commissie steun die in de landbouw- en de bosbouwsector wordt verleend en aan de specifieke voorwaarden van de desbetreffende afdelingen van deel II voldoet, als een geschikt beleidsinstrument.

2.2.2. Vormt de steun een op een plattelandsontwikkelingsmaatregel lijkende steunmaatregel die uitsluitend uit nationale middelen wordt gefinancierd, terwijl diezelfde interventie ook in het desbetreffende strategisch GLB-plan voorkomt?

□ja□nee

Zo ja, toon de voordelen van een dergelijk nationaal steuninstrument aan ten opzichte van de betrokken interventie in het strategisch GLB-plan:

Een geschikt instrument in vergelijking met andere steuninstrumenten

Op grond van punt 75 van de richtsnoeren kan steun in verschillende vormen worden verleend. De lidstaat moet er evenwel voor zorgen dat de steun wordt toegekend in de vorm die naar verwachting het minste risico op verstoringen van het handelsverkeer en van de mededinging oplevert.

2.2.3. Op grond van punt 82 van de richtsnoeren doet de beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de interne markt geen afbreuk aan de toepasselijke voorschriften voor het plaatsen van overheidsopdrachten en de beginselen van transparantie, openheid en non-discriminatie bij de selectie van een dienstverlener. Geef, voor de beoordeling of aan punt 75 van de richtsnoeren wordt voldaan, een nadere beschrijving van de vorm van de steun en toon aan dat deze vorm naar verwachting het minste risico op verstoringen van het handelsverkeer en van de mededinging oplevert:

2.2.4. Indien in een toepasselijke afdeling van deel II van de richtsnoeren voor aangemelde steun een specifieke vorm is vastgelegd, is de vorm van de steun in overeenstemming met die vorm van steun?

□ja□nee

Zo ja, geef een beschrijving van de betrokken vorm van steun:

Op grond van punt 76 van de richtsnoeren wordt, wanneer voor een steunmaatregel een specifieke vorm is vastgelegd als omschreven in deel II van de richtsnoeren, die vorm beschouwd als een geschikt steuninstrument.

2.2.5. Wordt de steun toegekend in de vorm waarin de desbetreffende plattelandsontwikkelingsinterventie voorziet — gecofinancierd uit het Elfpo dan wel verleend als aanvullende financiering bij dergelijke gecofinancierde plattelandsontwikkelingsinterventies?

□ja□nee

Zo ja, dan is, zoals bepaald in punt 78 van de richtsnoeren, steun die wordt toegekend in de vorm waarin de desbetreffende plattelandsontwikkelingsinterventies voorzien — gecofinancierd uit het Elfpo dan wel verleend als aanvullende financiering bij dergelijke gecofinancierde plattelandsontwikkelingsinterventies — een geschikt steuninstrument.

2.2.6. Als het gaat om investeringssteun die niet in een strategisch GLB-plan is opgenomen of die niet wordt verleend als aanvullende financiering bij een dergelijke plattelandsontwikkelingsinterventie, wordt de steun toegekend in een vorm die een direct financieel voordeel oplevert (bv. rechtstreekse subsidies, vrijstellingen of verlagingen van belastingen, socialezekerheidsbijdragen of andere verplichte bijdragen)?

□ja□nee

Zo ja, toon aan waarom andere, potentieel minder verstorende vormen van steun zoals terugbetaalbare voorschotten of vormen van steun die gebaseerd zijn op schuld- of eigenvermogensinstrumenten (bijvoorbeeld leningen tegen verlaagde rente of met rentesubsidie, overheidsgaranties of een andere vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden), minder geschikt zijn:

2.2.7. Wordt de steun toegekend voor bosbouwmaatregelen als bedoeld in deel II, afdeling 2.8, van de richtsnoeren?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat de beoogde milieu-, beschermings- en recreatiedoelstellingen niet kunnen worden bereikt met op plattelandsontwikkelingsmaatregelen lijkende bosbouwmaatregelen als bedoeld in deel II, afdelingen 2.1 tot en met 2.7, van de richtsnoeren.

2.2.8. Valt de steun onder een van de volgende steuncategorieën?

□ 

steun voor de kosten van marktonderzoek en productontwerp en -design en voor het opstellen van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen;

□ 

steun voor kennisuitwisselings- en voorlichtingsacties;

□ 

steun voor adviesdiensten;

□ 

steun voor bedrijfsvervangingsdiensten in de landbouw;

□ 

steun voor afzetbevorderingsmaatregelen;

□ 

steun voor de kosten van preventie en uitroeiing van dierziekten, plantenplagen en invasieve uitheemse soorten;

□ 

steun voor de veeteeltsector.

2.2.9. Als de steun wordt toegekend voor een van de in de vorige vraag genoemde categorieën, gelieve te bevestigen dat die steun aan de eindbegunstigden van de steun wordt verleend door middel van gesubsidieerde diensten:

□ja□nee

Op grond van punt 81 van de richtsnoeren moet de steun die voor een van de bovengenoemde categorieën wordt toegekend, aan de eindbegunstigden van de steun worden verleend door middel van gesubsidieerde diensten. In die gevallen moet de steun worden betaald aan de aanbieder van de betrokken dienst of activiteit.

2.3. Evenredigheid van de steun en cumulering

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.3 (punten 83 en 111) van de richtsnoeren.

Steun wordt doorgaans als evenredig beschouwd indien het steunbedrag per begunstigde beperkt blijft tot het minimum dat noodzakelijk is om de gesteunde activiteit uit te voeren.

2.3.1. Is het steunbedrag groter dan de in aanmerking komende kosten?

□ja□nee

Op grond van punt 84 van de richtsnoeren wordt de steun als evenredig beschouwd als hij niet hoger is dan de in aanmerking komende kosten.

2.3.2. Valt de steun onder deel II, afdelingen 1.3.1.1 en 2.3, van de richtsnoeren, waarin uitdrukkelijk is voorzien in milieu- of andere overheidsstimulansen?

□ja□nee

Zo ja, dan is punt 84 van de richtsnoeren niet van toepassing.

2.3.3. Berekent de steunverlenende autoriteit de maximale steunintensiteit en het maximale steunbedrag bij de toekenning van de steun?

□ja□nee

2.3.4. Zullen de in aanmerking komende kosten worden gestaafd met duidelijke, specifieke en actuele bewijsstukken?

□ja□nee

2.3.5. Zijn de bedragen die voor de berekening van de steunintensiteit en de in aanmerking komende kosten worden gebruikt, de bedragen vóór aftrek van belastingen of andere heffingen?

□ja□nee

2.3.6. Komt de belasting over de toegevoegde waarde (btw) in aanmerking voor steun?

□ja□nee

2.3.7. Als het antwoord op de vorige vraag „ja” is, is de btw krachtens de nationale btw-wetgeving terugvorderbaar?

□ja□nee

Op grond van punt 88 van de richtsnoeren komt de belasting over de toegevoegde waarde (btw) niet voor steun in aanmerking, behalve wanneer zij niet terugvorderbaar is krachtens de nationale btw-wetgeving.

2.3.8. Wanneer steun in een andere vorm dan een subsidie wordt toegekend, is het steunbedrag het brutosubsidie-equivalent van de steun?

□ja□nee

2.3.9. Wordt de steun in verschillende tranches betaald?

□ja□nee

Zo ja, zal de steun worden gedisconteerd tot de waarde ervan op het tijdstip van de toekenning van de steun?

□ja□nee

Op grond van punt 90 van de richtsnoeren moeten de in aanmerking komende kosten worden gedisconteerd tot waarde ervan op het tijdstip van de toekenning van de steun. De rentevoet die voor de discontering moet worden gehanteerd, is de disconteringsvoet die op de datum van de toekenning van de steun van toepassing is.

2.3.10. Wordt in de toekomst te betalen steun gedisconteerd tot de waarde ervan op het tijdstip van de toekenning van de steun?

□ja□nee

Op grond van punt 91 van de richtsnoeren moet in de toekomst te betalen steun, met inbegrip van steun die in verschillende tranches wordt uitgekeerd, worden gedisconteerd tot de waarde ervan op het tijdstip van de toekenning van de steun.

2.3.11. Wordt de steun toegekend in de vorm van belastingvoordelen?

□ja□nee

Zo ja, worden de steuntranches gedisconteerd aan de hand van de disconteringsvoeten die gelden op de verschillende tijdstippen waarop de belastingvoordelen beginnen te spelen?

□ja□nee

2.3.12. Wordt het steunbedrag voor de maatregelen of soorten verrichtingen als bedoeld in deel II, afdelingen 1.1.4, 1.1.5, 1.1.6, 1.1.7, 1.1.8, 2.1.1, 2.1.2, 2.1.4, 2.2 en 2.3, van de richtsnoeren vastgesteld op basis van standaardveronderstellingen van extra kosten en gederfde inkomsten?

□ja□nee

Zo ja, gelieve te bevestigen dat de berekening en de overeenkomstige steun voldoen aan de volgende voorwaarden:

(a) 

□ze bevatten alleen verifieerbare elementen;

(b) 

□ze zijn gebaseerd op met passende expertise vastgestelde bedragen;

(c) 

□ze bevatten een duidelijke vermelding van de bron van de gebruikte bedragen;

(d) 

□indien van toepassing zijn ze gedifferentieerd om rekening te houden met de regionale of lokale locatie en het feitelijke landgebruik;

(e) 

□ze bevatten geen elementen die verband houden met investeringskosten.

De bovenstaande voorwaarden zijn cumulatief en moeten allemaal worden vervuld.

2.3.13. Wordt de steun verleend overeenkomstig een van de volgende vereenvoudigde kostenopties?

(a) 

□eenheidskosten;

(b) 

□vaste bedragen;

(c) 

□forfaitaire financiering.

Steun die onder deel II, afdelingen 1.2 en 2.8.5, van de richtsnoeren valt, kan niet worden verleend overeenkomstig de bovengenoemde vereenvoudigde kostenopties.

2.3.14. Als het antwoord op de vorige vraag „ja” is, geef aan op welke wijze het steunbedrag wordt vastgesteld:

(a) 

□een eerlijke, billijke en controleerbare berekeningsmethode op basis van een of meer van de volgende elementen:

(i) 

□statistische gegevens, andere objectieve informatie of een deskundige beoordeling;

(ii) 

□de geverifieerde historische gegevens van individuele begunstigden;

(iii) 

□de toepassing van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van individuele begunstigden;

(b) 

□conform de voorschriften voor de toepassing van overeenkomstige eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages die in het kader van beleidsmaatregelen van de Unie voor een soortgelijke verrichting gelden.

Gelieve de desbetreffende bewijsstukken voor te leggen als onderdeel van de aanmelding.

2.3.15. Als de maatregel wordt gecofinancierd, worden de bedragen van de in aanmerking komende kosten berekend overeenkomstig de vereenvoudigde kostenopties van Verordening (EU) 2021/1060 ( 496 ) en Verordening (EU) 2021/2115?

□ja□nee

Gelieve nadere bijzonderheden te verstrekken en de desbetreffende bewijsstukken in te dienen:

2.3.16. Is er een verzekering gekoppeld aan de maatregel waarvoor de steun wordt verleend?

□ja□nee

Zo ja, geef nadere bijzonderheden:

Op grond van punt 97 van de richtsnoeren houdt de Commissie bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun rekening met de verzekeringen die de begunstigde van de steun heeft afgesloten of had kunnen afsluiten. Met betrekking tot steun voor het herstel van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, wordt, om het gevaar van mededingingsverstoring te voorkomen, steun ten belope van de maximale steunintensiteit slechts toegekend aan een onderneming die voor dergelijke verliezen niet door een verzekering kan worden gedekt.

Aanvullende voorwaarden voor individueel aan te melden investeringssteun en investeringssteun voor grote ondernemingen in het kader van aangemelde regelingen

2.3.17. Als het gaat om individueel aan te melden investeringssteun, stemt het steunbedrag overeen met de nettomeerkosten van de uitvoering van de investering in het betrokken gebied, vergeleken met het nulscenario waarin geen steun wordt verleend?

□ja□nee

Beschrijf het nulscenario:

Op grond van punt 98 van de richtsnoeren geldt als algemene regel dat individueel aan te melden investeringssteun zal worden geacht tot het minimum beperkt te blijven als het steunbedrag overeenstemt met de nettomeerkosten van de uitvoering van de investering in het betrokken gebied vergeleken met het nulscenario waarin geen steun wordt verleend ( 497 ), met een limiet in de vorm van maximale steunintensiteiten.

2.3.18. Verstrek de volgende informatie:

(a) 

de berekening van de interne opbrengstvoet van de investering met en zonder de steun:

(b) 

informatie over de desbetreffende marktbenchmarks voor de onderneming (bv. normale rendementspercentages die een begunstigde nodig heeft om soortgelijke projecten uit te voeren, de kapitaalkosten van de onderneming als geheel):

(c) 

een toelichting waarom, op basis van het bovenstaande, de steun het noodzakelijke minimum is om het project voldoende winstgevend te maken:

2.3.19. Is het steunbedrag beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is om het project voldoende winstgevend te maken?

□ja□nee

Op grond van punt 99 van de richtsnoeren mag de steun niet hoger uitkomen dan het minimum dat noodzakelijk is om het project voldoende winstgevend te maken. Het steunbedrag mag er bijvoorbeeld niet toe leiden dat de interne opbrengstvoet ervan toeneemt tot boven de normale rendementspercentages die de betrokken onderneming hanteert bij andere soortgelijke investeringsprojecten, of dat, als deze rendementspercentages niet beschikbaar zijn, de interne opbrengstvoet toeneemt tot boven de kapitaalkosten van de onderneming als geheel of tot boven de rendementspercentages die doorgaans in de betrokken sector worden waargenomen.

2.3.20. Als het gaat om investeringssteun voor grote ondernemingen in het kader van een aangemelde regeling, wordt ervoor gezorgd dat het steunbedrag overeenstemt met de nettomeerkosten van de uitvoering van de investering in het betrokken gebied, vergeleken met het nulscenario waarin geen steun wordt verleend?

□ja□nee

Op grond van punt 100 van de richtsnoeren moet, om ervoor te zorgen dat het steunbedrag overeenstemt met de nettomeerkosten van de uitvoering van de investering in het betrokken gebied, vergeleken met het nulscenario waarin geen steun wordt verleend, de in punt 99 van de richtsnoeren uiteengezette methode worden gehanteerd in combinatie met een limiet in de vorm van maximale steunintensiteiten.

2.3.21. Is de begunstigde een gemeente die een autonome lokale autoriteit is met een jaarlijkse begroting van minder dan 10 miljoen EUR en met minder dan 5 000 inwoners?

□ja□nee

Zo ja, dan zijn de punten (98) tot en met (101) van de richtsnoeren niet van toepassing.

Cumulering van steun

2.3.22. Wordt de aangemelde steun gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen toegekend of met ad-hocsteun gecumuleerd?

□ja□nee

2.3.23. Als het antwoord op de vorige vraag „ja” is, is het totale bedrag van de voor een activiteit of een project verleende staatssteun beperkt tot de in de richtsnoeren vastgestelde steunplafonds?

□ja□nee

2.3.24. Wordt de aangemelde steun toegekend voor identificeerbare in aanmerking komende kosten?

□ja□nee

Zo ja, wordt deze steun met andere staatssteun gecumuleerd?

□ja□nee

Zo ja, wordt die steun toegekend voor andere identificeerbare in aanmerking komende kosten?

□ja□nee

Zo nee, dan mag, op grond van punt 104 van de richtsnoeren, steun voor identificeerbare in aanmerking komende kosten slechts met andere staatssteun voor dezelfde, geheel of gedeeltelijk overlappende, in aanmerking komende kosten worden gecumuleerd als die cumulering er niet toe leidt dat de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag die/dat krachtens de richtsnoeren voor dit soort steun geldt, wordt overschreden.

2.3.25. Wordt steun voor niet-identificeerbare in aanmerking komende kosten in het kader van deel II, afdeling 1.1.2, gecumuleerd met andere staatssteunmaatregelen voor identificeerbare in aanmerking komende kosten?

□ja□nee

2.3.26. Als steun voor niet-identificeerbare in aanmerking komende kosten in het kader van deel II, afdeling 1.1.2, wordt gecumuleerd met andere staatssteun voor niet-identificeerbare in aanmerking komende kosten, is die steun beperkt tot de hoogste toepasselijke totale financieringsdrempel die voor de specifieke omstandigheden van het betrokken geval in de richtsnoeren of andere richtsnoeren inzake staatssteun, een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie is vastgesteld?

□ja□nee

Vermeld de maximumdrempel van het toepasselijke steuninstrument:

Op grond van punt 105 van de richtsnoeren mag steun voor niet-identificeerbare in aanmerking komende kosten in het kader van deel II, afdeling 1.1.2, worden gecumuleerd met andere staatssteunmaatregelen voor identificeerbare in aanmerking komende kosten. Steun voor niet-identificeerbare in aanmerking komende kosten mag met andere staatssteun voor niet-identificeerbare in aanmerking komende kosten worden gecumuleerd tot de hoogste toepasselijke totale financieringsdrempel die voor de specifieke omstandigheden van het betrokken geval in de richtsnoeren of andere richtsnoeren inzake staatssteun, een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie is vastgesteld.

2.3.27. Wordt steun voor de landbouwsector gecumuleerd met in de artikelen 145 en 146 van Verordening (EU) 2021/2115 bedoelde betalingen voor dezelfde in aanmerking komende kosten?

□ja□nee

Zo ja, worden bij een dergelijke cumulering de in de richtsnoeren vastgestelde steunintensiteiten of steunbedragen in acht worden genomen?

□ja□nee

2.3.28. Wordt steun die in het kader van deel II, afdelingen 1.1.4, 1.1.5 en 1.1.8, van de richtsnoeren wordt toegekend, gecumuleerd met in artikel 31 van Verordening (EU) 2021/2115 bedoelde betalingen voor dezelfde in aanmerking komende kosten?

□ja□nee

Zo ja, worden bij een dergelijke cumulering de in de richtsnoeren vastgestelde steunintensiteiten of steunbedragen in acht worden genomen?

2.3.29. Wordt de steun gecombineerd met centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere organen van de Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaten staat?

□ja□nee

Op grond van punt 108 van de richtsnoeren wordt, als de uniefinanciering niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat, alleen rekening gehouden met de staatssteun om te bepalen of de aanmeldingsdrempels en de maximale steunintensiteiten of de steunplafonds in acht worden genomen, mits het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet hoger is dan het/de gunstigste, in de toepasselijke regels van het recht van de Unie vastgestelde financieringspercentage(s). Gelieve te bevestigen dat dit het geval is:

□ja□nee

Geef informatie over het toepasselijke recht van de Unie, als bedoeld in punt 108 van de richtsnoeren:

2.3.30. Wanneer de steun waarvoor op grond van de richtsnoeren toestemming wordt verleend, met de-minimissteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt gecumuleerd, worden bij die cumulering de in de richtsnoeren vastgestelde steunintensiteiten of steunbedragen in acht genomen?

□ja□nee

2.3.31. Als het gaat om investeringssteun voor het herstel van agrarisch productiepotentieel als bedoeld in punt 152, d), van de richtsnoeren, wordt die steun gecumuleerd met steun ter compensatie van materiële schade als bedoeld in deel II, afdelingen 1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3 van de richtsnoeren?

□ja□nee

Op grond van punt 110 van de richtsnoeren mag investeringssteun voor het herstel van agrarisch productiepotentieel als bedoeld in punt 152, d), van de richtsnoeren niet worden gecumuleerd met steun ter compensatie van materiële schade als bedoeld in deel II, afdelingen 1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3.

2.3.32. Als het gaat om aanloopsteun voor producentengroeperingen en -organisaties in de landbouwsector, als bedoeld in deel II, afdeling 1.1.3, van de richtsnoeren, wordt die steun gecumuleerd met de overeenkomstige steun voor producentengroeperingen en -organisaties in de landbouwsector als bedoeld in artikel 77 van Verordening (EU) 2021/2115?

□ja□nee

Op grond van punt 111 van de richtsnoeren mag aanloopsteun voor producentengroeperingen en -organisaties in de landbouwsector, als bedoeld in deel II, afdeling 1.1.3, niet worden gecumuleerd met de overeenkomstige steun voor producentengroeperingen en -organisaties in de landbouwsector als bedoeld in artikel 77 van Verordening (EU) 2021/2115.

2.3.33. Als aanloopsteun voor jonge landbouwers, aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven en aanloopsteun voor landbouwactiviteiten als bedoeld in deel II, afdeling 1.1.2, van de richtsnoeren wordt gecumuleerd met de overeenkomstige steun als bedoeld in artikel 75 van Verordening (EU) 2021/2115, worden bij die cumulering de in de richtsnoeren vastgestelde steunbedragen in acht genomen?

□ja□nee

Op grond van punt 111 van de richtsnoeren mogen aanloopsteun voor jonge landbouwers, aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven en aanloopsteun voor landbouwactiviteiten als bedoeld in deel II, afdeling 1.1.2, niet worden gecumuleerd met de overeenkomstige steun als bedoeld in artikel 75 van Verordening (EU) 2021/2115 als door die cumulering de in de richtsnoeren vastgestelde steunbedragen worden overschreden.

2.4. Transparantie

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.4 (punten 112 en 115) van de richtsnoeren.

2.4.1. Zorgt de lidstaat voor de bekendmaking van de volgende informatie in de „Transparency award module” van de Europese Commissie of op een uitgebreide staatssteunwebsite op nationaal of regionaal niveau?

□ 

de volledige tekst van de steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvoor of de rechtsgrond voor de individuele steun, of een link daarnaar;

□ 

de identiteit van de steunverlenende autoriteit of autoriteiten;

□ 

de identiteit van de individuele begunstigden, de vorm en het bedrag van de steun voor elke begunstigde, de datum waarop de steun is toegekend, het soort onderneming (kmo of grote onderneming), de regio (op NUTS 2-niveau) waarin de begunstigde is gevestigd, en de voornaamste economische sector waarin de begunstigde actief is (op NACE-groepsniveau). Van deze vereiste kan ontheffing worden verleend ten aanzien van individuele steun die niet meer bedraagt dan de volgende drempels:

i. 

10 000  EUR voor begunstigden in de primaire landbouwproductie;

ii. 

100 000  EUR voor begunstigden in de sector verwerking van landbouwproducten, de sector afzet van landbouwproducten of de bosbouwsector of voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen.

2.4.2. Gelieve te bevestigen dat voor steunregelingen in de vorm van belastingvoordelen de informatie over het individuele steunbedrag wordt verstrekt volgens de onderstaande tranches (in miljoen EUR):

□ 

0,01 tot 0,1 — uitsluitend voor de primaire landbouwproductie;

□ 

0,1 tot 0,5;

□ 

0,5 tot 1;

□ 

1 tot 2;

□ 

2 tot 5;

□ 

5 tot 10;

□ 

10 tot 30;

□ 

30 en meer.

2.4.3. Geef aan of de in punt 112 van de richtsnoeren bedoelde informatie zal worden bekendgemaakt:

(a) 

□in de „Transparency award module” van de Europese Commissie ( 498 );

(b) 

□op een uitgebreide staatssteunwebsite op nationaal of regionaal niveau.

2.4.4. Gelieve te bevestigen dat die informatie:

□ 

zal worden bekendgemaakt nadat het besluit tot steunverlening is genomen;

□ 

ten minste tien jaar zal worden bewaard;

□ 

zonder beperkingen beschikbaar zal zijn voor het brede publiek ( 499 ).

2.4.5. Vermeld de link naar de uitgebreide staatssteunwebsite waar de in deze afdeling genoemde informatie zal worden bekendgemaakt:

2.4.6. Gelieve te bevestigen dat het nodige zal worden gedaan op het gebied van verslaglegging en herziening als vereist in deel III, afdeling 3:

□ja□nee

Op grond van punt 115 van de richtsnoeren moeten de lidstaten met het oog op transparantie het nodige doen op het gebied van verslaglegging en herziening als vereist in deel III, afdeling 3.

2.5. Vermijden van negatieve effecten die nadelig zijn voor de mededinging en het handelsverkeer

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.5 (punten 116 tot en met 133) van de richtsnoeren.

Steun voor de landbouw- en de bosbouwsector en voor plattelandsgebieden kan verstoringen van de productmarkten veroorzaken. Wil de steun verenigbaar zijn, dan moeten de negatieve effecten van de steunmaatregel op het vlak van mededingingsverstoring en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten tot een minimum worden beperkt.

Op grond van punt 117 van de richtsnoeren zal de Commissie bepalen welke markt(en) door de steun wordt/worden beïnvloed, rekening houdend met de door de lidstaat verstrekte informatie over de betrokken productmarkt(en), d.w.z. de markt(en) die wordt/worden beïnvloed door de gedragsverandering van de begunstigde van de steun.

2.5.1. Geef, overeenkomstig punt 117 van de richtsnoeren, informatie over de productmarkt waarop de steun betrekking heeft:

2.5.2. Is de steun gericht, evenredig en tot de nettomeerkosten beperkt?

□ja□nee

Op grond van punt 118 van de richtsnoeren geldt als uitgangspunt dat als de steun gericht en evenredig is en tot de nettomeerkosten beperkt blijft, de nadelige impact ervan afgezwakt wordt en het risico dat de steun de mededinging buitensporig verstoort, minder groot is. Voor de verstrekking van deze informatie, zie ook afdeling 2.1.1 van dit formulier.

2.5.3. Worden de maximale steunintensiteiten of steunbedragen die in een specifieke afdeling van de richtsnoeren zijn vastgesteld, in acht genomen?

□ja□nee

Vermeld de maximale steunintensiteit of het maximale steunbedrag:

De Commissie is van mening dat als de maximale steunintensiteiten of steunbedragen in acht worden genomen, de nadelige impact van de steun wordt afgezwakt en het risico dat de steun de mededinging buitensporig verstoort, minder groot is.

Steunregelingen voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten en in de bosbouwsector

2.5.4. Beschrijf de betrokken productmarkt(en), d.w.z. de markt(en) die wordt/worden beïnvloed door de gedragsverandering van de begunstigde van de steun.

Bij de beoordeling van de negatieve effecten van de steunmaatregel zal de Commissie haar analyse van de mededingingsverstoring toespitsen op het voorspelbare effect dat de steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden zal hebben op de mededinging tussen de ondernemingen op de betrokken productmarkt(en) ( 500 ).

2.5.5. Toon, voor steunregelingen voor investeringen in verband met de verwerking en/of de afzet van landbouwproducten en in de bosbouwsector, aan dat eventuele negatieve effecten tot het minimum beperkt zullen zijn, rekening houdende met bijvoorbeeld de omvang van de betrokken projecten, de individuele en gecumuleerde steunbedragen, de verwachte begunstigden en de kenmerken van de beoogde sectoren.

2.5.6. Met betrekking tot steunregelingen voor investeringen in verband met de verwerking en/of de afzet van landbouwproducten en in de bosbouwsector worden de lidstaten, om de Commissie in staat te stellen de te verwachten negatieve effecten te beoordelen, ertoe aangezet om de effectbeoordelingen waarover zij beschikken, voor te leggen, samen met evaluaties achteraf die voor soortgelijke regelingen zijn uitgevoerd.

— 
Wordt er samen met de aanmelding een effectbeoordeling ingediend?
□ja□nee
— 
Wordt er samen met de aanmelding een evaluatie achteraf ingediend?
□ja□nee

Individueel aan te melden investeringssteun in verband met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten en in de bosbouwsector

Op grond van punt 123 van de richtsnoeren legt de Commissie bij de beoordeling van de negatieve effecten van individuele investeringssteun bijzondere nadruk op de negatieve effecten met betrekking tot de opbouw van overcapaciteit in krimpende markten, het beletten van marktuittreding en het begrip aanzienlijke marktmacht. De positieve effecten van de steun moeten opwegen tegen deze negatieve effecten.

2.5.7. Gelieve, om de Commissie in staat te stellen potentiële verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer op te sporen en te beoordelen, bewijsmateriaal te verschaffen waarmee de Commissie de betrokken productmarkten kan afbakenen (d.w.z. de producten die beïnvloed worden door de gedragsverandering van de begunstigde van de steun) en kan nagaan wie de getroffen concurrenten en afnemers/consumenten zijn.

Op grond van punt 124 van de richtsnoeren is het betrokken product in de regel het product waarop het investeringsproject betrekking heeft ( 501 ). Heeft het project betrekking op een tussenproduct en wordt een aanzienlijk deel van de productie niet op de markt afgezet, dan kan het betrokken product het downstreamproduct zijn. De relevante productmarkt omvat het betrokken product en daarmee substitueerbare producten die als dusdanig worden beschouwd hetzij door de consument (wegens de kenmerken van het product, de prijs of het gebruik waarvoor het is bestemd), hetzij door de producent (wegens de flexibiliteit van de productie-installaties).

Een relevante productmarkt omvat het betrokken product, de daarmee substitueerbare producten aan de vraagzijde (d.w.z. de producten die als dusdanig worden beschouwd door de consument (wegens de kenmerken van het product, de prijs en het gebruik waarvoor het is bestemd)) en daarmee substitueerbare producten aan de aanbodzijde (d.w.z. de producten die als dusdanig worden beschouwd door de producent (wegens de flexibiliteit van de productie-installaties van de begunstigde onderneming en haar concurrenten)). Wat zijn volgens u de relevante substitueerbare producten aan de vraag- en de aanbodzijde? Onderbouw uw conclusies op dit punt indien mogelijk met bewijsmateriaal van een onafhankelijke derde.

2.5.8. Wordt als gevolg van de steun extra productiecapaciteit door het project gecreëerd?

□ja□nee

Zo ja, geef een raming van de extra productiecapaciteit die wordt gecreëerd (in volume en in waarde):

2.5.9. Geef informatie over de prestaties van de productmarkt waarop de steun van invloed is, d.w.z. of de markt groeit of zwak presteert:

2.5.10. Als de productmarkt waarop de steun van invloed is, zwak presteert, geef aan of de markt, op lange termijn beschouwd, structureel krimpt (d.w.z. steeds krapper wordt), of relatief krimpt (d.w.z. nog wel groeit, maar een benchmarkgroeipercentage niet overschrijdt):

2.5.11. Indien de geografische markt mondiaal is, geef, om de prestaties van de door de steun beïnvloede productmarkt te kunnen beoordelen, informatie over het effect van de steun op de betrokken marktstructuren, met name het potentieel ervan om producenten in de EER uit de markt te drukken.

2.5.12. Verstrek informatie over de betrokken geografische markt van de begunstigde, en documenten die een en ander kunnen staven:

2.5.13. Vermeld alle producten die na de voltooiing van de investering zullen worden geproduceerd en geef in voorkomend geval de NACE-code of de CPA-nomenclatuur:

2.5.14. Vermeld of de met het investeringsproject beoogde producten andere producten zullen vervangen die door de begunstigde onderneming (op groepsniveau) worden geproduceerd.

□ja□nee

Zo ja, vermeld de producten die vervangen zullen worden. Indien die vervangen producten niet op de projectlocatie worden vervaardigd, waar worden zij dan thans geproduceerd? Geef een beschrijving van het verband tussen de vervangen productie en de huidige investering. Geef ook een tijdschema voor deze vervanging:

2.5.15. Vermeld welk(e) andere product(en) (dankzij flexibiliteit in de productie-installatie van de begunstigde onderneming) met dezelfde nieuwe faciliteiten kan (kunnen) worden vervaardigd tegen weinig of geen extra kosten:

2.5.16. Heeft het project betrekking op een tussenproduct? Wordt een aanzienlijk deel van de productie dan niet op de markt afgezet (tegen marktvoorwaarden)? Geef op basis van de toelichting hierboven, met het oog op het berekenen, in de rest van deze afdeling, van het marktaandeel en de capaciteitsverhoging, aan of het betrokken product het met het investeringsproject beoogde product is, dan wel of het een downstreamproduct is.

2.5.17. Geef, om de marktmacht van de begunstigde te beoordelen, de volgende informatie over zijn/haar marktpositie (in de periode vóór de ontvangst van de steun en de verwachte marktpositie nadat de investering is voltooid):

(a) 

een raming van alle verkopen (in waarde en in volume) op de desbetreffende markt (op groepsniveau) door de ontvanger van de steun:

(b) 

een raming van alle verkopen van alle producten op de desbetreffende markt (in volume en in waarde). Geef, voor zover beschikbaar, statistische gegevens afkomstig van overheidsbronnen en/of onafhankelijke bronnen:

2.5.18. Geef informatie over de marktaandelen van de begunstigde en over de marktaandelen van zijn of haar concurrenten:

2.5.19. Geef een beoordeling van de structuur van de betrokken markt. Kijk daarbij bijvoorbeeld naar de concentratiegraad van de markt, mogelijke toetredingsbarrières, afnemersmacht en barrières voor expansie of uittreding. Onderbouw uw conclusies op dit punt indien mogelijk met bewijsmateriaal van een onafhankelijke derde.

2.6. Afweging van de positieve en negatieve effecten van de steun (afwegingstoets)

Voor de informatie die in dit deel moet worden verstrekt, zie afdeling 3.2.6 (punten 134 tot en met 141) van de richtsnoeren.

De Commissie beoordeelt of de positieve effecten van de steunmaatregel opwegen tegen de vastgestelde negatieve effecten op de mededinging en de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt. Alleen wanneer de positieve effecten opwegen tegen de negatieve effecten, kan de Commissie tot de conclusie komen dat de steunmaatregel verenigbaar is met de interne markt. In gevallen waarin de voorgenomen steunmaatregel een welomschreven marktfalen niet op passende en evenredige wijze aanpakt, zullen de negatieve verstorende effecten op de mededinging meestal zwaarder wegen dan de positieve effecten van de maatregel; de Commissie zal dan ook geneigd zijn te concluderen dat de voorgenomen steunmaatregel onverenigbaar is met de interne markt.

2.6.1. Welk effect heeft de steun op de verwezenlijking van de in de artikelen 5 en 6 van Verordening (EU) 2021/2115 vastgestelde algemene en specifieke doelstellingen van het GLB?

Geef aan tot welke doelstelling(en) van de artikelen 5 en 6 van Verordening (EU) 2021/2115 de steun zal bijdragen:

Op grond van punt 136 van de richtsnoeren houdt de Commissie bij de beoordeling van de positieve en negatieve effecten van de steun rekening met het effect van de steun op de verwezenlijking van de algemene en specifieke doelstellingen van het GLB zoals vastgesteld in de artikelen 5 en 6 van Verordening (EU) 2021/2115. Daarbij gaat het om de bevordering van een slimme, concurrerende, veerkrachtige en gediversifieerde landbouwsector, om ondersteuning en versterking van de milieubescherming, met inbegrip van de biodiversiteit, en klimaatactie, om het bijdragen tot het bereiken van de milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen van de Unie, en om versterking van de sociaal-economische structuur van de plattelandsgebieden.

2.6.2. Voldoet de steun aan de voorwaarden van de toepasselijke afdelingen van deel II van de richtsnoeren en worden de daarin vastgestelde toepasselijke maximale steunintensiteiten of steunbedragen in acht genomen?

□ja□nee

Welke afdeling van deel II van de richtsnoeren is van toepassing:

Op grond van punt 137 van de richtsnoeren is de Commissie van mening dat als steun voldoet aan de voorwaarden van de toepasselijke afdelingen van deel II en de daarin vastgestelde toepasselijke maximale steunintensiteiten of maximale steunbedragen niet overschrijdt, het negatieve effect op de mededinging en de handel tot het minimum beperkt blijft.

2.6.3. Wordt de steun gecofinancierd in het kader van Verordening (EU) 2021/2115 of gefinancierd door de Unie?

□ja□nee

Op grond van punt 138 van de richtsnoeren zal de Commissie ten aanzien van staatssteun die in het kader van Verordening (EU) 2021/2115 wordt gecofinancierd of door de Unie wordt gefinancierd, de daaraan verbonden positieve effecten als vaststaand beschouwen.

2.6.4. Zal de gesteunde activiteit naar verwachting gevolgen voor het milieu en/of klimaat hebben?

□ja□nee

Zo ja, beschrijf de verwachte effecten, rekening houdend met de in punt 139 van de richtsnoeren vermelde milieubeschermingswetgeving en de normen inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) uit hoofde van Verordening (EU) 2021/2115:

Op grond van punt 139 van de richtsnoeren zal de Commissie, indien wordt aangetoond dat de steun positieve milieu- en klimaateffecten heeft, zich op het standpunt stellen dat de positieve effecten van die steun vaststaan.

2.6.5. Wordt bij de steun rekening gehouden met het beginsel dat de vervuiler betaalt?

□ja□nee

Verstrek voldoende informatie om aan te tonen dat met dit beginsel rekening wordt gehouden:

In artikel 11 van het Verdrag is het volgende bepaald: „De eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.”

2.6.6. Heeft de steun andere positieve effecten?

□ja□nee

Zo ja, geef aan bij welk beleid van de Unie die andere positieve effecten aansluiten:

□ 

de Europese Green Deal (COM(2019) 640 final);

□ 

de „van boer tot bord”-strategie (COM(2020) 381 final);

□ 

de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering (COM(2013) 216 final en COM(2021) 82 final);

□ 

de mededeling over het herstel van duurzame koolstofcycli (COM(2021) 800 final);

□ 

de bosstrategie (COM(2021) 572 final);

□ 

de biodiversiteitsstrategie (COM(2020) 380 final);

□ 

andere (geef aan welke): …………………………………………………………….

Geef nadere informatie over de positieve effecten van de steun en leg uit hoe de steun strookt met de vermelde beleidsmaatregel(en) van de Unie:

Op grond van punt 140 van de richtsnoeren kan, wanneer de positieve effecten aansluiten bij die welke in beleidsmaatregelen van de Unie zijn vastgelegd, worden verondersteld dat steun die strookt met dergelijke beleidsmaatregelen van de Unie, dergelijke bredere positieve effecten zal hebben.

2.6.7. Wordt de steun toegekend voor investeringen?

□ja□nee

Zo ja, verstrek informatie in het kader van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 ( 502 ), ook met betrekking tot het beginsel „geen ernstige afbreuk doen” of andere vergelijkbare methodologieën.

2.7. Overige informatie

Steun voor Noord-Ierland

2.7.1. Wordt de steun verleend in Noord-Ierland?

□ja□nee

Zo ja, dan geldt op grond van punt 28 van de richtsnoeren dat met betrekking tot in Noord-Ierland te verlenen steun, voor maatregelen waarvoor de voorwaarden van Verordening (EU) 2021/2115 gelden, gelijkwaardige informatie moet worden verstrekt in de aanmelding bij de Commissie uit hoofde van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

Vul, naast dit formulier algemene informatie, voor alle maatregelen die onder de richtsnoeren vallen, ook het toepasselijke formulier aanvullende informatie in.

Steun voor ondernemingen in moeilijkheden

Op grond van punt 23 van de richtsnoeren is de Commissie van mening dat een onderneming in financiële moeilijkheden, aangezien haar bestaan zelf in het gedrang is, niet kan worden beschouwd als een passend instrument om tot de verwezenlijking van andere beleidsdoelstellingen van de overheid bij te dragen zolang niet vaststaat dat die onderneming zal overleven. Daarom zal de steun, als de begunstigde ervan een onderneming in moeilijkheden is zoals gedefinieerd in punt 33, 63), van de richtsnoeren, worden beoordeeld overeenkomstig de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden.

Punt 23 van de richtsnoeren bevat echter bepaalde uitzonderingen op het beginsel dat geen staatssteun mag worden verleend aan ondernemingen in financiële moeilijkheden.

2.7.2. Wordt de steun verleend ter compensatie van schade als gevolg van natuurrampen en buitengewone gebeurtenissen als bedoeld in deel II, afdelingen 1.2.1.1 en 2.1.3, van de richtsnoeren?

□ja□nee

Zo ja, dan wijzen wij erop dat op grond van punt 23 van de richtsnoeren het beginsel dat geen staatssteun mag worden verleend aan ondernemingen in financiële moeilijkheden, niet van toepassing is, mits die steun verenigbaar is met de interne markt op grond van artikel 107, lid 2, punt b), van het Verdrag.

2.7.3. Wordt de steun verleend ter compensatie van schade als gevolg van een risicogebeurtenis als bedoeld in deel II, afdelingen 1.2.1.2, 1.2.1.3, 1.2.1.5, 2.1.3, 2.8.1 of 2.8.5 van de richtsnoeren?

□ja□nee

Zo ja, dan wijzen wij erop dat op grond van punt 23 van de richtsnoeren het beginsel dat geen staatssteun mag worden verleend aan ondernemingen in financiële moeilijkheden, niet van toepassing is op steun ter compensatie van verliezen of schade, mits die verliezen of schade het gevolg zijn van een risicogebeurtenis als bedoeld in deel II, afdelingen 1.2.1.2, 1.2.1.3, 1.2.1.5, 2.1.3, 2.8.1 of 2.8.5 van de richtsnoeren.

2.7.4. Valt de steun onder een van de volgende steuncategorieën?

□ 

steun voor het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren, als bedoeld in deel II, afdeling 1.2.1.4, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor preventie-, bestrijdings- en uitroeiingsmaatregelen in het geval van dierziekten en plantenplagen, als bedoeld in deel II, afdeling 1.2.1.3, punten (370) en (371), van de richtsnoeren.

Zo ja, dan wijzen wij erop dat, op grond van punt 23 van de richtsnoeren, met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en gezien de noodsituatie waarin deze soorten steun worden verleend, de economische situatie van een onderneming niet in aanmerking mag worden genomen. Het beginsel dat geen staatssteun mag worden verleend aan ondernemingen in financiële moeilijkheden is op dergelijke steun dan ook niet van toepassing.

2.7.5. Valt de steun onder een van de volgende steuncategorieën?

□ 

voorlichtingsacties als bedoeld in deel II, afdelingen 1.1.10.1. en 2.4 van de richtsnoeren;

□ 

afzetbevorderingsmaatregelen die algemeen van aard zijn, als bedoeld in deel II, afdeling 1.3.4, van de richtsnoeren.

Zo ja, dan wijzen wij erop dat op grond van punt 23 van de richtsnoeren het beginsel dat geen staatssteun mag worden verleend aan ondernemingen in financiële moeilijkheden, niet van toepassing is.

Steun die wordt verleend aan een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat

2.7.6. Wordt de steun verleend aan een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin steun als onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is aangemerkt?

□ja□nee

Zo ja, dan kan de steun niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt, tenzij een van twee onderstaande uitzonderingen van toepassing is.

2.7.7. Wordt de steun verleend voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen in de zin van artikel 107, lid 2, punt b), van het Verdrag?

□ja□nee

Zo ja, dan is punt 25 van de richtsnoeren niet van toepassing.

2.7.8. Wordt de steun verleend voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten als bedoeld in deel II, afdeling 1.2.1.3, punten (370) en (371), van de richtsnoeren?

□ja□nee

Zo ja, dan is punt 25 van de richtsnoeren niet van toepassing.

Evaluatie van de steunregelingen

2.7.9. Beantwoordt de steunregeling aan een van de volgende punten:

(a) 

□het budget of de geboekte uitgaven bedragen meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd ervan, d.w.z. de gecombineerde looptijd van de regeling en alle voorgaande regelingen die een soortgelijk doel en geografisch gebied bestrijken;

(b) 

□de regeling bevat nieuwe kenmerken;

(c) 

□de regeling betreft aanzienlijke veranderingen van de markt, de technologie of de regelgeving.

Geef meer bijzonderheden als een van de genoemde elementen van toepassing is:

Op grond van punt 640 van de richtsnoeren kan een evaluatie achteraf vereist zijn voor steunregelingen waarvoor omvangrijke steunmiddelen zijn uitgetrokken of die nieuwe kenmerken bevatten, of wanneer aanzienlijke veranderingen van de markt, de technologie of de regelgeving worden verwacht. In ieder geval is met ingang van 1 januari 2023 een evaluatie vereist voor regelingen waarvan het staatssteunbudget of de geboekte uitgaven meer bedragen dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd ervan, d.w.z. de gecombineerde looptijd van de regeling en alle voorgaande regelingen die een soortgelijk doel en geografisch gebied bestrijken. Gezien de doelstellingen van de evaluatie, en om de lidstaten niet onevenredig te belasten, is de evaluatie achteraf enkel vereist voor steunregelingen die een totale looptijd van meer dan drie jaar hebben en op of na 1 januari 2023 zijn ingegaan.

Gelieve te bevestigen dat de lidstaat de evaluatie achteraf, indien die vereist is, zal verrichten overeenkomstig de punten (642) tot en met (646) van de richtsnoeren:

□ja□nee

Overige informatie

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u belangrijk of noodzakelijk acht voor de juiste beoordeling van de aangemelde steunmaatregel:

1.1.1.1.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR MET DE PRIMAIRE LANDBOUWPRODUCTIE VERBAND HOUDENDE INVESTERINGEN OP LANDBOUWBEDRIJVEN

Dit informatieformulier heeft betrekking op staatssteun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële of immateriële activa op landbouwbedrijven, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.1.1, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Zijn de investeringen waarvoor de steun is bedoeld, in overeenstemming met de verboden en beperkingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ( 503 ), ook wanneer die verboden en beperkingen uitsluitend betrekking hebben op de steun van de Unie waarin die verordening voorziet?

□ja□nee

2. Wordt de steun verleend voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa en immateriële activa op landbouwbedrijven, welke investeringen door een of meer begunstigden worden verricht of betrekking hebben op materiële of immateriële activa die door een of meer begunstigden worden gebruikt?

□ja□nee

3. Wordt de steun verleend voor investeringen in materiële activa en immateriële activa die verband houden met de productie, op het bedrijf, van biobrandstoffen of van energie uit hernieuwbare bronnen?

□ja□nee

Zo ja, gelieve te antwoorden op de vragen 3.1 tot en met 3.15:

3.1. Wordt de investering verricht voor de productie van biobrandstoffen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 33, van Richtlijn (EU) 2018/2001 ( 504 )?

□ja□nee

3.2. Als het antwoord op vraag 3.1 „ja” is, komen installaties voor de productie van hernieuwbare energie slechts voor steun in aanmerking als de productiecapaciteit ervan niet groter is dan de capaciteit die overeenstemt met het gemiddelde jaarlijkse brandstofverbruik van het landbouwbedrijf?

□ja□nee

3.3. Worden de geproduceerde biobrandstoffen op de markt verkocht?

□ja□nee

3.4. Wordt de investering uitgevoerd met het oog op de productie, op het landbouwbedrijf, van thermische energie en/of elektriciteit uit hernieuwbare bronnen?

□ja□nee

3.5. Als het antwoord op vraag 3.4 „ja” is, is het dan zo dat:

(a) 

de installaties voor de productie van hernieuwbare energie die voor steun in aanmerking komen, uitsluitend tot doel hebben in de eigen energiebehoeften te voorzien?

□ja□nee

(b) 

de productiecapaciteit van de installaties voor de productie van hernieuwbare energie die voor steun in aanmerking komen, niet groter is dan de capaciteit die overeenstemt met het gecombineerde gemiddelde jaarlijkse energieverbruik van thermische energie en elektriciteit van het landbouwbedrijf, met inbegrip van het landbouwhuishouden?

□ja□nee

3.6. Wordt de geproduceerde elektriciteit aan het net verkocht?

□ja□nee

3.7. Als het antwoord op vraag 3.6 „ja” is, wordt de jaarlijkse gemiddelde limiet van het eigen verbruik in acht genomen?

□ja□nee

Op grond van punt 146, b), van de richtsnoeren geldt dat, als wordt geïnvesteerd voor de productie, op het landbouwbedrijf, van thermische energie en/of elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, de installaties voor de productie van hernieuwbare energie slechts voor steun in aanmerking komen als het de bedoeling is in de eigen energiebehoeften te voorzien en als de jaarlijkse productiecapaciteit van die installaties niet groter is dan de capaciteit die overeenstemt met het gecombineerde gemiddelde jaarlijkse energieverbruik van thermische energie en elektriciteit van het landbouwbedrijf, met inbegrip van het landbouwhuishouden; wat elektriciteit betreft, is de verkoop van elektriciteit aan het net toegestaan binnen de jaarlijkse gemiddelde limiet van het eigen verbruik.

3.8. Als meer dan één landbouwbedrijf de investering uitvoert met het oog op de productie, op het landbouwbedrijf, van energie uit hernieuwbare bronnen om in de eigen energiebehoeften te voorzien, of met het oog op de productie van biobrandstoffen, is het gemiddelde jaarlijkse verbruik gelijk aan de som van het gemiddelde jaarlijkse verbruik van alle begunstigden?

□ja□nee

3.9. Bestaan er op nationaal niveau minimumnormen voor energie-efficiëntie voor investeringen in infrastructuur voor hernieuwbare energie die energie verbruikt of produceert?

□ja□nee

Zo ja, beschrijf die nationale minimumnormen:

3.10. Als het antwoord op vraag 3.9 „ja” is, is er op nationaal niveau bepaald dat aan de in die vraag bedoelde minimumnormen moet worden voldaan?

□ja□nee

3.11. Wordt de steun verleend voor investeringen in installaties die vooral tot doel hebben elektriciteit op te wekken uit biomassa?

□ja□nee

3.12. Als het antwoord op vraag 3.11 „ja” is, wordt in die installaties een door de lidstaat bepaald minimumpercentage van de opgewekte warmte-energie gebruikt?

□ja□nee

3.13. Zijn op het niveau van de lidstaat overeenkomstig artikel 26 van Richtlijn (EU) 2018/2001 voor de verschillende types installaties drempelwaarden vastgesteld voor het maximale aandeel granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikergewassen en oliehoudende gewassen dat mag worden gebruikt voor de productie van bio-energie, waaronder biobrandstoffen?

□ja□nee

Geef deze drempelwaarden aan:

Op grond van punt 150 van de richtsnoeren moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 26 van Richtlijn (EU) 2018/2001 voor de verschillende types installaties drempelwaarden vaststellen voor het maximale aandeel granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikergewassen en oliehoudende gewassen dat mag worden gebruikt voor de productie van bio-energie, waaronder biobrandstoffen.

3.14. Is de steun voor bio-energieprojecten beperkt tot bio-energie die voldoet aan de toepasselijke criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereducties die zijn vastgelegd in de wetgeving van de Unie, onder meer in artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001?

□ja□nee

Op grond van punt 150 van de richtsnoeren moet de steun voor bio-energieprojecten beperkt zijn tot bio-energie die voldoet aan de toepasselijke criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereducties die zijn vastgelegd in de wetgeving van de Unie, onder meer in artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001.

3.15. Is de productiecapaciteit van de installatie groter dan het gemiddelde jaarlijkse verbruik van de begunstigde(n)?

□ja□nee

Zo ja, dan moeten de lidstaten voldoen aan de voorwaarden van de richtsnoeren voor staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 ( 505 ), tenzij die steun van de aanmeldingsverplichting is vrijgesteld (bv. door Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie ( 506 )).

4. Geef aan welke doelstellingen met de investering worden nagestreefd:

(a) 

□verbeteren van de algehele prestatie en duurzaamheid van het landbouwbedrijf, met name door een verlaging van de productiekosten of de verbetering en omschakeling van de productie;

(b) 

□verbeteren van het natuurlijke milieu, de hygiëne of de normen inzake dierenwelzijn;

(c) 

□aanleggen en verbeteren van infrastructuur voor de ontwikkeling, aanpassing en modernisering van de landbouw, met inbegrip van ontsluiting van landbouwgrond, ruilverkaveling, bodemverbetering, levering van duurzame energie, energie-efficiëntie en watervoorziening en -besparing;

(d) 

□herstellen van agrarisch productiepotentieel dat schade heeft opgelopen door een natuurramp, een buitengewone gebeurtenis, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten, plantenplagen en beschermde dieren, voorkomen van schade als gevolg van die gebeurtenissen en factoren en beperken van het risico van dergelijke schade;

(e) 

□bijdragen aan de matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, onder meer door de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en een betere koolstofvastlegging, en bevorderen van duurzame energie en energie-efficiëntie;

(f) 

□bijdragen aan een duurzame circulaire bio-economie en bevorderen van de duurzame ontwikkeling en het efficiënte beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, onder meer door het verminderen van de afhankelijkheid van chemische middelen;

(g) 

□bijdragen tot het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen.

Op grond van punt 152 van de richtsnoeren moet met de investering ten minste een van de bovengenoemde doelstellingen worden nagestreefd.

5. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, met inbegrip van investeringen in passieve binnenhuisbekabeling of gestructureerde bekabeling voor datanetwerken en, indien nodig, de randuitrusting van het passieve netwerk op het particuliere terrein buiten het gebouw;

Als de steun wordt verleend voor de aankoop van grond, komt de aangekochte grond slechts in aanmerking voor een bedrag dat niet hoger is dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting?

□ja□nee

Zo nee, heeft de verrichting betrekking op:

□ 

milieubehoud en het behoud van koolstofrijke bodems?

□ 

door jonge landbouwers met behulp van financieringsinstrumenten aangekochte grond?

Alleen in deze twee gevallen kan in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde omstandigheden een hoger percentage dan de bovengenoemde 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting worden toegestaan.

Als dit van toepassing is, verstrek informatie over de uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde omstandigheden, zodat de Commissie het geval in kwestie kan beoordelen.

(b) 

□de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

(c) 

□algemene kosten in verband met de in de punten a) en b) bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen van de in de punten a) en b) bedoelde uitgaven worden verricht;

(d) 

□de kosten van aankoop, ontwikkeling of gebruik van computersoftware, cloud- en soortgelijke oplossingen en van de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken;

(e) 

□uitgaven voor niet-productieve investeringen die verband houden met in de punten 152, e), f) en g) van de richtsnoeren bedoelde doelstellingen;

(f) 

□als het gaat om investeringen met het oog op het herstel van agrarisch productiepotentieel dat beschadigd is door een natuurramp, een buitengewone gebeurtenis, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten, plantenplagen of beschermde dieren: kosten om het productiepotentieel, met inbegrip van gekapitaliseerde werkzaamheden, te herstellen tot op het niveau van vóór de betrokken gebeurtenis;

Op grond van punt 153, f), van de richtsnoeren moeten de begunstigden waar passend bij het herstel trachten maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering te nemen.

(g) 

□als het gaat om investeringen ter preventie van schade door natuurrampen, buitengewone gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten, plantenplagen of beschermde dieren: kosten van specifieke preventieve acties om de impact van dergelijke waarschijnlijke gebeurtenissen te verminderen;

Op grond van punt 153, g), van de richtsnoeren moeten de begunstigen, als zij schade hebben geleden als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld of als gevolg van plantenplagen, waar passend bij het herstel trachten maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering te nemen, zodat de schade en de verliezen als gevolg van soortgelijke gebeurtenissen in de toekomst tot een minimum worden beperkt.

(h) 

□de kosten van aankoop en aanplant van eenjarige gewassen:

□ 

met het oog op de in punt 152, d), van de richtsnoeren vermelde doelstelling;

□ 

met het oog op het in stand houden van plantenrassen die door genetische erosie worden bedreigd, zoals bedoeld in punt 210 van de richtsnoeren;

(i) 

□de kosten van de aankoop van dieren:

□ 

aankoop met het oog op de doelstelling van punt 152, d), van de richtsnoeren;

□ 

aankoop van dieren van met uitsterven bedreigde rassen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 24, van Verordening (EU) 2016/1012 ( 507 ) in het kader van de in punt 207 van de richtsnoeren bedoelde verbintenissen;

□ 

aankoop van waakhonden ter bescherming van vee tegen grote roofdieren.

6. Wordt de steun toegekend voor een van de volgende kosten?

(a) 

de aankoop van landbouwproductierechten en betalingsrechten;

(b) 

de aankoop en aanplant van eenjarige gewassen voor andere dan de in vraag 5(h) van dit aanvullende informatieformulier bedoelde doeleinden;

(c) 

de aankoop van dieren voor andere dan de in vraag 5(i) van dit aanvullende informatieformulier bedoelde doeleinden;

(d) 

investeringen om aan de geldende nationale normen of normen van de Unie te voldoen;

(e) 

andere dan de in punt 153 van de richtsnoeren bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies;

(f) 

werkkapitaal;

(g) 

bedrading of bekabeling voor datanetwerken buiten het particuliere eigendom.

□ja□nee

Indien de steun voor een van de in de punten a) tot en met g) vermelde kosten wordt toegekend, kan hij niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt.

7. Wordt de steun toegekend voor investeringen in irrigatie?

□ja□nee

Zo ja, gelieve te antwoorden op de vragen 7.1 tot en met 7.7:

7.1. Is de Commissie in kennis gesteld van een stroomgebiedbeheerplan overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG ( 508 ) dat is opgesteld voor het hele gebied waarin de investering plaatsvindt en voor alle andere gebieden waar de investering gevolgen voor het milieu kan hebben?

□ja□nee

7.2. Zijn de maatregelen die overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2000/60/EG in het kader van het stroomgebiedbeheerplan worden uitgevoerd en voor de landbouwsector van belang zijn, in het betrokken maatregelenprogramma omschreven?

□ja□nee

7.3. Is er een watermetingssysteem waarmee het waterverbruik op het niveau van de gesteunde investering kan worden gemeten, of wordt een dergelijk systeem geplaatst als onderdeel van de investering?

□ja□nee

7.4. Wanneer de steun wordt toegekend voor een investering in een verbetering van een bestaande irrigatie-installatie of een onderdeel van irrigatie-infrastructuur, is dan aan de volgende voorwaarden voldaan?

(a) 

is vooraf geoordeeld dat de investering, afgaande op de technische parameters van de bestaande installatie of infrastructuur, waterbesparingen kan opleveren?

□ja□nee

(b) 

wanneer de investering een weerslag heeft op grond- of oppervlaktewaterlichamen waarvan de toestand, om met de waterhoeveelheid verband houdende redenen, in het betrokken stroomgebiedbeheerplan is aangemerkt als minder dan goed, of als uit geavanceerde beoordelingen van de klimaatkwetsbaarheid en -risico’s blijkt dat de betrokken, in een goede toestand verkerende waterlichamen die toestand door de effecten van de klimaatverandering kunnen verliezen om met de waterhoeveelheid verband houdende redenen, wordt dan overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG een daadwerkelijke vermindering van het watergebruik bewerkstelligd die bijdraagt tot het bereiken en het in stand houden van een goede toestand van deze waterlichamen?

□ja□nee

(c) 

De staat moet als voorwaarde voor de steun percentages vaststellen voor de potentiële waterbesparing en de daadwerkelijke vermindering van het watergebruik. Waarborgen deze percentages dat:

(i) 

de potentiële waterbesparing bedraagt ten minste 5 % wanneer de technische parameters van de bestaande installatie of infrastructuur reeds een hoge mate van efficiëntie bieden, en ten minste 25 % wanneer de huidige efficiëntie (vóór de investering) laag is en/of voor investeringen in gebieden waar waterbesparingen hard nodig zijn om een goede watertoestand te bereiken (indien die nog niet is bereikt) en een verslechtering van de toestand van de waterlichamen te voorkomen;

□ja□nee

(ii) 

de daadwerkelijke vermindering van het waterverbruik bedraagt, voor de gehele investering, ten minste 50 % van de potentiële waterbesparing die mogelijk wordt gemaakt door de investering in de bestaande irrigatie-installatie of het bestaande infrastructuuronderdeel.

□ja□nee

De in vraag 7.4 vermelde voorwaarden zijn niet van toepassing op investeringen in bestaande installaties die enkel gevolgen hebben voor de energie-efficiëntie, investeringen in de aanleg van reservoirs of investeringen in het gebruik van gerecycleerd water die geen gevolgen hebben voor grond- of oppervlaktewaterlichamen.

7.5. Wanneer de steun wordt toegekend voor investeringen in het gebruik van teruggewonnen water als alternatieve watervoorziening, zijn de levering en het gebruik van dat water in overeenstemming met Verordening (EU) 2020/741 ( 509 )?

□ja□nee

7.6. Wanneer de steun wordt toegekend voor investeringen die leiden tot een netto-uitbreiding van het geïrrigeerd areaal met gevolgen voor een bepaald oppervlakte- of grondwaterlichaam, is aan de volgende voorwaarden voldaan?

(i) 

in het betrokken stroomgebiedbeheerplan is de toestand van het waterlichaam niet om met de waterhoeveelheid verband houdende redenen als minder dan goed aangemerkt, en

□ja□nee

(ii) 

uit een milieuanalyse blijkt dat de investering geen significante negatieve milieueffecten zal hebben. Een dergelijke analyse van de milieueffecten moet door de bevoegde autoriteit van de lidstaat worden uitgevoerd of goedgekeurd, en kan tevens betrekking hebben op groepen bedrijven.

□ja□nee

7.7. Wordt de steun toegekend voor investeringen in de aanleg of uitbreiding van een reservoir ten behoeve van irrigatie?

□ja□nee

Als het antwoord op vraag 7.7 van dit informatieformulier „ja” is, wordt de steun uitsluitend toegekend als de investering niet leidt tot significante negatieve milieueffecten?

□ja□nee

Op grond van punt 158 van de richtsnoeren komen investeringen in de aanleg of uitbreiding van een reservoir ten behoeve van irrigatie alleen in aanmerking indien deze geen significant negatief milieueffect hebben.

8. Vermeld de steunintensiteit:

— 
….. % van de in aanmerking komende kosten;
Op grond van punt 159 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 65 %, behalve wanneer de steun wordt toegekend in een van de onderstaande situaties.
— 
..... % van de kosten van investeringen in verband met een of meer van de in punt 152, e), f) en g) van de richtsnoeren bedoelde specifieke milieu- en klimaatdoelstellingen of met dierenwelzijn;
Op grond van punt 160, a), van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 80 % van deze in aanmerking komende kosten.
— 
..... % van de kosten van investeringen door jonge landbouwers;
Op grond van punt 160, b), van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 80 % van deze in aanmerking komende kosten.
— 
..... % van de kosten van investeringen in de ultraperifere gebieden of de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;
Op grond van punt 160, c), van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 80 % van deze in aanmerking komende kosten.
— 
..... % van de in aanmerking komende kosten als het gaat om investeringen van kleine landbouwers in de zin van artikel 28 van Verordening (EU) 2021/2115 ( 510 );
Op grond van punt 161 van de richtsnoeren mag de steun voor investeringen van kleine landbouwers in de zin van artikel 28 van Verordening (EU) 2021/2115 niet hoger zijn dan 85 % van de in aanmerking komende kosten.
— 
..... % van de kosten van niet-productieve investeringen in verband met een of meer van de in punt 152, e), f) en g) van de richtsnoeren bedoelde specifieke milieu- en klimaatdoelstellingen;
Op grond van punt 162, a), van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 100 % van deze in aanmerking komende kosten.
— 
.... % van de kosten van investeringen voor het herstel van productiepotentieel als bedoeld in punt 152, d), van de richtsnoeren en van investeringen in verband met de preventie van schade als gevolg van natuurrampen, buitengewone gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, of beschermde dieren, en met de beperking van het risico op dergelijke schade.
Op grond van punt 162, b), van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.
— 
□ 

Steun voor investeringen in irrigatie:

— 
..... % van de in aanmerking komende kosten van investeringen in irrigatie op het landbouwbedrijf op grond van punt 157, c), van de richtsnoeren;
Op grond van punt 163, a), van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 80 % van de in aanmerking komende kosten van investeringen in irrigatie op het landbouwbedrijf op grond van punt 157, c).
— 
..... % van de in aanmerking komende kosten van investeringen in landbouwinfrastructuur buiten het landbouwbedrijf ten behoeve van irrigatie;
Op grond van punt 163, b), van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten van investeringen in landbouwinfrastructuur buiten het landbouwbedrijf ten behoeve van irrigatie.
— 
..... % van de in aanmerking komende kosten van andere irrigatie-investeringen op het landbouwbedrijf.
Op grond van punt 163, c), van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 65 % van de in aanmerking komende kosten van andere irrigatie-investeringen op het landbouwbedrijf.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.1.2.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR INVESTERINGEN VOOR DE INSTANDHOUDING VAN CULTUREEL EN NATUURLIJK ERFGOED OP LANDBOUWBEDRIJVEN

Dit informatieformulier heeft betrekking op staatssteun voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.1.2, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Zijn de investeringen waarvoor de steun is bedoeld, in overeenstemming met de verboden en beperkingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ( 511 ), ook wanneer die verboden en beperkingen uitsluitend betrekking hebben op de steun van de Unie waarin die verordening voorziet?

□ja□nee

2. Wordt de steun verleend voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed in de vorm van natuurlijke landschappen en gebouwen, waarbij dat erfgoed door de bevoegde autoriteit van de lidstaat formeel als cultureel of natuurlijk erfgoed is erkend?

□ja□nee

3. Geef aan welke kosten voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven in aanmerking komen:

(a) 

□kosten van investeringen in materiële activa;

(b) 

□gekapitaliseerde werkzaamheden.

4. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 167 van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

5. Wanneer de steun wordt toegekend voor gekapitaliseerde werkzaamheden, geef het steunbedrag aan:

Op grond van punt 168 van de richtsnoeren mag de steun voor gekapitaliseerde werkzaamheden ten hoogste 10 000  EUR per jaar bedragen.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.1.3.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR INVESTERINGEN IN VERBAND MET DE VERWERKING VAN LANDBOUWPRODUCTEN OF DE AFZET VAN LANDBOUWPRODUCTEN

Dit informatieformulier heeft betrekking op staatssteun voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten of de afzet van landbouwproducten, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.1.3, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Zijn de investeringen waarvoor de steun is bedoeld, in overeenstemming met de verboden en beperkingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ( 512 ), ook wanneer die verboden en beperkingen uitsluitend betrekking hebben op de steun van de Unie waarin die verordening voorziet?

□ja□nee

2. Wordt de steun toegekend voor biobrandstoffen op basis van voedsel- en voedergewassen?

□ja□nee

Zo ja, dan kan de steun niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt aangezien het de bedoeling is om een aanzet te geven tot overschakeling op de productie van meer geavanceerde vormen van biobrandstoffen, in overeenstemming met de richtsnoeren voor staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022.

3. Wordt de steun toegekend voor investeringen in materiële activa en immateriële activa die verband houden met de verwerking van landbouwproducten of de afzet van landbouwproducten, als bedoeld in de punten (33)47 en (33)38 van de richtsnoeren?

□ja□nee

4. De lidstaten mogen steun verlenen voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten als die steun voldoet aan alle voorwaarden van een van de volgende steuninstrumenten.

(a) 

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie (algemene groepsvrijstellingsverordening) ( 513 );

(b) 

de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen ( 514 );

(c) 

de voorwaarden van deel II, afdeling 1.1.1.3, van de richtsnoeren.

Indien de steun wordt toegekend op grond van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen, dan zal de steun worden getoetst aan die richtsnoeren. Gelieve daarom het volgende in te vullen: het desbetreffende deel van het algemene aanmeldingsformulier van deel I en het specifieke formulier van deel III van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 794/2004 (zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1627/2006 van de Commissie ( 515 )) of een bepaling ter vervanging daarvan.

5. Indien de steun wordt toegekend op grond van deel II, afdeling 1.1.1.3, van de richtsnoeren, vermeld dan de in aanmerking komende kosten:

(a) 

□de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, met inbegrip van investeringen in passieve binnenhuisbekabeling of gestructureerde bekabeling voor datanetwerken en, indien nodig, de randuitrusting van het passieve netwerk op het particuliere terrein buiten het gebouw;

Als de steun wordt verleend voor de aankoop van grond, komt de aangekochte grond slechts in aanmerking voor een bedrag dat niet hoger is dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting?

□ja□nee

(b) 

□de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

(c) 

□algemene kosten in verband met de in de punten a) en b) bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies;

Haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen van de in de punten a) of b) bedoelde uitgaven worden verricht.

(d) 

□de kosten van aankoop, ontwikkeling of gebruik van computersoftware, cloud- en soortgelijke oplossingen en van de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken.

6. Wordt de steun toegekend voor een van de volgende kosten?

(a) 

andere dan de in vraag 7 van dit formulier aanvullende informatie bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies;

(b) 

werkkapitaal;

(c) 

bedrading of bekabeling voor datanetwerken buiten het particuliere eigendom;

(d) 

kosten in verband met investeringen om aan de geldende nationale normen en normen van de Unie te voldoen.

□ja□nee

Indien de steun voor een van de in de punten a) tot en met d) vermelde kosten wordt toegekend, kan hij niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt.

7. Vermeld de steunintensiteit:

— 
..... % van de in aanmerking komende kosten;
Op grond van punt 175 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 65 % van de in aanmerking komende kosten.
— 
..... % voor investeringen in verband met een of meer van de in punt 152, e), f) en g), van de richtsnoeren bedoelde specifieke milieu- en klimaatdoelstellingen of, wat de verwerking van landbouwproducten betreft, met dierenwelzijn;
Op grond van punt 176, a), van de richtsnoeren mag de steunintensiteit voor deze kosten niet hoger zijn dan 80 % van de in aanmerking komende kosten.
— 
..... % voor investeringen door jonge landbouwers;
Op grond van punt 176, b), van de richtsnoeren mag de steunintensiteit voor investeringen door jonge landbouwers niet hoger zijn dan 80 % van de in aanmerking komende kosten.
— 
..... % voor investeringen in de ultraperifere gebieden of de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;
Op grond van punt 176, c), van de richtsnoeren mag de steunintensiteit voor investeringen in de ultraperifere gebieden of de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee niet hoger zijn dan 80 % van de in aanmerking komende kosten.

8. Wordt de steun verleend als individuele investeringssteun?

□ja□nee

9. Als het antwoord op vraag 10 „ja” is, vermeld het bedrag van de in aanmerking komende kosten en/of het brutosubsidie-equivalent:

Op grond van punt 177 van de richtsnoeren moet individuele investeringssteun voor de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten die groter is dan de in punt 35, a), van de richtsnoeren vastgestelde aanmeldingsdrempel, d.w.z. in aanmerking komende kosten van meer dan 25 miljoen EUR of wanneer het brutosubsidie-equivalent hoger is dan 12 miljoen EUR, afzonderlijk bij de Commissie worden aangemeld.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.2.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE AANLOOPSTEUN VOOR JONGE LANDBOUWERS EN AANLOOPSTEUN VOOR LANDBOUWACTIVITEITEN

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen in het kader waarvan aanloopsteun wordt toegekend voor jonge landbouwers en voor landbouwactiviteiten, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.2, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun enkel toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

2. Wordt de steun toegekend voor:

□ 

de vestiging van jonge landbouwers zoals gedefinieerd in punt 33, 65), van de richtsnoeren?

□ 

het opstarten van landbouwactiviteiten?

3. Is de steun beperkt tot begunstigden die een kmo zijn?

□ja□nee

Op grond van punt 181 van de richtsnoeren moet steun die op grond van deel II, afdeling 1.1.2, van de richtsnoeren wordt verleend, worden beperkt tot kmo’s.

4. Wordt de steun slechts toegekend als aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat een bedrijfsplan wordt voorgelegd?

□ja□nee

5. Vermeld het steunbedrag: …

Op grond van punt 183 van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 100 000  EUR.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.3.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE AANLOOPSTEUN VOOR PRODUCENTENGROEPERINGEN EN -ORGANISATIES IN DE LANDBOUWSECTOR

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen in het kader waarvan aanloopsteun wordt toegekend voor producentengroeperingen en -organisaties in de landbouwsector, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.3, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun alleen toegekend voor producentengroeperingen of -organisaties die officieel zijn erkend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat?

□ja□nee

2. Voldoen de in het kader van de producentengroepering of -organisatie vastgestelde overeenkomsten, besluiten en andere gedragingen aan de mededingingsvoorschriften zoals die van toepassing zijn krachtens de artikelen 206 tot en met 210 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ( 516 )?

□ja□nee

3. Indien de steun rechtstreeks aan de producenten wordt verleend ter compensatie van hun bijdragen aan de exploitatiekosten van de groepering of organisatie, wordt de steun verleend ten belope van hetzelfde totaalbedrag als dat van de steun aan de producentengroepering of -organisatie?

□ja□nee

4. Als het antwoord op vraag 3 „ja” is, is de toekenning van de steun beperkt tot de eerste vijf jaar na de oprichting van de groepering of organisatie?

□ja□nee

5. Wordt de steun toegekend aan producentengroeperingen die volgens de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 1308/2013 als producentenorganisatie zijn erkend?

□ja□nee

6. Is de steun uitsluitend bedoeld voor producentengroeperingen en producentenorganisaties die onder de definitie van kmo vallen?

□ja□nee

Op grond van punt 190 van de richtsnoeren staat de Commissie niet toe dat steun voor onder deze afdeling van de richtsnoeren vallende kosten aan grote ondernemingen wordt verleend.

7. Wordt voor op grond van deze afdeling van de richtsnoeren goedgekeurde steunregelingen als voorwaarde gesteld dat deze moeten worden aangepast om rekening te houden met eventuele wijzigingen in de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten?

□ja□nee

8. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

□ 

de kosten van het huren van geschikte panden;

Zijn, als de betrokken panden worden aangekocht, de in aanmerking komende kosten van die panden beperkt tot de huurkosten tegen markttarieven?

□ja□nee

Op grond van punt 192 van de richtsnoeren moeten, als de betrokken panden worden aangekocht, de in aanmerking komende kosten van die panden beperkt blijven tot de huurkosten tegen markttarieven.

□ 

de kosten van de aankoop van kantooruitrusting;

□ 

de kosten van administratief personeel;

□ 

overheadkosten;

Indien overheadkosten in aanmerking komen, geef aan om welke kosten het gaat:

□ 

vergoedingen voor juridische en ambtelijke handelingen;

□ 

de kosten van aankoop van computerapparatuur en van aankoop of gebruik van computersoftware en cloud- en soortgelijke oplossingen.

Op grond van punt 195 van de richtsnoeren wordt steun die aan producentengroeperingen of -organisaties wordt verleend ter dekking van uitgaven die geen verband houden met aanloopkosten, zoals investerings- of afzetbevorderingsuitgaven, beoordeeld volgens de regels die voor die soort steun gelden.

9. Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt verleend aan:

(a) 

productieorganisaties, -entiteiten of -organen, zoals vennootschappen of coöperaties, die het beheer van een of meer landbouwbedrijven tot doel hebben en waarbij het dus om een enkele producent gaat;

(b) 

landbouwverenigingen die op de bedrijven van de leden taken vervullen zoals wederzijdse bijstand en bedrijfsvervangings- en bedrijfsbeheerdiensten, zonder betrokken te zijn bij de gezamenlijke aanpassing van het aanbod aan de markt;

(c) 

producentengroeperingen die niet voldoen aan de voorschriften van artikel 67, lid 3 van Verordening (EU) 2021/2115, of producentengroeperingen, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties waarvan de doelstellingen niet verenigbaar zijn met artikel 152, lid 1, punt c), artikel 156, en artikel 161 van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

□ja□nee

Op grond van punt 193 van de richtsnoeren mag de steun niet worden verleend aan begunstigden als vermeld in de punten a) tot en met c) van deze vraag.

10. Wordt de steun op forfaitaire basis in degressieve jaarlijkse tranches verleend gedurende de eerste vijf jaar na de datum waarop de bevoegde autoriteit de producentengroepering of -organisatie officieel heeft erkend op basis van haar bedrijfsplan?

□ja□nee

11. Wordt de laatste tranche pas betaald nadat de betrokken lidstaat heeft geverifieerd dat het bedrijfsplan correct is uitgevoerd?

□ja□nee

12. Vermeld de steunintensiteit en het steunbedrag per jaar:

Op grond van punt 196 van de richtsnoeren mag de steun niet groter zijn dan 10 % van de jaarlijkse in de handel gebrachte productie van de groepering of organisatie, met een maximum van 100 000  EUR per jaar.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.4.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR AGROMILIEUKLIMAATVERBINTENISSEN

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen waarmee landbouwproductiemethoden worden ondersteund die erop gericht zijn het milieu te beschermen en het platteland in stand te houden (agromilieuklimaatverbintenissen), als beschreven in deel II, afdeling 1.1.4, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun alleen toegekend aan ondernemingen en groepen daarvan die in de primaire landbouwproductie actief zijn en zich op vrijwillige basis ertoe verbinden verrichtingen uit te voeren die uit een of meer agromilieuklimaatverbintenissen bestaan?

□ja□nee

2. Zijn de gesteunde maatregelen gericht op het behoud van landbouwpraktijken waarmee een positieve milieu- en klimaatbijdrage wordt geleverd en op de bevordering van de noodzakelijke veranderingen in die richting?

□ja□nee

3. Geef aan of de vrijwillige verbintenissen waarvoor de steun wordt verleend, verder gaan dan:

(a) 

□de betrokken uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de GLMC-normen krachtens titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115 ( 517 );

(b) 

□de betrokken minimumvoorschriften voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, en andere verplichte vereisten ter zake in het nationale recht en het recht van de Unie;

(c) 

□de voorwaarden voor de handhaving van landbouwareaal overeenkomstig artikel 4, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/2115.

Op grond van punt 201 van de richtsnoeren moeten al die verplichte normen en vereisten in de aanmelding aan de Commissie worden omschreven en toegelicht.

4. Wanneer in het nationale recht normen en vereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen worden opgelegd die verder gaan dan de overeenkomstige minimumvoorschriften van het recht van de Unie, wordt de steun dan toegekend voor verbintenissen waarmee aan de naleving van die nationale normen en vereisten wordt bijgedragen?

□ja□nee

5. Als het antwoord op vraag 4 „ja” is, wordt deze steun verleend gedurende maximaal 24 maanden vanaf de datum waarop die nationale normen en vereisten voor het bedrijf verplicht worden?

□ja□nee

6. Hebben de bedrijven die onder deze afdeling van de richtsnoeren vallende verrichtingen uitvoeren, toegang tot de voor de uitvoering daarvan vereiste kennis en informatie en kunnen degenen die zulks nodig hebben, passende opleidingen volgen en toegang tot deskundigheid krijgen, met als doel bijstand te verlenen aan landbouwers die zich ertoe verbinden hun productiesystemen te wijzigen?

□ja□nee

7. Worden de verbintenissen aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar?

□ja□nee

Vermeld de looptijd: …

8. Indien de steun wordt toegekend voor verbintenissen die worden aangegaan voor een periode van meer dan zeven jaar: is de langere duur noodzakelijk om de nagestreefde milieuvoordelen te bereiken of te behouden?

□ja□nee

Zo ja, motiveer waarom voor de gesteunde soort verbintenis(sen) een langere periode nodig is:

Op grond van punt 204 van de richtsnoeren kunnen de lidstaten, als dat nodig is om de nagestreefde milieuvoordelen te bereiken of te behouden, voor specifieke soorten verbintenissen een langere periode vaststellen, onder meer door te voorzien in een jaarlijkse verlenging na afloop van de eerste periode.

9. Wordt de steun toegekend voor verbintenissen die voor minder dan vijf jaar worden aangegaan?

□ja□nee

Zo ja, geef aan voor welke soort verbintenissen de steun wordt toegekend:

□ 

voor verbintenissen inzake de instandhouding, het duurzame gebruik en de ontwikkeling van genetische hulpbronnen;

□ 

voor nieuwe verbintenissen die onmiddellijk aansluiten op de in de eerste periode voltooide verbintenis;

□ 

in andere, naar behoren gemotiveerde gevallen.

Als de steun betrekking heeft op „andere, naar behoren gemotiveerde gevallen”, toon aan dat een kortere periode noodzakelijk is:

Geef de duur van die kortere periode aan:

Op grond van punt 204 van de richtsnoeren moet een dergelijke kortere periode minstens één jaar bedragen.

10. Gelieve te bevestigen dat verbintenissen tot extensivering van de veehouderij minimaal voldoen aan de volgende voorwaarden:

(a) 

□het volledige beweide areaal van het bedrijf moet worden beheerd en in stand gehouden om over- en onderbegrazing te voorkomen;

(b) 

□bij het bepalen van de veedichtheid moet rekening worden gehouden met alle op het bedrijf grazende dieren of, bij een verbintenis tot beperking van de wegsijpeling van nutriënten, met alle voor de betrokken verbintenis relevante dieren die op het bedrijf worden gehouden.

11. Gelieve te bevestigen dat verbintenissen tot het fokken van lokale rassen die voor de veehouderij verloren dreigen te gaan of tot het in stand houden van plantaardige genetische hulpbronnen die door genetische erosie worden bedreigd, betrekking moeten hebben op:

(a) 

□het fokken van landbouwhuisdieren van lokale rassen die genetisch aan een of meer traditionele productiesystemen of de leefomstandigheden in het land zijn aangepast en voor de veehouderij verloren dreigen te gaan;

(b) 

□het in stand houden van plantaardige genetische hulpbronnen die van nature aan de plaatselijke en regionale omstandigheden zijn aangepast en door genetische erosie worden bedreigd.

12. Gelieve te bevestigen dat enkel de volgende soorten landbouwhuisdieren voor steun in aanmerking komen: runderen, schapen, geiten, paardachtigen, varkens, vogels, konijnen en bijen:

□ja□nee

Geef aan welke soorten landbouwdieren voor steun in aanmerking komen:

13. Wanneer de steun wordt verleend voor lokale rassen die voor de veehouderij verloren dreigen te gaan, wordt dan aan de volgende voorwaarden voldaan?

(a) 

er is op nationaal niveau vastgesteld hoeveel vrouwelijke fokdieren er zijn;

(b) 

dat aantal en de bedreigde status van de opgelijste rassen zijn gecertificeerd door een naar behoren erkende relevante wetenschappelijke instantie;

(c) 

een naar behoren erkende relevante technische instantie registreert de gegevens in het stamboek voor het ras en houdt die gegevens bij;

(d) 

de betrokken instanties beschikken over de nodige vaardigheden en kennis om de dieren van de bedreigde rassen te identificeren.

□ja□nee

Let wel dat aan alle bovenstaande voorwaarden moet worden voldaan.

Op grond van punt 209 van de richtsnoeren kan de Commissie dergelijke steun pas beoordelen en goedkeuren als in de aanmelding aan de Commissie is vermeld en toegelicht onder welke voorwaarden wordt aangenomen dat de lokale rassen waarvoor steun wordt verleend, voor de veehouderij verloren dreigen te gaan.

14. Wanneer de steun wordt toegekend voor genetische hulpbronnen die door genetische erosie worden bedreigd, bevat de aanmelding dan voldoende bewijs van die genetische erosie, gebaseerd op wetenschappelijke resultaten of indicatoren voor de achteruitgang van de landrassen of primitieve lokale rassen en de diversiteit van de betrokken populaties en, indien relevant, voor wijzigingen in de op plaatselijk niveau gangbare landbouwpraktijken?

□ja□nee

Op grond van punt 210 van de richtsnoeren kunnen plantaardige genetische hulpbronnen worden geacht door genetische erosie te worden bedreigd als in de aanmelding aan de Commissie voldoende bewijs van die genetische erosie wordt opgenomen en toegelicht, gebaseerd op wetenschappelijke resultaten of indicatoren voor de achteruitgang van de landrassen of primitieve lokale rassen en de diversiteit van de betrokken populaties en, indien relevant, voor wijzigingen in de op plaatselijk niveau gangbare landbouwpraktijken.

15. Wordt de steun toegekend voor de instandhouding, het duurzame gebruik en de duurzame ontwikkeling van genetische hulpbronnen in de landbouw voor niet onder de punten (198) tot en met (210) van de richtsnoeren vallende verrichtingen?

□ja□nee

Zo ja, verstrek meer details over de verrichtingen waarvoor steun wordt verleend:

16. Wordt steun toegekend voor collectieve regelingen en resultaatgebaseerde betalingsregelingen, zoals regelingen voor koolstoflandbouw?

□ja□nee

Zo ja, verstrek meer details over de verrichtingen waarvoor steun wordt verleend:

Op grond van punt 212 van de richtsnoeren kan steun die in het kader van afdeling 1.1.4. van de richtsnoeren wordt verleend, betrekking hebben op collectieve regelingen en resultaatgebaseerde betalingsregelingen, zoals regelingen voor koolstoflandbouw, die de landbouwers ertoe aansporen om op grotere schaal of op meetbare wijze te zorgen voor een aanzienlijke kwalitatieve verbetering van het milieu.

17. Vermeld de in aanmerking komende kosten van andere verrichtingen dan de instandhouding van genetische hulpbronnen:

(a) 

□compensatie van alle of een deel van de extra kosten die voortvloeien uit de verbintenissen;

(b) 

□inkomsten die worden gederfd als gevolg van de verbintenissen;

(c) 

□transactiekosten.

Indien de steun ook wordt toegekend voor investeringskosten in verband met agromilieuklimaatverbintenissen in het kader van deze afdeling, gelieve dan het formulier aanvullende informatie 1.1.1.1. inzake steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen op landbouwbedrijven in te vullen.

Indien met de steun andere doelstellingen worden nagestreefd, zoals opleiding en adviesdiensten om landbouwproducenten te helpen, gelieve dan het formulier aanvullende informatie 1.1.10 inzake steun voor technische bijstand in de landbouwsector in te vullen.

18. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 220 van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

19. Gelieve te bevestigen dat de steun jaarlijks wordt verleend:

□ja□nee

20. Als de steun wordt toegekend voor transactiekosten, motiveer en geef een specifieke beschrijving van die kosten:

21. Vermeld de steunintensiteit voor transactiekosten: …

Op grond van punt 215 van de richtsnoeren mag de steun dienen voor noodzakelijke transactiekosten ten belope van maximaal 20 % van de premie die voor de agromilieuklimaatverbintenissen wordt betaald, of tot 30 % indien de verbintenissen worden aangegaan door groepen ondernemingen.

22. Wordt de steun verleend voor transactiekosten die door het aangaan van agromilieuklimaatverbintenissen ontstaan?

□ja□nee

Zo ja, toon die kosten op overtuigende wijze aan, bijvoorbeeld door het overleggen van kostenvergelijkingen met ondernemingen die geen dergelijke verbintenissen zijn aangegaan:

23. Wordt de steun verleend voor transactiekosten voor de voortzetting van reeds voordien aangegane verbintenissen?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat die kosten blijven bestaan of dat nieuwe transactiekosten worden gemaakt:

Op grond van punt 216 van de richtsnoeren geeft de Commissie geen toestemming voor staatssteun voor transactiekosten die worden gemaakt om reeds voordien aangegane verbintenissen voort te zetten, tenzij een lidstaat aantoont dat die kosten blijven bestaan of dat nieuwe transactiekosten worden gemaakt.

24. Worden de transactiekosten berekend op basis van de gemiddelde kosten?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd.

25. Worden de transactiekosten berekend op basis van gemiddelde landbouwbedrijven?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd.

26. Gelieve te bevestigen dat wanneer transactiekosten worden berekend op basis van gemiddelde kosten en/of gemiddelde landbouwbedrijven, de lidstaten bij de berekening van de compensatie in aanmerking nemen of de betrokken transactiekosten per onderneming dan wel per hectare worden gemaakt:

□ja□nee

27. Vermeld de in aanmerking komende kosten van de steun voor verrichtingen voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de landbouw:

(a) 

□gerichte acties: acties ter bevordering van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw in situ en ex situ, met inbegrip van de opstelling van webgebaseerde inventarissen van de genetische hulpbronnen die momenteel in situ worden bewaard, inclusief de instandhouding in situ/op het landbouwbedrijf, en van verzamelingen ex situ en databases;

(b) 

□gecoördineerde acties: acties ter bevordering van de uitwisseling tussen de bevoegde organisaties van de lidstaten van gegevens ten behoeve van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw van de Unie;

(c) 

□begeleidende acties: voorlichtings-, verspreidings- en adviseringsacties waarbij niet-gouvernementele organisaties en andere relevante belanghebbenden worden betrokken, opleidingen en de opstelling van technische verslagen.

28. Wordt de steun verleend per hectare?

□ja□nee

29. Wordt de steun verleend in de vorm van een vast bedrag?

□ja□nee

Zo ja, motiveer:

Op grond van punt 221 van de richtsnoeren mag de steun alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen in de vorm van een vast bedrag worden verleend.

30. Wordt de steun verleend in de vorm van een eenmalige betaling per eenheid?

□ja□nee

Zo ja, motiveer:

Op grond van de punten (214) en (221) van de richtsnoeren mag de steun alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen, bijvoorbeeld bij op milieubehoud gerichte verrichtingen of verbintenissen om af te zien van het commerciële gebruik van areaal, worden verleend in de vorm van een eenmalige betaling per eenheid.

31. Als het antwoord op vraag 30 „ja” is, wordt deze steun berekend op basis van de gemaakte extra kosten en de gederfde inkomsten?

□ja□nee

HERZIENINGSCLAUSULE

32. Is er een herzieningsclausule opgenomen voor de verrichtingen waarvoor steun wordt verleend op grond van deze afdeling van de richtsnoeren?

□ja□nee

Op grond van punt 647 van de richtsnoeren moet de lidstaat een herzieningsclausule vaststellen die garandeert dat de verrichtingen in het kader waarvan verbintenissen worden aangegaan die verder moeten gaan dan de in deel II, afdeling 1.1.4. van de richtsnoeren bedoelde verplichte normen, vereisten of verplichtingen, worden aangepast wanneer die in die afdeling bedoelde verplichte normen, vereisten of verplichtingen worden gewijzigd.

33. Loopt de steun nog door na de programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling 2023-2027?

□ja□nee

Zo ja, dan moet op grond van punt 648 van de richtsnoeren voor steun op grond van deel II, afdeling 1.1.4, van de richtsnoeren een herzieningsclausule worden opgenomen die het mogelijk maakt de verrichtingen aan te passen aan het rechtskader van de volgende programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.5.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DIERENWELZIJNSVERBINTENISSEN

Dit formulier dient de aanmelding van staatssteunmaatregelen waarmee landbouwproductiemethoden worden ondersteund die erop gericht zijn het dierenwelzijn te verhogen, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.5, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun alleen toegekend aan ondernemingen die in de primaire landbouwproductie actief zijn en zich er op vrijwillige basis toe verbinden verrichtingen uit te voeren die uit een of meer dierenwelzijnsverbintenissen bestaan?

□ja□nee

2. Wordt de steun alleen verleend voor verbintenissen die verder gaan dan de desbetreffende verplichte normen krachtens titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115 ( 518 ) en andere betrokken verplichte vereisten in het nationale recht en het recht van de Unie?

□ja□nee

Op grond van punt 226 van de richtsnoeren moeten al die verplichte normen en vereisten en de bestaande landbouwpraktijken in de aanmelding aan de Commissie worden omschreven en toegelicht.

3. Wordt de steun, bij ontstentenis van verplichte normen of vereisten, toegekend voor verbintenissen die verder gaan dan de bestaande landbouwpraktijk op nationaal niveau?

□ja□nee

Zo „ja”, geef een beschrijving van de betrokken landbouwpraktijk:

Op grond van punt 226 van de richtsnoeren moeten die bestaande landbouwpraktijken in de aanmelding aan de Commissie worden omschreven en toegelicht.

4. Wordt de steun toegekend voor verbintenissen die bijdragen tot de naleving van nieuwe, door het nationale recht opgelegde vereisten die verder gaan dan de overeenkomstige minimumvereisten van het recht van de Unie?

□ja□nee

5. Als het antwoord op vraag 4 „ja” is, wordt deze steun voor verbintenissen die tot de naleving van die vereisten bijdragen, verleend gedurende maximaal 24 maanden vanaf de datum waarop die vereisten voor het bedrijf verplicht worden?

□ja□nee

6. Op welke van de volgende gebieden bieden de dierenwelzijnsverbintenissen strengere normen voor productiemethoden?

(a) 

□water, voer en dierenverzorging volgens de natuurlijke behoeften van de dieren;

(b) 

□huisvestingsomstandigheden die het comfort van de dieren en hun bewegingsvrijheid vergroten, zoals meer beschikbare ruimte per dier, vloerbedekking, natuurlijk licht, microklimaatbeheersing, en huisvestingsomstandigheden als vrij werpen of groepshuisvesting, afhankelijk van de natuurlijke behoeften van de dieren;

(c) 

□omstandigheden die ruimte bieden voor het vertonen van natuurlijk gedrag, zoals omgevingsverrijking of late spening;

(d) 

□toegang tot buitenuitloop en grazen;

(e) 

□methoden die de robuustheid van de dieren vergroten en hun levensduur verlengen, met inbegrip van trager groeiende rassen;

(f) 

□praktijken waarmee verminking of castratie van dieren wordt vermeden;

(g) 

□sanitaire maatregelen die niet-overdraagbare ziekten voorkomen en waarbij geen gebruik hoeft te worden gemaakt van medische stoffen als vaccins, insecticiden of middelen tegen parasieten.

Geef een gedetailleerde beschrijving:

7. Wordt in gevallen waarin verminking of castratie van dieren nodig wordt geacht, gebruikgemaakt van verdovingsmiddelen, pijnstillers en ontstekingsremmers of immunocastratie?

□ja□nee

Op grond van punt 228, f), van de richtsnoeren moet in specifieke gevallen waarin verminking of castratie van dieren nodig wordt geacht, worden gebruikgemaakt van verdovingsmiddelen, pijnstillers en ontstekingsremmers of immunocastratie.

8. Wordt de steun verleend voor dierenwelzijnsverbintenissen die worden aangegaan voor een periode van één tot zeven jaar?

□ja□nee

Vermeld de looptijd: …

9. Stelt de lidstaat voor specifieke soorten verbintenissen een langere periode dan zeven jaar vast?

□ja□nee

Zo ja, motiveer:

Op grond van punt 229 van de richtsnoeren mag een lidstaat een langere termijn vaststellen, onder meer door te voorzien in een jaarlijkse verlenging na afloop van de eerste periode, maar alleen als dat nodig is om bepaalde voordelen op het gebied van dierenwelzijn te verwezenlijken of te behouden.

10. Wordt het contract automatisch verlengd?

□ja□nee

Zo ja, let wel dat op grond van punt 230 van de richtsnoeren het contract nadere gegevens over de verlenging moet bevatten en de Commissie over het verlengingsmechanisme moet worden geïnformeerd bij de aanmelding.

11. Is de verlenging van het contract afhankelijk van de inachtneming van de voorwaarden die de Commissie voor de steun heeft goedgekeurd op grond van deze afdeling van de richtsnoeren?

□ja□nee

Op grond van punt 230 van de richtsnoeren moet de verlenging altijd afhankelijk zijn van de inachtneming van de voorwaarden die de Commissie op grond van afdeling 1.1.5 van de richtsnoeren voor de steun heeft goedgekeurd.

12. Hebben de bedrijven die onder deze afdeling van de richtsnoeren vallende verrichtingen uitvoeren, toegang tot de voor de uitvoering daarvan vereiste kennis en informatie en kunnen degenen die zulks nodig hebben, passende opleidingen volgen en toegang tot deskundigheid krijgen, met als doel bijstand te verlenen aan landbouwers die zich ertoe verbinden hun productiesystemen te wijzigen?

□ja□nee

13. Wordt de steun jaarlijks toegekend?

□ja□nee

14. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□compensatie van alle of een deel van de extra kosten die voortvloeien uit de verbintenissen;

(b) 

□inkomsten die worden gederfd als gevolg van de verbintenissen;

(c) 

□transactiekosten.

Indien de steun ook wordt toegekend voor investeringskosten in verband met dierenwelzijnsverbintenissen in het kader van deze afdeling, gelieve dan het formulier aanvullende informatie 1.1.1.1. inzake steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen op landbouwbedrijven in te vullen.

Indien met de steun andere doelstellingen worden nagestreefd, zoals opleiding en adviesdiensten om landbouwproducenten te helpen, gelieve dan het formulier aanvullende informatie 1.1.10 inzake steun voor technische bijstand in de landbouwsector in te vullen.

15. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 235 van de richtsnoeren mag de steun niet groter zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

16. Als de steun wordt toegekend voor transactiekosten, motiveer en geef een specifieke beschrijving van die kosten:

17. Vermeld de steunintensiteit voor transactiekosten: …

Op grond van punt 233 van de richtsnoeren mag de steun dienen voor noodzakelijke transactiekosten ten belope van maximaal 20 % van de premie die voor de dierenwelzijnsverbintenissen wordt betaald.

18. Wordt de steun verleend voor transactiekosten die ontstaan door het aangaan van dierenwelzijnsverbintenissen?

□ja□nee

Zo ja, toon die kosten op overtuigende wijze aan, bijvoorbeeld door het overleggen van kostenvergelijkingen met ondernemingen die geen dergelijke verbintenissen zijn aangegaan:

19. Wordt de steun verleend voor transactiekosten voor de voortzetting van reeds voordien aangegane dierenwelzijnsverbintenissen?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat die kosten blijven bestaan of dat nieuwe transactiekosten worden gemaakt:

Op grond van punt 233 van de richtsnoeren geeft de Commissie geen toestemming voor staatssteun voor transactiekosten die worden gemaakt om reeds voordien aangegane dierenwelzijnsverbintenissen voort te zetten, tenzij een lidstaat aantoont dat die kosten blijven bestaan of dat nieuwe transactiekosten worden gemaakt.

20. Worden de transactiekosten berekend op basis van de gemiddelde kosten?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd.

21. Worden de transactiekosten berekend op basis van gemiddelde landbouwbedrijven?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd.

22. Wordt de steun verleend per eenheid?

□ja□nee

Verstrek nadere gegevens:

23. Wordt de steun verleend in de vorm van een vast bedrag?

□ja□nee

Zo ja, motiveer:

Op grond van punt 236 van de richtsnoeren mogen de lidstaten de steun alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen in de vorm van een vast bedrag verlenen.

24. Wordt de steun verleend in de vorm van een eenmalige betaling per eenheid?

□ja□nee

Zo ja, motiveer:

Op grond van punt 236 van de richtsnoeren mogen de lidstaten de steun alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen verlenen in de vorm van een eenmalige betaling per eenheid.

25. Als het antwoord op vraag 24 „ja” is, wordt de compensatie berekend op basis van de gemaakte extra kosten en de gederfde inkomsten?

□ja□nee

HERZIENINGSCLAUSULE

26. Is er een herzieningsclausule opgenomen voor de verrichtingen waarvoor steun wordt verleend op grond van deze afdeling?

□ja□nee

Op grond van punt 647 van de richtsnoeren moet de lidstaat een herzieningsclausule vaststellen die garandeert dat de verrichtingen in het kader waarvan verbintenissen worden aangegaan die verder moeten gaan dan de in deel II, afdeling 1.1.5. van de richtsnoeren bedoelde verplichte normen, vereisten of verplichtingen, worden aangepast wanneer die in die afdeling bedoelde verplichte normen, vereisten of verplichtingen worden gewijzigd.

27. Loopt de steun nog door na de programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling 2023-2027?

□ja□nee

Zo ja, dan moet op grond van punt 648 van de richtsnoeren voor steun op grond van deel II, afdeling 1.1.5, van de richtsnoeren een herzieningsclausule worden opgenomen die het mogelijk maakt de verrichtingen aan te passen aan het rechtskader van de volgende programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.6.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR HET OPVANGEN VAN GEBIEDSSPECIFIEKE NADELEN DIE HET GEVOLG ZIJN VAN BEPAALDE VERPLICHTE VEREISTEN

Dit formulier moet door de lidstaten worden gebruikt voor de aanmelding van staatssteun voor het opvangen van gebiedsspecifieke nadelen die het gevolg zijn van bepaalde verplichte vereisten, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.6, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun enkel toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

2. Is de maatregel bedoeld om landbouwers te vergoeden voor gemaakte kosten en inkomsten die worden gederfd ten gevolge van nadelen in de betrokken gebieden in verband met de uitvoering van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad ( 519 )(„de habitatrichtlijn”), Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 520 ), („de vogelrichtlijn”) en Richtlijn 2000/60/EG ( 521 ) („de kaderrichtlijn water”)?

□ja□nee

3. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□extra kosten;

(b) 

□inkomsten die worden gederfd;

(c) 

□transactiekosten.

4. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 247 van de richtsnoeren mag de steun niet groter zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

5. Als de steun wordt toegekend voor transactiekosten, motiveer en geef een specifieke beschrijving van die kosten:

6. Vermeld de steunintensiteit voor de transactiekosten:

7. Worden de transactiekosten berekend op basis van de gemiddelde kosten?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd:

8. Worden de transactiekosten berekend op basis van gemiddelde landbouwbedrijven?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd:

9. Gelieve te bevestigen dat de lidstaten bij de berekening van de compensatie in aanmerking nemen of de betrokken transactiekosten per onderneming dan wel per hectare worden gemaakt:

□ja□nee

10. Wordt staatssteun in verband met Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG enkel verleend voor het opvangen van nadelen die het gevolg zijn van vereisten die verder gaan dan de relevante GLMC- normen krachtens titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115 ( 522 ) en de voorwaarden voor de handhaving van landbouwareaal overeenkomstig artikel 4, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/2115?

□ja□nee

11. Wordt staatssteun in verband met Richtlijn 2000/60/EG enkel verleend voor het opvangen van nadelen die het gevolg zijn van vereisten die verder gaan dan een of meer van onderstaande? Geef aan:

(a) 

□de betrokken uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, met uitzondering van beheerseis 1 als opgenomen in bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115, en de GLMC-normen krachtens titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115;

(b) 

□de voorwaarden voor de handhaving van landbouwareaal, zoals bepaald door een lidstaat in zijn strategisch GLB-plan, overeenkomstig artikel 4, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/2115.

Op grond van punt 245 van de richtsnoeren moeten de in de vragen 10 en 11 van dit formulier bedoelde vereisten in de aanmelding aan de Commissie worden omschreven en toegelicht.

12. Welke gebieden komen voor steun in aanmerking:

(a) 

□krachtens de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG aangewezen Natura 2000-landbouwgebieden;

(b) 

□andere afgebakende natuurbeschermingsgebieden met milieubeperkingen voor de landbouw waarmee wordt bijgedragen aan de uitvoering van artikel 10 van Richtlijn 92/43/EEG; die gebieden mogen niet groter zijn dan 5 % van de aangewezen Natura 2000-gebieden die onder de territoriale reikwijdte van het betrokken strategisch GLB-plan vallen;

(c) 

□landbouwarealen die zijn opgenomen in stroomgebiedbeheerplannen overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG.

13. Wordt de steun jaarlijks en per hectare betaald?

□ja□nee

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.7.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR GEBIEDEN MET NATUURLIJKE OF ANDERE GEBIEDSSPECIFIEKE BEPERKINGEN

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteun ter compensatie van natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.7, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”). Deze afdeling is van toepassing op steun in berggebieden en andere gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen.

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun toegekend aan in de primaire landbouwproductie actieve ondernemingen die actieve landbouwers zijn en zich ertoe verbinden hun landbouwactiviteit in krachtens artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 ( 523 ) aangewezen gebieden voort te zetten?

□ja□nee

2. Voor welke krachtens artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 aangewezen gebieden wordt de steun verleend?

3. Wordt de steun toegekend voor het maken van een selectie overeenkomstig artikel 32, lid 3, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1305/2013?

□ja□nee

Zo ja, verstrek meer bijzonderheden, waaronder een beschrijving van de criteria die bij een dergelijke selectie worden toegepast:

Geef ook een beschrijving van de beperking in kwestie:

4. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□extra kosten in verband met de natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen voor de landbouwproductie in het betrokken gebied;

(b) 

□inkomsten die worden gederfd als gevolg van de natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen voor de landbouwproductie in het betrokken gebied.

Toon het bestaan van de betrokken beperkingen aan en lever het bewijs dat het te betalen compensatiebedrag niet hoger is dan het inkomensverlies en de extra kosten die uit deze beperkingen voortvloeien:

5. Zijn de extra kosten en de gederfde inkomsten die uit de natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen voortvloeien, berekend aan de hand van een vergelijking met gebieden die niet met natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen worden geconfronteerd?

□ja□nee

6. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 254 van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

7. Wordt de steun jaarlijks en per hectare landbouwareaal verleend?

□ja□nee

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.8.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR BIOLOGISCHE LANDBOUW

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen voor de biologische landbouw, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.8, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun alleen toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

2. Zijn de begunstigden landbouwbedrijven of groepen landbouwbedrijven die zich op vrijwillige basis verbinden tot de omschakeling naar of de voortzetting van biologische landbouwpraktijken en -methoden als omschreven in Verordening (EU) 2018/848 ( 524 )?

□ja□nee

3. Wordt de steun alleen verleend voor verbintenissen die verder gaan dan de volgende normen en vereisten? Geef aan:

(a) 

□de betrokken uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de GLMC-normen krachtens titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115 ( 525 );

(b) 

□de betrokken minimumvoorschriften voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en voor dierenwelzijn en andere verplichte vereisten ter zake in het nationale recht en het recht van de Unie;

(c) 

□de voorwaarden voor de handhaving van landbouwareaal overeenkomstig artikel 4, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/2115.

Op grond van punt 258 van de richtsnoeren moeten de betrokken normen en vereisten in de staatssteunaanmelding aan de Commissie worden omschreven en toegelicht.

4. Wanneer in het nationale recht normen en vereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen worden opgelegd die verder gaan dan de overeenkomstige minimumvoorschriften van het recht van de Unie, wordt de steun dan toegekend voor verbintenissen waarmee aan de naleving van die nationale normen en vereisten wordt bijgedragen?

□ja□nee

5. Als het antwoord op vraag 4 „ja” is, wordt deze steun verleend gedurende maximaal 24 maanden vanaf de datum waarop die nationale normen en vereisten voor het bedrijf verplicht worden?

□ja□nee

6. Wordt de steun verleend voor verbintenissen die worden uitgevoerd in een eerste periode van vijf tot zeven jaar?

□ja□nee

Vermeld de looptijd: …

7. Indien de steun wordt toegekend voor verbintenissen die worden aangegaan voor een periode van meer dan zeven jaar, is de langere duur noodzakelijk om de nagestreefde milieuvoordelen te bereiken of te behouden?

□ja□nee

Zo ja, motiveer waarom voor de gesteunde soort verbintenis(sen) een langere periode nodig is:

Op grond van punt 260 van de richtsnoeren kunnen de lidstaten, als dat nodig is om de nagestreefde milieuvoordelen te bereiken of te behouden, een langere periode vaststellen, onder meer door te voorzien in een jaarlijkse verlenging na afloop van de eerste periode.

8. Als de steun wordt verleend voor de omschakeling naar biologische landbouw, stelt u dan een kortere eerste periode vast dan die welke in vraag 6 van dit formulier is vermeld?

□ja□nee

Zo ja, vermeld de looptijd: …

Op grond van punt 260 van de richtsnoeren kunnen de lidstaten, als steun wordt verleend voor de omschakeling naar biologische landbouw, een kortere periode van ten minste één jaar vaststellen.

9. Indien de steun wordt toegekend voor nieuwe voortzettingsverbintenissen die onmiddellijk aansluiten op de verbintenis die is uitgevoerd in de eerste periode als vermeld in vraag 6 van dit formulier, stelt u dan een kortere periode vast dan die welke in vraag 6 is vermeld?

□ja□nee

Zo ja, vermeld de looptijd:

Op grond van punt 260 van de richtsnoeren kunnen de lidstaten voor nieuwe voortzettingsverbintenissen die onmiddellijk aansluiten op de in de eerste periode voltooide verbintenis, een kortere periode van ten minste één jaar vaststellen.

10. Hebben de bedrijven die onder deze afdeling van de richtsnoeren vallende verrichtingen uitvoeren, toegang tot de voor de uitvoering daarvan vereiste kennis en informatie en kunnen degenen die zulks nodig hebben, passende opleidingen volgen en toegang tot deskundigheid krijgen, met als doel bijstand te verlenen aan landbouwers die zich ertoe verbinden hun productiesystemen te wijzigen?

□ja□nee

11. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□compensatie van alle of een deel van de extra kosten die voortvloeien uit de verbintenissen;

(b) 

□inkomsten die worden gederfd als gevolg van de verbintenissen;

(c) 

□transactiekosten.

Indien de steun ook voor investeringskosten wordt toegekend, gelieve dan het formulier aanvullende informatie 1.1.1.1. inzake steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen op landbouwbedrijven of het formulier aanvullende informatie 1.1.1.3. inzake steun voor investeringen in verband met de verwerking of de afzet van landbouwproducten in te vullen.

12. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 268 van de richtsnoeren mag de steun niet groter zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

13. Als de steun wordt toegekend voor transactiekosten, motiveer en geef een specifieke beschrijving van die kosten:

14. Vermeld de steunintensiteit voor transactiekosten:

Op grond van punt 263 van de richtsnoeren mag de steun dienen voor noodzakelijke transactiekosten ten belope van maximaal 20 % van de premie die voor de verbintenissen wordt betaald, of tot 30 % indien de verbintenissen worden aangegaan door groepen ondernemingen.

15. Wordt de steun verleend voor transactiekosten die ontstaan door het aangaan van verbintenissen op het gebied van biologische landbouw?

□ja□nee

Zo ja, toon die kosten op overtuigende wijze aan, bijvoorbeeld door het overleggen van kostenvergelijkingen met landbouwbedrijven die geen dergelijke verbintenissen zijn aangegaan:

16. Wordt de steun verleend voor transactiekosten voor de voortzetting van reeds voordien aangegane verbintenissen?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat die kosten blijven bestaan of dat nieuwe transactiekosten worden gemaakt:

Op grond van punt 264 van de richtsnoeren geeft de Commissie geen toestemming voor staatssteun voor transactiekosten die worden gemaakt om reeds voordien aangegane verbintenissen op het gebied van biologische landbouw voort te zetten, tenzij een lidstaat aantoont dat die kosten blijven bestaan of dat nieuwe transactiekosten worden gemaakt.

17. Worden de transactiekosten berekend op basis van de gemiddelde kosten?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd:

18. Worden de transactiekosten berekend op basis van gemiddelde landbouwbedrijven?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd:

19. Gelieve te bevestigen dat wanneer transactiekosten worden berekend op basis van gemiddelde kosten en/of gemiddelde landbouwbedrijven, de lidstaten bij de berekening van de compensatie in aanmerking nemen of de betrokken transactiekosten per onderneming dan wel per hectare worden gemaakt:

□ja□nee

20. Gelieve te bevestigen dat in het kader van deze afdeling geen steun wordt verleend voor verbintenissen die onder een agromilieuklimaatmaatregel vallen, of voor kosten in verband met steun voor het stimuleren van deelname aan kwaliteitsregelingen:

□ja□nee

21. Wordt de steun betaald per hectare?

□ja□nee

22. Wordt de steun verleend in de vorm van een vast bedrag?

□ja□nee

Zo ja, motiveer:

Op grond van punt 269 van de richtsnoeren mag de steun alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen in de vorm van een vast bedrag worden verleend.

23. Wordt de steun verleend in de vorm van een eenmalige betaling per eenheid?

□ja□nee

Zo ja, motiveer:

Op grond van punt 269 van de richtsnoeren mag de steun alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen worden verleend in de vorm van een eenmalige betaling per eenheid.

HERZIENINGSCLAUSULE

24. Is er een herzieningsclausule opgenomen voor de verrichtingen waarvoor steun wordt verleend op grond van deze afdeling van de richtsnoeren?

□ja□nee

Op grond van punt 647 van de richtsnoeren moet de lidstaat een herzieningsclausule vaststellen die garandeert dat de verrichtingen in het kader waarvan verbintenissen worden aangegaan die verder moeten gaan dan de in deel II, afdeling 1.1.8. van de richtsnoeren bedoelde verplichte normen, vereisten of verplichtingen, worden aangepast wanneer die in die afdeling bedoelde verplichte normen, vereisten of verplichtingen worden gewijzigd.

25. Loopt de steun nog door na de programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling 2023-2027?

□ja□nee

Zo ja, dan moet op grond van punt 648 van de richtsnoeren voor steun op grond van deel II, afdeling 1.1.8, van de richtsnoeren een herzieningsclausule worden opgenomen die het mogelijk maakt de verrichtingen aan te passen aan het rechtskader van de volgende programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.9.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE DEELNAME VAN PRODUCENTEN VAN LANDBOUWPRODUCTEN AAN KWALITEITSREGELINGEN

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen die bedoeld zijn om de deelname van producenten van landbouwproducten aan kwaliteitsregelingen te stimuleren, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.9, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun alleen toegekend aan producenten van landbouwproducten?

□ja□nee

2. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□de kosten van toetreding tot kwaliteitsregelingen, in het bijzonder de kosten die worden gemaakt om tot een kwaliteitsregeling waarvoor steun wordt verleend, toe te treden en de jaarlijkse bijdrage voor deelname aan die kwaliteitsregeling, inclusief, in voorkomend geval, de kosten van de controles die nodig zijn om te verifiëren of het productdossier wordt nageleefd;

(b) 

□kosten van verplichte controlemaatregelen die op het gebied van kwaliteitsregelingen door of in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat zijn genomen op grond van de wetgeving van de Unie of de nationale wetgeving;

(c) 

□kosten van marktonderzoek en productontwerp en -design, en van het opstellen van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen.

3. Worden de steun voor de kosten van toetreding tot kwaliteitsregelingen, als bedoeld in vraag 2, punt a), van dit formulier, en de steun voor de kosten van verplichte controlemaatregelen als bedoeld in vraag 2, punt b), van dit formulier toegekend voor de financiering van de kosten van controles die de begunstigden zelf verrichten of wanneer in de wetgeving van de Unie is bepaald dat de kosten van de controles door de producenten van landbouwproducten en hun groeperingen moeten worden gedragen, zonder dat daarbij de daadwerkelijke hoogte van die kosten is vermeld?

□ja□nee

4. Voor welke soort kwaliteitsregeling wordt de steun voor toetreding toegekend:

(a) 

□kwaliteitsregelingen van de Unie;

Geef aan om welke kwaliteitsregeling van de Unie het gaat:

(b) 

□kwaliteitsregelingen, met inbegrip van certificeringsregelingen, voor landbouwproducten die, naar de lidstaten erkennen, aan de volgende criteria voldoen:

(i) 

de specificiteit van het eindproduct dat volgens dergelijke kwaliteitsregelingen wordt gemaakt, moet voortvloeien uit duidelijke verplichtingen die een van het volgende garanderen:

— 
specifieke productkenmerken, of
— 
specifieke landbouw- of productiemethoden, of
— 
een kwaliteit van het eindproduct die uit het oogpunt van de gezondheid van mens, dier of plant, het dierenwelzijn of milieubescherming veel verder gaat dan de voor het handelsproduct geldende normen;
(ii) 

de kwaliteitsregeling moet openstaan voor alle producenten;

(iii) 

de kwaliteitsregeling moet het opstellen van een bindend productdossier voor eindproducten behelzen en de naleving daarvan moet worden geverifieerd door overheidsinstanties of door een onafhankelijke inspectie-instantie;

(iv) 

de kwaliteitsregeling moet transparant zijn en de volledige traceerbaarheid van de landbouwproducten garanderen.

Geef aan om welke kwaliteitsregeling en, indien van toepassing, welke certificeringsregeling het gaat:

(c) 

□vrijwillige certificeringsregelingen voor landbouwproducten die, naar de lidstaat erkent, voldoen aan de richtsnoeren van de Unie betreffende beste praktijken, zoals opgenomen in de mededeling van de Commissie van 16 december 2010„EU-richtsnoeren betreffende de beste praktijken voor vrijwillige certificeringsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen” ( 526 ).

Geef aan om welke certificeringsregeling het gaat:

5. Is de steun onder objectief vastgestelde voorwaarden toegankelijk voor alle ondernemingen die daarvoor in het betrokken gebied in aanmerking komen?

□ja□nee

6. Worden de steun voor de kosten van verplichte controlemaatregelen, als bedoeld in punt 272, b), van de richtsnoeren, en de steun voor de kosten van marktonderzoek en productontwerp en -design en van het opstellen van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen, als bedoeld in punt 272, c), van de richtsnoeren, verleend in de vorm van gesubsidieerde diensten en worden zij betaald aan de voor de controlemaatregelen verantwoordelijke instantie, de aanbieder van onderzoeksdiensten of de adviesverstrekker?

□ja□nee

7. Vermeld de steunintensiteit voor de kosten van verplichte controlemaatregelen als bedoeld in punt 272, b), van de richtsnoeren:

Op grond van punt 278 van de richtsnoeren mag de steun voor de kosten van verplichte controlemaatregelen, als bedoeld in punt 272, b), van de richtsnoeren, ten hoogste 100 % van de werkelijk gemaakte kosten bedragen.

8. Vermeld de steunintensiteit voor de kosten van marktonderzoek en productontwerp en -design en van het opstellen van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen, als bedoeld in punt 272, c), van de richtsnoeren:

Op grond van punt 278 van de richtsnoeren mag de steun voor de kosten van marktonderzoek en productontwerp en -design en van het opstellen van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen, als bedoeld in punt 272, c), van de richtsnoeren, ten hoogste 100 % van de werkelijk gemaakte kosten bedragen.

9. Vermeld de steunintensiteit voor de kosten van toetreding tot kwaliteitsregelingen:

Op grond van punt 277 van de richtsnoeren mag de steun voor de kosten van toetreding tot kwaliteitsregelingen, als bedoeld in punt 272, a), van de richtsnoeren, niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

10. Hoe lang duurt de periode waarin de steun voor de kosten van toetreding tot kwaliteitsregelingen, als bedoeld in punt 272, a), van de richtsnoeren, wordt toegekend:

Op grond van punt 277 van de richtsnoeren mag de steun voor de kosten van toetreding tot kwaliteitsregelingen, als bedoeld in punt 272, a), gedurende ten hoogste zeven jaar worden verleend.

11. Wordt de steun voor de kosten van toetreding tot kwaliteitsregelingen, als bedoeld in punt 272, a), van de richtsnoeren, jaarlijks betaald?

□ja□nee

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.10.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR TECHNISCHE BIJSTAND IN DE LANDBOUWSECTOR

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen in het kader waarvan technische bijstand in de landbouwsector wordt verleend, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.10, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

1.1. Wordt de steun in het kader van deze afdeling van de richtsnoeren, met uitzondering van de steun voor bedrijfsvervangingsdiensten, toegekend voor technische bijstand in de landbouwsector?

□ja□nee

Op grond van punt 279 van de richtsnoeren mag steun voor bedrijfsvervangingsdiensten alleen worden verleend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie (zie vraag 4.1 van dit formulier).

1.2. Wie zijn de begunstigden van de steun?

(a) 

□landbouwers;

(b) 

□producentengroeperingen;

(c) 

□andere organisaties.

Als de steun wordt toegekend aan begunstigden als bedoeld in punt c) van deze vraag, geef nadere toelichting:

1.3. Is de steun onder objectief vastgestelde voorwaarden toegankelijk voor al wie daarvoor in het betrokken gebied in aanmerking komt?

□ja□nee

1.4. Indien de technische bijstand door producentengroeperingen of andere organisaties wordt verleend, is lidmaatschap van die groeperingen of organisaties een voorwaarde om toegang tot de diensten te krijgen?

□ja□nee

1.5. Indien de technische bijstand door producentengroeperingen of organisaties wordt verleend, is de bijdrage van niet-leden in de administratieve kosten van de betrokken producentengroepering of organisatie beperkt tot de kosten van de dienstverlening?

□ja□nee

Gelieve naast de vragen 1.1 tot en met 1.5 van dit formulier, die betrekking hebben op de gemeenschappelijke voorwaarden van afdeling 1.1.10 van de richtsnoeren, hieronder ook de afdelingen in te vullen die op de aangemelde steun van toepassing zijn.

2. STEUN VOOR KENNISUITWISSELINGS- EN VOORLICHTINGSACTIES (AFDELING 1.1.10.1.)

2.1. Is de steun consistent met de beschrijving van het kennis- en innovatiesysteem voor de landbouw (AKIS) in het strategisch GLB-plan?

□ja□nee

Verstrek nadere gegevens:

2.2. Welke acties kunnen met de steun worden gefinancierd?

(a) 

□beroepsopleiding en verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops, conferenties en coaching;

(b) 

□demonstratieactiviteiten;

(c) 

□voorlichtingsacties;

(d) 

□bevordering van innovatie;

(e) 

□korte uitwisselingen inzake landbouwbedrijfsbeheer en bezoeken aan landbouwbedrijven.

2.3. Draagt de steun bij tot de verwezenlijking van een of meer van de specifieke doelstellingen van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 ( 527 )?

□ja□nee

Geef aan tot welke doelstelling van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 de steun bijdraagt:

2.4. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□de kosten van de organisatie van beroepsopleiding en van acties voor de verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops, conferenties, coaching, demonstratieactiviteiten of voorlichtingsacties;

(b) 

□de kosten in verband met de reis-, verblijfs- en dagvergoedingen van de deelnemers;

(c) 

□de kosten van vervangingsdiensten tijdens de afwezigheid van de deelnemers;

(d) 

□de kosten in verband met demonstratieprojecten.

2.5. Indien de steun wordt toegekend voor de kosten van demonstratieprojecten, vermeld dan de in aanmerking komende kosten:

(a) 

□de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond slechts in aanmerking komt voor een bedrag dat niet hoger is dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting (zie ook vraag 2.11 van dit formulier);

(b) 

□de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

(c) 

□algemene kosten in verband met de in punt 286, d), i) en ii), van de richtsnoeren bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies;

(d) 

□de kosten van aankoop, ontwikkeling of gebruik van computersoftware, cloud- en soortgelijke oplossingen en van de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken;

(e) 

□extra kosten en gederfde inkomsten in verband met kleinschalige demonstratieprojecten.

Op grond van punt 286, d), v), van de richtsnoeren mag steun voor kleinschalige demonstratieprojecten alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen worden toegekend voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die met het demonstratieproject gepaard gaan.

Als de steun wordt toegekend voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die met het kleinschalige demonstratieproject gepaard gaan, geef een motivering overeenkomstig dat punt van de richtsnoeren:

2.6. Indien de steun wordt toegekend voor de in vraag 2.5, punten a) tot en met d), van dit formulier bedoelde kosten van demonstratieprojecten, komen die kosten slechts in aanmerking voor zover en zolang zij voor het demonstratieproject worden gemaakt?

□ja□nee

2.7. Indien de steun wordt toegekend voor de in vraag 2.5, punten a) tot en met d), van dit formulier bedoelde kosten van demonstratieprojecten, is die steun beperkt tot de afschrijvingskosten die met de looptijd van het demonstratieproject overeenstemmen, als berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen?

□ja□nee

Op grond van punt 287 van de richtsnoeren worden alleen de afschrijvingskosten die met de looptijd van het demonstratieproject overeenstemmen, als berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd.

2.8. Geldt voor de organisaties die kennisuitwisselings- en voorlichtingsdiensten aanbieden, dat zij over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel moeten beschikken?

□ja□nee

2.9. Geef aan in welke vorm de steun wordt verleend:

(a) 

□gesubsidieerde diensten;

(b) 

□rechtstreekse betalingen aan een begunstigde van de steun.

Op grond van punt 289 van de richtsnoeren moet steun als bedoeld in punt 286, a), c), en d), i) tot en met iv), worden verstrekt in de vorm van gesubsidieerde diensten. Steun voor de kosten van vervangingsdiensten als bedoeld in punt 286, c), mag, bij wijze van alternatief, rechtstreeks worden betaald aan de aanbieder van de vervangingsdiensten. Steun als bedoeld in punt 286, d), v), moet rechtstreeks aan de begunstigden worden betaald. Steun op grond van punt (286), d), i) tot en met iv), voor kleinschalige demonstratieprojecten mag rechtstreeks aan de begunstigden worden betaald.

2.10. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 290 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

2.11. Indien de steun wordt toegekend voor de aankoop van grond als bedoeld in vraag 2.5, punt a), van dit formulier, vermeld de steunintensiteit:

Op grond van punt 286, d), i), van de richtsnoeren komen de kosten van de aankoop van grond slechts voor steun in aanmerking voor een bedrag dat niet hoger is dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting. Bedraagt de steun meer dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting, vul dan ook vraag 2.12 van dit formulier in.

2.12. Indien de steun voor de aankoop van grond meer bedraagt dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting, geef aan welke van de volgende uitzonderingen van toepassing zijn:

(a) 

□de verrichting betreft milieubehoud;

(b) 

□de verrichting betreft het behoud van koolstofrijke bodems.

Op grond van punt 286, d), i), van de richtsnoeren mag slechts in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen een hoger percentage dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting worden toegestaan voor verrichtingen ten behoeve van milieubehoud en het behoud van koolstofrijke bodems.

Als de steun voor de kosten van de aankoop van grond meer bedraagt dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting, geef een motivering overeenkomstig punt 286, d), i), van de richtsnoeren:

2.13. Vermeld het maximale steunbedrag voor investeringskosten in verband met demonstratieprojecten als bedoeld in punt 286, d), van de richtsnoeren:

Op grond van punt 291 van de richtsnoeren moet het maximale steunbedrag voor de in punt 286, d), van de richtsnoeren bedoelde in aanmerking komende kosten beperkt blijven tot 100 000  EUR over drie belastingjaren.

3. STEUN VOOR ADVIESDIENSTEN (AFDELING 1.1.10.2.)

3.1. Is het advies waarvoor in het kader van deze afdeling steun wordt verleend, consistent met de beschrijving van het AKIS in het strategisch GLB-plan?

□ja□nee

Op grond van punt 293 van de richtsnoeren moeten de lidstaten erop toezien dat de in het kader van deze afdeling gesteunde acties consistent zijn met de in de strategische GLB-plannen opgenomen beschrijving van het AKIS.

3.2. Houdt het advies verband met ten minste een van de specifieke doelstellingen van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115?

□ja□nee

Met welke doelstelling van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 houdt het advies verband?

3.3. Op welk van de volgende elementen heeft het advies betrekking?

(a) 

□verplichtingen ten gevolge van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de GLMC-normen krachtens titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115;

(b) 

□de klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken als bedoeld in artikel 31 van Verordening (EU) 2021/2115 en de handhaving van landbouwareaal als bedoeld in artikel 4, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/2115;

(c) 

□de door de lidstaten vastgestelde vereisten voor de uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG ( 528 ), Richtlijn 92/43/EEG ( 529 ), Richtlijn 2009/147/EG ( 530 ), Richtlijn 2008/50/EG ( 531 ), Richtlijn (EU) 2016/2284 ( 532 ), Verordening (EU) 2016/2031, Verordening (EU) 2016/429 ( 533 ), artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 ( 534 ) en Richtlijn 2009/128/EG ( 535 );

(d) 

□landbouwpraktijken ter voorkoming van de ontwikkeling van antimicrobiële resistentie als bedoeld in de mededeling van de Commissie „Een Europees „één gezondheid”-actieplan tegen antimicrobiële resistentie”;

(e) 

□risicopreventie en risicobeheer;

(f) 

□maatregelen die gericht zijn op modernisering van het landbouwbedrijf, verbetering van het concurrentievermogen, sectorintegratie, innovatie, marktgerichtheid en bevordering van ondernemerschap;

(g) 

□digitale technologieën in de landbouw als bedoeld in artikel 114, punt b), van Verordening (EU) 2021/2115;

(h) 

□duurzaam nutriëntenbeheer, met inbegrip van uiterlijk vanaf 2024 het gebruik van het bedrijfsduurzaamheidsinstrument voor nutriënten, als bedoeld in artikel 15, lid 4, punt g), van Verordening (EU) 2021/2115;

(i) 

□arbeidsvoorwaarden, werkgeversverplichtingen, gezondheid en veiligheid op het werk en sociale bijstand in landbouwgemeenschappen;

(j) 

□duurzame productie van voeder, beoordeling van voeder wat nutriëntengehalte en voederwaarden betreft, documentatie, planning en controle van het voederen van landbouwhuisdieren op basis van behoeften.

Op grond van punt 294 van de richtsnoeren moet het advies betrekking hebben op ten minste een van de bovenstaande elementen.

3.4. Wordt de steun verleend in de vorm van gesubsidieerde diensten?

□ja□nee

3.5. Moeten de organisaties die worden geselecteerd om advies te verstrekken, beschikken over daartoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel, alsmede over ervaring op het gebied van adviesverstrekking, en moeten zij betrouwbaar zijn gebleken op de gebieden waarover zij advies verstrekken?

□ja□nee

3.6. Wordt gegarandeerd dat het advies onpartijdig is en dat de verstrekkers van de adviesdiensten geen belangenconflict hebben?

□ja□nee

3.7. Wordt het advies gedeeltelijk in groep verstrekt?

□ja□nee

Zo ja, motiveer:

Op grond van punt 298 van de richtsnoeren mag de steun alleen in naar behoren gemotiveerde en passende gevallen gedeeltelijk in groep worden verstrekt.

3.8. Indien het advies gedeeltelijk in groep wordt verstrekt, wordt er rekening gehouden met de situatie van de individuele gebruiker van de adviesdiensten?

□ja□nee

3.9. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 299 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

3.10. Hoe hoog is het steunbedrag per onderneming die actief is in de primaire landbouwproductie? …

Op grond van punt 300, a), van de richtsnoeren mag de steun per onderneming die actief is in de primaire landbouwproductie, niet meer bedragen dan 25 000  EUR per periode van drie jaar.

3.11. Hoe hoog is het steunbedrag per onderneming die actief is in de verwerking of de afzet van landbouwproducten? …

Op grond van punt 300, b), van de richtsnoeren mag de steun per onderneming die actief is in de in de verwerking of de afzet van landbouwproducten, niet meer bedragen dan 200 000  EUR per periode van drie jaar.

4. STEUN VOOR BEDRIJFSVERVANGINGSDIENSTEN IN DE LANDBOUW (AFDELING 1.1.10.3.)

4.1. Gaat de in het kader van deze afdeling verleende steun uitsluitend naar ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

4.2. Wordt de steun verleend in de vorm van gesubsidieerde diensten?

□ja□nee

4.3. Wordt de steun uitsluitend toegekend voor de werkelijke kosten van de vervanging van een landbouwer, een natuurlijke persoon die lid van het landbouwhuishouden is, of een werknemer in de landbouw, tijdens hun afwezigheid van het werk als gevolg van ziekte, waaronder ziekte van hun kind of ernstige ziekte van een samenwonende persoon die constante zorg vereist, vakantie, moederschap- en ouderschapsverlof, verplichte militaire dienst of overlijden, of voor de punt 286, c), van de richtsnoeren beschreven kosten?

□ja□nee

Vermeld de reden voor de vervanging:

4.4. Vermeld de totale duur van de vervanging: …

Op grond van punt 304 van de richtsnoeren moet de totale duur van de vervanging beperkt blijven tot drie maanden per jaar per begunstigde, met uitzondering van de vervanging voor moederschaps- en ouderschapsverlof en van de vervanging tijdens de verplichte militaire dienst.

4.5. Indien de steun wordt toegekend voor de kosten van vervanging wegens moederschaps- en ouderschapsverlof, vermeld de duur: …

Op grond van punt 304 van de richtsnoeren moet de duur van de vervanging wegens moederschaps- en ouderschapsverlof beperkt blijven tot zes maanden.

4.6. Indien de steun wordt toegekend voor de kosten van vervanging tijdens de verplichte militaire dienst, vermeld de duur:

4.7. Is de totale duur van de vervanging wegens verplichte militaire dienst beperkt tot de duur van de dienst?

□ja□nee

Hoe lang duurt de verplichte militaire dienst?

Op grond van punt 304 van de richtsnoeren moet de duur van de vervanging tijdens de verplichte militaire dienst beperkt blijven tot de duur van de dienst.

4.8. Als de totale duur van de vervanging langer is dan respectievelijk drie en zes maanden, zoals hierboven vermeld in de vragen 4.4 en 4.5 van dit formulier, geef een motivering:

Op grond van punt 304 van de richtsnoeren kan de Commissie alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen een verlenging van de periode van drie maanden en zes maanden toestaan.

4.9. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 305 van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.1.11.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR SAMENWERKING IN DE LANDBOUWSECTOR

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteun voor samenwerking in de landbouwsector, als beschreven in deel II, afdeling 1.1.11, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. SOORT STEUN

1.1. Wordt de steun toegekend ter bevordering van samenwerking die bijdraagt aan de verwezenlijking van een of meer van de doelstellingen van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 ( 536 )?

□ja□nee

Geef aan tot welke doelstelling van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 de gesteunde maatregel bijdraagt:

1.2. Wordt de steun verleend voor samenwerking waarbij ten minste twee actoren betrokken zijn?

□ja□nee

1.3. Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt verleend voor samenwerking waarbij uitsluitend onderzoeksinstellingen betrokken zijn:

□ja□nee

1.4. Gelieve te bevestigen dat wanneer de steun wordt toegekend voor samenwerking tussen actoren die actief zijn in de landbouwsector en in andere sectoren, de steun vooral ten goede komt aan actoren die in de landbouwsector actief zijn:

□ja□nee

1.5. Welke vorm kan de samenwerking aannemen:

(a) 

□samenwerking tussen verschillende ondernemingen in de landbouwsector, de voedselketen en andere actoren die actief zijn in de landbouwsector, die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen en prioriteiten van het plattelandsontwikkelingsbeleid, met inbegrip van producentengroeperingen, coöperaties en brancheorganisaties;

(b) 

□de oprichting van clusters en netwerken;

(c) 

□bedrijfsopvolging, met name voor generatievernieuwing op het landbouwbedrijf (er mag alleen steun worden verstrekt aan landbouwers die de pensioenleeftijd, zoals die door de betrokken lidstaat volgens zijn nationale wetgeving is bepaald, hebben bereikt of uiterlijk aan het einde van de verrichting zullen bereiken);

(d) 

□een andere vorm.

Geef een omschrijving:

1.6. Geef aan voor welke samenwerkingsactiviteiten de steun wordt toegekend:

(a) 

□proefprojecten;

(b) 

□de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, procedés en technologieën in de landbouwsector en de levensmiddelensector, maar alleen voor zover het daarbij om landbouwproducten gaat;

(c) 

□samenwerking tussen kleinschalige marktdeelnemers in de landbouwsector met als doel gezamenlijke werkprocedés op te zetten en voorzieningen en middelen te delen;

(d) 

□horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de toeleveringsketen met het oog op de oprichting en ontwikkeling van korte toeleveringsketens en lokale markten;

(e) 

□afzetbevorderingsactiviteiten in een lokale context met het oog op de ontwikkeling van korte toeleveringsketens en lokale markten;

(f) 

□collectieve actie met het oog op klimaatmitigatie of -adaptatie;

(g) 

□gezamenlijke benaderingen van milieuprojecten en gangbare milieupraktijken, met inbegrip van efficiënt waterbeheer, het gebruik van hernieuwbare energie ( 537 ) en de instandhouding van agrarische landschappen;

(h) 

□horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de toeleveringsketen met het oog op duurzame levering van biomassa voor gebruik in de voedselproductie, mits het resultaat een landbouwproduct is, en in de productie van energie voor eigen gebruik;

(i) 

□de uitvoering, met name door andere dan de in artikel 31, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/1060 ( 538 ) omschreven groepen publieke en private partners, van andere dan de in artikel 32 van Verordening (EU) 2021/1060 omschreven strategieën voor lokale ontwikkeling;

(j) 

□andere vormen van samenwerking.

Geef een omschrijving:

1.7. Wordt de steun alleen verleend voor nieuwe samenwerkingsvormen, met inbegrip van bestaande samenwerkingsvormen indien een nieuwe activiteit wordt opgestart?

□ja□nee

1.8. Heeft steun die wordt verleend voor de oprichting en ontwikkeling van korte toeleveringsketens, als bedoeld in vraag 1.6, punten d) en e), van dit formulier, slechts betrekking op voorzieningsketens waarbij er tussen de landbouwer en de consument hoogstens één intermediair is?

□ja□nee

2. IN AANMERKING KOMENDE KOSTEN EN STEUNINTENSITEIT

2.1. Vermeld de in aanmerking komende kosten (voor zover die verband houden met landbouwactiviteiten):

(a) 

□kosten van studies van het betrokken gebied, kosten van haalbaarheidsstudies en kosten van het opstellen van een bedrijfsplan of een andere dan de in artikel 32 van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde strategie voor lokale ontwikkeling;

(b) 

□met de samenwerking gepaard gaande werkingskosten, zoals het salaris van een „coördinator”;

(c) 

□kosten van uit te voeren verrichtingen;

(d) 

□kosten van afzetbevorderingsactiviteiten.

2.2. Vermeld de duur van de periode waarvoor de steun wordt verleend: …

Op grond van punt 316 van de richtsnoeren mag de steun gedurende ten hoogste zeven jaar worden verleend. Een langere periode is mogelijk in naar behoren gemotiveerde gevallen. Indien de steun wordt verleend voor een periode van meer dan zeven jaar, vul ook vraag 2.3 van dit formulier in.

2.3. Indien de steun wordt verleend voor een periode van meer dan zeven jaar, geef aan waarom:

(a) 

□a) de steun wordt verleend voor collectieve milieu- en klimaatacties ter verwezenlijking van specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen van artikel 6, lid 1, punten d), e) en f), van Verordening (EU) 2021/2115;

Motiveer waarom een langere periode noodzakelijk is:

(b) 

□de steun wordt verleend voor de uitvoering, met name door andere dan de in artikel 31, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/1060 omschreven groepen publieke en private partners, van andere dan de in artikel 32 van Verordening (EU) 2021/1060 omschreven strategieën voor lokale ontwikkeling.

Motiveer waarom een langere periode noodzakelijk is:

2.4. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 317 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

2.5. Vermeld de steunintensiteit van de investeringskosten van uit te voeren verrichtingen:

Op grond van punt 318 van de richtsnoeren moet de steun, wanneer die wordt toegekend voor de kosten van verrichtingen die uit investeringen bestaan, beperkt blijven tot de maximale steunintensiteit voor investeringssteun, als nader bepaald in de desbetreffende afdeling inzake investeringssteun.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.2.1.1.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR HET HERSTEL VAN SCHADE ALS GEVOLG VAN NATUURRAMPEN OF BUITENGEWONE GEBEURTENISSEN

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteun ter vergoeding van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen, als beschreven in deel II, afdeling 1.2.1.1, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Beschrijf de natuurramp of buitengewone gebeurtenis die de oorzaak was van de schade waarvoor vergoeding wordt gevraagd:

Op grond van punt 324 van de richtsnoeren heeft de Commissie tot dusver de volgende gebeurtenissen als natuurramp aangemerkt: aardbevingen, lawines, grondverschuivingen en overstromingen. Daarnaast houdt de Commissie rekening met het initiatief tot modernisering van de staatssteun, op grond waarvan het nu mogelijk is om ook voor de volgende categorieën natuurrampen een groepsvrijstelling te verlenen: tornado’s, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden met een natuurlijke oorzaak.

Tot de buitengewone gebeurtenissen die de Commissie in het verleden als zodanig heeft erkend, behoren oorlog, binnenlandse ordeverstoringen en stakingen alsmede, zij het met enige restricties en afhankelijk van de omvang ervan, ernstige nucleaire of industriële ongevallen en branden die tot wijdverspreide verliezen leiden.

Op grond van punt 324 van de richtsnoeren zal de Commissie plannen voor de toekenning van staatssteun van geval tot geval blijven beoordelen overeenkomstig artikel 107, lid 2, punt b), van het Verdrag, met inachtneming van haar vroegere praktijk ter zake.

Op grond van punt 330 van de richtsnoeren moet steun die wordt toegekend ter vergoeding van schade als gevolg van niet in punt 324 van de richtsnoeren vermelde soorten natuurrampen en ter vergoeding van schade als gevolg van buitengewone gebeurtenissen, individueel bij de Commissie worden aangemeld.

2. Is de steunregeling opgezet als een ex-antekadersteunregeling?

□ja□nee

Zo ja, vermeld het soort natuurramp dat onder de ex-anteregeling valt:

Op grond van punt 329 van de richtsnoeren zal de Commissie, om snel crisisbeheer te vergemakkelijken, toestemming verlenen voor ex-antekadersteunregelingen om schade te vergoeden die wordt veroorzaakt door aardbevingen, lawines, grondverschuivingen en overstromingen en door tornado’s, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden met een natuurlijke oorzaak, mits duidelijk wordt aangegeven onder welke voorwaarden in dergelijke gevallen steun kan worden verleend.

3. Gelieve, in het geval van een ex-anteregeling, te bevestigen dat de voorwaarden waaronder de steun kan worden verleend, duidelijk zijn aangegeven:

□ja□nee

Geef een nadere omschrijving van deze voorwaarden:

4. Gelieve, in het geval van een ex-anteregeling, te bevestigen dat aan de rapportageverplichting van punt 651 van de richtsnoeren zal worden voldaan:

□ja□nee

5. Heeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat formeel erkend dat zich een natuurramp of buitengewone gebeurtenis heeft voorgedaan?

□ja□nee

6. Toon aan dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband is tussen de natuurramp of buitengewone gebeurtenis en de schade die de begunstigde onderneming heeft geleden:

Op grond van punt 325 van de richtsnoeren zijn de in deze vraag vermelde voorwaarde en de in vraag 5 van dit formulier vermelde voorwaarde cumulatief.

7. Zijn de criteria op basis waarvan de formele erkenning door de bevoegde autoriteit van de lidstaat wordt geacht te zijn verleend, vooraf vastgesteld?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat het passend is deze criteria vooraf vast te stellen:

8. Wordt de steun rechtstreeks aan het betrokken landbouwbedrijf betaald?

□ja□nee

9. Wordt de steun betaald aan een producentengroepering of -organisatie waarvan het landbouwbedrijf lid is?

□ja□nee

10. Als de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, wordt ervoor gezorgd dat het steunbedrag niet hoger is dan het steunbedrag waarvoor dat landbouwbedrijf in aanmerking komt?

□ja□nee

Op grond van punt 327 van de richtsnoeren mag, wanneer de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, het steunbedrag niet hoger zijn dan het steunbedrag waarvoor dat landbouwbedrijf in aanmerking komt.

11. Wordt de steunregeling ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de gebeurtenis zich heeft voorgedaan?

□ja□nee

Vermeld de datum van de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt:

Op grond van punt 328 van de richtsnoeren moet de steunregeling worden ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

12. Wat is de uiterste datum voor de uitbetaling van de steun?

Op grond van punt 328 van de richtsnoeren moet de steun worden betaald binnen vier jaar na de datum waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

Bij specifieke natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen zal de Commissie haar toestemming geven voor afzonderlijk aangemelde steun die in naar behoren gerechtvaardigde gevallen van deze regel afwijkt, bijvoorbeeld wegens de aard en/of omvang van de gebeurtenis of omdat de schade pas later is opgetreden of nog steeds aanhoudt.

Leg, als dat het geval is, uit waarom de langere termijn voor de betaling van de steun nodig is:

13. Worden alleen de kosten van schade die een rechtstreeks gevolg is van de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, voor steun in aanmerking genomen?

□ja□nee

14. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□vergoeding voor materiële schade aan gebouwen, uitrusting, machines, voorraden en productiemiddelen;

(b) 

□vergoeding voor inkomensverlies ten gevolge van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de landbouwproductie of de productiemiddelen van de primaire landbouwproductie.

15. Wordt de schade getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming?

□ja□nee

Geef aan welke entiteit de schade taxeert:

16. Geef een nauwkeurige raming van de door de potentiële begunstigden geleden schade:

17. Wordt de schade op het niveau van de individuele begunstigde berekend?

□ja□nee

18. Als de steun voor materiële schade wordt verleend, wordt die schade berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis?

□ja□nee

19. Gelieve te bevestigen dat wanneer de steun wordt toegekend voor materiële schade, het schadebedrag niet hoger zal zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis:

□ja□nee

Op grond van punt 334 van de richtsnoeren mag het berekende bedrag van de materiële schade niet groter zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de activa onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis.

20. Wordt het inkomensverlies berekend door:

(a) 

de hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in het jaar van de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, of in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs,

af te trekken van

(b) 

de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in de drie jaren voorafgaand aan de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs?

□ja□nee

21. Wordt het inkomensverlies verhoogd met andere kosten die de begunstigde wegens de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis heeft gemaakt?

□ja□nee

Zo ja, geef aan om welke andere kosten het gaat:

22. Gelieve te bevestigen dat het inkomensverlies zal worden verlaagd met de kosten die als gevolg van de natuurramp of buitengewone gebeurtenis niet zijn gemaakt en anders wel door de begunstigde zouden zijn gemaakt:

□ja□nee

23. Indien een andere methode voor de berekening van de schade wordt gebruikt, zal die methode representatief zijn, niet gebaseerd zijn op abnormaal hoge opbrengsten en niet leiden tot overcompensatie van de begunstigden?

□ja□nee

Wordt de meting van de omvang van het verlies afgestemd op de specifieke kenmerken van elk afzonderlijk type product door gebruik te maken van:

(a) 

□biologische indexen (hoeveelheid verloren gegane biomassa) of equivalente oogstdalingsindexen, vastgesteld op het niveau van het landbouwbedrijf of op plaatselijk, regionaal of nationaal niveau, of

(b) 

□weerindexen (waaronder neerslaghoeveelheid en temperatuur) op lokaal, regionaal of nationaal niveau?

24. Zullen voor de berekening van de jaarlijkse landbouwproductie van de begunstigde indexen worden gebruikt?

□ja□nee

25. Als het antwoord op vraag 24 „ja” is, zal de toegepaste berekeningsmethode het mogelijk maken het reële verlies van een afzonderlijke begunstigde in een specifiek jaar te bepalen?

□ja□nee

26. Vermeld de steunintensiteit:

..... % van de schade die is veroorzaakt door de natuurramp of buitengewone gebeurtenis.

Op grond van punt 339 van de richtsnoeren mogen de steun en eventuele andere betalingen ter compensatie van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van een verzekeringspolis, niet meer bedragen dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.2.1.2.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN TER VERGOEDING VAN SCHADE ALS GEVOLG VAN ONGUNSTIGE WEERSOMSTANDIGHEDEN DIE MET EEN NATUURRAMP KUNNEN WORDEN GELIJKGESTELD

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen ter vergoeding van schade aan de landbouwproductie of aan de landbouwproductiemiddelen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, als beschreven in deel II, afdeling 1.2.1.2, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Geef aan welke ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, de schade heeft veroorzaakt waarvoor vergoeding wordt gevraagd:

2. Wordt de steun alleen toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

Op grond van punt 341 van de richtsnoeren is afdeling 1.2.1.2 van de richtsnoeren alleen van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

3. Is de steunregeling opgezet als een ex-antekadersteunregeling?

□ja□nee

Zo ja, vermeld welk soort ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, onder de ex-anteregeling valt:

4. Gelieve, indien de steunregeling als een ex-anteregeling is opgezet, te bevestigen dat aan de rapportageverplichting van punt 651 van de richtsnoeren zal worden voldaan:

□ja□nee

5. Heeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat de gebeurtenis formeel erkend als ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld?

□ja□nee

6. Toon aan dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband is tussen de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, en de schade die de begunstigde onderneming heeft geleden:

Op grond van punt 342 van de richtsnoeren zijn de in deze vraag vermelde voorwaarde en de in vraag 5 van dit formulier vermelde voorwaarde cumulatief.

7. Zijn de criteria op basis waarvan de formele erkenning door de bevoegde autoriteit van de lidstaat wordt geacht te zijn verleend, vooraf vastgesteld?

□ja□nee

Zo ja, toon aan dat het passend is deze criteria vooraf vast te stellen:

8. Wordt de steun rechtstreeks aan het betrokken landbouwbedrijf betaald?

□ja□nee

9. Wordt de steun betaald aan een producentengroepering of -organisatie waarvan het landbouwbedrijf lid is?

□ja□nee

10. Als de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, wordt ervoor gezorgd dat het steunbedrag niet hoger is dan het steunbedrag waarvoor dat landbouwbedrijf in aanmerking komt?

□ja□nee

Op grond van punt 345 van de richtsnoeren mag, wanneer de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, het steunbedrag niet hoger zijn dan het steunbedrag waarvoor dat landbouwbedrijf in aanmerking komt.

11. Wordt de steunregeling ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, zich heeft voorgedaan?

□ja□nee

Vermeld de datum waarop de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, de schade heeft veroorzaakt:

Op grond van punt 346 van de richtsnoeren moet de steunregeling worden ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

12. Wat is de uiterste datum voor de uitbetaling van de steun?

Op grond van punt 346 van de richtsnoeren moet de steun worden betaald binnen vier jaar na de datum waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

13. Verstrek ondersteunende meteorologische gegevens in verband met de betrokken ongunstige weersomstandigheid:

14. Komen alleen de kosten van schade die een rechtstreeks gevolg is van de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, voor steun in aanmerking?

□ja□nee

15. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□vergoeding van materiële schade aan landbouwbedrijfsgebouwen, landbouwmaterieel en -machines, voorraden en productiemiddelen als gevolg van een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld;

(b) 

□vergoeding van het inkomensverlies als gevolg van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de landbouwproductie en de productiemiddelen, veroorzaakt door een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld.

16. Wordt de schade getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming?

□ja□nee

Geef aan welke entiteit de schade taxeert:

17. Geef een nauwkeurige raming van de door de potentiële begunstigden geleden schade:

18. Wordt de schade op het niveau van de individuele begunstigde berekend?

□ja□nee

19. Wordt de materiële schade aan activa als gevolg van een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld?

□ja□nee

20. Gelieve te bevestigen dat wanneer de steun wordt toegekend om materiële schade te vergoeden, het aldus berekende schadebedrag niet hoger zal zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde die voortvloeien uit de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld:

□ja□nee

Op grond van punt 350 van de richtsnoeren mag het berekende bedrag van de materiële schade niet groter zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde die voortvloeien uit de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de activa onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld.

21. Als het inkomensverlies van de begunstigde wordt berekend op het niveau van de gewassen of de veestapel, wordt bij de materiële schade alleen rekening gehouden met dat gewas of dat vee?

□ja□nee

22. Wordt het inkomensverlies berekend door:

(a) 

de hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in het jaar waarin de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, zich heeft voorgedaan, of die is geproduceerd in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs,

af te trekken van

(b) 

de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in de voorafgaande drie jaar of het gemiddelde van drie van de voorafgaande vijf jaren (de hoogste en de laagste productie niet meegerekend) vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs?

□ja□nee

23. Wordt het inkomensverlies verhoogd met andere kosten die de begunstigde heeft gemaakt wegens de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld?

□ja□nee

Zo ja, geef aan om welke andere kosten het gaat:

24. Gelieve te bevestigen dat het inkomensverlies zal worden verlaagd met de kosten die als gevolg van de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, niet zijn gemaakt en anders wel door de begunstigde zouden zijn gemaakt:

□ja□nee

25. Zullen voor de berekening van de jaarlijkse landbouwproductie van de begunstigde indexen worden gebruikt?

□ja□nee

26. Als het antwoord op vraag 25 „ja” is, zal de toegepaste berekeningsmethode het mogelijk maken het reële verlies van de begunstigde in een specifiek jaar te bepalen?

□ja□nee

27. Indien een andere methode voor de berekening van de schade wordt gebruikt, zal die methode representatief zijn, niet gebaseerd zijn op abnormaal hoge opbrengsten en niet leiden tot overcompensatie van de begunstigden?

□ja□nee

Wordt de meting van de omvang van de schade afgestemd op de specifieke kenmerken van elk afzonderlijk type product door gebruik te maken van:

(a) 

□biologische indexen (hoeveelheid verloren gegane biomassa) of equivalente oogstdalingsindexen, vastgesteld op het niveau van het landbouwbedrijf of op plaatselijk, regionaal of nationaal niveau, of

(b) 

□weerindexen (waaronder neerslaghoeveelheid en temperatuur) op lokaal, regionaal of nationaal niveau?

28. Is de begunstigde een kmo die is opgericht minder dan drie jaar vóór de datum van de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld?

□ja□nee

Zo ja, dan moet de verwijzing naar de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid in de perioden van drie of vijf jaar in punt 352, b), van de richtsnoeren worden begrepen als een verwijzing naar de omzet van of de hoeveelheid die wordt geproduceerd en verkocht door een gemiddelde onderneming van dezelfde omvang als de aanvrager, namelijk een micro-onderneming of een kleine respectievelijk middelgrote onderneming in de nationale of regionale sector die is getroffen door de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld.

29. Vermeld de steunintensiteit:

— 
..... % van de in aanmerking komende kosten;
Op grond van punt 357 van de richtsnoeren mogen de steun en eventuele andere betalingen ter compensatie van de schade, waaronder betalingen op grond van andere nationale of uniale maatregelen of in het kader van een verzekeringspolis voor de schade waarvoor de steun wordt verleend, niet meer bedragen dan 80 % van de in aanmerking komende kosten.
— 
..... % van de in aanmerking komende kosten in gebieden met natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen.
Op grond van punt 357 van de richtsnoeren kan de bovengenoemde steunintensiteit van 80 % worden verhoogd tot 90 % in gebieden met natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen.

30. Zal het steunbedrag met minstens 50 % worden verminderd indien de begunstigden geen verzekering hebben afgesloten of geen financiële bijdragen hebben betaald aan in de lidstaat geaccrediteerde onderlinge fondsen voor ten minste 50 % van hun gemiddelde jaarlijkse productie of van hun gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst in de betrokken lidstaat of regio voorkomen?

□ja□nee

Van die voorwaarde kan alleen worden afgeweken indien een lidstaat op overtuigende wijze kan aantonen dat ondanks alle redelijke inspanningen geen betaalbare verzekering ter dekking van de statistisch meest frequente klimaatrisico’s in de betrokken lidstaat of regio verkrijgbaar was toen de schade werd opgelopen.

Verstrek, indien dat het geval is, voldoende details waaruit blijkt dat die afwijking van toepassing kan zijn:

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.2.1.3.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE BESTRIJDING VAN DIERZIEKTEN, PLANTENPLAGEN EN INVASIEVE UITHEEMSE SOORTEN

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten, plantenplagen en plagen van invasieve uitheemse soorten en staatssteun voor het herstel van schade als gevolg van dierziekten, plantenplagen en invasieve uitheemse soorten, als beschreven in deel II, afdeling 1.2.1.3, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun alleen toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

Op grond van punt 360 van de richtsnoeren is afdeling 1.2.1.3, van de richtsnoeren alleen van toepassing op steun die wordt verleend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

2. Is de steunregeling opgezet als een ex-anteregeling?

□ja□nee

Zo ja, vermeld het soort dierziekten, plantenplagen en invasieve uitheemse soorten die onder de ex-anteregeling vallen:

3. Als het antwoord op de vorige vraag „ja” is, kan de lidstaat bevestigen dat aan de rapportageverplichting van punt 651 van de richtsnoeren zal worden voldaan?

□ja□nee

4. Gelieve te bevestigen dat de steun alleen zal worden betaald:

(a) 

□met betrekking tot een dierziekte, een plantenplaag of een plaag van een invasieve uitheemse soort waarvoor wettelijk, bestuursrechtelijk of administratief vastgestelde uniale of nationale voorschriften gelden;

(b) 

□die uniale of nationale voorschriften hebben betrekking op een van het volgende:

(i) 

□een uniaal, nationaal of regionaal openbaar programma ter preventie, bestrijding of uitroeiing van de betrokken dierziekte, plantenplaag of invasieve uitheemse soort,

(ii) 

□door de bevoegde openbare autoriteit opgelegde noodmaatregelen;

(iii) 

□overeenkomstig de artikelen 17 en 18, artikel 28, leden 1 en 2, artikel 29, leden 1 en 2, artikel 30, lid 1, en artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 ( 539 ) uitgevoerde maatregelen om een plantenplaag uit te roeien of in te dammen;

(iv) 

□overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1143/2014 ( 540 ) uitgevoerde maatregelen om een invasieve uitheemse soort uit te roeien of in te dammen.

Gelieve bij de aanmelding een beschrijving te voegen van de betrokken preventie-, bestrijdings- en uitroeiingsmaatregelen.

5. Heeft de lidstaat, met betrekking tot schade als gevolg van plantenplagen, artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2009/128/EG ( 541 ) en artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad ( 542 ) uitgevoerd?

□ja□nee

6. Heeft de steun betrekking op een maatregel waarvoor in de wetgeving van de Unie is bepaald dat de kosten daarvan ten laste van de begunstigde zijn?

□ja□nee

7. Indien het antwoord op de vorige vraag „ja” is, worden de kosten van die steunmaatregelen volledig gecompenseerd door de opbrengsten van aan de begunstigden opgelegde verplichte heffingen?

□ja□nee

Op grond van punt 363 van de richtsnoeren mag de steun geen betrekking hebben op maatregelen waarvoor in de wetgeving van de Unie is bepaald dat de kosten daarvan door de begunstigde moeten worden gedragen, tenzij deze maatregelen volledig worden bekostigd uit de opbrengsten van aan de begunstigden opgelegde verplichte heffingen.

8. Wordt de steun rechtstreeks aan de betrokken onderneming uitbetaald?

□ja□nee

9. Wordt de steun betaald aan een producentengroepering of -organisatie waarvan die onderneming lid is?

□ja□nee

10. Als de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, wordt ervoor gezorgd dat het steunbedrag niet hoger is dan het steunbedrag waarvoor dat landbouwbedrijf in aanmerking komt?

□ja□nee

Op grond van punt 364 van de richtsnoeren mag, wanneer de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, het steunbedrag niet hoger zijn dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt.

11. Gelieve te bevestigen dat geen individuele steun zal worden toegekend wanneer wordt geconstateerd dat de ziekte of de besmetting met de plantenplaag of de plaag van de invasieve uitheemse soort met opzet of door nalatigheid van de begunstigde werd veroorzaakt:

□ja□nee

12. Gaat het, wanneer de steun wordt verleend met betrekking tot een dierziekte, om een dierziekte die is opgenomen in de lijst van dierziekten in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 ( 543 ), in de lijst in bijlage III bij Verordening (EU) 2021/690 ( 544 ) of in de lijst van dierziekten in de Gezondheidscode voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid?

□ja□nee

Geef aan om welke dierziekte het gaat:

13. Wordt de steun verleend voor nieuwe ziekten?

□ja□nee

Zo ja, geef aan om welke nieuwe ziekte het gaat:

14. Als het antwoord op de vorige vraag „ja” is, kan die ziekte voldoen aan de in artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) 2016/429 vermelde criteria voor opname in de lijst van ziekten?

□ja□nee

Geef nadere toelichting:

15. Wanneer de steun wordt verleend voor nieuwe ziekten, is, naast de voorwaarde van vraag 14 van dit formulier, aan de volgende criteria van artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 voldaan?

(a) 

□de ziekte is het gevolg van de ontwikkeling of verandering van een bestaande ziekteverwekker;

(b) 

□de ziekte is een bekende ziekte die zich naar een nieuw geografisch gebied, nieuwe soorten of een nieuwe populatie verspreidt;

(c) 

□de ziekte wordt voor het eerst in de Unie gediagnosticeerd; of

(d) 

□de ziekte wordt veroorzaakt door een onbekende of voorheen onbekende ziekteverwekker.

16. Wordt de steunregeling ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de door de dierziekte, plantenplaag of invasieve uitheemse soort veroorzaakte kosten of verliezen zijn ontstaan?

□ja□nee

Vermeld de datum waarop de dierziekte, de plantenplaag of de plaag van de invasieve uitheemse soort die de schade heeft veroorzaakt, zich heeft voorgedaan:

Op grond van punt 368 van de richtsnoeren moet de steunregeling worden ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de door de dierziekte, plantenplaag of invasieve uitheemse soort veroorzaakte kosten of verliezen zijn ontstaan.

17. Wat is de uiterste datum voor de uitbetaling van de steun?

Op grond van punt 368 van de richtsnoeren moet de steun worden betaald binnen vier jaar na de datum waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

18. Wordt de steun verleend voor preventiemaatregelen als bedoeld in punt 370 van de richtsnoeren?

□ja□nee

Op grond van punt 368 van de richtsnoeren zijn de in de vragen 16 en 17 van dit formulier vermelde voorwaarden niet van toepassing op preventiemaatregelen als bedoeld in punt 370 van de richtsnoeren.

19. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□kosten van preventiemaatregelen:

(i) 

□biobeveiligingsmaatregelen, onder meer ter preventie van invasieve uitheemse soorten;

(ii) 

□gezondheidsonderzoeken;

(iii) 

□analyses, waaronder in-vitrodiagnostiek;

(iv) 

□tests en andere screeningmaatregelen;

(v) 

□de aankoop, opslag, verdeling en toediening van vaccins, geneesmiddelen, stoffen voor de behandeling van dieren, gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

(vi) 

□de preventieve slacht of ruiming van dieren of de vernietiging van dierlijke producten en planten;

(vii) 

□de reiniging, ontsmetting of desinfestatie van het bedrijf en de uitrusting, op basis van de epidemiologie en de kenmerken van de ziekteverwekker of de vector;

(b) 

□kosten van bestrijdings- en uitroeiingsmaatregelen:

(i) 

□in het geval van dierziekten, tests en andere screeningmaatregelen, waaronder TSE- en BSE-tests (TSE = overdraagbare spongiforme encefalopathie; BSE = boviene spongiforme encefalopathie);

(ii) 

□de aankoop, opslag, verdeling en toediening van vaccins, geneesmiddelen, stoffen voor de behandeling van dieren en gewasbeschermingsmiddelen;

(iii) 

□de slacht of ruiming en vernietiging van dieren en de vernietiging van met die dieren verband houdende producten of de vernietiging van planten, met inbegrip van die welke sterven of worden vernietigd als gevolg van vaccinaties of andere maatregelen die door de bevoegde autoriteit van de lidstaat zijn opgelegd, en de reiniging en ontsmetting of desinfestatie van het bedrijf en de uitrusting;

(iv) 

□de aankoop, opslag, verdeling en toediening van gewasbeschermingsmiddelen voor de bestrijding van invasieve uitheemse plantensoorten;

(v) 

□de aankoop, opslag, verdeling en inzet van vallen of andere uitrusting voor de bestrijding van invasieve uitheemse diersoorten;

(c) 

□steun voor het herstel van schade veroorzaakt door een dierziekte, plantenplaag of invasieve uitheemse soort;

(d) 

□andere kosten. Geef een nadere omschrijving: …

Op grond van punt 377 van de richtsnoeren kan de Commissie in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen instemmen met kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van andere dan de in afdeling 1.2.1.3. van de richtsnoeren bedoelde noodzakelijke maatregelen.

Indien de steun betrekking heeft op andere dan de in afdeling 1.2.1.3 van de richtsnoeren bedoelde kosten, leg uit waarom u van mening bent dat de situatie uitzonderlijk is en dat die kosten gerechtvaardigd zijn:

20. Geef aan in welke vorm steun wordt verleend voor preventie- en uitroeiingsmaatregelen:

(a) 

□gesubsidieerde diensten;

Gelieve te bevestigen dat die steun aan de aanbieder van de preventie-, bestrijdings- en uitroeiingsmaatregelen wordt betaald:

□ja□nee

(b) 

□rechtstreekse subsidie;

Op grond van punt 372 van de richtsnoeren kan de steun alleen als rechtstreekse subsidie worden verleend voor de in punt 370, e), en punt 371, b), van de richtsnoeren bedoelde in aanmerking komende kosten en de in punt 370, f), en punt 371, c), van de richtsnoeren bedoelde in aanmerking komende kosten in geval van plantenplagen en voor het reinigen en ontsmetten van het bedrijf en de uitrusting.

(c) 

□terugbetaling aan de begunstigde van de werkelijk gemaakte kosten na overlegging aan de steunverlenende autoriteit van een bewijs van de gemaakte kosten.

Op grond van punt 372 van de richtsnoeren kan steun met betrekking tot andere in de punten 370 en 371 van de richtsnoeren bedoelde kosten rechtstreeks aan een begunstigde worden betaald als vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten, maar slechts in naar behoren gemotiveerde gevallen en na overlegging aan de steunverlenende autoriteit van een bewijs van de gemaakte kosten.

Indien dit het geval is, geef een motivering:

21. Wordt, bij steun voor het herstel van schade als gevolg van een dierziekte, plantenplaag of invasieve uitheemse soort, de vergoeding berekend op basis van:

(a) 

de marktwaarde van de dieren die zijn geslacht of geruimd of zijn gestorven of van de met die dieren verband houdende producten of van de planten die zijn vernietigd:

(i) 

als gevolg van de dierziekte, de plantenplaag of de plaag van een invasieve uitheemse soort;

(ii) 

als onderdeel van een openbaar programma of een maatregel als bedoeld in punt 361, b), van de richtsnoeren?

□ja□nee

(b) 

het inkomensverlies als gevolg van quarantaineverplichtingen, moeilijkheden bij het herbevolken of heraanplanten en de verplichte vruchtwisseling die zijn opgelegd als onderdeel van een openbaar programma of een maatregel als bedoeld in punt 361, b), van de richtsnoeren?

□ja□nee

22. Wordt de in de vorige vraag bedoelde marktwaarde vastgesteld op basis van de waarde die de dieren, producten en planten hadden net voordat het vermoeden van de dierziekte of plantenplaag of van de plaag van een invasieve uitheemse soort ontstond of werd bevestigd?

□ja□nee

23. Gelieve te bevestigen dat het bedrag van de steun voor het herstel van schade veroorzaakt door een dierziekte, plantenplaag of invasieve uitheemse soort wordt verlaagd met:

(a) 

kosten die niet zijn gemaakt wegens de dierziekte, plantenplaag of invasieve uitheemse soort en anders voor rekening van de begunstigde zouden zijn;

(b) 

inkomsten uit de verkoop van producten die verband houden met de geslachte of geruimde dieren of met de planten die met het oog op preventie of uitroeiing op bevel van de bevoegde autoriteit van de lidstaat zijn vernietigd.

□ja□nee

24. Is het steunbedrag voor het herstel van schade als bedoeld in vraag 21 van dit formulier beperkt tot de kosten en de schade als gevolg van dierziekten, plantenplagen of plagen van invasieve uitheemse soorten ten aanzien waarvan de bevoegde autoriteit:

(a) 

□in het geval van een dierziekte, formeel heeft erkend dat zich een uitbraak heeft voorgedaan, of

(b) 

□in het geval van een plantenplaag of een invasieve uitheemse soort, formeel de aanwezigheid ervan heeft bevestigd?

25. Vermeld de steunintensiteit:

.… % van de in aanmerking komende kosten;

Op grond van punt 378 van de richtsnoeren mogen de steun en eventuele andere betalingen die de begunstigde voor dezelfde in aanmerking komende kosten ontvangt, waaronder betalingen op grond van andere nationale of uniale maatregelen of in het kader van een verzekeringspolis of onderlinge fondsen, niet meer bedragen dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.2.1.4.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR GESTORVEN DIEREN

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen voor gestorven dieren, als beschreven in deel II, afdeling 1.2.1.4, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun alleen toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

Op grond van punt 380 van de richtsnoeren is deel II, afdeling 1.2.1.4, van de richtsnoeren alleen van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

2. Wordt de steun enkel verleend wanneer er een consistent monitoringprogramma is dat garandeert dat in de lidstaat alle gestorven dieren op veilige wijze worden verwijderd?

□ja□nee

3. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□kosten van het afvoeren van gestorven dieren;

(b) 

□kosten van de vernietiging van gestorven dieren.

4. Vermeld de steunintensiteit:

— 
..... % van de kosten van het afvoeren van gestorven dieren;
— 
..... % van de kosten van de vernietiging van gestorven dieren;
— 
..... % van de kosten van het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren wanneer de steun wordt gefinancierd uit heffingen of verplichte bijdragen voor de financiering van het afvoeren en vernietigen van dergelijke gestorven dieren, mits die heffingen of bijdragen beperkt zijn tot de vleessector en rechtstreeks aan de vleessector worden opgelegd;
Gelieve te bevestigen dat deze heffingen of bijdragen beperkt zijn tot de vleessector en rechtstreeks aan de vleessector worden opgelegd:
□ja□nee
— 
□ 

….. % van de kosten van het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren wanneer op de gestorven dieren TSE-tests moeten worden uitgevoerd of in het geval van een uitbraak van een dierziekte die is opgenomen in de lijst van dierziekten als bedoeld in punt 366 van de richtsnoeren.

5. Wordt de steun verstrekt in de vorm van gesubsidieerde diensten?

□ja□nee

Op grond van punt 383 van de richtsnoeren moet de steun in de vorm van gesubsidieerde diensten worden verstrekt, behalve wanneer de veehouder die de begunstigde van de steun is, ook als dienstverlener optreedt.

6. Indien de steun in een andere vorm dan de gesubsidieerde dienst wordt verleend, treedt de veehouder die de begunstigde van de steun is, dan ook op als dienstverlener?

□ja□nee

Dit is de enige uitzondering op de voorwaarde dat de steun in de vorm van gesubsidieerde diensten moet worden verstrekt.

7. Wordt de steun betaald aan marktdeelnemers of instanties die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

(a) 

zij zijn actief in het stadium volgend op dat van de ondernemingen die in de veeteeltsector actief zijn, en

(b) 

zij verlenen diensten in verband met het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren.

□ja□nee

8. Wordt de steun toegekend voor de kosten van de verwijdering van slachthuisafval?

□ja□nee

Op grond van punt 385 van de richtsnoeren verleent de Commissie geen toestemming voor steun voor gestorven dieren die wordt toegekend aan marktdeelnemers die actief zijn in de verwerking of de afzet van landbouwproducten, en evenmin voor steun voor de kosten van de verwijdering van slachthuisafval.

9. Wordt de steun toegekend voor investeringen op het gebied van de verwijdering van slachthuisafval?

□ja□nee

Zo ja, dan wijzen wij erop dat op grond van punt 385 van de richtsnoeren staatssteun voor investeringen op het gebied van de verwijdering van slachthuisafval zal worden getoetst aan de toepasselijke regels voor investeringssteun. Gelieve dan ook het desbetreffende aanmeldingsformulier in te vullen.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.2.1.5.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN TER VERGOEDING VAN DOOR BESCHERMDE DIEREN AANGERICHTE SCHADE

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen ter vergoeding van door beschermde dieren aangerichte schade, als beschreven in deel II, afdeling 1.2.1.5, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun alleen toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

2. Heeft de begunstigde preventieve maatregelen genomen die in verhouding staan tot het risico op schade die de beschermde dieren in het betrokken gebied kunnen veroorzaken?

□ja□nee

Geef aan welke preventieve maatregelen zijn genomen (zoals het plaatsen, waar mogelijk, van veiligheidsomheiningen of het inzetten van waakhonden ter bescherming van het vee):

Op grond van punt 388 van de richtsnoeren wordt van de begunstigden een minimumbijdrage verlangd om het risico van concurrentieverstoringen te beperken en stimulansen te bieden voor een zo groot mogelijke beperking van het risico. Daarbij moet het gaan om preventieve maatregelen die in verhouding moeten staan tot het risico op schade die de beschermde dieren in het betrokken gebied kunnen veroorzaken. Dit punt is niet van toepassing op de eerste aanval van een beschermd dier in een bepaald gebied. Als preventieve maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk zijn, kan de steun slechts verenigbaar worden geacht indien de betrokken lidstaat aantoont dat het onmogelijk is dergelijke preventieve maatregelen te nemen.

Indien geen preventieve maatregelen zijn genomen, leg dan uit waarom dergelijke maatregelen niet kunnen worden genomen of bevestig dat de steun betrekking heeft op een eerste aanval:

3. Welke beschermd dier is de oorzaak van de schade waarvoor vergoeding wordt gevraagd?

4. Beschrijf de geleden schade:

5. Wordt de steun rechtstreeks aan het betrokken landbouwbedrijf betaald?

□ja□nee

6. Wordt de steun betaald aan een producentengroepering of -organisatie waarvan die onderneming lid is?

□ja□nee

7. Wanneer de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, geef aan of het steunbedrag niet hoger is dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt:

□ja□nee

8. Wordt de steunregeling ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de schade is aangericht?

□ja□nee

Geef aan wanneer de schade is aangericht: …

Op grond van punt 391 van de richtsnoeren moet de steunregeling worden ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de schade is aangericht.

9. Wat is de uiterste datum voor de uitbetaling van de steun?

Op grond van punt 391 van de richtsnoeren moet de steun worden betaald binnen vier jaar na de datum waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

10. Wordt de steun alleen toegekend voor de kosten die een rechtstreeks gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis zijn, zoals getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming?

□ja□nee

11. Toon een rechtstreeks oorzakelijk verband aan tussen de door een begunstigde van de steun geleden schade en het gedrag van de beschermde dieren.

12. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□schade in de vorm van gedode dieren of vernietigde gewassen;

(b) 

□indirecte kosten: veterinaire kosten van de behandeling van gewonde dieren en arbeidskosten in verband met het zoeken naar ontbrekende dieren; inkomensverlies als gevolg van een lagere productieopbrengst in verband met aanvallen door beschermde dieren;

(c) 

□materiële schade aan landbouwmaterieel, landbouwmachines, landbouwbedrijfsgebouwen en voorraden;

(d) 

□inkomensverlies.

Voor investeringen in het kader van maatregelen om door beschermde dieren aangerichte schade te voorkomen, kan steun worden verleend onder de voorwaarden van deel II, afdeling 1.1.1.1, van de richtsnoeren betreffende steun voor investeringen op landbouwbedrijven.

13. Indien de steun wordt verleend ter vergoeding van schade in de vorm van gedode dieren of vernietigde gewassen, als bedoeld in vraag 12, punt a), van dit formulier, worden de in aanmerking komende kosten berekend op basis van de marktwaarde van de gedode dieren of de vernietigde gewassen?

□ja□nee

14. Indien de steun wordt verleend ter vergoeding van indirecte kosten als bedoeld in vraag 12, punt b), van dit formulier, geef een uitputtende opsomming van alle indirecte kosten die kunnen worden vergoed:

15. Indien de steun wordt verleend ter vergoeding van materiële schade als bedoeld in vraag 12, punt c), van dit formulier, is de berekening van de materiële schade gebaseerd op de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de schadeveroorzakende gebeurtenis?

□ja□nee

16. Gelieve te bevestigen dat het schadebedrag niet groter is dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de activa onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de gebeurtenis:

□ja□nee

17. Wordt het inkomensverlies berekend hetzij op het niveau van de jaarlijkse landbouwproductie, hetzij op het niveau van de veestapel of de gewassen, door:

(a) 

de hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in het jaar waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs, af te trekken van:

(b) 

de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in de drie jaren voorafgaand aan de schadeveroorzakende gebeurtenis of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de schadeveroorzakende gebeurtenis, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs?

□ja□nee

18. Wordt de schade op het niveau van de individuele begunstigde berekend?

□ja□nee

19. Worden de kosten die als gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zijn gemaakt en anders wel door de begunstigde zouden zijn gemaakt, en de eventuele inkomsten uit de verkoop van producten die verband houden met de dieren die zijn gedood of de gewassen die zijn vernietigd door de beschermde dieren, in mindering gebracht op het steunbedrag?

□ja□nee

20. Vermeld de steunintensiteit:

— 
….. % van de in aanmerking komende kosten;
— 
….. % van de totale in aanmerking komende indirecte kosten.

21. Is de steun, met inbegrip van betalingen op grond van andere nationale of uniale maatregelen of in het kader van een verzekeringspolis voor de schade waarvoor de steun wordt verleend, beperkt tot 100 % van de in aanmerking komende kosten?

□ja□nee

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.2.1.6.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE BETALING VAN VERZEKERINGSPREMIES

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunregelingen ter vergoeding van verzekeringspremies, als beschreven in deel II, afdeling 1.2.1.6, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun alleen toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

Op grond van punt 403 van de richtsnoeren is afdeling 1.2.1.6 van de richtsnoeren alleen van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

2. Gelieve te bevestigen dat de maatregel de werking van de interne markt voor verzekeringsdiensten niet belemmert.

□ja□nee

Op grond van punt 404 van de richtsnoeren mag de steun de werking van de interne markt voor verzekeringsdiensten niet belemmeren.

3. Is de steun beperkt tot verzekeringen van een enkele verzekeringsmaatschappij of groep maatschappijen?

□ja□nee

Op grond van punt 404 van de richtsnoeren mag de steun niet worden beperkt tot verzekeringen van een enkele verzekeringsmaatschappij of groep verzekeringsmaatschappijen.

4. Wordt als voorwaarde voor de steun gesteld dat het verzekeringscontract moet zijn gesloten met een in de lidstaat gevestigde maatschappij?

□ja□nee

Op grond van punt 404 van de richtsnoeren mag niet als voorwaarde worden gesteld dat het verzekeringscontract wordt gesloten met een in de betrokken lidstaat gevestigde maatschappij.

5. Wordt de steun verleend voor herverzekeringen?

□ja□nee

Op grond van punt 405 van de richtsnoeren zal de Commissie herverzekeringsregelingen per geval onderzoeken.

Gelieve bijgevolg, als het antwoord op deze vraag „ja” is, alle gegevens mee te delen die nodig zijn opdat de Commissie de mogelijke steuncomponenten kan controleren op de verschillende betrokken niveaus (d.w.z. op het niveau van de verzekeraar en/of herverzekeraar) en kan nagaan of de geplande steun verenigbaar is met de interne markt. Verstrek met name voldoende informatie om de Commissie in staat te stellen te controleren of de steun uiteindelijk de landbouwer ten goede komt.

6. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□de kosten van een verzekeringspremie ter dekking van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten, plantenplagen en invasieve uitheemse soorten, het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren en schade die door beschermde dieren is veroorzaakt, als bedoeld in de afdelingen 1.2.1.1, 1.2.1.2, 1.2.1.3, 1.2.1.4 en 1.2.1.5 van de richtsnoeren, en van schade als gevolg van andere ongunstige weersomstandigheden;

Geef een nadere omschrijving van de door de verzekering gedekte risicogebeurtenis: …

(b) 

□de kosten van een verzekeringspremie ter dekking van verliezen als gevolg van milieuongevallen.

7. Worden met de verzekering waarvoor de steun wordt verleend, uitsluitend de kosten vergoed van het herstel van de schade die is aangericht door de in vraag 6 bedoelde gebeurtenissen?

□ja□nee

Op grond van punt 407 van de richtsnoeren mag de verzekering alleen de kosten vergoeden van het herstel van de in punt 406 van de richtsnoeren bedoelde schade.

8. Zijn in de verzekering voorwaarden of bepalingen vastgesteld wat betreft het type of de omvang van de toekomstige productie?

□ja□nee

Op grond van punt 407 van de richtsnoeren mag de verzekering geen voorwaarden of bepalingen omvatten wat betreft het type of de omvang van de toekomstige productie.

9. Als de steun wordt verleend voor premies voor verzekeringen waarmee verliezen als gevolg van milieuongevallen worden gedekt, is het milieuongeval formeel als zodanig erkend door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat?

□ja□nee

10. Als de steun wordt verleend voor premies voor verzekeringen waarmee verliezen als gevolg van milieuongevallen worden gedekt, heeft de lidstaat vooraf criteria vastgesteld op basis waarvan de in vraag 9 van dit formulier bedoelde formele erkenning wordt geacht te zijn verleend?

□ja□nee

11. Worden voor de berekening van de jaarlijkse landbouwproductie van de begunstigde en van de omvang van het verlies indexen gebruikt als bedoeld in de punten 337 en 338 van de richtsnoeren?

□ja□nee

12. Vermeld de steunintensiteit:

— 
….. % van de kosten van de verzekeringspremie;
— 
….. % van de kosten van de verzekeringspremie ter dekking van het afvoeren van gestorven dieren;
— 
….. % van de kosten van de verzekeringspremie ter dekking van het vernietigen van dergelijke gestorven dieren.

Op grond van punt 411 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 70 % van de kosten van de verzekeringspremie. Met betrekking tot de steun voor het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren mag de steunintensiteit niet meer bedragen dan 100 % van de kosten van de verzekeringspremie voor wat betreft verzekeringspremies voor het afvoeren van gestorven dieren en niet meer dan 75 % van de kosten van de verzekeringspremie voor wat betreft verzekeringspremies voor het vernietigen van dergelijke gestorven dieren.

13. Zal het bedrag van de verzekeringspremie dat voor steun in aanmerking komt, worden beperkt door de toepassing van een plafond?

□ja□nee

Zo ja, vermeld het plafond:

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.2.1.7.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR FINANCIËLE BIJDRAGEN AAN ONDERLINGE FONDSEN

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunregelingen ter vergoeding van financiële bijdragen aan onderlinge fondsen, als beschreven in deel II, afdeling 1.2.1.7, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun alleen toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

Op grond van punt 414 van de richtsnoeren is afdeling 1.2.1.7 van de richtsnoeren alleen van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

2. Is het onderling fonds door de bevoegde autoriteit geaccrediteerd overeenkomstig de nationale wetgeving?

□ja□nee

3. Voert het onderling fonds een transparant beleid ten aanzien van de betalingen aan en de afboekingen van het fonds?

□ja□nee

4. Beschikt het onderling fonds over duidelijke voorschriften inzake de toewijzing van verantwoordelijkheid voor schulden?

□ja□nee

Op grond van punt 415 van de richtsnoeren zijn de in de vragen 2, 3 en 4 vermelde voorwaarden cumulatief.

5. Zijn er voorschriften vastgesteld voor de oprichting en het beheer van het onderling fonds, met name met betrekking tot de verlening van compensatiebetalingen en met betrekking tot het beheer en de monitoring van de naleving van die voorschriften?

□ja□nee

6. Voorzien de regelingen van het onderling fonds in sancties in geval van nalatigheid van de begunstigde?

□ja□nee

7. Vermeld de in aanmerking komende kosten:

(a) 

□kosten van de financiële bijdragen aan onderlinge fondsen waarmee landbouwers worden vergoed voor schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten, plantenplagen en invasieve uitheemse soorten, het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren en schade die door beschermde dieren is aangericht, als bedoeld in de afdelingen 1.2.1.1, 1.2.1.2, 1.2.1.3, 1.2.1.4 en 1.2.1.5 van de richtsnoeren, en als gevolg van andere ongunstige weersomstandigheden;

Geef aan welke risicogebeurtenis wordt gedekt door de financiële bijdrage aan het onderling fonds:

(b) 

□kosten van de financiële bijdragen aan onderlinge fondsen waarmee landbouwers worden vergoed voor schade door milieuongevallen.

8. Hebben de financiële bijdragen enkel betrekking op de bedragen die het onderling fonds als financiële vergoeding betaalt aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

9. Als de steun wordt verleend voor financiële bijdragen aan onderlinge fondsen waarmee schade als gevolg van een milieuongeval wordt gedekt, heeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat officieel erkend dat het om een milieuongeval ging?

□ja□nee

Op grond van punt 418 van de richtsnoeren moet een milieuongeval formeel als zodanig worden erkend door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat.

10. Wanneer de steun wordt toegekend voor financiële bijdragen aan onderlinge fondsen ter vergoeding van door milieuongevallen veroorzaakte schade, heeft de lidstaat vooraf criteria vastgesteld op basis waarvan de bedoelde formele erkenning wordt geacht te zijn verleend?

□ja□nee

11. Zijn indexen als bedoeld in de punten (337) en (338) van de richtsnoeren gebruikt voor de berekening van de jaarlijkse landbouwproductie van de begunstigde en van de omvang van het verlies?

□ja□nee

12. Vermeld de steunintensiteit:

….. % van de in aanmerking komende kosten;

Op grond van punt 421 van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 70 % van de in aanmerking komende kosten.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.3.1.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE SLUITING VAN PRODUCTIECAPACITEIT

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteun voor de sluiting van productiecapaciteit, als beschreven in deel II, afdeling 1.3.1, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. SLUITING VAN CAPACITEIT OM DIER-, PLANT- OF VOLKSGEZONDHEIDSREDENEN, SANITAIRE, ETHISCHE, MILIEU- OF KLIMAATREDENEN (Deel II, afdeling 1.3.1.1 van de richtsnoeren)

1.1. Waarom wordt de productiecapaciteit gesloten?

(a) 

□diergezondheidsredenen;

(b) 

□plantgezondheidsredenen;

(c) 

□volksgezondheidsredenen;

(d) 

□sanitaire redenen;

(e) 

□ethische redenen;

(f) 

□milieu- of klimaatredenen.

Geef een nadere beschrijving van de reden(en):

1.2. Is de maatregel bedoeld als steunregeling of als individuele steun?

(a) 

□steunregeling;

(b) 

□individuele steun.

Als het bij de maatregel om een steunregeling gaat, bevestig dan dat de steun toegankelijk zal zijn voor alle in aanmerking komende ondernemingen:

□ja□nee

1.3. Wordt de steun verleend voor:

(a) 

□de volledige sluiting van de capaciteit;

(b) 

□een gedeeltelijke sluiting van de capaciteit.

Geef een motivering indien de steun wordt verleend voor een gedeeltelijke sluiting van de capaciteit:

1.4. Levert de begunstigde een minimumbijdrage in de vorm van een definitieve en onherroepelijke toezegging dat de betrokken productiecapaciteit wordt gesloopt of onherroepelijk gesloten?

□ja□nee

Op grond van punt 425 van de richtsnoeren moet de begunstigde een minimumbijdrage leveren in de vorm van een definitief en onherroepelijk besluit om de betrokken productiecapaciteit te slopen of onherroepelijk te sluiten. Van de begunstigde moet een wettelijk bindende toezegging worden verkregen dat de sluiting van de betrokken productiecapaciteit definitief en onomkeerbaar is en dat de begunstigde dezelfde activiteit niet opnieuw zal beginnen op een andere plaats. Deze toezeggingen moeten ook bindend zijn voor een toekomstige koper van de betrokken grond of voorziening.

1.5. Wordt de steun uitsluitend verleend voor ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd en voor productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt?

□ja□nee

Op grond van punt 426 van de richtsnoeren komen uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, in aanmerking voor steun. In gevallen waarin de productiecapaciteit al definitief is gesloten of waarin een dergelijke sluiting onvermijdelijk lijkt, is er geen sprake van een (toereikende) minimumbijdrage van de begunstigde en mag geen steun worden verleend.

1.6. Is de steun beperkt tot ondernemingen die aan de normen van de Unie voldoen?

□ja□nee

Op grond van punt 428 van de richtsnoeren komen alleen ondernemingen die aan de normen van de Unie voldoen, voor steun in aanmerking. Ondernemingen die niet aan de normen van de Unie voldoen en hun productie hoe dan ook moeten stopzetten, zijn uitgesloten.

1.7. Wordt de uit productie genomen cultuurgrond binnen twee jaar bebost of in natuurgebied omgezet?

□ja□nee

Op grond van punt 429 van de richtsnoeren moeten, om erosie en andere nadelige milieueffecten te voorkomen, uit productie genomen cultuurgronden in beginsel binnen twee jaar worden bebost of in natuurgebied worden omgezet, en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen. Om negatieve klimaateffecten te voorkomen, mag landbouwgrond die is omgevormd tot water- of veengebied, niet op ongeschikte wijze worden bebost.

1.8. Wordt, wanneer de cultuurgrond twintig jaar na de daadwerkelijke capaciteitssluiting opnieuw mag worden gebruikt, die grond tot dan in een goede landbouw- en milieuconditie gehouden overeenkomstig de GLMC-normen krachtens titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115 ( 545 ) en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen, en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen?

□ja□nee

1.9. Gelieve te bevestigen dat wanneer de sluiting van installaties onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2010/75/EU ( 546 ) valt, die sluiting zal plaatsvinden overeenkomstig de artikelen 11 en 22 van die richtlijn:

□ja□nee

1.10. Vermeld de in aanmerking komende kosten:

(a) 

□het waardeverlies van de activa, berekend op basis van de actuele verkoopwaarde van de activa;

(b) 

□een financiële stimulans van ten hoogste 20 % van de waarde van de activa bij sluiting van capaciteit om milieu- of klimaatredenen;

(c) 

□kosten die verbonden zijn aan de vernietiging van de productiecapaciteit;

(d) 

□verplichte sociale kosten die voortvloeien uit de uitvoering van het besluit tot sluiting.

De steun voor bebossing en de omzetting van grond in natuurgebieden moet worden toegekend overeenkomstig de voorschriften van deel II, afdelingen 2.1.1 en 2.1.2, van de richtsnoeren en de voorschriften inzake steun voor niet-productieve investeringen van deel II, afdeling 1.1.1.1, van de richtsnoeren.

1.11. Vermeld de steunintensiteit:

(a) 

….. % voor de vergoeding van het waardeverlies van de activa, voor de vergoeding van de kosten van de vernietiging van de productiecapaciteit en voor de compensatie van de verplichte sociale kosten die voortvloeien uit het besluit tot sluiting.

(b) 

….. % voor de vergoeding van verlies aan waarde van activa wanneer de sluiting om milieu- of klimaatredenen plaatsvindt.

2. SLUITING VAN CAPACITEIT OM ANDERE REDENEN (DEEL II, AFDELING 1.3.1.2 VAN DE RICHTSNOEREN)

2.1. Vermeld de reden voor de sluiting van de productiecapaciteit:

(a) 

□herstructurering van een sector;

(b) 

□diversificatie;

(c) 

□vervroegde uittreding.

2.2. Is de maatregel bedoeld als steunregeling of als individuele steun?

(a) 

□steunregeling;

(b) 

□individuele steun.

Als het bij de maatregel om een steunregeling gaat, bevestig dan dat de steun voor alle marktdeelnemers in de betrokken sector onder dezelfde voorwaarden toegankelijk zal zijn:

□ja□nee

2.3. Wordt de steun verleend voor:

(a) 

□de volledige sluiting van de capaciteit;

(b) 

□een gedeeltelijke sluiting van de capaciteit.

Geef een motivering indien de steun wordt verleend voor een gedeeltelijke sluiting van de capaciteit:

2.4. Levert de begunstigde een minimumbijdrage in de vorm van een definitieve en onherroepelijke toezegging dat de betrokken productiecapaciteit wordt gesloopt of onherroepelijk gesloten?

□ja□nee

Op grond van punt 425 van de richtsnoeren moet de begunstigde een minimumbijdrage leveren in de vorm van een definitief en onherroepelijk besluit om de betrokken productiecapaciteit te slopen of onherroepelijk te sluiten. Van de begunstigde moet een wettelijk bindende toezegging worden verkregen dat de sluiting van de betrokken productiecapaciteit definitief en onomkeerbaar is en dat de begunstigde dezelfde activiteit niet opnieuw zal beginnen op een andere plaats. Deze toezeggingen moeten ook bindend zijn voor een toekomstige koper van de betrokken grond of voorziening.

2.5. Wordt de steun uitsluitend verleend voor ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd en voor productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt?

□ja□nee

Op grond van punt 426 van de richtsnoeren komen uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, in aanmerking voor steun. In gevallen waarin de productiecapaciteit al definitief is gesloten of waarin een dergelijke sluiting onvermijdelijk lijkt, is er geen sprake van een (toereikende) minimumbijdrage van de begunstigde en mag geen steun worden verleend.

2.6. Is de steun beperkt tot ondernemingen die aan de normen van de Unie voldoen?

□ja□nee

Op grond van punt 428 van de richtsnoeren komen alleen ondernemingen die aan de normen van de Unie voldoen, voor steun in aanmerking. Ondernemingen die niet aan de normen van de Unie voldoen en hun productie hoe dan ook moeten stopzetten, zijn uitgesloten.

2.7. Wordt de uit productie genomen cultuurgrond binnen twee jaar bebost of in natuurgebied omgezet?

□ja□nee

Op grond van punt 429 van de richtsnoeren moeten, om erosie en andere nadelige milieueffecten te voorkomen, uit productie genomen cultuurgronden in beginsel binnen twee jaar worden bebost of in natuurgebied worden omgezet, en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen. Om negatieve klimaateffecten te voorkomen, mag landbouwgrond die is omgevormd tot water- of veengebied, niet op ongeschikte wijze worden bebost.

2.8. Wordt, wanneer de cultuurgrond twintig jaar na de daadwerkelijke capaciteitssluiting opnieuw mag worden gebruikt, die grond tot dan in een goede landbouw- en milieuconditie gehouden overeenkomstig de GLMC-normen krachtens titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen, en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen?

□ja□nee

2.9. Gelieve te bevestigen dat wanneer de sluiting van installaties onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2010/75/EU valt, die sluiting zal plaatsvinden overeenkomstig de artikelen 11 en 22 van die richtlijn:

□ja□nee

2.10. Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt verleend die de mechanismen van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten zou verstoren:

□ja□nee

2.11. Wordt de steun verleend voor een sector waarvoor productiebeperkingen of quota gelden?

□ja□nee

Zo ja, dan worden de steunregelingen voor sectoren waarvoor productiebeperkingen of quota gelden, op grond van punt 440 van de richtsnoeren per geval beoordeeld.

2.12. Maakt de steun deel uit van een programma voor de herstructurering van de sector(en), diversificatie of vervroegde uittreding dat welomschreven doelstellingen en een concreet tijdschema bevat:

□ja□nee

Geef een beschrijving van het programma:

2.13. Is de looptijd van de geplande steunregeling beperkt tot maximaal zes maanden voor het verzamelen van de deelnemingsaanvragen en tot nog eens twaalf maanden voor de daadwerkelijke sluiting?

□ja□nee

Als de looptijd langer is, geef een motivering:

Op grond van punt 442 van de richtsnoeren aanvaardt de Commissie, met het oog op een snel markteffect, geen steunregelingen met een looptijd van meer dan drie jaar, aangezien uit de ervaring blijkt dat dergelijke regelingen tot uitstel van de nodige veranderingen kunnen leiden.

2.14. Maakt de lidstaat gebruik van een transparant en open systeem van oproepen tot het geven van blijken van belangstelling waarmee alle potentieel belangstellende ondernemingen publiekelijk worden uitgenodigd aan de regeling deel te nemen?

□ja□nee

Op grond van punt 443 van de richtsnoeren moet de lidstaat, met het oog op een maximale impact, gebruikmaken van een transparant en open systeem van oproepen tot het geven van blijken van belangstelling waarmee alle potentieel belangstellende ondernemingen publiekelijk worden uitgenodigd aan de regeling deel te nemen.

2.15. Is de steunregeling zo georganiseerd dat de betrokken ondernemingen niet worden gedwongen of aangezet tot mededingingsbeperkende overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen?

□ja□nee

2.16. Vermeld de steunintensiteit:

….. % voor de vergoeding van het waardeverlies van de activa, voor de vergoeding van de kosten van de vernietiging van de productiecapaciteit en voor de compensatie van de verplichte sociale kosten die voortvloeien uit het besluit tot sluiting.

Op grond van punt 436, a), tot en met punt 444 van de richtsnoeren mag steun worden verleend tot 100 % voor de vergoeding van het waardeverlies van de activa, voor de vergoeding van de kosten van de vernietiging van de productiecapaciteit en voor de compensatie van de verplichte sociale kosten die voortvloeien uit het besluit tot sluiting.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdelingen van de richtsnoeren.

1.3.2.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE VERPLAATSING VAN LANDBOUWACTIVITEITEN

Dit informatieformulier heeft betrekking op staatssteun voor de verplaatsing van landbouwactiviteiten, als beschreven in deel II, afdeling 1.3.2, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

Op grond van punt 446 van de richtsnoeren is afdeling 1.3.2 van de richtsnoeren van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

2. Worden de landbouwactiviteiten verplaatst om redenen van algemeen belang?

□ja□nee

Geef aan welk algemeen belang met de steunmaatregel wordt nagestreefd:

Op grond van punt 447 van de richtsnoeren moet het algemeen belang dat wordt aangevoerd om de steunverlening in het kader van deze afdeling te rechtvaardigen, nader worden omschreven in de desbetreffende bepalingen van de betrokken lidstaat.

3. Verbindt de begunstigde zich ertoe om de verlaten locatie terug te brengen naar een uit milieuoogpunt bevredigende toestand, met inbegrip van de ontmanteling en vernietiging van de installaties op de verlaten locatie?

□ja□nee

Op grond van punt 447 van de richtsnoeren moet de begunstigde een minimumbijdrage leveren in de vorm van een verbintenis om de verlaten locatie terug te brengen naar een uit milieuoogpunt bevredigende toestand, met inbegrip van de ontmanteling en vernietiging van de installaties op de verlaten locatie.

4. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□kosten van het demonteren, verhuizen en weer opbouwen, dan wel het overnemen van andere bestaande voorzieningen;

(b) 

□kosten van het terugbrengen van de verlaten locatie naar een uit milieuoogpunt bevredigende toestand;

(c) 

□kosten van investeringen in de modernisering van de voorzieningen en in een verhoging van de productiecapaciteit;

(d) 

□kosten van de verplaatsing van activiteiten die dicht bij rurale woongebieden plaatsvinden, met als doel de levenskwaliteit of de milieuprestatie van die woongebieden te verbeteren, en waarbij die verplaatsing betrekking heeft op kleinschalige infrastructuur.

5. Vermeld de maximale steunintensiteit:

— 
….. % van de gemaakte reële kosten van het demonteren, verhuizen en weer opbouwen, dan wel het overnemen van andere bestaande voorzieningen en van de kosten van het terugbrengen van de verlaten locatie naar een uit milieuoogpunt bevredigende toestand.
Op grond van punt 449, punt a), van de richtsnoeren mag, als de verplaatsing van de landbouwactiviteiten bestaat uit het demonteren, verhuizen en weer opbouwen, dan wel het overnemen van andere bestaande voorzieningen, en uit het terugbrengen van de verlaten locatie naar een uit milieuoogpunt bevredigende toestand, de steunintensiteit tot 100 % van de gemaakte reële kosten bedragen;
— 
….. % van de investeringskosten in verband met de modernisering van de voorzieningen of de verhoging van de productiecapaciteit.
Op grond van punt 449, punt b), van de richtsnoeren gelden, als de verplaatsing leidt tot een modernisering van de voorzieningen of een verhoging van de productiecapaciteit, voor de kosten van de modernisering van de voorzieningen of de verhoging van de productiecapaciteit de steunintensiteiten voor investeringen als bedoeld in de punten 159, 160, 161 en 162 van de richtsnoeren;
— 
….. % van de kosten als het gaat om de verplaatsing van activiteiten die dicht bij rurale woongebieden plaatsvinden, met als doel de levenskwaliteit of de milieuprestatie van deze rurale woongebieden te verbeteren, en die verplaatsing betrekking heeft op kleinschalige infrastructuur.
Op grond van punt 449, punt c), van de richtsnoeren mag, als het bij de verplaatsing gaat om activiteiten die dicht bij rurale woongebieden plaatsvinden, met als doel de levenskwaliteit of de milieuprestatie van die woongebieden te verbeteren, en die verplaatsing betrekking heeft op kleinschalige infrastructuur, de steunintensiteit tot 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.3.3.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE VEETEELTSECTOR

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen voor de veeteeltsector, als beschreven in deel II, afdeling 1.3.3, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun uitsluitend toegekend aan kmo’s die actief zijn in de primaire landbouwproductie?

□ja□nee

Op grond van de punten (22) en (451) van de richtsnoeren staat de Commissie niet toe dat staatssteun voor onder deel II, afdeling1.3.3, van de richtsnoeren vallende kosten aan grote ondernemingen wordt verleend.

2. Wordt de steun verleend in de vorm van een gesubsidieerde dienst?

□ja□nee

Op grond van punt 452 van de richtsnoeren moet de steun in de vorm van gesubsidieerde diensten worden verleend en mag hij niet de vorm aannemen van rechtstreekse betalingen aan de begunstigden.

3. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□de administratieve kosten van het opstellen en bijhouden van stamboeken:

□ 

de kosten van het verzamelen en beheren van gegevens over de dieren, bijvoorbeeld de herkomst van een dier, zijn geboortedatum en inseminatiedatum en de datum en oorzaak van zijn dood, en de kosten van het beoordelen, bijwerken en verwerken van de voor het opstellen en bijhouden van stamboeken vereiste gegevens door een deskundige;

□ 

de kosten van administratieve werkzaamheden met betrekking tot het registreren van de desbetreffende gegevens over de dieren in de stamboeken;

□ 

de kosten van het bijwerken van software voor het beheer van de gegevens in de stamboeken;

□ 

de kosten van de onlinebekendmaking van informatie over stamboeken en van stamboekgegevens;

□ 

andere daarmee verband houdende administratieve kosten;

(b) 

□de kosten van door of in opdracht van derden uitgevoerde tests om de genetische kwaliteit of het genetische rendement van dieren te bepalen:

□ 

de kosten van tests of controles;

□ 

daarmee verband houdende kosten van het verzamelen en beoordelen van de uit die tests en controles verkregen gegevens met het oog op de verbetering van de diergezondheid en van de milieubescherming;

□ 

daarmee verband houdende kosten van het verzamelen en beoordelen van de uit die tests en controles verkregen gegevens met het oog op de beoordeling van de genetische kwaliteit van de dieren voor de toepassing van geavanceerde foktechnieken en voor het behoud van de genetische diversiteit;

□ 

administratieve kosten in verband met de drie in dit punt genoemde categorieën kosten.

Op grond van punt 453 van de richtsnoeren zijn de kosten van controles die door de eigenaar van de dieren worden verricht en routinematige controles van de kwaliteit van melk uitgesloten van de steun.

4. Vermeld de maximale steunintensiteit:

□ 

….. % van de financiering van de administratieve kosten van het opstellen en bijhouden van stamboeken als bedoeld in vraag 3, punt a), van dit formulier;

□ 

….. % van de kosten van door of in opdracht van derden uitgevoerde tests om de genetische kwaliteit of het genetische rendement van dieren te bepalen, als bedoeld in vraag 3, punt b), van dit formulier.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.3.4.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR AFZETBEVORDERINGSMAATREGELEN VOOR LANDBOUWPRODUCTEN

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteun voor afzetbevorderingsmaatregelen voor landbouwproducten, als beschreven in deel II, afdeling 1.3.4, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Geef aan of de steun wordt toegekend voor:

(a) 

□landbouwproducten;

(b) 

□op landbouwproducten gebaseerde levensmiddelen als vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1144/2014 ( 547 ).

Gelieve, als de steun wordt toegekend voor de afzetbevordering van op landbouwproducten gebaseerde levensmiddelen als vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1144/2014, die levensmiddelen te vermelden:

2. Is de afzetbevorderingsactiviteit bedoeld om:

(a) 

□het publiek over de kenmerken van de landbouwproducten te informeren, bijvoorbeeld door de organisatie van wedstrijden, de deelname aan handelsbeurzen en pr-activiteiten, de vulgarisatie van wetenschappelijke kennis of de verspreiding van publicaties met feitelijke informatie; of

(b) 

□marktdeelnemers of consumenten via afzetbevorderingscampagnes ertoe aan te zetten het betrokken landbouwproduct te kopen?

3. Waar wordt de afzetbevorderingsactiviteit uitgevoerd?

(a) 

□op de interne markt;

(b) 

□in derde landen.

4. Wordt de steun voor de organisatie van wedstrijden, handelsbeurzen of tentoonstellingen alleen aan kmo’s verleend?

□ja□nee

5. Geef aan of de steun wordt toegekend voor afzetbevordering die:

(a) 

□specifiek betrekking heeft op producten die onder kwaliteitsregelingen vallen; of

(b) 

□generiek van aard is en ten goede komt aan alle producenten van het betrokken soort product.

6. Voldoet de afzetbevorderingscampagne aan Verordening (EU) nr. 1169/2011 ( 548 ) en, indien van toepassing, aan de specifieke etiketteringsvoorschriften voor de verschillende producten?

□ja□nee

Geef een nadere omschrijving van de toepasselijke etiketteringsvoorschriften:

7. Zijn bij de kennisgeving voorbeelden of modellen van het promotiemateriaal gevoegd?

□ja□nee

8. Indien dergelijk promotiemateriaal nog niet beschikbaar is, verbindt de lidstaat zich ertoe dat materiaal later en in elk geval vóór de start van de afzetbevorderingscampagne te verstrekken?

□ja□nee

9. Als de afzetbevorderingsactiviteit door een producentengroepering of -organisatie wordt uitgevoerd, wordt lidmaatschap van die groepering of organisatie als deelnemingsvoorwaarde gesteld?

□ja□nee

Op grond van punt 464 van de richtsnoeren mogen de afzetbevorderingsmaatregelen worden uitgevoerd door producentengroeperingen of andere organisaties, ongeacht hun omvang. Als de afzetbevorderingsmaatregel door producentengroeperingen of andere organisaties wordt uitgevoerd, mag lidmaatschap van die groeperingen of organisaties geen voorwaarde voor deelneming zijn.

10. Als het antwoord op de vorige vraag „ja” is, is een bijdrage in de administratiekosten voor de groepering of organisatie beperkt tot de kosten van de uitvoering van de afzetbevorderingsmaatregel?

□ja□nee

11. Bedraagt het jaarbudget voor de gesteunde afzetbevorderingscampagne meer dan vijf miljoen EUR?

□ja□nee

Zo ja, dan wijzen wij erop dat op grond van punt 463 van de richtsnoeren afzetbevorderingscampagnes waarmee de in punt 35, b), van de richtsnoeren bedoelde aanmeldingsdrempel van vijf miljoen EUR wordt overschreden, individueel moeten worden aangemeld.

12. Geef aan in welke vorm de steun wordt verleend:

(a) 

□gesubsidieerde diensten;

(b) 

□als vergoeding van de kosten die de begunstigde werkelijk heeft gemaakt;

(c) 

□in cash, wanneer steun wordt verleend voor een symbolische prijs.

Op grond van punt 466 van de richtsnoeren mag steun voor afzetbevorderingscampagnes alleen worden verleend in de vorm van gesubsidieerde diensten.

13. Wanneer de steun voor symbolische prijzen aan de aanbieder van de afzetbevorderingsmaatregel wordt betaald, wordt die steun alleen betaald als de prijs daadwerkelijk is uitgereikt en na voorlegging van een bewijs van die uitreiking?

□ja□nee

14. Is de afzetbevorderingscampagne uitsluitend bestemd voor kwaliteitsproducten die vallen onder een kwaliteitsregeling als bedoeld in punt 274 van de richtsnoeren?

□ja□nee

15. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□kosten in verband met de organisatie van en de deelname aan wedstrijden, handelsbeurzen en tentoonstellingen:

□ 

deelnamekosten;

□ 

reiskosten en kosten van het vervoer van producten in verband met de deelname aan wedstrijden, handelsbeurzen en tentoonstellingen;

□ 

kosten van publicaties en websites die het evenement aankondigen;

□ 

de huur van ruimten en stands en de kosten van het opzetten en afbreken daarvan;

□ 

symbolische prijzen tot een waarde van 3 000  EUR per prijs en per winnaar van een wedstrijd;

(b) 

□de kosten van publicaties in de gedrukte en elektronische media, websites en spots in de elektronische media, op radio of televisie, waarmee feitelijke informatie wordt verstrekt over producenten die uit een bepaald gebied afkomstig zijn of een bepaald product produceren;

Gelieve te bevestigen dat deze informatie neutraal is en dat alle producenten gelijke kansen hebben om in de publicatie aan bod te komen:

□ja□nee

(c) 

□de kosten van de verspreiding van wetenschappelijke kennis en feitelijke informatie over:

□ 

kwaliteitsregelingen als bedoeld in punt 274 van de richtsnoeren die open staan voor landbouwproducten uit andere lidstaten en derde landen;

□ 

generieke landbouwproducten en hun voedingswaarde en tips voor het gebruik ervan;

(d) 

□de kosten van consumentgerichte afzetbevorderingscampagnes in de media of op detailhandelsverkooppunten en de kosten van alle afzetbevorderingsmateriaal dat rechtstreeks aan de consument wordt verstrekt.

16. Is de steun voor de kosten in verband met de organisatie van en de deelname aan wedstrijden, handelsbeurzen en tentoonstellingen, als bedoeld in vraag 15, punt a), van dit formulier, onder objectief vastgestelde voorwaarden toegankelijk voor al wie daarvoor in het betrokken gebied in aanmerking komt?

□ja□nee

Verwijzing naar een specifieke onderneming, een handelsmerk of een oorsprong

17. Gelieve te bevestigen dat in het kader van de in punt 468, c), van de richtsnoeren bedoelde afzetbevorderingsactiviteiten en de in punt 468, d), van de richtsnoeren bedoelde afzetbevorderingscampagnes, met name de activiteiten en campagnes die generiek van aard zijn en ten goede komen aan alle producenten van het betrokken soort product als bedoeld in punt 468, b), van de richtsnoeren, niet wordt verwezen naar een specifieke onderneming, merknaam of oorsprong:

□ja□nee

18. Gelieve te bevestigen dat wanneer de steun wordt toegekend voor de in punt 468, d), van de richtsnoeren bedoelde consumentgerichte afzetbevorderingscampagnes in de media of op detailhandelsverkooppunten, die afzetbevorderingscampagnes niet uitsluitend gericht zijn op producten van een of meer specifieke bedrijven:

□ja□nee

19. Indien, in afwijking van de in de vragen 17 en 18 van dit formulier vastgestelde beperkingen, de steun wordt verleend voor afzetbevorderingsactiviteiten en -campagnes die een verwijzing naar de oorsprong bevatten, vermeld dan de reden:

(a) 

□de steun wordt verleend voor in punt 468, c), respectievelijk punt 468, d), van de richtsnoeren bedoelde afzetbevorderingsactiviteiten en afzetbevorderingscampagnes die specifiek betrekking hebben op producten die onder een in punt 274 van de richtsnoeren bedoelde kwaliteitsregeling vallen en aan de volgende voorwaarden voldoen:

(i) 

□de afzetbevorderingsactiviteit of -campagne heeft specifiek betrekking op door de Unie erkende namen als bedoeld in titel II van Verordening (EU) nr. 1151/2012 ( 549 ). In dat geval moet de verwijzing naar de oorsprong van de producten in de afzetbevorderingsactiviteit of -campagne exact overeenstemmen met die welke door de Unie is geregistreerd;

(ii) 

□de afzetbevorderingsactiviteit of -campagne heeft betrekking op producten die onder een andere kwaliteitsregeling vallen dan een regeling voor door de Unie erkende namen als bedoeld in titel II van Verordening (EU) nr. 1151/2012. In dat geval moet de oorsprong van de producten in de boodschap van ondergeschikt belang zijn;

(b) 

□de steun wordt verleend voor afzetbevorderingsactiviteiten en -campagnes op lokale markten of die betrekking hebben op producten op lokale markten, met als doel het behoud van landbouwgemeenschappen, en die aan de volgende voorwaarden voldoen:

(i) 

□de aanduiding van de oorsprong van het product is van ondergeschikt belang in de hoofdboodschap;

(ii) 

□de afzetbevorderingsactiviteit of -campagne staat in verhouding tot het beoogde doel.

20. Bevestig dat de verwijzing naar de oorsprong:

□ 

niet discriminerend zal zijn;

□ 

niet erop gericht zal zijn de consumptie van het landbouwproduct louter op grond van de oorsprong ervan te bevorderen;

□ 

in overeenstemming zal zijn met de algemene beginselen van het recht van de Unie; en

□ 

niet zal leiden tot beperkingen van het vrije verkeer van landbouwproducten in strijd met artikel 34 van het Verdrag.

21. Vermeld de steunintensiteit:

— 
….. % van de in aanmerking komende kosten als bedoeld in punt 468, a), b) en c), van de richtsnoeren;
Op grond van punt 471 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit voor de in punt 468, a), b) en c), van de richtsnoeren bedoelde in aanmerking komende kosten niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.
— 
….. % van de in aanmerking komende kosten van afzetbevorderingscampagnes die specifiek op onder een kwaliteitsregeling vallende producten betrekking hebben, als bedoeld in punt 468, d), van de richtsnoeren;
Op grond van punt 472 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit voor de in punt 468, d), van de richtsnoeren in samenhang met punt 460, a), van de richtsnoeren bedoelde afzetbevorderingscampagnes die specifiek betrekking hebben op onder een kwaliteitsregeling vallende producten, niet hoger zijn dan 50 % van de in aanmerking komende kosten van de campagne. De steun mag tot 100 % van de in aanmerking komende kosten worden verleend indien de sector ten minste 50 % van de kosten bijdraagt.
— 
….. % van de in aanmerking komende kosten van afzetbevorderingscampagnes die specifiek op onder een kwaliteitsregeling vallende producten betrekking hebben, als bedoeld in punt 468, d), van de richtsnoeren als het gaat om afzetbevordering in derde landen;
Op grond van punt 472 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit voor de in punt 468, d), van de richtsnoeren in samenhang met punt 460, a), van de richtsnoeren bedoelde afzetbevorderingscampagnes in derde landen die specifiek betrekking hebben op onder een kwaliteitsregeling vallende producten, niet hoger zijn dan 80 % van de in aanmerking komende kosten.
— 
….. % van de in aanmerking komende kosten van algemene afzetbevorderingscampagnes als bedoeld in punt 468, d), van de richtsnoeren;
Op grond van punt 473 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit voor de in punt 468, d), van de richtsnoeren in samenhang met punt 460, b), van de richtsnoeren bedoelde algemene afzetbevorderingscampagnes niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.3.5.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE ULTRAPERIFERE GEBIEDEN EN DE KLEINERE EILANDEN IN DE EGEÏSCHE ZEE

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteun voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, als beschreven in deel II, afdeling 1.3.5, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

Indien de steun voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee betrekking heeft op een andere afdeling van de richtsnoeren, vul dan het formulier aanvullende informatie in dat overeenkomt met het soort aan te melden steun.

1. Wordt de steun verleend voor de landbouwsector zoals gedefinieerd in punt 33, 9),van de richtsnoeren?

□ja□nee

Op grond van punt 475 van de richtsnoeren is afdeling 1.3.5 van de richtsnoeren van toepassing op de hele landbouwsector zoals gedefinieerd in punt 33, 9), van de richtsnoeren.

2. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□extra kosten van het vervoer van landbouwproducten die in de ultraperifere gebieden of op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee zijn geproduceerd;

(b) 

□andere kosten.

3. Wanneer de steun wordt verleend voor extra vervoerskosten zoals bedoeld in vraag 2, punt a), van dit formulier, voldoet die steun dan aan de volgende voorwaarden?

(a) 

□de begunstigden hebben hun productieactiviteit in de ultraperifere gebieden of op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;

(b) 

□de steun is vooraf objectief kwantificeerbaar op basis van een vast bedrag of een percentage per tonkilometer of andere relevante eenheid;

(c) 

□de extra vervoerskosten worden berekend op basis van het traject dat de producten binnen de nationale grens van de betrokken lidstaat afleggen met de vervoermiddelen die voor de begunstigde de laagste kostprijs opleveren, rekening houdend met de externe kosten voor het milieu;

(d) 

□voor de ultraperifere gebieden kunnen de in aanmerking komende extra vervoerskosten ook de kosten omvatten van het vervoer van landbouwproducten vanuit de plaats van productie naar locaties in ultraperifere gebieden waar zij verder worden verwerkt.

4. Wanneer de steun wordt verleend voor andere kosten zoals bedoeld in vraag 2, punt b), van dit formulier, geef dan aan om welke kosten het daarbij kan gaan:

Op grond van punt 481 van de richtsnoeren zal de Commissie plannen om voor andere kosten dan extra vervoerskosten staatssteun toe te kennen met als doel in de behoeften van de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee te voorzien, per geval onderzoeken overeenkomstig de voorwaarden van deel I, hoofdstuk 3, van de richtsnoeren en de voor die gebieden geldende specifieke wettelijke bepalingen, rekening houdend, indien van toepassing, met de verenigbaarheid van de betrokken maatregelen met de strategische GLB-plannen voor de betrokken gebieden en met de gevolgen van die maatregelen voor de mededinging in de betrokken gebieden en in andere delen van de Unie.

Verstrek alle informatie aan de hand waarvan de Commissie kosten zoals bedoeld in punt 481 van de richtsnoeren kan beoordelen:

5. Vermeld het maximumbedrag van de steun (op basis van de ratio steun per afgelegde kilometer of op basis van de ratio steun per afgelegde kilometer en steun per gewichtseenheid) en het percentage van de extra kosten waarvoor steun wordt verleend:

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.3.6.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR RUILVERKAVELING VAN LANDBOUWGROND

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteun voor de kosten van ruilverkaveling van landbouwgrond, als beschreven in deel II, afdeling 1.3.6, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Maakt de steunmaatregel deel uit van een algemeen ruilverkavelingsprogramma voor landbouwgrond dat ten uitvoer wordt gelegd volgens de wettelijke procedures van de lidstaat?

□ja□nee

2. Bevatten de in aanmerking komende kosten uitsluitend de juridische en administratieve kosten en de opmetingskosten van de ruilverkaveling?

□ja□nee

3. Vermeld de steunintensiteit:

….. % van de in aanmerking komende kosten;

Op grond van punt 484 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de werkelijk gemaakte kosten.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.3.7.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING IN DE LANDBOUWSECTOR

Dit informatieformulier heeft betrekking op staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector, als beschreven in deel II, afdeling 1.3.7, van de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve, naast dit formulier, ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen, dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen.

1. Wordt de steun verleend voor de landbouwsector zoals gedefinieerd in punt 33, 9),van de richtsnoeren?

□ja□nee

Op grond van punt 486 van de richtsnoeren wordt zowel steun voor onderzoek en ontwikkeling die niet wordt verleend voor de landbouwsector zoals gedefinieerd in punt 33, 9), van de richtsnoeren, als steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector die niet voldoet aan de voorwaarden van deel II, afdeling 1.3.7, van de richtsnoeren, beoordeeld overeenkomstig de kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie.

2. Is het gesteunde project van belang voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke landbouwsector of -subsector actief zijn?

□ja□nee

3. Gelieve te bevestigen dat vóór het begin van het gesteunde project de volgende informatie op het internet wordt bekendgemaakt:

(a) 

de begindatum van het gesteunde project:

□ja□nee

(b) 

de doelstellingen van het gesteunde project:

□ja□nee

(c) 

de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesteunde project worden verwacht:

□ja□nee

(d) 

de plaats waar de van het gesteunde project verwachte resultaten op het internet zullen worden bekendgemaakt:

□ja□nee

(e) 

een vermelding dat de resultaten gratis beschikbaar zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken landbouwsector of -subsector actief zijn:

□ja□nee

Vermeld hier het internetadres:

4. Worden de resultaten van het gesteunde project:

(a) 

op het internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesteunde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt?

□ja□nee

(b) 

gedurende een periode van ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesteunde project beschikbaar gesteld op het internet?

□ja□nee

Vermeld het internetadres indien dat niet hetzelfde is als het adres waarop de in vraag 3 van dit informatieformulier bedoelde informatie wordt gepubliceerd:

5. Wordt de steun rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding verleend?

□ja□nee

6. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het project bezighouden;

(b) 

□kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet gedurende hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

(c) 

□kosten van gebouwen en gronden, voor zover en zolang deze voor het project worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de met de looptijd van het project overeenstemmende afschrijvingskosten, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten van de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

(d) 

□kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden zijn ingekocht bij of in licentie zijn verkregen van externe bronnen, en kosten van consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

(e) 

□bijkomende overheadkosten en andere operationele uitgaven, waaronder die van materiaal, leveranties en soortgelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

7. Vermeld de steunintensiteit:

….. % van de in aanmerking komende kosten;

Op grond van punt 493 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE BOSBOUWSECTOR

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen  ( 550 ) voor de bosbouwsector, als beschreven in deel II, hoofdstuk 2, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Gelieve naast dit formulier ook het formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden in te vullen  ( 551 ) , dat betrekking heeft op de algemene voorwaarden om voor staatssteun in aanmerking te komen, alsmede, naargelang van het soort steun waarom het gaat, de overeenkomstige formulieren voor de bosbouw 2.1 tot en met 2.9  ( 552 ) .

Als de steun voor de bosbouwsector wordt verleend in het kader van regels van de Unie die gemeenschappelijk zijn voor alle sectoren of die specifiek zijn voor de handel en de industrie, meld de staatssteunmaatregel dan aan met het aanmeldingsformulier voor die sectoren.

1. ALGEMENE SUBSIDIABILITEITSCRITERIA

1.1. Wordt de steun toegekend in het kader van een strategisch plan overeenkomstig Verordening (EU) 2021/2115 ( 553 )?

□ja□nee

Zo ja, ga door met de volgende vragen.

Als het antwoord nee is en de steun uitsluitend uit nationale middelen wordt gefinancierd, vul dan het algemene formulier (deel I, hoofdstuk 3 van de richtsnoeren) en de specifieke formulieren voor de afdelingen 2.1 tot en met 2.9 van deze richtsnoeren in.

1.2. Vermeld het betrokken strategisch plan en de maatregel in het kader waarvan de steun wordt toegekend:

— 
Strategisch plan: …
— 
Maatregel: …

1.3. Wordt de steun verleend voor werkkapitaal?

□ja□nee

Zo ja, wordt de steun verleend in de vorm van een financieringsinstrument?

□ja□nee

Op grond van punt 499, b), van de richtsnoeren mag steun voor werkkapitaal alleen worden toegekend als de steun in de vorm van financieringsinstrumenten wordt verstrekt.

Vermeld het (de) gebruikte financieringsinstrument(en):

1.4. Wordt de steun verleend als exploitatiesteun?

□ja□nee

Zo ja, dan kan die steun op grond van punt 499, c), van de richtsnoeren alleen als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd indien de betrokken wetgeving van de Unie uitdrukkelijk in dergelijke steun voorziet.

Indien dat het geval is, verwijs dan naar de betrokken wetgeving van de Unie:

1.5. Wordt de steun beschikbaar gesteld voor ondernemingen in moeilijkheden in de zin van punt 33, 63), van de richtsnoeren?

□ja□nee

Zo ja, let wel dat de Commissie, zoals aangegeven in punt 23 van de richtsnoeren, van mening is dat een onderneming in financiële moeilijkheden, aangezien haar bestaan zelf in het gedrang is, niet kan worden beschouwd als een passend instrument om tot de verwezenlijking van andere beleidsdoelstellingen van de overheid bij te dragen zolang niet vaststaat dat die onderneming zal overleven. Dergelijke steun moet dan ook voldoen aan de richtsnoeren van de Commissie voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden, tenzij de steun van de aanmeldingsverplichting is vrijgesteld.

1.6. Wordt de steun beschikbaar gesteld voor ondernemingen ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin steun als onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is aangemerkt?

□ja□nee

Zo ja, dan kan de steun niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt.

1.7. Is de steun bedoeld voor investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie?

□ja□nee

Zo ja, dan wijzen wij erop dat die steun op grond van punt 496 van de richtsnoeren uitgesloten is van het toepassingsgebied van deel II, hoofdstuk 2, van de richtsnoeren, aangezien dergelijke steun moet voldoen aan de richtsnoeren voor staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 ( 554 ). Dit geldt evenwel niet voor steun in verband met het gebruik van hout als grondstof of energiebron die beperkt is tot handelingen die aan de industriële verwerking voorafgaan, zoals bepaald in punt 529 van de richtsnoeren, en evenmin voor steun die vrijgesteld is van de aanmeldingsverplichting.

1.8. Voldoet de steun aan de doelstellingen en aan alle voorwaarden, waaronder die inzake de begunstigden van de steun, die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2021/2115 en de op grond van die verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen?

□ja□nee

De Commissie merkt staatssteun voor de bosbouwsector alleen als verenigbaar met artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag aan als de steun voldoet aan Verordening (EU) nr. 1305/2013, tenzij het gaat om maatregelen die vallen onder deel II, hoofdstuk 2, afdelingen 2.8 en 2.9, van de richtsnoeren.

1.9. Gelieve te bevestigen dat de steun niet bedoeld is voor bedrijven uit de houtsector.

□ja□nee

2. SOORT STEUN

2.1. □Investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en de verbetering van de levensvatbaarheid van bossen.

Gelieve formulier 2.1 in te vullen.

2.2. □Steun voor het opvangen van gebiedsspecifieke nadelen die het gevolg zijn van bepaalde verplichte vereisten in bosgebieden.

Gelieve formulier 2.2 in te vullen.

2.3. □Steun voor bosmilieuklimaatdiensten en bosinstandhouding.

Gelieve formulier 2.3 in te vullen.

2.4. □Steun voor kennisuitwisselings- en voorlichtingsacties in de bosbouwsector.

Gelieve formulier 2.4 in te vullen.

2.5. □Steun voor adviesdiensten in de bosbouwsector.

Gelieve formulier 2.5 in te vullen.

2.6. □Steun voor samenwerking in de bosbouwsector.

Gelieve formulier 2.6 in te vullen.

2.7. □Aanloopsteun voor producentengroeperingen en -organisaties in de bosbouwsector.

Gelieve formulier 2.7 in te vullen.

2.8. □Andere steun voor de bosbouwsector waarmee milieu-, beschermings- en recreatiedoeleinden worden nagestreefd.

Gelieve formulier 2.8 in te vullen.

2.9. □Steun voor de bosbouwsector die in lijn is met steunmaatregelen voor de landbouwsector.

Gelieve formulier 2.9 in te vullen.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel.

2.1.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR INVESTERINGEN IN DE ONTWIKKELING VAN HET BOSAREAAL EN DE VERBETERING VAN DE LEVENSVATBAARHEID VAN BOSSEN

Dit informatieformulier moet worden gebruikt voor staatssteun voor investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en de verbetering van de levensvatbaarheid van bossen, als beschreven in deel II, afdeling 2.1, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

1. Gelieve te bevestigen dat de steun niet wordt verleend voor:

(a) 

□werkkapitaal;

(b) 

□de aankoop van betalingsrechten;

(c) 

□de aankoop van grond voor een bedrag dat hoger is dan 10 % van de totale in aanmerking komende uitgaven voor de betrokken verrichting, behalve als het gaat om de aankoop van grond voor milieubehoud en de instandhouding van koolstofrijke grond, waarvoor een hoger percentage dan 10 % in aanmerking kan komen;

(d) 

□rente op schulden, behalve met betrekking tot subsidies verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen.

2. Geef aan of de steun betrekking heeft op:

  Steun voor bebossing en de aanleg van beboste gronden (afdeling 2.1.1. van de richtsnoeren)

1. Geef aan of de in aanmerking komende kosten betrekking hebben op:

(a) 

□de aanleg van bossen en beboste gronden op:

□ 

landbouwgrond,

□ 

niet-landbouwgrond;

(b) 

□een jaarlijkse premie per hectare voor de kosten van het gederfde landbouwinkomen en van onderhoudsactiviteiten, waaronder zuivering en dunning, gedurende een door de lidstaat bepaalde maximumperiode.

Geef meer informatie over de steunbedragen, de berekeningsmethoden en de maximumperiode voor de verlening van steun in de vorm van een jaarlijkse premie per hectare:

2. Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt verleend voor de aanplant van bomen voor hakhout met korte omlooptijd, kerstbomen of snelgroeiende bomen voor de energieproductie en voor investeringen in bebossing die niet stroken met de klimaat- en milieudoelstellingen of met de beginselen van duurzaam bosbeheer, zoals vastgelegd in de pan-Europese richtsnoeren voor bebossing en herbebossing ( 555 ):

□ja□nee

3. Gelieve te bevestigen dat de aangeplante soorten aangepast zijn aan de milieu- en klimaatomstandigheden van het areaal en voldoen aan de minimale milieuvereisten:

□ja□nee

4. Bevestig, en toon aan met een aanvullende beschrijving en nadere gegevens, dat de steun voldoet aan de volgende minimale milieuvereisten:

(a) 

□bij de selectie van de aan te planten soorten, van de arealen en van de te gebruiken methoden moet het volgende worden vermeden: een niet-passende bebossing van kwetsbare habitats, zoals veengebieden en wetlands, en negatieve effecten op gebieden met een hoge ecologische waarde, waaronder gebieden met een op een hoge natuurwaarde gerichte landbouw. In krachtens Richtlijn 92/43/EEG ( 556 ) en Richtlijn 2009/147/EG ( 557 ) aangewezen Natura 2000-gebieden mag alleen bebossing worden toegestaan die strookt met de beheersdoelstellingen voor die gebieden en waarover overeenstemming is bereikt met de autoriteit van de lidstaat die met de uitvoering van Natura 2000 is belast;

(b) 

□bij de selectie van de soorten, rassen, ecotypen en herkomst van de bomen moet rekening worden gehouden met de vereiste weerbaarheid ten aanzien van klimaatverandering en natuurrampen en met de pedologische en hydrologische gesteldheid van het betrokken areaal, alsook met het potentiële invasieve karakter van de soorten onder door de lidstaten omschreven lokale omstandigheden. De begunstigde moet ertoe worden verplicht het bos ten minste gedurende de periode waarvoor de premie voor gederfde landbouwinkomsten en onderhoud wordt betaald, te beschermen en er zorg voor te dragen. Deze activiteiten moeten naargelang van het geval bestaan uit het verzorgen, uitdunnen of beweiden met het oog op de toekomstige ontwikkeling van het bos, het reguleren van de concurrentie met kruidachtige vegetatie en het voorkomen van een ophoping van brandgevoelig ondergroeimateriaal. De lidstaat moet voor snelgroeiende soorten een minimum- en een maximumperiode vaststellen voordat deze mogen worden geveld. De minimumperiode moet ten minste acht jaar bedragen en de maximumperiode mag ten hoogste twintig jaar bedragen;

(c) 

□wanneer als gevolg van moeilijke bodem-, klimatologische of milieuomstandigheden, met inbegrip van de aantasting van het milieu, niet kan worden verwacht dat de aanplant van meerjarige houtachtige planten tot de overeenkomstig de geldende nationale wetgeving omschreven bosbedekking zal leiden, mag de betrokken lidstaat de begunstigde toestaan een andere houtige vegetatiebedekking aan te leggen, zoals struiken of heesters die geschikt zijn voor de plaatselijke omstandigheden. De begunstigde moet dan zorg en bescherming bieden op het niveau dat voor bossen geldt;

(d) 

□in het geval van bebossingsactiviteiten die leiden tot de aanleg van bossen die groter zijn dan een door de lidstaten te bepalen drempel, moet de verrichting bestaan uit:

(i) 

de aanplant van ecologisch aangepaste soorten en/of soorten die in het betrokken biogeografische gebied tegen klimaatverandering bestand zijn en waarvan niet in een effectbeoordeling is vastgesteld dat zij de biodiversiteit en ecosysteemdiensten in gevaar brengen of de gezondheid van de mens nadelig beïnvloeden, of

(ii) 

de aanplant van een mix van boomsoorten met hetzij minstens 10 % loofbomen per areaal, hetzij een minimum van drie boomsoorten of -variëteiten, waarbij de minst goed vertegenwoordigde minstens 10 % van het areaal beslaat.

5. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 508 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

  Steun voor de invoering, regeneratie of renovatie van boslandbouwsystemen (afdeling 2.1.2. van de richtsnoeren)

1. Gelieve te bevestigen dat de steun mag worden verleend voor de invoering van boslandbouwsystemen zoals gedefinieerd in punt 33, 10), van de richtsnoeren.

□ja□nee

Geef een beschrijving van de steunmaatregel:

2. Geef aan of de in aanmerking komende kosten betrekking hebben op:

(a) 

□de invoering, regeneratie of renovatie van een boslandbouwsysteem;

(b) 

□een jaarlijkse premie per hectare voor onderhoudskosten.

3. Geef de maximumperiode aan voor een jaarlijkse premie per hectare voor onderhoudskosten:

4. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 513 van de richtsnoeren mag de steun niet groter zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

5. Geef het minimale en het maximale aantal bomen aan dat per hectare moet worden aangeplant en toon aan dat daarbij rekening wordt gehouden met de plaatselijke bodem- en klimaatgesteldheid en milieuomstandigheden, de bosbouwgewassoorten en de noodzaak te garanderen dat de grond op duurzaam wijze voor landbouwdoeleinden wordt gebruikt.

  Steun voor de preventie en het herstel van schade aan bossen (afdeling 2.1.3. van de richtsnoeren)

1. Geef aan of de in aanmerking komende kosten betrekking hebben op:

(a) 

□de aanleg van beschermingsinfrastructuur (in het geval van brandstroken mag de steun ook dienen voor de financiering van de kosten van het onderhoud ervan);

Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt verleend voor landbouwgerelateerde activiteiten op areaal waarvoor agromilieuklimaatverbintenissen gelden als bedoeld in deel II, afdeling 1.1.4, van de richtsnoeren.

□ja□nee

(b) 

□plaatselijke, kleinschalige preventieactiviteiten tegen brand of andere natuurgevaren, waaronder kosten van de inzet van graasdieren en vervoer van dieren;

(c) 

□de aanleg en verbetering van voorzieningen voor het monitoren van bosbranden, plagen, invasieve uitheemse soorten en ziekten, en de installatie en verbetering van de betrokken communicatieapparatuur;

(d) 

□het herstel van bosbouwpotentieel dat is beschadigd als gevolg van branden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen, invasieve uitheemse soorten, rampzalige gebeurtenissen of met de klimaatverandering verband houdende gebeurtenissen.

Gelieve het volgende te bevestigen: bij schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, plantenplagen of invasieve uitheemse soorten proberen de begunstigden, als die schade aan de klimaatverandering kan worden gelinkt, bij het herstel ook maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering te nemen, zodat de schade en de verliezen als gevolg van soortgelijke gebeurtenissen in de toekomst tot een minimum worden beperkt:

□ja□nee

(e) 

□de kosten van investeringen met betrekking tot het behoud van de gezondheid van bossen.

2. Gelieve te bevestigen dat wanneer steun wordt verleend voor het herstel van bosbouwpotentieel dat is beschadigd door branden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen, invasieve uitheemse soorten, rampzalige gebeurtenissen en met klimaatverandering verband houdende gebeurtenissen, de steun afhankelijk is van een formele erkenning door de bevoegde autoriteit van de lidstaat dat zich ten minste een van de in vraag 1 (d) van dit punt genoemde gebeurtenissen heeft voorgedaan, en van de overlegging door de begunstigden van bewijzen dat zij over passende risicobeheersinstrumenten beschikken om waar nodig een mogelijk optreden van de schadeveroorzakende gebeurtenis in de toekomst tegen te gaan:

□ja□nee

3. Gelieve, als het gaat om steun ter voorkoming van schade aan bossen door plantenplagen of invasieve uitheemse soorten, het risico op de plantenplaag of invasieve uitheemse soort aan te tonen aan de hand van wetenschappelijke gegevens en van de erkenning door een wetenschappelijke overheidsinstantie. Gelieve waar van toepassing de lijst voor te leggen van de schadelijke organismen die de plantenplaag kunnen veroorzaken:

4. Gelieve te bevestigen dat de in aanmerking komende verrichtingen die betrekking hebben op schade door bosbranden of biotische factoren, stroken met het door de lidstaat opgestelde bosbeschermingsplan, en met name met de in dat plan opgenomen preventie- en herstelactiviteiten:

□ja□nee

5. Gelieve te bevestigen dat alleen bosgebieden die in het door de lidstaat opgestelde bosbeschermingsplan zijn opgenomen, in aanmerking komen voor steun voor brandpreventie:

□ja□nee

6. Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt verleend voor inkomensverlies als gevolg van branden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen, invasieve uitheemse soorten, rampzalige gebeurtenissen of met de klimaatverandering verband houdende gebeurtenissen:

□ja□nee

7. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 521 van de richtsnoeren mag de steun niet groter zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

Op grond van punt 522 van de richtsnoeren mogen de steun voor de in punt 515, d), van de richtsnoeren bedoelde in aanmerking komende kosten en eventuele andere door de begunstigde ontvangen betalingen, waaronder betalingen op grond van andere nationale of uniale maatregelen of in het kader van een verzekeringspolis voor dezelfde in aanmerking komende kosten, niet meer bedragen dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

8. Worden er maatregelen genomen om overcompensatie te voorkomen, en met name om te garanderen dat de steun voor de in punt 515, d van de richtsnoeren bedoelde in aanmerking komende kosten en eventuele andere door de begunstigde ontvangen betalingen, waaronder betalingen op grond van andere nationale of uniale maatregelen of in het kader van een verzekeringspolis, niet meer bedragen dan 100 % van de in aanmerking komende kosten?

□ja□nee

9. Beschrijf de in het vorige punt bedoelde maatregelen die worden genomen om overcompensatie te voorkomen:

  Steun voor investeringen ter verbetering van de veerkracht en de milieuwaarde van bosecosystemen (afdeling 2.1.4. van de richtsnoeren)

1. Geef aan of de in aanmerking komende kosten betrekking hebben op:

□ 

investeringen die betrekking hebben op het nakomen van milieuverbintenissen met het oog op de verlening van ecosysteemdiensten;

□ 

investeringen ter verhoging van de maatschappelijke belevingswaarde van bossen en beboste gronden in het betrokken gebied;

□ 

investeringen ter verbetering van het potentieel van ecosystemen tot matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering.

Als er economische baten op lange termijn zijn, gelieve die te beschrijven:

2. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 525 van de richtsnoeren mag de steun niet groter zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

  Steun voor investeringen in bosbouwtechnologieën en in de verwerking, mobilisering en afzet van bosbouwproducten (afdeling 2.1.5. van de richtsnoeren)

1. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□investeringen die het bosbouwpotentieel vergroten:

(i) 

□investeringen in bodemvriendelijke, zuinige oogstmachines en -praktijken,

(ii) 

□overige investeringen;

(b) 

□investeringen in verband met verwerkings-, mobiliserings- en afzetactiviteiten die waarde aan bosbouwproducten toevoegen.

2. Geef een nadere beschrijving van de maatregel:

3. Wanneer de investeringen bedoeld zijn om de economische waarde van bossen te vergroten, geef een motivering op basis van de te verwachten verbeteringen in de bossen op een of meer bedrijven en geef aan of het daarbij gaat om investeringen in bodemvriendelijke, zuinige oogstmachines en -praktijken:

4. Wanneer het gaat om investeringen met betrekking tot het gebruik van hout als grondstof of energiebron, zijn die investeringen beperkt tot handelingen die aan de industriële verwerking voorafgaan?

□ja□nee

5. Vermeld de maximale steunintensiteit:

(a) 

…… % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten;

(b) 

……. % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten in de ultraperifere gebieden of de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;

(c) 

……. % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen die verband houden met een of meer van de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen als bedoeld in artikel 73, lid 4, punt a), i), van Verordening (EU) 2021/2115 ( 558 ).

Op grond van punt 530 van de richtsnoeren mag de steun niet hoger zijn dan 65 % van de in aanmerking komende kosten. Hij kan tot maximaal 80 % worden verhoogd voor investeringen in de ultraperifere gebieden of de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en voor investeringen die verband houden met een of meer van de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen als bedoeld in artikel 73, lid 4, punt a), i), van Verordening (EU) 2021/2115.

  Steun voor investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de bosbouw (afdeling 2.1.6. van de richtsnoeren)

1. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(i) 

□materiële activa,

(ii) 

□immateriële activa,

die betrekking hebben op infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de bosbouw, met inbegrip van de ontsluiting van bosgrond, ruilverkaveling en bodemverbetering, digitalisering van de bosbouw, de bouw van tijdelijke opslagfaciliteiten en de levering van duurzame energie, energie-efficiëntie, watervoorziening en -besparing en het gebruik van dieren in plaats van machines.

2. Geef aan waarop de infrastructuurinvesteringen betrekking hebben:

(a) 

□de ontwikkeling van bossen;

(b) 

□de modernisering van bossen;

(c) 

□de aanpassing van bossen.

3. Geef aan waarvoor de infrastructuurinvesteringen bedoeld zijn:

(a) 

□ontsluiting van bosgrond;

(b) 

□ruilverkaveling en bodemverbetering;

(c) 

□digitalisering van de bosbouw;

(d) 

□de bouw van tijdelijke opslagfaciliteiten;

(e) 

□de levering van duurzame energie, energie-efficiëntie en watervoorziening en -besparing;

(f) 

□het gebruik van dieren in plaats van machines.

4. Geef een nadere beschrijving van de maatregel:

… ;

5.  Vermeld de steunintensiteit:

— 
... % van de in aanmerking komende kosten van niet-productieve investeringen, investeringen die uitsluitend gericht zijn op de verbetering van de milieuwaarde van bossen, en investeringen in boswegen die gratis voor het publiek toegankelijk zijn en ten dienste staan van de multifunctionaliteit van het bos;
Voor niet-productieve investeringen, investeringen die uitsluitend gericht zijn op de verbetering van de milieuwaarde van bossen, en investeringen in boswegen die gratis voor het publiek toegankelijk zijn en ten dienste staan van de multifunctionaliteit van het bos, mag de steunintensiteit op grond van punt 533 van de richtsnoeren niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.
— 
... % van de in aanmerking komende kosten van investeringen in de ultraperifere gebieden of de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;
Voor investeringen in de ultraperifere gebieden of de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee mag de steunintensiteit op grond van punt 534 van de richtsnoeren niet hoger zijn dan 80 %.
— 
… % van de in aanmerking komende kosten van investeringen die verband houden met een of meer van de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen als bedoeld in artikel 73, lid 4, punt a), i), van Verordening (EU) 2021/2115;
Voor investeringen die verband houden met een of meer van de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen als bedoeld in artikel 73, lid 4, punt a), i), van Verordening (EU) 2021/2115, mag de steunintensiteit op grond van punt 534 van de richtsnoeren niet hoger zijn dan 80 %.
— 
... % van andere in aanmerking komende kosten.
Op grond van punt 535 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit in alle andere gevallen niet hoger zijn dan 65 % van de in aanmerking komende kosten.

6. Gelieve, als de steun wordt verleend voor investeringen in de ontsluiting van bosgrond, de gemiddelde densiteit van de bospaden/boswegen in het betrokken gebied voor en na de investering aan te geven (in meter per ha) …

  Steun voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed in bossen (afdeling 2.1.7. van de richtsnoeren)

1. Gelieve te bevestigen dat de steun wordt verleend voor cultureel en natuurlijk erfgoed in de vorm van natuurlijke landschappen en gebouwen, waarbij dat erfgoed door de bevoegde autoriteit van de lidstaat formeel als cultureel of natuurlijk erfgoed is erkend.

□ja□nee

2. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

□ 

investeringen in materiële activa;

□ 

gekapitaliseerde werkzaamheden.

3. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 539 van de richtsnoeren mag de steun voor investeringen in materiële activa niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

4. Geef het steunbedrag voor gekapitaliseerde werkzaamheden aan: …

Op grond van punt 539 van de richtsnoeren moet de steun voor gekapitaliseerde werkzaamheden beperkt blijven tot 10 000  EUR per jaar.

  Steun voor financiële bijdragen aan onderlinge fondsen in de bosbouw (afdeling 2.1.8. van de richtsnoeren)

1. Gelieve te bevestigen dat de steun wordt verleend aan ondernemingen die actief zijn in de bosbouw:

□ja□nee

2. Is het onderling fonds door de bevoegde autoriteit geaccrediteerd overeenkomstig de nationale wetgeving?

□ja□nee

3. Voert het onderling fonds een transparant beleid ten aanzien van de betalingen aan en de afboekingen van het fonds?

□ja□nee

4. Beschikt het onderling fonds over duidelijke voorschriften inzake de toewijzing van verantwoordelijkheid voor schulden?

□ja□nee

Op grond van punt 542 van de richtsnoeren kan de Commissie de steun slechts goedkeuren als de vragen 2, 3 en 4 van dit informatieformulier bevestigend worden beantwoord.

5. Zijn er voorschriften vastgesteld voor de oprichting en het beheer van het onderling fonds, met name met betrekking tot de verlening van compensatiebetalingen en met betrekking tot het beheer en de monitoring van de naleving van die voorschriften?

□ja□nee

6. Voorzien de regelingen van het onderling fonds in sancties in geval van nalatigheid van de onderneming?

□ja□nee

Op grond van punt 543 van de richtsnoeren kan de Commissie de steun slechts goedkeuren als de vragen 5 en 6 van dit informatieformulier bevestigend worden beantwoord.

7. Geef aan welke schade zal worden gedekt door het onderling fonds waarvoor de financiële bijdrage deels wordt gefinancierd in het kader van de aangemelde steunmaatregel:

□ 

schade als gevolg van bosbranden;

□ 

schade als gevolg van natuurrampen;

□ 

schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld of andere ongunstige weersomstandigheden;

□ 

schade als gevolg van plantenplagen of invasieve uitheemse soorten;

□ 

schade als gevolg van rampzalige gebeurtenissen en met de klimaatverandering verband houdende gebeurtenissen als bedoeld in punt 514 van de richtsnoeren;

□ 

door beschermde dieren veroorzaakte schade in bossen als bedoeld in afdeling 2.8.5 van de richtsnoeren;

□ 

schade als gevolg van milieuongevallen.

8. Als het gaat om financiële bijdragen aan onderlinge fondsen waarmee schade als gevolg van een milieuongeval worden gedekt, heeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat officieel erkend dat het om een milieuongeval ging?

□ja□nee

Zo ja, heeft de lidstaat vooraf criteria vastgesteld op basis waarvan de betrokken formele erkenning normaal gezien wordt verleend?

□ja□nee

Zo ja, verstrek nadere bijzonderheden over deze vooraf vastgestelde criteria:

9. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

□ 

financiële bijdragen aan onderlinge fondsen waarmee bosbezitters en bosbeheerders worden vergoed voor de in vraag 7 van dit informatieformulier bedoelde schade; deze bijdragen mogen slechts hebben betrekking op de bedragen die de onderlinge fondsen als financiële vergoeding betalen aan ondernemingen die actief zijn in de bosbouw.

Dit zijn de enige kosten die in aanmerking komen.

10. Vermeld de maximale steunintensiteit: …

Op grond van punt 547 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 70 % van de in aanmerking komende kosten.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.2  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR HET OPVANGEN VAN GEBIEDSSPECIFIEKE NADELEN DIE HET GEVOLG ZIJN VAN BEPAALDE VERPLICHTE VEREISTEN IN BOSGEBIEDEN

Dit informatieformulier moet worden gebruikt voor staatssteun voor het opvangen van gebiedsspecifieke nadelen die het gevolg zijn van bepaalde verplichte vereisten in bosgebieden, als beschreven in deel II, afdeling 2.2, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

1. Gelieve te bevestigen dat de steun alleen mag worden verleend aan bosbezitters, bosbeheerders en/of hun verenigingen:

□ja□nee

2. Wordt de steun jaarlijks en per hectare bos verleend?

□ja□nee

3. Geef aan welk areaal voor steun in aanmerking komt:

(a) 

□krachtens de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG aangewezen Natura 2000-bosgebieden;

(b) 

□andere afgebakende natuurbeschermingsgebieden met milieubeperkingen voor bossen waarmee wordt bijgedragen aan de uitvoering van artikel 10 van Richtlijn 92/43/EEG en die niet groter zijn dan 5 % van de aangewezen Natura 2000-gebieden die onder de territoriale reikwijdte van elk strategisch GLB-plan vallen.

4. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□extra kosten als gevolg van de gebiedsspecifieke nadelen in de betrokken gebieden;

(b) 

□inkomsten die worden gederfd als gevolg van de gebiedsspecifieke nadelen in de betrokken gebieden;

(c) 

□transactiekosten.

5. Gelieve te bevestigen dat de in vraag 4, punten a) en b), van dit informatieformulier bedoelde extra kosten en gederfde inkomsten worden berekend op basis van de beperkingen die voortvloeien uit de Richtlijnen 92/43/EEG, 2009/147/EG en 2000/60/EG:

□ja□nee

Beschrijf de berekeningsmethode:

6. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 553 van de richtsnoeren mag de maximale steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

Vermeld het bedrag per hectare per jaar:

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.3.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR BOSMILIEUKLIMAATDIENSTEN EN BOSINSTANDHOUDING

Dit informatieformulier moet worden gebruikt voor staatssteun voor bosmilieuklimaatdiensten en bosinstandhouding, als beschreven in deel II, afdeling 2.3, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

1. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

1.1. Beschrijf de vrijwillige beheersverbintenis(sen) die zal (zullen) worden aangegaan en geef aan of die verder gaat (gaan) dan de toepasselijke verplichte vereisten in de nationale bosbouwwetgeving of andere toepasselijke nationale of Uniewetgeving.

1.2. Vermeld de toepasselijke verplichte vereisten en geef een nadere beschrijving, hetzij hieronder, hetzij in bijgevoegde documentatie:

1.3. Hebben de verbintenissen een looptijd van minstens vijf en hoogstens zeven jaar?

Geef een omschrijving: …

1.4. Als de verbintenis een langere looptijd heeft, verantwoord waarom die looptijd voor deze specifieke soort verbintenis nodig wordt geacht:

1.5. Als de verbintenis een kortere looptijd heeft, verantwoord waarom die looptijd voor deze specifieke soort verbintenis nodig wordt geacht. De looptijd van de verbintenis moet minstens één jaar bedragen:

1.6. Geef aan of de in aanmerking komende kosten zullen worden berekend:

(a) 

□als een vergoeding voor:

□ 

de extra kosten die uit de vrijwillige beheersverbintenissen voortvloeien,

□ 

de gederfde inkomsten die uit de vrijwillige beheersverbintenissen voortvloeien,

□ 

transactiekosten tot een waarde van 20 % van de voor de bosmilieuverbintenissen betaalde steunpremie;

Geef aan waarom transactiekosten noodzakelijk worden geacht:

(b) 

□op basis van de waarde van de bosmilieuklimaatdiensten die niet door de markt worden vergoed, waaronder collectieve regelingen en resultaatgebaseerde betalingsregelingen, zoals regelingen voor koolstoflandbouw;

(c) 

□in naar behoren gemotiveerde gevallen, zoals voor op milieubehoud gerichte verrichtingen, kan de steun voor verbintenissen om van het commerciële gebruik van bomen en bossen af te zien, worden verleend in de vorm van een forfaitaire of eenmalige betaling per eenheid, berekend op basis van de extra kosten en het gederfde inkomen.

Motiveer deze steun:

1.7. Wordt de steun verleend voor verrichtingen voor de instandhouding en de bevordering van genetische hulpbronnen in de bosbouw?

□ja□nee

Zo ja, gelieve te bevestigen dat de verrichtingen het volgende omvatten:

(a) 

□gerichte acties: acties ter bevordering van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw in situ en ex situ, met inbegrip van de opstelling van webgebaseerde inventarissen van de genetische hulpbronnen die momenteel in situ worden bewaard, inclusief de instandhouding op het bosbouwbedrijf, en van verzamelingen ex situ en databases;

(b) 

□gecoördineerde acties: acties ter bevordering van de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde organisaties van de lidstaten ten behoeve van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw in de Unie;

(c) 

□begeleidende acties: voorlichtings-, verspreidings- en adviseringsacties waarbij niet-gouvernementele organisaties en andere relevante belanghebbenden worden betrokken, opleidingen en de opstelling van technische verslagen.

Geef een uitvoeriger beschrijving van de in de punten a), b) en c) bedoelde verrichtingen voor de instandhouding en de bevordering van genetische hulpbronnen in de bosbouw:

1.8. Vermeld de steunintensiteit:

— 
........ % van de in aanmerking komende kosten voor diensten op het gebied van biodiversiteit, klimaat, water of bodem, collectieve regelingen en resultaatgebaseerde betalingsregelingen, zoals regelingen voor koolstoflandbouw.
Op grond van punt 561, a), van de richtsnoeren mag de maximale steunintensiteit niet hoger zijn dan 120 % van de in aanmerking komende kosten voor diensten op het gebied van biodiversiteit, klimaat, water of bodem, collectieve regelingen en resultaatgebaseerde betalingsregelingen, zoals regelingen voor koolstoflandbouw;
— 
…….. % van de waarde van de bosmilieuklimaatdiensten die niet door de markt worden vergoed, in het geval van regelingen waarvoor de in aanmerking komende kosten op basis van punt 557, b), van de richtsnoeren worden berekend.
Op grond van punt 561, b van de richtsnoeren mag, in het geval van regelingen waarvoor de in aanmerking komende kosten op basis van punt 557, b), van de richtsnoeren worden berekend, de maximale steunintensiteit niet hoger zijn dan de waarde van de bosmilieuklimaatdiensten die niet door de markt worden vergoed;
— 
…….. % van de in aanmerking komende kosten voor de instandhouding en de bevordering van genetische hulpbronnen in de bosbouw en in alle overige gevallen.
Op grond van punt 561, c), van de richtsnoeren mag de maximale steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten voor de instandhouding en de bevordering van genetische hulpbronnen in de bosbouw en in alle overige gevallen.

2. HERZIENINGSCLAUSULE

2.1. Gelieve te bevestigen dat er een herzieningsclausule is opgenomen voor de verrichtingen waarop deze steun betrekking heeft:

□ja□nee

Op grond van punt 647 van de richtsnoeren moet de lidstaat een herzieningsclausule vaststellen die garandeert dat de verrichtingen in het kader waarvan verbintenissen worden aangegaan die verder moeten gaan dan de in deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.3, van de richtsnoeren bedoelde dwingende normen, vereisten of verplichtingen, worden aangepast wanneer die in die afdeling bedoelde dwingende normen, vereisten of verplichtingen worden gewijzigd.

2.2. Loopt de steun nog door na de programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling 2023-2027?

□ja□nee

Zo ja, dan moet op grond van punt 648 van de richtsnoeren een herzieningsclausule worden opgenomen die het mogelijk maakt de verrichtingen aan te passen aan het rechtskader van de volgende programmeringsperiode.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.4.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR KENNISUITWISSELINGS- EN VOORLICHTINGSACTIES IN DE BOSBOUWSECTOR

Dit informatieformulier moet worden gebruikt voor staatssteun voor kennisuitwisselings- en voorlichtingsacties in de bosbouwsector, als beschreven in deel II, afdeling 2.4, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

1. Gelieve te bevestigen dat de gesteunde acties consistent zijn met de beschrijving van AKIS in het strategisch GLB-plan:

□ja□nee

2. Welke soort actie kan met de steun worden gefinancierd?

(a) 

□innovatiebevorderende acties;

(b) 

□opleiding;

(c) 

□opstelling en bijwerking van plannen en studies;

(d) 

□uitwisseling en verspreiding van kennis en informatie waarmee wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van een of meer van de specifieke doelstellingen van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 ( 559 );

(e) 

□korte uitwisselingen op het gebied van bosbeheer en bosbezoeken die met name gericht zijn op duurzame bosbouwmethoden of -technologieën, het creëren van nieuwe zakelijke kansen, de ontwikkeling van nieuwe technologieën en de verbetering van de veerkracht van bossen;

(f) 

□demonstratieactiviteiten;

Geef aan of de steun voor demonstratieactiviteiten de betrokken investeringskosten dekt:

□ja□nee

Zo nee, geef aan welke investeringskosten in aanmerking komen:

3. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 566 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.5.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR ADVIESDIENSTEN IN DE BOSBOUWSECTOR

Dit informatieformulier moet worden gebruikt voor staatssteun voor adviesdiensten in de bosbouwsector, als beschreven in deel II, afdeling 2.5, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

1. Gelieve te bevestigen dat de gesteunde acties consistent zijn met de beschrijving van AKIS in het strategisch GLB-plan:

□ja□nee

2. Gelieve te bevestigen dat de adviesdiensten de economische, ecologische en sociale dimensies bestrijken en actuele technologische en wetenschappelijke informatie verstrekken die is ontwikkeld in het kader van onderzoek en innovatie:

□ja□nee

3. Gelieve te bevestigen dat het advies aan bosbezitters verband houdt met ten minste één specifieke doelstelling van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 ( 560 ):

□ja□nee

4. Geef aan om welke specifieke doelstellingen van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 het gaat:

5. Gelieve te bevestigen dat het advies aan bosbezitters ten minste betrekking heeft op de desbetreffende vereisten uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG ( 561 ), Richtlijn 2009/147/EG ( 562 ) en Richtlijn 2000/60/EG ( 563 ):

□ja□nee

6. Geef aan op welke vereisten uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 2000/60/EG het advies betrekking heeft:

7. Geef aan of het advies betrekking heeft op thema’s die verband houden met de economische en ecologische prestaties van het bosbouwbedrijf:

□ja□nee

Geef een omschrijving:

8. Gelieve te bevestigen dat het verstrekte advies onpartijdig is en dat de adviseurs geen belangenconflicten hebben:

□ja□nee

9. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□steun om ondernemingen die in de bosbouwsector actief zijn, te helpen profiteren van adviesdiensten om de economische en ecologische prestaties alsook de klimaatvriendelijkheid en -bestendigheid van hun bedrijf, onderneming en/of investering te verbeteren;

(b) 

□de kosten van de opstelling van bosbeheerplannen.

Geef een beschrijving van de beoogde maatregelen:

10. Gelieve te bevestigen dat de steun aan de aanbieder van de adviesdiensten wordt verleend en niet de vorm aanneemt van rechtstreekse betalingen aan ondernemingen die in de bosbouwsector actief zijn (de begunstigden):

□ja□nee

Op grond van punt 572 van de richtsnoeren kan steun in de vorm van rechtstreekse betalingen aan begunstigden niet als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt. De steun moet worden verleend in de vorm van gesubsidieerde diensten.

11. Vermeld de steunintensiteit en het steunbedrag:

Op grond van punt 574 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten en mag de steun over een periode van drie jaar niet meer bedragen dan 200 000  EUR per onderneming.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.6.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR SAMENWERKING IN DE BOSBOUWSECTOR

Dit informatieformulier moet worden gebruikt voor staatssteun voor samenwerking in de bosbouwsector, als beschreven in deel II, afdeling 2.6, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

1. SOORT STEUN

1.1. Wordt de steun toegekend ter bevordering van samenwerking die bijdraagt aan de verwezenlijking van een of meer van de doelstellingen van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 ( 564 )?

□ja□nee

Geef aan tot welke doelstelling van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 de gesteunde maatregel bijdraagt:

1.2. Zijn bij de samenwerking ten minste twee actoren betrokken?

□ja□nee

1.3. Gelieve te bevestigen dat alleen actoren die actief zijn in de bosbouwsector of de bosbouw- en landbouwsector, steun ontvangen:

□ja□nee

Op grond van punt 577 van de richtsnoeren kan de steun worden verleend om samenwerking te bevorderen waarbij ten minste twee actoren betrokken zijn. Die actoren hoeven niet noodzakelijk actief te zijn in de bosbouwsector of de bosbouw- en landbouwsector, maar de samenwerking mag alleen de bosbouwsector of de bosbouw- en landbouwsector ten goede komen.

1.4. Welke vorm kan de gesteunde samenwerking aannemen:

(a) 

□samenwerking tussen verschillende ondernemingen in de bosbouwsector en andere in de landbouw- en bosbouwsector actieve actoren die bijdragen tot de verwezenlijking van een of meer van de specifieke doelstellingen van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115, met inbegrip van producentengroeperingen en coöperaties;

(b) 

□de oprichting van clusters en netwerken;

1.5. Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt verleend voor samenwerking waarbij uitsluitend onderzoeksinstellingen betrokken zijn:

□ja□nee

2. IN AANMERKING KOMENDE KOSTEN EN STEUNINTENSITEIT

2.1. De steun wordt verleend voor samenwerking bij de volgende activiteiten:

(a) 

□proefprojecten;

(b) 

□de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, procedés en technologieën in de bosbouwsector;

(c) 

□samenwerking tussen kleinschalige marktdeelnemers in de bosbouwsector met als doel gemeenschappelijke werkprocedés op te zetten en voorzieningen en middelen te delen;

(d) 

□horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de toeleveringsketen met het oog op de oprichting en ontwikkeling van korte toeleveringsketens en lokale markten;

(e) 

□afzetbevorderingsactiviteiten in een lokale context met het oog op de ontwikkeling van korte toeleveringsketens en lokale markten;

(f) 

□collectieve actie met het oog op klimaatmitigatie of -adaptatie;

(g) 

□de uitvoering, met name door andere dan de in artikel 31, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/1060 ( 565 ) bedoelde groepen publieke en private partners, van andere dan de in artikel 32 van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde strategieën voor lokale ontwikkeling.

2.2. Als het gaat om steun voor de oprichting van clusters en netwerken, wordt die steun uitsluitend toegekend voor pas opgerichte clusters en netwerken en voor netwerken en clusters die een activiteit beginnen die nieuw voor hen is?

□ja□nee

Zo nee, dan mag deze steun niet worden toegekend op grond van de richtsnoeren.

2.3. Als het gaat om steun voor de oprichting en de ontwikkeling van korte voorzieningsketens, gaat die steun uitsluitend naar voorzieningsketens waarbij er tussen de bosbezitter of bosbeheerder en de consument hoogstens één intermediair is?

□ja□nee

2.4. Geef aan welke kosten in aanmerking komen, met dien verstande dat het alleen kan gaan om kosten die betrekking hebben op bosbouwactiviteiten:

(a) 

□kosten van studies van het betrokken gebied, kosten van haalbaarheidsstudies en kosten van het opstellen van een bedrijfsplan of een andere dan de in artikel 32 van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde strategie voor lokale ontwikkeling;

(b) 

□met de samenwerking gepaard gaande werkingskosten, zoals het salaris van een „coördinator”;

(c) 

□kosten van uit te voeren verrichtingen;

(d) 

□kosten van afzetbevorderingsactiviteiten.

(e) 

□kosten van het opstellen van bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten.

2.5. Wordt de steun gedurende ten hoogste zeven jaar verleend?

□ja□nee

2.6. Als de steun niet beperkt is tot een periode van zeven jaar, geef dan aan waarom van die termijn wordt afgeweken:

(a) 

□de steun wordt verleend voor de uitvoering, met name door andere dan de in artikel 31, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde groepen publieke en private partners, van andere dan de in artikel 32 van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde strategieën voor lokale ontwikkeling;

(b) 

□de steun wordt in naar behoren gemotiveerde gevallen verleend voor collectieve milieu- en klimaatacties ter verwezenlijking van specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen van artikel 6, lid 1, punten d), e) en f), van Verordening (EU) 2021/2115.

Motiveer waarom collectieve milieuacties een looptijd van meer dan zeven jaar hebben:

2.7. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 585 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten, behalve als het gaat om kosten van verrichtingen die bestaan uit investeringen.

2.8. Vermeld de maximale steunintensiteit voor de in punt 582, c), van de richtsnoeren bedoelde kosten van verrichtingen die uit investeringen bestaan:

Op grond van punt 584 van de richtsnoeren moeten de in punt 582, c), van de richtsnoeren bedoelde kosten van verrichtingen die bestaan uit investeringen, met name rechtstreekse kosten van specifieke projecten die verband houden met de uitvoering van een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument, beperkt blijven tot de in aanmerking komende kosten en de maximale steunintensiteiten voor investeringssteun in de bosbouwsector, als nader omschreven in deel II, afdeling 2.1, van de richtsnoeren (afdeling betreffende investeringssteun).

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.7.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE AANLOOPSTEUN VOOR PRODUCENTENGROEPERINGEN EN -ORGANISATIES IN DE BOSBOUWSECTOR

Dit informatieformulier moet worden gebruikt voor aanloopsteun voor producentengroeperingen en -organisaties in de bosbouwsector, als beschreven in deel II, afdeling 2.7, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

1. Gelieve te bevestigen dat alleen producentengroeperingen of -organisaties die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat officieel zijn erkend op grond van het door hen ingediende bedrijfsplan, voor steun in aanmerking komen:

□ja□nee

2. Is de lidstaat ertoe verplicht te verifiëren dat de doelstellingen van het bedrijfsplan binnen vijf jaar na de datum van erkenning van de producentengroepering of -organisatie zijn bereikt?

□ja□nee

3. Gelieve te bevestigen dat de in het kader van de producentengroepering of -organisatie vastgestelde overeenkomsten, besluiten en andere gedragingen voldoen aan de mededingingsvoorschriften zoals die van toepassing zijn krachtens de artikelen 206 tot en met 210 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013:

□ja□nee

4. Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt verleend aan:

(a) 

productieorganisaties, -entiteiten of -organen, zoals vennootschappen of coöperaties, die het beheer van een of meer bosbouwbedrijven tot doel hebben en die bijgevolg als een enkele producent moeten worden beschouwd;

(b) 

andere bosbouwverenigingen die op de bedrijven van de leden taken vervullen zoals wederzijdse bijstand en ondersteuning van het bedrijfsbeheer, zonder betrokken te zijn bij de gezamenlijke aanpassing van het aanbod aan de markt:

□ja□nee

5. Wordt de steun aan producentengroeperingen of -organisaties of, tot hetzelfde totaalbedrag, rechtstreeks aan de producenten verleend ter compensatie van hun bijdragen aan de exploitatiekosten van de groepering of organisatie in de eerste vijf jaar na de oprichting van de groepering?

□ja□nee

6. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□de kosten van het huren van geschikte panden;

(b) 

□de kosten van de aankoop van kantooruitrusting, de kosten van administratief personeel, overheadkosten, vergoedingen voor juridische en ambtelijke handelingen en de kosten van de aankoop van computerapparatuur en van aankoop of gebruik van computersoftware, cloudoplossingen of soortgelijke oplossingen.

7. Indien de steun wordt verleend voor de aankoop van de in vraag 6, punt a), van dit informatieformulier genoemde panden, zijn de kosten beperkt tot de huurkosten tegen markttarieven?

□ja□nee

8. Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt betaald voor kosten die worden gemaakt na het vijfde jaar nadat de bevoegde autoriteit van de lidstaat de producentengroepering of -organisatie op basis van haar bedrijfsplan heeft erkend.

□ja□nee

9. Als de steun in jaarlijkse tranches wordt betaald, betaalt de lidstaat de laatste tranche pas nadat hij heeft gecontroleerd dat het bedrijfsplan correct is uitgevoerd?

□ja□nee

10. Vermeld de steunintensiteit en het steunbedrag:

Op grond van punt 593 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten en op grond van punt 594 van de richtsnoeren moet de totale steun beperkt blijven tot 500 000  EUR.

11. Kunt u, als de steun rechtstreeks aan de producenten wordt verleend ter compensatie van hun bijdragen aan de exploitatiekosten van de groepering of organisatie in de eerste vijf jaar na de oprichting van de groepering of organisatie, bevestigen dat de steun op hoogstens eenzelfde totaalbedrag mag uitkomen?

□ja□nee

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.8.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE ANDERE STEUN VOOR DE BOSBOUWSECTOR WAARMEE MILIEU-, BESCHERMINGS- EN RECREATIEDOELEINDEN WORDEN NAGESTREEFD

Dit informatieformulier moet worden gebruikt voor staatssteun voor de bosbouwsector waarmee milieu-, beschermings- en recreatiedoeleinden worden nagestreefd, als beschreven in deel II, afdeling 2.8, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

1. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

1.1. Gelieve te bevestigen dat de staatssteunmaatregel in de eerste plaats tot doel heeft de milieu-, beschermings- en recreatiefunctie van het bos, de biodiversiteit en de gezondheid van het bos als ecosysteem in stand te houden, te verbeteren of te herstellen:

□ja□nee

1.2. Beschrijf hoe de maatregelen rechtstreeks bijdragen tot de instandhouding of het herstel van de milieu-, beschermings- en recreatiefunctie van het bos, de biodiversiteit en de gezondheid van het bos als ecosysteem.

1.3. Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt verleend voor bedrijven uit de houtsector, commercieel levensvatbare houtwinning, het vervoer van hout of de verwerking van hout of andere bosrijkdommen tot producten of tot energiebronnen.

□ja□nee

1.4. Gelieve te bevestigen dat geen steun wordt verleend voor het kappen van bomen waarvan het hoofddoel de commercieel levensvatbare houtwinning is, of voor herbebossing waarbij de gekapte bomen door soortgelijke exemplaren worden vervangen.

□ja□nee

1.5. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 598 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit voor alle in afdeling 2.8 van de richtsnoeren bedoelde maatregelen niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

1.6. Wordt de steun verleend aan ondernemingen die actief zijn in de bosbouwsector?

□ja□nee

2. CATEGORIEËN STEUN

2.1. Steun voor specifieke bosbouwacties en -interventies die vooral tot doel hebben bij te dragen tot het behoud of het herstel van het bosecosysteem en de biodiversiteit of het traditionele landschap

2.1.1. Gelieve te bevestigen dat steun voor het planten, snoeien, uitdunnen en kappen van bomen en andere vegetatie in bestaande bossen, het verwijderen van omgevallen bomen en de kosten van de planning van dergelijke maatregelen, steun voor de kosten van de behandeling en de preventie van de verspreiding van plagen, boomziekten en invasieve uitheemse soorten en steun voor het herstel van schade als gevolg van plagen, boomziekten en invasieve uitheemse soorten vooral tot doel hebben bij te dragen tot het behoud of het herstel van het bosecosysteem en de biodiversiteit of het traditionele landschap.

□ja□nee

2.1.2. Geef een nadere beschrijving van de maatregel:

2.1.3. Voor welke van de onderstaande in aanmerking komende kosten worden de steun voor de behandeling en de preventie van de verspreiding van plagen, boomziekten en invasieve uitheemse soorten en de steun voor het herstel van schade als gevolg van plagen, boomziekten en invasieve uitheemse soorten toegekend:

(a) 

□de kosten van preventie- en behandelingsmaatregelen, inclusief het voor herbeplanting gereedmaken van de bodem en de voor die maatregelen benodigde producten, werktuigen en materialen.

Als de steun voor deze kosten wordt toegekend, gelieve dan te bevestigen dat de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming die zijn vastgesteld in artikel 14 van Richtlijn 2009/128/EG ( 566 ) en bijlage III bij die richtlijn, worden nageleefd, met name wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, zoals voorgeschreven in artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 ( 567 ):

□ja□nee

(b) 

□het verlies van opstanden en herbebossingskosten tot de marktwaarde van de opstanden die op bevel van de autoriteiten zijn vernietigd om de betrokken ziekte of plaag te bestrijden. Bij de berekening van de aanwasverliezen mag de potentiële aanwas van de vernietigde opstanden tot de normale kapleeftijd in aanmerking worden genomen.

2.2.  □Steun in de bosbouwsector voor de instandhouding en de verbetering van de bodemkwaliteit en voor een evenwichtige en gezonde boomgroei

2.2.1. Wordt de steun verleend om de kwaliteit van de bodem in de bossen in stand te houden en te verbeteren en om voor een evenwichtige en gezonde boomgroei te zorgen?

□ja□nee

2.2.2. Geef een nadere beschrijving van de maatregel:

2.2.3. Omvatten de maatregelen bodemverbeterend bemesten, andere behandelingen voor het behoud van het natuurlijke evenwicht, uitdunning van te dichte vegetatie en werkzaamheden om te zorgen voor het voldoende vasthouden van water en goede drainering, met inbegrip van de planningskosten?

□ja□nee

2.2.4. Wordt de steun verleend voor de kosten van de planning van dergelijke maatregelen?

□ja□nee

2.2.5. Licht toe hoe wordt gegarandeerd dat de maatregelen de biodiversiteit niet doen afnemen, niet tot wegsijpeling van nutriënten leiden en geen negatieve invloed hebben op natuurlijke waterecosystemen of waterbeschermingsgebieden.

2.3.  □Steun in de bosbouwsector voor het herstel en het onderhoud van natuurlijke paden, landschapselementen en -kenmerken en van de natuurlijke habitat van dieren

2.3.1. Hebben de in aanmerking komende kosten betrekking op het herstel en het onderhoud van natuurlijke paden, landschapselementen en -kenmerken en van de natuurlijke habitat van dieren, met inbegrip van planningskosten?

□ja□nee

2.3.2. Geef een beschrijving van de maatregel en de in aanmerking komende kosten:

2.3.3. Gelieve te bevestigen dat maatregelen die gericht zijn op de uitvoering van Richtlijn 92/43/EEG ( 568 ) en Richtlijn 2009/147/EG ( 569 ), van dit soort steun zijn uitgesloten (voor deze maatregelen moet het formulier voor deel II, afdeling 2.2, van de richtsnoeren worden gebruikt).

□ja□nee

2.4.  □Steun voor het onderhoud van wegen om bosbranden te voorkomen

2.4.1. Gelieve te bevestigen dat de steun voor het onderhoud van wegen tot doel heeft bosbranden te voorkomen.

□ja□nee

2.4.2. Geef een beschrijving van de steunmaatregel:

2.4.3. Geef aan wat het verband is tussen het doel van de steun (bosbranden voorkomen) en het wegenonderhoud:

2.5. Steun voor het herstel van door beschermde dieren veroorzaakte schade in bossen

2.5.1. Zijn redelijke preventieve maatregelen genomen die in verhouding staan tot het risico van de schade die beschermde dieren in het betrokken bosgebied kunnen aanrichten?

□ja□nee

Als geen dergelijke redelijke preventieve maatregelen kunnen worden genomen, leg uit waarom:

2.5.2. Kan een rechtstreeks causaal verband worden aangetoond tussen de geleden schade en het gedrag van de dieren?

□ja□nee

2.5.3. Gelieve te bevestigen dat de steunregeling wordt ingesteld binnen drie jaar nadat de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, en dat de steun binnen vier jaar na die datum wordt betaald.

□ja□nee

2.5.4. Wordt de schade op het niveau van de individuele begunstigde berekend?

□ja□nee

2.5.5. Worden de kosten van de schade die als een rechtstreeks gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis is ontstaan, getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming?

□ja□nee

2.5.6. Over welke soort schade gaat het:

(a) 

□schade aan levende bomen. De steun mag als compensatie voor het verlies van opstanden en voor herbebossingskosten worden verleend tot de marktwaarde van de opstanden die door de beschermde dieren zijn vernietigd. Bij de berekening van de marktwaarde van de aanwasverliezen mag de potentiële aanwas van de vernietigde opstanden tot de normale kapleeftijd in aanmerking worden genomen;

(b) 

□andere kosten die de begunstigde wegens de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft gemaakt, zoals die van behandelingsmaatregelen, inclusief het voor herbeplanting gereedmaken van de bodem en de voor dergelijke activiteiten benodigde producten, werktuigen en materialen;

(c) 

□materiële schade aan de volgende activa: uitrusting, machines en gebouwen voor de bosbouw. De materiële schade moet worden berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de schadeveroorzakende gebeurtenis. Dat schadebedrag mag niet groter zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de gebeurtenis, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de activa onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de schadeveroorzakende gebeurtenis.

2.5.7. Zijn op dat bedrag de kosten in mindering gebracht die wegens de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zijn gemaakt en anders wel door de begunstigde zouden zijn gemaakt?

□ja□nee

2.5.8. Bedragen de steun en de eventuele andere betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van nationale of uniale maatregelen of verzekeringspolissen, ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten?

□ja□nee

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.9.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE BOSBOUWSECTOR DIE IN LIJN IS MET STEUNMAATREGELEN VOOR DE LANDBOUWSECTOR

Dit informatieformulier moet worden gebruikt voor staatssteun in de bosbouwsector die in lijn is met steunmaatregelen voor de landbouwsector, als beschreven in deel II, afdeling 2.9, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

  Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de bosbouwsector

1. Is het gesteunde project van belang voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke bosbouwsector of -subsector actief zijn?

□ja□nee

Zo ja, toon aan:

2. Zal vóór de datum waarop het gesteunde project van start gaat, op het internet de volgende informatie worden bekendgemaakt:

(a) 

de begindatum van het gesteunde project;

(b) 

de doelstellingen van het gesteunde project;

(c) 

de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesteunde project worden verwacht;

(d) 

de plaats waar de van het gesteunde project verwachte resultaten op het internet zullen worden bekendgemaakt;

(e) 

een verklaring dat de resultaten van het gesteunde project gratis beschikbaar zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken bosbouwsector of -subsector actief zijn.

□ja□nee

Verstrek bewijsstukken en nadere gegevens over het internetadres:

3. Worden de resultaten van het gesteunde project:

(a) 

op het internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesteunde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt;

□ja□nee

(b) 

gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesteunde project beschikbaar gesteld op het internet?

□ja□nee

Als het antwoord op punt a) of punt b) „ja” is, gelieve dit aan te tonen:

4. Wordt de steun rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding verleend?

□ja□nee

5. Gelieve te bevestigen dat de steun niet de vorm aanneemt van op de prijs van bosbouwproducten gebaseerde steun die wordt verleend aan ondernemingen die actief zijn in de bosbouwsector:

□ja□nee

6. Geef aan welke kosten in aanmerking komen:

(a) 

□personeelskosten voor onderzoekers, technisch en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het project bezighouden;

(b) 

□kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet gedurende hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

(c) 

□kosten van gebouwen en gronden, voor zover en zolang deze worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de met de looptijd van het project overeenstemmende afschrijvingskosten, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten van de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

(d) 

□kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden zijn ingekocht bij of in licentie zijn verkregen van externe bronnen, alsmede kosten van consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

(e) 

□bijkomende overheadkosten en andere operationele uitgaven, waaronder die van materiaal, leveranties en soortgelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

7. Vermeld de maximale steunintensiteit: …

Op grond van punt 623 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

  Steun voor ruilverkaveling van bosbouwgrond

1. Zijn de in aanmerking komende kosten beperkt tot de werkelijk gemaakte juridische en administratieve kosten en opmetingskosten van de ruilverkaveling?

□ja□nee

2. Geef een nadere beschrijving van de maatregel:

3. Vermeld de steunintensiteit: …

Op grond van punt 623 van de richtsnoeren mag de steunintensiteit niet hoger zijn dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

3.  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR PLATTELANDSGEBIEDEN

Dit formulier dient voor de aanmelding van staatssteunmaatregelen voor plattelandsgebieden, als beschreven in deel II, hoofdstuk 3, van de richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden („de richtsnoeren”).

Als de steun voor plattelandsgebieden wordt verleend in het kader van regels van de Unie die gemeenschappelijk zijn voor alle sectoren of die specifiek zijn voor de handel en de industrie, meld de staatssteunmaatregel dan aan met het aanmeldingsformulier voor die sectoren.

ALGEMENE SUBSIDIABILITEITSCRITERIA

1. Geef de categorie steun aan:

□ 

steun voor basisdiensten in plattelandsgebieden;

□ 

aanloopsteun voor niet-agrarische activiteiten in plattelandsgebieden;

□ 

steun voor agromilieuklimaatverbintenissen in plattelandsgebieden aan andere begunstigden dan landbouwers;

□ 

steun voor het opvangen van gebiedsspecifieke nadelen die het gevolg zijn van bepaalde verplichte vereisten aan andere begunstigden dan landbouwers;

□ 

steun ter bevordering en ondersteuning van kwaliteitsregelingen voor katoen of levensmiddelen en het gebruik daarvan door landbouwers;

□ 

steun voor samenwerking in plattelandsgebieden, met inbegrip van steun voor deelname aan projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) of projecten van operationele groepen van het Europees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP);

□ 

steun voor de oprichting van onderlinge fondsen.

2. Wordt de steun toegekend in het kader van een strategisch plan overeenkomstig Verordening (EU) 2021/2115?

□ja□nee

Zo nee, dan kan de steun niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt op grond van de richtsnoeren.

3. Vermeld het betrokken strategisch plan en de maatregel in het kader waarvan de steun wordt toegekend:

— 
Strategisch plan: …
— 
Maatregel: …

4. Wordt de maatregel uit het Elfpo gecofinancierd of gaat het om aanvullende nationale financiering?

(a) 

□gecofinancierd uit het Elfpo;

(b) 

□aanvullende nationale financiering.

5. Wordt de steun verleend voor werkkapitaal?

□ja□nee

Zo ja, wordt de steun verleend in de vorm van een financieringsinstrument?

□ja□nee

Op grond van punt 635, b), van de richtsnoeren mag steun voor werkkapitaal alleen worden toegekend als de steun in de vorm van financieringsinstrumenten wordt verstrekt.

Vermeld het (de) gebruikte financieringsinstrument(en):

6. Wordt de steun verleend als exploitatiesteun?

□ja□nee

Zo ja, dan kan die steun op grond van punt 635, c), van de richtsnoeren alleen als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd indien de betrokken wetgeving van de Unie uitdrukkelijk in dergelijke steun voorziet.

Indien dat het geval is, verwijs dan naar de betrokken wetgeving van de Unie:

7. Wordt de steun beschikbaar gesteld voor ondernemingen in moeilijkheden in de zin van punt 33, 63), van de richtsnoeren?

□ja□nee

Zo ja, let wel dat de Commissie, zoals aangegeven in punt 23 van de richtsnoeren, van mening is dat een onderneming in financiële moeilijkheden, aangezien haar bestaan zelf in het gedrang is, niet kan worden beschouwd als een passend instrument om tot de verwezenlijking van andere beleidsdoelstellingen van de overheid bij te dragen zolang niet vaststaat dat die onderneming zal overleven. Dergelijke steun moet dan ook voldoen aan de richtsnoeren van de Commissie voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden, tenzij de steun van de aanmeldingsverplichting is vrijgesteld.

8. Wordt de steun beschikbaar gesteld voor ondernemingen ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin steun als onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is aangemerkt?

□ja□nee

Zo ja, dan kan de steun niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt.

9. Is de steun bedoeld voor investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie?

□ja□nee

Zo ja, dan zijn de richtsnoeren niet van toepassing op de steun. Op grond van punt 637 van de richtsnoeren moet dergelijke steun voldoen aan de richtsnoeren voor staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 ( 570 ), tenzij de steun van de aanmeldingsverplichting is vrijgesteld.

OVERIGE INFORMATIE

Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel.

▼C3

DEEL III.12.R

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR PROMOTIE EN RECLAME VOOR LANDBOUWPRODUCTEN

Dit aanmeldingsformulier moet worden gebruikt voor staatssteun voor reclame voor in bijlage I bij het EG-Verdrag vermelde producten.

Gelieve te noteren dat promotieactiviteiten zoals de verspreiding van wetenschappelijke kennis onder het grote publiek, de organisatie van vakbeurzen of tentoonstellingen, deelneming daaraan, en vergelijkbare PR-evenementen, waaronder marktstudie en -onderzoek, niet als reclame worden beschouwd. Staatssteun voor dergelijke promotie in ruimere zin valt onder de punten IV.J en IV.K van de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013 ( 571 ).

1.    Reclamecampagnes in de Gemeenschap

1.1. Waar zal de reclamecampagne worden gevoerd?

Op de markt van een andere lidstaat.

Op de binnenlandse markt.

Wie zal de reclamecampagne voeren?

Producentengroeperingen of andere organisaties, ongeacht hun omvang.

Anderen (geef toelichting):

1.2. Kunnen de autoriteiten van uw land monsters of modellen van het reclamemateriaal bezorgen?



Ja

Neen

Zo neen, gelieve uit te leggen waarom niet.

1.3. Gelieve een volledige lijst van de subsidiabele uitgaven te verstrekken.

1.4. Wie zijn de begunstigden van de steun?

Landbouwers;

producentengroeperingen en/of -organisaties;

bedrijven die landbouwproducten verwerken en afzetten;

andere (specificeer):

1.5. Kunnen de autoriteiten van uw land garanderen dat alle producenten van de betrokken producten op dezelfde wijze van de steun kunnen profiteren?



Ja

Neen

1.6. Zal de reclamecampagne betrekking hebben op kwaliteitsproducten, waaronder wordt verstaan producten die voldoen aan de overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad ( 572 ) vast te stellen criteria?



Ja

Neen

1.7. Zal de reclamecampagne betrekking hebben op door de Europese Unie erkende benamingen die naar de oorsprong van de producten verwijzen?



Ja

Neen

1.8. Zo ja, komen deze verwijzing exact overeen met de verwijzingen die door de Gemeenschap zijn geregistreerd?



Ja

Neen

1.9. Zal de reclamecampagne betrekking hebben op producten met een nationaal of regionaal kwaliteitslabel?



Ja

Neen

1.10. Verwijst het label op enigerlei wijze naar de nationale oorsprong van de betrokken producten?



Ja

Neen

1.11. Zo ja, toon aan dat de verwijzing naar de oorsprong van de producten op het label van ondergeschikt belang zal zijn.

1.12. Is de reclame algemeen van aard en komt zij aan alle producenten van het betrokken type product ten goede?



Ja

Neen

1.13. Zo ja, wordt in de reclame nergens verwezen naar de oorsprong van de producten?



Ja

Neen

Zo neen, dan wijzen wij erop dat krachtens punt VI.D van de richtsnoeren geen steun voor dergelijke campagnes mag worden verleend.

1.14. Zal de campagne er rechtstreeks op gericht zijn reclame te maken voor de producten van specifieke ondernemingen?



Ja

Neen

Zo ja, dan wijzen wij u erop dat krachtens punt VI.D van de richtsnoeren geen steun voor dergelijke campagnes mag worden verleend.

1.15. Zal de reclamecampagne voldoen aan artikel 2 van Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame ( 573 ) en in voorkomend geval aan de specifieke etiketteringsvoorschriften die voor diverse producten (wijn, zuivelproducten, eieren en slachtpluimvee) zijn vastgesteld?



Ja

Neen

Zo neen, dan wijzen wij u erop dat krachtens punt VI.D van de richtsnoeren geen steun voor dergelijke campagnes mag worden verleend.

1.16. Het steunpercentage bedraagt :

maximaal 50 % (exact percentage vermelden: %) omdat de sector de rest van de campagne zelf financiert;

maximaal 100 % (exact percentage vermelden: %) omdat de sector de rest van de campagne financiert door parafiscale heffingen of verplichte bijdragen;

maximaal 100 % (exact percentage vermelden: %) omdat de reclamecampagne algemeen van aard is en alle producenten van het betrokken type product ten goede komt.

2.    Reclamecampagnes in derde landen

2.1 Strookt de reclamecampagne met de beginselen van Verordening (EG) nr. 2702/1999 van de Raad ( 574 )?



Ja

Neen

Zo neen, dan wijzen wij u erop dat krachtens punt VI.D van de richtsnoeren geen steun voor dergelijke campagnes mag worden verleend.

Zo ja, verstrek gegevens waaruit blijkt dat de reclamecampagne in overeenstemming is met de beginselen van Verordening (EG) nr. 2702/1999.

2.2. Heeft de reclamecampagne betrekking op producten van specifieke ondernemingen?



Ja

Neen

Zo ja, dan wijzen wij u erop dat krachtens punt VI.D van de richtsnoeren geen steun voor dergelijke campagnes mag worden verleend.

2.3. Dreigt de reclamecampagne de verkoop van producten uit andere lidstaten in gevaar te brengen of stelt zij producten uit andere lidstaten in een kwaad daglicht?



Ja

Neen

Zo ja, dan wijzen wij u erop dat krachtens punt VI.D van de richtsnoeren geen steun voor dergelijke campagnes mag worden verleend.

DEEL III.12.S

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN MET BETREKKING TOT BELASTINGVRIJSTELLING OP GROND VAN RICHTLIJN 2003/96/EG

Dit formulier moet worden gebruikt voor de aanmelding van staatssteun met betrekking tot belastingvrijstelling op grond van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad ( 575 ).

1. Wat houdt de geplande maatregel in?

Belastingverlaging in verband met motorbrandstoffen voor gebruik bij primaire landbouwproductie.

Belastingverlaging in verband met energieproducten en elektriciteit voor gebruik bij primaire landbouwproductie.

2. Hoe groot is de voorgenomen verlaging?

3. Op grond van welk artikel van Richtlijn 2003/96/EG wenst u deze vrijstelling toe te passen?

4. Wordt de hoogte van de vrijstelling in de betrokken sector gedifferentieerd?



Ja

Neen

5. Als de Raad de mogelijkheid schrapt om een tot nul verlaagd belastingniveau toe te passen op voor de landbouw gebruikte energieproducten en elektriciteit, zal de beoogde vrijstelling dan beantwoorden aan alle ter zake relevante bepalingen van de richtlijn, zonder belastingdifferentiatie in de betrokken sector?



Ja

Neen

Geef aan welk(e) artikel(en) van de richtlijn zullen worden toegepast.

DEEL III.12.T

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE BOSSECTOR

Dit formulier moet worden gebruikt voor de aanmelding van maatregelen inzake staatssteun voor de bossector zoals bedoeld in hoofdstuk VII van de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013 ( 576 ).

1.    Doel van de maatregel

1.1. Draagt de maatregel bij tot het behoud, het herstel of de verbetering van de ecologische, beschermings- en recreatiefunctie van de bossen, de biodiversiteit en de gezondheid van het bos als ecosysteem of heeft die betrekking op de in de punten 175-181 van hoofdstuk VII van de richtsnoeren vermelde subsidiabele kosten?



Ja

Neen

Zo neen, let wel dat alleen maatregelen die ten minste één van deze doelstellingen of subsidiabele kosten betreffen, krachtens hoofdstuk VII kunnen worden goedgekeurd.

2.    Subsidiabiliteitscriteria

2.1. Sluit de maatregel steun uit voor de op bos gebaseerde industrie, de commercieel levensvatbare houtwinning, het vervoeren van hout of de verwerking van hout of andere bosrijkdommen tot producten of tot energiebronnen?



Ja

Neen

Zo neen, let wel dat steun voor de bovengenoemde doelstellingen niet binnen de werkingssfeer van hoofdstuk VII van de richtsnoeren valt. Gelieve voor dergelijke steun andere regels inzake staatssteun te raadplegen.

3.    Soort steun

3.1. Omvat de maatregel steun voor het planten, rooien, uitdunnen en snoeien van bomen en andere vegetatie (punt VII.C, onder a))?



Ja

Neen

Zo ja, geef aan of de subsidiabele kosten betrekking hebben op:

planten, rooien en snoeien in het algemeen,

het verwijderen van omgevallen bomen,

het herstellen van door luchtvervuiling, dieren, storm, overstroming, brand of soortgelijke gebeurtenissen veroorzaakte schade aan bossen,

Als een van de bovenstaande doelstellingen wordt beoogd, kunt u dan een beschrijving van de maatregel geven en bevestigen dat de maatregel in hoofdzaak bedoeld is om bij te dragen tot het behoud of het herstel van het bosecosysteem en de biodiversiteit ervan of van het traditionele landschap en dat geen steun wordt verleend voor het kappen van bomen waarvan het hoofddoel commercieel levensvatbare houtwinning is en evenmin voor herbebossing in het geval dat gekapte bomen door soortgelijke exemplaren worden vervangen:

bebossing om de bosbedekking uit te breiden,

Kunt u de milieuredenen vermelden die bebossing ter uitbreiding van de bosbedekking rechtvaardigen en bevestigen dat geen steun zal worden toegekend voor bebossing met soorten die met een korte omloop worden geteeld:

bebossing om de biodiversiteit te bevorderen,

Beschrijf de maatregel en geef aan om welke gebieden het gaat:

bebossing met het oog op de aanleg van beboste gebieden voor recreatiedoeleinden,

Zijn deze beboste gebieden gratis voor het publiek toegankelijk voor recreatiedoeleinden? Zo neen, is de toegang beperkt om kwetsbare gebieden te beschermen:

bebossing om erosie en woestijnvorming tegen te gaan of een vergelijkbare beschermingsfunctie van het bos te creëren,

Geef een beschrijving van de maatregelen, met vermelding van de betrokken gebieden, de beoogde beschermingsfunctie, de aan te planten boomsoorten, en de eventueel te nemen begeleidende en onderhoudsmaatregelen:

andere (gelieve toe te lichten):

3.2. Omvat de maatregel steun voor het onderhouden en verbeteren van de bodemkwaliteit in bossen en/of het zorgen voor een evenwichtige en gezonde boomgroei (punt VII.C, onder b))?



Ja

Neen

Zo ja, geef aan of de subsidiabele kosten betrekking hebben op:

bemesting,

andere bodembehandelingen,

Geef aan om welke soort bemesting en/of andere bodembehandeling het gaat:

uitdunning van te dichte vegetatie,

werkzaamheden om voor voldoende waterbehoud te zorgen en goede drainage.

Kunt u bevestigen dat deze maatregelen er niet toe leiden dat de biodiversiteit achteruit gaat of voedingsstoffen uitspoelen en dat zij geen negatieve invloed hebben op natuurlijke watersystemen of waterbeschermingsgebieden, en beschrijven hoe dit alles in de praktijk zal worden gecontroleerd:

3.3. Omvat de maatregel steun voor de preventie, bestrijding en behandeling van boomziekten, plagen en door plagen veroorzaakte schade, de preventie en behandeling van door dieren aangerichte schade of het nemen van gerichte maatregelen om bosbranden te voorkomen (punt VII.C, onder c))?



Ja

Neen

Zo ja, geef aan of de subsidiabele kosten betrekking hebben op:

preventie en behandeling van boomziekten, plagen en door plagen veroorzaakte schade of de preventie en behandeling van door dieren aangerichte schade,

Geef aan om welke plagen, ziekten of dieren het gaat:

Geef een beschrijving van de preventie- en behandelingsmethoden en vermeld de daarvoor benodigde producten, apparaten en materialen. Wordt bij de toekenning van de steun de voorkeur gegeven aan biologische en mechanische preventie- en behandelingsmethoden? Zo neen, toon aan dat die methoden niet volstaan om de betrokken ziekte of plaag te bestrijden:

gerichte maatregelen om bosbranden te voorkomen.

Geef een beschrijving van de maatregelen:

Wordt er steun verleend als compensatie voor de waarde van de opstanden die worden vernietigd door dieren dan wel op bevel van de overheid om de betrokken ziekte of plaag te bestrijden?



Ja

Neen

Kunt u beschrijven hoe de waarde van de opstanden zal worden berekend en bevestigen dat de compensatie tot de aldus vastgestelde waarde zal worden beperkt:

3.4. Omvat de maatregel steun voor het herstellen en in stand houden van natuurlijke paden, landschapselementen en -kenmerken en de natuurlijke habitat voor dieren (punt VII.C, onder d))?



Ja

Neen

Zo ja, geef een beschrijving van de maatregelen:

3.5. Omvat de maatregel steun voor het aanleggen, verbeteren en onderhouden van boswegen en/of infrastructuur voor bezoekers (punt VII.C, onder e))?



Ja

Neen

Zo ja, geef een beschrijving van de maatregelen:

Zijn het voor recreatiedoeleinden gebruikte bos en de infrastructuur gratis voor het publiek toegankelijk voor deze doeleinden?



Ja

Neen

Zo neen, is de toegang beperkt om kwetsbare gebieden te beschermen of omdat het noodzakelijk is voor een deugdelijk en veilig gebruik van de infrastructuur? Gelieve de beperkingen en de redenen daarvoor te vermelden:

3.6. Omvat de maatregel steun voor de kosten van voorlichtingsmateriaal en -activiteiten (punt VII.C, onder f))?



Ja

Neen

Zo ja, kunt u de maatregelen beschrijven en bevestigen dat de acties en het materiaal waarvoor steun wordt verleend, algemene informatie over bossen ter beschikking stellen en niet verwijzen naar met naam genoemde producten of producenten, en evenmin reclame maken voor binnenlandse producten:

3.7. Omvat de maatregel steun voor de aankoop van als natuurbeschermingsgebied gebruikte of te gebruiken bosgrond (punt VII.C, onder g))?



Ja

Neen

Zo ja, kunt u een gedetailleerde beschrijving geven van het gebruik voor natuurbeschermingsdoeleinden van de betrokken bosgrond en bevestigen dat door middel van een uit regelgeving voortvloeiende of contractuele verplichting is gegarandeerd dat deze bosgrond volledig en permanent voor natuurbeschermingsdoeleinden is bestemd:

3.8. Omvat de maatregel steun voor de bebossing van landbouwgrond of niet-landbouwgrond, voor de totstandbrenging van boslandbouwsystemen op landbouwgrond, voor Natura 2000-betalingen of bosmilieubetalingen, voor het herstel van het bosbouwpotentieel, voor het treffen van preventieve maatregelen of voor niet-productieve investeringen, dit alles in het kader van de artikelen 43 tot en met 49 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad ( 577 ) of bepalingen ter vervanging daarvan?



Ja

Neen

Zo ja, toon aan dat de maatregel voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 43 tot en met 49 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of bepalingen ter vervanging daarvan:

3.9. Omvat de maatregel steun voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de toepassing van milieuvriendelijke bosbouwtechnologie?



Ja

Neen

Zo ja, kunt u de toegepaste technologie gedetailleerd beschrijven en bevestigen dat die verder gaat dan de naleving van de relevante dwingende eisen:

Wordt de vergoeding betaald op basis van een vrijwillige verbintenis die door de betrokken bosbezitter wordt aangegaan en die voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 47 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of bepalingen ter vervanging daarvan?



Ja

Neen

Zo neen, dan wijzen wij erop dat de steun niet kan worden toegestaan krachtens hoofdstuk VII van de richtsnoeren. Zo ja, geef een beschrijving van de verbintenissen:

3.10. Omvat de maatregel steun voor de aankoop van bosgrond (andere dan voor milieubeschermingsdoeleinden gebruikte of te gebruiken bosgrond; zie punt 3.7)?



Ja

Neen

Zo ja, beschrijf de maatregel en geef de steunintensiteit aan:

3.11. Omvat de maatregel steun voor opleiding, adviesdiensten, zoals de opstelling van bedrijfsplannen of bosbeheersplannen, haalbaarheidsstudies en deelname aan wedstrijden, tentoonstellingen en beurzen?



Ja

Neen

Zo ja, toon aan dat de maatregel voldoet aan de voorwaarden van artikel 15 van de vrijstellingsverordening:

3.12. Omvat de maatregel steun voor de oprichting van verenigingen van bosbouwers?



Ja

Neen

Zo ja, toon aan dat de maatregel voldoet aan de voorwaarden van artikel 9 van de vrijstellingsverordening:

3.13. Omvat de maatregel steun voor de verspreiding van nieuwe technieken, zoals redelijke, kleinschalige proef- of demonstratieprojecten?



Ja

Neen

Zo ja, beschrijf de maatregelen en toon aan dat zij aan de voorwaarden van punt 107 van de richtsnoeren voldoen:

4.    Steunbedrag

4.1. Wordt de steun voor de in de punten 3.1 tot en met 3.7 vermelde maatregelen beperkt tot 100 % van de subsidiabele kosten en is overcompensatie uitgesloten?



Ja

Neen

Beschrijf hoe zal worden gecontroleerd of overcompensatie is uitgesloten:

4.2. Wordt de steun voor de in punt 3.8 vermelde maatregelen beperkt tot de maximumintensiteit of het maximumbedrag zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1698/2005 of bepalingen ter vervanging daarvan?



Ja

Neen

Worden de in punt 3.8 vermelde maatregelen gecofinancierd in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of bepalingen ter vervanging daarvan, of wordt dergelijke cofinanciering overwogen of is zij mogelijk?



Ja

Neen

Zo ja, beschrijf hoe eventuele dubbele financiering die tot overcompensatie leidt, wordt uitgesloten:

4.3. Kan de vergoeding voor de in punt 3.9 vermelde maatregelen hoger zijn dan het op grond van artikel 47 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 in de bijlage bij die verordening vastgestelde maximumbedrag, met dien verstande dat de steun in geen geval hoger zal zijn dan de aangetoonde extra kosten en gederfde inkomsten?



Ja

Neen

Vermeld in beide gevallen het steunbedrag en de wijze waarop het is berekend. Als het antwoord ja is, beschrijf dan de specifieke omstandigheden en het milieueffect van de maatregelen en geef berekeningen waaruit blijkt dat de extra steunbedragen beperkt zijn tot de aangetoonde extra kosten en/of gederfde inkomsten:

4.4. Wordt de steun voor de in punt 3.10 vermelde maatregelen beperkt tot de maximale steunintensiteit die voor de aankoop van landbouwland is vastgesteld in artikel 4 van de vrijstellingsverordening?



Ja

Neen

Beschrijf hoe zal worden gecontroleerd of overcompensatie is uitgesloten:

4.5. Wordt de steun voor de in de punten 3.11 tot en met 3.13 vermelde maatregelen beperkt tot de maximale steunintensiteit die is bepaald in de desbetreffende voorschriften van de vrijstellingsverordening of de richtsnoeren?



Ja

Neen

Beschrijf hoe zal worden gecontroleerd of overcompensatie is uitgesloten:

▼M8

DEEL III.13.A

Formulier aanvullende informatie voor investeringssteun aan luchthavens

Wanneer u investeringssteun aanmeldt die valt onder de richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen  ( 578 ) (hierna „de richtsnoeren” genoemd), kunt u het best dit formulier aanvullende informatie invullen naast het formulier „Deel I. Algemene informatie”.

1.    Bijkomende informatie over de begunstigde, het investeringsproject en de steun

1.1.   De begunstigde onderneming

1.1.1.

Wordt de steun rechtstreeks aan de eigenaar van de luchthaven verleend?



□Ja.

□Neen.

1.1.2.

Hebt u op punt 1.1.1 „neen” geantwoord, beschrijf dan (voor zover van toepassing) i) de rechtspersoon/rechtspersonen die de steun ontvangt/ontvangen, en ii) de rechtspersoon/rechtspersonen die de steun overdraagt/overdragen aan een intermediaire entiteit of aan de luchthaven die het investeringsproject uitvoert:

1.1.3.

Hebt u op punt 1.1.1 „neen” geantwoord, leg dan uit hoe de nationale autoriteiten waarborgen dat geen voordeel wordt toegekend op de intermediaire niveaus:

1.1.4.

In het geval van individuele steun: Beschrijf de juridische, organisatorische en financiële banden tussen de ontvanger van de steun en i) de ondernemingen waarmee die ontvanger deel uitmaakt van een groep ondernemingen, ii) de dochterondernemingen van de ontvanger van de steun, en iii) andere verbonden ondernemingen, met inbegrip van gemeenschappelijke ondernemingen.

In het geval van steunregelingen: Beschrijf de methode waarmee de steunverlenende autoriteit de hierboven genoemde juridische, organisatorische en financiële banden zal beoordelen:

1.1.5.

Zal de begunstigde de infrastructuur ook exploiteren?



□Ja.

□Neen.

1.1.6.

Hebt u op de bovenstaande vraag „neen” geantwoord, beschrijf dan i) de procedure waarmee de infrastructuurexploitant zal worden gekozen of is gekozen, en ii) de selectiecriteria:

1.1.7.

Ingeval de luchthaven(s) wordt (worden) gebruikt door de nationale strijdkrachten, de politiediensten, niet-economische luchtreddingsdiensten of iedere andere niet-economische dienst ten behoeve van het luchtverkeer, geef dan aan: a) wat de aard van die diensten is, en b) het percentage van de luchthavencapaciteit dat zij benutten (bijv. gebruik van de start- en landingsbanen en andere luchthavenvoorzieningen, uitgedrukt als percentage van het aantal vliegbewegingen per jaar):

1.1.8.

Verschaf de volgende gegevens over de passagiersstromen op de luchthaven(s) die de steun ontvangt (ontvangen):

a) 

voor luchthavens waarvoor voor meer dan twee boekjaren gegevens over commercieel reizigersverkeer beschikbaar zijn: het gemiddelde aantal passagiers per jaar gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun wordt aangemeld of daadwerkelijk wordt toegekend:

b) 

voor luchthavens waarvoor voor minder dan twee boekjaren gegevens over commercieel reizigersverkeer beschikbaar zijn: het verwachte gemiddelde aantal passagiers per jaar gedurende de twee boekjaren na de aanvang van de exploitatie van commercieel reizigersverkeer:

c) 

voor alle luchthavens: het verwachte gemiddelde aantal passagiers per jaar gedurende de verwachte economische levensduur van de gesubsidieerde infrastructuur:

Verschaf de gegevens per luchthaven in tabelvorm (volgens het onderstaande voorbeeld):



Jaar

Totaal aantal passagiers

 

 

 

 

Voor passagiersaantallen moet worden gerekend met enkele reizen (trajecten). Een passagier die bijvoorbeeld van en naar de luchthaven vliegt, moet tweemaal worden geteld. Indien de luchthaven deel uitmaakt van een groep van luchthavens wordt de passagiersstroom bepaald op basis van iedere afzonderlijke luchthaven.

1.2.   Het investeringsproject

1.2.1.

Beschrijf het investeringsproject en alle onderliggende ramingen. Verschaf het ex-ante-businessplan waarop het project is gebaseerd (in de vorm van een Excel-tabel). Dit businessplan moet de hele economische levensduur van de investering bestrijken. Alle ramingen moeten berusten op deugdelijke vraagprognoses. Leg uit of en in hoeverre met die ramingen rekening is gehouden in het businessplan van de begunstigde luchthaven.

1.2.2.

Geef de volgende informatie over het investeringsproject:



Datum steunaanvraag:

 

Datum aanvang werkzaamheden aan het investeringsproject:

 

Geplande einddatum werkzaamheden investeringsproject:

 

Geplande aanvangsdatum exploitatie investering:

 

Datum waarop de volledige capaciteit volgens planning wordt bereikt:

 

1.2.3.

Geef in één tabel een gedetailleerde uitsplitsing van alle uit te voeren werkzaamheden, de financieringsbronnen ervan, de geplande looptijd, de betrokken kostenposten en de geplande datum waarop zij in bedrijf komen.

Geef voor elke kostenpost aan of en waarom die moet worden beschouwd als een investeringsuitgave die i) rechtstreeks verband houdt met niet-economische infrastructuur die binnen de overheidstaken valt (bijv. veiligheid, luchtverkeersleiding en alle andere activiteiten waarvoor een lidstaat verantwoordelijk is wegens de uitoefening van zijn overheidsmacht) of ii) verband houdt met luchtvaartgebonden luchthaveninfrastructuur van economische aard (bijv. start- en landingsbaan, grondafhandelingsinfrastructuur), dan wel iii) verband houdt met niet-luchtvaartgebonden infrastructuur van economische aard (bijv. parkeerruimten, hotels).



Soort werkzaamheden

Financiering

Kostenstructuur

Tijdschema

 

 

 

 

 

 

 

 

1.2.4.

Geef een overzicht van i) de totale in aanmerking komende investeringskosten ( 579 ) van economische aard, en ii) de totale in aanmerking kosten van niet-economische aard. De kosten moeten contant gemaakt zijn. Vermeld ook de disconteringsvoet.

Geef in dat overzicht aan welk deel van de aangemelde steun naar investeringen uit categorie i) zal gaan en welk deel naar investeringen uit categorie ii):

1.2.5.

Ingeval investeringskosten met betrekking tot niet-luchtvaartgebonden activiteiten van economische aard ook uit staatssteun worden gefinancierd: leg uit op grond waarvan de autoriteiten dit soort steun verenigbaar achten met de interne markt:

1.2.6.

Hebt u voor de betrokken investering een milieueffectbeoordeling uitgevoerd of zegt u toe dat te zullen doen (punt 20 van de richtsnoeren)?



□Ja.

□Neen.

Zo niet, waarom is er voor dit project geen milieueffectbeoordeling vereist?

1.3.   Niet-economische activiteiten die tot de overheidstaken behoren

1.3.1.

Omvat de investering activiteiten waarvoor een lidstaat verantwoordelijk is wegens de uitoefening van zijn overheidsmacht (zoals luchtverkeersleiding, politietaken, douane, brandweer en activiteiten om de burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden)? Investeringen met betrekking tot de infrastructuur en uitrusting die nodig zijn om dit soort activiteiten uit te voeren, worden doorgaans geacht niet-economisch van aard te zijn en vallen dus niet onder het toepassingsgebied van de staatssteunregels. Neem alle betrokken investeringen op in de tabel uit deel 1.2.3.



□Ja.

□Neen.

1.3.2.

Geef hier de nationale, regionale of andere rechtsinstrumenten met betrekking tot het begrip „activiteiten die tot de overheidstaken behoren”, alsmede de financiering ervan. Bestaat dit soort rechtsinstrument niet, licht dan toe hoe die activiteiten doorgaans door de betrokken autoriteiten worden gefinancierd:

1.3.3.

Verschaf bewijsstukken waaruit blijkt dat overheidsfinanciering van niet-economische activiteiten niet leidt tot ongerechtvaardigde discriminatie tussen luchthavens. Discriminatie speelt wanneer het in de betrokken rechtsorde de regel is dat burgerluchthavens bepaalde kosten moeten dragen die verbonden zijn aan hun niet-economische activiteiten, terwijl dat voor bepaalde burgerluchthavens niet het geval is. Geef aan wat de inhoudelijke en territoriale toepasselijkheid is van de nationale regels voor de financiering van niet-economische activiteiten van luchthavens en (in voorkomend geval) hoever de regionale bevoegdheid ter zake reikt:

1.3.4.

Bevestig, aan de hand van het nodige bewijsmateriaal, dat de vergoeding van kosten gemaakt in verband met niet-economische activiteiten strikt beperkt blijft tot die kosten en dat alle kruissubsidiëring van economische activiteiten via dit soort vergoeding daadwerkelijk is uitgesloten:

1.3.5.

Bevestig dat de luchthaven een gescheiden kostprijsadministratie zal voeren voor economische en niet-economische activiteiten:

2.    Verenigbaarheidsbeoordeling van de maatregel

2.1.   Bijdrage aan een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang

2.1.1.

Wordt met de investeringssteun:

a)□ 

de mobiliteit van burgers van de Unie verbeterd en worden regio's beter ontsloten door het oprichten van toegangspunten voor vluchten binnen de Unie?

b)□ 

de congestie in het vliegverkeer op belangrijke hubs in de Unie bestreden?

c)□ 

de regionale ontwikkeling bevorderd?

Geef nader aan hoe de investeringssteun bijdraagt tot het behalen van elk van de gekozen doelstellingen.

2.1.2.

Dient de investering om nieuwe luchthavencapaciteit te creëren?



□Ja.

□Neen.

2.1.3.

Hebt u op de vraag in punt 2.1.2 „ja” geantwoord? Toon dan aan, op basis van het in deel 1.2 (Het investeringsproject) bedoelde ex-ante-businessplan, dat de nieuwe infrastructuur — op de middellange termijn — zal voldoen aan de verwachte vraag van luchtvaartmaatschappijen, passagiers en expediteurs in het verzorgingsgebied van de luchthaven: …

2.1.4.

In het geval van individuele investeringssteun: Deelt de begunstigde luchthaven haar verzorgingsgebied ( 580 ) met een andere luchthaven die niet op (bijna) volledige capaciteit draait?



□Ja.

□Neen.

Zo ja, verschaf dan de volgende gegevens: a) grootte en omvang van het verzorgingsgebied; b) de afstand en de reistijd tussen de begunstigde luchthaven en luchthavens in hetzelfde verzorgingsgebied; c) de passagiersstromen van andere luchthavens in hetzelfde verzorgingsgebied in de vijf jaar vóór het jaar van aanmelding; d) de verwachte totale vraag en totale capaciteit in het verzorgingsgebied van de gesteunde luchthaven voor ten minste de komende tien jaar, volgens het businessplan in een worstcase-, een basis en bestcasescenario:

2.1.5.

In het geval van steunregelingen: Geef: a) de locatie en de verzorgingsgebieden van in aanmerking komende luchthavens in het gebied waarin de regeling van toepassing is; b) de afstand en de reistijd tussen de in aanmerking komende luchthavens en andere luchthavens in hetzelfde verzorgingsgebied; c) de methode en de criteria die de nationale autoriteiten zullen gebruiken voor het bepalen van de omvang en de vorm van de verzorgingsgebieden en de capaciteitsbenutting van luchthavens in hetzelfde verzorgingsgebied:

2.1.6.

In het geval van individuele investeringssteun: Indien u op punt 2.1.4 „ja” hebt geantwoord, geef dan informatie waaruit het verwachte effect blijkt van de investering op het gebruik van reeds bestaande infrastructuur in hetzelfde verzorgingsgebied. Die informatie moet de vooruitzichten voor het gebruik op middellange termijn laten zien, moet zijn gebaseerd op deugdelijke prognoses voor passagiers- en vrachtstromen, en moet zijn verwerkt in het ex-ante-businessplan van de begunstigde luchthaven:

2.1.7.

In het geval van individuele investeringssteun: Indien u op punt 2.1.4 „ja” hebt geantwoord, geef dan prognoses van de passagiersaantallen in worstcase-, basis- en bestcasescenario's. Leg ook uit waarom die prognoses volgens u verantwoorden dat investeringssteun wordt gegeven voor het creëren van extra capaciteit of het in stand houden van bestaande capaciteit:

2.2.   Noodzaak van overheidsmaatregelen

2.2.1.

In het geval van individuele investeringssteun: Leg uit, aan de hand van het businessplan van de luchthaven, in hoeverre de mogelijkheden van de luchthaven om haar kapitaalkosten te dekken afhankelijk zijn van de grootte van de luchthaven in termen van jaarlijkse passagiersstromen.

2.2.2.

In het geval van individuele investeringssteun: Waarom zou de luchthaven onvoldoende particuliere financiering kunnen krijgen?

2.2.3.

In het geval van steunregelingen: Bevestig hier dat de steunverlenende autoriteit de noodzaak van overheidsmaatregelen in ieder individueel geval zal nagaan op grond van i) de grootte van de luchthaven ( 581 ) en ii) de mogelijkheden van de luchthaven om particuliere financiering aan te trekken.

2.3.   Geschiktheid van de maatregel

2.3.1.

Toon aan dat de betrokken steun een geschikt instrument is om de beoogde doelstelling te bereiken of de betrokken problemen op te lossen. Leg meer bepaald uit hoe de overheid heeft vastgesteld dat dezelfde doelstelling niet kan worden behaald en dat hetzelfde probleem niet kan worden opgelost met minder verstorende beleids- of steuninstrumenten en dat de betrokken steun een geschikt beleidsinstrument is. Wordt de steun bijvoorbeeld toegekend in een vorm die een direct financieel voordeel oplevert ( 582 )? Toon dan aan waarom andere, potentieel minder verstorende vormen van steun zoals terugbetaalbare voorschotten of vormen van steun die zijn gebaseerd op schuld- of eigenvermogensinstrumenten ( 583 ), niet geschikt zijn.

2.4.   Stimulerend effect van de steun

2.4.1.

In het geval van individuele investeringssteun: Bevestig hier dat de werkzaamheden aan de aangemelde individuele investering pas van start zijn gegaan nadat de steunaanvraag was ingediend. Verschaf een kopie van de steunaanvraag die de begunstigde bij de steunverlenende autoriteit heeft ingediend. Verschaf ook bewijsmateriaal voor de datum van aanvang van de werkzaamheden.

2.4.2.

In het geval van steunregelingen: Bevestig hier dat de werkzaamheden aan in aanmerking komende projecten pas van start zullen gaan nadat de steunaanvraag bij de steunverlenende autoriteit is ingediend.

2.4.3.

In het geval van individuele investeringssteun: Beschrijf de omvang van de geplande activiteiten in een scenario mét steun en een nulscenario zonder steun. Onderbouw een en ander met bewijsstukken, bijvoorbeeld interne documenten met betrekking tot alternatieve activiteiten die de begunstigde luchthaven in haar interne besluitvorming heeft overwogen.

2.4.4.

In het geval van individuele investeringssteun: Wanneer een nulscenario met alternatieve activiteiten beschikbaar is, maak dan een vergelijking tussen beide scenario's waarbij u nader aangeeft welke bijkomende activiteiten alleen mét de steun zouden worden ondernomen (analyse aan de hand van een nulscenario).

In het geval van individuele investeringssteun: Wanneer een nulscenario met alternatieve activiteiten niet beschikbaar is, geef dan specifiek aan wat de zogeheten „financieringskloof voor de kapitaalkosten” is zoals die, op basis van een vooraf opgesteld ex-ante-businessplan is bepaald. (De „financieringskloof voor de kapitaalkosten” is de netto contante waarde van het verschil tussen de positieve en negatieve kasstromen (met inbegrip van investeringskosten in vaste activa) gedurende de levensduur van de investering).

2.4.5.

In het geval van steunregelingen: a) bevestig dat de steunverlenende autoriteit pas individuele steun in het kader van de steunregeling zal verlenen nadat zij zich ervan heeft vergewist dat er een stimulerend effect is door een vergelijking te maken tussen de omvang van de geplande activiteiten mét en zonder steun (analyse aan de hand van een nulscenario) of, wanneer er zonder steun geen alternatieve activiteiten zouden zijn, door de financieringskloof voor de kapitaalkosten te bepalen ( 584 ) op basis van een ex-ante-businessplan voor de luchthaven van de begunstigde; b) beschrijf alle onderliggende input-data, parameters en aannames die de steunverlenende autoriteit zal toetsen bij haar analyse van het stimulerende effect.

2.5.   Evenredigheid van de steun

2.5.1.

In het geval van individuele investeringssteun: Wanneer een nulscenario met alternatieve activiteiten beschikbaar is: a) verschaf dan (in de vorm van Excel-tabellen) het ex-ante-businessplan voor het scenario mét steun en het nulscenario zonder steun; b) geef op basis daarvan nader aan: de netto extrakosten en de netto extra-inkomsten die de uitvoering van het gesteunde project of de gesteunde activiteit oplevert, vergeleken met het project/de activiteit in het nulscenario; c) licht de onderliggende input-data, parameters en aannames toe.

De businessplannen moeten de volledige economische levensduur van de investering bestrijken:

2.5.2.

In het geval van individuele investeringssteun: Wanneer geen nulscenario met alternatieve activiteiten beschikbaar is: a) verschaf dan (in de vorm van een Excel-tabel) het ex-ante-businessplan van de begunstigde luchthaven; b) geef op basis daarvan aan wat de financieringskloof voor de kapitaalkosten is, d.w.z. de netto contante waarde van het verschil tussen de positieve en negatieve kasstromen (met inbegrip van investeringskosten) gedurende de levensduur van de investering; c) licht de onderliggende input-data, parameters en aannames toe:

2.5.3.

In het geval van steunregelingen: Zegt u het volgende toe: a) om in iedere zaak het nulscenario zonder steun te onderzoeken op basis van ex-ante-businessplannen; b) om de netto extrakosten en de netto extra-inkomsten te bepalen die de uitvoering van het gesteunde project of de gesteunde activiteit oplevert, vergeleken met het project/de activiteit in het nulscenario in die gevallen waarin een nulscenario met alternatieve activiteiten voorhanden is; c) om aan te geven wat de financieringskloof voor de kapitaalkosten is (d.w.z. de netto contante waarde van het verschil tussen de positieve en negatieve kasstromen (met inbegrip van investeringskosten) gedurende de levensduur van de investering) in die gevallen waarin geen alternatieve activiteiten zouden hebben plaatsgevonden.

Beschrijf alle onderliggende input-data, parameters en aannames die de steunverlenende autoriteit zal toetsen bij haar onderzoek en analyse:

2.5.4.

Steunintensiteit

Hoeveel bedraagt het maximale percentage van de in aanmerking komende kosten dat door investeringssteun wordt gedekt („steunintensiteit”), met inbegrip van eventuele opslagen op de basissteunintensiteit?

Wanneer een steunregeling geldt voor luchthavens van uiteenlopende grootte, geef dan de maximale steunintensiteit die voor de volgende groepen luchthavens geldt.



Grootte luchthaven, op basis van gemiddelde passagiersstroom (passagiers per jaar)

Maximale intensiteit investeringssteun

> 3-5 miljoen

 

1-3 miljoen

 

< 1 miljoen

 

2.6.   Vermijden van negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

2.6.1.

Bevestig hier dat de luchthaven, met inbegrip van alle infrastructuur en uitrusting waarvoor investeringssteun wordt verleend, openstaat voor alle potentiële gebruikers en niet gebonden is aan één specifieke gebruiker.

2.6.2.

Welke maatregelen zijn genomen om te verzekeren dat de capaciteit van de luchthaven aan gebruikers wordt toegewezen aan de hand van relevante, objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria?

2.7.   Aanmelding van individuele steun in het kader van een regeling voor investeringssteun

2.7.1.

De volgende individuele steunmaatregelen in het kader van de regeling voor investeringssteun moeten worden aangemeld overeenkomstig artikel 108, lid 1, VWEU:

a) 

Investeringssteun voor luchthavens met een jaarlijkse gemiddelde passagiersstroom van meer dan 3 miljoen passagiers.

b) 

Investeringssteun met een steunintensiteit van meer dan 75 % voor een luchthaven met een jaarlijkse gemiddelde passagiersstroom van minder dan 1 miljoen passagiers, behoudens luchthavens in afgelegen gebieden.

c) 

Investeringssteun voor de verplaatsing van luchthavens.

d) 

Investeringssteun voor het financieren van een gemengde passagiers-/vrachtluchthaven die meer dan 200 000 ton vracht verwerkt gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin de steun wordt aangemeld.

e) 

Investeringssteun om een nieuwe passagiersluchthaven aan te leggen (met inbegrip van de ombouw van een bestaande luchthaven tot een passagiersluchthaven).

f) 

Investeringssteun voor de aanleg of uitbouw van een luchthaven die binnen een afstand van 100 km of een reistijd van 60 minuten met de auto, bus, trein of hogesnelheidstrein van een bestaande luchthaven ligt.

▼M11

DEEL III.13.B

FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE VOOR EXPLOITATIESTEUN AAN LUCHTHAVENS

Wanneer u individuele exploitatiesteun aanmeldt die valt onder de richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen  ( 585 ) (hierna „de richtsnoeren” genoemd), kunt u het best dit formulier aanvullende informatie invullen naast het formulier „Deel I. Algemene informatie”.

1. BIJKOMENDE INFORMATIE OVER DE BEGUNSTIGDE EN ZIJN ACTIVITEITEN

Wanneer u individuele exploitatiesteun aanmeldt die valt onder de richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen  ( 586 ) (hierna „de richtsnoeren” genoemd), kunt u het best dit formulier aanvullende informatie invullen naast het formulier „Deel I. Algemene informatie”.

1.1.  Begunstigde

1.1.1.  Wordt de steun rechtstreeks aan de exploitant van de luchthaven verleend?

□Ja□Nee

1.1.2.  Hebt u op punt 1.1.1 „neen” geantwoord, beschrijf dan (voor zover van toepassing) i) de rechtspersoon/rechtspersonen die de steun ontvangt/ontvangen, en ii) de rechtspersoon/rechtspersonen die, als intermediaire entiteit, verantwoordelijk is/zijn voor het overdragen van de steun aan de luchthaven die de voor steun in aanmerking komende diensten verricht.

1.1.3.  Hebt u op punt 1.1.1 „neen” geantwoord, leg dan uit hoe de autoriteiten waarborgen dat geen voordeel wordt toegekend op de intermediaire niveaus.

1.1.4.  Is de begunstigde van de steun ook de eigenaar van de luchthaven?

□Ja□Nee

1.1.5.  Hebt u op punt 1.1.4 „neen” geantwoord, wie is/wordt dan de eigenaar van de luchthaven? Beschrijf ook de eigendomsstructuur:

1.1.6.  In het geval van individuele steun: beschrijf de juridische, organisatorische en financiële banden tussen de ontvanger van de steun en i) de ondernemingen waarmee die ontvanger deel uitmaakt van een groep ondernemingen, (ii) de dochterondernemingen; iii) andere verbonden ondernemingen, met inbegrip van gemeenschappelijke ondernemingen.

In het geval van steunregelingen: beschrijf de methode waarmee de steunverlenende autoriteit de in de punten 1.1.1 t/m 1.1.5 genoemde juridische, organisatorische en financiële banden zal beoordelen.

1.2.  Algemene informatie over de luchthavenexploitant

1.2.1.  Ingeval de luchthaven(s) wordt (worden) gebruikt door de nationale strijdkrachten, de politiediensten, niet-economische luchtreddingsdiensten of iedere andere niet-economische dienst ten behoeve van het luchtverkeer, geef dan aan: a) wat de aard van de dienst(en) is, en b) het percentage van de luchthavencapaciteit dat zij benutten (bijvoorbeeld gebruik van de start- en landingsbanen en andere luchthavenvoorzieningen, uitgedrukt als percentage van het aantal vliegbewegingen per jaar).

1.2.2.  Verschaf de volgende gegevens over de passagiersstromen op de luchthaven(s) die de steun ontvangt (ontvangen):

(a) 

voor luchthavens waarvoor voor meer dan twee boekjaren gegevens over commercieel reizigersverkeer beschikbaar zijn: het gemiddelde aantal passagiers per jaar gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun wordt aangemeld of daadwerkelijk wordt toegekend.

(b) 

voor luchthavens waarvoor voor minder dan twee boekjaren gegevens over commercieel reizigersverkeer beschikbaar zijn: het verwachte gemiddelde aantal passagiers gedurende de twee boekjaren na de aanvang van de exploitatie van commercieel reizigersverkeer.

Verschaf de gegevens in tabelvorm (volgens het onderstaande voorbeeld). [gekopieerd van blz. 188, punt 2.2.3]



Jaar

Totaal aantal passagiers

 

 

 

 

Voor passagiersaantallen moet worden gerekend met enkele reizen (trajecten). Bijvoorbeeld: een passagier die van en naar de luchthaven vliegt, moet tweemaal worden geteld. Indien de luchthaven deel uitmaakt van een groep van luchthavens, wordt de passagiersstroom bepaald op basis van iedere luchthaven afzonderlijk.

1.2.3.  In het geval van individuele exploitatiesteun: verstrek het businessplan dat de begunstigde in de periode 2009-2013 heeft uitgevoerd en dat hij tot en met 4 april 2027 wil uitvoeren. Beschrijf de aannames die aan die businessplannen ten grondslag liggen.

Het businessplan moet bevatten: informatie over verkeersstromen en prognoses daarvan; kosten en kostenprognoses; financiële gegevens en financiële prognoses voor het niveau van de winstgevendheid en kasstromen (gebruikmakend van methodieken die aantoonbaar door de luchthaven worden gebruikt, bijvoorbeeld methoden voor het bepalen van de netto contante waarde (NCW) van het project, de interne opbrengstvoet (IRR) en het gemiddelde rendement op geïnvesteerd vermogen (ROCE)). Verschaf het businessplan in Excel-formaat, met toelichting bij alle onderliggende formules.

In het geval van steunregelingen: geef in detail aan: a) aan welke formele en materiële criteria businessplannen van in aanmerking komende luchthavens moeten voldoen, en b) welke methode de nationale autoriteiten zullen gebruiken om de businessplannen te beoordelen.

1.2.4.  In het geval van individuele exploitatiesteun: geef een beknopt overzicht van de exploitatietekorten ( 587 )die de begunstigde in de periode 2009-2013 boekte en van de exploitatietekorten die volgens de prognoses voor de resterende periode tot en met 4 april 2027 worden verwacht. Verschaf die gegevens in tabelvorm (volgens het onderstaande voorbeeld).



Inkomsten

 

 

 

 

 

 

 

 

Exploitatiekosten

 

 

 

 

 

 

 

 

Overige

 

 

 

 

 

 

 

 

Bedrijfsresultaten

 

 

 

 

In het geval van steunregelingen: welke methode zullen de autoriteiten gebruiken om de exploitatietekorten van in aanmerking komende luchthavens vast te stellen?

1.2.5.  In het geval van individuele exploitatiesteun: verschaf exemplaren van de financiële verslaggeving van de in aanmerking komende luchthavens ( 588 )voor de vijf jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag van exploitatiesteun.

In het geval van steunregelingen: zegt u toe om de bovengenoemde financiële verslaggeving te laten meewegen in de beoordeling van individuele steun?

1.2.6.  Welke maatregelen zijn genomen om overcompensatie te vermijden en om overschotten terug te vorderen van de begunstigde?

1.3.  Activiteiten inzake luchthavendiensten

1.3.1.  Welke luchthavendiensten ( 589 )komen in aanmerking en welke categorieën exploitatiekosten ( 590 )komen in aanmerking voor het verrichten van die diensten?

1.4.  Activiteiten die tot de overheidstaken behoren

1.4.1.  Gaat de exploitatiesteun naar activiteiten waarvoor een lidstaat verantwoordelijk is wegens de uitoefening van zijn overheidsmacht (zoals luchtverkeersleiding, politietaken, douane, brandweer en activiteiten om de burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden)? Exploitatiekosten met betrekking tot de infrastructuur en uitrusting die nodig zijn om dit soort activiteiten uit te voeren, worden doorgaans geacht niet-economisch van aard te zijn en vallen dus niet onder het toepassingsgebied van de staatssteunregels.

□Ja□Nee

1.4.2.  Geef hier de desbetreffende nationale, regionale of andere rechtsinstrumenten met betrekking tot het begrip „activiteiten die tot de overheidstaken behoren”, alsmede de financiering ervan. Bestaat dit soort rechtsinstrument niet, licht dan toe hoe die activiteiten doorgaans door de betrokken autoriteiten worden gefinancierd.

1.4.3.  Verschaf bewijsstukken waaruit blijkt dat overheidsfinanciering van niet-economische activiteiten niet leidt tot ongerechtvaardigde discriminatie tussen luchthavens. Discriminatie speelt wanneer het in de betrokken rechtsorde de regel is dat burgerluchthavens bepaalde kosten moeten dragen die verbonden zijn aan hun niet-economische activiteiten, terwijl dat voor bepaalde burgerluchthavens niet het geval is. Geef aan wat de inhoudelijke en territoriale toepasselijkheid is van de nationale regels voor de financiering van niet-economische activiteiten van luchthavens en (in voorkomend geval) hoever de regionale bevoegdheden ter zake reiken.

1.4.4.  Bevestig, aan de hand van het nodige bewijsmateriaal, dat de vergoeding van kosten gemaakt in verband met niet-economische activiteiten strikt beperkt blijft tot die kosten en dat alle kruissubsidiëring van economische activiteiten via dit soort vergoeding daadwerkelijk is uitgesloten.

1.4.5.  Bevestig dat de luchthaven een gescheiden kostprijsadministratie zal voeren voor economische en niet-economische activiteiten.

2. VERENIGBAARHEIDSBEOORDELING VAN DE MAATREGEL

2.1.  Is de steun toegekend vóór 4 april 2014?

□Ja□Nee

2.2.  Bijdrage aan duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang

2.2.1.  Wordt met de exploitatiesteun:

(a) 

□de mobiliteit van burgers van de Unie verbeterd en worden regio’s beter ontsloten door het oprichten van toegangspunten voor vluchten binnen de Unie?

(b) 

□de congestie in het vliegverkeer op belangrijke hubs in de Unie bestreden?

(c) 

□de regionale ontwikkeling bevorderd?

Geef nader aan hoe de exploitatiesteun bijdraagt tot het behalen van de gekozen doelstelling(en).

2.2.2.  Betreft de aangemelde maatregel de exploitant van een nieuwe luchthaven?

□Ja□Nee

2.2.3.  In het geval van individuele exploitatiesteun: deelt de begunstigde luchthaven haar verzorgingsgebied ( 591 )met een andere luchthaven met reservecapaciteit?

□Ja□Nee

2.2.4.  In het geval van individuele exploitatiesteun: Hebt u op punt 2.2.3 „ja” geantwoord? Geef dan de omvang en de vorm van het verzorgingsgebied. Verschaf informatie waaruit blijkt wat het verwachte effect op het verkeer op de andere luchthavens in datzelfde verzorgingsgebied is. Die informatie moet in het businessplan van de begunstigde luchthaven zijn opgenomen en moet zijn gebaseerd op deugdelijke prognoses voor passagiers- en vrachtstromen.

In het geval van steunregelingen: kunt u a) bevestigen dat de autoriteiten hebben toegezegd om een beoordeling te maken van het verwachte effect op de verkeersstromen van een andere luchthaven of andere luchthavens die in hetzelfde verzorgingsgebied ligt of liggen als de in aanmerking komende luchthaven, op basis van de informatie die in het businessplan van de begunstigde luchthaven is opgenomen en die is gebaseerd op deugdelijke prognoses voor passagiers- en vrachtstromen?, en b) toelichting geven bij de methode en de criteria die de nationale autoriteiten zullen hanteren om het verwachte effect op de verkeersstromen van die andere luchthaven(s) te beoordelen?

2.3.  Noodzaak van overheidsmaatregelen

2.3.1.  Bevestig hier dat de jaarlijkse passagiersstroom van de luchthaven/de in aanmerking komende luchthavens niet meer dan 3 miljoen passagiers bedraagt (zie ook punt 1.2.2).

2.4.  Geschiktheid van de maatregel

2.4.1.  Toon aan dat de betrokken steun een geschikt instrument is om de beoogde doelstelling te bereiken of de betrokken problemen op te lossen. Leg meer bepaald uit hoe de autoriteiten hebben vastgesteld dat dezelfde doelstelling niet kan worden behaald of dat hetzelfde probleem niet kan worden opgelost met minder verstorende beleids- of steuninstrumenten. Wordt de steun bijvoorbeeld toegekend in een vorm die een direct financieel voordeel oplevert ( 592 )? Toon dan aan waarom andere, potentieel minder verstorende vormen van steun zoals terugbetaalbare voorschotten of vormen van steun die zijn gebaseerd op schuld- of eigenvermogensinstrumenten ( 593 ), niet geschikt zijn.

2.4.2.  In het geval van individuele exploitatiesteun: is het steunbedrag vooraf vastgesteld als een vast bedrag dat de verwachte financieringskloof voor de exploitatiekosten dekt, vastgesteld op basis van het businessplan van de begunstigde?

□Ja□Nee

Zo ja, verschaf dan de nodige informatie in het businessplan.

2.4.3.  In het geval van steunregelingen: wordt het steunbedrag in elk individueel geval vooraf vastgesteld als een vast bedrag dat de verwachte financieringskloof voor de exploitatiekosten dekt, vastgesteld op basis van het businessplan van de begunstigde?

□Ja□Nee

Zo ja, dan moet de begunstigde de nodige informatie verschaffen in het businessplan.

2.4.4.  Hebt u op de punten 2.4.2 en 2.4.3 „neen” geantwoord, geef dan aan: a) de mate van onzekerheid waarmee de kosten- en inkomstenprognoses zijn omgeven, en b) alle informatieasymmetrieën waardoor de nationale autoriteiten het steunbedrag niet vooraf kunnen berekenen op basis van een businessplan.

2.4.5.  Hebt u op de punten 2.4.2 en 2.4.3 „neen” geantwoord, bevestig dan hier dat het maximumbedrag van de verenigbare exploitatiesteun is/zal worden berekend volgens een model dat is gebaseerd op het gemiddelde van de financieringskloof voor de exploitatiekosten ( 594 )over de vijfjaarsperiode 2009-2013.

2.4.6.  Bevestig dat het bedrag van de exploitatiesteun achteraf niet zal worden verhoogd.

□Ja□Nee

2.4.7.  Ingeval u op de bovenstaande vraag „neen” hebt geantwoord, leg dan uit waarom u vindt dat de mogelijkheid van een ex-post-verhoging niet zal leiden tot een vermindering van de prikkels om de luchthaven doelmatig te beheren.

2.5.  Stimulerend effect en noodzaak van de steun

2.5.1.  In het geval van individuele exploitatiesteun: beschrijf waarom de kans bestaat dat, zonder de steun, het niveau van de economische activiteiten van de luchtvaartmaatschappij op de betrokken luchthaven aanzienlijk zou zijn gedaald. Verschaf de nodige informatie op basis van het businessplan (zie ook punt 1.2.3), waarbij u de omvang van de geplande activiteiten mét en zonder steun (nulscenario) vergelijkt, rekening houdende met de mogelijke beschikbaarheid van investeringssteun en de omvang van de verkeersstromen.

In het geval van steunregelingen: beschrijf de methode die de steunverlenende autoriteit heeft gehanteerd om de businessplannen te beoordelen, alsmede hoe waarschijnlijk het is dat, zonder de steun, het volume van de economische activiteit op de betrokken luchthaven aanzienlijk zou afnemen, rekening houdende met de mogelijke beschikbaarheid van investeringssteun en de omvang van de verkeersstromen.

2.5.2.  In het geval van individuele exploitatiesteun: toon aan dat het businessplan van de luchthaven ertoe leidt dat de exploitatiekosten tegen 4 april 2027 volledig zullen zijn gedekt. Vermeld de betreffende sleutelparameters van het businessplan.

In het geval van steunregelingen: bevestig dat de steunverlenende autoriteit individuele slechts exploitatiesteun zal toekennen indien zij tot de conclusie is gekomen dat het businessplan van de begunstigde luchthaven ertoe leidt dat de exploitatiekosten tegen 4 april 2027 volledig zullen zijn gedekt. Vermeld welke sleutelparameters van het businessplan de steunverlenende autoriteiten zullen beoordelen om in elke zaak tot die conclusie te komen.

2.5.3.  Vermeld:

in het geval van individuele exploitatiesteun: de initiële financieringskloof van de begunstigde luchthaven over dertien jaar, beginnend met de dekking van de exploitatiekosten op 4 april 2014 bij het begin van de overgangsperiode, om uit te komen op volledige dekking van de exploitatiekosten tegen 4 april 2027, aan het eind van de overgangsperiode.

in het geval van steunregelingen: zeg toe dat a) de financieringskloof van in aanmerking komende luchthavens zal worden vastgesteld aan de hand van de in punt 2.5.2 bedoelde methode, en b) in aanmerking komende luchthavens moeten aantonen dat zij tegen 4 april 2027 een volledige dekking van de exploitatiekosten zullen bereiken.

— 
Het maximaal toegestane steunbedrag:
— 
Het percentage van de financieringskloof dat door de exploitatiesteun moet worden gedekt:
— 
De periode waarin exploitatiesteun zal worden toegekend:

2.6.  Vermijden van negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

2.6.1.  Toon aan dat alle luchthavens die in hetzelfde verzorgingsgebied liggen als de in aanmerking komende luchthaven(s) tegen 4 april 2027 hun exploitatiekosten volledig zullen kunnen dekken.

2.6.2.  Bevestig hier dat de luchthaven(s), met inbegrip van alle investeringen waarvoor steun wordt toegekend, zal (zullen) openstaan voor alle potentiële gebruikers en niet is (zijn) gebonden aan één specifieke gebruiker.

□Ja□Nee

2.6.3.  Welke maatregelen zijn genomen om te verzekeren dat de capaciteit van de luchthaven aan gebruikers wordt toegewezen aan de hand van relevante, objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria?

▼M8

DEEL III.13.C

Formulier aanvullende informatie voor aanloopsteun voor luchtvaartmaatschappijen

Wanneer u aanloopsteun aanmeldt die valt onder de richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen  ( 595 ) (hierna „de richtsnoeren” genoemd), kunt u het best dit formulier aanvullende informatie invullen naast het formulier „Deel I. Algemene informatie”.

Dit formulier dient voor het aanmelden van zowel steunregelingen als individuele steun.

1.    Bijkomende informatie over de begunstigde, het project en de steun

1.1.   De begunstigde onderneming

1.1.1.

Wordt de steun rechtstreeks verleend aan de luchtvaartmaatschappij die de nieuwe verbinding exploiteert?



□Ja.

□Neen.

1.1.2.

Hebt u op punt 1.1.1 „neen” geantwoord, beschrijf dan (voor zover van toepassing) de rechtspersoon (of rechtspersonen) die a) de steun ontvangt (ontvangen) en b) de steun overdraagt (overdragen) aan een intermediaire entiteit of aan de luchtvaartmaatschappij die de nieuwe verbinding exploiteert.

1.1.3.

Hebt u op punt 1.1.1 „neen” geantwoord, leg dan uit hoe de autoriteiten waarborgen dat de intermediaire niveaus geen voordeel ontvangen.

1.1.4.

In het geval van individuele steun: Beschrijf de juridische, organisatorische en financiële banden tussen de ontvanger van de steun en a) de ondernemingen waarmee die ontvanger deel uitmaakt van een groep ondernemingen, b) de dochterondernemingen van de ontvanger van de steun, en c) andere verbonden ondernemingen, met inbegrip van gemeenschappelijke ondernemingen.

In het geval van steunregelingen: Beschrijf de methode waarmee de steunverlenende autoriteit die juridische, organisatorische en financiële banden zal beoordelen.

1.1.5.

De selectie van de begunstigde onderneming: Beschrijf: a) de procedure waarmee de begunstigde wordt of is gekozen; b) de media waarin de selectieprocedure werd aangekondigd en de mate van ruchtbaarheid die aan de procedure is gegeven; c) de subsidiabiliteitsvoorwaarden; d) de operationele vereisten, en e) de selectiecriteria.

2.    Verenigbaarheidsbeoordeling van de maatregel

2.1.   Bijdrage aan een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang

2.1.1.

Wordt met de aanloopsteun:

a)□ 

de mobiliteit van burgers van de Unie verbeterd en worden regio's beter ontsloten door nieuwe verbindingen te openen?

b)□ 

de regionale ontwikkeling van afgelegen gebieden bevorderd?

Leg uit hoe de steun bijdraagt tot het behalen van de gekozen doelstelling:

2.1.2.

In het geval van individuele steun: Toon aan dat de verbinding of verbindingen nog niet op vergelijkbare voorwaarden wordt of worden bediend door een hogesnelheidstreindienst ( 596 ) of vanaf een andere luchthaven in hetzelfde verzorgingsgebied ( 597 ). Indien de voorwaarden niet als vergelijkbaar worden beschouwd, leg dan uit waarom.

In het geval van steunregelingen: Leg uit hoe de steunverlenende autoriteit zal waarborgen dat de voorwaarde uit dit punt bij ieder individueel geval van aanloopsteun wordt nageleefd:

2.2.   Noodzaak van overheidsmaatregelen

2.2.1.

Waarvoor is de aanloopsteun bestemd?

a)□ 

Verbindingen die een luchthaven met minder dan 3 miljoen passagiers per jaar ( 598 ) verbinden met een andere luchthaven in de Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte (ECAA) ( 599 ).

b)□ 

Verbindingen die een luchthaven in een afgelegen gebied verbinden met een andere luchthaven (al dan niet in de Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte (ECAA)), ongeacht de grootte van de betrokken luchthavens.

c)□ 

Verbindingen naar een luchthaven met tussen 3 en 5 miljoen passagiers per jaar en die niet is gelegen in een afgelegen gebied. Onderbouw in dit geval grondig de specifieke omstandigheden.

d)□ 

Andere (specificeer a.u.b.):

2.2.2.

In het geval van individuele steun: Geef de locatie van de luchthavens die met de in aanmerking komende nieuwe verbindingen worden aangevlogen:

2.2.3.

In het geval van individuele steun waarbij de aanloopsteun bestemd is voor verbindingen tussen een luchthaven die niet in een afgelegen gebied ligt en een andere luchthaven: Verschaf de volgende gegevens over passagiersstromen op de luchthavens die door de nieuwe verbinding(en) worden verbonden:

a) 

voor luchthavens waarvoor voor meer dan twee boekjaren gegevens over commercieel reizigersverkeer beschikbaar zijn: het gemiddelde aantal passagiers per jaar gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun is aangemeld of toegekend;

b) 

voor luchthavens waarvoor voor minder dan twee boekjaren gegevens over commercieel reizigersverkeer beschikbaar zijn: het verwachte gemiddelde aantal passagiers gedurende de twee boekjaren na de aanvang van de exploitatie van commercieel reizigersverkeer.

Verschaf de gegevens in tabelvorm (volgens het onderstaande voorbeeld).



Jaar

Luchthaven

Luchthaven

Jaar

Aantal passagiers

Aantal passagiers

Jaar

Aantal passagiers

Aantal passagiers

Voor passagiersaantallen moet worden gerekend met enkele reizen (trajecten). Een passagier die bijvoorbeeld van en naar de luchthaven vliegt, moet tweemaal worden geteld. Indien een luchthaven deel uitmaakt van een groep van luchthavens wordt de passagiersstroom bepaald voor de afzonderlijke luchthaven.

2.2.4.

In het geval van steunregelingen: Leg uit hoe de steunverlenende autoriteit, op basis van de locatie van de luchthaven, de gegevens over passagiersstromen en verbindingen, zal beoordelen of er behoefte is aan overheidsmaatregelen in elk individueel geval van aanloopsteun:

2.3.   Geschiktheid van de maatregel?

2.3.1.

In het geval van individuele steun: Toon aan dat de betrokken steun een geschikt instrument is om de beoogde doelstelling te bereiken of de betrokken problemen op te lossen. Leg meer bepaald uit hoe de autoriteiten hebben vastgesteld dat dezelfde doelstelling niet kan worden behaald en dat hetzelfde probleem niet kan worden opgelost met minder verstorende beleids- of steuninstrumenten. Wordt de steun bijvoorbeeld toegekend in een vorm die een direct financieel voordeel oplevert ( 600 )? Toon dan aan dat andere, potentieel minder verstorende vormen van steun zoals terugbetaalbare voorschotten of vormen van steun die gebaseerd zijn op schuld- of eigenvermogensinstrumenten (600) , niet geschikt zijn:

2.3.2.

In het geval van individuele steun waarin de begunstigde luchtvaartmaatschappij een ex-antebusinessplan heeft opgesteld voor de verbinding waarvoor steun wordt ontvangen: Verschaf dat businessplan. Uit dat businessplan moet blijken of die verbinding na drie jaar winstgevend kan zijn voor de luchtvaartmaatschappij zonder dat voor die verbinding nog overheidsfinanciering wordt ontvangen:

2.3.3.

In het geval van individuele steun waarin geen ex-ante-businessplan is opgesteld voor de verbinding waarvoor steun wordt ontvangen: Verschaf een document waaruit blijkt dat de betrokken luchtvaartmaatschappij onherroepelijk heeft toegezegd om de verbinding te blijven exploiteren voor een periode die ten minste even lang duurt als de periode waarvoor zij aanloopsteun heeft ontvangen:

2.3.4.

In het geval van steunregelingen: Leg uit hoe de steunverlenende autoriteit zal beoordelen of de maatregel geschikt is in ieder individueel geval waarin aanloopsteun is toegekend:

2.4.   Stimulerend effect en evenredigheid van de maatregel

2.4.1.

In het geval van individuele steun: Leg uit, indien mogelijk aan de hand van een businessplan, waarom de kans bestaat dat, zonder de steun, het niveau van de economische activiteiten van de luchtvaartmaatschappij op de betrokken luchthaven niet zou zijn toegenomen:

In het geval van steunregelingen: Beschrijf de methode die de steunverlenende autoriteit toepast om te beoordelen hoe groot de kans is dat, zonder de steun, het niveau van de economische activiteiten van de luchtvaartmaatschappij op de betrokken luchthaven niet zou zijn toegenomen:

2.4.2.

In het geval van individuele steun: Bevestig dat de exploitatie van de nieuwe verbinding pas zal worden/is opgestart ná indiening van de steunaanvraag bij de steunverlenende autoriteit. Verschaf ook: a) een kopie van de steunaanvraag die de begunstigde aan de steunverlenende autoriteit heeft gezonden; b) bewijsstukken voor de datum van aanvang van de exploitatie van de nieuwe verbinding.

In het geval van steunregelingen: Bevestig dat in aanmerking komende nieuwe verbindingen pas zullen worden opgestart nadat de steunaanvraag is ingediend bij de steunverlenende autoriteit:

2.4.3.

Bevestig dat de steun voor elke verbinding zal worden toegekend voor een periode van maximaal drie jaar:

2.4.4.

Wat is de steunintensiteit, d.w.z. het totale steunbedrag uitgedrukt als percentage van de in aanmerking komende kosten ( 601 )? Beide bedragen moeten zijn uitgedrukt in netto contante waarde op het tijdstip waarop de steun wordt verleend en vóór aftrek van belastingen of andere heffingen:

2.4.5.

Welke maatregelen zijn genomen om overcompensatie te vermijden en om overschotten van toegekende steun terug te vorderen van de begunstigde luchtvaartmaatschappij?

2.4.6.

Welke maatregelen zijn genomen om kruissubsidiëring te voorkomen van andere verbindingen van de begunstigde luchtvaartmaatschappij van en naar de betrokken luchthaven(s)?

2.5.   Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

2.5.1.

In het geval van individuele steun: Bevestig dat de nieuwe luchtverbinding (bijv. een stedenpaar) niet reeds op vergelijkbare voorwaarden — met name in termen van reistijd — wordt verzorgd door een hogesnelheidstreindienst of door een andere luchthaven in hetzelfde verzorgingsgebied. Zie ook punt 2.1.2.

In het geval van steunregelingen: Leg uit hoe de steunverlenende autoriteit zal waarborgen dat de voorwaarde uit dit punt wordt nageleefd bij ieder individueel geval waarin aanloopsteun wordt toegekend:

2.5.2.

Verschaf bewijsstukken waaruit blijkt dat de overheid die een luchtvaartmaatschappij, al dan niet via een luchthaven, aanloopsteun wilde verlenen voor de nieuwe verbinding, haar voornemen tijdig heeft kenbaar gemaakt of hieraan tijdig voldoende ruchtbaarheid zal geven om alle geïnteresseerde luchtvaartmaatschappijen in de gelegenheid te stellen hun diensten aan te bieden:

2.5.3.

Bevestig dat de aanloopsteun niet mag worden gecumuleerd met andere vormen van staatssteun die worden toegekend voor de exploitatie van dezelfde verbinding:

DEEL III.13.D

Formulier aanvullende informatie voor steunmaatregelen van sociale aard op het gebied van luchtvervoersdiensten (artikel 107, lid 2, onder a), van het Verdrag)

Wanneer u steun van sociale aard aanmeldt die valt onder de richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen  ( 602 ) (hierna „de richtsnoeren” genoemd), kunt u het best dit formulier aanvullende informatie invullen naast het formulier „Deel I. Algemene informatie”.

1.    Informatie over de begunstigde(n), het project en de steun

1.1.

Licht de sociale doelstelling(en) van de aangemelde maatregel toe. Leg ook uit waarom u denkt dat die doelstellingen met de maatregel worden bereikt:

1.2.

Nadere informatie over de voorgenomen steun

1.2.1.

Beschrijf: a) volgens welke methode de steun aan de eindgebruikers wordt toegekend en uitgekeerd, en b) (in voorkomend geval) de rechtspersoon of rechtspersonen die de steun ontvangen of die overdragen aan een intermediaire entiteit die verantwoordelijk is voor de uitkering van de steun aan in aanmerking komende eindverbruikers:

1.2.2.

Beschrijf de categorieën in aanmerking komende eindverbruikers (bijv. passagiers met bijzondere behoeften zoals kinderen, mensen met een handicap, mensen op een laag inkomen, studenten, ouderen enz.) ( 603 ):

1.2.3.

Bevestig dat de steun daadwerkelijk ten goede komt aan de in aanmerking komende eindverbruikers:

1.2.4.

Beschrijf de verbindingen die voor steun in aanmerking komen:

1.2.5.

Zal de steun worden toegekend voor passagiersvervoer op een verbinding of verbindingen die een luchthaven of luchthavens in een afgelegen gebied ( 604 ) verbinden met (een) andere luchthaven(s) binnen de Europese Economische Ruimte (EER)?



□Ja.

□Neen.

1.2.6.

Hebt u op punt 1.2.5 „ja” geantwoord, beschrijf dan de in aanmerking komende geografische regio's en verbindingen:

1.2.7.

Geef aan welke kosten met de steun worden vergoed. Bevestig ook dat de in aanmerking komende kosten beperkt blijven tot de prijs van een retourticket (inclusief alle belastingen en heffingen) die de vervoersmaatschappij de in aanmerking komende eindverbruiker berekent:

1.2.8.

Bevestig dat de steun wordt toegekend zonder discriminatie tussen de distributiekanalen, zoals reisbureaus, grondafhandelingsdiensten en websites.

1.2.9.

Beschrijf: a) de procedure waarmee de exploitant(en) van de luchtverbinding zal (zullen) worden dan wel is (zijn) geselecteerd; b) de voorwaarden om in aanmerking te komen, en c) de selectiecriteria:

1.2.10.

Bevestig dat de steun zal worden toegekend zonder discriminatie ten aanzien van de herkomst van de diensten, d.w.z. ongeacht de luchtvaartmaatschappijen die de diensten exploiteren.

1.2.11.

Beschrijf de controles en mechanismen die zijn opgezet om te waarborgen dat de regeling alleen wordt gebruikt door in aanmerking komende eindverbruikers en dat er geen overcompensatie is.

DEEL III.13.E

Formulier aanvullende informatie voor steun ten behoeve van het zeevervoer

Wanneer u een maatregel aanmeldt die valt onder de communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer  ( 605 ) (hierna „de richtsnoeren” genoemd), kunt u het best dit formulier aanvullende informatie invullen naast het formulier „Deel I. Algemene informatie”.

1.    Informatie over het soort regeling

Gaat het bij de regeling om één of meer van deze elementen of bevat deze één of meer van deze elementen?

a)□ 

een tonnagebelasting

b)□ 

een vermindering van socialezekerheidsbijdragen

c)□ 

een verlaging van lokale belastingen

d)□ 

een verlaging van registratierechten

e)□ 

opleidingssteun

f)□ 

steun om goederentransport te verschuiven van de weg naar zeewegen

g)□ 

een openbare-dienstcontract of gunningsprocedure daarvan

h)□ 

steun van sociale aard

i)□ 

andere. Welke?

2.    Informatie over subsidiabiliteit

Gelieve voor de categorieën a), b), c), d), e) en f) uit punt 1 de punten 2.2 t/m 2.7 in te vullen:

2.1. 

Wat zijn de criteria voor ondernemingen om in aanmerking te komen?

2.2. 

Wat zijn de criteria voor schepen om in aanmerking te komen? Is er met name een vereiste met betrekking tot de vlag? Welke vereisten met betrekking tot de vlag gelden voor de vloot van ondernemingen die na 17 januari 2004 toetreden tot een tonnagebelastingregeling? Gelden vlageisen voor de hele vloot van de begunstigde onderneming of alleen voor de vloot in eigendom en de onder rompbevrachting uitgecharterde vloot?

2.3. 

Welke voorwaarden gelden er voor de onder rompbevrachting uitgecharterde vloot om in aanmerking te komen?

2.4. 

Welke voorwaarden gelden er voor de onder tijd- of reisbevrachting uitgecharterde vloot om in aanmerking te komen?

2.5. 

Voor zover van toepassing, wat zijn de criteria voor zeevarenden om in aanmerking te komen?

2.6. 

Beschrijf de lijst van in aanmerking komende activiteiten. Heeft de regeling in het bijzonder betrekking op:



□sleepactiviteiten?

□baggeractiviteiten?

Meer algemeen, vallen andere scheepvaartactiviteiten dan het vervoer van goederen en personen over zee onder de steunregeling?

2.7. 

Wat zijn de afschermingsmaatregelen om overloop naar andere activiteiten van dezelfde onderneming te voorkomen?

Voor categorie g) uit punt 1:

2.8. 

Wat zijn de openbare-dienstverplichtingen, de methode om de compensaties te berekenen, de verschillende offertes die bij de inschrijving worden ingediend en de redenen voor de keuze van de geselecteerde onderneming?

Voor categorie h) uit punt 1:

2.9. 

Wat zijn de betrokken verbindingen, de populaties van de betrokken gebruikers en de voorwaarden die verbonden zijn aan de toekenning van individuele subsidies?

3.    Informatie over de steunintensiteit

3.1.

Welke mechanismen zijn opgezet om de inachtneming van het steunplafond uit hoofdstuk 11 van de richtsnoeren te waarborgen? Hoe worden de betrokken dossiers bijgehouden?

Gelieve voor categorie a) uit punt 1 de punten 3.2 t/m 3.7 in te vullen.

3.2. 

Welke tarieven worden gebruikt om het belastbare inkomen per 100 NT (nettotonnenmaat) te berekenen?

Tot 1 000 NT: …
Tussen 1 001 en 10 000 NT …
Tussen 10 001 en 20 000 NT: …
Meer dan 20 001 NT: …
3.3. 

Moeten ondernemingen een gescheiden boekhouding voeren wanneer zij zowel subsidiabele als niet subsidiabele activiteiten verrichten?

3.4. 

Hoe worden groepen van ondernemingen en intragroepstransacties behandeld?

3.5. 

In hoeverre vallen de inkomsten uit nevenactiviteiten onder de tonnagebelastingregeling?

3.6. 

Zijn er bijzondere belastingregels voor schepen die tot een tonnagebelasting toetreden wanneer de marktwaarde van die schepen hoger ligt dan hun fiscale waarde?

3.7. 

Wordt op de vergoeding van bestuurders en aandeelhouders van scheepvaartondernemingen het normale belastingtarief volgens de algemene belastingregels van de lidstaat toegepast?

Gelieve voor de categorieën b), c) en d) uit punt 1 de punten 3.8 t/m 3.10 in te vullen.

3.8. 

Wat is de steunintensiteit in termen van percentage sociale/fiscale bijdragen of belastingen of vergoedingen die de zeevarende of scheepseigenaar normaal gesproken zou moeten betalen?

3.9. 

Of tot welk niveau in absolute cijfers zijn die bijdragen, vergoedingen of belastingen bedoeld in punt 3.8 beperkt?

3.10. 

In het geval van baggerschepen en sleepboten: Blijft de steun strikt beperkt tot het gedeelte „zeevervoer” van de activiteiten?

3.11. 

Voor categorie e) uit punt 1: Wat is de steunintensiteit in termen van kosten voor de opleiding of het salaris van de opgeleide?

3.12. 

Voor categorie f) uit punt 1: Hoeveel bedraagt de steun per tonkilometer dat van de weg wordt gehaald?

3.13. 

Voor categorie h) uit punt 1: Hoeveel bedragen de individuele subsidies?

▼M11

DEEL III.14

FORMULIER ALGEMENE INFORMATIE VOOR DE RICHTSNOEREN VOOR STAATSSTEUN IN DE VISSERIJ- EN AQUACULTUURSECTOR

Dit formulier algemene informatie voor de aanmelding van staatssteun is van toepassing op alle sectoren die onder de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 606 ) („de richtsnoeren”) vallen. Vul daarnaast voor alle maatregelen die onder de richtsnoeren vallen, het desbetreffende formulier aanvullende informatie in.

BEOORDELING VAN DE VERENIGBAARHEID OP GROND VAN ARTIKEL 107, LID 3, PUNT C), VAN HET VERDRAG

Op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) kan de Commissie steun als verenigbaar met de interne markt aanmerken wanneer deze is bedoeld om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Bij de beoordeling houdt de Commissie rekening met de in dit formulier beschreven aspecten.

Voldoet de staatssteunmaatregel aan de volgende voorwaarden?

Eerste voorwaarde:

□ 

vaststelling van de betrokken economische activiteit;

□ 

stimulerend effect: de steun moet het gedrag van de betrokken ondernemingen zodanig veranderen dat zij extra activiteiten ondernemen die zij zonder de steun niet, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze zouden uitvoeren;

□ 

de steun is niet in strijd met relevante bepalingen en algemene beginselen van het Unierecht.

Tweede voorwaarde:

□ 

noodzaak van overheidsmaatregelen: de steunmaatregel moet zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen, door bijvoorbeeld een oplossing te bieden voor marktfalen of door in voorkomend geval iets te doen aan een rechtvaardigheids- of cohesieprobleem;

□ 

geschiktheid van de steun: de voorgenomen steunmaatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de ontwikkeling van de economische activiteit te vergemakkelijken;

□ 

evenredigheid van de steun (steun beperkt tot het noodzakelijke minimum): het steunbedrag en de steunintensiteit moeten beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om aan te zetten tot de extra investering of activiteit van de betrokken onderneming of ondernemingen;

□ 

transparantie van de steun: de lidstaten, de Commissie, de marktdeelnemers en het publiek moeten gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot alle desbetreffende besluiten en tot relevante informatie over de op grond van die besluiten verleende steun;

□ 

vermijden van negatieve effecten van de steun op de mededinging en het handelsverkeer;

□ 

afwegen van de mogelijke positieve en negatieve effecten van de steun op de mededinging en het handelsverkeer tussen lidstaten (de afwegingstoets).

1. EERSTE VOORWAARDE: DE STEUN MOET DE ONTWIKKELING VAN EEN ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID VERGEMAKKELIJKEN

1.1.  Ondersteunde economische activiteit

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar afdeling 3.1.1 (punten 39 tot en met 44) van de richtsnoeren.

1.1.1. Artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag bepaalt dat de Commissie steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, verenigbaar kan verklaren mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Derhalve moet steun die op grond van die bepaling van het Verdrag verenigbaar is, goed zijn voor de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.

Geef voor de toetsing aan de punten (39) en (40) van de richtsnoeren informatie aan de hand waarvan de Commissie kan bepalen welke economische activiteit(en) door de steun wordt (worden) ondersteund, en toon aan hoe de steun de ontwikkeling van die activiteit(en) vergemakkelijkt:

Op grond van punt 41 van de richtsnoeren kan steun om de negatieve effecten van economische activiteiten op klimaat of milieu of op de instandhoudingsdoelstelling van het gemeenschappelijk visserijbeleid („GVB”) te voorkomen of te beperken, de ontwikkeling van economische activiteiten vergemakkelijken doordat de duurzaamheid van de betrokken economische activiteit wordt vergroot.

1.1.2. Beschrijf of en zo ja in hoever de steun past in de doelstellingen van het GVB en dus ook de doelstellingen van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur („het EFMZVA”), en beschrijf meer in het bijzonder de verwachte voordelen van de steun:

De Commissie heeft deze informatie nodig voor een toetsing van de steun aan punt 42 van de richtsnoeren.

Op grond van punt 43 van de richtsnoeren is de Commissie van mening dat steun die wordt toegekend conform deel II, hoofdstuk 1, afdelingen 1.1 tot en met 1.4, en deel II, hoofdstuk 3, afdelingen 3.4, 3.5 en 3.6, van deze richtsnoeren, de ontwikkeling van economische activiteiten in de visserij- en aquacultuursector kan vergemakkelijken aangezien deze ontwikkeling zonder steun niet in dezelfde mate mogelijk is.

1.1.3. Wordt de steun toegekend voor individueel aan te melden investeringsprojecten op grond van een regeling?

□Ja□Neen

Zo ja, leg dan uit hoe het geselecteerde project past in de doelstellingen van de regeling. Daarvoor moet worden verwezen naar de informatie van de steunaanvrager.

1.2.  Stimulerend effect

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar afdeling 3.1.2 (punten 45 tot en met 59) van de richtsnoeren.

Staatssteun kan alleen verenigbaar worden verklaard met de interne markt als deze steun een stimulerend effect heeft. Een stimulerend effect doet zich voor wanneer de steun het gedrag van de onderneming zodanig verandert dat zij extra activiteiten onderneemt die goed zijn voor de ontwikkeling van de sector en die zij zonder de steun niet, of slechts in beperktere mate of op een andere wijze zou hebben uitgevoerd.

1.2.1. Leg voor de toetsing aan punt 45 van de richtsnoeren uit hoe de begunstigde onderneming door de maatregel(en) ertoe wordt aangezet om haar gedrag zodanig te veranderen dat zij extra economische activiteiten onderneemt die goed zijn voor de ontwikkeling van de sector en die de begunstigde zonder de steun niet of in beperktere mate of op een andere wijze zou uitvoeren:

1.2.2. Bevestig dat de steun niet louter een subsidie is voor de kosten van een activiteit die een onderneming sowieso zou hebben uitgevoerd, noch een compensatie is voor het normale bedrijfsrisico van een economische activiteit:

□Ja□Neen

Op grond van punt 45 van de richtsnoeren mag de steun niet dienen om de kosten van een activiteit die een onderneming sowieso zou hebben uitgevoerd, te subsidiëren, noch om het normale bedrijfsrisico van een economische activiteit te compenseren.

1.2.3. Bevestig dat de aangemelde staatssteunmaatregel niet louter bedoeld is om de financiële situatie van ondernemingen te verbeteren zonder bij te dragen tot de ontwikkeling van de visserij- en aquacultuursector:

□Ja□Neen

Op grond van punt 46 van de richtsnoeren worden, tenzij de Uniewetgeving of deze richtsnoeren uitdrukkelijk in uitzonderingen voorzien, staatssteunmaatregelen die louter bedoeld zijn om de financiële situatie van ondernemingen te verbeteren, maar op geen enkele wijze tot de ontwikkeling van de visserij- en aquacultuursector bijdragen, en met name steun die uitsluitend op basis van prijzen, hoeveelheden, productie-eenheden of eenheden van productiemiddelen wordt toegekend, als exploitatiesteun beschouwd die onverenigbaar is met de interne markt. Voorts heeft deze soort waarschijnlijk per definitie een verstorend effect op de mechanismen van de ordening van de interne markt.

1.2.4. Vormt de maatregel:

— 
exploitatiesteun?
□Ja□Neen
— 
steun die het halen van verplichte normen vergemakkelijkt?
□Ja□Neen

Op grond van punt 47 van de richtsnoeren zijn exploitatiesteun en steun die het halen van verplichte normen vergemakkelijkt, in beginsel onverenigbaar met de interne markt, behalve wanneer de Uniewetgeving of de richtsnoeren uitdrukkelijk in uitzonderingen voorzien en in andere, naar behoren gemotiveerde gevallen.

Zo ja, vermeld de bepalingen van de richtsnoeren of Uniewetgeving die dergelijke steun uitdrukkelijk toestaan, en geef een motivering: …

1.2.5. Blijft de steun die in het kader van deel II, hoofdstuk 1, van de richtsnoeren wordt verleend, beperkt tot ondernemingen die in de visserij- en aquacultuursector actief zijn en ondanks hun redelijke inspanningen om dergelijke risico’s zoveel mogelijk te beperken, diverse moeilijkheden ondervinden?

□Ja□Neen

Op grond van punt 48 van de richtsnoeren moet steun die in het kader van deel II, hoofdstuk 1, wordt verleend, beperkt blijven tot ondernemingen die in de visserij- en aquacultuursector actief zijn en ondanks hun redelijke inspanningen om dergelijke risico’s zoveel mogelijk te beperken, diverse moeilijkheden ondervinden.

Staatssteun mag er niet toe leiden dat de ondernemingen onnodige risico’s nemen. Visserij- en aquacultuurondernemingen moeten zelf de gevolgen dragen van onvoorzichtige keuzen met betrekking tot productiemethoden of producten. Dit beginsel is bijvoorbeeld van toepassing op deel II, hoofdstuk 3, afdelingen 3.4, 3.5 en 3.6.

1.2.6. Dient de begunstigde een steunaanvraag bij de nationale autoriteiten in vóór de start van het werk aan het project of de activiteit?

□Ja□Neen

Op grond van punt 49 van de richtsnoeren heeft de steun voor de begunstigde onderneming geen stimulerend effect wanneer het werk aan het project of de activiteit in kwestie al is gestart voordat de begunstigde onderneming de steunaanvraag bij de nationale autoriteiten heeft ingediend.

1.2.7. Bevat de steunaanvraag ten minste de naam van de aanvrager en de grootte van de onderneming, een beschrijving van het project of de activiteit, met vermelding van de locatie en de start- en einddatum, het steunbedrag dat nodig is om het project of de activiteit uit te voeren, en de in aanmerking komende kosten?

□Ja□Neen

1.2.8. Wordt de steun aan grote ondernemingen verleend ( 607 )?

□Ja□Neen

1.2.9. Zo ja, geven de begunstigde grote ondernemingen in de steunaanvraag uitleg over de situatie zoals die zou zijn als er geen steun zou worden verleend (ook wel het nulscenario, het alternatieve project of de alternatieve activiteit genoemd) en dienen zij bewijsstukken in voor het in de aanvraag beschreven nulscenario?

□Ja□Neen

Op grond van punt 51 van de richtsnoeren geldt deze vereiste niet voor gemeenten die autonome lokale autoriteiten zijn die een jaarlijkse begroting van minder dan 10 miljoen EUR hebben en minder dan 5 000 inwoners tellen. Voldoet de begunstigde gemeente aan de voorwaarden van punt 51 van de richtsnoeren?

□Ja□Neen

1.2.10. Toetst de steunverlenende autoriteit het nulscenario op de geloofwaardigheid ervan en bevestigt zij dat de steun het vereiste stimulerende effect heeft?

□Ja□Neen

Op grond van punt 52 van de richtsnoeren is een nulscenario geloofwaardig als het reëel is en verband houdt met factoren die meespeelden in de besluitvorming op het moment waarop de begunstigde het besluit nam ten aanzien van het project of de activiteit in kwestie.

1.2.11. Geef aan of de steun in de vorm van belastingvoordelen voldoet aan de volgende voorwaarden:

(a) 

de steunregeling geeft overeenkomstig objectieve criteria recht op steun zonder dat de lidstaat nog ruimte heeft om naar eigen goeddunken te werk te gaan; en

□Ja□Neen

(b) 

de steunregeling is goedgekeurd en in werking getreden voordat het werk aan het gesteunde project of de gesteunde activiteit van start is gegaan ( 608 ):

□Ja□Neen

Zo ja, dan wordt dergelijke steun op grond van punt 53 van de richtsnoeren geacht een stimulerend effect te hebben.

1.2.12. Valt de steun onder een van de volgende steuncategorieën van de richtsnoeren?

□ 

steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.1, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor het herstel van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.2, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten in de aquacultuur en van plagen van invasieve uitheemse soorten, en steun voor het herstel van schade die is veroorzaakt door die dierziekten en plagen, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.3, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor het herstel van door beschermde dieren aangerichte schade, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.4, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.5, van de richtsnoeren;

□ 

liquiditeitssteun aan vissers, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.6, van de richtsnoeren;

□ 

exploitatiesteun in ultraperifere gebieden, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.1, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor de vernieuwing van de vissersvloot in ultraperifere gebieden, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.2, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor investeringen in veiligheidsbevorderende uitrusting, met inbegrip van uitrusting waarmee vaartuigen hun visserijzones kunnen uitbreiden, voor de kleinschalige kustvisserij in ultraperifere gebieden, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.3, van de richtsnoeren.

Op grond van punt 54 van de richtsnoeren hoeven de bovengenoemde categorieën steun geen stimulerend effect te hebben of worden ze geacht dat effect te hebben.

Aanvullende voorwaarden voor individueel aan te melden investeringssteun en investeringssteun voor grote ondernemingen in het kader van aangemelde regelingen

Indien de steun wordt toegekend voor individuele investeringen, ga dan door met de vragen 1.2.13 tot en met 1.2.17.

Op grond van punt 59 van de richtsnoeren heeft steun die het gedrag van de begunstigde onderneming niet verandert in die zin dat de steun tot extra investeringen aanzet, geen positieve gevolgen voor de ontwikkeling van de betrokken sector. Daarom wordt steun niet als verenigbaar met de interne markt beschouwd indien blijkt dat dezelfde investering ook zonder die steun zou plaatsvinden.

1.2.13. Toon in de aanmelding duidelijk aan dat de steun daadwerkelijk effect sorteert op de investeringskeuze. Geef aan wat voor effecten dat zijn:

Op grond van punt 55 van de richtsnoeren moet de lidstaat, om een brede beoordeling mogelijk te maken, niet alleen informatie over het gesteunde project verstrekken, maar ook een uitgebreide beschrijving geven van het nulscenario waarin de begunstigde van geen enkele overheidsinstantie steun krijgt.

1.2.14. Geef een uitvoerige beschrijving van het nulscenario, waarin de begunstigde geen steun krijgt van een overheidsinstantie:

Op grond van punt 58 van de richtsnoeren mag, wanneer er geen nulscenario bekend is, worden aangenomen dat er een stimulerend effect is wanneer er een financieringskloof is. Dat is het geval wanneer de investeringskosten hoger uitvallen dan de netto contante waarde van de verwachte exploitatiebaten van de investering op basis van een vooraf opgesteld bedrijfsplan.

1.2.15. Geef aan welk(e) document(en) bij de aanmelding wordt (worden) ingediend voor het te beoordelen investeringsproject:

Op grond van punt 56 van de richtsnoeren wordt de lidstaten gevraagd zich te baseren op authentieke en officiële documenten van de leiding van de onderneming, op risicobeoordelingen met onder meer een beoordeling van de locatiegebonden risico’s, op financiële verslagen, interne bedrijfsplannen, adviezen van deskundigen en op andere studies over het te beoordelen investeringsproject. Deze documenten moeten in de tijd samenvallen met het besluitvormingsproces voor de investering of investeringslocatie. De lidstaten kunnen het stimulerende effect aantonen met documenten die informatie bevatten over vraagprognoses, kostenprognoses en financiële prognoses, documenten die aan een investeringscomité worden overgelegd en waarin verschillende investeringsscenario’s zijn uitgewerkt, of documenten die aan de financiële instellingen worden verstrekt.

1.2.16. Geef aan hoe de winstgevendheid wordt geëvalueerd:

Op grond van punt 57 van de richtsnoeren kan de winstgevendheid worden beoordeeld aan de hand van methoden die in de betrokken sector gangbaar zijn, zoals methoden om de netto contante waarde (NPV) ( 609 ) van het project, de interne opbrengstvoet (IRR) ( 610 ) of de gemiddelde Return on Capital Employed (ROCE) te evalueren. De winstgevendheid van het project moet worden vergeleken met normale rendementspercentages die de begunstigde hanteert bij andere vergelijkbare investeringsprojecten. Wanneer die percentages niet beschikbaar zijn, moet de winstgevendheid van het project worden vergeleken met de kapitaalkosten van de onderneming als geheel of met de rendementspercentages die doorgaans in de betrokken sector worden waargenomen.

1.2.17. Bevat het investeringsproject een financieringskloof, met andere woorden vallen de investeringskosten hoger uit dan de NPV van de verwachte exploitatiebaten van de investering op basis van een vooraf opgesteld bedrijfsplan?

□Ja□Neen

Zo ja, geef dan nadere informatie:

Op grond van punt 58 van de richtsnoeren mag worden uitgegaan van een stimulerend effect wanneer het investeringsproject een financieringskloof vertoont, dat wil zeggen wanneer de investeringskosten hoger zijn dan de NPV van de verwachte exploitatiebaten van de investering op basis van een vooraf opgesteld bedrijfsplan.

1.3.  Geen schending van het Unierecht

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar afdeling 3.1.3 (punten 60 tot en met 64) van de richtsnoeren.

1.3.1. Bevestig dat de staatssteunmaatregel, de daaraan gekoppelde voorwaarden (zoals de financieringsmethode wanneer die integraal deel uitmaakt van de staatssteunmaatregel) of de activiteit die ermee wordt gefinancierd, niet tot een schending van het Unierecht leiden:

□Ja□Neen

Op grond van punt 60 van de richtsnoeren kan, indien een staatssteunmaatregel, de daaraan gekoppelde voorwaarden (zoals de financieringsmethode wanneer die integraal deel uitmaakt van de staatssteunmaatregel) of de activiteit die ermee wordt gefinancierd, tot een schending van het Unierecht leiden, de steun niet verenigbaar worden verklaard met de interne markt.

Geef informatie waaruit blijkt dat de steunmaatregel niet tot een schending van het Unierecht leidt:

1.3.2. Bevestig dat geen staatssteun in de visserij- en aquacultuursector wordt verleend:

(a) 

□voor visserijactiviteiten die ernstige inbreuken vormen in de zin van artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad ( 611 ) of artikel 90 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad ( 612 ) en die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO) ( 613 ) vormen of ondersteunen;

(b) 

□voor de exploitatie, het beheer of de eigendom van een vissersvaartuig dat is opgenomen in de Unielijst van IOO-vaartuigen als bedoeld in artikel 40, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1005/2008, of van een vaartuig dat de vlag voert van een land dat overeenkomstig artikel 33 van die verordening als niet-meewerkend derde land is aangemerkt.

Op grond van punt 60 van de richtsnoeren verklaart de Commissie de steun niet verenigbaar met de interne markt indien deze bedoeld is voor een van de in punt 61 van de richtsnoeren genoemde activiteiten.

1.3.3. Bevestig dat de staatssteun in de visserij- en aquacultuursector niet resulteert in:

(a) 

□een niet-naleving van Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 614 ) houdende een gemeenschappelijke marktordening;

(b) 

□een verhoging van de vangstcapaciteit of de bouw van nieuwe vaartuigen die er rechtstreeks en automatisch toe leiden dat de lidstaat artikel 22, lid 7, van Verordening (EU) 1380/2013 en de in bijlage II bij die verordening vermelde vangstcapaciteitsmaxima niet naleeft.

Op grond van punt 60 van de richtsnoeren verklaart de Commissie de steun niet verenigbaar met de interne markt indien deze bedoeld is voor een van de in punt 61 van de richtsnoeren genoemde activiteiten.

1.3.4. Is de begunstigde onderneming op grond van de steun verplicht om nationale producten of diensten af te nemen?

□Ja□Neen

Zo ja, dan kan de steun op grond van punt 62 van de richtsnoeren niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt.

1.3.5. Stelt de steun beperkingen aan de mogelijkheid van de begunstigde onderneming om de resultaten van onderzoek, ontwikkeling en innovatie in andere lidstaten te exploiteren?

□Ja□Neen

Zo ja, dan kan de steun op grond van punt 62 van de richtsnoeren niet worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt.

1.3.6. Wordt de steun:

(a) 

toegekend voor op derde landen of lidstaten gerichte uitvoergerelateerde activiteiten die rechtstreeks gekoppeld zijn aan de uitgevoerde hoeveelheden?

□Ja□Neen

(b) 

afhankelijk gesteld van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen?

□Ja□Neen

(c) 

toegekend voor de oprichting en exploitatie van een distributienetwerk?

□Ja□Neen

(d) 

toegekend voor de financiering van andere uitgaven in verband met uitvoeractiviteiten?

□Ja□Neen

Op grond van punt 63 van de richtsnoeren geeft de Commissie geen toestemming voor steun voor op derde landen of lidstaten gerichte uitvoergerelateerde activiteiten die rechtstreeks gekoppeld is aan de uitgevoerde hoeveelheden, noch voor steun die afhankelijk wordt gesteld van het gebruik van binnenlandse goederen in plaats van ingevoerde goederen, noch voor steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienetwerk of voor de financiering van andere uitgaven in verband met uitvoeractiviteiten. Steun voor de financiering van de kosten van deelname aan handelsbeurzen of van studies of consultancydiensten die noodzakelijk zijn om een nieuw of een bestaand product op een nieuwe markt te introduceren, is in de regel echter geen exportsteun.

1.3.7. Maakt het financieringssysteem integraal deel uit van de steunmaatregel?

□Ja□Neen

Zo ja, geef dan nadere informatie over het financieringssysteem:

Op grond van punt 29 van de richtsnoeren moet het financieringssysteem, bijvoorbeeld een systeem op basis van parafiscale heffingen, worden aangemeld als het integraal deel uitmaakt van de steunmaatregel.

1.3.8. Geef informatie over de wijze waarop de nationale autoriteiten zulks toetsen aan de punten 61, 62 en 63 van de richtsnoeren:

2. TWEEDE VOORWAARDE: DE VOORWAARDEN WAARONDER HET HANDELSVERKEER PLAATSVINDT, MOGEN DOOR DE STEUN NIET ZODANIG VERANDERD DAT HET GEMEENSCHAPPELIJK BELANG WORDT GESCHAAD

Op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag kan steun om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, slechts als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt „mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad”.

Voor elke steunmaatregel geldt per definitie dat deze de mededinging verstoort en het handelsverkeer tussen de lidstaten beïnvloedt. Om te bepalen of de verstorende effecten van de steun tot een minimum beperkt blijven, gaat de Commissie echter na of de steun noodzakelijk, geschikt, evenredig en transparant is.

De Commissie toetst het verstorende effect van de desbetreffende steun aan de mededingings- en handelsvoorwaarden. De Commissie weegt vervolgens de positieve effecten van de steun af tegen de negatieve effecten ervan op de mededinging en het handelsverkeer. Wanneer de positieve effecten opwegen tegen de negatieve effecten, verklaart de Commissie de steun verenigbaar met de interne markt.

2.1.  Noodzaak van overheidsmaatregelen

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar afdeling 3.2.1 (punten 69 - 71) van de richtsnoeren.

2.1.1. Op grond van de punten 69 en 70 van de richtsnoeren moet staatssteun gericht zijn op situaties waar steun kan zorgen voor een wezenlijke ontwikkeling die de markt zelf niet tot stand kan brengen, door bijvoorbeeld een oplossing te bieden voor marktfalen met betrekking tot de gesteunde activiteit of investering in kwestie. In bepaalde omstandigheden kunnen staatssteunmaatregelen marktfalen corrigeren en daarmee de markten beter laten functioneren en het concurrentievermogen versterken. Dit geldt met name in een context van schaarse publieke middelen.

Geef voor de toetsing aan de punten 69 en 70 van de richtsnoeren alle informatie waaruit de noodzaak van overheidsmaatregelen blijkt:

Op grond van punt 71 van de richtsnoeren is de Commissie van mening dat de markt in het geval van steun die aan de voorwaarden van deel I, hoofdstuk 2, afdeling 2.3, en deel II, hoofdstuk 1, afdelingen 1.1 tot en met 1.4, en hoofdstuk 2, afdeling 2.2, van de richtsnoeren voldoet, de verwachte doelstellingen niet zonder overheidsmaatregelen verwezenlijkt. Dergelijke steun wordt dan ook noodzakelijk geacht.

2.2.  Geschiktheid van de steun

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar afdeling 3.2.2 (punten 72 - 79) van de richtsnoeren.

De voorgenomen steun moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de ontwikkeling van de economische activiteit te vergemakkelijken. Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de steun zijn er mogelijk andere, geschiktere instrumenten voorhanden, zoals regulering, marktgebaseerde instrumenten, infrastructuurontwikkeling en verbeteringen in het ondernemingsklimaat. De lidstaat moet aantonen dat de steun en de vormgeving ervan geschikt zijn om de doelstelling van de maatregel waarop de steun is gericht, te bereiken.

2.2.1. Geef aan of de steun voldoet aan de voorwaarden van de volgende categorieën steun:

□ 

steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.1, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor het herstel van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.2, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten in de aquacultuur en van plagen van invasieve uitheemse soorten, en steun voor het herstel van schade die is veroorzaakt door die dierziekten en plagen, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.3, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor het herstel van door beschermde dieren aangerichte schade, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.4, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor de vernieuwing van de vissersvloot in ultraperifere gebieden, overeenkomstig deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.2, van de richtsnoeren;

□ 

steun voor categorieën maatregelen die vallen onder een groepsvrijstellingsverordening, overeenkomstig deel I, hoofdstuk 2, afdeling 2.3, van de richtsnoeren;

□ 

steunmaatregel die vergelijkbaar is met een verrichting die in aanmerking komt voor financiering in het kader van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad ( 615 ).

– Op grond van punt 73 van de richtsnoeren beschouwt de Commissie steunmaatregelen die voldoen aan de voorwaarden van deel I, hoofdstuk 2, afdeling 2.3, en deel II, hoofdstuk 1, afdelingen 1.1 tot en met 1.5, en deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.2, als een geschikt beleidsinstrument. Een steunmaatregel die vergelijkbaar is met een verrichting die in aanmerking komt voor financiering in het kader van Verordening (EU) 2021/1139, is geschikt als deze maatregel voldoet aan die verordening.

Geschiktheid ten opzichte van alternatieve beleidsinstrumenten

2.2.2. Toon op grond van punt 73 van de richtsnoeren aan dat er geen ander, minder verstorend beleidsinstrument voorhanden is:

2.2.3. Is de steun bedoeld voor een vlootmaatregel of voor de stopzetting van visserijactiviteiten, overeenkomstig een categorie steun in het kader van deel II, hoofdstuk 3, van de richtsnoeren, terwijl dezelfde interventie ook in het betrokken EFMZVA-programma voorkomt?

□Ja□Neen

Zo ja, geef aan wat de voordelen van een dergelijk nationaal steuninstrument zijn ten opzichte van de betrokken interventie in het EFMZVA-programma:

Geschiktheid ten opzichte van andere vormen van steun

Op grond van punt 76 van de richtsnoeren kan steun in verschillende vormen worden gegoten. Wel moet de lidstaat ervoor zorgen dat de steun wordt toegekend in de vorm die waarschijnlijk de minste verstoringen van het handelsverkeer en van de mededinging oplevert.

Op grond van punt 79 van de richtsnoeren wordt bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de interne markt ook rekening gehouden met de voorschriften voor het plaatsen van overheidsopdrachten en met de beginselen van transparantie, openheid en non-discriminatie bij de selectie van een dienstverlener.

2.2.4. Geef voor de toetsing aan punt 76 van de richtsnoeren aan welke vorm de steun heeft, en toon aan dat deze vorm van steun waarschijnlijk de minste verstoringen van het handelsverkeer en van de mededinging oplevert:

2.2.5. Bevestig of de steun wordt verleend in de vorm als voorzien in:

□ 

de toepasselijke afdeling van de richtsnoeren

□ 

de desbetreffende EFMZVA-interventie in overeenstemming met Verordening (EU) 2021/1139

Geef aan om welke steuncategorie het gaat en welke vorm de steun heeft:

Op grond van punt 77 van de richtsnoeren is de Commissie van oordeel dat steun die wordt toegekend in de vorm als voorzien in deze richtsnoeren of in de desbetreffende EFMZVA-interventie in overeenstemming met Verordening (EU) 2021/1139, een geschikte vorm van steun is.

2.2.6. Wordt de steun verleend in een vorm (of in vormen) die een direct financieel voordeel oplevert (opleveren) (bv. rechtstreekse subsidies, vrijstellingen of verlagingen van belastingen, socialezekerheidsbijdragen of andere verplichte bijdragen)?

□Ja□Neen

Zo ja, toon aan waarom andere, potentieel minder verstorende vormen van steun (bv. terugbetaalbare voorschotten of vormen van steun die gebaseerd zijn op vreemdvermogens- of eigenvermogensinstrumenten ( 616 )) minder geschikt zijn:

2.3.  Evenredigheid van de steun en cumulering

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar afdeling 3.2.3 (punten 80 tot en met 104) van de richtsnoeren.

Steun in de visserij- en aquacultuursector wordt geacht evenredig te zijn als het steunbedrag per begunstigde onderneming beperkt blijft tot het minimum dat nodig is voor het uitvoeren van de gesteunde activiteit. Omwille van de voorspelbaarheid en een gelijk speelveld worden in de richtsnoeren maximale steunintensiteiten voor steun gehanteerd.

2.3.1. Is het steunbedrag groter dan de in aanmerking komende kosten?

□Ja□Neen

Op grond van punt 81 van de richtsnoeren wordt de steun als evenredig beschouwd als deze niet hoger is dan de in aanmerking komende kosten.

2.3.2. Worden de maximale steunintensiteiten en maximale steunbedragen berekend volgens de desbetreffende afdeling van deel II van de richtsnoeren?

□Ja□Neen

Leg uit hoe de in aanmerking komende kosten worden berekend:

Op grond van punt 83 van de richtsnoeren wordt het evenredigheidscriterium alleen geacht te zijn vervuld indien de in aanmerking komende kosten en de maximale steunintensiteiten of maximale steunbedragen worden berekend volgens de afdelingen van deel II van de richtsnoeren.

2.3.3. Is het steunbedrag in overeenstemming met de toepasselijke maximale intensiteit van overheidssteun zoals vastgesteld in bijlage IV bij Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie ( 617 ) voor de categorieën maatregelen die vallen onder die verordening zoals vermeld in deel I, hoofdstuk 2, afdeling 2.3, van de richtsnoeren?

□Ja□Neen

Het evenredigheidsbeginsel wordt alleen geacht te zijn nageleefd indien de toepasselijke maximale steunintensiteit van Verordening (EU) 2022/2473 niet wordt overschreden. Zo neen, dan moet de lidstaat, op grond van punt 84 van de richtsnoeren, bij een steunmaatregel die verder gaat dan Verordening (EU) 2022/2473, aantonen dat de steun gegrond en onontbeerlijk is. Motiveer de maximale steunintensiteit en toon aan dat de steun onontbeerlijk is:

2.3.4. Berekent de steunverlenende autoriteit de maximale steunintensiteit en het maximale steunbedrag bij de toekenning van de steun?

□Ja□Neen

2.3.5. Worden de in aanmerking komende kosten gestaafd met duidelijke, concrete en actuele bewijsstukken?

□Ja□Neen

2.3.6. Zijn de steunintensiteit en de in aanmerking komende kosten berekend op basis van de bedragen vóór aftrek van belastingen of andere heffingen?

□Ja□Neen

2.3.7. Komt de belasting over de toegevoegde waarde (btw) in aanmerking voor steun?

□Ja□Neen

2.3.8. Zo ja, is de btw dan op grond van de nationale btw-wetgeving terugvorderbaar?

□Ja□Neen

Op grond van punt 86 van de richtsnoeren komt de btw niet voor steun in aanmerking, tenzij deze in het kader van de nationale btw-wetgeving niet terugvorderbaar is.

2.3.9. Indien de steun wordt verleend in een andere vorm dan een subsidie, is het steunbedrag dan het brutosubsidie-equivalent van de steun?

□Ja□Neen

2.3.10. Wordt de steun in meerdere tranches betaald?

□Ja□Neen

Zo ja, wordt de steun dan gedisconteerd tot de waarde ervan op het moment van toekenning van de steun?

□Ja□Neen

Op grond van punt 88 van de richtsnoeren moeten de in aanmerking komende kosten worden gedisconteerd tot de waarde ervan op het moment van toekenning van de steun. De rentevoet die voor de discontering moet worden gehanteerd, is de disconteringsvoet die op de datum van de toekenning van de steun van toepassing is.

2.3.11. Indien de steun in de toekomst wordt betaald, wordt deze dan gedisconteerd tot de waarde ervan op het moment van toekenning ervan?

□Ja□Neen

2.3.12. Wordt de steun toegekend in de vorm van belastingvoordelen?

□Ja□Neen

Zo ja, worden de steuntranches gedisconteerd op basis van de disconteringsvoeten die gelden op de verschillende momenten waarop de belastingvoordelen beginnen te spelen?

□Ja□Neen

2.3.13. Wordt het steunbedrag voor de maatregel(en) vastgesteld op basis van standaardveronderstellingen van extra kosten en gederfde inkomsten?

□Ja□Neen

Zo ja, omschrijf de steuncategorie waarop deze worden toegepast:

Op grond van punt 90 van de richtsnoeren mogen vereenvoudigde kostenopties niet van toepassing zijn op steun als vermeld in deel II, hoofdstukken 1 en 3, van de richtsnoeren.

2.3.14. Wordt de steun verleend in een van de volgende vereenvoudigde kostenopties?

□ 

eenheidskosten;

□ 

vaste bedragen;

□ 

forfaitaire financiering.

Als u een van de vakjes hebt aangekruist, geef dan aan hoe het steunbedrag wordt bepaald:

□ 

een eerlijke, billijke en controleerbare berekeningsmethode op basis van een of meer van de volgende elementen:

(i) 

statistische gegevens, andere objectieve informatie of een deskundigenoordeel; of

(ii) 

geverifieerde historische gegevens van individuele begunstigde ondernemingen; of

(iii) 

de toepassing van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van individuele begunstigde ondernemingen;

□ 

conform de voorschriften voor de toepassing van overeenkomstige eenheidskosten, vaste bedragen en forfaitaire percentages die in beleid van de Unie gelden voor een soortgelijke verrichting.

Dien bij de aanmelding de ondersteunende documentatie in.

2.3.15. Indien de EU de maatregel cofinanciert, worden dan de bedragen van de in aanmerking komende kosten berekend overeenkomstig de vereenvoudigde kostenopties van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad ( 618 )?

□Ja□Neen

Geef een beschrijving van de berekening van de in aanmerking komende kosten en voeg de ondersteunende documentatie bij:

2.3.16. Wordt op de markt een verzekering aangeboden voor de risicogebeurtenis in het kader waarvan de steun wordt verleend?

□Ja□Neen

Zo ja, bevestig dan of de begunstigde een dergelijke verzekering heeft afgesloten.

□Ja□Neen

Indien een van de twee bovenstaande vragen met „neen” is beantwoord, geef dan nadere informatie:

2.3.17. Bevestig in het geval van steun voor de vergoeding van verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dat steun ten belope van de maximale steunintensiteit alleen wordt toegekend aan ondernemingen die zich niet kunnen verzekeren tegen dergelijke verliezen.

□Ja□Neen

Op grond van punt 93 van de richtsnoeren houdt de Commissie bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun rekening met de verzekeringen die de begunstigde van de steun heeft afgesloten of had kunnen afsluiten. Wat betreft steun voor de vergoeding van verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, mag steun ten belope van de maximale steunintensiteit alleen worden toegekend aan een onderneming die zich niet tegen dergelijke verliezen kan verzekeren, dit om het gevaar van verstoring van de mededinging te voorkomen.

Aanvullende voorwaarden voor individueel aangemelde investeringssteun en investeringssteun voor grote ondernemingen in het kader van aangemelde regelingen

2.3.18. Stemt het steunbedrag in het geval van individueel aangemelde investeringssteun overeen met de netto-meerkosten van de investering ter zake, vergeleken met het nulscenario waarin geen steun wordt verleend?

□Ja□Neen

Beschrijf het nulscenario:

Op grond van punt 94 van de richtsnoeren geldt als algemene regel dat steun wordt geacht tot een minimum beperkt te blijven als het steunbedrag overeenstemt met de netto-meerkosten van de investering ter zake, vergeleken met het nulscenario waarin geen steun wordt verleend ( 619 ), met maximale steunintensiteiten als bovengrens.

2.3.19. Verstrek de volgende informatie:

(a) 

de berekening van de interne opbrengstvoet (IRR) van de investering mét en zonder de steun:

(b) 

informatie over de relevante marktbenchmarks voor de onderneming (bv. normale rendementspercentages die een begunstigde voor vergelijkbare projecten hanteert, kapitaalkosten van de onderneming als geheel):

(c) 

uitleg waarom de steun op grond van het bovenstaande minimaal nodig is om het project voldoende winstgevend te maken:

2.3.20. Blijft het steunbedrag beperkt tot hetgeen minimaal nodig is om het project voldoende winstgevend te maken?

□Ja□Neen

Leg uit waarom u tot dit oordeel komt:

Op grond van punt 95 van de richtsnoeren mag het steunbedrag niet hoger zijn dan hetgeen minimaal nodig is om het project voldoende winstgevend te maken. Zo mag de steun er niet toe leiden dat de IRR ervan toeneemt tot boven de normale rendementspercentages die de betrokken onderneming hanteert voor andere vergelijkbare investeringsprojecten, of dat, als deze rendementspercentages niet beschikbaar zijn, de IRR toeneemt tot boven de kapitaalkosten van de onderneming als geheel of tot boven de rendementspercentages die doorgaans in de betrokken sector worden waargenomen.

2.3.21. Berust de analyse van de evenredigheid van individueel aan te melden investeringssteun op de berekeningen voor de analyse van het stimulerende effect (punten 55 tot en met 58 van de richtsnoeren)?

□Ja□Neen

Geef de analyse en toon op basis van ondersteunende documentatie (bv. via de documentatie van punt 56 van de richtsnoeren) aan dat de steun evenredig is:

2.3.22. Is bij de investeringssteun die in het kader van een aangemelde regeling aan grote ondernemingen wordt verleend, ervoor gezorgd dat het steunbedrag overeenstemt met de netto-meerkosten van de investering ter zake, vergeleken met het nulscenario waarin geen steun wordt verleend?

□Ja□Neen

Leg uit waarom u tot dit oordeel komt:

Op grond van punt 96 van de richtsnoeren moet ervoor worden gezorgd dat het steunbedrag overeenstemt met de netto-meerkosten van de investering ter zake, vergeleken met het nulscenario waarin geen steun wordt verleend, en moet daartoe de in punt 95 van de richtsnoeren vermelde methode worden gehanteerd in combinatie met maximale steunintensiteiten als bovengrens.

2.3.23. Is de begunstigde een gemeente die een autonome lokale autoriteit is met een jaarlijkse begroting van minder dan 10 miljoen EUR en met minder dan 5 000 inwoners?

□Ja□Neen

Zo ja, dan zijn de punten 94 tot en met 97 van de richtsnoeren niet van toepassing.

Cumulering van steun

2.3.24. Wordt de aangemelde steun gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen toegekend of met ad-hocsteun gecumuleerd?

□Ja□Neen

Zo ja, blijft het totale bedrag aan staatssteun voor een activiteit of project dan beperkt tot de maximale steunintensiteit of het maximale steunbedrag zoals vastgelegd in de richtsnoeren?

□Ja□Neen

2.3.25. Heeft de aanmelding betrekking op steun mét identificeerbare in aanmerking komende kosten?

□Ja□Neen

Zo ja, wordt die steun gecumuleerd met andere steun voor andere identificeerbare in aanmerking komende kosten?

□Ja□Neen

Zo ja, leg uit waarom:

2.3.26. Wordt de steun mét identificeerbare in aanmerking komende kosten gecumuleerd met andere staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten?

□Ja□Neen

Zo ja, bevestig dan dat deze cumulering niet leidt tot overschrijding van de hoogste steunintensiteit die of het hoogste steunbedrag dat in het kader van de richtsnoeren voor deze soort steun geldt.

□Ja□Neen

Op grond van punt 100 van de richtsnoeren mag de steun mét identificeerbare in aanmerking komende kosten alleen met andere staatssteun voor dezelfde geheel of gedeeltelijk overlappende in aanmerking komende kosten worden gecumuleerd als deze cumulering niet leidt tot overschrijding van de hoogste steunintensiteit die of het hoogste steunbedrag dat in het kader van de richtsnoeren voor deze soort steun geldt.

2.3.27. Heeft de aanmelding betrekking op steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten?

□Ja□Neen

Zo ja, wordt die steun gecumuleerd met andere staatssteun voor identificeerbare in aanmerking komende kosten?

□Ja□Neen

2.3.28. Wordt de steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten gecumuleerd met andere staatssteun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten?

□Ja□Neen

Zo ja, bevestig dan dat deze cumulering niet leidt tot overschrijding van de hoogste toepasselijke steunintensiteit of het hoogste toepasselijke steunbedrag zoals vastgesteld in de richtsnoeren of andere staatssteunrichtsnoeren, in groepsvrijstellingsregelgeving of in een besluit van de Commissie.

□Ja□Neen

Zo ja, vermeld dan de maximumdrempel van het toepasselijke steuninstrument:

Op grond van punt 101 van de richtsnoeren mag steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten alleen met andere staatssteun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten worden gecumuleerd tot de hoogste toepasselijke totale financieringsdrempel die voor de specifieke omstandigheden van elk geval is vastgesteld in de richtsnoeren of andere staatssteunrichtsnoeren, een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie.

2.3.29. Wordt steun voor de visserij- en aquacultuursector gecumuleerd met in Verordening (EU) 2021/1139 bedoelde betalingen voor dezelfde in aanmerking komende kosten?

□Ja□Neen

Zo ja, wordt dan bij deze cumulering een steunintensiteit of steunbedrag in acht genomen zoals vastgelegd in de richtsnoeren?

□Ja□Neen

2.3.30. Wordt de steun gecombineerd met middelen uit een of meer door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Unie centraal beheerde Uniefondsen die niet onder directe of indirecte controle van de lidstaat staan?

□Ja□Neen

Op grond van punt 103 van de richtsnoeren wordt, als de middelen uit de Uniefondsen niet onder directe of indirecte controle van de lidstaat staan, bij de staatssteun alleen bepaald of de aanmeldingsdrempels en de maximale steunintensiteiten en -plafonds in acht worden genomen, met dien verstande dat het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, niet hoger mag zijn dan het (de) in het toepasselijke Unierecht vastgelegde gunstigste financieringspercentage(s). Bevestig dat dit het geval is:

□Ja□Neen

Geef informatie over het toepasselijke Unierecht als bedoeld in punt 103 van de richtsnoeren:

2.3.31. Wanneer de steun waarvoor in het kader van de richtsnoeren toestemming wordt verleend, wordt gecumuleerd met de-minimissteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, wordt bij die cumulering dan een steunintensiteit of steunbedrag in acht genomen zoals vastgesteld in de richtsnoeren?

□Ja□Neen

Op grond van punt 104 van de richtsnoeren mag steun waarvoor in het kader van de richtsnoeren toestemming wordt verleend, niet worden gecumuleerd met de-minimissteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten indien die cumulering resulteert in een steunintensiteit die of steunbedrag dat hoger is dan in deze richtsnoeren is vastgesteld.

2.4.  Transparantie

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar afdeling 3.2.4 (punten 105 tot en met 108) van de richtsnoeren.

2.4.1. Zorgt de lidstaat ervoor dat de volgende informatie in de „transparency award module” van de Europese Commissie of op een uitgebreide nationale of regionale staatssteunwebsite wordt gepubliceerd?

□ 

de volledige tekst van de steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvoor of de rechtsgrond voor de individuele steun, of een link daarnaar;

□ 

de identiteit van de steunverlenende autoriteit(en);

□ 

de identiteit van de individuele begunstigden, de vorm en het bedrag van de steun voor elke begunstigde, de datum van toekenning, de soort onderneming (kmo of grote onderneming), de regio waarin de begunstigde is gevestigd (op NUTS 2-niveau) en de voornaamste economische sector waarin de begunstigde actief is (op NACE-groepsniveau). Van publicatie mag worden afgezien als de toegekende individuele steun niet meer bedraagt dan 10 000  EUR.

2.4.2. Bevestig voor de steunregelingen in de vorm van belastingvoordelen dat de informatie over het individuele steunbedrag wordt verstrekt voor de volgende tranches (in miljoen EUR):

□ 

0,01-0,03

□ 

0,03-0,5

□ 

0,5-1

□ 

1-2

□ 

2 en meer

2.4.3. Geef aan of de informatie van punt 105 van de richtsnoeren wordt gepubliceerd:

□ 

in de „transparency award module” van de Europese Commissie ( 620 );

□ 

op een uitgebreide nationale of regionale staatssteunwebsite.

Geef de link van de uitgebreide nationale of regionale staatssteunwebsite waar de informatie wordt gepubliceerd:

2.4.4. Bevestig dat die informatie:

□ 

wordt gepubliceerd nadat het besluit tot steunverlening is genomen ( 621 );

□ 

ten minste tien jaar wordt bewaard;

□ 

zonder beperkingen beschikbaar is voor het grote publiek.

2.4.5. Bevestig dat de verslaglegging en herziening plaatsvinden zoals voorgeschreven in deel III, afdeling 4:

□Ja□Neen

Op grond van punt 108 van de richtsnoeren moeten de lidstaten met het oog op transparantie het nodige doen op het gebied van verslaglegging en herziening zoals voorgeschreven in deel III, afdeling 4, van de richtsnoeren.

2.5.  Vermijden van negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar afdeling 3.2.5 (punten 109 tot en met 124) van de richtsnoeren.

Steun voor de visserij- en aquacultuursector kan verstoringen van de productmarkten veroorzaken. Bepaalde steunmaatregelen kunnen aanleiding geven tot bezorgdheid over de opbouw van overcapaciteit op krimpende markten met betrekking tot de primaire productie van visserij- en aquacultuurproducten en de verwerking en afzet daarvan. Wil steun verenigbaar zijn met de interne markt, dan moeten de negatieve effecten van de steun in de vorm van verstoringen van de mededinging en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten tot een minimum worden beperkt of worden vermeden.

Zelfs als de steun noodzakelijk en evenredig is, kan deze bij de begunstigde onderneming nog tot een gedragsverandering leiden die de mededinging verstoort. De kans daarop is groter in de visserij- en aquacultuursector, die zich van de andere markten onderscheidt door de specifieke structuur ervan, die wordt gekenmerkt door een groot aantal kleine ondernemingen en door het feit dat de visbestanden een gemeenschappelijke, beperkte hulpbron zijn. Op dergelijke markten is het gevaar van verstoring van de mededinging groot, zelfs wanneer slechts kleine steunbedragen worden toegekend.

Op grond van punt 110 van de richtsnoeren bepaalt de Commissie welke markt(en) door de steun wordt (worden) beïnvloed, rekening houdend met de door de lidstaat verstrekte informatie over de betrokken productmarkt(en), dat wil zeggen de markt(en) die wordt (worden) beïnvloed door de gedragsverandering van de begunstigde van de steun.

2.5.1. Beschrijf de betrokken productmarkt(en), d.w.z. de markt(en) die door de gedragsverandering van de begunstigde van de steun wordt (worden) beïnvloed.

Bij de beoordeling van de negatieve effecten van de steunmaatregel spitst de Commissie haar analyse van de mededingingsverstoring toe op het voorspelbare effect dat de steun in de visserij- en aquacultuursector op de mededinging tussen de ondernemingen op de betrokken productmarkt(en) heeft ( 622 ).

2.5.2. Is de steun gericht, evenredig en blijft deze beperkt tot de netto-meerkosten?

□Ja□Neen

Op grond van punt 111 van de richtsnoeren geldt dat, als de steun gericht en evenredig is en tot de netto-meerkosten beperkt blijft, de negatieve gevolgen ervan worden verzacht en het gevaar dat de steun de mededinging verstoort, minder groot is. Voor de te verstrekken informatie wordt ook verwezen naar afdeling 2.1.1 van dit informatieformulier. Leg uit waarom u tot dit oordeel komt.

2.5.3. Is de maximale steunintensiteit of het maximale steunbedrag zoals vermeld in een bepaalde afdeling van de richtsnoeren, in acht genomen?

□Ja□Neen

Geef de maximale steunintensiteit of het steunbedrag:

De Commissie is van mening dat indien de maximale steunintensiteit of het maximale steunbedrag in acht wordt genomen, de negatieve gevolgen van de steun worden verzacht en het gevaar dat de steun de mededinging verstoort, minder groot is.

Regelingen voor investeringssteun voor de verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten

2.5.4. Toon bij regelingen voor investeringssteun voor de verwerking en/of de afzet van visserij- en aquacultuurproducten aan dat eventuele negatieve effecten tot een minimum beperkt blijven, rekening houdend met bijvoorbeeld de omvang van de betrokken projecten, de individuele en gecumuleerde steunbedragen, de verwachte begunstigden en de kenmerken van de beoogde sectoren.

2.5.5. Wat betreft de regelingen voor investeringssteun voor de verwerking en/of afzet van visserij- en aquacultuurproducten wordt er bij de lidstaten op aangedrongen een effectbeoordeling in te dienen indien zij daarover beschikken, samen met evaluaties achteraf die voor soortgelijke regelingen zijn uitgevoerd, zodat de Commissie de te verwachten negatieve effecten van de steunregeling kan beoordelen.

— 
Wordt bij de aanmelding een effectbeoordeling gevoegd?
□Ja□Neen
— 
Wordt bij de aanmelding een evaluatie achteraf gevoegd?
□Ja□Neen

Individueel aan te melden investeringssteun voor de verwerking en/of afzet van visserij- en aquacultuurproducten en investeringssteun voor grote ondernemingen in het kader van aangemelde regelingen

Op grond van punt 116 van de richtsnoeren legt de Commissie bij de beoordeling van de negatieve effecten van individuele investeringssteun bijzondere nadruk op de negatieve effecten met betrekking tot de opbouw van overcapaciteit in krimpende markten, het beletten van marktuittreding en het begrip aanzienlijke marktmacht. Deze negatieve effecten worden in de punten 117 tot en met 124 van de richtsnoeren beschreven en de positieve effecten van de steun moeten daartegen opwegen.

2.5.6. Om de Commissie in staat te stellen de mogelijke verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer te bepalen en te beoordelen, wordt u verzocht bewijsstukken te verschaffen op basis waarvan de Commissie kan bepalen om welke productmarkten het gaat (d.w.z. op welke producten de gedragsverandering van de begunstigde van de steun van invloed is), wie de concurrenten en wie de afnemers/consumenten zijn:

Op grond van punt 117 van de richtsnoeren is het betrokken product in de regel het product waarop het investeringsproject betrekking heeft ( 623 ). Heeft het project betrekking op een tussenproduct en wordt een wezenlijk deel van productie niet op de markt afgezet, dan kan het betrokken product het downstreamproduct zijn. De relevante productmarkt omvat het betrokken product en daarmee substitueerbare producten die als dusdanig worden beschouwd hetzij door de consument (vanwege de kenmerken, prijzen of het beoogde gebruik van het product) hetzij door de producent (vanwege de flexibiliteit van de productie-installaties).

Geef aan wat volgens u de relevante substitueerbare producten aan de vraag- en de aanbodzijde zijn. Onderbouw uw conclusies op dit punt, zo mogelijk met bewijsstukken van een onafhankelijke derde.

2.5.7. Wordt met het gesteunde project extra productiecapaciteit geschapen?

□Ja□Neen

Zo ja, geef een raming van de geschapen extra productiecapaciteit (in volume en waarde):

2.5.8. Geef informatie over de prestaties van de productmarkt waarop de steun betrekking heeft, d.w.z. of de markt groeit of juist achterblijft:

2.5.9. Indien de markt waarop de steun betrekking heeft, achterblijft, geef dan aan of deze volgens een langtermijnprognose een structurele neergang vertoont (d.w.z. krimpt) of een relatieve neergang vertoont (d.w.z. nog wel groeit, maar met niet meer dan een bepaald benchmarkgroeipercentage):

2.5.10. Ingeval de geografische markt mondiaal is, geef dan met het oog op de beoordeling van de prestaties van de productmarkt waarop de steun betrekking heeft, informatie over het effect van de steun op de betrokken marktstructuren, en met name het potentieel ervan om producenten uit de EER uit de markt te drukken:

2.5.11. Verschaf informatie en ondersteunende documenten over de relevante geografische markt van de begunstigde.

2.5.12. Vermeld alle producten die na de realisatie van de investering worden geproduceerd, en geef de NACE-code of CPA-nomenclatuur indien van toepassing:

2.5.13. Geef aan of het (de) met het investeringsproject beoogde product(en) andere producten vervangt (vervangen) die de begunstigde (op groepsniveau) produceert:

□Ja□Neen

Zo ja, geef aan welk(e) product(en) wordt (worden) vervangen. Indien die vervangen producten niet op de projectlocatie worden vervaardigd, vermeld dan waar ze thans worden geproduceerd. Geef een beschrijving van het verband tussen de vervangen productie en de huidige investering. Geef ook een tijdschema voor deze vervanging:

2.5.14. Vermeld welk(e) overige product(en) (dankzij flexibiliteit in de productie-installatie van de begunstigde) met dezelfde nieuwe faciliteiten kan (kunnen) worden vervaardigd tegen weinig of geen meerkosten:

2.5.15. Leg uit of het project betrekking heeft op een tussenproduct en of een wezenlijk deel van de productie niet op de markt wordt afgezet (tegen marktvoorwaarden). Geef op basis van de toelichting hierboven en met het oog op de berekening, in de rest van de afdeling, van het marktaandeel en de capaciteitsverhoging aan of het betrokken product het met het project beoogde product is, dan wel of het een downstreamproduct is.

2.5.16. Geef met het oog op een beoordeling van de marktmacht van de begunstigde de volgende informatie over de marktpositie van de begunstigde (in de periode vóór de steun en de verwachte marktpositie na de investering):

(a) 

een raming van alle verkopen (in waarde en volume) op de desbetreffende markt (op groepsniveau) door de ontvanger van de steun:

(b) 

een raming van alle verkopen van alle producten op de desbetreffende markt (in volume en waarde). Geef, voor zover beschikbaar, statistische gegevens uit onafhankelijke en/of overheidsbronnen:

2.5.17. Geef informatie over de marktaandelen van de begunstigde en over de marktaandelen van diens concurrenten:

2.5.18. Geef een beoordeling van de structuur van de relevante markt. Kijk daarbij bijvoorbeeld naar de concentratiegraad van de markt, mogelijke toetredingsbarrières, afnemersmacht en expansie- of uittredingsbarrières. Onderbouw uw conclusies op dit punt, zo mogelijk met bewijsstukken van een onafhankelijke derde.

2.6.  Afweging van de positieve en negatieve effecten van de steun (afwegingstoets)

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar afdeling 3.2.6 (punten 125 tot en met 138) van de richtsnoeren.

De Commissie beoordeelt of de positieve effecten van de steunmaatregel opwegen tegen de geconstateerde negatieve effecten op de mededinging en de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt. Alleen wanneer de positieve effecten opwegen tegen de negatieve effecten, kan de Commissie tot de conclusie komen dat de steunmaatregel verenigbaar is met de interne markt. Ingeval de voorgenomen steunmaatregel een welomschreven marktfalen niet op geschikte en evenredige wijze aanpakt, wegen de negatieve verstorende effecten op de mededinging meestal zwaarder dan de positieve effecten van de maatregel en is de Commissie dan ook geneigd te concluderen dat de voorgenomen maatregel onverenigbaar is met de interne markt.

Op grond van punt 138 van de richtsnoeren weegt de Commissie bij steuncategorieën van deel I, hoofdstuk 2, afdelingen 2.1.2, 2.2, en punt 24 van afdeling 2.3, en deel II, hoofdstuk 2, afdelingen 2.1 en 2.3, en hoofdstuk 3 van de richtsnoeren de geconstateerde negatieve effecten van de steunmaatregel op de mededinging en de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, af tegen de positieve effecten van de voorgenomen steun op de ondersteunde economische activiteiten, waarbij ook wordt gekeken of de steunmaatregel past in de doelstellingen van het GVB en dus ook de doelstellingen van het EFMZVA.

2.6.1. Omschrijf de positieve en negatieve effecten van de steun op de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) als vermeld in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 624 ) en van Verordening (EU) 2021/1139:

2.6.2. Is de steun in strijd met de doelstelling dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt langdurig duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen om voordelen te realiseren op economisch, sociaal en werkgelegenheidsgebied en bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedsel (artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013)?

□Ja□Neen

Leg uit waarom u tot dit oordeel komt:

2.6.3. Is de steun in strijd met de doelstelling om te zorgen voor coherentie met de milieuwetgeving van de Unie (artikel 2, lid 5, punt j), van Verordening (EU) nr. 1380/2013)?

□Ja□Neen

Leg uit waarom u tot dit oordeel komt:

Indien vraag 2.6.2 of vraag 2.6.3 bevestigend is beantwoord, dan geldt op grond van punt 127 van de richtsnoeren dat maatregelen die in strijd zijn met een van die doelstellingen, waarschijnlijk geen positieve effecten op het GVB sorteren en negatieve effecten kunnen sorteren op de mededinging en het handelsverkeer vanwege de beperkte middelen waar de ondernemingen in de sector met elkaar om concurreren. Een positieve afweging valt bij dergelijke maatregelen dan niet te verwachten.

2.6.4. Geef op grond van de punten 127 en 134 van de richtsnoeren informatie over de effecten van de steun op het risico van vergroting van de vangstcapaciteit van de betrokken vaartuigen en de vloot (in kW of GT), op overbevissing of op verplaatsing van de visserijinspanningen die tot een dergelijke overbevissing kunnen leiden, en op het evenwicht tussen de vangstcapaciteit en de beschikbare vangstmogelijkheden:

Op grond van punt 134 van de richtsnoeren zal steun die leidt tot vergroting van de vangstcapaciteit, tot overbevissing of tot verplaatsing van de visserijinspanningen, de doelstellingen van het GVB waarschijnlijk ondermijnen. Gelet op de juridische en economische context van de visserijsector, waar ondernemingen concurreren om beperkte hulpbronnen, is het onwaarschijnlijk dat maatregelen met dergelijke effecten, die in beginsel schadelijk worden geacht, tot een positief resultaat van de afwegingstoets leiden.

2.6.5. Voldoet de steun aan de voorwaarden van de volgende afdelingen van de richtsnoeren?

□ 

steun voor categorieën maatregelen die onder een groepsvrijstellingsverordening vallen (deel I, hoofdstuk 2, afdeling 2.3);

□ 

steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen (deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.1);

□ 

steun voor het herstel van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld (deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.2);

□ 

steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten in de aquacultuur en van plagen van invasieve uitheemse soorten, en steun voor het herstel van schade die is veroorzaakt door die dierziekten en plagen (deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.3);

□ 

steun voor het herstel van door beschermde dieren aangerichte schade (deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.4);

□ 

investeringssteun voor de preventie en beperking van schade als gevolg van risicogebeurtenissen (deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.5);

□ 

steun voor de vernieuwing van de vissersvloot in ultraperifere gebieden (deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.2).

Op grond van punt 128 van de richtsnoeren is de Commissie van mening dat bij steun die voldoet aan de voorwaarden van deel I, hoofdstuk 2, afdeling 2.3, deel II, hoofdstuk 1, afdelingen 1.1 tot en met 1.5, en deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.2, het negatieve effect op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten tot een minimum beperkt blijft vanwege de positieve effecten van deze steun op de ontwikkeling van de visserij- en aquacultuursector.

2.6.6. Wordt de steun gecofinancierd uit het EFMZVA?

□Ja□Neen

Op grond van punt 129 van de richtsnoeren beschouwt de Commissie de positieve effecten als vaststaand bij staatssteun die uit het EFMZVA wordt gecofinancierd.

2.6.7. Past de steun in de doelstelling(en) van het instandhoudingsbeleid door ervoor te zorgen dat afwijkingen die momenteel in het kader van de GVB-regels zijn toegestaan (bv. afwijkingen van de aanlandingsverplichting), geleidelijk worden afgeschaft?

□Ja□Neen

Zo ja, verwijs dan naar de GVB-regels die de afwijking toestaan, en leg uit in hoever de steun in de instandhoudingsdoelstellingen van het GVB past:

Op grond van punt 130 van de richtsnoeren wordt steun die in de doelstellingen van het instandhoudingsbeleid past door ervoor te zorgen dat afwijkingen die momenteel in het kader van de GVB-regels zijn toegestaan, zoals afwijkingen van de aanlandingsverplichting, geleidelijk worden afgeschaft, geacht een positief effect te hebben op de doelstellingen van het GVB.

2.6.8. Past de steun in milieubeleidsdoelstellingen die gekoppeld kunnen worden aan een van de volgende instandhoudingsinspanningen:

□ 

bijdragen tot een goede milieutoestand als bedoeld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 625 );

□ 

invoering en monitoring van beschermde mariene gebieden overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 626 ), Richtlijn 92/43/EEG van de Raad ( 627 ) en Richtlijn 2008/56/EG;

□ 

uitvoering van acties die bijdragen tot het herstel van de riviercontinuïteit in het kader van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 628 );

□ 

uitvoering van acties in verband met Richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad ( 629 ) voor vistuig/kunststoffen;

□ 

invoering van maatregelen voor Natura 2000-gebieden binnen een prioritair actiekader ( 630 ).

Geef informatie over de instandhoudingsinspanning.

Op grond van punt 131 van de richtsnoeren is de Commissie van mening dat de bovengenoemde vormen van steun passen in de doelstellingen van het GVB.

2.6.9. Wordt de steun verleend voor investeringen?

□Ja□Neen

Zo ja, geef dan informatie die betrekking heeft op artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 631 ) (criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten), waaronder het principe „geen ernstige afbreuk doen” of andere, vergelijkbare methoden (zoals de ecosysteemgerichte aanpak voor het beheer van de zeevisserij overeenkomstig artikel 2, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013).

2.6.10. Heeft de steun nog een ander positief effect?

□Ja□Neen

Zo ja, geef dan aan voor welk beleid van de Unie:

□ 

Europese Green Deal (COM(2019) 640 final)

□ 

Duurzame blauwe economie (COM(2021) 240 final)

□ 

Van boer tot bord-strategie (COM(2020) 381 final)

□ 

Actieplan voor een circulaire economie (COM(2020) 98 final)

□ 

Biodiversiteitsstrategie (COM(2020) 380 final)

□ 

EU-actieplan: „Verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul” (COM(2021) 400 final)

□ 

EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering (COM(2013) 216 final en COM(2021) 82 final)

□ 

Energie-efficiëntieoverwegingen, en met name het beginsel „energie-efficiëntie eerst” ( 632 )

□ 

Het initiatief in de mededeling „De digitale toekomst van Europa vormgeven” (COM(2020) 67 final)

□ 

Andere (geef aan welke)

Geef nadere informatie over het positieve effect van de steun en leg uit in hoever de steun past in het Uniebeleid dat hierboven (bij een of meer vakjes) is aangekruist:

2.6.11. Vormt de maatregel steun:

□ 

die leidt tot vergroting van de vangstcapaciteit van een vissersvaartuig;

□ 

voor de verwerving van uitrusting waarmee een vissersvaartuig vis beter kan opsporen;

□ 

voor de bouw, verwerving of invoer van vissersvaartuigen;

□ 

voor de overdracht of omvlagging van vissersvaartuigen naar een derde land, ook door de oprichting van joint ventures met partners van derde landen;

□ 

voor de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten;

□ 

voor de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten;

□ 

voor experimentele visserij;

□ 

voor de overdracht van de eigendom van een bedrijf;

□ 

voor het rechtstreeks uitzetten van vis, behalve in geval van het experimenteel uitzetten van vis;

□ 

voor de aanleg van nieuwe havens of nieuwe afslagen, met uitzondering van nieuwe aanlandingsplaatsen;

□ 

voor marktinterventiemechanismen om visserij- of aquacultuurproducten tijdelijk of definitief uit de markt te nemen om het aanbod te verminderen en daarmee prijsdalingen te voorkomen of de prijzen op te drijven – mechanismen die niet voldoen aan de artikelen 30 en 31 van Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 633 );

□ 

voor investeringen in de situatie aan boord van vissersvaartuigen om te voldoen aan de vereisten krachtens het bij de indiening van de steunaanvraag geldende Unierecht, met inbegrip van vereisten in het kader van de Unieverplichtingen in de context van regionale organisaties voor visserijbeheer;

□ 

voor investeringen in de situatie aan boord van vissersvaartuigen die in de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag gedurende minder dan zestig dagen per jaar visserijactiviteiten hebben verricht;

□ 

voor de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig.

Omdat de bovengenoemde soorten steunmaatregelen in beginsel schadelijk worden geacht, valt de afwegingstoets op grond van punt 135 van de richtsnoeren waarschijnlijk niet positief uit voor die soorten steunmaatregelen, tenzij het om steun gaat waarin de richtsnoeren uitdrukkelijk voorzien.

Indien u bij een van de bovengenoemde categorieën steun een vakje hebt aangekruist, geef dan aan welke afdeling van de richtsnoeren in dergelijke steun voorziet:

2.6.12. Bevestig of de steunmaatregel de volgende voorwaarden bevat:

(a) 

□er is gewaarborgd dat de aanvrager van staatssteun of, indien geen aanvraag vereist is, een gelijkwaardige handeling ervoor zorgt dat de begunstigde onderneming de regels van het GVB naleeft en dit blijft doen gedurende de gehele periode van uitvoering van het project (de „steunverleningsperiode”) en gedurende een periode van vijf jaar na de slotbetaling van de steun aan de onderneming;

(b) 

□er is bepaald dat een begunstigde onderneming geen steun meer kan aanvragen wanneer zij in de steunverleningsperiode en een periode van vijf jaar na de slotbetaling:

□ 

niet heeft voldaan aan de regels van het GVB, of

□ 

wanneer de steunaanvraag wordt ingediend in het kader van de artikelen 32 tot en met 39 van Verordening (EU) 2022/2473; een of meer van de in de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 634 ) genoemde milieudelicten heeft gepleegd, zoals geconstateerd door de bevoegde nationale autoriteit.

Als u de bovenstaande voorwaarden heeft bevestigd, geef dan aan of de begunstigde de steun in die gevallen moet terugbetalen in verhouding tot de niet-naleving of het delict:

□Ja□Neen

Geef aan volgens welke criteria de nationale autoriteiten deze „verhouding tot de niet-naleving of het delict” bepalen:

Op grond van punt 136 van de richtsnoeren valt de afwegingstoets waarschijnlijk niet positief uit bij steunmaatregelen die de bovenstaande voorwaarden niet bevatten. Op grond van punt 137 van de richtsnoeren zijn slechts twee uitzonderingen toegestaan.

Ingeval u de bovenstaande voorwaarden a) en b) niet in de steunmaatregel hebt opgenomen, bevestig dan of de steun voldoet aan de voorwaarden voor:

□ 

steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen (als bedoeld in deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.1, van de richtsnoeren);

□ 

steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten in de aquacultuur (als bedoeld in deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.3, van de richtsnoeren).

2.7.  Overige informatie

Horizontale en andere steuninstrumenten die van toepassing zijn op de visserij- en aquacultuursector

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar deel I, afdeling 2.2 (punten 8 en 20, 21 en 22), van de richtsnoeren.

Op alle steun aan de visserij- en aquacultuursector zijn de richtsnoeren van toepassing op grond van punt 8 ervan. Daaronder vallen ook de onderdelen van regionale steun die betrekking hebben op de visserij- en aquacultuursector. Tevens zijn ze van toepassing op alle andere steun die aan de visserij- en aquacultuursector wordt toegekend in het kader van de fondsen van de Europese Unie.

De horizontale richtsnoeren en andere instrumenten omvatten onder meer de criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid van individueel aan te melden staatssteun voor opleiding ( 635 ), de richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen ( 636 ), de kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie ( 637 ), de richtsnoeren van 2022 inzake staatssteun voor klimaat, milieubescherming en energie ( 638 ), de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun voor niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden ( 639 ), de staatssteunregels voor de uitrol van breedbandnetwerken ( 640 ) en de criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid van individueel aan te melden staatssteun voor de indienstneming van kwetsbare en gehandicapte werknemers ( 641 ). De richtsnoeren inzake regionale staatssteunmaatregelen voor 2022-2027 ( 642 ) zijn niet van toepassing op de visserij- en aquacultuursector, tenzij de staatssteun in die sector wordt verleend als onderdeel van een horizontale regionale regeling voor exploitatiesteun.

Steun die onder een horizontaal instrument of andere steuninstrumenten valt, wordt door de Commissie getoetst aan de beginselen van de desbetreffende afdelingen van die horizontale en andere staatssteuninstrumenten, in combinatie met de voorwaarden van deel I, hoofdstuk 3, afdelingen 3.1.3 en 3.2.6, van de richtsnoeren. Vul de afdelingen 1.3 en 2.6 van dit formulier algemene informatie in en vul daarnaast de andere formulieren in die van toepassing zijn op die horizontale richtsnoeren of instrumenten, en voeg deze bij uw aanmelding.

2.7.1. Valt de steun onder bepaalde horizontale richtsnoeren of andere instrumenten van de Commissie?

□Ja□Neen

Zo ja, geef aan welke horizontale richtsnoeren of instrumenten dat zijn. Vermeld ook de relevante voorschriften van die handelingen en toon aan dat de steun voldoet aan alle criteria van die voorschriften.

Steun voor categorieën maatregelen die onder een groepsvrijstellingsverordening vallen

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar deel I, afdeling 2.3 (punten 23, 24, 25 en 28), van de richtsnoeren.

Wanneer steun aan kmo’s of grote ondernemingen vergelijkbaar is met steun die valt onder een steuncategorie die met de interne markt verenigbaar kan worden geacht op grond van Verordening (EU) 2022/2473 of Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie ( 643 ), vul dan, naast deze afdeling, alle afdelingen van deel 1 (Eerste voorwaarde) en deel 2 (Tweede voorwaarde) van dit formulier algemene informatie volledig in (vanaf afdeling 1.1 tot en met afdeling 2.6). Op grond van de punten 23 en 24 van de richtsnoeren houdt de Commissie bij de beoordeling van die steun rekening met de verenigbaarheidsbeoordeling in het kader van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag (deel I, hoofdstuk 3, van de richtsnoeren) en met de criteria voor elke categorie steun als vermeld in de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening.

2.7.2. Is de steun vergelijkbaar met steun die valt onder een categorie steun die op grond van Verordening (EU) 2022/2473 verenigbaar met de interne markt kan worden geacht?

□Ja□Neen

2.7.3. Is de steun vergelijkbaar met steun die onder de volgende artikelen van Verordening (EU) 2022/2473 zou kunnen vallen?

□ 

steun die vergelijkbaar is met steun die valt onder de categorie steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen (artikel 49 van Verordening (EU) 2022/2473);

Vul voor deze steuncategorie ook het speciale aanmeldingsformulier voor deel II, hoofdstuk 1, afdeling1.1, van de richtsnoeren in.

□ 

steun die vergelijkbaar is met steun die valt onder de categorie steun voor het herstel van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld (artikel 51 van Verordening (EU) 2022/2473);

Vul voor deze steuncategorie ook het speciale aanmeldingsformulier voor deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.2, van de richtsnoeren in.

□ 

steun die vergelijkbaar is met steun die valt onder de categorie steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten (artikel 42 van Verordening (EU) 2022/2473);

Vul voor deze steuncategorie ook het speciale aanmeldingsformulier voor deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.3, van de richtsnoeren in.

□ 

steun die vergelijkbaar is met steun die valt onder de categorie steun voor het herstel van door beschermde dieren aangerichte schade (artikel 53 van Verordening (EU) 2022/2473);

Vul voor deze steuncategorie ook het speciale aanmeldingsformulier voor deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.4, van de richtsnoeren in.

□ 

steun die vergelijkbaar is met steun die valt onder de categorie steun voor de preventie en beperking van schade als gevolg van dierziekten, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, en schade die is aangericht door beschermde dieren (artikelen 43, 48, 50 en 52 van Verordening (EU) 2022/2473);

Vul voor deze steuncategorie ook het speciale aanmeldingsformulier voor deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.5, van de richtsnoeren in.

□ 

steun die vergelijkbaar is met steun die valt onder de categorie steun voor de eerste verwerving van een vissersvaartuig (artikel 20 van Verordening (EU) 2022/2473).

Vul voor deze steuncategorie ook het speciale aanmeldingsformulier voor deel II, hoofdstuk 3, afdeling3, van de richtsnoeren in.

2.7.4. Andere categorieën steun in het kader van Verordening (EU) 2022/2473: voldoet de steun aan alle criteria van het (de) desbetreffende artikel(en) van Verordening (EU) 2022/2473?

□Ja□Neen

Zo ja, vermeld dan het desbetreffende artikel van Verordening (EU) 2022/2473 en toon aan dat is voldaan aan de voorwaarden van Verordening (EU) 2022/2473 die gelden voor die categorie steun:

Zo neen, vermeld het artikel van Verordening (EU) 2022/2473, geef aan aan welke voorwaarde niet is voldaan en waarom niet, en toon aan dat de steun onontbeerlijk is:

2.7.5. Is de steun vergelijkbaar met steun die valt onder een categorie steun die op grond van Verordening (EU) nr. 651/2014 verenigbaar met de interne markt kan worden geacht?

□Ja□Neen

2.7.6. Voldoet de steun aan alle criteria van het (de) desbetreffende artikel(en) van Verordening (EU) nr. 651/2014?

□Ja□Neen

Zo ja, vermeld dan het desbetreffende artikel van Verordening (EU) 651/2014 en toon aan dat is voldaan aan de voorwaarden van Verordening (EU) 651/2014 die gelden voor die categorie steun:

Zo neen, vermeld het artikel van Verordening (EU) 651/2014, geef aan aan welke voorwaarde niet is voldaan en waarom niet, en toon aan dat de steun onontbeerlijk is:

Steun voor andere maatregelen

Voor de in dit deel te verstrekken informatie wordt verwezen naar deel I, afdeling 2.1.2 (punt 13), van de richtsnoeren.

2.7.7. Gaat het om een soort steun die bedoeld is in deel II, hoofdstukken 1, 2 of 3, en deel I, hoofdstuk 2, afdelingen 2.2 en 2.3, van de richtsnoeren?

□Ja□Neen

Zo ja, dan toetst de Commissie de steun aan de verenigbaarheidscriteria voor die categorie steun.

Zo neen, dan is de steun in beginsel niet verenigbaar met de interne markt. Indien een lidstaat desalniettemin voornemens is dergelijke steun te verstrekken of deze daadwerkelijk verstrekt, zal de Commissie de steun rechtstreeks per geval beoordelen op basis van artikel 107, lid 3, van het Verdrag, en daarbij rekening houden met de voorschriften die zijn vastgesteld in de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag, en, naar analogie, de richtsnoeren.

Vul naast deze afdeling alle afdelingen van deel 1 (Eerste voorwaarde) en deel 2 (Tweede voorwaarde) van dit formulier algemene informatie volledig in (vanaf afdeling 1.1 tot en met afdeling 2.6) om aan te tonen dat die steun voldoet aan de beginselen van deel I, hoofdstuk 3, van de richtsnoeren.

Geef bovendien verdere informatie waaruit duidelijk blijkt dat het positieve effect van de steun opweegt tegen het geconstateerde negatieve effect op de mededinging en het handelsverkeer:

Steun voor Noord-Ierland

2.7.8. Wordt de steun in Noord-Ierland verleend?

□Ja□Neen

Op grond van punt 12 van de richtsnoeren geldt voor steun die in Noord-Ierland wordt verleend, het volgende: wanneer in het kader van een maatregel voorwaarden van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of Verordening (EU) 2021/1139 moeten worden nageleefd, moet in de aanmelding bij de Commissie op grond van artikel 108, lid 3, van het Verdrag gelijkwaardige informatie worden verstrekt.

Neem dergelijke informatie op in het speciale aanmeldingsformulier voor de betrokken steuncategorie.

Steun aan ondernemingen in moeilijkheden

Op grond van punt 10 van de richtsnoeren is de Commissie van mening dat wanneer een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert, er juist vanwege het feit dat haar bestaan zelf in het geding is, geen sprake kan zijn van een instrument dat geschikt is voor andere beleidsdoelstellingen van de overheid zolang niet vaststaat dat die onderneming zal overleven.

2.7.9. Gaat het bij de begunstigde(n) om ondernemingen in moeilijkheden?

□Ja□Neen

Zo ja, dan wordt de steun, wanneer de begunstigde ervan een onderneming in moeilijkheden is in de zin van punt 31, bb) van de richtsnoeren, getoetst aan de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden ( 644 ).

Zo neen, verwijs dan naar de nationale rechtsgrondslag voor dit punt:

2.7.10. Punt 10 van de richtsnoeren bevat bepaalde uitzonderingen op het beginsel om geen staatssteun te verlenen aan ondernemingen in financiële moeilijkheden. Kruis aan of een van de uitzonderingen van toepassing is op de aangemelde steun:

□ 

steun ter compensatie van verlies of schade als gevolg van natuurrampen en buitengewone gebeurtenissen als bedoeld in deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.1, van de richtsnoeren, mits de steun verenigbaar is met de interne markt op grond van artikel 107, lid 2, punt b), van het Verdrag;

□ 

steun ter compensatie van verlies of schade veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, door dierziekten en plagen van invasieve uitheemse soorten en door beschermde dieren als bedoeld in deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.2, 1.3 of 1.4, van de richtsnoeren, wanneer de financiële moeilijkheden van een onderneming die actief is in de visserij- en aquacultuursector, door die gebeurtenissen zijn veroorzaakt, mits de steun verenigbaar is met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag;

□ 

steun voor de preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten in de aquacultuur als bedoeld in punt 188, a), b) en c) en e) tot en met h), van deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.3, van de richtsnoeren, wanneer vanwege een noodsituatie en vanwege de noodzaak om de volksgezondheid te beschermen, geen rekening dient te worden gehouden met de economische situatie van de onderneming, mits de steun verenigbaar is met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag;

□ 

steun voor voorlichtingsacties en voor generieke afzetbevorderingsmaatregelen, mits deze onder deel I, hoofdstuk 2, afdeling 2.3, van de richtsnoeren vallen.

Steun aan een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat

2.7.11. Wordt de steun verleend aan een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin steun als onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is aangemerkt?

□Ja□Neen

Zo ja, dan kan die steun niet verenigbaar met de interne markt worden verklaard, tenzij een van de onderstaande uitzonderingen van toepassing is.

Zo neen, verwijs dan naar de nationale rechtsgrondslag voor dit punt:

2.7.12. Kruis aan of een van de uitzonderingen van toepassing is op de aangemelde steun:

□ 

steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen in het kader van artikel 107, lid 2, punt b), van het Verdrag (deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.1, van de richtsnoeren);

□ 

steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten in de aquacultuur in het kader van punt 188, a), b) en c) en e) tot en met h), van deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.3, van de richtsnoeren.

Overige informatie

2.7.13. Als er nog verdere informatie is die u van belang of nodig acht voor een juiste beoordeling van de aangemelde steunmaatregel, geef die informatie dan hieronder:

1.1  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE VERGOEDING VAN SCHADE ALS GEVOLG VAN NATUURRAMPEN OF BUITENGEWONE GEBEURTENISSEN

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van staatssteun voor de vergoeding van schade als gevolg van natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.1, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 645 ) („de richtsnoeren”).

1. Is de maatregel een ex-antekaderregeling voor de vergoeding van schade die het gevolg is van natuurrampen?

□Ja□Neen

Zo ja, dan mogen de vragen 10 en 11 worden overgeslagen.

Steun die wordt toegekend ter vergoeding van schade die het gevolg is van andere natuurrampen dan die welke in punt 141 van de richtsnoeren worden genoemd, en van schade die het gevolg is van buitengewone gebeurtenissen, mag niet worden aangemeld als onderdeel van een ex-antekaderregeling en moet altijd afzonderlijk bij de Commissie worden aangemeld. Ook moeten, op grond van punt 147 van de richtsnoeren, maatregelen die afwijken van de algemene regels voor het moment van invoering van een regeling en het moment van betaling van de steun afzonderlijk worden aangemeld.

2. Geef in het geval van een ex-antekaderregeling aan of de lidstaat zich zal houden aan de rapportageverplichting als bedoeld in punt 345 van de richtsnoeren.

□Ja□Neen

3. Geef aan door welke soort natuurramp of buitengewone gebeurtenis de schade waarvoor de vergoeding is bedoeld, is ontstaan of – in het geval van een ex-antekaderregeling – zou kunnen ontstaan:

(a) 

natuurrampen:

□ 

zware stormen

□ 

ernstige overstromingen

□ 

aardbevingen

□ 

lawines

□ 

aardverschuivingen

□ 

tornado’s

□ 

orkanen

□ 

vulkaanuitbarstingen

□ 

natuurbranden van natuurlijke oorsprong

□ 

overige natuurrampen,

(b) 

buitengewone gebeurtenissen:

□ 

oorlog

□ 

interne onlusten

□ 

stakingen

□ 

ernstige industriële ongevallen

□ 

ernstige nucleaire ongevallen

□ 

branden die tot wijdverspreide verliezen leiden

□ 

overige buitengewone gebeurtenissen

Een uitbraak van een dierziekte of plantenplaag vormt in principe geen buitengewone gebeurtenis.

3.1. Geef een nadere beschrijving van de natuurramp of buitengewone gebeurtenis.

4. Geef aan of de bevoegde autoriteit(en) van de lidstaat de gebeurtenis formeel als natuurramp of buitengewone gebeurtenis heeft (hebben) erkend:

□Ja□Neen

4.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5. Indien de aanmeldende lidstaten vooraf criteria hebben opgesteld op basis waarvan de in vraag 4 bedoelde formele erkenning wordt geacht te zijn verleend, geef dan aan welke criteria dat zijn en in welke nationale wetgeving deze te vinden zijn.

6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband moet zijn tussen de natuurramp of buitengewone gebeurtenis en de schade die de onderneming heeft geleden.

□Ja□Neen

6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7. Toon aan dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband is tussen de natuurramp of buitengewone gebeurtenis en de schade die de ondernemingen hebben geleden:

8. Geef aan of de steun rechtstreeks moet worden betaald aan:

(a) 

□de betrokken onderneming,

(b) 

□een producentengroepering of -organisatie waarvan die onderneming lid is.

9. Wanneer de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, geef dan aan of het steunbedrag niet hoger mag zijn dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt.

□Ja□Neen

9.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

10. Geef aan wanneer de gebeurtenis zich heeft voorgedaan, inclusief begin- en einddatum (indien van toepassing).

11. Geef aan of de maatregel wordt ingevoerd binnen drie jaar na de datum van de gebeurtenis.

□Ja□Neen

11.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

12. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun binnen vier jaar na de datum van de gebeurtenis moet worden betaald.

□Ja□Neen

12.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

13. Bij een natuurramp of buitengewone gebeurtenis geeft de Commissie toestemming voor afzonderlijk aangemelde steun die afwijkt van de regel van punt 147 van de richtsnoeren, in naar behoren gemotiveerde gevallen (bijvoorbeeld vanwege de aard en/of omvang van de gebeurtenis of omdat de schade pas later is opgetreden of een permanent karakter heeft).

13.1. Indien dat het geval is, leg dan nader uit waarom wordt afgeweken van de regel voor het moment van invoering van een regeling en/of betaling van de steun.

14. Geef aan of de in aanmerking komende kosten de kosten zijn van de schade die rechtstreeks voortvloeit uit de natuurramp of buitengewone gebeurtenis.

□Ja□Neen

14.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

15. Geef aan of de schade wordt getaxeerd door:

(a) 

□een overheidsinstantie

(b) 

□een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige

(c) 

□een verzekeringsonderneming

15.1. Geef aan welke instantie(s) de schade taxeert (taxeren).

16. Geef aan of de schade bestaat uit:

(a) 

□materiële schade aan activa (zoals gebouwen, uitrusting, machines, voorraden en productiemiddelen)

(b) 

□inkomensverlies als gevolg van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de visserij- of de aquacultuurproductie of de voor die productie gebruikte middelen

(c) 

□beide, d.w.z. de schade omvat a) en b)

16.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op de hierboven aangekruiste schade. …

17. Geef een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de soort en omvang van de schade die ondernemingen hebben geleden of – in het geval van een ex-antekaderregeling – zouden kunnen lijden.

18. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de schade moet worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

□Ja□Neen

18.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

19. Ingeval de in aanmerking komende kosten materiële schade aan activa omvatten, geef dan aan of de materiële schade moet worden berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de natuurramp of buitengewone gebeurtenis.

□Ja□Neen

19.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

20. Ingeval de in aanmerking komende kosten materiële schade aan activa omvatten, geef dan aan of het schadebedrag niet hoger mag zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de natuurramp of buitengewone gebeurtenis, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de activa onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de natuurramp of buitengewone gebeurtenis.

□Ja□Neen

20.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

21. Ingeval de in aanmerking komende kosten inkomensverlies omvatten, geef dan aan of het wordt berekend overeenkomstig punt 154 van de richtsnoeren, d.w.z. door a) de hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten die is geproduceerd in het jaar van de natuurramp of buitengewone gebeurtenis, of in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs, in mindering te brengen op b) de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten die is geproduceerd in de drie jaren voorafgaand aan de natuurramp of buitengewone gebeurtenis, of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs.

□Ja□Neen

21.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

22. Geef aan of het bedrag van de vergoeding kan worden verhoogd met andere kosten die de begunstigde onderneming heeft gemaakt als gevolg van de natuurramp of buitengewone gebeurtenis.

□Ja□Neen

22.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

22.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

23. Geef aan of het bedrag van de vergoeding moet worden verlaagd met de kosten die vanwege de natuurramp of buitengewone gebeurtenis niet zijn gemaakt en normaliter wel door de begunstigde onderneming zouden zijn gemaakt.

□Ja□Neen

23.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

23.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

24. De Commissie accepteert mogelijk ook andere berekeningsmethoden mits deze methoden representatief zijn, niet berusten op abnormaal hoge vangsten of opbrengsten en niet resulteren in overcompensatie van een begunstigde onderneming.

Indien de aanmeldende lidstaat een alternatieve berekeningsmethode wil voorstellen, geef dan aan waarom de methode van de richtsnoeren in het onderhavige geval niet geschikt is en leg uit waarom de alternatieve berekeningsmethode beter aansluit bij de geconstateerde behoeften.

Voeg bij de aanmelding een bijlage met de voorgestelde alternatieve methodiek en toon aan dat deze methodiek representatief is, niet berust op abnormaal hoge vangsten of opbrengsten en niet resulteert in overcompensatie van een begunstigde.

25. Geef aan of in de maatregel is bepaald dat, wanneer een kmo minder dan drie jaar vóór de datum van de gebeurtenis is opgericht, de verwijzing naar de periode van drie of vijf jaar in punt 154), b) moet worden begrepen als een verwijzing naar de hoeveelheid die wordt geproduceerd en verkocht door een gemiddelde onderneming van dezelfde omvang als de aanvrager, namelijk een micro-onderneming of een kleine of middelgrote onderneming in de door de natuurramp of buitengewone gebeurtenis getroffen nationale of regionale sector.

□Ja□Neen

25.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

26. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun en eventuele andere betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten mogen bedragen.

□Ja□Neen

26.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

26.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de bovengrens van 100 % en de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel zijn vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

27. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.2  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR HET HERSTEL VAN SCHADE ALS GEVOLG VAN ONGUNSTIGE WEERSOMSTANDIGHEDEN DIE MET EEN NATUURRAMP KUNNEN WORDEN GELIJKGESTELD

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van staatssteun voor de vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.2, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 646 ) („de richtsnoeren”).

1. Is de maatregel een ex-antekaderregeling voor de vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld?

□Ja□Neen

Zo ja, dan mogen de vragen 10 en 11 worden overgeslagen.

Op grond van punt 167 van de richtsnoeren moet steun ter vergoeding van schade die gevolg is van andere, niet in punt 161 van de richtsnoeren vermelde soorten ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, afzonderlijk bij de Commissie worden aangemeld.

2. Geef in het geval van een ex-antekaderregeling aan of de lidstaat zich zal houden aan de rapportageverplichting als bedoeld in punt 345 van de richtsnoeren.

□Ja□Neen

3. Geef aan door welke soort ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, de schade waarvoor de vergoeding is bedoeld, is ontstaan of – in het geval van een ex-antekaderregeling – zou kunnen ontstaan:

(a) 

□stormen

(b) 

□windstoten die uitzonderlijk hoge golven veroorzaken

(c) 

□hevige en aanhoudende regenval

(d) 

□overstromingen

(e) 

□uitzonderlijk hoge watertemperaturen over een langere periode

(f) 

□vorst

(g) 

□hagel

(h) 

□ijs

(i) 

□ernstige droogte

(j) 

□andere ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld

3.1. Geef een nadere beschrijving van de ongunstige weersomstandigheden in kwestie.

4. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de schade die het gevolg is van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, meer dan 30 % van de gemiddelde jaarproductie moet bedragen, berekend op basis van de voorgaande drie kalenderjaren of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, waarbij de hoogste en de laagste waarde niet worden meegerekend:

□Ja□Neen

4.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband moet zijn tussen de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, en de schade die de onderneming heeft geleden.

□Ja□Neen

5.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

6. Toon aan dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband is tussen de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, en de schade die de onderneming heeft geleden.

7. Wanneer de verliezen die het gevolg zijn van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, kunnen worden gedekt via onderlinge fondsen die in het kader van Verordening (EU) 2021/1139 worden gefinancierd, leg dan uit waarom het de bedoeling is dat toch steun wordt toegekend en geen financiële vergoeding wordt betaald via die onderlinge fondsen.

8. Geef aan of de steun rechtstreeks moet worden betaald aan:

(a) 

□de betrokken onderneming,

(b) 

□een producentengroepering of -organisatie waarvan die onderneming lid is.

9. Wanneer de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, geef dan aan of het steunbedrag niet hoger mag zijn dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt.

□Ja□Neen

9.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

10. Geef aan wanneer de gebeurtenis zich heeft voorgedaan, inclusief begin- en einddatum (indien van toepassing).

11. Geef aan of de maatregel wordt ingevoerd binnen drie jaar na de datum van de gebeurtenis.

□Ja□Neen

11.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

12. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun binnen vier jaar na de datum van de gebeurtenis moet worden betaald.

□Ja□Neen

12.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

13. Geef aan of de in aanmerking komende kosten de kosten zijn van de schade die rechtstreeks voortvloeit uit de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld.

□Ja□Neen

13.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

14. Geef aan of de schade wordt getaxeerd door:

(a) 

□een overheidsinstantie

(b) 

□een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige

(c) 

□een verzekeringsonderneming

14.1. Geef aan welke instantie(s) de schade taxeert (taxeren).

14.2. Geef aan of de schade bestaat uit:

(a) 

□materiële schade aan activa (zoals gebouwen, uitrusting, machines, voorraden en productiemiddelen)

(b) 

□inkomensverlies als gevolg van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de visserij- of de aquacultuurproductie of de voor die productie gebruikte middelen

(c) 

□beide, d.w.z. de schade omvat a) en b)

14.3. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op de hierboven aangekruiste schade.

15. Geef een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de soort en omvang van de schade die de ondernemingen hebben geleden of – in het geval van een ex-antekaderregeling – zouden kunnen lijden.

16. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de schade moet worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

□Ja□Neen

16.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

17. Ingeval de in aanmerking komende kosten materiële schade aan activa omvatten, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat de schade een verlies van meer dan 30 % van de gemiddelde jaarlijkse productie tot gevolg moet hebben, berekend op basis van de drie kalenderjaren of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, waarbij de hoogste en de laagste waarde niet worden meegerekend.

□Ja□Neen

17.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

18. Ingeval de in aanmerking komende kosten materiële schade aan activa omvatten, geef dan aan of de materiële schade moet worden berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld.

□Ja□Neen

18.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

19. Ingeval de in aanmerking komende kosten materiële schade aan activa omvatten, geef dan aan of het schadebedrag niet hoger mag zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de activa onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld.

□Ja□Neen

19.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

20. Ingeval de in aanmerking komende kosten inkomensverlies omvatten, geef dan aan of het wordt berekend overeenkomstig punt 173 van de richtsnoeren, d.w.z. door a) de hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten die is geproduceerd in het jaar van de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, of in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs, in mindering te brengen op b) de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten die is geproduceerd in de drie jaren voorafgaand aan de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs.

□Ja□Neen

20.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

21. Geef aan of het bedrag van de vergoeding kan worden verhoogd met andere kosten die de begunstigde onderneming heeft gemaakt als gevolg van de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld.

□Ja□Neen

21.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

21.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

22. Geef aan of het bedrag van de vergoeding moet worden verlaagd met de kosten die vanwege de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, niet zijn gemaakt en normaliter wel door de begunstigde onderneming zouden zijn gemaakt.

□Ja□Neen

22.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

22.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

23. Op grond van punt 175 van de richtsnoeren accepteert de Commissie mogelijk ook andere berekeningsmethoden mits deze methoden representatief zijn, niet berusten op abnormaal hoge vangsten of opbrengsten en niet resulteren in overcompensatie van een begunstigde onderneming.

Indien de aanmeldende lidstaat een alternatieve berekeningsmethode wil voorstellen, geef dan aan waarom de methode van de richtsnoeren in het onderhavige geval niet geschikt is en leg uit waarom de alternatieve berekeningsmethode beter aansluit bij de geconstateerde behoeften.

Voeg bij de aanmelding een bijlage met de voorgestelde alternatieve methodiek en toon aan dat deze methodiek representatief is, niet berust op abnormaal hoge vangsten of opbrengsten en niet resulteert in overcompensatie van een begunstigde.

24. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat wanneer een kmo minder dan drie jaar vóór de datum van de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, is opgericht, de verwijzing naar de perioden van drie of vijf jaar in de punt 163, a), punt 171 en punt 173, b), moet worden begrepen als een verwijzing naar de hoeveelheid die wordt geproduceerd en verkocht door een gemiddelde onderneming van dezelfde omvang als de aanvrager, namelijk een micro-onderneming of een kleine of middelgrote onderneming in de nationale of regionale sector die is getroffen door de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld.

□Ja□Neen

24.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

25. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun en eventuele andere betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten mogen bedragen.

□Ja□Neen

25.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

25.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de bovengrens van 100 % en de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel zijn vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

26. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.3  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE KOSTEN VAN PREVENTIE, BESTRIJDING EN UITROEIING VAN DIERZIEKTEN IN DE AQUACULTUUR EN VAN PLAGEN VAN INVASIEVE UITHEEMSE SOORTEN, EN STEUN TER VERGOEDING VAN SCHADE DIE IS VEROORZAAKT DOOR DIE DIERZIEKTEN EN PLAGEN

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten in de aquacultuur en van plagen van invasieve uitheemse soorten, en steun ter vergoeding van schade die is veroorzaakt door die dierziekten en plagen, zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.3, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 647 ) („de richtsnoeren”).

1. Is de maatregel een ex-antekaderregeling voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten in de aquacultuur en van plagen van invasieve uitheemse soorten?

□Ja□Neen

Zo ja, dan mogen de vragen 10 en 12 worden overgeslagen.

2. Geef in het geval van een ex-antekaderregeling aan of de lidstaat zich zal houden aan de rapportageverplichting als bedoeld in punt 345 van de richtsnoeren.

□Ja□Neen

3. Geef aan of de steun betrekking heeft op dierziekten en/of plagen van invasieve uitheemse soorten waarvoor wettelijke of bestuursrechtelijke nationale of Unievoorschriften gelden.

□Ja□Neen

3.1. Zo ja, geef dan aan welke nationale of Unievoorschriften dat zijn.

3.2. Zo ja, vermeld dan de ziekte(n) en/of plaag (plagen) waarop de maatregel is gericht, en geef een nadere beschrijving van de oorzaken en verspreiding van de ziekte of plaag.

4. Geef aan of de steun deel uitmaakt van:

□ 

een uniaal, nationaal of regionaal programma ter preventie, bestrijding of uitroeiing van dierziekten

□ 

noodmaatregelen van de bevoegde nationale autoriteit

□ 

maatregelen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1143/2014 om een invasieve uitheemse soort uit te roeien of in te dammen

4.1. Geef voor elk hierboven aangekruist vakje aan om welk(e) programma(’s) of maatregel(en) het gaat.

5. Geef aan of het (de) programma(’s) of maatregel(en) in kwestie een beschrijving van de betrokken preventie-, bestrijdings- en uitroeiingsmaatregelen bevat(ten).

□Ja□Neen

5.1. Vermeld de desbetreffende bepalingen van het (de) programma(’s) en maatregel(en).

6. Bevestig dat de steun geen betrekking heeft op maatregelen waarvoor in de Uniewetgeving is bepaald dat de kosten ervan door de begunstigde onderneming moeten worden gedragen, tenzij deze steunmaatregelen volledig worden bekostigd uit de opbrengsten van aan de begunstigde ondernemingen opgelegde verplichte heffingen.

□Ja□Neen

7. Geef aan of de steun rechtstreeks moet worden betaald aan:

(a) 

□de betrokken onderneming,

(b) 

□een producentengroepering of -organisatie waarvan die onderneming lid is.

8. Wanneer de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, geef dan aan of het steunbedrag niet hoger mag zijn dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt.

□Ja□Neen

8.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

9. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat geen individuele steun wordt toegekend als wordt geconstateerd dat de dierziekte of plaag van invasieve uitheemse soorten met opzet of door nalatigheid van de begunstigde onderneming werd veroorzaakt.

□Ja□Neen

9.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

10. Geef aan in welke categorie(ën) de toe te kennen steun valt:

(a) 

□ziekten bij waterdieren die zijn opgenomen in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad ( 648 ) of in de lijst van dierziekten van de Gezondheidscode voor waterdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid ( 649 )

(b) 

□zoönosen van waterdieren als vermeld in punt 2 van bijlage III bij Verordening (EU) 2021/690 van het Europees Parlement en de Raad ( 650 )

(c) 

□opkomende dierziekten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429

(d) 

□andere ziekten dan een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, punt d), van Verordening (EU) 2016/429, die voldoen aan de criteria van artikel 226 van die verordening.

10.1. Vermeld om wat voor soort ziekte/zoönose het gaat.

11. Geef aan wanneer de dierziekte of plaag zich heeft voorgedaan, inclusief begin- en einddatum (indien van toepassing).

Als het om een preventieve maatregel gaat, hoeft de vraag niet te worden beantwoord.

12. Geef aan of de steunregeling wordt ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de door de dierziekte of plaag van invasieve uitheemse soorten veroorzaakte schade of kosten zijn ontstaan.

□Ja□Neen

Deze voorwaarde is niet van toepassing op kosten die worden gemaakt voor preventieve doeleinden als bedoeld in punt 188 van de richtsnoeren.

12.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

13. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun moet worden betaald binnen vier jaar na de datum waarop de door de dierziekte of plaag van invasieve uitheemse soorten veroorzaakte schade of kosten zijn ontstaan.

□Ja□Neen

13.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

Deze voorwaarde is niet van toepassing op kosten die worden gemaakt voor preventieve doeleinden als bedoeld in punt 188 van de richtsnoeren.

14. Geef een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de soort en omvang van de schade die ondernemingen hebben geleden of – in het geval van een ex-antekaderregeling – zouden kunnen lijden.

15. Geef aan onder welke maatregel de in aanmerking komende kosten vallen:

(a) 

□gezondheidscontroles, analysen, tests en andere screeningmaatregelen

(b) 

□de verbetering van biobeveiligingsmaatregelen

(c) 

□de aankoop, opslag, toediening of distributie van vaccins, geneesmiddelen en stoffen voor de behandeling van dieren

(d) 

□de aankoop, opslag, inzet en distributie van beschermingsproducten of apparatuur om plagen van invasieve uitheemse soorten aan te pakken

(e) 

□het slachten, ruimen en vernietigen van dieren

(f) 

□het vernietigen van dierlijke producten en van met die dieren verband houdende producten

(g) 

□het reinigen en ontsmetten van de onderneming of van apparatuur

(h) 

□de schade die is ontstaan als gevolg van het slachten, ruimen of vernietigen van dieren, dierlijke producten en met die dieren verband houdende producten

(i) 

□andere kosten als gevolg van dierziekten in de aquacultuur of plagen van invasieve uitheemse soorten. Geef aan om wat voor kosten het gaat:

15.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op de hierboven aangekruiste schade.

16. Geef aan of de steun voor gezondheidscontroles, analysen, tests en andere screeningmaatregelen in natura wordt verleend en aan dienstverleners wordt betaald:

□Ja□Neen

16.1. Zo neen, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat de begunstigde ondernemingen al moeten beschikken over interne capaciteit die voor die doeleinden geschikt is.

□Ja□Neen

16.2. Als vraag 16.1 met ja is beantwoord, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

17. Wanneer de schade die het gevolg is van een dierziekte of plaag van invasieve uitheemse soorten als bedoeld in punt 188, h), van de richtsnoeren, ook voor vergoeding in aanmerking komt, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat de vergoeding uitsluitend mag worden berekend op basis van:

(a) 

□de marktwaarde van de dieren die zijn geslacht of geruimd of zijn gestorven of van de producten die zijn vernietigd:

□ 

als gevolg van de dierziekte of plaag van invasieve uitheemse soorten

□ 

als onderdeel van een openbaar programma of een maatregel als bedoeld in punt 180, b), van de richtsnoeren

(b) 

□de inkomensverliezen als gevolg van quarantaineverplichtingen en moeilijkheden bij het herbevolken.

17.1. Vermeld de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag:

. …

18. Als vakje a) in vraag 17 is aangekruist, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat de marktwaarde moet berusten op de waarde van de dieren onmiddellijk voordat het vermoeden van de dierziekte of plaag van invasieve uitheemse soorten ontstond of werd bevestigd, en alsof ze niet door de dierziekte of plaag waren getroffen.

□Ja□Neen

18.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

19. Geef aan of het bedrag van de vergoeding moet worden verlaagd met de directe kosten die vanwege de dierziekte of plaag van invasieve uitheemse soorten niet zijn gemaakt en normaliter wel door de begunstigde onderneming zouden zijn gemaakt.

□Ja□Neen

19.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

19.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

20. Geef aan of het bedrag van de vergoeding moet worden verlaagd met eventuele inkomsten uit de verkoop van producten die verband houden met de dieren die zijn geslacht, geruimd of vernietigd met het oog op preventie of uitroeiing.

□Ja□Neen

20.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

21. Als vakje i) in vraag 15 is aangekruist, leg dan nader uit waarom die andere kosten in aanmerking zouden moeten komen.

22. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun en eventuele andere betalingen die de begunstigde onderneming voor dezelfde in aanmerking komende kosten ontvangt, waaronder betalingen in het kader van andere nationale of Uniemaatregelen of in het kader van een verzekeringspolis of een onderling fonds, maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten mogen bedragen.

□Ja□Neen

22.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

22.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de bovengrens van 100 % en de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel zijn vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

23. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.4  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE VERGOEDING VAN SCHADE AANGERICHT DOOR BESCHERMDE DIEREN

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van steun voor de vergoeding van schade aangericht door beschermde dieren zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.4, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 651 ) („de richtsnoeren”).

1. Geef aan of het begrip „beschermd dier” is gedefinieerd overeenkomstig punt 31, w), van de richtsnoeren.

□Ja□Neen

1.1. Zo ja, vermeld dan om welk beschermd dier het gaat, en vermeld de desbetreffende bepaling(en) van de nationale of de Uniewetgeving.

2. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband moet zijn tussen de schade die de ondernemingen hebben geleden, en het gedrag van de beschermde dieren.

□Ja□Neen

2.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

3. Geef aan of de in aanmerking komende kosten de kosten zijn van de schade die rechtstreeks voortvloeit uit het gedrag van de beschermde dieren.

□Ja□Neen

3.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

3.2. Geef aan of de schade wordt getaxeerd door:

(a) 

□een overheidsinstantie

(b) 

□een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige

(c) 

□een verzekeringsonderneming

Geef aan welke instantie(s) de schade taxeert (taxeren).

4. Als het om een maatregel voor de visserijsector gaat, geef dan aan of de steun alleen betrekking heeft op schade aan vangsten, ongeacht de eventuele impact van beschermde dieren op de totale wilde populatie.

□Ja□Neen

4.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5. Geef aan of de steun rechtstreeks moet worden betaald aan:

(a) 

□de betrokken onderneming,

(b) 

□een producentengroepering of -organisatie waarvan die onderneming lid is.

6. Wanneer de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, geef dan aan of het steunbedrag niet hoger mag zijn dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt.

□Ja□Neen

6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7. Geef aan wanneer de schade zich heeft voorgedaan, inclusief begin- en einddatum (indien van toepassing).

8. Geef aan of de regeling wordt ingevoerd binnen drie jaar na de datum van de schade.

□Ja□Neen

8.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

9. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun binnen vier jaar na de datum van de schade moet worden betaald.

□Ja□Neen

9.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

10. Geef aan of de volgende kosten in aanmerking komen:

(a) 

□de marktwaarde van de dieren die door de beschermde dieren zijn beschadigd of gedood

(b) 

□de materiële schade aan de volgende activa: uitrusting, machines en eigendom

(c) 

□beide, d.w.z. de in aanmerking komende kosten omvatten a) en b).

10.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op de hierboven aangekruiste schade.

11. Geef een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de soort en omvang van de schade die ondernemingen hebben geleden.

12. Mochten de in aanmerking komende kosten de marktwaarde van de beschadigde of gedode dieren omvatten, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat de marktwaarde moet berusten op de waarde van de dieren onmiddellijk vóór de schade en alsof zij niet door het gedrag van de beschermde dieren waren getroffen.

□Ja□Neen

12.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

13. Mochten de in aanmerking komende kosten de materiële schade aan activa omvatten, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat het schadebedrag moet worden berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de schade.

□Ja□Neen

13.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

14. Mochten de in aanmerking komende kosten de materiële schade aan activa omvatten, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat het schadebedrag niet hoger mag zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van het gedrag van de beschermde dieren, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de activa onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de schade.

□Ja□Neen

14.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

15. Geef aan of het bedrag van de vergoeding kan worden verhoogd met andere kosten die de begunstigde onderneming heeft gemaakt als gevolg van het gedrag van de beschermde dieren.

□Ja□Neen

15.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

15.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

16. Geef aan of het bedrag van de vergoeding moet worden verlaagd met de directe kosten die vanwege het gedrag van de beschermde dieren niet zijn gemaakt en normaliter wel door de begunstigde onderneming zouden zijn gemaakt.

□Ja□Neen

16.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

16.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

17. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat het bedrag van de vergoeding moet worden verlaagd met eventuele inkomsten uit de verkoop van producten die verband houden met de beschadigde of gedode dieren.

□Ja□Neen

17.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

18. De Commissie accepteert mogelijk ook andere berekeningsmethoden mits deze methoden representatief zijn, niet berusten op abnormaal hoge vangsten of opbrengsten en niet resulteren in overcompensatie van een begunstigde onderneming.

18.1. Indien de aanmeldende lidstaat een alternatieve berekeningsmethode wil voorstellen, geef dan aan waarom de methode van de richtsnoeren in het onderhavige geval niet geschikt is en leg uit waarom de alternatieve berekeningsmethode beter aansluit bij de geconstateerde behoeften.

18.2. Voeg bij de aanmelding een bijlage met de voorgestelde alternatieve methodiek en toon aan dat deze methodiek representatief is, niet berust op abnormaal hoge vangsten of opbrengsten en niet resulteert in overcompensatie van een begunstigde.

19. Geef aan of de steunmaatregel voorschrijft dat de begunstigde onderneming na de eerste aanvallen van beschermde dieren een redelijke inspanning moet leveren om herhaling te voorkomen door preventieve maatregelen te treffen, zoals veiligheidsafrasteringen, die in verhouding staan tot het gevaar dat de beschermde dieren in het betrokken gebied opnieuw schade aanrichten.

□Ja□Neen

19.1. Zo ja, vermeld dan welke preventieve maatregelen vereist zijn/aanbevolen worden voor het betrokken gebied.

19.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

19.3. Zo nee, leg dan uit waarom preventieve maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk zijn en lever bewijs daarvoor.

20. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun en eventuele andere betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten mogen bedragen.

□Ja□Neen

20.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

20.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de bovengrens van 100 % en de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel zijn vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

21. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

1.5  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE INVESTERINGSSTEUN VOOR DE PREVENTIE EN BEPERKING VAN SCHADE ALS GEVOLG VAN RISICOGEBEURTENISSEN

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van investeringssteun voor de preventie en beperking van schade als gevolg van risicogebeurtenissen zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1.5, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 652 ) („de richtsnoeren”).

1. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de investering in de eerste plaats gericht moet zijn op de preventie en beperking van schade als gevolg van risicogebeurtenissen en, meer in het bijzonder voor de visserijsector, dat de investering gericht moet zijn op de preventie en beperking van aanvreting door predatoren of van schade aan vistuig of andere uitrusting.

□Ja□Neen

1.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

2. Indien krachtens Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 653 ) een milieueffectbeoordeling vereist is voor de investeringen, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat de steun alleen wordt verleend indien een dergelijke beoordeling is uitgevoerd en de vergunning voor het betrokken investeringsproject is verleend vóór de datum van toekenning van de individuele steun.

□Ja□Neen

2.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

3. Geef aan of de maatregel alleen geldt voor in aanmerking komende kosten die rechtstreeks en speciaal betrekking hebben op preventieve maatregelen.

□Ja□Neen

3.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

4. Geef aan of de in aanmerking komende kosten betrekking hebben op:

(a) 

□de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerend goed

(b) 

□de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa

(c) 

□beide, d.w.z. de schade omvat a) en b)

4.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op het hierboven aangekruiste vakje:

4.2. Geef een nadere beschrijving van de kosten die in het kader van de maatregel in aanmerking komen.

5. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de maximale steunintensiteit niet hoger is dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

□Ja□Neen

5.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

5.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel is (zijn) vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

6. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.1  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE EXPLOITATIESTEUN IN ULTRAPERIFERE GEBIEDEN

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van exploitatiesteun in ultraperifere gebieden zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.1, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 654 ) („de richtsnoeren”). Op grond van punt 216 van de richtsnoeren mag de steun niet verder gaan dan wat nodig is ter verlichting van de gevolgen van de specifieke beperkingen waarmee de ultraperifere gebieden als gevolg van hun isolement, insulaire ligging en extreme afgelegenheid te maken hebben.

1. Vermeld op welk ultraperifeer gebied of welke ultraperifere gebieden als genoemd in artikel 349 van het Verdrag de maatregel betrekking heeft.

2. Geef een nadere beschrijving van de specifieke beperkingen waarmee het (de) betrokken ultraperifere gebied(en) te maken heeft (hebben) (isolement, insulaire ligging, extreme afgelegenheid), en leg uit hoe de maatregel de gevolgen van deze beperkingen ondervangt.

3. Geef een nadere beschrijving van de soort exploitatiesteun die wordt verleend, en geef een overzicht van de kosten die in het kader van de maatregel in aanmerking komen.

4. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de in aanmerking komende kosten moeten voortvloeien uit de specifieke beperkingen waaronder de betrokken ultraperifere gebieden te lijden hebben.

□Ja□Neen

4.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun niet verder mag gaan dan wat nodig is ter verlichting van de gevolgen van de specifieke beperkingen waaronder de ultraperifere gebieden te lijden hebben.

□Ja□Neen

5.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de in aanmerking komende kosten moeten worden berekend op basis van de criteria van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1972 van de Commissie ( 655 ).

□Ja□Neen

6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7. Geef een nadere beschrijving van de berekeningsmethode die in het kader van de maatregel wordt gebruikt.

8. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de betrokken lidstaat, ter voorkoming van overcompensatie, rekening houdt met andere soorten overheidsmaatregelen, met inbegrip van, in voorkomend geval, de compensatie van de extra kosten van de marktdeelnemers voor het vissen, het kweken, de verwerking en de afzet van bepaalde visserij- en aquacultuurproducten van de ultraperifere gebieden die overeenkomstig artikel 24, 35, 36 en 37 van Verordening (EU) 2021/1139 wordt betaald.

□Ja□Neen

8.1. Zo ja, beschrijf dan de controlemechanismen om overcompensatie te voorkomen.

8.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

9. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun en eventuele andere betalingen die de begunstigde onderneming ontvangt voor dezelfde in aanmerking komende kosten, ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten mogen bedragen.

□Ja□Neen

9.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

9.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de bovengrens van 100 % en de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel zijn vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

10. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.2  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE VERNIEUWING VAN DE VISSERSVLOOT IN ULTRAPERIFERE GEBIEDEN

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van steun voor de vernieuwing van de vissersvloot in ultraperifere gebieden zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.2, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 656 ) („de richtsnoeren”).

1. Vermeld op welk ultraperifeer gebied of welke ultraperifere gebieden als genoemd in artikel 349 van het Verdrag de maatregel betrekking heeft.

2. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat nieuwe vissersvaartuigen die met de steun worden verworven, moeten voldoen aan de nationale en Unievoorschriften voor de hygiëne, gezondheid, veiligheid en arbeidsomstandigheden aan boord van vissersvaartuigen en voor de kenmerken van vissersvaartuigen.

□Ja□Neen

2.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

3. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de begunstigde onderneming op de datum waarop de steun wordt aangevraagd, haar hoofdregistratie moet hebben in het ultraperifere gebied waar het nieuwe vaartuig wordt ingeschreven.

□Ja□Neen

3.1. Zo ja, vermeld de plaats van de hoofdregistratie:

4. Op grond van punt 223 van de richtsnoeren moet op de datum van toekenning van de steun uit het verslag dat vóór die datum overeenkomstig artikel 22, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 657 ) is opgesteld (het „nationaal verslag”), blijken dat de vangstcapaciteit en de vangstmogelijkheden van het vlootsegment van het ultraperifere gebied waarvan het nieuwe vaartuig deel zal uitmaken, in evenwicht zijn. Beantwoord in dit verband de volgende vragen:

4.1. Wanneer is het meest recente nationaal verslag van vóór de datum van toekenning van de steun opgesteld?

4.1.1. Geef de link naar het meest recente nationaal verslag of voeg deze bij de aanmelding.

4.2. Geef op grond van punt 225 van de richtsnoeren aan of voor alle te verlenen steun is voldaan aan de volgende voorwaarden:

4.2.1. Is het nationaal verslag uiterlijk op 31 mei van jaar N ingediend ( 658 )?

□Ja□Neen

4.2.2. Geef aan of het nationaal verslag van jaar N, en met name de beoordeling van het evenwicht in dat verslag, is opgesteld op basis van de biologische en economische indicatoren en indicatoren voor het vaartuiggebruik die zijn vermeld in de gemeenschappelijke richtsnoeren ( 659 ).

□Ja□Neen

Op grond van punt 224 van de richtsnoeren mag geen steun worden verleend indien het nationaal verslag, en met name de beoordeling van het evenwicht in dat verslag, niet is opgesteld op basis van de biologische en economische indicatoren en indicatoren voor het vaartuiggebruik die zijn vermeld in de gemeenschappelijke richtsnoeren als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

4.2.3. Blijkt uit het nationaal verslag van jaar N dat de vangstcapaciteit en de vangstmogelijkheden van het vlootsegment waarvan het nieuwe vaartuig deel zal uitmaken, in evenwicht zijn?

□Ja□Neen

4.2.4. Leg uit hoe bij het ontwerpen van de maatregel rekening is gehouden met het nationaal verslag en hoe het evenwicht wordt bereikt.

4.2.5. Geef op grond van punt 226 van de richtsnoeren aan dat de Commissie uiterlijk op 31 maart van jaar N+1 geen vraagtekens mag hebben geplaatst bij:

(a) 

□de conclusie van het nationaal verslag van jaar N

(b) 

□de beoordeling van het in het nationaal verslag van jaar N vervatte evenwicht

4.2.6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun op basis van het nationaal verslag van jaar N slechts mag worden toegekend tot en met 31 december van jaar N+1, d.w.z. het jaar volgend op het jaar van indiening van het verslag.

□Ja□Neen

4.2.6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5. Geef aan of de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 vermelde vangstcapaciteitsmaxima van elke lidstaat en van elk vlootsegment van de ultraperifere gebieden op geen enkel moment worden overschreden, rekening houdend met een mogelijke verlaging van die maxima uit hoofde van artikel 22, lid 6, van die verordening.

□Ja□Neen

5.1. Leg uit hoe aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Bij de uitbreiding van de vloot met nieuwe, met steun verworven capaciteit moeten deze capaciteitsmaxima onverkort in acht worden genomen en mag er geen situatie ontstaan waarin deze maxima worden overschreden.

6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat aan de steun niet de voorwaarde mag worden verbonden dat het nieuwe vaartuig bij een bepaalde scheepswerf moet worden verworven.

□Ja□Neen

6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7. Geef een nadere beschrijving van de kosten die in het kader van de maatregel in aanmerking komen.

8. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de maximale steunintensiteit voor de vaartuigen niet hoger mag zijn dan:

(a) 

60 % van de totale in aanmerking komende kosten bij vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter

□Ja□Neen

(b) 

50 % van de totale in aanmerking komende kosten bij vaartuigen met een lengte over alles van 12 tot 24 meter

□Ja□Neen

(c) 

25 % van de totale in aanmerking komende kosten bij vaartuigen met een lengte over alles van ten minste 24 meter

□Ja□Neen

8.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

8.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel is (zijn) vermeld.

9. Geef aan of het met steun verworven vaartuig vanaf de datum van toekenning van de steun ten minste 15 jaar geregistreerd moet blijven in het ultraperifere gebied en in die periode al zijn vangsten moet aanlanden in een ultraperifeer gebied:

□Ja□Neen

9.1. Geef aan of de begunstigde onderneming, indien niet aan die voorwaarde is voldaan, de steun moet terugbetalen in verhouding tot de periode of mate van niet-naleving.

□Ja□Neen

9.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

OVERIGE INFORMATIE

10. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

2.3  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR INVESTERINGEN IN VEILIGHEIDSBEVORDERENDE UITRUSTING, MET INBEGRIP VAN UITRUSTING WAARMEE VAARTUIGEN HUN VISSERIJZONES KUNNEN UITBREIDEN, VOOR DE KLEINSCHALIGE KUSTVISSERIJ IN ULTRAPERIFERE GEBIEDEN

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van steun voor investeringen in veiligheidsbevorderende uitrusting, met inbegrip van uitrusting waarmee vaartuigen hun visserijzones kunnen uitbreiden, voor de kleinschalige kustvisserij in ultraperifere gebieden zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.3, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 660 ) („de richtsnoeren”).

1. Vermeld op welk ultraperifeer gebied of welke ultraperifere gebieden als genoemd in artikel 349 van het Verdrag de maatregel betrekking heeft.

2. Leg uit hoe de maatregel er in de kleinschalige visserij voor zorgt dat economisch, sociaal en ecologisch duurzame visserijactiviteiten worden versterkt, de veiligheid en de arbeidsomstandigheden aan boord worden verbeterd en, indien van toepassing, vissersvaartuigen hun visserijzones kunnen uitbreiden tot 20 mijl uit de kust.

3. Geef aan of in afwijking van punt 47 van de richtsnoeren steun kan worden verleend in het kader van de naleving van verplichte nationale of Unievereisten:

□Ja□Neen

3.1. Beschrijf de verplichte nationale of Unievereisten en leg uit waarom een dergelijke afwijking noodzakelijk is.

4. Geef aan of de maatregel geen betrekking heeft op:

□ 

de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig

□ 

een verhoging van de brutotonnage van een vissersvaartuig.

Op grond van de punten 235 en 236 van de richtsnoeren kan steun voor investeringen ter vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig alleen in aanmerking komen op grond van artikel 18 van Verordening (EU) 2021/1139 of op grond van deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.2, van deze richtsnoeren en kan steun voor investeringen die leiden tot een verhoging van de brutotonnage van een vissersvaartuig, alleen in aanmerking komen op grond van artikel 19 van Verordening (EU) 2021/1139 of op grond van deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.3, van de richtsnoeren.

5. Geef een nadere beschrijving van de kosten die in het kader van de maatregel in aanmerking komen.

6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de maximale steunintensiteit niet hoger is dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

6.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

6.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel is (zijn) vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

7. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

3.1  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE EERSTE VERWERVING VAN EEN VISSERSVAARTUIG

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van steun voor de eerste verwerving van een vissersvaartuig zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.1, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 661 ) („de richtsnoeren”).

1. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de vissersvaartuigen van de Unie waarvoor steun wordt verleend, gedurende ten minste vijf jaar na de slotbetaling van de steun niet mogen worden overgedragen of omgevlagd buiten de Unie.

□Ja□Neen

1.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

2. Geef aan aan wie steun kan worden verleend in het kader van de maatregel:

(a) 

□een natuurlijke persoon die op de datum van indiening van de steunaanvraag niet ouder is dan veertig jaar en die ten minste vijf jaar als visser heeft gewerkt of een passende kwalificatie heeft verworven

(b) 

□rechtspersonen die volledig in handen zijn van een of meer natuurlijke personen die elk voldoen aan de voorwaarden van punt a)

(c) 

□in geval van een gezamenlijke eerste verwerving van een vissersvaartuig, verscheidene natuurlijke personen die elk voldoen aan de voorwaarden van punt a)

(d) 

□in geval van verwerving van de gedeeltelijke eigendom van een vissersvaartuig, een natuurlijke persoon die voldoet aan de voorwaarden van punt a) en geacht wordt zeggenschapsrechten over dat vaartuig te hebben van ten minste 33 % van het vaartuig of van de aandelen in het vaartuig, of een juridische entiteit die voldoet aan de voorwaarden van punt b) en geacht wordt zeggenschapsrechten over dat vaartuig te hebben van ten minste 33 % van het vaartuig of van de aandelen in het vaartuig

2.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op de hierboven aangekruiste schade.

3. Op grond van punt 245, a), van de richtsnoeren moeten de vissersvaartuigen deel uitmaken van een vlootsegment waarvoor in het meest recente verslag over de vangstcapaciteit als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 662 ), een evenwicht met de voor dat segment beschikbare vangstmogelijkheden wordt aangetoond (hierna het „nationaal verslag” genoemd). Op grond van punt 226 van de richtsnoeren gelden voor de toepassing van punt 245, a), de procedure en voorwaarden van deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.2, punten 225, 226 en 227, van de richtsnoeren. Beantwoord in dit verband de volgende vragen:

Als de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, hoeven de vragen 3.1 tot en met 3.2.6.1 niet te worden beantwoord.

3.1. Wanneer is het meest recente nationaal verslag van vóór de datum van toekenning van de steun opgesteld?

3.1.1. Geef de link naar het meest recente nationaal verslag of voeg deze bij de aanmelding.

3.2. Geef aan of voor alle te verlenen steun is voldaan aan de volgende voorwaarden:

3.2.1. Is het nationaal verslag uiterlijk op 31 mei van jaar N ingediend ( 663 )?

□Ja□Neen

3.2.2. Geef aan of het nationaal verslag van jaar N, en met name de beoordeling van het evenwicht in dat verslag, is opgesteld op basis van de biologische en economische indicatoren en indicatoren voor het vaartuiggebruik die zijn vermeld in de gemeenschappelijke richtsnoeren ( 664 ) als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

□Ja□Neen

Er mag geen steun worden verleend indien het nationaal verslag, en met name de beoordeling van het evenwicht in dat verslag, niet is opgesteld op basis van de biologische en economische indicatoren en indicatoren voor het vaartuiggebruik die zijn vermeld in de gemeenschappelijke richtsnoeren als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

3.2.3. Blijkt uit het nationaal verslag van jaar N dat de vangstcapaciteit en de vangstmogelijkheden van het vlootsegment waarvan het nieuwe vaartuig deel zal uitmaken, in evenwicht zijn?

□Ja□Neen

3.2.4. Leg uit hoe bij het ontwerpen van de maatregel rekening is gehouden met het nationaal verslag en hoe het evenwicht wordt bereikt.

3.2.5. Geef aan of de Commissie uiterlijk op 31 maart van jaar N+1 geen vraagtekens heeft geplaatst bij:

(a) 

□de conclusie van het nationaal verslag van jaar N

(b) 

□de beoordeling van het in het nationaal verslag van jaar N vervatte evenwicht

3.2.6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun op basis van het nationaal verslag van jaar N slechts mag worden toegekend tot en met 31 december van jaar N+1, d.w.z. het jaar volgend op het jaar van indiening van het verslag.

□Ja□Neen

3.2.6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

4. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat vissersvaartuigen uitgerust moeten zijn voor visserijactiviteiten en niet langer mogen zijn dan 24 meter over alles.

□Ja□Neen

4.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat alleen steun kan worden verleend voor een vissersvaartuig dat gedurende ten minste drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag geregistreerd staat in het vlootregister van de Unie indien het voor de kleinschalige kustvisserij is bestemd, en gedurende ten minste vijf kalenderjaren indien het een ander type vaartuig betreft.

□Ja□Neen

5.1. Indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat alleen steun kan worden verleend voor een vissersvaartuig dat al gedurende ten minste drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag in bedrijf is conform nationaal recht indien het voor de kleinschalige kustvisserij is bestemd, en gedurende ten minste vijf kalenderjaren indien het een ander type vaartuig betreft.

□Ja□Neen

5.2. Als vraag 5 of vraag 5.1 met ja is beantwoord, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat alleen steun kan worden verleend voor een vissersvaartuig dat voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag ten hoogste dertig kalenderjaren in het vlootregister van de Unie geregistreerd staat.

□Ja□Neen

6.1. Indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat alleen steun kan worden verleend voor een vissersvaartuig dat voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag ten hoogste dertig kalenderjaren in bedrijf is conform nationaal recht.

□Ja□Neen

6.2. Als vraag 6 of vraag 6.1 met ja is beantwoord, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7. Geef aan of de subsidiabele kosten alleen de directe en indirecte kosten van de eerste verwerving van een vissersvaartuig omvatten.

□Ja□Neen

7.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7.2. Geef een nadere beschrijving van de kosten die in het kader van de maatregel in aanmerking komen.

8. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de maximale steunintensiteit niet hoger is dan 40 % van de in aanmerking komende kosten.

□Ja□Neen

8.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

8.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel is (zijn) vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

9. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

3.2  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE VERVANGING OF MODERNISERING VAN EEN HOOFD- OF HULPMOTOR

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van steun voor de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.2, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 665 ) („de richtsnoeren”).

1. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de vissersvaartuigen van de Unie waarvoor steun wordt verleend, gedurende ten minste vijf jaar na de slotbetaling van de steun niet mogen worden overgedragen of omgevlagd buiten de Unie.

□Ja□Neen

1.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

2. Geef aan of alleen steun wordt verleend voor de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig met een lengte over alles van maximaal 24 meter.

□Ja□Neen

2.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

3. Op grond van punt 253, a), van de richtsnoeren moeten de vissersvaartuigen deel uitmaken van een vlootsegment waarvoor in het meest recente verslag over de vangstcapaciteit als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 666 ), een evenwicht met de voor dat segment beschikbare vangstmogelijkheden wordt aangetoond (hierna het „nationaal verslag” genoemd). Op grond van punt 254 van de richtsnoeren gelden voor de toepassing van punt 253, a), de procedure en voorwaarden van deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.2, punten 225, 226 en 227. Beantwoord in dit verband de volgende vragen:

Als de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, hoeven de vragen 3.1 tot en met 3.2.6.1 niet te worden beantwoord.

3.1. Wanneer is het meest recente nationaal verslag van vóór de datum van toekenning van de steun opgesteld?

3.1.1. Geef de link naar het meest recente nationaal verslag of voeg deze bij de aanmelding.

3.2. Geef aan of voor alle te verlenen steun is voldaan aan de volgende voorwaarden:

3.2.1. Is het nationaal verslag uiterlijk op 31 mei van jaar N ingediend ( 667 )?

□Ja□Neen

3.2.2. Geef aan of het nationaal verslag van jaar N, en met name de beoordeling van het evenwicht in dat verslag, is opgesteld op basis van de biologische en economische indicatoren en indicatoren voor het vaartuiggebruik die zijn vermeld in de gemeenschappelijke richtsnoeren ( 668 ) als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

□Ja□Neen

Er mag geen steun worden verleend indien het nationaal verslag, en met name de beoordeling van het evenwicht in dat verslag, niet is opgesteld op basis van de biologische en economische indicatoren en indicatoren voor het vaartuiggebruik die zijn vermeld in de gemeenschappelijke richtsnoeren als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

3.2.3. Blijkt uit het nationaal verslag van jaar N dat de vangstcapaciteit en de vangstmogelijkheden van het vlootsegment waarvan het vaartuig deel uitmaakt, in evenwicht zijn?

□Ja□Neen

3.2.4. Leg uit hoe bij het ontwerpen van de maatregel rekening is gehouden met het nationaal verslag en hoe het evenwicht wordt bereikt.

3.2.5. Geef aan of de Commissie uiterlijk op 31 maart van jaar N+1 geen vraagtekens heeft geplaatst bij:

(a) 

□de conclusie van het nationaal verslag van jaar N

(b) 

□de beoordeling van het in het nationaal verslag van jaar N vervatte evenwicht

3.2.6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun op basis van het nationaal verslag van jaar N slechts mag worden toegekend tot en met 31 december van jaar N+1, d.w.z. het jaar volgend op het jaar van indiening van het verslag.

□Ja□Neen

3.2.6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

4. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat een vissersvaartuig ten minste vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag in het vlootregister van de Unie geregistreerd moet staan.

□Ja□Neen

4.1. Indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat alleen steun kan worden verleend voor een vissersvaartuig dat voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag ten minste vijf kalenderjaren in bedrijf is conform nationaal recht.

□Ja□Neen

4.2. Als vraag 4 of vraag 4.1 met ja is beantwoord, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5. Geef voor vaartuigen voor kleinschalige kustvisserij en vaartuigen voor de binnenvisserij aan of de maatregel voorschrijft dat de nieuwe of gemoderniseerde motor niet meer vermogen in kW heeft dan de huidige motor.

□Ja□Neen

5.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

6. Geef voor andere vaartuigen met een lengte over alles van maximaal 24 meter aan of de maatregel voorschrijft dat de nieuwe of gemoderniseerde motor niet over meer vermogen in kW beschikt dan de huidige motor en minimaal 20 % minder CO2 uitstoot dan de huidige motor.

□Ja□Neen

6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de als gevolg van de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor onttrokken vangstcapaciteit niet mag worden vervangen.

□Ja□Neen

7.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

8. Geef een gedetailleerde beschrijving van het controle- en het handhavingsmechanisme die moeten zorgen voor de naleving van de voorwaarden van deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.2, van de richtsnoeren.

9. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat alle vervangen of gemoderniseerde motoren een fysieke controle moeten ondergaan.

□Ja□Neen

9.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

10. Geef aan op basis waarvan in het kader van de maatregel wordt voldaan aan de vermindering van de CO2-uitstoot als bedoeld in vraag 6:

(a) 

□op basis van relevante, als onderdeel van een typegoedkeuring of productcertificaat door de fabrikant van de betrokken motor gecertificeerde informatie waaruit blijkt dat de nieuwe motor 20 % minder CO2 uitstoot dan de vervangen motor

(b) 

□op basis van relevante, als onderdeel van een typegoedkeuring of productcertificaat door de fabrikant van de betrokken motor gecertificeerde informatie waaruit blijkt dat de nieuwe motor 20 % minder CO2 uitstoot dan de vervangen motor

10.1. Geef nadere informatie over hetgeen hierboven is aangekruist.

10.2. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op hetgeen in de vorige vraag is aangekruist.

11. Wanneer voor een of voor beide motoren geen vergelijking van de CO2-uitstoot of het brandstofverbruik mogelijk is op basis van relevante, als onderdeel van een typegoedkeuring of productcertificaat door de fabrikant van de betrokken motor gecertificeerde informatie, geef dan aan op basis waarvan in het kader van de maatregel wordt geacht te zijn voldaan aan de vermindering van de CO2-uitstoot als bedoeld in vraag 6:

(a) 

□de nieuwe motor gebruikt energie-efficiënte technologie en het leeftijdsverschil tussen de nieuwe en de vervangen motor bedraagt ten minste zeven jaar

(b) 

□de nieuwe motor draait op een type brandstof of heeft een aandrijfsysteem dat geacht wordt minder CO2 uit te stoten dan de vervangen motor

(c) 

□volgens metingen van de betrokken lidstaat stoot de nieuwe motor 20 % minder CO2 uit of verbruikt deze 20 % minder brandstof dan de vervangen motor bij een normale visserij-inspanning van het betrokken vaartuig.

11.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op het vakje dat hierboven is aangekruist.

11.2. Geef op grond van punt 260 van de richtsnoeren aan of Uitvoeringsverordening (EU) 2022/46 van Commissie ( 669 ) wordt toegepast om de in punt 259, a), van de richtsnoeren bedoelde energie-efficiënte technologieën te identificeren en de methodologische elementen voor de uitvoering van punt 259, c), van de richtsnoeren nader te omschrijven.

□Ja□Neen

11.3. Beschrijf hoe de maatregel die vereisten toepast.

12. Geef aan of de in aanmerking komende kosten alleen de directe en indirecte kosten van vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor omvatten.

□Ja□Neen

12.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

12.2. Geef een nadere beschrijving van de kosten die in het kader van de maatregel in aanmerking komen.

13. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de maximale steunintensiteit niet hoger is dan 40 % van de in aanmerking komende kosten.

□Ja□Neen

13.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

13.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel is (zijn) vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

14. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

3.3  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE VERHOGING VAN DE BRUTOTONNAGE VAN EEN VISSERSVAARTUIG TER VERBETERING VAN DE VEILIGHEID, DE ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN OF DE ENERGIE-EFFICIËNTIE

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van steun voor de verhoging van de brutotonnage van een vissersvaartuig ter verbetering van de veiligheid, de arbeidsomstandigheden of de energie-efficiëntie zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.3, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 670 ) („de richtsnoeren”).

1. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de vissersvaartuigen van de Unie waarvoor steun wordt verleend, gedurende ten minste vijf jaar na de slotbetaling van de steun niet mogen worden overgedragen of omgevlagd buiten de Unie.

□Ja□Neen

1.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

2. Op grond van punt 265, a), van de richtsnoeren moeten de vissersvaartuigen deel uitmaken van een vlootsegment waarvoor in het meest recente verslag over de vangstcapaciteit als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, een evenwicht met de voor dat segment beschikbare vangstmogelijkheden wordt aangetoond (hierna het „nationaal verslag” genoemd). Op grond van punt 266 van de richtsnoeren gelden voor de toepassing van punt 265, a), de procedure en voorwaarden van deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2.2, punten 225, 226 en 227. Beantwoord in dit verband de volgende vragen:

Als de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, hoeven de vragen 2.1 tot en met 2.2.6.1 niet te worden beantwoord.

2.1. Wanneer is het meest recente nationaal verslag van vóór de datum van toekenning van de steun opgesteld?

2.1.1. Geef de link naar het meest recente nationaal verslag of voeg deze bij de aanmelding.

2.2. Geef aan of voor alle te verlenen steun is voldaan aan de volgende voorwaarden:

2.2.1. Is het nationaal verslag uiterlijk op 31 mei van jaar N ingediend ( 671 )?

□Ja□Neen

2.2.2. Geef aan of het nationaal verslag van jaar N, en met name de beoordeling van het evenwicht in dat verslag, is opgesteld op basis van de biologische en economische indicatoren en indicatoren voor het vaartuiggebruik die zijn vermeld in de gemeenschappelijke richtsnoeren ( 672 ) als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

□Ja□Neen

Er mag geen steun worden verleend indien het nationaal verslag, en met name de beoordeling van het evenwicht in dat verslag, niet is opgesteld op basis van de biologische en economische indicatoren en indicatoren voor het vaartuiggebruik die zijn vermeld in de gemeenschappelijke richtsnoeren als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

2.2.3. Blijkt uit het nationaal verslag van jaar N dat de vangstcapaciteit en de vangstmogelijkheden van het vlootsegment waarvan het vaartuig deel uitmaakt, in evenwicht zijn?

□Ja□Neen

2.2.4. Leg uit hoe bij het ontwerpen van de maatregel rekening is gehouden met het nationaal verslag en hoe het evenwicht wordt bereikt.

2.2.5. Geef aan of de Commissie uiterlijk op 31 maart van jaar N+1 geen vraagtekens heeft geplaatst bij:

(a) 

□de conclusie van het nationaal verslag van jaar N

(b) 

□de beoordeling van het in het nationaal verslag van jaar N vervatte evenwicht

2.2.6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun op basis van het nationaal verslag van jaar N slechts mag worden toegekend tot en met 31 december van jaar N+1, d.w.z. het jaar volgend op het jaar van indiening van het verslag.

□Ja□Neen

2.2.6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

3. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de vissersvaartuigen niet langer mogen zijn dan 24 meter over alles.

□Ja□Neen

3.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

4. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat een vissersvaartuig ten minste tien kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag in het vlootregister van de Unie geregistreerd moet staan.

□Ja□Neen

4.1. Indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, geef dan aan of de maatregel voorschrijft dat alleen steun kan worden verleend voor een vissersvaartuig dat voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag ten minste tien kalenderjaren in bedrijf is conform nationaal recht.

□Ja□Neen

4.2. Als vraag 4 of vraag 4.1 met ja is beantwoord, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5. Geef aan of de nieuwe, door de verrichting gegenereerde vangstcapaciteit waarmee de vissersvloot wordt uitgebreid, wordt gecompenseerd via voorafgaande onttrekking, zonder overheidssteun, van ten minste dezelfde hoeveelheid vangstcapaciteit uit hetzelfde vlootsegment of uit een vlootsegment waarvoor uit het meest recente nationaal verslag als bedoeld in artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, is gebleken dat de vangstcapaciteit niet in evenwicht is met de voor dat segment beschikbare vangstmogelijkheden.

□Ja□Neen

5.1. Als de voorgaande vraag met ja is beantwoord, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

Indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, mag deze vraag worden overgeslagen.

6. Geef aan of de volgende kosten in aanmerking komen:

(a) 

□de verhoging van de brutotonnage die nodig is voor de daaropvolgende installatie of renovatie van de accommodatiefaciliteiten voor het uitsluitende gebruik van de bemanning, met inbegrip van sanitaire voorzieningen, gemeenschappelijke ruimten, keukenvoorzieningen en beschuttingsstructuren op het dek

(b) 

□de verhoging van de brutotonnage die nodig is voor de daaropvolgende verbetering of installatie van brandpreventiesystemen, veiligheids- en alarmsystemen of geluiddempingssystemen aan boord

(c) 

□de verhoging van de brutotonnage die nodig is voor de daaropvolgende installatie van geïntegreerde brugsystemen ter verbetering van de navigatie of motorbediening

(d) 

□de verhoging van de brutotonnage die nodig is voor de daaropvolgende installatie of renovatie van een motor of een aandrijfsysteem met een ten opzichte van de vorige situatie betere energie-efficiëntie of lagere CO2-uitstoot, waarvan het vermogen niet groter is dan het eerder gecertificeerde motorvermogen van het vissersvaartuig overeenkomstig artikel 40, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad ( 673 ) en waarvan het maximale vermogen gecertificeerd is door de fabrikant van dat model motor of aandrijfsysteem

(e) 

□de vervanging of renovatie van de bulbsteven, mits de algehele energie-efficiëntie van het vissersvaartuig daardoor verbetert.

6.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op het vakje dat hierboven is aangekruist.

6.2. Geef aan of de in aanmerking komende kosten de directe en indirecte kosten omvatten van de investeringen in de verbetering van de veiligheid, de arbeidsomstandigheden of de energie-efficiëntie die leiden tot een verhoging van de brutotonnage van een vissersvaartuig.

□Ja□Neen

6.3. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

6.4. Geef een nadere beschrijving van de kosten die in het kader van de maatregel in aanmerking komen. Beschrijf welke kosten verband houden met de verbetering van de veiligheid, welke met de verbetering van de arbeidsomstandigheden en welke met de verbetering van de energie-efficiëntie.

7. Geef een gedetailleerde beschrijving van het controle- en het handhavingsmechanisme die moeten zorgen voor de naleving van de voorwaarden van deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.3, van de richtsnoeren.

8. Geef een nadere beschrijving van de kenmerken van de maatregel, waaronder de omvang van de verhoogde vangstcapaciteit en het doel van die verhoging.

Als het antwoord al is gegeven in een antwoord op een vorige vraag of in een vorige afdeling, verwijs dan naar dat antwoord.

9. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de maximale steunintensiteit niet hoger is dan 40 % van de in aanmerking komende kosten.

□Ja□Neen

9.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

9.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel is (zijn) vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

10. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

3.4  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE DEFINITIEVE STOPZETTING VAN VISSERIJACTIVITEITEN

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van staatssteun voor de definitieve stopzetting van visserijactiviteiten zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.4, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 674 ) („de richtsnoeren”).

1. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de vissersvaartuigen van de Unie waarvoor steun wordt verleend, gedurende ten minste vijf jaar na de slotbetaling van de steun niet mogen worden overgedragen of omgevlagd buiten de Unie.

□Ja□Neen

1.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

Indien de maatregel alleen betrekking heeft op de sloop van vissersvaartuigen, mag deze vraag worden overgeslagen.

2. Geef aan of de stopzetting is bedoeld als een instrument van een actieplan uit hoofde van artikel 22, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

□Ja□Neen

Indien de maatregel wordt ingevoerd uit economische overwegingen of andere overwegingen die verband houden met de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee als bedoeld in punt 277 van de richtsnoeren, mag deze vraag worden overgeslagen. Indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, hoeft deze vraag evenmin te worden beantwoord.

3. Geef aan of de definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten wordt bereikt met:

(a) 

□de sloop van het vissersvaartuig

(b) 

□de buitenbedrijfstelling en aanpassing van vissersvaartuigen voor andere activiteiten dan commerciële visserij

(c) 

□beide, d.w.z. sloop en buitenbedrijfstelling en aanpassing van het vissersvaartuig.

3.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op het vakje dat hierboven is aangekruist.

4. Geef aan of de vissersvaartuigen als actief moeten zijn geregistreerd en in de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag gedurende ten minste negentig dagen per jaar visserijactiviteiten moeten hebben verricht.

□Ja□Neen

4.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

4.2. Indien de betrokken visserijactiviteit van dien aard is dat deze niet gedurende het hele kalenderjaar kan worden uitgeoefend, mag de in punt 275, c), van de richtsnoeren genoemde minimaal vereiste visserijactiviteit worden verlaagd, mits de verhouding tussen het aantal dagen van activiteit en het aantal dagen waarop mag worden gevist, dezelfde blijft als de verhouding tussen het aantal dagen van activiteit en het aantal kalenderdagen per jaar voor begunstigde ondernemingen die het hele jaar door vissen.

4.2.1. Geef in dat geval een gedetailleerde beschrijving van de aard van de visserijactiviteit waarop de maatregel betrekking heeft, leg uit hoe de minimaal vereiste visserijactiviteit is berekend en vermeld de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

4.3. Indien de maatregel de binnenvisserij betreft en de vissersvaartuigen zich bezighouden met de vangst van meerdere soorten waarop in de binnenwateren gedurende uiteenlopende aantallen dagen mag worden gevist, is het aantal dagen waarop mag worden gevist, voor de berekening van de in punt 276 van de richtsnoeren bedoelde verhouding het gemiddelde van het aantal visserijdagen dat is toegestaan voor de vangsten van dat vaartuig. Het minimumaantal dagen met visserijactiviteiten dat uit een dergelijke aanpassing voortvloeit, mag echter in geen geval minder dan dertig dagen of meer dan negentig dagen bedragen.

4.3.1. Geef in dat geval een gedetailleerde beschrijving van het wettelijke en/of bestuursrechtelijke kader voor de binnenvisserij in kwestie, leg uit hoe de minimaal vereiste visserijactiviteit is berekend en vermeld de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de overeenkomstige vangstcapaciteit definitief uit het vissersvlootregister van de Unie moet worden geschrapt en niet mag worden vervangen.

□Ja□Neen

5.1. Indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, geef dan aan of de voorwaarde van toepassing is onder verwijzing naar het betrokken nationale vlootregister, indien het nationale recht daarin voorziet, in plaats van het vlootregister van de Unie.

□Ja□Neen

5.2. Als vraag 5 of vraag 5.1 met ja is beantwoord, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de desbetreffende visvergunningen en vismachtigingen definitief worden ingetrokken.

□Ja□Neen

6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat begunstigde ondernemingen gedurende vijf jaar na de ontvangst van steun geen vissersvaartuig in het register mogen laten opnemen.

□Ja□Neen

7.1. Indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, geef dan aan of de voorwaarde van toepassing is onder verwijzing naar het betrokken nationale vlootregister, indien het nationale recht daarin voorziet, in plaats van het vlootregister van de Unie.

□Ja□Neen

7.2. Als vraag 7 of vraag 7.1 met ja is beantwoord, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

8. Indien de maatregel wordt ingevoerd uit economische overwegingen of andere overwegingen die verband houden met de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee als bedoeld in punt 277 van de richtsnoeren, of indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij als bedoeld in punt 280 van de richtsnoeren, moeten de volgende vragen worden beantwoord.

8.1. Geef een uitvoerige toelichting over de omstandigheden die reden zijn voor de definitieve stopzetting. Beschrijf bijvoorbeeld de economische of ecologische overwegingen.

8.2. Vermeld het doel van de maatregel:

□ 

wetenschappelijk onderbouwde instandhoudingsmaatregelen

□ 

economische overwegingen

8.2.1. Geef in het geval van instandhoudingsmaatregelen een samenvatting van het wetenschappelijk bewijs waarmee de maatregel is onderbouwd.

8.2.2. Geef in het geval van economische overwegingen een uitvoerige toelichting over de economische achtergrond van de definitieve stopzetting (tenzij deze al in het antwoord op vraag 8.1 is beschreven).

8.3. Geef voor de binnenvisserij aan of de steun in het kader van de maatregel alleen kan worden verleend aan begunstigde ondernemingen die uitsluitend in binnenwateren actief zijn.

□Ja□Neen

8.3.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

8.4. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat begunstigde ondernemingen zich ertoe moeten verbinden hun actieve vangstcapaciteit vanaf het moment van de steunaanvraag tot vijf jaar na de betaling van de steun niet te verhogen.

□Ja□Neen

8.4.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

8.5. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat begunstigde ondernemingen zich er ook toe moeten verbinden de steun niet te gebruiken om hun motoren te vervangen of te moderniseren, tenzij aan de voorwaarden van artikel 18 van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad ( 675 ) is voldaan.

□Ja□Neen

8.5.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

8.6. Indien de aanmeldende lidstaat één jaar vóór de aanmelding in het kader van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) of het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EFMZVA) steun heeft verleend of verrichtingen heeft uitgevoerd die tot een verhoging van de vangstcapaciteit in een zeegebied hebben geleid, of indien hij dergelijke verrichtingen in het nationale EFMZVA-programma heeft opgenomen, licht dan uitvoerig toe in hoeverre de steun voor definitieve stopzetting in datzelfde zeegebied verenigbaar is met een dergelijke verhoging van de vangstcapaciteit, en toon aan dat de steun gegrond en onmisbaar is.

Indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, mag deze vraag worden overgeslagen.

9. Geef aan wie de begunstigden van de steun zijn:

(a) 

□eigenaren van een vissersvaartuig van de Unie dat onder de definitieve stopzetting valt

(b) 

□vissers die in de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag gedurende ten minste negentig dagen per jaar hebben gewerkt aan boord van een vissersvaartuig van de Unie dat onder de definitieve stopzetting valt

(c) 

□beide categorieën, d.w.z. de begunstigen genoemd onder a) en b)

9.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op het vakje dat hierboven is aangekruist.

9.2. Leg uit hoe het bovengenoemde minimumaantal van negentig dagen voor de vissers is berekend indien voor de desbetreffende vissersvaartuigen aanpassingen golden op basis van de punten 283, 276 en 281 van de richtsnoeren.

9.3. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de vissers gedurende vijf jaar na de ontvangst van de steun geen visserijactiviteiten meer mogen verrichten en dat — als een visser binnen die periode toch weer visserijactiviteiten gaat verrichten — de ten onrechte betaalde steunbedragen worden teruggevorderd in verhouding tot de periode waarin niet aan die voorwaarde is voldaan.

□Ja□Neen

9.3.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

10. Geef een uitvoerige beschrijving van het controle- en het handhavingsmechanisme die de naleving van de aan de definitieve stopzetting verbonden voorwaarden moeten waarborgen, onder meer door ervoor te zorgen dat de capaciteit definitief wordt ingetrokken en het vaartuig of de vissers in kwestie geen visserijactiviteiten meer verrichten na de maatregel. Lidstaten zonder nationaal vlootregister voor de binnenwateren moeten ook aantonen dat een dergelijk controle- en handhavingsmechanisme waarborgt dat de capaciteit op dezelfde wijze wordt beheerd als die voor de zeevisserij.

11. Geef aan of de in aanmerking komende kosten moeten worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

□Ja□Neen

11.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

12. Geef aan of de volgende kosten in aanmerking komen:

□ 

in geval van sloop van de vissersvaartuigen:

□ 

de sloopkosten voor de vissersvaartuigen

□ 

compensatie voor het waardeverlies van de gesloopte vissersvaartuigen, gemeten als de actuele verkoopwaarde ervan

□ 

in het geval van buitenbedrijfstelling en aanpassing voor andere activiteiten dan commerciële visserij: de kosten van verbouwing van het vissersvaartuig voor andere economische activiteiten

□ 

de met de vissers verband houdende kosten, die ook de verplichte sociale kosten kunnen omvatten die voortvloeien uit de definitieve stopzetting, voor zover deze niet onder andere nationale bepalingen voor de stopzetting van een bedrijfsactiviteit vallen

12.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op het vakje dat hierboven is aangekruist.

12.2. Geef een gedetailleerde beschrijving van de in aanmerking komende kosten.

12.3. Geef aan of de in aanmerking komende kosten moeten worden verlaagd met de kosten die vanwege de definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten niet zijn gemaakt en normaliter wel door de begunstigde onderneming zouden zijn gemaakt.

□Ja□Neen

12.3.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

12.3.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

13. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de maximale steunintensiteit niet hoger is dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

□Ja□Neen

13.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

13.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel is (zijn) vermeld.

14. De Commissie accepteert mogelijk ook andere berekeningsmethoden mits zij ervan overtuigd is dat deze berusten op objectieve criteria en niet resulteren in overcompensatie van een begunstigde onderneming.

Indien de aanmeldende lidstaat een andere berekeningsmethode wil voorstellen, geef dan aan waarom de methode van de richtsnoeren in het onderhavige geval niet geschikt is, en leg uit waarom de andere berekeningsmethode beter aansluit bij de geconstateerde behoeften.

Voeg bij de aanmelding een bijlage met de voorgestelde andere methodiek en toon aan dat deze methodiek op objectieve criteria berust en niet resulteert in overcompensatie van een begunstigde.

OVERIGE INFORMATIE

15. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

3.5  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE STEUN VOOR DE TIJDELIJKE STOPZETTING VAN VISSERIJACTIVITEITEN

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van staatssteun voor de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.5, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 676 ) („de richtsnoeren”).

1. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de vissersvaartuigen van de Unie waarvoor steun wordt verleend, gedurende ten minste vijf jaar na de slotbetaling van de steun niet mogen worden overgedragen of omgevlagd buiten de Unie.

□Ja□Neen

1.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

2. Geef aan waarom steun voor de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten wordt toegekend:

(a) 

□instandhoudingsmaatregelen als bedoeld in artikel 7, lid 1, punten a), b), c), i) en j), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 677 ) of overeenkomstige instandhoudingsmaatregelen van regionale organisaties voor visserijbeheer (indien van toepassing op de Unie), mits op grond van wetenschappelijk advies een vermindering van de visserij-inspanning nodig is om de GVB-doelstellingen van artikel 2, lid 2, en artikel 2, lid 5, punt a), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 te verwezenlijken

(b) 

□maatregelen van de Commissie bij een ernstige bedreiging van de biologische rijkdommen van de zee als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013

(c) 

□noodmaatregelen van een lidstaat uit hoofde van artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013

(d) 

□de onderbreking van de toepassing van een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij of van het protocol daarbij door overmacht

(e) 

□milieuongevallen of gezondheidscrises die officieel zijn erkend door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat.

2.1. Geef een nadere beschrijving van de maatregelen, ongevallen of crises in kwestie en vermeld, indien van toepassing, de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag waarmee die gebeurtenissen formeel worden erkend.

Als de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, is deze vraag niet van toepassing, zie in plaats daarvan vraag 5.2.

3. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun alleen kan worden toegekend wanneer de visserijactiviteiten van het vaartuig of de visser in kwestie in een bepaald kalenderjaar gedurende ten minste 30 dagen worden stopgezet.

□Ja□Neen

3.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

4. Geef aan wie de begunstigden van de steun zijn:

(a) 

□eigenaren of exploitanten van Unievissersvaartuigen die als actief zijn geregistreerd en die gedurende de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag gedurende ten minste 120 dagen visserijactiviteiten hebben verricht

(b) 

□met betrekking tot de binnenvisserij: eigenaren of exploitanten van vissersvaartuigen die in het nationale vlootregister (indien van toepassing in het kader van het nationaal recht) als actief zijn geregistreerd en die gedurende de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag gedurende ten minste 120 dagen visserijactiviteiten hebben verricht

(c) 

□vissers die gedurende de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag gedurende ten minste 120 dagen hebben gewerkt aan boord van een vissersvaartuig van de Unie dat onder de tijdelijke stopzetting valt

(d) 

□vissers te voet die gedurende de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de steunaanvraag gedurende ten minste 120 dagen per jaar visserijactiviteiten hebben verricht

4.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op het vakje dat hierboven is aangekruist.

4.2. Indien de betrokken visserijactiviteit van dien aard is dat deze niet gedurende het hele kalenderjaar kan worden uitgeoefend, mag de in punt 295, c), van de richtsnoeren genoemde minimaal vereiste visserijactiviteit worden verlaagd, mits de verhouding tussen het aantal dagen van activiteit en het aantal dagen waarop mag worden gevist, dezelfde blijft als de verhouding tussen het aantal dagen van activiteit en het aantal kalenderdagen per jaar voor begunstigde ondernemingen die het hele jaar door vissen.

4.2.1. Geef in dat geval een gedetailleerde beschrijving van de aard van de visserijactiviteit waarop de maatregel betrekking heeft, leg uit hoe de minimaal vereiste visserijactiviteit is berekend en vermeld de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

4.3. Indien de maatregel de binnenvisserij betreft en de vissersvaartuigen of vissers zich bezighouden met de vangst van meerdere soorten waarop in de binnenwateren gedurende uiteenlopende aantallen dagen mag worden gevist, is het aantal dagen waarop mag worden gevist, voor de berekening van de in punt 296 van de richtsnoeren bedoelde verhouding het gemiddelde van het aantal visserijdagen dat is toegestaan voor de vangsten van dat vaartuig of die visser. Het minimumaantal dagen met visserijactiviteiten dat uit een dergelijke aanpassing voortvloeit, mag echter in geen geval minder dan veertig dagen of meer dan honderdtwintig dagen bedragen.

4.3.1. Geef in dat geval een gedetailleerde beschrijving van het wettelijke en/of bestuursrechtelijke kader voor de binnenvisserij in kwestie, leg uit hoe de minimaal vereiste visserijactiviteit is berekend en vermeld de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5. Indien de maatregel betrekking heeft op de binnenvisserij, moeten de volgende vragen worden beantwoord.

5.1. Geef aan of de steun in het kader van de maatregel alleen kan worden verleend aan begunstigde ondernemingen die uitsluitend in binnenwateren actief zijn.

□Ja□Neen

5.1.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

5.2. Vermeld het doel van de maatregel:

(a) 

□wetenschappelijk onderbouwde instandhoudingsmaatregelen

(b) 

□milieuongevallen of gezondheidscrises die officieel zijn erkend door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat.

5.2.1. Geef in het geval van instandhoudingsmaatregelen een samenvatting van het wetenschappelijk bewijs waarmee de maatregel is onderbouwd.

5.2.2. Geef bij ongevallen of crises een nadere beschrijving van de ongevallen of crises in kwestie en vermeld de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag waarmee die gebeurtenissen formeel worden erkend.

6. Geef aan of de steun gedurende de programmeringsperiode van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur voor maximaal 12 maanden per vaartuig of per visser mag worden toegekend, ongeacht de financieringsbron en ongeacht of de steun nationaal wordt gefinancierd of gecofinancierd op grond van artikel 21 van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad ( 678 ).

□Ja□Neen

6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

6.2. Geef in het geval van een ex-antekaderregeling aan of de lidstaat zich zal houden aan de rapportageverplichting als bedoeld in punt 346 van de richtsnoeren.

□Ja□Neen

7. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat alle visserijactiviteiten van de betrokken vissersvaartuigen of vissers tijdens de periode van tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten daadwerkelijk moeten worden opgeschort.

□Ja□Neen

7.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

8. Geef een gedetailleerde beschrijving van het controle- en het handhavingsmechanisme die de naleving van de aan de tijdelijke stopzetting verbonden voorwaarden moeten waarborgen, onder meer door ervoor te zorgen dat het vaartuig of de visser in kwestie gedurende de looptijd van de maatregel geen visserijactiviteiten meer verricht.

9. Geef aan of de volgende kosten in aanmerking komen:

(a) 

□inkomensverlies door de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten

(b) 

□andere kosten in verband met het onderhoud en de instandhouding van ongebruikte activa tijdens de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten

(c) 

□beide, d.w.z. de in aanmerking komende kosten omvatten a) en b)

9.1. Geef aan welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag betrekking heeft (hebben) op het vakje dat hierboven is aangekruist.

9.2. Geef aan of de in aanmerking komende kosten moeten worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

□Ja□Neen

9.2.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

9.3. Geef aan of het inkomensverlies moet worden berekend overeenkomstig punt 304 van de richtsnoeren, d.w.z. door a) de hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten die is geproduceerd in het jaar van de natuurramp of buitengewone gebeurtenis, of in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs, in mindering te brengen op b) de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid visserij- en aquacultuurproducten die is geproduceerd in de drie jaren voorafgaand aan de natuurramp of buitengewone gebeurtenis, of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs.

□Ja□Neen

9.3.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

9.4. Geef aan of de kosten in verband met het onderhoud en de instandhouding van ongebruikte activa tijdens de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten moeten worden berekend op basis van een gemiddelde van de kosten in de periode van drie jaar vóór de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten of op basis van een gemiddelde van drie jaar in de periode van vijf jaar vóór de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend.

□Ja□Neen

9.4.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

9.5. Leg uit of de in aanmerking komende kosten andere kosten kunnen omvatten die de begunstigde onderneming heeft gemaakt als gevolg van de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten.

□Ja□Neen

9.5.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

9.5.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

9.6. Geef aan of de in aanmerking komende kosten moeten worden verlaagd met de kosten die vanwege de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten niet zijn gemaakt en normaliter wel door de begunstigde onderneming zouden zijn gemaakt.

9.6.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

9.6.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

9.7. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat wanneer een vaartuig tijdens de tijdelijke stopzetting voor andere activiteiten dan commerciële visserij wordt gebruikt, eventuele inkomsten daaruit moeten worden opgegeven en in mindering moeten worden gebracht op de steun uit hoofde van deze afdeling en dat dan geen steun wordt verleend voor andere kosten in verband met het onderhoud en de instandhouding van ongebruikte activa tijdens de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten.

□Ja□Neen

9.7.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

10. De Commissie accepteert mogelijk ook andere berekeningsmethoden mits zij ervan overtuigd is dat deze berusten op objectieve criteria en niet resulteren in overcompensatie van een begunstigde onderneming.

Indien de aanmeldende lidstaat een andere berekeningsmethode wil voorstellen, geef dan aan waarom de methode van de richtsnoeren in het onderhavige geval niet geschikt is, en leg uit waarom de andere berekeningsmethode beter aansluit bij de geconstateerde behoeften.

Voeg bij de aanmelding een bijlage met de voorgestelde andere methodiek en toon aan dat deze methodiek op objectieve criteria berust en niet resulteert in overcompensatie van een begunstigde.

11. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat, wanneer een kmo minder dan drie jaar vóór de datum van de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten is opgericht, de verwijzing naar de periode van drie of vijf jaar in punt 304, b), en punt 305 van de richtsnoeren (de vragen 9.3 en 9.4 hierboven) moet worden begrepen als een verwijzing naar de hoeveelheid die wordt geproduceerd en verkocht, of de kosten die worden gemaakt door een gemiddelde onderneming van dezelfde omvang als de aanvrager, namelijk een micro-onderneming of een kleine of middelgrote onderneming in de nationale of regionale sector die is getroffen door de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten.

□Ja□Neen

11.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

12. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun en eventuele andere betalingen, waaronder betalingen in het kader van verzekeringspolissen, die voor de tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten worden ontvangen, maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten mogen bedragen.

□Ja□Neen

12.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

12.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de bovengrens van 100 % en de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel zijn vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

13. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

3.6  FORMULIER AANVULLENDE INFORMATIE INZAKE LIQUIDITEITSSTEUN AAN VISSERS

De lidstaten moeten dit formulier gebruiken voor de aanmelding van liquiditeitssteun aan vissers zoals omschreven in deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.6, van de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector  ( 679 ) („de richtsnoeren”). Steun uit hoofde van deze afdeling mag ook worden verleend aan ondernemingen die actief zijn in de binnenvisserij.

1. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de vissersvaartuigen van de Unie waarvoor steun wordt verleend, gedurende ten minste vijf jaar na de slotbetaling van de steun niet mogen worden overgedragen of omgevlagd buiten de Unie.

□Ja□Neen

1.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

2. Geef een gedetailleerde toelichting over de omstandigheden die reden zijn om de liquiditeitssteun te verlenen, en beschrijf de exogene gebeurtenissen die een tijdelijke beperking van de visserijactiviteiten tot gevolg hebben.

3. Geef aan wanneer de exogene gebeurtenis zich heeft voorgedaan, inclusief begin- en einddatum, indien van toepassing.

4. Geef aan of de maatregel geen betrekking heeft op:

(a) 

de in deel II, hoofdstuk 3, afdeling 3.5, van de richtsnoeren genoemde gevallen van tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten

(b) 

instandhoudingsmaatregelen in het kader van partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij en van overeenkomsten inzake uitwisseling of gezamenlijk beheer

(c) 

de verlaging of het verlies van vangstmogelijkheden in de EU-wateren in het kader van de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid

(d) 

de verlaging of het verlies van vangstmogelijkheden met betrekking tot niet-EU-wateren, bijvoorbeeld als gevolg van het niet-verlengen, opschorten, beëindigen van of opnieuw onderhandelen over een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij en overeenkomsten inzake uitwisseling of gezamenlijk beheer of maatregelen tot vaststelling en verdeling van vangstmogelijkheden die conform dergelijke overeenkomsten of onder de auspiciën van een regionale organisatie voor visserijbeheer zijn genomen

□Ja□Neen

5. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat steun alleen mag worden verleend wanneer er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de exogene gebeurtenissen en het geleden inkomensverlies.

□Ja□Neen

5.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

6. Geef een gedetailleerde beschrijving van het controle- en het handhavingsmechanisme die moeten zorgen voor de naleving van de voorwaarden die verbonden zijn aan de liquiditeitssteun aan vissers.

7. Geef aan of de in aanmerking komende kosten alleen het inkomensverlies als gevolg van de exogene gebeurtenissen dekken.

□Ja□Neen

7.1. Als de voorgaande vraag met ja is beantwoord, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7.2. Geef aan of de in aanmerking komende kosten moeten worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

□Ja□Neen

7.2.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7.3. Geef aan of het inkomensverlies moet worden berekend overeenkomstig punt 319 van de richtsnoeren, d.w.z. door a) de hoeveelheid visserijproducten die is geproduceerd in het jaar van de exogene gebeurtenissen, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs, in mindering te brengen op b) de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid visserijproducten die is geproduceerd in de drie jaren voorafgaand aan de exogene gebeurtenissen, of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de exogene gebeurtenissen, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs.

□Ja□Neen

7.3.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7.4. Geef aan of de in aanmerking komende kosten andere kosten kunnen omvatten die de begunstigde onderneming heeft gemaakt als gevolg van de exogene gebeurtenissen.

□Ja□Neen

7.4.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

7.4.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7.5. Geef aan of de in aanmerking komende kosten moeten worden verlaagd met de kosten die vanwege de exogene gebeurtenissen niet zijn gemaakt en normaliter wel door de begunstigde onderneming zouden zijn gemaakt.

7.5.1. Zo ja, geef dan aan welke kosten dat zijn.

7.5.2. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

7.6. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat wanneer een vaartuig tijdens de exogene gebeurtenissen wordt gebruikt voor andere activiteiten dan commerciële visserij, eventuele inkomsten daaruit moeten worden opgegeven en in mindering moeten worden gebracht op de in het kader van deze afdeling verleende steun.

□Ja□Neen

7.6.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

8. De Commissie accepteert mogelijk ook andere berekeningsmethoden mits zij ervan overtuigd is dat deze berusten op objectieve criteria en niet resulteren in overcompensatie van een begunstigde onderneming.

Indien de aanmeldende lidstaat een andere berekeningsmethode wil voorstellen, geef dan aan waarom de methode van de richtsnoeren in het onderhavige geval niet geschikt is, en leg uit waarom de andere berekeningsmethode beter aansluit bij de geconstateerde behoeften.

Voeg bij de aanmelding een bijlage met de voorgestelde andere methodiek en toon aan dat deze methodiek op objectieve criteria berust en niet resulteert in overcompensatie van een begunstigde.

9. Geef aan of in de maatregel is bepaald dat, wanneer een kmo minder dan drie jaar vóór de datum van de exogene gebeurtenissen is opgericht, de verwijzing naar de periode van drie of vijf jaar in punt 319, b), van de richtsnoeren moet worden begrepen als een verwijzing naar de hoeveelheid die wordt geproduceerd en verkocht door een gemiddelde onderneming van dezelfde omvang als de aanvrager, namelijk een micro-onderneming of een kleine of middelgrote onderneming in de door de exogene gebeurtenissen getroffen nationale of regionale sector.

□Ja□Neen

9.1. Zo ja, vermeld dan de desbetreffende bepaling(en) van de rechtsgrondslag.

10. Geef aan of de maatregel voorschrijft dat de steun en eventuele andere betalingen, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten mogen bedragen.

□Ja□Neen

10.1. Vermeld de maximale steunintensiteit(en) die in het kader van de maatregel van toepassing is (zijn).

10.2. Geef aan in welke bepaling(en) van de rechtsgrondslag de bovengrens van 100 % en de maximale steunintensiteit(en) in het kader van de maatregel zijn vermeld.

OVERIGE INFORMATIE

11. Hier kunt u alle andere informatie verstrekken die u van belang acht voor de toetsing van de maatregel aan deze afdeling van de richtsnoeren.

▼M3




BIJLAGE II

AANMELDINGSFORMULIER — VEREENVOUDIGDE PROCEDURE

image

Tekst van het beeld

▼M11 —————

▼M11




BIJLAGE III

STANDAARDFORMULIER VOOR VERSLAGLEGGING OVER BESTAANDE STAATSSTEUN

(Dit formulier geldt voor alle sectoren)

Uiterlijk op 1 maart van elk jaar zendt de Commissie de lidstaten via een speciaal rapportage-instrument de staatssteunzaken waarvan de uitgaven moeten worden gerapporteerd. De lidstaten gaan na of de door de Commissie verstrekte gevallen volledig zijn en stellen de Commissie in kennis van eventuele ontbrekende gevallen door de overeenkomstige steunnummers te verstrekken. De verslagen worden automatisch gegenereerd in het speciale rapportage-instrument. De lidstaten vullen de verslagen in met de gegevens over de uitgaven en valideren de gevallen, die vervolgens uiterlijk op 30 juni van dat jaar aan de Commissie worden teruggezonden. Zo zal de Commissie in het jaar t gegevens inzake staatssteun kunnen publiceren over de verslagleggingsperiode t-1 ( 680 ).

Het grootste deel van de informatie op het speciale platform wordt door de Commissie vooraf ingevuld op basis van de gegevens die werden verstrekt op het tijdstip dat goedkeuring is verleend voor de steun. De lidstaten zullen voor iedere regeling of afzonderlijke steunmaatregel de bijzonderheden moeten controleren en die, waar nodig, aanpassen. Ook moeten zij de jaaruitgaven voor het meest recente jaar (d.w.z. t-1) toevoegen. Daarnaast moeten de lidstaten aangeven welke regelingen zijn afgelopen of voor welke regelingen alle betalingen zijn stopgezet en of een regeling al dan niet uit Uniefondsen wordt gecofinancierd.

Gegevens zoals de doelstelling van de steun, de sector waarvoor de steun is bestemd, enz. moeten betrekking hebben op het tijdstip waarop de steun is goedgekeurd en niet op de uiteindelijke begunstigden van de steun. Zo is de primaire doelstelling van een steunregeling die, op het tijdstip waarop de steun wordt goedgekeurd, uitsluitend voor kleine en middelgrote ondernemingen is bestemd, steun voor kleine en middelgrote ondernemingen. Een andere regeling waarvoor alle steun uiteindelijk aan kleine en middelgrote ondernemingen wordt toegekend, wordt echter niet als zodanig beschouwd wanneer de regeling, op het ogenblik waarop de steun wordt goedgekeurd, openstaat voor alle ondernemingen.

De volgende informatie moet in het verslag worden opgenomen:

1. 

Benaming

2. 

Nummer van de steunregeling

3. 

Alle nummers van vorige steunmaatregelen (bijvoorbeeld na verlenging van een regeling)

4. 

Einddatum

De lidstaten dienen aan te geven welke steunregelingen zijn afgelopen of voor welke steunregelingen alle betalingen zijn stopgezet.

5. 

Medefinanciering

Hoewel maatregelen die uitsluitend op Uniefinanciering gebaseerd zijn worden uitgesloten, omvat de totale staatssteun voor elke lidstaat steunmaatregelen die door financiering van de Unie worden medegefinancierd. Om te bepalen welke regelingen worden medegefinancierd en in te schatten in welke verhouding deze steun staat ten opzichte van de totale staatssteun, moeten de lidstaten aangeven of de regeling al dan niet medegefinancierd wordt en zo ja, welk percentage van de steun wordt medegefinancierd. Indien dit niet mogelijk is, moet een raming worden gegeven van het totale medegefinancierde steunbedrag.

6. 

Sector

De sectorale classificatie moet grotendeels zijn gebaseerd op de NACE-classificatie ( 681 ) (op driecijferniveau).

7. 

Primaire doelstelling

8. 

Secundaire doelstelling

Een secundaire doelstelling is een doelstelling, naast de primaire doelstelling, waarvoor de steun (of een bepaald deel daarvan) is bestemd op het ogenblik waarop de steun werd goedgekeurd. Een regeling met als primaire doelstelling onderzoek en ontwikkeling (O & O) kan bijvoorbeeld als secundaire doelstelling kmo's hebben indien de steun of een deel daarvan uitsluitend voor kmo's is bestemd.

9. 

Regio('s)

Steun kan, op het tijdstip van goedkeuring ervan, uitsluitend worden bestemd voor een specifieke regio of een groep regio's. In voorkomend geval moet een onderscheid worden gemaakt tussen de regio’s van artikel 107, lid 3, punt a), en die van artikel 107, lid 3, punt c). Indien de steun voor één bepaalde regio is bestemd, moet dit op NUTS II-niveau ( 682 ) worden gespecificeerd.

10. 

Steuninstrument

11. 

Soort steunmaatregel

Hier moet een onderscheid worden gemaakt tussen drie categorieën: regeling, individuele toepassing van een regeling, buiten een regeling om verleende individuele steun (ad-hocsteun).

12. 

Uitgaven

De informatie bedoeld in de punten 1, 2 en 3 en 6 tot en met 11 worden door de Commissie van tevoren ingevuld en door de lidstaten gecontroleerd. De punten 4, 5 en 12 worden door de lidstaten ingevuld.

In de regel moeten de daadwerkelijke uitgaven (of daadwerkelijk gederfde inkomsten in het geval van belastingmaatregelen) worden aangegeven. Wanneer nog geen betalingen zijn verricht, moeten de bedragen worden verstrekt die overeenstemmen met vastleggingen of begrotingskredieten. Die moeten ook als zodanig worden gemarkeerd. Afzonderlijke bedragen moeten worden verstrekt voor elk steuninstrument binnen een regeling of individuele steunmaatregel (bv. subsidie of zachte lening enz.). De cijfers moeten worden uitgedrukt in de nationale valuta die tijdens de verslagperiode in gebruik is. De uitgaven moeten worden gegeven voor t-1. Daarnaast kunnen de in de voorgaande jaren gerapporteerde uitgaven worden geactualiseerd tot 6 jaar terug.

▼M11




BIJLAGE IV

FORMULIER VOOR DE INDIENING VAN KLACHTEN OVER MOGELIJK ONRECHTMATIGE STAATSSTEUN OF MISBRUIK VAN STEUN

De verplichte velden zijn met een sterretje (*) gemarkeerd.

1.    Informatie over de indiener van de klacht

Voornaam*:

Naam*:

Adres (regel 1)*:

Adres (regel 2):

Gemeente*:

Provincie/deelstaat/district:

Postcode*:

Land*:

Telefoon:

Mobiele telefoon:

E-mailadres*:

2.    Dient u deze klacht namens een andere persoon of onderneming in?

□Ja*Neen□*

Zo ja, geef dan ook de volgende informatie:

Naam van de persoon of onderneming die u vertegenwoordigt*:

Registratienummer van de entiteit:

Adres (regel 1)*:

Adres (regel 2):

Gemeente*:

Provincie/deelstaat/district:

Postcode*:

Land*:

Telefoon 1:

Telefoon 2:

E-mailadres*:

Voeg ook een bewijs bij waaruit blijkt dat u namens deze persoon of onderneming handelt.*

3.    Welke beschrijving is het meest op u van toepassing?*

(a) 

□Concurrent van de begunstigde(n)

(b) 

□Branchevereniging die de belangen van concurrenten behartigt

(c) 

□Niet-gouvernementele organisatie

(d) 

□Vakbond

(e) 

□EU-burger

(f) 

□Andere (specificeren):



 

Waarom en in welke mate wordt uw concurrentiepositie of situatie, of die van de door u vertegenwoordigde persoon of onderneming, door de betwiste staatssteun geschaad of anderszins specifiek beïnvloed? Geef zoveel mogelijk concrete informatie.

NB Volgens artikel 24, lid 2, van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie  ( 683 ) mogen alleen belanghebbenden in de zin van artikel 1, punt h), van die verordening een formele klacht indienen. Indien u dus niet kunt aantonen dat u een belanghebbende bent, wordt dit formulier niet als een klacht geregistreerd, en wordt de informatie die u op dit formulier verschaft, als algemene marktinformatie bewaard.



 

4.    Mogen wij uw identiteit onthullen?*

□ 

Ja, u mag mijn identiteit onthullen.

□ 

Neen, u mag mijn identiteit niet onthullen.

Zo niet, geef dan aan waarom:



 

5.    Informatie over de lidstaat die de staatssteun heeft verleend*

NB De hier verstrekte informatie wordt niet vertrouwelijk behandeld.

(a) 

Land:

(b) 

Op welk niveau en, voor zover u weet, door welke instelling of instantie is de betwiste staatssteun verleend?

— 
Centrale overheid:
— 
Regionale overheid (welke?):
— 
Andere (specificeren):

6.    Informatie over de betwiste steunmaatregel*

NB De hier verstrekte informatie wordt niet vertrouwelijk behandeld.

Indien u bijlagen ter ondersteuning van uw bewering toevoegt, vermeld dan in het onderstaande deel de relevante punten/delen van de bijlage ter ondersteuning van uw bewering dat de maatregel niet in overeenstemming is met de staatssteunregels.

(a) 

Gelieve een beschrijving van de betwiste steun te geven en te vermelden in welke vorm deze werd verleend (leningen, subsidies, garanties, belastingvoordelen of -vrijstellingen enz.).



 

(b) 

Voor welk doel werd de staatssteun verleend (voor zover u bekend)?



 

(c) 

Om welk bedrag gaat het (voor zover u bekend)? Als u dit niet precies weet, gelieve dan een raming te maken en zoveel mogelijk informatie te geven.



 

(d) 

Wie is de begunstigde? Gelieve zoveel mogelijk informatie te verstrekken, inclusief een beschrijving van de hoofdactiviteiten van de begunstigde perso(o)n(en)/onderneming(en).



 

(e) 

Wanneer is de staatssteun volgens u verleend?



 

(f) 

Kies een van de volgende opties:

□ 

Voor zover ik weet, is de staatssteun niet bij de Commissie aangemeld.

□ 

Voor zover ik weet, is de staatssteun weliswaar aangemeld, maar al uitbetaald voordat de Commissie daarover een besluit had genomen. Nummer of datum van de aanmelding (indien bekend):



 

□ 

Voor zover ik weet, is de staatssteun weliswaar aangemeld en door de Commissie goedgekeurd, maar zijn de steunvoorwaarden niet nagekomen. Nummer of datum van de aanmelding en/of goedkeuring (indien bekend):



 

□ 

Voor zover ik weet, is de staatssteun weliswaar verleend in het kader van een groepsvrijstellingsverordening, maar zijn bij de tenuitvoerlegging de toepasselijke voorwaarden niet nagekomen.

7.    Gronden voor de klacht*

NB Een steunmaatregel kan alleen worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld: de betwiste steunmaatregel wordt door een lidstaat of met staatsmiddelen bekostigd; de maatregel vervalst de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties dreigt deze te vervalsen, en de maatregel beïnvloedt het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig.

Indien u bijlagen ter ondersteuning van uw bewering toevoegt, vermeld dan in het onderstaande deel de relevante punten/delen van de bijlage ter ondersteuning van uw bewering dat de maatregel niet in overeenstemming is met de staatssteunregels.

(a) 

In hoeverre zijn met de maatregel overheidsmiddelen gemoeid (voor zover bekend)? Ingeval de maatregel niet door een overheidsinstantie werd genomen (maar bijv. door een overheidsbedrijf), legt u dan uit waarom u vindt dat deze maatregel aan een overheidsinstantie in de lidstaat valt toe te rekenen.



 

(b) 

Waarom is de betwiste staatssteun volgens u selectief (d.w.z. dat deze bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen bevoordeelt)?



 

(c) 

Hoe levert de betwiste staatssteun volgens u een economisch voordeel op aan de begunstigde of begunstigden?



 

(d) 

Waarom is de betwiste steun volgens u concurrentievervalsend of dreigt hij dat te worden?



 

(e) 

Waarom beïnvloedt de betwiste staatssteun volgens u het handelsverkeer tussen lidstaten?



 

8.    Verenigbaarheid van de steun

Waarom is de betwiste staatssteun volgens u niet verenigbaar met de interne markt?

Indien u bijlagen ter ondersteuning van uw bewering toevoegt, vermeld dan in het onderstaande deel de relevante punten/delen van de bijlage ter ondersteuning van uw bewering dat de maatregel niet in overeenstemming is met de staatssteunregels.



 

9.    Informatie over eventuele inbreuken op andere EU-wetgeving en -procedures

(a) 

Welke andere EU-regels zijn er door het verlenen van de betwiste steun volgens u nog overtreden? Bedenk wel dat uw eventuele vermoedens niet automatisch in het kader van dit staatssteunonderzoek zullen worden behandeld.



 

(b) 

Heeft u over deze zaak al eerder contact opgenomen met de diensten van de Commissie of met andere EU-instellingen?*

□JaNee□

Zo ja, voeg dan kopieën bij van die correspondentie.

(c) 

Heeft u over deze zaak al contact opgenomen met nationale autoriteiten of rechtbanken?*

□JaNee□

Zo ja, om welke autoriteiten of rechtbanken gaat het dan? Indien er al een besluit of uitspraak is geweest, voeg daarvan een kopie bij (voor zover beschikbaar). Is de zaak echter nog hangende, geeft u dan het zaaknummer (voor zover beschikbaar).



 

(d) 

Geef alle andere informatie die van belang kan zijn voor het beoordelen van deze zaak.



 

10.    Bewijsstukken

Gelieve alle documenten en stukken ter staving van de klacht te vermelden en zo nodig bij te voegen, zoals:

— 
een kopie van de nationale wet of andere maatregel die de rechtsgrondslag voor de betaling van de betwiste steunmaatregel vormt;
— 
documenten waaruit blijkt dat de staatssteun verleend is (persbericht, gepubliceerde rekeningen enz.);
— 
het bewijs dat u gemachtigd bent om de klacht namens een andere persoon of onderneming te dienen;
— 
kopieën van eerdere correspondentie met de Europese Commissie of andere Europese of nationale instanties over deze zaak (voor zover beschikbaar);
— 
voor zover een nationale rechtbank/autoriteit zich al over de zaak heeft uitgesproken, een kopie van het vonnis of besluit (voor zover beschikbaar).



 

11.    Vertrouwelijke informatie

Alle informatie in dit formulier en de ingediende bijlagen is niet vertrouwelijk en kan worden gedeeld met de lidstaat die de staatssteun zou hebben verleend.

□JaNee□

Zo nee, geef aan welk(e) gedeelte(n) van de documenten vertrouwelijk is (zijn), leg uit waarom u dit vertrouwelijk acht en verstrek een niet-vertrouwelijke versie van het document.



 

De bij punt 5 en 6 van dit formulier verstrekte informatie kan niet als vertrouwelijk worden aangemerkt.

Indien voor bepaalde documenten of informatie niet wordt aangegeven dat ze vertrouwelijk zijn, dan worden deze elementen ook niet als vertrouwelijk behandeld en kunnen deze worden doorgegeven aan de lidstaat die de staatssteun heeft verleend.

Ik verklaar dat ik alle informatie in dit formulier en de bijlagen te goeder trouw heb verstrekt.

Plaats, datum en handtekening van de indiener van de klacht

▼M11




BIJLAGE V

FORMULIER VOOR DE INDIENING VAN VERZOEKEN TOT INTERNE EVALUATIE NAAR AANLEIDING VAN DE BEVINDINGEN VAN HET COMITÉ VAN TOEZICHT OP DE NALEVING VAN HET VERDRAG VAN AARHUS IN ZAAK ACCC/C/2015/128 ( 684 )

De verplichte velden zijn met een sterretje (*) gemarkeerd.

1.    INFORMATIE OVER DE NIET-GOUVERNEMENTELE ORGANISATIE DIE HET VERZOEK INDIENT*

Niet-gouvernementele organisatie*:

Voornaam (vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisatie)*:

Naam*:

Adres (regel 1)*:

Adres (regel 2):

Plaats*:

Provincie/deelstaat/district:

Postcode*:

Land*:

Telefoon:

Mobiele telefoon:

E-mailadres*:

Ik dien het verzoek in namens een andere niet-gouvernementele organisatie, namelijk …

□Ja*Neen□*

Opmerking:  Indien een gezamenlijk verzoek betreffende hetzelfde staatssteunbesluit en dezelfde staatssteunmaatregel wordt ingediend door verschillende niet-gouvernementele organisaties, vermeld dan in dit formulier de contactgegevens van alle niet-gouvernementele organisaties.

Indien één contactpunt wordt aangewezen, verstrek dan de gegevens van het centrale contactpunt.*

Centraal contactpunt (indien van toepassing: …

Voornaam*:

Naam*:

Adres (regel 1)*:

Adres (regel 2):

Plaats*:

Provincie/deelstaat/district:

Postcode*:

Land*:

Telefoon:

Mobiele telefoon:

E-mailadres*:

2.    ADVOCAAT DIE HET VERZOEK INDIENT NAMENS EEN OF MEER NIET-GOUVERNEMENTELE ORGANISATIES*

Ik dien het verzoek in namens een of meer niet-gouvernementele organisaties*

□JaNee□

Zo ja, gelieve dan de volgende gegevens te verschaffen:

Naam van de niet-gouvernementele organisatie(s) die u vertegenwoordigt*:

Registratienummer van de entiteit(en):

Adres (regel 1)*:

Adres (regel 2):

Plaats*:

Provincie/deelstaat/district:

Postcode*:

Land*:

Telefoon 1:

Telefoon 2:

E-mailadres*:

Voeg ook een bewijs bij waaruit blijkt dat de vertegenwoordiger gemachtigd is namens de niet-gouvernementele organisatie(s) te handelen. Indien een niet-gouvernementele organisatiedoor een advocaat wordt vertegenwoordigd, moet het verzoek documenten en gegevens omvatten waaruit blijkt dat de advocaat bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat. Het kan gaan om een certificaat dat door een orde van advocaten in een lidstaat is afgegeven, of enig ander document dat volgens de nationale praktijk hetzelfde doel dient. De advocaat moet tevens een volmacht verstrekken waaruit blijkt dat hij zijn cliënt mag vertegenwoordigen.*

3.    VERTROUWELIJKHEID*

Voor de persoon die het verzoek indient namens de niet-gouvernementele organisatie*:

□ 

Ja, u mag mijn identiteit bekendmaken

□ 

Neen, u mag mijn identiteit niet bekendmaken

Vertrouwelijkheid: Indien u niet wenst dat uw identiteit wordt bekendgemaakt, geef dit dan duidelijk aan.

Het verzoek wordt op de internetsite van de Commissie gepubliceerd. Het verzoek zal met de staatssteun verlenende lidstaat worden gedeeld voor eventuele opmerkingen en kan ook worden gedeeld met andere overheidsinstanties.

4.    VEREISTEN OM IN AANMERKING TE KOMEN*

4.1.    Juridische status van de niet-gouvernementele organisatie*

Is uw niet-gouvernementele organisatie opgericht als rechtspersoon overeenkomstig de wet- en regelgeving van een EU-lidstaat?

□JaNee□

Zo ja, geef aan waar zij is geregistreerd (met vermelding van de bladzijde en het artikel/lid): …

4.2.    Status van uw organisatie wat het winstoogmerk betreft *

Is uw niet-gouvernementele organisatie een non-profitorganisatie? Gelieve daarvan bewijs te leveren.

□JaNee□

Zo ja, geef aan waar zij is geregistreerd (met vermelding van de bladzijde en het artikel/lid): … (maximaal 250 woorden)

4.3    Onafhankelijke status van uw organisatie: *:

Is uw niet-gouvernementele organisatie een onafhankelijke organisatie?

□JaNee□

Zo ja, geef aan waar zij is geregistreerd (met vermelding van de bladzijde en het artikel/lid): … (maximaal 250 woorden)

4.4    Hoofddoel: bevordering van milieubescherming in het kader van het milieurecht *

Heeft uw niet-gouvernementele organisatie als hoofddoel de bevordering van milieubescherming in het kader van het milieurecht?

□JaNee□

Zo ja, geef aan waar zij is geregistreerd (met vermelding van de bladzijde en het artikel/lid): … (maximaal 250 woorden)

4.5    Duur van de organisatie en actieve verwezenlijking van de in punt 4.4 genoemde doelstelling*:

Is uw niet-gouvernementele organisatie al meer dan twee jaar operationeel en streeft zij actief naar de in punt 4.4 genoemde doelstelling?

□JaNee□

Zo ja, geef uitleg en vermeld waar zij is geregistreerd (met vermelding van de bladzijde en het artikel/lid): … (maximaal 250 woorden)

4.6    Doelstelling van de organisatie en onderwerp van het verzoek tot interne evaluatie*

Wat is het onderwerp van uw verzoek? … (maximaal 250 woorden)

Valt het onderwerp van de door u gevraagde interne evaluatie onder de doelstelling en activiteiten van uw organisatie?

□JaNee□

Zo ja, geef uitleg en vermeld waar zij is geregistreerd (met vermelding van de bladzijde en het artikel/lid): … (maximaal 250 woorden)

5.    GRONDEN VAN HET VERZOEK*

Geef aan voor welke staatssteunbesluiten en -maatregelen van de Commissie u om een interne evaluatie verzoekt. Vermeld, indien mogelijk, de overwegingen in het staatssteunbesluit waarop uw verzoek is gebaseerd.

Vermeld de specifieke bepalingen van het milieurecht van de Unie die volgens u zouden zijn geschonden door de activiteit die steun heeft ontvangen en/of door aspecten van de staatssteunmaatregel. Leg uit waarom deze onlosmakelijk verbonden zijn met het voorwerp van de steun en/of de gesteunde activiteit ( 685 ).

Om een interne evaluatie kan alleen worden verzocht voor definitieve staatssteunbesluiten waarbij de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag wordt afgesloten overeenkomstig artikel 9, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad, met als rechtsgrondslag artikel 107, lid 3, punt a), artikel 107, lid 3, punt b), eerste onderdeel (steunmaatregelen ter bevordering van de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang), artikel 107, lid 3, punten c), d) en e), van het Verdrag, artikel 93 van het Verdrag, artikel 106, lid 2, van het Verdrag.

Verstrek relevante en gestructureerde informatie en documentatie ter staving van elk onderdeel van uw verzoek en geef aan welk deel van de ingediende informatie en documentatie naar elke grond verwijst.

Vermeld ook of u op nationaal niveau (administratieve of gerechtelijke) stappen heeft ondernomen en zo ja, welke de stand van zaken is.

Voer voor elk van deze gronden feiten en juridische argumenten aan.

(maximaal 9 000  woorden)

6.    BEWIJSSTUKKEN

6.1.  Vermeld alle documenten en stukken ter staving van de klacht en voeg zo nodig bijlagen toe.

Alle bijlagen moeten genummerd zijn, duidelijk gemarkeerd zijn en moeten in het verzoek tot interne evaluatie worden vermeld als bewijs van de specifieke feitelijke en/of juridische argumenten die u in uw verzoek aanvoert.

6.2.  Verplicht in te dienen bijlagen om te voldoen aan de vereisten voor inaanmerkingneming van punt 4*:

(a) 

statuut of reglement van de niet-gouvernementele organisatie, of elk ander document dat volgens de nationale praktijk hetzelfde doel dient in de lidstaten waar het nationale recht niet voorschrijft of oplegt dat een niet-gouvernementele organisatie statuten of reglementen vaststelt;

(b) 

jaarverslagen van de niet-gouvernementele organisatie over de laatste twee jaar;

(c) 

voor niet-gouvernementele organisaties die gevestigd zijn in landen waar de naleving van dergelijke procedures een voorwaarde is voor het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid, een kopie van de officiële inschrijving bij de nationale autoriteiten;

(d) 

alle informatie en documentatie waarvoor de Commissie eerder heeft erkend dat de niet-gouvernementele organisatie gerechtigd is een verzoek tot interne herziening in te dienen op grond van Verordening (EG) nr. 1367/2006 (de „Aarhus-verordening”) of punt [xx] van de gedragscode van de Commissie voor een goed verloop van de staatssteunprocedures; en een verklaring van de niet-gouvernementele organisatie dat zij nog steeds voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen.

Opmerking:  Indien bepaalde van de bovenvermelde documenten niet kunnen worden overgelegd om redenen die niet te wijten zijn aan de niet-gouvernementele organisatie, kan ander gelijkwaardig bewijsmateriaal worden overgelegd.

Indien de ingediende documenten niet duidelijk vermelden dat de niet-gouvernementele organisatie als haar uitdrukkelijk hoofddoel heeft de milieubescherming in de context van het milieurecht te bevorderen, dat zij al twee jaar bestaat en actief ijvert voor dit doel, of dat het onderwerp van het verzoek tot interne evaluatie tot de doelen en het werkterrein van de niet-gouvernementele organisatie behoort, moet de organisatie elk ander document indienen waaruit blijkt dat aan dit criterium is voldaan.

7.    AFSTANDSVERKLARING

Om de behandeling van het verzoek tot interne evaluatie te versnellen, moedigt de Commissie het gebruik van onderstaande, gedateerde en ondertekende afstandsverklaring door de niet-gouvernementele organisatie sterk aan.

„Ondergetekende, vertegenwoordiger van de verzoekende niet-gouvernementele organisatie die het verzoek tot interne evaluatie indient betreffende [vermeld het nummer en de titel van het staatssteunbesluit], stemt er bij wijze van uitzondering mee in af te zien van zijn rechten uit hoofde van artikel 342 van het Verdrag in samenhang met artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 1/1958 en dat het antwoord van de Commissie, vastgesteld en meegedeeld overeenkomstig artikel 297 van het Verdrag, alleen in het Engels wordt gesteld.”

8.    BESCHERMING VAN PERSOONSGEGEVENS ( 686 )

□ 

Ik begrijp dat dit verzoek om evaluatie op de website van de Commissie kan worden gepubliceerd waarbij alle persoonsgegevens onleesbaar worden gemaakt.

□ 

Ik stem niet in met publicatie van mijn postadres op de website van de Commissie.

□ 

Ik stem niet in met publicatie van mijn naam op de website van de Commissie.

□ 

Ik stem niet in met bekendmaking van mijn identiteit aan derden.

De Commissie zal uw persoonsgegevens verwerken overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. U kunt meer informatie vinden in de toepasselijke Europese privacyverklaring.

Ik verklaar dat ik alle informatie in dit formulier en de bijlagen te goeder trouw heb verstrekt.

Plaats, datum en handtekening van de verzoeker



( 1 )  PB L 300 van 5.11.2002, blz. 42.

( 2 ) Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1).

( 3 ) NACE Rev. 2.1, of latere wetgeving die deze wijzigt of vervangt. NACE is de statistische classificatie van de economische activiteiten in de Europese Unie, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

( 4 ) Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2003/361/oj).

( 5 ) Is er sprake van partnerondernemingen en verbonden ondernemingen, denk er dan om dat u bij de cijfergegevens voor de begunstigde ondernemingen ook het aantal werknemers en de financiële gegevens van de partnerondernemingen en/of verbonden ondernemingen mee in rekening brengt.

( 6 ) In de zin van de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

( 7 ) Nummer waaronder de goedgekeurde regeling of de regeling met een groepsvrijstelling bij de Commissie is geregistreerd.

( 8 ) Onder het begrip „individuele steun” moet overeenkomstig artikel 1, punt e), van Verordening (EU) 2015/1589 steun worden verstaan die niet wordt toegekend op grond van een steunregeling, alsmede steun die op grond van een steunregeling wordt toegekend en moet worden aangemeld.

( 9 ) Nummer waaronder de goedgekeurde regeling of de regeling met een groepsvrijstelling bij de Commissie is geregistreerd.

( 10 ) De datum van de juridisch bindende toezegging om de steun te verlenen.

( 11 ) Voor steun in de landbouw- of de visserij- en aquacultuursector wordt informatie over de inachtneming van de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen gevraagd in deel III.12 (Formulier algemene informatie voor de richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden) en deel III.14 (Formulier algemene informatie voor de richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector).

( 12 )  „State Aid Transparency” - publieke zoekpagina, te vinden op: https://webgate.ec.europa.eu/competition/transparency/public?lang=nl.

( 13 ) Subsidie/rentesubsidie, lening/terug te betalen voorschot/terugvorderbare subsidie, garantie, belastingvoordeel of belastingvrijstelling, risicokapitaal, overige (graag specificeren). Indien de steun wordt verleend via meerdere steuninstrumenten, moet het steunbedrag per instrument worden vermeld.

( 14 ) Van dat vereiste kan ontheffing worden verleend ten aanzien van individuele steunverleningen die onder de drempels blijven zoals aangegeven in de rechtsgrondslag. Voor regelingen in de vorm van belastingvoordelen kan de informatie over individuele steunbedragen worden meegedeeld in de volgende tranches zoals aangegeven in de rechtsgrondslag.

( 15 ) Totaalbedrag van de voorgenomen steun, uitgedrukt in nationale valuta en hele bedragen. Voor belastingmaatregelen, de geraamde totale inkomstenderving als gevolg van de belastingvoordelen. Indien het jaarbudget aan staatssteun van de regeling meer dan 150 miljoen EUR bedraagt, vul dan de rubriek over evaluatie van dit aanmeldingsformulier in.

( 16 ) Indien het gemiddelde jaarlijkse staatssteunbudget van de regeling meer dan 150 miljoen EUR bedraagt, vul dan de rubriek over evaluatie van dit aanmeldingsformulier in.

( 17 ) Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 2023/2831 van 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj), Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie van 13 december 2023 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L 2023/2831 van 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2832/oj), Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L 190 van 28.6.2014, blz. 45, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/717/oj), Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1408/oj)

( 18 ) Centraal door de Commissie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat, vormt geen staatssteun. Wanneer dit soort Uniefinanciering wordt gecombineerd met andere overheidsfinanciering, zal alleen met deze laatste rekening worden gehouden om te bepalen of aanmeldingsdrempels en de maximale steunbedragen in acht worden genomen. Voorwaarde is wel dat het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, de gunstigste financieringspercentages niet overschrijdt die in de toepasselijke EU-wetgeving zijn vastgesteld.

( 19 ) Voor meer houvast, zie het werkdocument van de diensten van de Commissie "Gemeenschappelijke methodiek voor de evaluatie van staatssteun", SWD(2014)179 final van 28.5.2014, beschikbaar onder: https://competition-policy.ec.europa.eu/document/download/323bb641-3467-4b18-aece-7efdc39e0edc_en?filename=modernisation_evaluation_methodology_en.pdf.

( 20 ) Voor meer houvast, zie het werkdocument van de diensten van de Commissie "Gemeenschappelijke methodiek voor de evaluatie van staatssteun", SWD(2014)179 final van 28.5.2014, beschikbaar onder: https://competition-policy.ec.europa.eu/document/download/323bb641-3467-4b18-aece-7efdc39e0edc_en?filename=modernisation_evaluation_methodology_en.pdf.

( 21 ) Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/1589/oj).

( 22 ) Voor meer houvast, zie artikel 339 VWEU waar sprake is van „inlichtingen betreffende ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de bestanddelen van hun kostprijzen”. De Unierechter heeft „bedrijfsgevoelige informatie” omschreven als „inlichtingen waarvan niet enkel de openbaarmaking aan het publiek, maar ook de enkele overlegging aan een ander rechtssubject dan dat waarvan de inlichting afkomstig is, de belangen van laatstbedoeld subject ernstig kan schaden” (arrest van het Gerecht van 18 september 1996, Postbank NV / Commissie, T-353/94, ECLI:EU:T:1996:119, punt 87).

( 23 ) Mededeling van de Commissie aan de lidstaten inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op kortlopende exportkredietverzekering (PB C 392 van 19.12.2012, blz. 1).

( 24 ) Richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021 (PB C 317 van 25.9.2020, blz. 5). Richtsnoeren betreffende bepaalde staatssteunmaatregelen in het kader van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2012 (PB C 158 van 5.6.2012, blz. 4).

( 25 ) Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1).

( 26 ) Mededeling van de Commissie – Criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang (PB C 188 van 20.6.2014, blz. 4).

( 27 ) Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (PB C 8 van 11.1.2012, blz. 4).

( 28 ) Mededeling van de Commissie – Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2021/C 153/01 (PB C 153 van 29.4.2021, blz. 1).

( 29 )  „Dezelfde of een vergelijkbare activiteit”: activiteit die behoort tot dezelfde klasse (viercijferige code) van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2.

( 30 ) In de zin van de mededeling van de Commissie „Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden” (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

( 31 )  „Kleine en middelgrote ondernemingen” (kmo’s): ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

( 32 ) De loutere verkrijging van de aandelen van een onderneming geldt niet als initiële investering.

( 33 ) Het gaat om de volgende voorwaarden: 1) de investering betreft een initiële investering in een gebied dat wordt aangemerkt voor medefinanciering door het Fonds voor een rechtvaardige transitie in een steungebied onder c) waarvan het bbp per hoofd van de bevolking heeft van minder dan 100 % van het EU27-gemiddelde; 2) de investering en de begunstigde zijn geïdentificeerd in een door de Commissie goedgekeurd territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie van een lidstaat; en 3) de staatssteun voor de investering wordt gedekt door het Fonds voor een rechtvaardige transitie ten belope van het toegestane maximum.

( 34 ) De loutere verkrijging van de aandelen van een onderneming geldt niet als initiële investering die leidt tot een nieuwe economische activiteit.

( 35 ) Deze bepaling geldt niet voor kmo’s of bij de overname van een vestiging.

( 36 ) Punt 33 van de richtsnoeren bepaalt dat voor grote ondernemingen de kosten van immateriële activa slechts in aanmerking komen tot een maximum van 50 % van de totale in aanmerking komende investeringskosten voor de initiële investering. Voor kmo’s komt 100 % van de kosten van immateriële activa in aanmerking. Punt 34 van de richtsnoeren bepaalt dat immateriële activa die in aanmerking komen voor de berekening van de investeringskosten, verbonden moeten blijven met het betrokken steungebied en niet naar andere gebieden mogen worden overgebracht. Met het oog daarop moeten de immateriële activa voldoen aan de volgende voorwaarden:

(1) 

zij moeten uitsluitend in de steun ontvangende vestiging worden gebruikt;

(2) 

zij moeten kunnen worden afgeschreven;

(3) 

zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper;

(4) 

zij moeten worden opgenomen bij de activa van de onderneming die steun ontvangt en moeten gedurende ten minste vijf jaar (drie jaar voor kmo’s) verbonden blijven met het project waarvoor de steun wordt verleend.

( 37 ) Mededeling van de Commissie betreffende de thans bij terugvordering van staatssteun toe te passen rentepercentages en de referentie- en disconteringspercentages, zoals die vanaf 1 mei 2021 gelden (bekendgemaakt overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1)).

( 38 ) Geef zowel de nominale als de contante waarde van de steunbedragen en de in aanmerking komende kosten.

( 39 ) Dit kunt u bijvoorbeeld toelichten aan de hand van de criteria uit punt 50 van de richtsnoeren en/of het businessplan van de begunstigde onderneming. De verwachte positieve effecten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het aantal gecreëerde of behouden banen, activiteiten op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie, opleiding, clustervorming en mogelijke bijdrage aan de digitale en de groene transitie van de economie (met inbegrip van, in voorkomend geval, informatie over de vraag of de investering ecologisch duurzaam is in de zin van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/852/oj ).

( 40 ) Deze vraag is niet van toepassing op leningen met rentesubsidie, door de overheid verstrekte participatieleningen of overheidsparticipaties die niet aan het beginsel van een particuliere investeerder handelend in een markteconomie voldoen, staatsgaranties die steunelementen bevatten, of staatssteun die binnen het kader van de de-minimisregels wordt verleend.

( 41 ) Bv. rechtstreekse subsidies, vrijstellingen of verlagingen van belastingen, socialezekerheidsbijdragen of andere verplichte bijdragen, of de terbeschikkingstelling van gronden, goederen of diensten tegen voordelige prijzen.

( 42 ) Bv. leningen tegen verlaagde rente of met rentesubsidie, overheidsgaranties, de verwerving van een belang of een andere vorm van kapitaalinjectie tegen gunstige voorwaarden.

( 43 ) De voor de berekening van de IRR gehanteerde periode dient overeen te stemmen met de looptijden waarmee in de betrokken sector voor vergelijkbare projecten wordt gerekend.

( 44 ) Daarbij moeten alle betrokken kosten en baten in aanmerking worden genomen – dus bijvoorbeeld ook administratieve kosten, vervoerskosten, opleidingskosten die niet worden gedekt door opleidingssteun, en loonverschillen. Als de alternatieve locatie echter binnen de EER gelegen is, mogen op die andere locatie toegekende subsidies niet in aanmerking worden genomen.

( 45 ) Geef deze informatie ook voor scenario 2-situaties waarin de investering, in het nulscenario, op een andere geografische markt zou plaatsvinden.

( 46 ) Of een markt ontoereikend presteert, wordt in de regel gemeten door een vergelijking te maken met het bbp van de EER in de drie jaar die voorafgaan aan de aanvang van het project (benchmarkpercentage); om dit te meten, kan er ook gebruik worden gemaakt van groeiprognoses voor de volgende drie tot vijf jaar. Mogelijke indicatoren daarbij zijn de verwachte toekomstige groei van de desbetreffende markt, de hieruit voortvloeiende verwachte capaciteitsbenuttingspercentages, en de waarschijnlijke invloed van de capaciteitstoename op concurrenten wat betreft prijzen en winstmarges.

( 47 ) Zoals gedefinieerd in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

( 48 ) Zoals gedefinieerd in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

( 49 ) Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen ( PB C 153 van 29.4.2021, blz. 1 ).

( 50 Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj).

( 51 ) Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj).

( 52 )  „Kleine en middelgrote ondernemingen” (kmo’s): ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

( 53 ) De loutere verkrijging van de aandelen van een onderneming geldt niet als initiële investering.

( 54 )  „Dezelfde of een vergelijkbare activiteit”: activiteit die behoort tot dezelfde klasse (viercijferige code) van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2.

( 55 ) De loutere verkrijging van de aandelen van een onderneming geldt niet als initiële investering die leidt tot een nieuwe economische activiteit.

( 56 ) Die bepaling hoeft niet te gelden voor kmo’s of bij de overname van een vestiging.

( 57 ) Punt 34 van de richtsnoeren bepaalt dat immateriële activa die in aanmerking komen voor de berekening van de investeringskosten, verbonden moeten blijven met het betrokken steungebied en niet naar andere gebieden mogen worden overgebracht. Met het oog daarop moeten de immateriële activa voldoen aan de volgende voorwaarden:

(1) 

zij moeten uitsluitend in de steun ontvangende vestiging worden gebruikt;

(2) 

zij moeten kunnen worden afgeschreven;

(3) 

zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper;

(4) 

zij moeten worden opgenomen bij de activa van de onderneming die steun ontvangt en moeten gedurende ten minste vijf jaar (drie jaar voor kmo’s) verbonden blijven met het project waarvoor de steun wordt verleend.

( 58 ) Deze vraag is niet van toepassing op leningen met rentesubsidie, door de overheid verstrekte participatieleningen of overheidsparticipaties die niet aan het beginsel van een particuliere investeerder handelend in een markteconomie voldoen, staatsgaranties die steunelementen bevatten, of staatssteun die binnen het kader van de de-minimisregels wordt verleend.

( 59 ) Een nulscenario is geloofwaardig indien het een reëel scenario betreft en verband houdt met factoren die meespeelden in de besluitvorming op de datum waarop de begunstigde het besluit nam ten aanzien van de investering.

( 60 ) Hiervoor kan onder meer worden gebruikgemaakt van effectbeoordelingen van de voorgenomen regeling of van evaluaties achteraf van vergelijkbare regelingen.

( 61 ) Bv. rechtstreekse subsidies, vrijstellingen of verlagingen van belastingen, socialezekerheidsbijdragen of andere verplichte bijdragen, of de terbeschikkingstelling van gronden, goederen of diensten tegen voordelige prijzen.

( 62 ) Bv. leningen tegen verlaagde rente of met rentesubsidie, overheidsgaranties, de verwerving van een belang of een andere vorm van kapitaalinjectie tegen gunstige voorwaarden.

( 63 ) Om de Commissie in staat te stellen de te verwachten negatieve effecten te beoordelen, kan de lidstaat effectbeoordelingen waarover hij beschikt indienen, alsmede doorlichtingen achteraf die zijn uitgevoerd voor vergelijkbare voorgaande regelingen.

( 64 ) Zoals gedefinieerd in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

( 65 ) Zoals gedefinieerd in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

( 66 ) Zie voor richtsnoeren de Methodological Guidance Paper for Evaluation on the field of State aid: https://competition-policy.ec.europa.eu/system/files/2021-04/modernisation_evaluation_methodology_en.pdf. Het evaluatieplan (bijlage I – deel III.8) moet worden ingediend met behulp van het formulier dat beschikbaar is op: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en.

( 67 ) Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen ( PB C 153 van 29.4.2021, blz. 1 ).

( 68 )  „Kleine en middelgrote ondernemingen” (kmo’s): ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

( 69 ) Bedenk wel dat exploitatiesteun ter compensatie van bijkomende kosten voor het vervoer van goederen die zijn geproduceerd in voor exploitatiesteun in aanmerking komende gebieden, alleen kan worden toegekend in overeenstemming met de algemene groepsvrijstellingverordening (AGVV) die op het tijdstip van de toekenning van de steun van toepassing is.

( 70 ) Zoals gedefinieerd in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

( 71 ) Zoals gedefinieerd in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

( 72 ) Zie voor richtsnoeren de Methodological Guidance Paper for Evaluation on the field of State aid: https://competition-policy.ec.europa.eu/system/files/2021-04/modernisation_evaluation_methodology_en.pdf. Het evaluatieplan (bijlage I – deel III.8) moet worden ingediend met behulp van het formulier dat beschikbaar is op: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en.

( 73 ) Mededeling van de Commissie – Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie 2022/C 414/01 (PB C 414 van 28.10.2022, blz. 1).

( 74 ) Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj).

( 75 ) Mededeling van de Commissie „Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden” ( PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

( 76 )  PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2003/361/oj.

( 77 ) Zie punt 20 van de O&O&I-kaderregeling waarin richtsnoeren worden verstrekt om te bepalen wanneer activiteiten doorgaans niet economisch van aard zijn, zoals bepaalde primaire activiteiten van onderzoeksorganisaties en onderzoeksinfrastructuren en bepaalde activiteiten inzake kennisoverdracht, mits aan de erin beschreven voorwaarden is voldaan.

( 78 ) Houd er rekening mee dat de Commissie zal oordelen dat steun van een economische activiteit onder de staatssteunregels valt wanneer een onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur zowel uit publieke als uit particuliere middelen wordt gefinancierd en wanneer de voor een specifieke boekhoudkundige periode aan de betrokken entiteit toegewezen publieke financiering hoger is dan de kosten die in die periode met de niet-economische activiteiten worden gemaakt (voetnoot 40 van de O&O&I-kaderregeling).

( 79 )  „op arm’s length”: de voorwaarden van de transactie tussen de contractpartijen wijken niet af van die welke kunnen zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure, wordt geacht te voldoen aan dit beginsel (punt 16, f), van de O&O&I-kaderregeling).

( 80 ) Overeenkomstig punt 28 van de O&O&I-kaderregeling geldt een project als een project dat wordt uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking tussen ten minste twee onafhankelijke partijen die, op basis van een taakverdeling, een gemeenschappelijke doelstelling nastreven en samen de reikwijdte van het samenwerkingsproject bepalen, bijdragen aan de uitvoering ervan en delen in de daaraan verbonden financiële, technologische, wetenschappelijke en andere risico’s, alsmede in de projectresultaten.

( 81 ) Zie de definitie van „op arm’s length” in punt 16, f), van de O&O&I-kaderregeling.

( 82 ) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/24/oj), en Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/25/oj).

( 83 ) Onverlet procedures die zowel de ontwikkeling als de aansluitende inkoop van unieke of gespecialiseerde producten of diensten behelzen.

( 84 ) Gezondheidsrelevant/-gerelateerd onderzoek omvat onderzoek naar vaccins, geneesmiddelen en behandelingen, medische hulpmiddelen en ziekenhuis- en medische apparatuur, desinfecteermiddelen, beschermende kleding en beschermingsmiddelen, en onderzoek naar relevante procesinnovaties voor een efficiënte productie van de nodige producten. Specifiek voor gezondheidsrelevante/-gerelateerde O&O-projecten komen de volgende kosten in aanmerking: alle kosten die tijdens de looptijd van het O&O-project nodig zijn, onder meer personeelskosten, kosten voor digitale en computerapparatuur, voor diagnoseapparatuur, voor instrumenten voor gegevensverzameling en -verwerking, voor O&O-diensten, voor preklinische en klinische proeven (proeffasen I-IV); fase IV-proeven komen in aanmerking zolang zij verdere wetenschappelijke of technologische vooruitgang mogelijk maken.

( 85 ) Zie de definitie van innovatieadviesdiensten – punt 16, s) van de O&O&I-kaderregeling, en van innovatieondersteuningsdiensten – punt 16, u), van de O&O&I-kaderregeling.

( 86 ) Indien de steunaanvraag een O&O-project betreft, sluit dat niet uit dat de potentiële begunstigde reeds haalbaarheidsstudies heeft uitgevoerd die niet door de steunaanvraag zijn gedekt (voetnoot 52 van de O&O&I-kaderregeling). In het geval van steun voor projecten of activiteiten die worden uitgevoerd in opeenvolgende fasen waarvoor afzonderlijke procedures voor de toekenning van steun kunnen gelden, betekent dit dat de werkzaamheden niet mogen aanvangen voordat de eerste steunaanvraag is ingediend. Ingeval steun wordt toegekend in het kader van een automatische fiscale steunregeling, moet deze regeling zijn vastgesteld én van kracht zijn geworden voordat de werkzaamheden in het kader van het gesteunde project of de gesteunde activiteit van start gaan (voetnoot 53 van de O&O&I-kaderregeling).

( 87 )  PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6.

( 88 ) Verordening (EU) 2020/852 van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/852/oj).

( 89 )  PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1.

( 90 ) Het betreft hier met name de vennootschapsvormen vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

( 91 ) Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de vennootschap), een negatief cumulatief bedrag oplevert dat hoger is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal.

( 92 ) Het betreft hier met name de vennootschapsvormen die worden vermeld in bijlage II bij Richtlijn 2013/34/EU.

( 93 ) Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6) (of iedere toekomstige mededeling welke die eventueel vervangt).

( 94 ) Met inbegrip van dit soort steun die werd toegekend vóór de datum waarop de Commissie de richtsnoeren is beginnen toe te passen, d.w.z. vóór 1 augustus 2014.

( 95 ) Wanneer minder dan tien jaar is verstreken sedert de toekenning van de reddingssteun of de tijdelijke flankerende herstructureringssteun of sinds het aflopen van de herstructureringsperiode of de beëindiging van de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan (naargelang welke van deze gebeurtenissen het meest recent is), mag verdere reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun alleen worden toegekend: a) wanneer tijdelijke flankerende herstructureringssteun volgt op de toekenning van reddingssteun als onderdeel van één enkele herstructureringsoperatie; b) wanneer herstructureringssteun volgt op de toekenning van reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun als onderdeel van één enkele herstructureringsoperatie; c) wanneer reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun is toegekend in overeenstemming met deze richtsnoeren en die steun niet werd gevolgd door herstructureringssteun, indien: i) redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de begunstigde onderneming na de toekenning van steun op grond van deze richtsnoeren op lange termijn levensvatbaar zou zijn, en ii) na ten minste vijf jaar nieuwe reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun noodzakelijk wordt wegens onvoorzienbare omstandigheden die de begunstigde onderneming niet zijn toe te rekenen; d) in uitzonderlijke en onvoorzienbare omstandigheden die de onderneming niet zijn toe te rekenen.

( 96 )  PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1.

( 97 ) Het betreft hier met name de vennootschapsvormen vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

( 98 ) Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatief cumulatief bedrag oplevert dat hoger is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal.

( 99 ) Het betreft hier met name de vennootschapsvormen die worden vermeld in bijlage II bij Richtlijn 2013/34/EU.

( 100 ) Herstructurering kan één of meer van de volgende elementen omvatten: de reorganisatie en rationalisering van de activiteiten van de begunstigde onderneming op efficiëntere basis, waarbij doorgaans verlieslatende activiteiten worden afgestoten, de herstructurering van bestaande activiteiten die opnieuw concurrerend kunnen worden gemaakt, en, mogelijkerwijze, diversifiëring naar nieuwe en levensvatbare activiteiten. Doorgaans omvat dit proces ook een financiële herstructurering in de vorm van kapitaalinjecties door nieuwe of bestaande aandeelhouders en een schuldvermindering door de bestaande schuldeisers.

( 101 ) Levensvatbaarheid op lange termijn wordt bereikt wanneer een onderneming erin slaagt een passend verwacht rendement op kapitaal te behalen nadat al haar kosten zijn gedekt, met inbegrip van afschrijvingen en financiële kosten. Na herstructurering moet de onderneming op eigen kracht op de markt kunnen concurreren.

( 102 ) Bij het alternatieve scenario kan het bijvoorbeeld gaan om: een schuldherschikking, de afstoting van activa, het aantrekken van particulier kapitaal, een verkoop aan een concurrent of een opsplitsing, telkens ofwel door het inleiden van een insolventie- of reorganisatieprocedure of in ander verband.

( 103 ) Zie ook punt 56 van de richtsnoeren.

( 104 ) Zie ook punt 64 van de richtsnoeren.

( 105 ) Wanneer bijvoorbeeld de steun de eigenvermogenspositie van de begunstigde versterkt, dient ook de eigen bijdrage maatregelen te omvatten die het eigen vermogen versterken, zoals het aantrekken van vers aandelenkapitaal bij bestaande aandeelhouders, het afschrijven van bestaande schulden en capital notes of de omzetting van bestaande schulden in eigen vermogen, of het aantrekken van nieuw particulier extern eigen vermogen op marktvoorwaarden.

( 106 ) Bijvoorbeeld wanneer de Staat subsidies verstrekt, kapitaal injecteert of schulden kwijtscheldt.

( 107 ) Met inbegrip van dit soort steun die werd toegekend vóór de datum waarop de Commissie de richtsnoeren is beginnen toe te passen, d.w.z. vóór 1 augustus 2014.

( 108 ) Wanneer minder dan tien jaar is verstreken sedert de toekenning van de reddingssteun of de tijdelijke flankerende herstructureringssteun of sinds het aflopen van de herstructureringsperiode of de beëindiging van de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan (naargelang welke van deze gebeurtenissen het meest recent is), mag verdere reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun alleen worden toegekend: a) wanneer tijdelijke flankerende herstructureringssteun volgt op de toekenning van reddingssteun als onderdeel van één enkele herstructureringsoperatie; b) wanneer herstructureringssteun volgt op de toekenning van reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun als onderdeel van één enkele herstructureringsoperatie; c) wanneer reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun is toegekend in overeenstemming met deze richtsnoeren en die steun niet werd gevolgd door herstructureringssteun, indien: i) redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de begunstigde onderneming na de toekenning van steun op grond van deze richtsnoeren op lange termijn levensvatbaar zou zijn, en ii) na ten minste vijf jaar nieuwe reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun noodzakelijk wordt wegens onvoorzienbare omstandigheden die de begunstigde onderneming niet zijn toe te rekenen; of d) in uitzonderlijke en onvoorzienbare omstandigheden die de onderneming niet zijn toe te rekenen.

( 109 ) Afstotingen ter beperking van verstoringen van de mededinging dienen onverwijld plaats te vinden, waarbij rekening wordt gehouden met het soort activa dat wordt afgestoten en eventuele hinderpalen voor de afstoting ervan, en hoe dan ook binnen de looptijd van het herstructureringsplan.

( 110 ) Hierbij kan het met name gaan om maatregelen om bepaalde markten die direct of indirect verbonden zijn met de activiteiten van de begunstigde onderneming open te stellen voor andere marktdeelnemers in de Unie, in overeenstemming met het Unierecht. Dergelijke maatregelen kunnen andere maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging vervangen die normaal gezien van de begunstigde onderneming zouden worden verlangd.

( 111 ) Zie de punten 32 t/m 35 van de richtsnoeren voor het soort maatregelen die onder het begrip „steun ter dekking van de sociale kosten van herstructureringen” vallen.

( 112 )  PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1.

( 113 ) In de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

( 114 )  „Kleinere overheidsbedrijven” zijn economische entiteiten met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid die op grond van Aanbeveling 2003/361/EG als kleine of middelgrote ondernemingen zouden kwalificeren, ware het niet dat één of meer overheidsinstanties, gezamenlijk of afzonderlijk, direct of indirect zeggenschap hebben over 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten.

( 115 ) Het betreft hier met name de vennootschapsvormen vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

( 116 ) Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatief cumulatief bedrag oplevert dat hoger is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal.

( 117 ) Het betreft hier met name de vennootschapsvormen die worden vermeld in bijlage II bij Richtlijn 2013/34/EU.

( 118 ) Herstructurering kan één of meer van de volgende elementen omvatten: de reorganisatie en rationalisering van de activiteiten van de begunstigde onderneming op efficiëntere basis, waarbij doorgaans verlieslatende activiteiten worden afgestoten, de herstructurering van bestaande activiteiten die opnieuw concurrerend worden gemaakt, en, mogelijkerwijze, diversifiëring naar nieuwe en levensvatbare activiteiten. Doorgaans omvat dit proces ook een financiële herstructurering in de vorm van kapitaalinjecties door nieuwe of bestaande aandeelhouders en een schuldvermindering door de bestaande schuldeisers.

( 119 ) Levensvatbaarheid op lange termijn wordt bereikt wanneer een onderneming erin slaagt een passend verwacht rendement op kapitaal te behalen nadat al haar kosten zijn gedekt, met inbegrip van afschrijvingen en financiële kosten. Na herstructurering moet de onderneming op eigen kracht op de markt kunnen concurreren.

( 120 ) Het alternatieve scenario mag geen staatssteun omvatten. Het kan bijvoorbeeld gaan om: een schuldherschikking, de afstoting van activa, het aantrekken van particulier kapitaal, een verkoop aan een concurrent of een opsplitsing, telkens ofwel door het inleiden van een insolventie- of reorganisatieprocedure of in ander verband.

( 121 ) Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6).

( 122 ) In lijn met punt 115, onder e), van de richtsnoeren hoeft dat plan niet alle in de punten 47 t/m 52 van de richtsnoeren beschreven elementen te bevatten, maar moet het ten minste aangeven welke maatregelen de begunstigde onderneming moet nemen om haar levensvatbaarheid op lange termijn te herstellen zonder staatssteun.

( 123 ) Wanneer bijvoorbeeld de steun de eigenvermogenspositie van de begunstigde onderneming versterkt, dient ook de eigen bijdrage maatregelen te omvatten die het eigen vermogen versterken, zoals het aantrekken van vers aandelenkapitaal bij bestaande aandeelhouders, het afschrijven van bestaande schulden en capital notes of de omzetting van bestaande schulden in eigen vermogen, of het aantrekken van nieuw particulier extern eigen vermogen op marktvoorwaarden.

( 124 ) Bijvoorbeeld wanneer de Staat subsidies verstrekt, kapitaal injecteert of schulden kwijtscheldt.

( 125 ) Wanneer minder dan tien jaar is verstreken sinds de toekenning van de reddingssteun of de tijdelijke flankerende herstructureringssteun of sedert het aflopen van de herstructureringsperiode of de beëindiging van de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan (naargelang welke van deze gebeurtenissen het meest recent is), mag verdere reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun alleen worden toegekend: a) wanneer tijdelijke flankerende herstructureringssteun volgt op de toekenning van reddingssteun als onderdeel van één enkele herstructureringsoperatie; b) wanneer herstructureringssteun volgt op de toekenning van reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun als onderdeel van één enkele herstructureringsoperatie; c) wanneer reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun is toegekend in overeenstemming met deze richtsnoeren en die steun niet werd gevolgd door herstructureringssteun, indien: i) redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de begunstigde onderneming na de toekenning van steun op grond van deze richtsnoeren op lange termijn levensvatbaar zou zijn, en ii) na ten minste vijf jaar nieuwe reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun noodzakelijk wordt wegens onvoorzienbare omstandigheden die de begunstigde onderneming niet zijn toe te rekenen; of d) in uitzonderlijke en onvoorzienbare omstandigheden die de onderneming niet zijn toe te rekenen.

( 126 ) Met inbegrip van dit soort steun die werd toegekend vóór de datum waarop de Commissie de richtsnoeren is beginnen toe te passen, d.w.z. vóór 1 augustus 2014.

( 127 ) Lidstaten hoeven dit soort maatregelen niet van kleine ondernemingen te verlangen, tenzij anders is bepaald in staatssteunregels voor een specifieke sector. Kleine ondernemingen mogen in de regel hun capaciteit echter niet uitbreiden tijdens een herstructureringsperiode.

( 128 ) Afstotingen, afschrijvingen en sluitingen van verlieslatende activiteiten die hoe dan ook nodig zijn om de levensvatbaarheid op lange termijn te herstellen, zullen doorgaans niet als voldoende worden beschouwd om verstoringen van de mededinging aan te pakken.

( 129 ) Dit soort maatregelen dient plaats te vinden op de markt(en) waar de begunstigde onderneming na de herstructurering een aanzienlijke marktpositie zal hebben, met name op de markten waar er aanzienlijke capaciteitsoverschotten zijn.

( 130 ) Afstotingen ter beperking van verstoringen van de mededinging dienen onverwijld plaats te vinden, waarbij rekening moet worden gehouden met het soort activa dat wordt afgestoten en eventuele hinderpalen voor de afstoting ervan, en hoe dan ook binnen de looptijd van het herstructureringsplan.

( 131 ) Hierbij kan het met name gaan om maatregelen om bepaalde markten die direct of indirect verbonden zijn met de activiteiten van de begunstigde onderneming open te stellen voor andere marktdeelnemers in de Unie, in overeenstemming met het Unierecht. Die maatregelen kunnen een vervanging vormen van andere maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging die normaal van de begunstigde onderneming zouden worden verlangd.

( 132 ) Mededeling van de Commissie betreffende staatssteun voor films en andere audiovisuele werken (PB C 332 van 15.11.2013, blz. 1).

( 133 ) Richtsnoeren voor staatssteun aan breedbandnetwerken (PB C 36 van 31.1.2023, blz. 1).

( 134 ) Punten 177, 178 en 179.

( 135 ) Punt 181.

( 136 ) Punt 189.

( 137 ) Bijvoorbeeld: Besluit (EU) 2022/2481 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 tot vaststelling van het beleidsprogramma voor het digitale decennium tot 2030 (PB L 323 van 19.12.2022, blz. 4).

( 138 ) Punt 175.

( 139 ) Punt 19, j) en k). Zie ook punt 20, laatste zin.

( 140 ) Punt 182.

( 141 ) Punt 184.

( 142 ) Punt 183.

( 143 ) Punt 185.

( 144 ) Punt 185.

( 145 ) Punt 185.

( 146 ) Punt 186.

( 147 ) Punt 187.

( 148 ) Punt 194.

( 149 ) Punt 195.

( 150 ) Punt 193.

( 151 ) Punt 193.

( 152 ) Punt 196. Zie ook punt 194.

( 153 ) Punt 196.

( 154 ) Punt 198.

( 155 ) Punt 187.

( 156 ) Punt 191.

( 157 ) Punt 192. Zie punt 38 voor een definitie van stimulerend effect.

( 158 ) Punt 194.

( 159 ) Punt 197. Zie ook punt 195.

( 160 ) Punt 200.

( 161 ) Punt 202.

( 162 ) Punt 203.

( 163 ) Beschikbaar op: https://webgate.ec.europa.eu/competition/transparency/public?lang=nl.

( 164 ) Punt 202.

( 165 ) Punt 204.

( 166 ) Punt 204.

( 167 ) Punten 207 en 208.

( 168 ) Punt 209.

( 169 ) Voor meer houvast, zie artikel 339 van het Verdrag waar sprake is van „inlichtingen betreffende ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de bestanddelen van hun kostprijzen”. De EU-rechter heeft „bedrijfsgevoelige informatie” omschreven als „inlichtingen waarvan niet enkel de openbaarmaking aan het publiek, maar ook de enkele overlegging aan een ander rechtssubject dan dat waarvan de inlichting afkomstig is, de belangen van laatstbedoeld subject ernstig kan schaden” (arrest van het Gerecht van 18 september 1996, Postbank / Commissie, T-353/94, ECLI:EU:T:1996:119, punt 87).

( 170 ) Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj).

( 171 ) Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj).

( 172 ) Richtsnoeren voor staatssteun aan breedbandnetwerken (PB C 36 van 31.1.2023, blz. 1).

( 173 ) Zoals gedefinieerd in punt 19, a). Zie ook punt 19, b).

( 174 ) Zoals gedefinieerd in punt 19, c) en d), en punt 21.

( 175 ) Zoals gedefinieerd in punt 100.

( 176 ) Zoals gedefinieerd in punt 101.

( 177 ) Zoals gedefinieerd in punt 103.

( 178 ) Zoals gedefinieerd in punt 107.

( 179 ) Zoals gedefinieerd in punt 19, e) en punten 22, 23 en 24.

( 180 ) Zoals gedefinieerd in punt 19, f), en punt 25.

( 181 ) Zie punt 75.

( 182 ) Bijvoorbeeld: Besluit (EU) 2022/2481 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 tot vaststelling van het beleidsprogramma voor het digitale decennium tot 2030 (PB L 323 van 19.12.2022, blz. 4). Zie de breedbandrichtsnoeren, punten 2 tot en met 6, 8, 10 en 171.

( 183 ) Punt 19, j) en k). Zie ook punt 20, laatste zin.

( 184 ) Punt 19, m). Zie ook punt 80.

( 185 ) Bijlage IV, punt 1.

( 186 ) Bijlage IV, punt 2.

( 187 ) Bijlage IV, punt 3.

( 188 ) Bijlage IV, punt 4.

( 189 ) Punten 35 en 36.

( 190 ) Punt 41.

( 191 ) Punt 19, q), en punt 50.

( 192 ) Punt 172.

( 193 ) Punt 171.

( 194 ) Punten 42 en 43.

( 195 ) Punt 70.

( 196 ) Punt 53 en voetnoot 48.

( 197 ) Punt 72.

( 198 ) Punt 73, a), en voetnoot 62.

( 199 ) Punt 55.

( 200 ) Punt 85.

( 201 ) Punt 87. Zie ook punt 86.

( 202 ) Punt 88.

( 203 ) Punten 88 en 92.

( 204 ) Punt 91.

( 205 ) Punt 73, b).

( 206 ) Zie punt 19, l), voor een definitie van aansluitbaar pand.

( 207 ) Punten 56 en 57.

( 208 ) Punt 74.

( 209 ) Punt 76.

( 210 ) Punt 58.

( 211 ) Punt 59, a).

( 212 ) Punt 59, b).

( 213 ) Punt 59, b).

( 214 ) Punt 59, c).

( 215 ) Punt 82.

( 216 ) Punten 78, 79 en 81. Zie ook voetnoot 64.

( 217 ) Punt 78.

( 218 ) Punt 70.

( 219 ) Punten 60, 61 en 64.

( 220 ) Punt 65.

( 221 ) Punt 62.

( 222 ) Punt 63. Zie ook punt 66.

( 223 ) Punt 72.

( 224 ) Punt 73, a), en voetnoot 62.

( 225 ) Punt 85.

( 226 ) Punt 87. Zie ook punt 86.

( 227 ) Punt 88.

( 228 ) Punten 88 en 92.

( 229 ) Punt 91.

( 230 ) Punt 73, b). Zie ook voetnoot 63.

( 231 ) Punt 74.

( 232 ) Punt 76.

( 233 ) Zie in dit verband punt 82 en voetnoot 66.

( 234 ) Punten 78, 79 en 81. Zie ook voetnoot 64.

( 235 ) Punt 78.

( 236 ) Punt 68.

( 237 ) Punt 68.

( 238 ) Punt 69.

( 239 ) Punt 72.

( 240 ) Punt 85.

( 241 ) Punt 87. Zie ook punt 86.

( 242 ) Punt 88.

( 243 ) Punten 88 en 92.

( 244 ) Punt 91.

( 245 ) Punt 76.

( 246 ) Zie in dit verband punt 82 en voetnoot 66.

( 247 ) Punten 78, 79 en 81. Zie ook voetnoot 64.

( 248 ) Punt 78.

( 249 ) Punten 51, 95 en 96.

( 250 ) Zoals gedefinieerd in punt 19, p). Zie ook de punten 97-98 en voetnoot 72.

( 251 ) Punt 102. Zie ook voetnoot 74.

( 252 ) Punt 104.

( 253 ) Punt 105.

( 254 ) Zoals gedefinieerd in punt 19, n).

( 255 ) Punt 108.

( 256 ) Punt 109. Zie ook punten 110 en 111.

( 257 ) Punt 112. Zie ook punten 113 en 114.

( 258 ) Punt 117.

( 259 ) Punt 118.

( 260 ) Punt 118.

( 261 ) Punt 120.

( 262 ) Punten 120 en 122.

( 263 ) Punt 123.

( 264 ) Punt 124.

( 265 ) Punt 125.

( 266 ) Punt 127.

( 267 ) Punt 127.

( 268 ) Punt 127.

( 269 ) Punt 128.

( 270 ) Punt 129.

( 271 ) Punt 130.

( 272 ) Punt 131.

( 273 ) Punt 132.

( 274 ) Punt 133.

( 275 ) Punt 134.

( 276 ) Punt 135.

( 277 ) Punt 135.

( 278 ) Punt 137.

( 279 ) Punt 137.

( 280 ) Punt 138.

( 281 ) Punt 138, a).

( 282 ) Punt 139.

( 283 ) Punt 138, b).

( 284 ) Punt 138, b), ii).

( 285 ) Punt 140.

( 286 ) Punt 141.

( 287 ) Punt 142.

( 288 ) Punt 143.

( 289 ) Punt 144. Zie ook voetnoot 91.

( 290 ) Voetnoot 97.

( 291 ) Punt 144. Zie ook voetnoot 98.

( 292 ) Punt 145.

( 293 ) Punt 146.

( 294 ) Punten 147 en 148.

( 295 ) Punt 149.

( 296 ) Punt 150.

( 297 ) Punt 151, a).

( 298 ) Punt 151, b).

( 299 ) Punt 151, c).

( 300 ) Punt 155, volgens hetwelk een terugvorderingsmechanisme moet worden toegepast indien het steunbedrag meer dan 10 miljoen EUR bedraagt. Volgens punt 156 is een terugvorderingsmechanisme niet nodig in geval van invoering van een model voor directe investeringen.

( 301 ) Punt 154.

( 302 ) Punt 155.

( 303 ) Punt 157.

( 304 ) Punt 158.

( 305 ) Voetnoot 104.

( 306 ) Punt 158.

( 307 ) Punt 159.

( 308 ) Punt 160.

( 309 ) Punt 5.2.4.6.:

( 310 ) Punt 77. Zie ook punt 162.

( 311 ) Punt 90.

( 312 ) Punt 83. Zie ook punt 162.

( 313 ) Punt 162.

( 314 ) Punten 136 en 152. Zie ook punt 163.

( 315 ) Punt 162.

( 316 ) Punt 163.

( 317 ) Punt 163.

( 318 ) Punt 164.

( 319 ) Punt 165.

( 320 ) Punt 166.

( 321 ) Punt 202.

( 322 ) Punt 203.

( 323 ) Beschikbaar op: https://webgate.ec.europa.eu/competition/transparency/public?lang=nl.

( 324 ) Punt 202.

( 325 ) Punt 204.

( 326 ) Punt 204.

( 327 ) Punten 207 en 208.

( 328 ) Punt 209.

( 329 ) Zoals gedefinieerd in punt 19, o).

( 330 ) Punten 168 en 169.

( 331 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 332 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 333 ) De punten 38, 52 en 90 alsmede de voetnoten 39, 45 en 55 van de richtsnoeren bieden nadere houvast over de vraag hoe het waarschijnlijke nulscenario moet worden ontwikkeld.

( 334 ) Indien u zich baseert op een recente concurrerende procedure, leg dan uit hoe die biedprocedure als concurrerend kan worden beschouwd, en hoe windfall profits zijn vermeden voor verschillende technologieën die in de concurrerende biedprocedure zijn opgenomen, indien van toepassing, en hoe deze procedure vergelijkbaar is, bijvoorbeeld:

i. 

Waren de voorwaarden (bv. voorwaarden en looptijd van het contract, investeringstermijnen, al dan niet voor inflatie geïndexeerde steunbetalingen) vergelijkbaar met die van de aangemelde maatregel?

ii. 

Vond de concurrerende procedure plaats onder vergelijkbare macro-economische omstandigheden?

iii. 

Waren de technologieën/projecttypen vergelijkbaar? Voor de opwekking van hernieuwbare energie die afhankelijk is van het weer, moet ook worden nagegaan of de klimatologische omstandigheden vergelijkbaar zijn.

( 335 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 336 ) Voor meer informatie, zie de punten 51, 52 en 53 en de voetnoten 45, 46 en 55 van de richtsnoeren.

( 337 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 338 ) Indien de aangemelde maatregel betrekking heeft op de productie van hernieuwbare energie, moet ten minste de omzet van de binnenlandse elektriciteitsopwekking worden verstrekt.

( 339 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 340 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 341 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 342 ) Volgens voetnoot 74 kunnen investeringen voor één soort bouwonderdeel bijvoorbeeld gericht zijn op het vervangen van ramen of ketels in het gebouw of op isolatie van de muren.

( 343 ) De punten 38 en 52 alsmede de voetnoten 39 en 45 van de richtsnoeren bieden nadere houvast over de vraag hoe het waarschijnlijke nulscenario moet worden ontwikkeld.

( 344 )  „Referentieproject” is gedefinieerd in punt 19, 63), van de richtsnoeren.

( 345 ) Indien u zich baseert op een recente concurrerende procedure, leg dan uit hoe die biedprocedure als concurrerend kan worden beschouwd, en hoe windfall profits zijn vermeden voor verschillende technologieën die in de concurrerende biedprocedure zijn opgenomen, indien van toepassing, en hoe deze procedure vergelijkbaar is, bijvoorbeeld:

i. 

Waren de voorwaarden (bv. voorwaarden en looptijd van het contract, investeringstermijnen, al dan niet voor inflatie geïndexeerde steunbetalingen) vergelijkbaar met die van de aangemelde maatregelen?

ii. 

Vond de concurrerende procedure plaats onder vergelijkbare macro-economische omstandigheden?

iii. 

Waren de technologieën/projecttypen vergelijkbaar?

( 346 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 347 ) De terugbetalingstermijn is de tijd die nodig is om de kosten van een investering (zonder steun) terug te verdienen.

( 348 ) Voor meer informatie, zie de punten 51, 52 en 53 en de voetnoten 45 en 46 van de richtsnoeren.

( 349 ) De punten 38, 52, 165, 166 en 167 en de voetnoten 39 en 45 van de richtsnoeren bieden nadere houvast over de vraag hoe het waarschijnlijke nulscenario moet worden ontwikkeld.

( 350 ) Voetnoot 44 van de richtsnoeren stelt: „ Bij de beoordeling van eenheden milieubescherming kunnen de lidstaten bijvoorbeeld een methode ontwikkelen waarbij rekening wordt gehouden met emissies of andere verontreiniging in verschillende fasen van de gesteunde economische activiteit, de tijd voor het realiseren van projecten of de kosten van systeemintegratie. Bij het relateren van de bijdrage tot de hoofddoelstellingen aan het gevraagde steunbedrag, kunnen de lidstaten bijvoorbeeld de verschillende objectieve criteria wegen en selecteren op basis van het steunbedrag per eenheid van het gewogen gemiddelde van de objectieve criteria, of uit een beperkt scala aan biedingen met het laagste steunbedrag per eenheid van de objectieve criteria de biedingen selecteren die het hoogst scoren op de objectieve criteria. De parameters van een dergelijke aanpak moeten worden gekalibreerd om ervoor te zorgen dat de biedprocedure niet-discriminerend en daadwerkelijk concurrerend blijft en de economische waarde weerspiegelt.”

( 351 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 352 ) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

( 353 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 354 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 355 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 356 ) De punten 38, 52, 165, 166 en 167 en de voetnoten 39 en 45 van de richtsnoeren bieden nadere houvast over de vraag hoe het waarschijnlijke nulscenario moet worden ontwikkeld.

( 357 )  „Referentieproject” is gedefinieerd in punt 19, 63), van de richtsnoeren.

( 358 ) Indien u zich baseert op een recente concurrerende procedure, leg dan uit hoe die biedprocedure als concurrerend kan worden beschouwd, en hoe windfall profits zijn vermeden voor verschillende technologieën die in de concurrerende biedprocedure zijn opgenomen, indien van toepassing, en hoe deze procedure vergelijkbaar is, bijvoorbeeld:

i. 

Waren de voorwaarden (bv. voorwaarden en looptijd van het contract, investeringstermijnen, al dan niet voor inflatie geïndexeerde steunbetalingen) vergelijkbaar met die van de aangemelde maatregel?

ii. 

Vond de concurrerende procedure plaats onder vergelijkbare macro-economische omstandigheden?

iii. 

Waren de technologieën/projecttypen vergelijkbaar?

( 359 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 360 ) Voor meer informatie, zie de punten 51, 52 en 53 en 165, 166 en 167 alsmede de voetnoten 45 en 46 van de richtsnoeren.

( 361 ) In dat geval kunnen volgens punt 52 van de richtsnoeren de nettomeerkosten worden benaderd door de negatieve NPV van het project in het feitelijke scenario zonder steun over de levensduur van het project (dus in de impliciete aanname dat de NPV van het nulscenario nul is).

( 362 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 363 ) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

( 364 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 365 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 366 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 367 ) De punten 38 en 52 alsmede de voetnoten 39 en 45 van de richtsnoeren bieden nadere houvast over de vraag hoe het waarschijnlijke nulscenario moet worden ontwikkeld.

( 368 )  „Referentieproject” is gedefinieerd in punt 19, 63), van de richtsnoeren.

( 369 ) Indien u zich baseert op een recente concurrerende procedure, leg dan uit hoe die biedprocedure als concurrerend kan worden beschouwd, en hoe windfall profits zijn vermeden voor verschillende technologieën die in de concurrerende biedprocedure zijn opgenomen, indien van toepassing, en hoe deze procedure vergelijkbaar is, bijvoorbeeld:

i. 

Waren de voorwaarden (bv. voorwaarden en looptijd van het contract, investeringstermijnen, al dan niet voor inflatie geïndexeerde steunbetalingen) vergelijkbaar met die van de aangemelde maatregel?

ii. 

Vond de concurrerende procedure plaats onder vergelijkbare macro-economische omstandigheden?

iii. 

Waren de technologieën/projecttypen vergelijkbaar?

( 370 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 371 ) Voor meer informatie, zie de punten 51, 52 en 53 en 165, 166 en 167 alsmede de voetnoten 45 en 46 van de richtsnoeren.

( 372 ) In dat geval kunnen volgens punt 52 van de richtsnoeren de nettomeerkosten worden benaderd door de negatieve NPV van het project in het feitelijke scenario zonder steun over de levensduur van het project (dus in de impliciete aanname dat de NPV van het nulscenario nul is).

( 373 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 374 ) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

( 375 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 376 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 377 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 378 ) De punten 38, 52, 165, 166 en 167 en de voetnoten 39 en 45 van de richtsnoeren bieden nadere houvast over de vraag hoe het waarschijnlijke nulscenario moet worden ontwikkeld.

( 379 )  „Referentieproject” is gedefinieerd in punt 19, 63), van de richtsnoeren.

( 380 ) Indien u zich baseert op een recente concurrerende procedure, leg dan uit hoe die biedprocedure als concurrerend kan worden beschouwd, en hoe windfall profits zijn vermeden voor verschillende technologieën die in de concurrerende biedprocedure zijn opgenomen, indien van toepassing, en hoe deze procedure vergelijkbaar is, bijvoorbeeld:

i. 

Waren de voorwaarden (bv. voorwaarden en looptijd van het contract, investeringstermijnen, al dan niet voor inflatie geïndexeerde steunbetalingen) vergelijkbaar met die van de aangemelde maatregel?

ii. 

Vond de concurrerende procedure plaats onder vergelijkbare macro-economische omstandigheden?

iii. 

Waren de technologieën/projecttypen vergelijkbaar?

( 381 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 382 ) Indien dit afdoende wordt aangetoond, kan ook de specifieke situatie op het niveau van de betrokken regio of regio's in aanmerking worden genomen.

( 383 ) Het feit dat het om vernieuwing gaat, kan bijvoorbeeld worden aangetoond op basis van een precieze beschrijving van de innovatie en van de marktsituatie vóór de invoering of verspreiding ervan, vergeleken met de processen of organisatietechnieken volgens de huidige stand van de techniek die doorgaans door andere ondernemingen in dezelfde bedrijfstak worden gebruikt.

( 384 ) Indien kwantitatieve parameters kunnen worden gebruikt voor de vergelijking van eco-innovatieve activiteiten met gewone, niet-innovatieve activiteiten, betekent „aanzienlijk hoger” dat de – in termen van lager milieurisico of geringere milieuvervuiling of verbeterde energie- of hulpbronnenefficiëntie – van eco-innovatieve activiteiten te verwachten marginale verbetering ten minste tweemaal zo groot moet zijn als de van de algemene evolutie van vergelijkbare niet-innovatieve activiteiten te verwachten marginale verbetering. Indien de voorgestelde aanpak niet geschikt is voor een bepaalde zaak, of indien geen kwantitatieve vergelijking mogelijk is, moet het aanvraagdossier voor staatssteun een gedetailleerde beschrijving bevatten van de methode die wordt gebruikt om dit criterium te toetsen, zodat een maatstaf is gegarandeerd die vergelijkbaar is met die van de voorgestelde methode.

( 385 ) De lidstaat zou dit risico bijvoorbeeld kunnen aantonen aan de hand van de verhouding kosten/omzet van de onderneming, de vereiste ontwikkelingstijd, de van de eco-innovatieactiviteit verwachte baten ten opzichte van de kosten, en de kans op mislukking.

( 386 ) Voor meer informatie, zie de punten 51, 52 en 53 en de voetnoten 45 en 46 van de richtsnoeren.

( 387 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 388 ) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

( 389 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 390 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 391 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 392 ) Met verhandelbare vergunningen kan staatssteun gemoeid zijn, met name wanneer lidstaten vergunningen en rechten onder de marktwaarde ervan toewijzen.

( 393 ) De punten 38 en 52 alsmede de voetnoten 39 en 45 van de richtsnoeren bieden nadere houvast over de vraag hoe het waarschijnlijke nulscenario moet worden ontwikkeld.

( 394 )  „Referentieproject” is gedefinieerd in punt 19, 63), van de richtsnoeren.

( 395 ) Indien u zich baseert op een recente concurrerende procedure, leg dan uit hoe die biedprocedure als concurrerend kan worden beschouwd, en hoe windfall profits zijn vermeden voor verschillende technologieën die in de concurrerende biedprocedure zijn opgenomen, indien van toepassing, en hoe deze procedure vergelijkbaar is, bijvoorbeeld:

i. 

Waren de voorwaarden (bv. voorwaarden en looptijd van het contract, investeringstermijnen, al dan niet voor inflatie geïndexeerde steunbetalingen) vergelijkbaar met die van de aangemelde maatregel?

ii. 

Vond de concurrerende procedure plaats onder vergelijkbare macro-economische omstandigheden?

iii. 

Waren de technologieën/projecttypen vergelijkbaar?

( 396 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 397 ) De analyse kan worden uitgevoerd op basis van ramingen van diverse factoren zoals de elasticiteit van productprijzen in de betrokken sector, of van ramingen van het omzetverlies en de gevolgen daarvan voor de winstgevendheid van de begunstigde.

( 398 ) Het feit dat het om vernieuwing gaat, kan bijvoorbeeld worden aangetoond op basis van een precieze beschrijving van de innovatie en van de marktsituatie vóór de invoering of verspreiding ervan, vergeleken met de processen of organisatietechnieken volgens de huidige stand van de techniek die doorgaans door andere ondernemingen in dezelfde bedrijfstak worden gebruikt.

( 399 ) Indien kwantitatieve parameters kunnen worden gebruikt voor de vergelijking van eco-innovatieve activiteiten met gewone, niet-innovatieve activiteiten, betekent „aanzienlijk hoger” dat de – in termen van lager milieurisico of geringere milieuvervuiling of verbeterde energie- of hulpbronnenefficiëntie – van eco-innovatieve activiteiten te verwachten marginale verbetering ten minste tweemaal zo groot moet zijn als de van de algemene evolutie van vergelijkbare niet-innovatieve activiteiten te verwachten marginale verbetering. Indien de voorgestelde aanpak niet geschikt is voor een bepaalde zaak, of indien geen kwantitatieve vergelijking mogelijk is, moet het aanvraagdossier voor staatssteun een gedetailleerde beschrijving bevatten van de methode die wordt gebruikt om dit criterium te toetsen, zodat een maatstaf is gegarandeerd die vergelijkbaar is met die van de voorgestelde methode.

( 400 ) De lidstaat zou dit risico bijvoorbeeld kunnen aantonen aan de hand van: de verhouding kosten/omzet van de onderneming, de vereiste ontwikkelingstijd, de van de eco-innovatieactiviteit verwachte baten ten opzichte van de kosten, en de kans op mislukking.

( 401 ) Voor meer informatie, zie de punten 51, 52 en 53 en de voetnoten 45 en 46 van de richtsnoeren.

( 402 ) In dat geval kunnen volgens punt 52 van de richtsnoeren de nettomeerkosten worden benaderd door de negatieve NPV van het project in het feitelijke scenario zonder steun over de levensduur van het project (dus in de impliciete aanname dat de NPV van het nulscenario nul is).

( 403 ) Voetnoot 44 van de richtsnoeren stelt:

„Bij de beoordeling van eenheden milieubescherming kunnen de lidstaten bijvoorbeeld een methode ontwikkelen waarbij rekening wordt gehouden met emissies of andere verontreiniging in verschillende fasen van de gesteunde economische activiteit, de tijd voor het realiseren van projecten of de kosten van systeemintegratie. Bij het relateren van de bijdrage tot de hoofddoelstellingen aan het gevraagde steunbedrag, kunnen de lidstaten bijvoorbeeld de verschillende objectieve criteria wegen en selecteren op basis van het steunbedrag per eenheid van het gewogen gemiddelde van de objectieve criteria, of uit een beperkt scala aan biedingen met het laagste steunbedrag per eenheid van de objectieve criteria de biedingen selecteren die het hoogst scoren op de objectieve criteria. De parameters van een dergelijke aanpak moeten worden gekalibreerd om ervoor te zorgen dat de biedprocedure niet-discriminerend en daadwerkelijk concurrerend blijft en de economische waarde weerspiegelt.”

( 404 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 405 ) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

( 406 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 407 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 408 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 409 ) De punten 38 en 52 alsmede de voetnoten 39 en 45 van de richtsnoeren bieden nadere houvast over de vraag hoe het waarschijnlijke nulscenario moet worden ontwikkeld.

( 410 )  „Referentieproject” is gedefinieerd in punt 19, 63), van de richtsnoeren.

( 411 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 412 ) Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56). Zie ook de mededeling van de Commissie „Richtsnoeren voor een gemeenschappelijke invulling van het begrip „milieuschade” zoals gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade” (PB C 118 van 7.4.2021, blz. 1).

( 413 ) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

( 414 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 415 ) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

( 416 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 417 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 418 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 419 ) Wanneer in deze subvraag naar een „heffing” wordt verwezen, worden daarmee ook milieubelastingen bedoeld.

( 420 ) Bijvoorbeeld door het standaardtarief dat met de kortingen zou worden toegepast, te vergelijken met het standaardtarief dat zonder de kortingen zou worden toegepast, het aantal ondernemingen dat in totaal aan de belasting of heffing onderworpen zou zijn of andere indicatoren die een daadwerkelijke verandering in milieuschadelijk gedrag weerspiegelen.

( 421 ) Dergelijke overeenkomsten of verbintenissen kunnen onder meer betrekking hebben op een verlaging van het energieverbruik, een reductie van emissies en andere verontreinigende stoffen, of een andere maatregel ten behoeve van milieubescherming.

( 422 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 423 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 424 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 425 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 426 ) De punten 38 en 52 alsmede de voetnoten 39 en 45 van de richtsnoeren bieden nadere houvast over de vraag hoe het waarschijnlijke nulscenario moet worden ontwikkeld.

( 427 )  „Referentieproject” is gedefinieerd in punt 19, 63), van de richtsnoeren.

( 428 ) Indien de maatregel bijvoorbeeld bestaat in een verlaging van de registratiebelasting op elektrische auto’s, zou de lidstaat eerst de winstgevendheid van het referentieproject (aankoop van een wagenpark van elektrische auto’s) en van het project in het nulscenario (bv. de aankoop van een wagenpark van benzineauto’s) moeten vergelijken, waarbij in beide scenario’s de normale registratiebelasting wordt toegepast. Vervolgens moet de lidstaat dan aantonen dat de verlaging van de registratiebelasting voor elektrische auto’s de begunstigde ertoe zou aanzetten het wagenpark van elektrische auto’s aan te schaffen door een vergelijking te maken tussen de winstgevendheid van het referentieproject met de belastingverlaging (d.w.z. de aankoop van een wagenpark elektrische auto’s met een verlaagde registratiebelasting) en de winstgevendheid van het project in het nulscenario (d.w.z. de aankoop van een wagenpark van benzineauto’s met toepassing van het normale tarief van de registratiebelasting). Een ander voorbeeld kan een maatregel zijn die bestaat in een extra aftrek van 40 % kosten van de belastbare inkomensgrondslag bovenop de normale fiscale afschrijving voor investeringen in milieuvriendelijke machines. In dat geval zou de lidstaat de winstgevendheid van het referentieproject (aankoop van milieuvriendelijke machines) moeten vergelijken met het project in het nulscenario (bv. aankoop van standaardmachines), waarbij in beide scenario’s de standaardafschrijvingsregels voor belastingdoeleinden en dezelfde afschrijvingsperiode worden toegepast. Vervolgens moet de lidstaat aantonen dat de extra verlaging van de investeringskosten van de milieuvriendelijke machines met 40 % uit de belastbare grondslag (dus in totaal 140 % van de kosten gedurende de levensduur van de machine) de begunstigde ertoe zou aanzetten deze duurdere versie te verwerven. Dit kan worden bereikt door een vergelijking te maken tussen de winstgevendheid van het referentieproject met de belastingkorting (d.w.z. het definitieve bedrag van de verschuldigde belasting na toepassing van de extra aftrek op de belastinggrondslag) en de winstgevendheid van het project in het nulscenario (d.w.z. het eindbedrag van de verschuldigde belasting na toepassing van de standaardafschrijvingsregels op de belastbare grondslag).

( 429 ) Zie de voorbeelden in voetnoot 6.

( 430 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 431 ) De terugbetalingstermijn is de tijd die nodig is om de kosten van een investering (zonder steun) terug te verdienen.

( 432 ) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

( 433 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 434 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 435 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 436 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 437 ) In voetnoot 42 van de richtsnoeren is bepaald dat minimum- en maximumprijzen die de concurrerende procedure beperken en de evenredigheid ondermijnen, zelfs als ze gelijk zijn aan nul, moeten worden vermeden.

( 438 ) Voor meer informatie, zie de punten 51, 52 en 53 en de voetnoten 45, 46 en 55 van de richtsnoeren.

( 439 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 440 ) Overeenkomstig artikel 367 van de richtsnoeren is een dergelijke kostentoerekening mogelijk niet vereist indien de lidstaat een analyse indient op basis van bewijs, met inbegrip van bewijs dat tijdens de publieke consultatie is verzameld, dat een dergelijke kostentoerekening de kosteneffectiviteit van de maatregel zou ondermijnen of tot ernstige concurrentieverstoringen zou leiden die de potentiële voordelen van een dergelijke kostentoerekening duidelijk zouden ondermijnen.

( 441 ) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

( 442 ) Overeenkomstig voetnoot 50 van de richtsnoeren wordt voor maatregelen die identiek zijn aan maatregelen in door de Raad goedgekeurde herstel- en veerkrachtplannen, ervan uitgegaan dat deze voldoen aan het beginsel „geen ernstige afbreuk doen”, aangezien dit reeds is geverifieerd.

( 443 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 444 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 445 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 446 ) Zie arrest van het Hof van Justitie van 13 juni 2013, HGA e.a./Commissie, C-630/11 P tot en met C-633/11 P, ECLI:EU:C:2013:387, punt 104.

( 447 ) Volgens punt 19, 63), van de richtsnoeren is „referentieproject” een voorbeeldproject dat representatief is voor het gemiddelde project in een categorie van voor een steunregeling in aanmerking komende begunstigden.

( 448 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 449 ) Volgens punt 51 van de richtsnoeren kunnen de typische nettomeerkosten worden geraamd als het verschil tussen de NPV voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario over de levensduur van het referentieproject.

( 450 ) Volgens voetnoot 46 van de richtsnoeren moeten alle desbetreffende verwachte kosten en baten voor de hele levensduur van het project in aanmerking worden genomen.

( 451 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 452 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 453 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 454 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 455 ) Zie arrest van het Hof van Justitie van 13 juni 2013, HGA e.a./Commissie, C-630/11 P tot en met C-633/11 P, ECLI:EU:C:2013:387, punt 104.

( 456 ) Volgens punt 19, 63), van de richtsnoeren is „referentieproject” een voorbeeldproject dat representatief is voor het gemiddelde project in een categorie van voor een steunregeling in aanmerking komende begunstigden.

( 457 ) Volgens punt 31 van de richtsnoeren kan in bepaalde uitzonderlijke omstandigheden steun zelfs voor projecten die vóór de steunaanvraag van start zijn gegaan, een stimulerend effect hebben. Meer bepaald wordt steun geacht een stimulerend effect te hebben in de volgende omstandigheden:

(a) 

de steun wordt automatisch toegekend in overeenstemming met de doelstelling en niet-discriminerende criteria en zonder dat de lidstaat nog enige beoordelingsbevoegdheid uitoefent, en de maatregel is goedgekeurd en is in werking getreden voordat de werkzaamheden aan het gesteunde project of de gesteunde activiteit zijn aangevangen, behalve in het geval van fiscale vervolgregelingen, wanneer de activiteit reeds onder de vroegere regelingen in de vorm van belastingvoordelen viel;

(b) 

de nationale autoriteiten hebben vóór de aanvang van de werkzaamheden een bericht bekendgemaakt van hun voornemen om, na goedkeuring van de maatregel door de Commissie zoals vereist door artikel 108, lid 3, van het Verdrag, de voorgenomen steunmaatregel in te stellen. Dat bericht moet beschikbaar worden gesteld op een publieke website of andere publiek toegankelijke media die even breed en gemakkelijk toegankelijk zijn, en duidelijk het type projecten vermelden dat volgens de voornemens van de lidstaat in aanmerking komt, en het tijdstip vanaf wanneer de lidstaat voornemens is dergelijke projecten als in aanmerking komend te beschouwen. De voorgenomen subsidiabiliteit mag niet nodeloos worden beperkt. De begunstigde moet de autoriteit die de steun toekent, vóór de aanvang van de werkzaamheden ervan in kennis hebben gesteld dat de voorgenomen steunmaatregel werd beschouwd als een voorwaarde voor het nemen van de investeringsbeslissingen. Indien de lidstaat van dit soort bericht gebruikmaakt om een stimulerend effect aan te tonen, moet hij, in het kader van zijn staatssteunaanmelding, een afschrift verschaffen van dat bericht en een link naar de website waarop dit werd bekendgemaakt, of het nodige bewijs van de beschikbaarheid ervan voor het publiek;

(c) 

exploitatiesteun voor bestaande installaties ten behoeve van milieuvriendelijke productie indien er geen „aanvang van de werkzaamheden” is omdat er geen aanzienlijke nieuwe investering is. In deze gevallen kan het stimulerende effect worden aangetoond door een verandering waarbij de installatie milieuvriendelijk wordt geëxploiteerd – in plaats van een alternatieve goedkopere vorm van exploitatie die minder milieuvriendelijk is.

( 458 ) Volgens punt 19, 89), van de richtsnoeren wordt onder „Unienorm” verstaan:

(a) 

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen;

(b) 

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze richtsnoeren; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

( 459 ) Volgens punt 51 van de richtsnoeren kunnen de typische nettomeerkosten worden geraamd als het verschil tussen de NPV voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario over de levensduur van het referentieproject.

( 460 ) Volgens voetnoot 45 van de richtsnoeren zal een nulscenario waarin als alternatief investerings-/exploitatiescenario een voortzetting op lange termijn van de huidige niet-duurzame activiteiten wordt voorgesteld, niet als realistisch worden beschouwd.

( 461 ) Volgens voetnoot 46 van de richtsnoeren moeten alle desbetreffende verwachte kosten en baten voor de hele levensduur van het project in aanmerking worden genomen.

( 462 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 463 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 464 ) De looptijd van een steunregeling is de periode waarin steun kan worden aangevraagd en waarin tot verlening van de steun kan worden besloten (dus met inbegrip van de tijd die de autoriteiten nodig hebben om de steunaanvragen goed te keuren). De in deze vraag bedoelde looptijd heeft geen betrekking op de looptijd van de in het kader van de steunregeling gesloten contracten, die na de looptijd van de maatregel kunnen voortduren.

( 465 ) Een wijziging van het werkelijke of het geraamde budget kan een wijziging van de steun inhouden, waarvoor een nieuwe aanmelding is vereist.

( 466 ) In de definitie van de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Unie („NACE rev. 2”-nomenclatuur), tot op een niveau van uitsplitsing van ten hoogste acht cijfers („Prodcom”-niveau).

( 467 ) Bijvoorbeeld gegevens die een significant percentage van de bruto toegevoegde waarde op EU-niveau van de betrokken sector of subsector bestrijken.

( 468 ) Centraal beheerde Uniefinanciering is centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Europese Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat.

( 469 ) Het model voor het formulier aanvullende informatie voor de aanmelding van een evaluatieplan (deel III.8) is hier te vinden: https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/legislation/forms-notifications-and-reporting_en#evaluation-plan.

( 470 ) Richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen (PB C 508 van 16.12.2021, blz. 1), beschikbaar op https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52021XC1216(04)

( 471 ) Zie deel 3 van dit formulier aanvullende informatie.

( 472 ) Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj). Zie afdeling 3 „Steun om kmo's toegang tot financiering te geven” en met name de artikelen 21, 21 bis, 22, 23 en 24.

( 473 ) Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj).

( 474 ) Mededeling van de Commissie betreffende het begrip „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB C 262 van 19.7.2016, blz. 1.).

( 475 ) Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6).

( 476 ) Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (PB C 155 van 20.6.2008, blz. 10).

( 477 ) Mededeling van de Commissie „Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden” ( PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

( 478 ) Volgens de richtsnoeren (punt 50) moet voor alle risicofinancieringsmaatregelen die moeten worden aangemeld een ex-antebeoordeling worden uitgevoerd en ingediend.

( 479 ) Volgens de richtsnoeren moet voor alle aan te melden risicofinancieringsmaatregelen een ex-antebeoordeling worden uitgevoerd en ingediend (punten 50 tot en met 56). In de richtsnoeren worden de basiselementen van die ex-antebeoordeling toegelicht (punten 61 tot en met 65 en punt 164).

( 480 ) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

( 481 ) Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159).

( 482 ) Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj).

( 483 ) Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 327 van 21.12.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2472/oj).

( 484 ) Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 327 van 21.12.2022, blz. 82, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2473/oj).

( 485 ) SWD(2014) 179 final van 28.5.2014.

( 486 ) Voorbeelden van door de steunregeling teweeggebrachte negatieve effecten zijn regionale of sectorale voorkeuren of verdringing van particuliere investeringen.

( 487 ) Steunregelingen in de zin van artikel 1, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 651/2014 zijn zes maanden na hun inwerkingtreding uitgesloten van het toepassingsgebied van de verordening. Na beoordeling van het evaluatieplan kan de Commissie besluiten om die verordening voor een langere periode op dit soort regeling toe te passen. De lidstaten moeten de beoogde looptijd van de regeling nauwkeurig aangeven.

( 488 ) Verwijs daarbij naar SWD(2014) 179 final van 28.5.2014.

( 489 ) Bij de evaluatie moet eventueel worden gewerkt met historische data en met data die, naarmate de steunregeling wordt uitgerold, geleidelijk beschikbaar komen. Geef de bronnen voor beide soorten informatie. Beide soorten data worden bij voorkeur uit dezelfde bron betrokken, zodat coherentie in de tijd gegarandeerd is.

( 490 )  PB C 485 van 21.12.2022, blz. 1.

( 491 ) Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2115/oj ).

( 492 ) Deze vereiste geldt niet in het geval van fiscale vervolgregelingen voor zover de activiteit al onder de voorgaande regelingen in de vorm van belastingvoordelen viel.

( 493 ) De netto contante waarde van een project is het verschil tussen de positieve en negatieve kasstromen gedurende de levensduur van de investering, contant gemaakt (doorgaans op basis van de kapitaalkosten).

( 494 ) De interne opbrengstvoet is niet gebaseerd op het boekhoudkundige rendement in een bepaald jaar, maar houdt rekening met de toekomstige kasstromen die de investeerder verwacht te ontvangen over de hele levensduur van de investering. Deze opbrengstvoet wordt omschreven als de disconteringsvoet waarbij de netto contante waarde van de kasstromen nul is.

( 495 ) Krachtens artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 gaat het bij landbouwproducten om de in bijlage I bij de Verdragen vermelde producten, met uitzondering van de visserij- en de aquacultuurproducten die zijn vermeld in de wetgevingshandelingen van de Unie houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten.

( 496 EUR-Lex - 32021R1060 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 497 ) Bij het vergelijken van nulscenario’s moet de steun met dezelfde factor worden verdisconteerd als de bijbehorende investerings- en nulscenario’s.

( 498 )  „State Aid Transparency — publieke zoekpagina”, beschikbaar via: https://webgate.ec.europa.eu/competition/transparency/public?lang=nl.

( 499 ) Deze informatie moet worden bekendgemaakt binnen zes maanden vanaf de datum van de toekenning van de steun (of, voor steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar vanaf de datum van de belastingaangifte). In het geval van onrechtmatige steun zullen de lidstaten ervoor moeten zorgen dat deze informatie achteraf wordt bekendgemaakt, uiterlijk zes maanden vanaf de datum van het besluit van de Commissie. De informatie moet beschikbaar worden gesteld in een formaat waarmee de gegevens kunnen worden doorzocht, geëxtraheerd en gemakkelijk op internet kunnen worden bekendgemaakt, bv. in CSV- of XML-formaat.

( 500 ) De steun kan op meer dan een markt van invloed zijn, omdat de gevolgen ervan mogelijkerwijs niet beperkt zijn tot de markt die overeenstemt met de gesteunde activiteit, maar zich ook kunnen uitstrekken tot andere markten die met die markt verbonden zijn omdat zij upstream, downstream of complementair zijn, of omdat de begunstigde er reeds op aanwezig is of dat in de nabije toekomst zou kunnen zijn.

( 501 ) Voor investeringsprojecten die de productie van meerdere, uiteenlopende producten betreffen, moet elk van deze producten worden beoordeeld.

( 502 EUR-Lex - 32020R0852 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 503 EUR-Lex - 32013R1308 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 504 EUR-Lex - 32018L2001 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 505 EUR-Lex - 52022XC0218(03) - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 506 EUR-Lex - 02014R0651-20170710 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 507 EUR-Lex - 32016R1012 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 508 EUR-Lex - 32000L0060 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 509 EUR-Lex - 32020R0741 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 510 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 511 EUR-Lex - 32013R1308 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 512 EUR-Lex - 32013R1308 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 513 EUR-Lex - 32014R0651 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 514 EUR-Lex - 52021XC0429(01) - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 515 EUR-Lex - 32006R1627 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 516 EUR-Lex - 32013R1308 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 517 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 518 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 519 EUR-Lex - 31992L0043 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 520 EUR-Lex - 32009L0147 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 521 EUR-Lex - 32000L0060 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 522 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 523 EUR-Lex - 32013R1305 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 524 EUR-Lex - 32018R0848 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 525 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 526 )  Mededeling van de Commissie — EU-richtsnoeren betreffende de beste praktijken voor vrijwillige certificeringsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (europa.eu)

( 527 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 528 EUR-Lex - 32000L0060 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 529 EUR-Lex - 01992L0043-20130701 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 530 EUR-Lex - 32009L0147 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 531 EUR-Lex - 32008L0050 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 532 EUR-Lex - 32016L2284 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 533 EUR-Lex - 32016R2031 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 534 EUR-Lex - 32009R1107 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 535 EUR-Lex - 32009L0128 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 536 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 537 ) Dit betreft samenwerking op het gebied van de productie, op het landbouwbedrijf, van energie uit hernieuwbare bronnen of van biobrandstoffen, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van deel II, afdeling 1.1.1.1, van de richtsnoeren.

( 538 EUR-Lex - 32021R1060 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 539 EUR-Lex - 32016R2031 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 540 EUR-Lex - 32014R1143 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 541 EUR-Lex - 32009L0128 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 542 EUR-Lex - 32009R1107 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 543 EUR-Lex - 32016R0429 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 544 EUR-Lex - 32021R0690 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 545 ) Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1).

( 546 ) Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

( 547 EUR-Lex - 32014R1144 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 548 EUR-Lex - 32011R1169 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 549 EUR-Lex - 32012R1151 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 550 ) Alleen maatregelen die voldoen aan de definitie van staatssteun en aan de regels voor de interpretatie van die definitie in de mededeling van de Commissie betreffende het begrip „staatssteun”, hoeven te worden aangemeld. Als u niet zeker bent of een maatregel aan de voorwaarden inzake staatssteun voldoet, kunt u die ter toetsing aan de Europese Commissie voorleggen. De bosbouwmaatregelen in Verordening (EU) nr. 1305/2013 worden in de regel geacht aan alle criteria inzake staatssteun te voldoen.

( 551 ) Deze vereiste geldt niet voor steun die wordt toegekend in het kader van een strategisch plan overeenkomstig Verordening (EU) 2021/2115.

( 552 ) Deze vereiste geldt niet voor steun die wordt toegekend in het kader van een strategisch plan overeenkomstig Verordening (EU) 2021/2115.

( 553 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 554 EUR-Lex - C:2022:080:TOC - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 555 ) Aangenomen door de Ministeriële Conferentie over de bescherming van de bossen in Europa op 12-13 november 2008 (https://foresteurope.org/wp-content/uploads/2016/08/Pan-EuropeanAfforestationReforestationGuidelines.pdf).

( 556 EUR-Lex - 31992L0043 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 557 EUR-Lex - 32009L0147 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 558 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 559 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 560 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 561 EUR-Lex - 31992L0043 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 562 EUR-Lex - 32009L0147 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 563 EUR-Lex - 32000L0060 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 564 EUR-Lex - 32021R2115 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 565 EUR-Lex - 32021R1060 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 566 EUR-Lex - 32009L0128 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 567 EUR-Lex - 32009R1107 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 568 EUR-Lex - 31992L0043 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 569 EUR-Lex - 32009L0147 - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 570 EUR-Lex - C:2022:080:TOC - NL - EUR-Lex (europa.eu)

( 571 )  PB C 319 van 27.12.2006, blz. 1.

( 572 ) Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).

( 573 )  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.

( 574 ) Verordening (EG) nr. 2702/1999 van de Raad van 14 december 1999 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten in derde landen (PB L 327 van 21.12.1999, blz. 7).

( 575 ) Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51).

( 576 )  PB C 319 van 27.12.2006, blz. 1.

( 577 ) Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).

( 578 ) Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen (PB C 99 van 4.4.2014, blz. 3).

( 579 ) De kosten met betrekking tot investeringen in luchthaveninfrastructuur, met inbegrip van plankosten, grondafhandelingsinfrastructuur (zoals transportbanden voor bagage enz.) en luchthavenuitrusting kunnen voor investeringssteun aan luchthavens in aanmerking komen. Kosten voor investeringen in niet-luchtvaartgebonden activiteiten (met name parkeerruimten en parkeergarages, hotels, restaurants en kantoren) komen niet in aanmerking. De investeringskosten met betrekking tot het verrichten van grondafhandelingsdiensten (zoals bussen, voertuigen enz.) komen niet in aanmerking voor zover zij geen onderdeel zijn van de grondafhandelingsinfrastructuur.

( 580 ) Met „verzorgingsgebied van een luchthaven” wordt een afgebakende geografische markt bedoeld die doorgaans wordt vastgesteld op rond 100 km of een reistijd van 60 minuten met de auto, bus, trein of hogesnelheidstrein. Het verzorgingsgebied van een bepaalde luchthaven kan hiervan echter verschillen en er moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van iedere afzonderlijke luchthaven. De omvang en de vorm van het verzorgingsgebied verschilt van luchthaven tot luchthaven en is afhankelijk van de uiteenlopende kenmerken van de luchthaven, o.m. haar bedrijfsmodel, locatie en de luchtverbindingen die zij bedient.

( 581 ) Gebruik daarbij de volgende indeling: luchthavens met een jaarlijkse passagiersstroom tot 200 000 passagiers; luchthavens met een jaarlijkse passagiersstroom tussen 200 000 en 1 miljoen passagiers; luchthavens met een jaarlijkse passagiersstroom tussen 1 en 3 miljoen passagiers.

( 582 ) Bijv. rechtstreekse subsidies, vrijstellingen of verlagingen van belastingen, socialezekerheidsbijdragen of andere verplichte bijdragen, of de terbeschikkingstelling van gronden, goederen of diensten tegen voordelige prijzen.

( 583 ) Bijv. leningen tegen verlaagde rente of met rentesubsidie, overheidsgaranties, de verwerving van een belang of een andere vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden.

( 584 ) De „financieringskloof voor de kapitaalkosten” is de netto constante waarde van het verschil tussen de positieve en negatieve kasstromen (met inbegrip van investeringskosten in vaste activa) gedurende de levensduur van de investering.

( 585 ) Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen (PB C 99 van 4.4.2014, blz. 3).

( 586 ) Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen (PB C 99 van 4.4.2014, blz. 3).

( 587 ) Met „financieringskloof voor de exploitatiekosten” worden de exploitatietekorten van een luchthaven bedoeld over de betrokken periode, contant gemaakt op basis van de kapitaalkosten, d.w.z. het verschil (in netto contante waarde) tussen de inkomsten en de exploitatiekosten van de luchthaven.

( 588 ) Balans, resultatenrekening, verklaring van de accountant of het auditbureau.

( 589 ) Luchthavendiensten zijn diensten die een luchthaven of een van haar dochterondernemingen verleent om de afhandeling te verzorgen van vliegtuigen (van landing tot start) en van passagiers en vracht, zodat luchtvaartmaatschappijen luchtvervoersdiensten kunnen aanbieden, met inbegrip van het verrichten van grondafhandelingsdiensten en het beschikbaar stellen van gecentraliseerde grondafhandelingsinfrastructuur.

( 590 ) Exploitatiekosten zijn de onderliggende kosten van een luchthaven ten aanzien van het verrichten van luchthavendiensten, die kostencategorieën omvatten zoals personeelskosten, kosten van uitbestede diensten, communicatie, afvalinzameling, energie, onderhoud, huur en administratie, maar met uitsluiting van de kapitaalkosten, marketingsteun of andere stimuleringsregelingen die de luchthaven aan luchtvaartmaatschappijen geeft, en kosten van taken die tot de overheidstaken behoren.

( 591 ) Met „verzorgingsgebied van een luchthaven” wordt een afgebakende geografische markt bedoeld die doorgaans wordt vastgesteld op ongeveer 100 kilometer of een reistijd van 60 minuten met de auto, bus, trein of hogesnelheidstrein. Het verzorgingsgebied van een bepaalde luchthaven kan hiervan echter verschillen en er moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van iedere afzonderlijke luchthaven. De omvang en de vorm van het verzorgingsgebied verschilt van luchthaven tot luchthaven en is afhankelijk van de uiteenlopende kenmerken van de luchthaven, o.m. haar bedrijfsmodel, locatie en de luchtverbindingen die zij bedient.

( 592 ) Bijvoorbeeld rechtstreekse subsidies, vrijstellingen of verlagingen van belastingen, socialezekerheidsbijdragen of andere verplichte bijdragen, of de terbeschikkingstelling van gronden, goederen of diensten tegen voordelige prijzen.

( 593 ) Bijvoorbeeld leningen tegen verlaagde rente of met rentesubsidie, overheidsgaranties, de verwerving van een belang of een andere vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden.

( 594 ) Met „financieringskloof voor de exploitatiekosten” worden de exploitatietekorten van een luchthaven bedoeld over de betrokken periode, contant gemaakt op basis van de kapitaalkosten, d.w.z. het verschil (in netto contante waarde) tussen de inkomsten en de exploitatiekosten van de luchthaven.

( 595 ) Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen (PB C 99 van 4.4.2014, blz. 3).

( 596 )  „Hogesnelheidstreindienst” betekent een dienst verzorgd door treinen die snelheden van meer dan 200 km/u kunnen halen.

( 597 ) Met „verzorgingsgebied van een luchthaven” wordt een afgebakende geografische markt bedoeld die doorgaans wordt vastgesteld op rond 100 km of een reistijd van 60 minuten met de auto, bus, trein of hogesnelheidstrein. Het verzorgingsgebied van een bepaalde luchthaven kan hiervan echter verschillen en er moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van iedere afzonderlijke luchthaven. De omvang en de vorm van het verzorgingsgebied verschilt van luchthaven tot luchthaven en is afhankelijk van de uiteenlopende kenmerken van de luchthaven, o.m. haar bedrijfsmodel, locatie en de luchtverbindingen die zij bedient.

( 598 ) Het daadwerkelijke gemiddelde aantal passagiers per jaar gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun is aangemeld of, in het geval van niet-aangemelde steun, daadwerkelijk is uitgekeerd. In het geval van een nieuw gebouwde passagiersluchthaven dient het verwachte gemiddelde aantal passagiers gedurende de twee boekjaren na de aanvang van de exploitatie van commercieel reizigersverkeer in aanmerking te worden genomen. Voor die drempels moet worden gerekend met enkele reizen (trajecten). Dit betekent dat een passagier die van en naar de luchthaven vliegt, tweemaal moet worden geteld. De telling betreft afzonderlijke verbindingen.

( 599 ) Besluit 2006/682/EG van de Raad en van de vertegenwoordigers van de lidstaten van de Europese Unie in het kader van de Raad bijeen van 9 juni 2006 inzake de ondertekening en voorlopige toepassing van de Multilaterale Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, Roemenië, de Republiek Servië en de Missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo (UNMIK) betreffende de totstandbrenging van een Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte (ECAA) (PB L 285 van 16.10.2006, blz. 1).

( 600 ) Bijv. leningen tegen verlaagde rente of met rentesubsidie, overheidsgaranties, de verwerving van een belang of een andere vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden.

( 601 ) De in aanmerking komende kosten zijn de luchthavengelden voor de verbinding.

( 602 ) Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen (PB C 99 van 4.4.2014, blz. 3).

( 603 ) Wanneer de betrokken verbinding afgelegen gebieden, zoals ultraperifere gebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden, met elkaar verbindt, kan de steun gelden voor de hele bevolking van dat gebied.

( 604 ) Zoals ultraperifere gebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden.

( 605 ) Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer (PB C 13 van 17.1.2004, blz. 3).

( 606 ) Mededeling van de Commissie, Richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector 2023/C 107/01 (PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1).

( 607 )  „Grote ondernemingen”: ondernemingen die niet voldoen aan de criteria van bijlage I bij Verordening (EU) 2022/2473 (PB L 327 van 21.12.2022, blz. 82).

( 608 ) Deze vereiste geldt niet voor fiscale vervolgregelingen voor zover de activiteit al onder voorafgaande regelingen in de vorm van belastingvoordelen viel.

( 609 ) De NPV van een project is het verschil tussen de positieve en negatieve kasstromen gedurende de levensduur van de investering, contant gemaakt (doorgaans op basis van de kapitaalkosten).

( 610 ) De IRR berust niet op de boekhoudkundige opbrengsten in een bepaald jaar, maar op de toekomstige kasstromen die de investeerder verwacht over de hele levensduur van de investering. Deze opbrengstvoet wordt omschreven als de disconteringsvoet waarbij de NPV van de kasstromen nul is.

( 611 ) Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde of ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1224/oj).

( 612 ) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

( 613 ) Bijvoorbeeld vissen zonder geldige visvergunning, vissen in een gesloten gebied, tijdens een gesloten seizoen, zonder quotum of na volledige benutting van een quotum, vissen beneden een gestelde dieptegrens, vissen op een bestand waarvoor een moratorium of een visverbod geldt, gebruikmaken van vistuig dat verboden of niet conform de voorschriften is, vissen in het gebied van een regionale visserijorganisatie op een wijze die onverenigbaar is met of indruist tegen de instandhoudings- en beheersmaatregelen van die organisatie enz.

( 614 ) Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1379/oj).

( 615 ) Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PB L 247 van 13.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1139/oj).

( 616 ) Bijvoorbeeld leningen tegen verlaagde rente of met rentesubsidie, overheidsgaranties of een andere vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden.

( 617 ) Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 327 van 21.12.2022, blz. 82, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2473/oj).

( 618 ) Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1060/oj).

( 619 ) Bij het vergelijken van nulscenario’s moet de steun met dezelfde factor worden verdisconteerd als de bijbehorende investerings- en nulscenario’s.

( 620 )  „State Aid Transparency” - publieke zoekpagina, te vinden op: https://webgate.ec.europa.eu/competition/transparency/public.

( 621 ) Deze informatie moet worden gepubliceerd binnen zes maanden na de datum van toekenning van de steun (of, bij steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar na de datum van de belastingaangifte). In het geval van onrechtmatige steun moeten de lidstaten ervoor zorgen dat deze informatie achteraf wordt gepubliceerd, en wel uiterlijk zes maanden na de datum van het besluit van de Commissie. Deze informatie moet beschikbaar worden gesteld in een formaat waarmee de gegevens kunnen worden doorzocht, geëxtraheerd en gemakkelijk op internet kunnen worden gepubliceerd, bv. in CSV- of XML-formaat.

( 622 ) Een aantal markten kan door de steun worden geraakt omdat de gevolgen van de steun mogelijkerwijs niet beperkt blijven tot de markt van de gesteunde activiteit, maar zich ook kunnen uitstrekken tot andere markten die met die markt zijn verbonden omdat ze upstream, downstream of complementair zijn of omdat de begunstigde al op die markten aanwezig is of deze misschien in de nabije toekomst betreedt.

( 623 ) Voor investeringsprojecten die de productie van meerdere, uiteenlopende producten betreffen, moet elk van deze producten worden beoordeeld.

( 624 ) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

( 625 ) Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

( 626 ) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

( 627 ) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

( 628 ) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

( 629 ) Richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu (PB L 155 van 12.6.2019, blz. 1).

( 630 ) Richtlijnen 92/43/EEG (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7) en 2009/147/EG (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

( 631 ) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

( 632 ) Als bepaald in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/ EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/27/oj).

( 633 ) Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1379/oj).

( 634 ) Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/99/oj).

( 635 ) Mededeling van de Commissie — Criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid van individueel aan te melden staatssteun ten behoeve van opleiding (PB C 188 van 11.8.2009, blz. 1).

( 636 ) Mededeling van de Commissie – Richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen (PB C 508 van 16.12.2021, blz. 1).

( 637 ) Mededeling van de Commissie – Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PB C 414 van 28.10.2022, blz. 1).

( 638 ) Mededeling van de Commissie – Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (PB C 80 van 18.2.2022, blz. 1).

( 639 ) Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

( 640 ) Mededeling van de Commissie — EU-richtsnoeren voor de toepassing van de staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van breedbandnetwerken (PB C 25 van 26.1.2013, blz. 1).

( 641 ) Mededeling van de Commissie — Criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid van individueel aan te melden staatssteun voor de indienstneming van kwetsbare en gehandicapte werknemers (PB C 188 van 11.8.2009, blz. 6).

( 642 ) Mededeling van de Commissie – Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (PB C 153 van 29.4.2021, blz. 1).

( 643 ) Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/oj).

( 644 ) Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

( 645 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 646 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 647 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 648 ) Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid („diergezondheidswetgeving”) (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1).

( 649 ) Zie https://www.oie.int/en/what-we-do/standards/codes-and-manuals/aquatic-code-online-access/.

( 650 ) Verordening (EU) 2021/690 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van een programma voor de interne markt, het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, het gebied van planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, en Europese statistieken (programma voor de interne markt), en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 99/2013, (EU) nr. 1287/2013, (EU) nr. 254/2014, en (EU) nr. 652/2014 (PB L 153 van 3.5.2021, blz. 1).

( 651 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 652 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 653 ) Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (voor de EER relevante tekst) (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

( 654 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 655 ) Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1972 van de Commissie van 11 augustus 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 door de vaststelling van de criteria voor de berekening van de extra kosten van de marktdeelnemers voor het vissen, het kweken, de verwerking en de afzet van bepaalde visserij- en aquacultuurproducten uit de ultraperifere gebieden (PB L 402 van 15.11.2021, blz. 1).

( 656 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 657 ) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

( 658 ) Zie de punten 225 - 227 van de richtsnoeren, waarin de opeenvolgende elementen worden beschreven van het nationaal verslag van jaar N en de door de Commissie uiterlijk op 31 maart van jaar N+1 te ondernemen actie en de periode van de steunverlening.

( 659 ) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad: Richtsnoeren voor de analyse van het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden volgens artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2014) 545 final).

( 660 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 661 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 662 ) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

( 663 ) Zie de punten 225 en 226 van de richtsnoeren, waarin de opeenvolgende elementen worden beschreven van het nationaal verslag van jaar N en de door de Commissie uiterlijk op 31 maart van jaar N+1 te ondernemen actie.

( 664 ) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad: Richtsnoeren voor de analyse van het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden volgens artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2014) 545 final).

( 665 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 666 ) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

( 667 ) Zie de punten 225 en 226 van de richtsnoeren, waarin de opeenvolgende elementen worden beschreven van het nationaal verslag van jaar N en de door de Commissie uiterlijk op 31 maart van jaar N+1 te ondernemen actie.

( 668 ) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad: Richtsnoeren voor de analyse van het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden volgens artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2014) 545 final).

( 669 ) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/46 van de Commissie van 13 januari 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 wat betreft de identificatie van energie-efficiënte technologieën en de omschrijving van de methodologische elementen voor het bepalen van de normale visserijinspanning van vissersvaartuigen (PB L 9 van 14.1.2022, blz. 27).

( 670 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 671 ) Zie de punten 225 en 226 van de richtsnoeren, waarin de opeenvolgende elementen worden beschreven van het nationaal verslag van jaar N en de door de Commissie uiterlijk op 31 maart van jaar N+1 te ondernemen actie.

( 672 ) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad: Richtsnoeren voor de analyse van het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden volgens artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2014) 545 final).

( 673 ) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

( 674 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 675 ) Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PB L 247 van 13.7.2021, blz. 1).

( 676 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 677 ) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

( 678 ) Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PB L 247 van 13.7.2021, blz. 1).

( 679 )  PB C 107 van 23.3.2023, blz. 1.

( 680 ) t is het jaar waarin de gegevens worden gevraagd.

( 681 ) NACE rev.2.1 is de statistische classificatie van economische activiteiten in de Europese Unie.

( 682 ) NUTS is de nomenclatuur van territoriale eenheden voor statistische doeleinden in de Europese Unie.

( 683 )  PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/1589/oj.

( 684 ) Houd er rekening mee dat het verzoek tot interne evaluatie door de niet-gouvernementele organisatie moet worden ingediend binnen acht weken na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van het staatssteunbesluit van de Commissie dat het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot evaluatie.

( 685 ) Zie onder meer het arrest van het Hof van 22 maart 1977, Iannelli / Meroni, 74/76, EU:C:1977:51, punt 14: „ Overwegende dat er een dermate nauw verband kan bestaan tussen enerzijds het doel van een steunmaatregel en anderzijds bepaalde uitvoeringsvoorschriften ervan die met bijzondere verdragsbepalingen (...) in strijd zijn, dat een afzonderlijke beoordeling van die voorschriften niet mogelijk is en ter beoordeling van hun consequenties voor de verenigbaarheid van de steunmaatregel in zijn geheel noodzakelijkerwijze de procedure van artikel 93 moet worden gevolgd.”

( 686 ) Dit heeft betrekking op de naam, het postadres en de identiteit van de ngo(‘s) die het verzoek indient (indienen), en niet van de wettelijke vertegenwoordiger.