Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018R0848

Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad

PE/62/2017/REV/1

OJ L 150, 14.6.2018, p. 1–92 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/848/oj

14.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/1


VERORDENING (EU) 2018/848 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 30 mei 2018

inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De biologische productie is een alomvattend systeem om landbouwbedrijven te beheren en levensmiddelen te produceren volgens een methode die de beste milieu- en klimaatactiepraktijken, een hoog biodiversiteitsniveau, de instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en de toepassing van strenge normen op het gebied van dierenwelzijn en productie combineert en is afgestemd op de vraag van een toenemend aantal consumenten naar producten die worden vervaardigd met natuurlijke stoffen en processen. De biologische productie speelt aldus een tweeledige rol in de samenleving, enerzijds als leverancier aan een specifieke markt die inspeelt op de vraag van de consument naar biologische producten, en anderzijds als leverancier van voor het algemene publiek beschikbare goederen die bijdragen tot de bescherming van het milieu en het dierenwelzijn, alsmede tot de plattelandsontwikkeling.

(2)

Biologische producten ontlenen hun hoge kwaliteit aan de inachtneming van strenge normen voor gezondheid, milieu en dierenwelzijn bij de vervaardiging van deze producten. Zoals wordt onderstreept in de mededeling van de Commissie van 28 mei 2009 over het kwaliteitsbeleid ten aanzien van landbouwproducten maakt de regeling inzake de biologische productie deel uit van de kwaliteitsregelingen van de Unie voor landbouwproducten, samen met de regelingen betreffende geografische aanduidingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (4) en producten uit ultraperifere gebieden van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5). In die zin worden met de biologische productie in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) dezelfde doelstellingen nagestreefd als met alle kwaliteitsregelingen van de Unie voor landbouwproducten.

(3)

De inbedding van de doelstellingen van het beleid inzake de biologische productie in de GLB-doelstellingen houdt met name in dat landbouwers een billijke prijs moeten krijgen voor de naleving van de biologische-productievoorschriften. Bovendien creëert de toenemende vraag van de consument naar biologische producten de voorwaarden voor een verdere ontwikkeling en expansie van de markt voor deze producten en bijgevolg voor een hogere vergoeding voor biologisch producerende landbouwers.

(4)

Voorts draagt het biologische productiesysteem bij tot de integratie van milieubeschermingsvoorschriften in het GLB en bevordert het de duurzame landbouwproductie. Daarom zijn in het kader van het GLB, met name bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6), maatregelen voor de financiële ondersteuning van de biologische productie ingevoerd en nog versterkt bij met name de hervorming van het rechtskader voor het plattelandsontwikkelingsbeleid, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(5)

De biologische productie draagt tevens bij aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het milieubeleid van de Unie, met name die welke zijn neergelegd in de mededelingen van de Commissie van 22 september 2006, getiteld „Thematische strategie voor bodembescherming”, van 3 mei 2011, getiteld „Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU biodiversiteitsstrategie voor 2020”, en van 6 mei 2013, getiteld „Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal”, en in milieuwetgeving zoals Richtlijnen 2000/60/EG (8), 2001/81/EG (9), 2009/128/EG (10) en 2009/147/EG (11) van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 91/676/EEG (12) en 92/43/EEG (13) van de Raad.

(6)

Met het oog op de doelstellingen van het Uniebeleid inzake de biologische productie moet het rechtskader voor de uitvoering van dat beleid gericht zijn op het verzekeren van eerlijke concurrentie en de goede werking van de interne markt voor biologische producten, alsmede op het behouden en onderbouwen van het vertrouwen van de consument in als biologisch geëtiketteerde producten en op het creëren van omstandigheden waarin het beleid verder kan evolueren in overeenstemming met de productie- en marktontwikkelingen.

(7)

Tot de beleidsprioriteiten van de Europa 2020-strategie die zijn vastgesteld in de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” behoort de ontwikkeling van een op kennis en innovatie gebaseerde concurrerende economie, de bevordering van een economie met veel werkgelegenheid en sociale en territoriale cohesie en de ondersteuning van de overschakeling naar een koolstofarme economie die efficiënt met hulpbronnen omgaat. Het beleid inzake de biologische productie moet de exploitanten daarom de juiste instrumenten ter hand stellen om de herkenbaarheid en de afzet van hun producten te bevorderen en daarbij die exploitanten tegen oneerlijke praktijken te beschermen.

(8)

De biologische landbouwsector in de Unie heeft zich de voorbije jaren snel ontwikkeld, niet alleen wat de oppervlakte betreft die voor biologische landbouw wordt gebruikt, maar ook wat het aantal bedrijven betreft en het totale aantal biologische exploitanten die in de Unie zijn geregistreerd.

(9)

Gezien de dynamische evolutie van de biologische sector werd in Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (14) bepaald dat de voorschriften van de Unie inzake de biologische productie in de toekomst moesten worden geëvalueerd rekening houdend met de ervaring die met de toepassing ervan was opgedaan. Uit deze door de Commissie verrichte evaluatie blijkt dat het rechtskader van de Unie voor de biologische productie moet worden verbeterd aan de hand van voorschriften die aansluiten op de hoge verwachtingen van de consument en die voldoende duidelijk zijn voor de partijen waarvoor zij zijn bestemd. Verordening (EG) nr. 834/2007 moet derhalve worden ingetrokken en door een nieuwe verordening worden vervangen.

(10)

Uit de ervaring die tot dusverre met de toepassing van Verordening (EG) nr. 834/2007 is opgedaan, blijkt dat duidelijk gemaakt moet worden op welke producten deze verordening van toepassing is. In de eerste plaats moeten de in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vermelde producten van de landbouw, inclusief aquacultuur en bijenteelt, eronder vallen. Voorts moet de verordening van toepassing zijn op verwerkte landbouwproducten voor gebruik als levensmiddel of diervoeder, omdat het in de handel brengen van dergelijke producten als „biologisch” een zeer belangrijke afzetmogelijkheid voor landbouwproducten biedt en voor de consument zichtbaar maakt dat deze producten vervaardigd zijn met biologische landbouwproducten. Bovendien moet deze verordening tevens van toepassing zijn op bepaalde andere producten die net als verwerkte landbouwproducten voor gebruik als levensmiddelen of diervoeder een nauwe band met landbouwproducten hebben, en wel omdat die andere producten hetzij een belangrijke afzetmarkt voor landbouwproducten vertegenwoordigen, hetzij integraal deel uitmaken van het productieproces. Tot slot moeten zeezout en andere voor levensmiddelen en diervoeder gebruikte zouten binnen het toepassingsgebied van deze verordening worden gebracht, omdat zij aan de hand van natuurlijke productietechnieken kunnen worden geproduceerd en omdat de productie ervan bijdraagt tot de ontwikkeling van plattelandsgebieden, en dus in overeenstemming is met de doelstellingen van deze verordening. Omwille van de duidelijkheid moeten zulke andere producten, die niet in bijlage I bij het VWEU worden vermeld, in een bijlage bij deze verordening worden opgenomen.

(11)

Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (15). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden.

(12)

Om rekening te houden met nieuwe productiemethoden, nieuwe productiematerialen of internationale verbintenissen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen met het oog op de uitbreiding van de lijst van andere, binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende producten die nauw verband houden met de landbouw.

(13)

Producten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen maar afkomstig zijn van jacht of visserij op in het wild levende dieren, mogen niet als biologische producten worden beschouwd, aangezien hun productieproces niet volledig kan worden gecontroleerd.

(14)

Omdat grootkeukendiensten per definitie lokaal van aard zijn, worden maatregelen die door de lidstaten of in het kader van particuliere regelingen op dit gebied worden genomen, als adequaat beschouwd om de werking van de eengemaakte markt te garanderen. Voedsel dat door grootkeukens in hun eigen bedrijfsruimten wordt bereid, dient derhalve niet onder deze verordening te vallen en het logo voor de biologische productie van de Europese Unie mag derhalve niet op etiketten of in reclame voor dit voedsel worden gebruikt.

(15)

Uit onderzoeksprojecten is naar voren gekomen dat het vertrouwen van de consument van essentieel belang is op de markt voor biologische levensmiddelen. Op de lange termijn kunnen onbetrouwbare voorschriften het vertrouwen van het publiek schade toebrengen en tot marktfalen leiden. Daarom moet de duurzame ontwikkeling van de biologische productie in de Unie gebaseerd zijn op gedegen productievoorschriften die op Unieniveau zijn geharmoniseerd en die tegemoetkomen aan de verwachtingen die exploitanten en consumenten hebben ten aanzien van de kwaliteit van biologische producten en naleving van de in deze verordening vastgestelde beginselen en voorschriften.

(16)

Deze verordening moet van toepassing zijn onverminderd gerelateerde wetgeving, met name op het gebied van veiligheid van de voedselketen, gezondheid en welzijn van de dieren, gezondheid van planten, plantaardig teeltmateriaal, etikettering en milieu.

(17)

Deze verordening moet de basis vormen voor de duurzame ontwikkeling van de biologische productie en de positieve effecten ervan op het milieu, terwijl tegelijk wordt gezorgd voor de doeltreffende werking van de interne markt in biologische producten en voor eerlijke concurrentie, zodat landbouwers worden geholpen een redelijk inkomen te verwerven, het vertrouwen van de consument wordt verzekerd, de belangen van de consument worden beschermd en korte distributiekanalen en lokale productie worden aangemoedigd. Deze doelstellingen moeten worden verwezenlijkt door algemene en specifieke beginselen en algemene en gedetailleerde productievoorschriften inzake biologische productie in acht te nemen.

(18)

In het licht van de specifieke kenmerken van de biologische productiesystemen, moet bij het selecteren van plantenrassen worden gelet op agronomische prestaties, genetische diversiteit, ziekteresistentie, levensduur en aanpassing aan plaatselijke bodem- en klimaatomstandigheden, en moeten natuurlijke kruisingsbeperkingen worden geëerbiedigd.

(19)

Het risico dat biologische-productievoorschriften niet worden nageleefd, wordt hoger ingeschat bij landbouwbedrijven met eenheden die niet volgens die voorschriften worden beheerd. Daarom moeten alle landbouwbedrijven in de Unie die biologisch willen worden, na een passende omschakelingsperiode volledig worden beheerd overeenkomstig de voorschriften voor de biologische productie. Bedrijven met zowel eenheden die volgens biologischeproductievoorschriften worden beheerd als eenheden die volgens voorschriften inzake niet-biologische productie worden beheerd, moeten echter worden toegelaten onder bepaalde voorwaarden, zoals met name de voorwaarde van een duidelijke en doeltreffende scheiding tussen biologische productie-eenheden, productie-eenheden in omschakeling en niet-biologische productie-eenheden, en tussen de door die eenheden geproduceerde producten.

(20)

Aangezien het gebruik van externe productiemiddelen bij de biologische productie moet worden beperkt, moeten bepaalde doelen worden vastgelegd met betrekking tot welke producten en stoffen vaak bij de productie van landbouwproducten of verwerkte landbouwproducten worden gebruikt. Bij normaal gebruik voor die doelen mogen producten of stoffen alleen worden gebruikt mits zij overeenkomstig deze verordening zijn toegelaten. Dergelijke toelating mag echter slechts gelden zolang het gebruik van zulke externe productiemiddelen in de niet-biologische productie niet bij Unierecht of op Unierecht gebaseerd nationaal recht is verboden. Het gebruik van producten of stoffen die in gewasbeschermingsmiddelen voorkomen of waaruit gewasbeschermingsmiddelen bestaan en die geen werkzame stoffen zijn, moet in de biologische productie worden toegestaan zolang het gebruik ervan is toegelaten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (16) en zolang noch het in de handel brengen noch het gebruik van die gewasbeschermingsmiddelen door de lidstaten in overeenstemming met die verordening is verboden.

(21)

Wanneer het volledige bedrijf of delen daarvan bestemd worden voor de productie van biologische producten, moeten zij aan een omschakelingsperiode worden onderworpen tijdens welke zij volgens biologische-productievoorschriften worden beheerd maar geen biologische producten kunnen produceren. Producten mogen alleen als biologische producten in de handel worden gebracht zodra de omschakelingsperiode is verstreken. Die periode mag niet beginnen voordat de landbouwer of exploitant die algen of aquacultuurdieren produceert, die omschakeling naar biologische productie heeft gemeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het bedrijf is gevestigd en derhalve is onderworpen aan het controlesysteem dat door de lidstaten moet worden opgezet overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (17) en de onderhavige verordening. De bevoegde autoriteiten mogen perioden vóór de datum van kennisgeving alleen met terugwerkende kracht als omschakelingsperioden erkennen indien het bedrijf of de betrokken delen daarvan hebben deelgenomen aan door Uniefondsen ondersteunde agromilieumaatregelen of natuur- of landbouwgebieden zijn die gedurende ten minste drie jaar niet zijn behandeld met producten of stoffen die niet zijn toegelaten voor gebruik in de biologische productie.

(22)

Om kwaliteit, traceerbaarheid, naleving van deze verordening wat betreft biologische productie en aanpassing aan technische ontwikkelingen te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere regels over het opdelen van bedrijven in biologische productie-eenheden, productie-eenheden in omschakeling en niet-biologische productie-eenheden.

(23)

Het gebruik van ioniserende straling, het klonen van dieren en het houden van dieren met kunstmatig geïnduceerde polyploïdie, of genetisch gemodificeerde organismen („ggo’s”) alsmede producten die zijn geproduceerd met of door ggo’s, is onverenigbaar met het concept van de biologische productie en het beeld dat de consument heeft van biologische producten. Dergelijk gebruik moet derhalve in de biologische productie worden verboden.

(24)

Teneinde de naleving van deze verordening te steunen en te faciliteren, moeten exploitanten in elk stadium van de productie, bereiding en distributie in voorkomend geval preventieve maatregelen nemen om de biodiversiteit en de bodemkwaliteit te waarborgen, om plaagorganismen en ziekten te voorkomen en te bestrijden, en om nadelige gevolgen voor het milieu en de gezondheid van dieren en planten te vermijden. Zij moeten tevens in voorkomend geval evenredige voorzorgsmaatregelen nemen die onder hun gezag vallen om verontreiniging met producten of stoffen die niet overeenkomstig deze verordening voor de biologische productie mogen worden gebruikt en vermenging van biologische, omschakelings- en niet-biologische producten te vermijden.

(25)

Tijdens de omschakelingsperiode geproduceerde producten mogen niet als biologische producten in de handel worden gebracht. Om te voorkomen dat consumenten in verwarring worden gebracht of worden misleid, mogen die producten evenmin als omschakelingsproducten in de handel worden gebracht, behalve in het geval van plantaardig teeltmateriaal, levensmiddelen van plantaardige oorsprong en diervoeder van plantaardige oorsprong met slechts één gewasingrediënt van agrarische oorsprong, en in alle gevallen op voorwaarde dat vóór de oogst een omschakelingsperiode van ten minste twaalf maanden in acht is genomen.

(26)

Om kwaliteit, traceerbaarheid, naleving van deze verordening en aanpassing aan technische ontwikkelingen te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot omschakelingsvoorschriften voor verdere diersoorten.

(27)

Voor de plantaardige productie, de dierlijke productie en de aquacultuurproductie moeten gedetailleerde productievoorschriften worden vastgesteld, onder meer met betrekking tot de vergaring van wilde planten en algen en de productie van verwerkte levensmiddelen, verwerkte diervoeders, alsook van wijn en als levensmiddel of diervoeder gebruikte gist, teneinde de harmonisering en de inachtneming van de doelstellingen en beginselen van de biologische productie te garanderen.

(28)

Aangezien de biologische plantaardige productie is gebaseerd op het beginsel dat planten hoofdzakelijk worden gevoed door het ecosysteem van de bodem, moeten planten worden geproduceerd op en in levende bodem in contact met de ondergrond en het vaste gesteente. Substraatteelt mag derhalve niet worden toegelaten, noch het telen van planten in containers, zakken of bedden waarbij de wortels geen contact met de levende bodem hebben.

(29)

Bepaalde niet-bodemgebonden teeltpraktijken, zoals de teelt van gekiemde zaden of witloofkroppen en de teelt van sierplanten en kruiden in potten die in de potten aan de consument worden verkocht, waarop het beginsel van bodemgebonden gewassenteelt niet is toegesneden of waarvoor er geen risico bestaat dat de consument wordt misleid met betrekking tot de productiemethode, moeten echter worden toegestaan. Om de biologische productie in een eerder groeistadium van de planten te vergemakkelijken, moet het kweken van zaailingen of plantgoed in containers voor verdere verplanting eveneens worden toegestaan.

(30)

Het beginsel van de grondgebonden teelt van gewassen en het voeden van gewassen hoofdzakelijk via het bodemecosysteem werd ingesteld bij Verordening (EG) nr. 834/2007. Sommige exploitanten hebben echter een economische activiteit ontwikkeld door planten in „afgescheiden bedden” te kweken en door hun nationale autoriteiten als biologisch gecertificeerd zijn uit hoofde van Verordening (EG) nr. 834/2007. Op 28 juni 2017 is er in het kader van de gewone wetgevingsprocedure een akkoord bereikt over het feit dat de biologische productie gebaseerd moet zijn op het beginsel dat planten hoofdzakelijk worden gevoed door het ecosysteem van de bodem en dat zij bodemgebonden moet zijn, alsmede over het feit dat het kweken van planten in „afgescheiden bedden” met ingang van die datum niet meer mag worden toegestaan. Teneinde de exploitanten die tot die datum een dergelijke economische activiteit hebben ontwikkeld de mogelijkheid te bieden om zich aan te passen, moet het hun worden toegestaan hun productiepercelen die vóór die datum door hun nationale autoriteiten als biologisch zijn gecertificeerd op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007, te behouden gedurende een periode van tien jaar vanaf de datum van toepassing van deze verordening. Op basis van de door de lidstaten aan de Commissie verstrekte informatie was een dergelijke activiteit in de Unie vóór 28 juni 2017 alleen toegelaten in Finland, Zweden en Denemarken. De Commissie moet over het gebruik van afgescheiden bedden in de biologische landbouw een verslag opstellen, dat vijf jaar na de datum van toepassing van deze verordening moet worden gepubliceerd.

(31)

Bij de biologische plantaardige productie moeten productietechnieken worden gebruikt die elke bijdrage aan milieuvervuiling voorkomen of zo veel mogelijk beperken.

(32)

Terwijl de niet-biologische landbouw beschikt over meer externe middelen om zich met het oog op een optimale groei van gewassen aan te passen aan de omgeving, hebben biologische systemen voor plantaardige productie plantaardig teeltmateriaal nodig dat zich kan aanpassen aan ziekteresistentie en diverse plaatselijke bodem- en klimaatomstandigheden en aan de specifieke teeltpraktijken van de biologische landbouw die bijdragen aan de ontwikkeling van de biologische sector. Het is derhalve belangrijk biologisch plantaardig teeltmateriaal te ontwikkelen dat geschikt is voor de biologische landbouw.

(33)

Wat beheer en bemesting van de grond betreft, moeten de bij de biologische plantaardige productie toegestane teeltpraktijken worden gespecificeerd en moeten voorwaarden worden vastgesteld voor het gebruik van meststoffen en bodemverbeteraars.

(34)

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet aanzienlijk worden beperkt. De voorkeur moet worden gegeven aan maatregelen die schade door plaagorganismen en onkruid voorkomen via de toepassing van technieken waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, zoals vruchtwisseling. De aanwezigheid van plaagorganismen en onkruid moet worden gemonitord teneinde te beslissen of ingrijpen economisch en ecologisch gerechtvaardigd is. Het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen moet evenwel worden toegestaan indien dergelijke technieken onvoldoende bescherming bieden en alleen indien die gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 zijn toegelaten na te zijn beoordeeld en compatibel te zijn bevonden met de doelstellingen en beginselen van de biologische productie, ook indien die middelen zijn toegestaan onder restrictieve gebruiksvoorwaarden, en vervolgens overeenkomstig de onderhavige verordening zijn toegelaten.

(35)

Om kwaliteit, traceerbaarheid, naleving van deze verordening en aanpassing aan technische ontwikkelingen te verzekeren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot bepaalde afwijkingen, het gebruik van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal of plantaardig niet-biologisch teeltmateriaal, overeenkomsten tussen exploitanten van landbouwbedrijven, verdere maatregelen inzake het beheer van plaagorganismen en onkruid, en verdere nadere voorschriften en teeltpraktijken voor specifieke planten en plantaardige productie.

(36)

Uit onderzoek in de Unie naar plantaardig teeltmateriaal dat — wat uniformiteit betreft — niet voldoet aan de definitie van ras, blijkt dat het gebruik van dergelijk divers materiaal voordelen kan opleveren, met name in de biologische productie, bijvoorbeeld om de verspreiding van ziekten te voorkomen, de weerbaarheid te verbeteren en de biodiversiteit te vergroten.

(37)

Plantaardig teeltmateriaal dat niet tot een ras behoort, maar tot een plantengroep binnen één botanisch taxon met een hoog niveau van genetische en fenotypische diversiteit tussen afzonderlijke teelteenheden, moet derhalve voor gebruik in de biologische productie beschikbaar zijn.

Om die reden moeten exploitanten plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal in de handel kunnen brengen zonder dat is voldaan aan de voorschriften voor de registratie en zonder dat is voldaan aan de certificeringscategorieën van prebasismateriaal, basismateriaal en gecertificeerd materiaal, of aan de voorschriften voor andere categorieën, als vervat in de Richtlijnen 66/401/EEG (18), 66/402/EEG (19), 68/193/EEG (20), 98/56/EG (21), 2002/53/EG (22), 2002/54/EG (23), 2002/55/EG (24), 2002/56/EG (25), 2002/57/EG (26), 2008/72/EG (27) en 2008/90/EG (28) van de Raad of in uit hoofde van die richtlijnen vastgestelde handelingen.

Dat in de handel brengen dient plaats te vinden na een kennisgeving aan de in deze richtlijnen bedoelde verantwoordelijke organen en, nadat de Commissie geharmoniseerde voorschriften voor zulk materiaal heeft vastgesteld, op voorwaarde dat het aan die voorschriften voldoet.

(38)

Om kwaliteit, traceerbaarheid, naleving van deze verordening en aanpassing aan technische ontwikkelingen te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot bepaalde voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal van bijzondere genera of soorten.

(39)

Om tegemoet te komen aan de behoeften van biologische producenten, onderzoek te stimuleren en biologische rassen te ontwikkelen die geschikt zijn voor biologische productie, rekening houdend met de specifieke behoeften en doelstellingen van de biologische landbouw zoals verbeterde genetische diversiteit, ziekteresistentie of -tolerantie en aanpassing aan diverse plaatselijke bodem- en klimaatomstandigheden, moet een tijdelijk experiment worden uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/53/EG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG. Dat tijdelijke experiment moet zeven jaar duren, voldoende hoeveelheden teeltmateriaal omvatten en worden onderworpen aan jaarlijkse rapportage. Het moet helpen bij de vaststelling van de criteria om de kenmerken van dat materiaal te beschrijven en om de voorwaarden voor de productie en het in de handel brengen van dat materiaal te bepalen.

(40)

Aangezien dierlijke productie van nature hand in hand gaat met beheer van de landbouwgrond waar dierlijke mest wordt gebruikt voor de gewasproductie, moet niet-grondgebonden dierlijke productie worden verboden, behalve in het geval van bijenteelt. Bij de rassenkeuze moet de keuze van kenmerken die belangrijk zijn voor de biologische landbouw, zoals een hoog niveau van genetische diversiteit, het vermogen om zich aan te passen aan de plaatselijke omstandigheden alsmede ziekteresistentie, worden aangemoedigd.

(41)

Biologische dieren zijn niet steeds in voldoende hoeveelheid en voldoende kwaliteit aanwezig om tegemoet te komen aan de behoeften van landbouwers die voor het eerst een veestapel of pluimveebeslag willen samenstellen of later willen uitbreiden of vernieuwen. Onder bepaalde voorwaarden moet het derhalve mogelijk zijn niet-biologisch gekweekte dieren in een biologische productie-eenheid in te brengen.

(42)

De dieren moeten, rekening houdend met hun fysiologische behoeften, worden gevoederd met voedermiddelen die overeenkomstig de biologische-productievoorschriften zijn geproduceerd en bij voorkeur afkomstig zijn van het eigen landbouwbedrijf. Landbouwers moeten onder bepaalde voorwaarden echter de mogelijkheid krijgen om ook omschakelingsdiervoeder te gebruiken dat afkomstig is van hun eigen bedrijf. Voorts moet landbouwers het gebruik van bepaalde diervoeders van microbiële of van minerale oorsprong of bepaalde diervoederadditieven en hulpstoffen onder welomschreven voorwaarden worden toegestaan om aan de basisvoedingsbehoeften van de dieren te voldoen.

(43)

Het beheer van diergezondheid moet vooral gebaseerd zijn op ziektepreventie. Bovendien moeten specifieke reinigings- en ontsmettingsmaatregelen worden toegepast. Het preventieve gebruik van chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen, met inbegrip van antibiotica, mag in de biologische productie niet worden toegestaan. Het gebruik van zulke producten moet tot het minimum worden beperkt dat noodzakelijk is voor het herstel van het welzijn van een ziek of gewond dier dat onmiddellijk zorg nodig heeft. Om de integriteit van de biologische productie voor de consument te waarborgen, moet in dergelijke gevallen de officiële wachttijd na gebruik van deze geneesmiddelen zoals gespecificeerd in de betrokken wetgeving van de Unie het dubbele van de normale wachttijd bedragen en ten minste 48 uur duren.

(44)

De huisvestingsomstandigheden en houderijpraktijken voor biologisch vee moeten voldoen aan de gedragsbehoeften van de dieren en een hoog niveau van dierenwelzijn garanderen, waarvan sommige aspecten verder dienen te gaan dan de dierenwelzijnsnormen van de Unie voor de dierlijke productie in het algemeen. In de meeste gevallen moeten de dieren permanent toegang hebben tot openluchtruimten waarin zij kunnen bewegen. Lijden, pijn of stress van dieren moeten gedurende elk levensstadium van de dieren worden vermeden of tot een minimum worden beperkt. Het aanbinden van dieren en verminkingen, zoals het couperen van staarten voor schapen, het snavelkappen in de eerste drie levensdagen en het verwijderen van hoornknoppen, dienen alleen mogelijk te zijn indien de bevoegde autoriteiten hiervoor toestemming geven en alleen onder bepaalde voorwaarden.

(45)

Aangezien de biologische productie het meest ontwikkeld is voor runderen, schapen, geiten, paardachtigen, hertachtigen en varkens, alsmede voor pluimvee, konijnen en bijen, moeten aanvullende gedetailleerde productievoorschriften op die soorten van toepassing zijn. Voor die soorten is het nodig dat de Commissie bepaalde vereisten vastlegt die belangrijk zijn voor productie van die dieren, zoals vereisten inzake bezettingsdichtheid, minimale oppervlakken en kenmerken, alsmede technische voorschriften voor de huisvesting. Voor andere soorten moeten zulke vereisten worden vastgesteld zodra voor die soorten aanvullende gedetailleerde productievoorschriften gelden.

(46)

Om kwaliteit, traceerbaarheid, naleving van deze verordening en aanpassing aan technische ontwikkelingen te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot het beperken van de afwijkingen betreffende de oorsprong van dieren, grenswaarden voor biologisch stikstof in verband met de totale bezettingsdichtheid, het voederen van bijenkolonies, aanvaardbare behandelingen voor de ontsmetting van bijenstallen, methoden en behandelingen ter bestrijding van Varroa destructor, en gedetailleerde voorschriften inzake dierlijke productie voor verdere soorten.

(47)

Deze verordening weerspiegelt de doelstellingen van het nieuw gemeenschappelijk visserijbeleid inzake de aquacultuur, die een sleutelrol speelt als het erop aankomt om in een wereld waar de vraag naar aquatische levensmiddelen toeneemt, duurzame voedselzekerheid op de lange termijn, groei en werkgelegenheid te waarborgen en de druk op de wilde visbestanden te verlichten. In haar mededeling van 29 april 2013 inzake strategische richtsnoeren voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU benadrukt de Commissie de belangrijkste uitdagingen voor de aquacultuur in de Unie en op de groeimogelijkheden voor deze sector. De biologische aquacultuur wordt in die mededeling als een bijzonder veelbelovende sector beschreven, met concurrentievoordelen als gevolg van biologische certificering.

(48)

In vergelijking met de langdurige ervaring die met biologische-landbouwbedrijven is opgedaan, is de biologische aquacultuur een relatieve nieuwkomer in de biologische productie. Gezien de toenemende belangstelling van de consument voor biologische aquacultuurproducten is het waarschijnlijk dat steeds meer aquacultuureenheden op de biologische productie zullen overschakelen. De vooruitgang uit het oogpunt van ervaring, technische kennis en ontwikkeling die hiermee gepaard gaat, zal leiden tot verbeteringen in de biologische aquacultuur die tot uitdrukking moeten komen in de productievoorschriften.

(49)

Biologische aquacultuur moet gebaseerd zijn op de kweek van jonge dieren die afkomstig zijn van biologische productie-eenheden. Biologische aquacultuurdieren voor reproductie- of opkweekdoeleinden zijn niet steeds in voldoende hoeveelheid en voldoende kwaliteit beschikbaar om tegemoet te komen aan de behoeften van exploitanten die aquacultuurdieren produceren. Onder bepaalde voorwaarden moet het mogelijk zijn in het wild gevangen of niet-biologische aquacultuurdieren in een biologische productie-eenheid te brengen.

(50)

Om kwaliteit, traceerbaarheid, naleving van deze verordening en aanpassing aan technische ontwikkelingen te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot voeder voor aquacultuurdieren en de diergeneeskundige behandeling van die dieren, en met betrekking tot gedetailleerde voorwaarden voor het reproductiemateriaalbeheer, de reproductie en de productie van juvenielen.

(51)

Exploitanten die biologische levensmiddelen of diervoeders produceren, moeten passende procedures volgen die zijn gebaseerd op de systematische identificatie van cruciale verwerkingsfasen, teneinde ervoor te zorgen dat de verwerkte producten voldoen aan de voorschriften voor de biologische productie. Verwerkte biologische producten moeten worden geproduceerd door gebruik te maken van verwerkingsmethoden die garanderen dat de biologische kenmerken en kwaliteiten van de producten in alle stadia van de biologische productie bewaard blijven.

(52)

Er moeten bepalingen inzake de samenstelling van verwerkte biologische levensmiddelen en diervoeders worden vastgesteld. Meer bepaald, moeten deze levensmiddelen voornamelijk uit biologische ingrediënten van agrarische oorsprong of uit andere binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende biologische ingrediënten worden geproduceerd, waarbij bepaalde, in deze verordening gespecificeerde niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong in beperkte mate mogen worden gebruikt. Bovendien mogen alleen bepaalde producten en stoffen die overeenkomstig deze verordening zijn toegelaten, worden gebruikt bij de productie van verwerkte biologische levensmiddelen en diervoeders.

(53)

Om kwaliteit, traceerbaarheid, naleving van deze verordening en aanpassing aan technische ontwikkelingen te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorzorgsmaatregelen en preventieve maatregelen die moeten worden genomen door exploitanten die verwerkte levensmiddelen of diervoeders produceren, met betrekking tot het type en de samenstelling van voor gebruik in verwerkte levensmiddelen toegelaten producten en stoffen, alsmede de voorwaarden waaronder deze mogen worden gebruikt, en met betrekking tot de berekening van het percentage ingrediënten van agrarische oorsprong, met inbegrip van de specificatie van de voor gebruik in de biologische productie toelaatbare additieven die tot ingrediënten van agrarische oorsprong worden gerekend voor de berekening van het percentage dat moet worden bereikt om het product in de verkoopbeschrijving als biologisch aan te duiden.

(54)

Voor biologische wijn moeten de betrokken voorschriften inzake verwerkte biologische levensmiddelen gelden. Aangezien wijn echter een specifieke en belangrijke categorie biologische producten vormt, moeten er specifiek voor biologische wijn aanvullende gedetailleerde productievoorschriften worden vastgesteld. Biologische wijn moet volledig uit biologische grondstoffen worden geproduceerd, en alleen bepaalde overeenkomstig deze verordening toegelaten producten en stoffen mogen hieraan worden toegevoegd. Het gebruik van bepaalde oenologische praktijken, processen en behandelingen bij de productie van biologische wijn moet worden verboden. Het gebruik van bepaalde andere procedés, processen en behandelingen dient onder duidelijk omschreven voorwaarden te worden toegelaten.

(55)

Om kwaliteit, traceerbaarheid, naleving van deze verordening en aanpassing aan technische ontwikkelingen te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de specificatie van aanvullende verboden oenologische praktijken, processen en behandelingen en met betrekking tot de wijziging van de lijst van toegestane oenologische praktijken, processen en behandelingen.

(56)

Gist werd oorspronkelijk niet als een ingrediënt van agrarische oorsprong in het kader van Verordening (EG) nr. 834/2007 beschouwd en kon bijgevolg niet in aanmerking worden genomen voor de agrarische samenstelling van biologische producten. Krachtens Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie (29) moeten gist en gistproducten in het kader van de biologische productie echter met ingang van 31 december 2013 als ingrediënten van agrarische oorsprong worden beschouwd. Bijgevolg mogen vanaf 1 januari 2021 alleen biologisch geproduceerde substraten worden gebruikt voor de productie van biologische gist voor gebruik als levensmiddel en diervoeder. Bovendien mogen alleen bepaalde producten en stoffen worden toegelaten voor gebruik bij de productie, bereiding en formulering van gist.

(57)

Om kwaliteit, traceerbaarheid, naleving van deze verordening en aanpassing aan technische ontwikkelingen te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot aanvullende gedetailleerde productievoorschriften voor gist.

(58)

Hoewel bij deze verordening de biologische-productievoorschriften in de Unie geharmoniseerd dienen te worden voor alle producten die onder het toepassingsgebied ervan vallen en gedetailleerde productievoorschriften voor verschillende categorieën producten vastgesteld dienen te worden, zullen bepaalde productievoorschriften, zoals aanvullende gedetailleerde productievoorschriften voor verdere diersoorten of voor producten die niet behoren tot de categorieën waarvoor in deze verordening gedetailleerde productievoorschriften zijn vastgesteld, pas in een later stadium kunnen worden vastgesteld. Bij gebreke van zulke op Unieniveau vastgestelde productievoorschriften moeten de lidstaten nog steeds de mogelijkheid hebben om nationale voorschriften voor hun eigen nationale productie vast te stellen, mits deze voorschriften niet strijdig zijn met deze verordening. De lidstaten mogen die nationale voorschriften echter niet toepassen op producten die in andere lidstaten worden geproduceerd of in de handel worden gebracht, wanneer die producten aan deze verordening voldoen. Bij gebreke van dergelijke nationale gedetailleerde productievoorschriften, moeten exploitanten, wanneer zij dergelijke producten in de handel brengen met naar biologische productie verwijzende termen, ten minste voldoen aan de algemene productievoorschriften en de beginselen voor de biologische productie, voor zover deze voorschriften en beginselen op de betrokken producten kunnen worden toegepast.

(59)

Om rekening te houden met toekomstige behoeften aan specifieke productievoorschriften voor producten waarvan de productie niet valt onder een van de categorieën specifieke productievoorschriften als vastgesteld in deze verordening, en om kwaliteit, traceerbaarheid, naleving van deze verordening, en vervolgens aanpassing aan technische ontwikkelingen te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen ter bepaling van gedetailleerde productievoorschriften, alsook voorschriften betreffende de verplichting tot omschakeling, voor zulke producten.

(60)

Alleen in rampzalige omstandigheden mag worden voorzien in uitzonderingen op biologische productieregels. Om in dergelijke gevallen de biologische productie te kunnen voortzetten of hervatten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen ter bepaling of een situatie als rampzalige omstandigheden moet worden aangemerkt, alsmede ter bepaling van specifieke voorschriften — inclusief een mogelijke afwijking van deze verordening — over de manier waarop de lidstaten met zulke rampzalige omstandigheden dienen om te gaan en over de noodzakelijke monitoring- en rapportagevereisten in zulke gevallen.

(61)

In bepaalde omstandigheden kunnen biologische producten, omschakelingsproducten en niet-biologische producten samen worden opgehaald en vervoerd. Er moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld om biologische producten, omschakelingsproducten en niet-biologische producten tijdens hun behandeling goed van elkaar te scheiden en vermenging te voorkomen.

(62)

Om de integriteit van de biologische productie en de aanpassing aan de technische ontwikkelingen te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften over verpakking en vervoer van biologische producten.

(63)

Het gebruik in de biologische productie van bepaalde producten of stoffen als actieve stoffen die bestemd zijn om te worden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen die vallen onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1107/2009, meststoffen, bodemverbeteraars, nutriënten, niet-biologische diervoedingscomponenten van diverse oorsprong, additieven voor diervoeders, technische hulpstoffen en reinigings- en ontsmettingsmiddelen, moet tot een minimum worden beperkt en aan de specifieke voorwaarden van deze verordening worden onderworpen. Hetzelfde dient te gelden voor producten en stoffen die als levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen worden gebruikt en voor het gebruik van niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong bij de productie van verwerkte biologische levensmiddelen. Daarom moet worden voorzien in bepalingen inzake het mogelijke gebruik van dergelijke producten en stoffen in de biologische productie in het algemeen en in de productie van verwerkte biologische levensmiddelen in het bijzonder, mits daarbij de beginselen van deze verordening en bepaalde criteria in acht worden genomen.

(64)

Om kwaliteit, traceerbaarheid en naleving van deze verordening met betrekking tot de biologische productie in het algemeen en de productie van verwerkte biologische levensmiddelen in het bijzonder, alsmede aanpassing aan technische ontwikkelingen te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot aanvullende criteria inzake de toelating voor het gebruik van producten en stoffen in de biologische productie in het algemeen en in de productie van verwerkte biologische levensmiddelen in het bijzonder, alsmede criteria voor de intrekking van dergelijke toelatingen.

(65)

Om de toegang te verzekeren tot ingrediënten van agrarische oorsprong, moeten de lidstaten, indien die ingrediënten niet in voldoende hoeveelheden in biologische vorm beschikbaar zijn voor de productie van verwerkte biologische levensmiddelen, ook de mogelijkheid hebben om het gebruik van niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong onder bepaalde voorwaarden en gedurende een beperkte periode toe te staan.

(66)

Ter stimulering van biologische productie, en om te voldoen aan de behoefte aan betrouwbare gegevens, moeten informatie en gegevens over de beschikbaarheid op de markt voor plantaardig biologisch teeltmateriaal en plantaardig omschakelingsteeltmateriaal, voor biologische dieren en voor biologische aquacultuurjuvenielen worden verzameld en verspreid onder landbouwers en exploitanten. Hiertoe moeten de lidstaten ervoor zorgen dat regelmatig bijgewerkte databanken en systemen met dergelijke informatie op hun grondgebied worden opgezet, en de Commissie moet die informatie openbaar maken.

(67)

Om te waarborgen dat de voorschriften voor biologische productie worden nageleefd en dat de consument vertrouwen heeft in deze productiemethode, moeten exploitanten de bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, de controleautoriteiten of controleorganen in kennis stellen van gevallen waarin, met betrekking tot producten die zij produceren, bereiden, invoeren of ontvangen van andere exploitanten, een vermoeden van niet-naleving van deze verordening bestaat dat is onderbouwd en niet kan worden weggenomen. Een dergelijk vermoeden kan onder meer ontstaan wanneer een product aanwezig is dat of een stof die niet is toegestaan bij de productie van een product dat bestemd is om als biologisch product of omschakelingsproduct te worden gebruikt of in de handel te worden gebracht. Exploitanten moeten de bevoegde autoriteiten in kennis stellen wanneer zij een vermoeden van niet-naleving kunnen onderbouwen of niet kunnen wegnemen. In dergelijke gevallen mogen de betrokken producten, zolang het vermoeden niet kan worden weggenomen, niet in de handel worden gebracht als biologische producten of omschakelingsproducten. Exploitanten moeten met de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, met de controleautoriteiten of controleorganen samenwerken bij het identificeren en verifiëren van de redenen voor een dergelijke niet-naleving.

(68)

Ter voorkoming van de verontreiniging van biologische productie met producten of stoffen die de Commissie niet voor gebruik in de biologische productie voor bepaalde doeleinden heeft toegestaan, moeten de exploitanten evenredige en passende maatregelen nemen die onder hun verantwoordelijkheid vallen, met als doel de risico’s van zo’n verontreiniging te inventariseren en te vermijden. Dergelijke maatregelen dienen regelmatig te worden geëvalueerd en indien nodig te worden aangepast.

(69)

Om een geharmoniseerde aanpak in de gehele Unie te waarborgen wat betreft de maatregelen die moeten worden genomen bij een vermoeden van niet-naleving, met name wanneer een dergelijk vermoeden ontstaat vanwege de aanwezigheid van niet-toegelaten producten en stoffen in biologische producten of omschakelingsproducten, en om onzekerheid voor exploitanten te vermijden, moeten de bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, de controleautoriteiten of controleorganen, een officieel onderzoek instellen in overeenstemming met Verordening (EU) 2017/625 om na te gaan of de voorschriften voor de biologische productie worden nageleefd. In het specifieke geval van vermoeden van niet-naleving vanwege de aanwezigheid van niet-toegelaten producten of stoffen, moet het onderzoek de bron en de oorzaak achterhalen van de aanwezigheid van die producten of stoffen, met als doel ervoor te zorgen dat exploitanten zich houden aan de voorschriften voor biologische productie en er met name zekerheid over te krijgen dat zij geen producten of stoffen hebben gebruikt die niet zijn toegestaan voor gebruik in de biologische productie, en te waarborgen dat die exploitanten evenredige en passende voorzorgsmaatregelen hebben genomen om te vermijden dat biologische productie met dergelijke producten en stoffen wordt verontreinigd. Deze onderzoeken moeten in verhouding staan tot het vermoeden van niet-naleving en moeten derhalve zo spoedig mogelijk en binnen een redelijke termijn worden afgerond, gelet op de houdbaarheid van het product en de complexiteit van de zaak. Bij deze onderzoeken kunnen geschikt geachte methoden en technieken voor officiële controles worden gebruikt om een vermoeden van niet-naleving van deze verordening op efficiënte wijze en zonder vertraging weg te nemen of te bevestigen, waarbij ook kan worden gebruikgemaakt van alle relevante informatie waarmee, zonder een inspectie ter plaatse, elk vermoeden van niet-naleving kan worden weggenomen of bevestigd.

(70)

Gevallen van aanwezigheid van producten of stoffen die niet voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten in producten die in de handel worden gebracht als biologische producten of omschakelingsproducten en de maatregelen die in dat verband zijn genomen, moeten worden onderworpen aan verder toezicht door de lidstaten en de Commissie. De Commissie dient daarom vier jaar na de datum van toepassing van deze verordening een verslag in te dienen bij het Europees Parlement en de Raad op basis van de door de lidstaten verzamelde informatie over de gevallen waarin onderzoek is gedaan naar niet-toegelaten producten en stoffen in de biologische productie. Dat verslag zou zo nodig vergezeld kunnen gaan van een wetgevingsvoorstel voor verdere harmonisering.

(71)

Bij gebrek aan dergelijke verdere harmonisering, moeten de lidstaten die een aanpak hebben ontwikkeld om te vermijden dat producten die een bepaalde hoeveelheid bevatten van producten of stoffen die niet door de Commissie zijn toegelaten voor gebruik in de biologische productie voor bepaalde doeleinden, als biologische producten of omschakelingsproducten worden vermarkt, de mogelijkheid hebben om die aanpak te blijven toepassen. Om het vrije verkeer van biologische en omschakelingsproducten in de interne markt van de Unie te waarborgen, mag een dergelijke aanpak echter niet het in de handel brengen van in andere lidstaten in overeenstemming met deze verordening gemaakte producten verbieden, beperken of belemmeren. Een dergelijke aanpak mag daarom alleen worden gebruikt voor producten die zijn vervaardigd op het grondgebied van de lidstaat die ervoor heeft gekozen die aanpak te blijven volgen. lidstaten die besluiten van deze mogelijkheid gebruik te maken, moeten de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.

(72)

Naast de verplichtingen betreffende maatregelen die moeten worden getroffen door exploitanten die biologische producten en omschakelingsproducten maken, bereiden, invoeren of gebruiken en door bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, door controleautoriteiten of controleorganen, zoals in deze verordening vastgesteld, met als doel te voorkomen dat biologische producten of omschakelingsproducten worden verontreinigd met producten of stoffen die niet zijn toegelaten voor gebruik in de biologische productie, moeten de lidstaten ook de mogelijkheid hebben om op hun grondgebied andere geschikte maatregelen te nemen om onbedoelde aanwezigheid van niet-toegelaten producten en stoffen in de biologische landbouw te vermijden. lidstaten die besluiten van deze mogelijkheid gebruik te maken, moeten de Commissie en de andere lidstaten daarvan onverwijld in kennis stellen.

(73)

De etikettering van landbouwproducten en levensmiddelen dient in overeenstemming te zijn met de algemene voorschriften van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad (30), en met name met de bepalingen ter voorkoming van etikettering die de consument kan verwarren of misleiden. Daarbovenop moeten specifieke bepalingen over de etikettering van biologische producten en omschakelingsproducten worden vastgesteld in de onderhavige verordening. Deze moeten strekken tot bescherming van de belangen van zowel exploitanten (correcte identificatie van hun producten op de markt en billijke concurrentievoorwaarden) als consumenten (de juiste informatie om met kennis van zaken een keuze te kunnen maken).

(74)

De termen waarmee biologische producten worden aangeduid, moeten in de hele Unie en ongeacht de gebruikte taal worden beschermd om te voorkomen dat zij worden gebruikt bij de etikettering van niet-biologische producten. Die bescherming moet tevens gelden voor de gebruikelijke afleidingen of verkleinwoorden van deze termen, ongeacht of deze alleen of in combinatie worden gebruikt.

(75)

Verwerkte levensmiddelen mogen alleen als biologisch product worden geëtiketteerd wanneer alle of nagenoeg alle ingrediënten van agrarische oorsprong biologisch zijn. Om het gebruik van biologische ingrediënten aan te moedigen, moet het ook mogelijk zijn om alleen naar biologische productie te verwijzen in de lijst van ingrediënten van verwerkte levensmiddelen mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, met name dat de betrokken levensmiddelen voldoen aan bepaalde biologische-productievoorschriften. Er dienen tevens bijzondere etiketteringsvoorschriften te worden vastgesteld aan de hand waarvan exploitanten kunnen aangeven welke biologische ingrediënten zijn gebruikt in producten die hoofdzakelijk bestaan uit een ingrediënt dat afkomstig is van jacht of visserij.

(76)

Verwerkte diervoeders mogen alleen als biologisch product worden geëtiketteerd wanneer alle of nagenoeg alle ingrediënten van agrarische oorsprong biologisch zijn.

(77)

Omwille van de duidelijkheid voor de consument op de hele markt van de Unie moet het gebruik van het logo voor de biologische productie van de Europese Unie verplicht zijn voor alle voorverpakte biologische levensmiddelen die in de Unie worden geproduceerd. Daarnaast moet het mogelijk zijn dat logo vrijwillig te gebruiken voor niet-voorverpakte biologische producten die in de Unie zijn geproduceerd en voor biologische producten die uit derde landen zijn ingevoerd alsmede voor informatieve en educatieve doeleinden. Het model van het logo voor de biologische productie van de Europese Unie moet in deze verordening worden opgenomen.

(78)

Om de consument niet te misleiden ten aanzien van het biologische karakter van het hele product, dient het gebruik van dat logo evenwel te worden beperkt tot producten die uitsluitend of bijna uitsluitend biologische ingrediënten bevatten. Derhalve mag het gebruik ervan niet worden toegestaan voor de etikettering van omschakelingsproducten of verwerkte producten waarvan minder dan 95 % van het gewicht van de ingrediënten van agrarische oorsprong biologisch is.

(79)

Om verwarring bij de consument te voorkomen over de vraag of de oorsprong van het product al dan niet in de Unie ligt, moet bij gebruik van het logo voor de biologische productie van de Europese Unie de consument worden geïnformeerd over de plaats waar de agrarische grondstoffen waaruit het product is samengesteld, zijn geteeld. In dat verband moet de mogelijkheid worden geboden om op het etiket van producten van de biologische aquacultuur te verwijzen naar aquacultuur in plaats van naar landbouw.

(80)

Om de consument duidelijkheid te bieden en ervoor te zorgen dat hun adequate informatie wordt verschaft, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen inzake het bepalen van aanvullende voorschriften over de etikettering van biologische producten, en het wijzigen van de in deze verordening opgenomen lijst met termen inzake de biologische productie, van het logo voor de biologische productie van de Europese Unie en van de desbetreffende regels.

(81)

Bepaalde producten of stoffen die worden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen of als meststoffen moeten niet binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen en dus, in beginsel, ook niet onder de regels van deze verordening, met inbegrip van de voorschriften inzake etikettering. Aangezien die producten en stoffen echter een belangrijke rol spelen in de biologische landbouw en het gebruik ervan in de biologische productie is onderworpen aan een vergunning krachtens deze verordening, en aangezien er in de praktijk echter enige onzekerheid over de etikettering ervan blijkt te bestaan, met name met betrekking tot het gebruik van termen die verwijzen naar biologische productie, moet worden verduidelijkt dat wanneer zulke producten of stoffen zijn toegelaten voor gebruik in de biologische productie overeenkomstig deze verordening, zij dienovereenkomstig kunnen worden geëtiketteerd.

(82)

De biologische productie is alleen geloofwaardig als zij wordt geflankeerd door doelmatige verificaties en controles in alle stadia van de productie, de verwerking en de distributie.

(83)

Om naleving van deze verordening te garanderen, moeten er specifieke vereisten voor exploitanten worden vastgesteld. Met name moet worden voorzien in de melding van de activiteiten van de exploitanten aan de bevoegde autoriteiten en in een certificeringssysteem dat duidelijk aangeeft welke exploitanten de voorschriften inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten in acht nemen. Deze bepalingen moeten in beginsel tevens van toepassing zijn op onderaannemers van de betrokken exploitanten, tenzij de activiteit van de onderaannemer volledig is geïntegreerd binnen de voornaamste activiteit van de exploitant die onderaannemers inzet, en in dat verband wordt gecontroleerd. De transparantie van het certificeringssysteem moet worden gewaarborgd door de lidstaten te verplichten tot bekendmaking van de lijsten van exploitanten die hun activiteiten hebben gemeld, en van eventuele vergoedingen die kunnen worden geïnd in verband met de controles op de naleving van de biologische-productievoorschriften.

(84)

Kleine winkels die uitsluitend voorverpakte biologische producten verkopen vertegenwoordigen een relatief laag risico op niet-naleving van biologische-productievoorschriften en zouden niet moeten worden geconfronteerd met onevenredige lasten voor de verkoop van biologische producten. De meldings- en certificeringsverplichtingen zouden voor hen derhalve niet moeten gelden, maar zij moeten nog wel officieel worden gecontroleerd op naleving van de voorschriften voor biologische productie en de etikettering van biologische producten. Ook kleine winkels die onverpakte biologische producten verkopen moeten officieel worden gecontroleerd, maar om het in de handel brengen van biologische producten te bevorderen moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben zulke winkels vrij te stellen van de verplichting om hun activiteiten te certificeren.

(85)

Voor kleine landbouwers en exploitanten die algen of aquacultuurdieren produceren in de Unie vallen de inspectiekosten en de administratieve lasten die met biologische certificering gepaard gaan, verhoudingsgewijs hoog uit. Een groepscertificeringssysteem dient te worden toegestaan om de inspectie- en certificeringskosten en de daarmee gepaard gaande administratieve lasten te verminderen, de lokale netwerken te versterken, betere afzetmogelijkheden te bevorderen en een gelijk speelveld met exploitanten in derde landen te waarborgen. Met het oog daarop moet het begrip „groep exploitanten” worden ingevoerd en gedefinieerd en moeten er regels worden vastgesteld die beantwoorden aan de behoeften en capaciteit van kleine landbouwers en exploitanten.

(86)

Om de doeltreffendheid, de doelmatigheid en de transparantie van het biologische productiesysteem en van de etikettering van biologische producten te waarborgen, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd handelingen vast te stellen met betrekking tot documentatievoorschriften voor exploitanten of groepen exploitanten en het model voor het certificaat van naleving.

(87)

Met het oog op een doeltreffende en doelmatige certificering van groepen exploitanten, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd handelingen vast te stellen met betrekking tot de verantwoordelijkheden van de individuele leden van groepen exploitanten, de criteria voor het bepalen van de geografische nabijheid van hun groepsleden en de opzet en werking van hun systemen voor interne controles.

(88)

Om de naleving van de voorschriften inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten te verifiëren, moeten voor de biologische productie officiële controles en andere officiële activiteiten worden verricht overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, moeten voor de biologische productie evenwel voorschriften gelden in aanvulling op de in die verordening vastgestelde voorschriften met betrekking tot officiële controles door en maatregelen van bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, controleautoriteiten en controleorganen, met betrekking tot maatregelen die moeten worden genomen door exploitanten en groepen exploitanten, met betrekking tot de delegatie van bepaalde officiële controletaken of bepaalde taken in verband met andere officiële activiteiten en het toezicht daarop, en met betrekking tot maatregelen in gevallen van vermoedelijke of vastgestelde niet-naleving, met inbegrip van het verbod op het in de handel brengen als biologische producten of omschakelingsproducten wanneer de vastgestelde niet-naleving de integriteit van die producten aantast.

(89)

Om een uniforme benadering op hun grondgebied te waarborgen, mogen alleen de bevoegde autoriteiten zorgen voor een catalogus van te nemen maatregelen in gevallen van vermoedelijke of vastgestelde niet-naleving.

(90)

Bepalingen betreffende de uitwisseling van bepaalde relevante informatie tussen de bevoegde autoriteiten, de controleautoriteiten of de controleorganen en bepaalde andere instanties en betreffende de maatregelen van zulke autoriteiten en organen, in aanvulling op de bepalingen van Verordening (EU) 2017/625, dienen in deze verordening te worden vastgesteld.

(91)

Ter ondersteuning van de uitvoering van officiële controles en andere officiële activiteiten om de naleving van deze verordening na te gaan, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot specifieke criteria en voorwaarden voor de uitvoering van officiële controles ter waarborging van de traceerbaarheid in alle stadia van de productie, bereiding en distributie, en de naleving van deze verordening en met betrekking tot aanvullende elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij het op basis van praktische ervaring bepalen van de waarschijnlijkheid van niet-naleving.

(92)

Ter ondersteuning van de uitvoering van officiële controles en andere officiële activiteiten om de naleving van deze verordening na te gaan, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor het delegeren van officiële controletaken en taken in verband met andere officiële activiteiten aan controleorganen, in aanvulling op de in deze verordening vastgestelde voorwaarden.

(93)

Uit ervaring met de regelingen voor de invoer van biologische producten in de Unie in het kader van Verordening (EG) nr. 834/2007 is gebleken dat deze regelingen moeten worden herzien, zowel om tegemoet te komen aan de consument, die verwacht dat geïmporteerde biologische producten aan dezelfde strenge normen als die van de Unie voldoen, als om de toegang van biologische producten uit de Unie tot internationale markt beter te garanderen. Voorts moet duidelijkheid worden geschapen in de voorschriften voor de uitvoer van biologische producten, met name door te voorzien in biologische-uitvoercertificaten.

(94)

De bepalingen voor de invoer van producten die voldoen aan de productie- en etiketteringsvoorschriften van de Unie ten aanzien waarvan de exploitanten zijn gecontroleerd door controleautoriteiten en controleorganen die volgens de erkenning door de Commissie bevoegd zijn om controles en certificeringen op het gebied van de biologische productie in derde landen te verrichten, moeten verder versterkt worden. Meer bepaald moeten met betrekking tot de accreditatieorganen die controleorganen accrediteren voor de invoer van conforme biologische producten in de Unie, vereisten worden vastgesteld, om een gelijk speelveld te waarborgen voor het toezicht dat de Commissie op de controleorganen uitoefent. Voorts moet de Commissie de mogelijkheid krijgen om rechtstreeks contact met de accreditatieorganen en de bevoegde autoriteiten in derde landen op te nemen, teneinde het toezicht op de controleautoriteiten respectievelijk de controleorganen doeltreffender te maken. Voor producten die worden ingevoerd uit derde landen of de ultraperifere gebieden van de Unie met specifieke klimatologische en lokale omstandigheden, is het zinvol te voorzien in de mogelijkheid voor de Commissie om specifieke toelatingen te verlenen voor het gebruik van producten en stoffen in de biologische productie.

(95)

De mogelijkheid moet behouden blijven om biologische producten die niet aan de Unievoorschriften inzake de biologische productie voldoen, maar die afkomstig zijn uit derde landen waarvan de systemen voor biologische productie en controle als gelijkwaardig met die van de Unie zijn erkend, toegang tot de markt van de Unie te verschaffen. Toch mag de in Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde erkenning van de gelijkwaardigheid van derde landen alleen worden verleend op grond van internationale overeenkomsten die tussen de Unie en het betrokken derde land wordt gesloten, die ook voor de Unie wederzijdse erkenning van de gelijkwaardigheid tot doel hebben.

(96)

Derde landen die voor gelijkwaardigheidsdoeleinden zijn erkend op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007, moeten in het kader van de onderhavige verordening, voor een beperkte periode die nodig is voor een vlotte overgang naar de regeling inzake erkenning middels een internationale overeenkomst, erkend blijven, mits zij blijven waarborgen dat hun voorschriften voor de biologische productie en de controle daarop gelijkwaardig zijn met de ter zake vigerende Unievoorschriften en mits zij voldoen aan alle eisen betreffende het toezicht van de Commissie op hun erkenning. Dit toezicht moet met name gebaseerd zijn op de jaarverslagen die deze erkende derde landen de Commissie toezenden.

(97)

Uit de ervaring met de regeling van controleautoriteiten en controleorganen die erkend zijn door de Commissie om in derde landen controles te verrichten en certificaten van gelijkwaardige garantie te verstrekken met het oog op de invoer van producten, blijkt dat de door die autoriteiten en organen toegepaste voorschriften verschillen en zulke voorschriften wellicht niet altijd gemakkelijk als gelijkwaardig met de betrokken Unievoorschriften kunnen worden beschouwd. Bovendien ondervindt de Commissie bij het toezicht hinder van de wildgroei aan normen voor controleautoriteiten en controleorganen. Daarom dient die regeling voor de erkenning van de gelijkwaardigheid te worden afgeschaft. Dit neemt niet weg dat controleautoriteiten en controleorganen die een erkenning willen krijgen voor de invoer van aan de Unievoorschriften conforme producten, voldoende tijd moeten krijgen om hiertoe voorbereidingen te treffen. Voorts moeten de nieuwe regels voor de erkenning van controleautoriteiten en controleorganen voor de invoer van aan de voorschriften beantwoordende producten reeds van toepassing zijn met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening, zodat de Commissie in de gelegenheid wordt gesteld voorbereidingen te treffen voor de erkenning van die controleautoriteiten en controleorganen met ingang van de datum van toepassing van deze verordening.

(98)

Producten die in het kader van een in deze verordening bedoelde invoerregeling in de Unie worden geïmporteerd, mogen alleen als biologisch in de handel worden gebracht indien de informatie die nodig is om de traceerbaarheid van het product in de voedselketen te garanderen, beschikbaar is.

(99)

Om eerlijke concurrentie tussen de exploitanten te garanderen moet de Commissie ertoe worden gemachtigd handelingen vast te stellen met betrekking tot de voor de douaneautoriteiten in derde landen bestemde documenten, met name biologische-uitvoercertificaten.

(100)

Om de transparantie van de erkennings- en toezichtprocedure voor controleautoriteiten en controleorganen in het kader van de invoer van aan de voorschriften beantwoordende biologische producten, alsmede de effectiviteit, de efficiëntie en de transparantie van de controles van ingevoerde producten te verzekeren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot verdere criteria voor de erkenning van controleautoriteiten en controleorganen in het kader van de invoer van biologische producten die aan deze verordening voldoen, alsmede aanvullende criteria voor de intrekking van een dergelijke erkenning, met betrekking tot de uitoefening van het toezicht van de door de Commissie erkende controleautoriteiten en controleorganen en met betrekking tot de controles en andere activiteiten die moeten worden verricht door controleautoriteiten en controleorganen die zijn voor dat doel zijn erkend.

(101)

Wanneer er ernstige of herhaalde overtredingen zijn ontdekt met betrekking tot de certificering of met betrekking tot de ingevolge deze verordening verrichte controles en maatregelen en wanneer de controleautoriteit of het controleorgaan in kwestie niet tijdig passende corrigerende maatregelen treft in antwoord op een verzoek van de Commissie, moet de erkenning van die controleautoriteit of dat controleorgaan onverwijld worden ingetrokken.

(102)

Met het oog op het beheer van de lijst van derde landen die in het kader van Verordening (EG) nr. 834/2007 voor gelijkwaardigheidsdoeleinden zijn erkend, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de informatie die die erkende derde landen dienen toe te zenden met het oog op het toezicht op hun erkenning en met betrekking tot de uitoefening van dat toezicht door de Commissie.

(103)

Bepaald moet worden dat het verkeer van biologische producten die aan deze verordening voldoen en die in een bepaalde lidstaat zijn gecontroleerd, in een andere lidstaat niet kan worden beperkt.

(104)

Om betrouwbare informatie te verkrijgen voor de tenuitvoerlegging van deze verordening, moeten de lidstaten de Commissie regelmatig de noodzakelijke informatie verstrekken. Omwille van de duidelijkheid en de transparantie moeten lidstaten lijsten van bevoegde autoriteiten, controleautoriteiten en controleorganen bijhouden. De lijst van controleautoriteiten en controleorganen moet door de lidstaten openbaar worden gemaakt en door de Commissie worden gepubliceerd.

(105)

Gezien de geleidelijke afschaffing van afwijkingen met betrekking tot het gebruik van niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal, niet-biologisch gehouden pluimvee en niet-biologisch gehouden vee voor reproductiedoeleinden, zou de Commissie moeten kijken naar de beschikbaarheid van dergelijk materiaal in biologische vorm op de markt van de Unie. Hiertoe en op basis van de gegevens over de beschikbaarheid van biologisch materiaal, verzameld via de databank en systemen die door de lidstaten zijn opgezet, moet de Commissie vijf jaar na de datum van toepassing van deze verordening een verslag indienen bij het Europees Parlement en de Raad over de beschikbaarheid van en de redenen voor een mogelijk beperkte toegang voor biologische exploitanten tot zulk materiaal.

(106)

Gezien de geleidelijke afschaffingen van afwijkingen met betrekking tot het gebruik van niet-biologische eiwithoudende diervoeders voor pluimvee en varkens en op basis van de gegevens die elk jaar door de lidstaten worden verstrekt over de beschikbaarheid van dergelijke eiwithoudende diervoeders in biologische vorm op de markt van de Unie, moet de Commissie vijf jaar na de datum van toepassing van deze verordening een verslag indienen bij het Europees Parlement en de Raad over de beschikbaarheid van en de redenen voor een mogelijk beperkte toegang voor biologische exploitanten tot dergelijke biologische eiwithoudende diervoeders.

(107)

Teneinde rekening te houden met de evolutie van de beschikbaarheid op de markt van biologisch plantaardig teeltmateriaal, biologische dieren en biologische eiwithoudende voeders voor pluimvee en varkens, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot verlenging of beëindiging van afwijkingen of machtigingen voor het gebruik van niet-biologisch teeltmateriaal, niet-biologische dieren en niet-biologische eiwithoudende diervoeders voor pluimvee en varkens.

(108)

Er moeten maatregelen worden vastgesteld die borg staan voor een vlotte overgang naar het rechtskader voor de invoer van biologische en omschakelingsproducten in de Unie, zoals dit bij deze verordening is gewijzigd.

(109)

Voorts moet er een termijn worden gesteld voor het verstrijken van de erkenning van controleautoriteiten en controleorganen met het oog op de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 834/2007 toegekende gelijkwaardigheid en moet worden bepaald hoe de situatie tot aan het verstrijken van die erkenning wordt aangepakt. Er moeten tevens bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot aanvragen voor erkenning die derde landen in het kader van Verordening (EG) nr. 834/2007 voor gelijkwaardigheidsdoeleinden hebben ingediend en die op de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening nog in behandeling zijn.

(110)

Met het oog op het beheer van de lijst van controleautoriteiten en controleorganen die in het kader van Verordening (EG) nr. 834/2007 voor gelijkwaardigheidsdoeleinden zijn erkend, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de informatie die deze controleautoriteiten en controleorganen dienen toe te zenden met het oog op het toezicht op hun erkenning, met betrekking tot de uitoefening van dat toezicht door de Commissie.

(111)

Met het oog op een vlottere afronding van het onderzoek van door derde landen voor gelijkwaardigheidsdoeleinden ingediende erkenningsaanvragen die bij de inwerkingtreding van de onderhavige verordening nog in behandeling zijn, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot procedurevoorschriften voor het onderzoek van de nog in behandeling zijnde verzoeken van derde landen.

(112)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend aan de Commissie ten aanzien van de documenten die moeten worden verstrekt met het oog op de erkenning van een eerdere periode als deel van de omschakelingsperiode, wat betreft de minimale termijn voor het voederen met moedermelk, van dieren die gezoogd worden, en bepaalde technische voorschriften voor de huisvesting van dieren en houderijpraktijken, wat betreft nadere regels per soort of per groep van soorten algen en aquacultuurdieren over de bezettingsdichtheid en de specifieke kenmerken voor productiesystemen en inperkingssystemen, met betrekking tot toegestane technieken die bij de verwerking van levensmiddelen en diervoeders, met betrekking tot de toelating voor producten en stoffen die mogen worden gebruikt in de biologische productie in het algemeen en in de productie van verwerkte biologische levensmiddelen in het bijzonder, alsmede de intrekking van een dergelijke toelating, en met betrekking tot de procedures voor de toelating en de lijsten van zulke producten en stoffen en, in voorkomend geval, de beschrijving, samenstellingseisen en gebruiksvoorwaarden van zulke producten.

(113)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de technische details voor het opzetten en het onderhouden van de databanken met lijsten van het beschikbare plantaardige biologische teeltmateriaal of plantaardige omschakelingsteeltmateriaal, verkregen volgens de biologische productiemethode, met betrekking tot de technische details voor het opzetten en onderhouden van de systemen voor de terbeschikkingstelling van gegevens over plantaardig biologisch teeltmateriaal of plantaardig omschakelingsteeltmateriaal of biologische dieren of aquacultuurjuvenielen, en de specificaties voor het verzamelen van gegevens voor dat doel, wat betreft de regelingen voor deelname van exploitanten aan die systemen, en met betrekking tot nadere gegevens inzake de informatie die de lidstaat moet verstrekken over de afwijkingen van het gebruik van biologisch plantaardig teeltmateriaal, biologische dieren en biologische diervoeders, en met betrekking tot de beschikbaarheid op de markt van bepaalde biologische producten.

(114)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend aan de Commissie met betrekking tot de maatregelen die door exploitanten moeten worden vastgesteld en geëvalueerd met als doel het risico op verontreiniging van biologische productie en producten met niet-toegelaten producten en stoffen aan het licht te brengen en te vermijden, wat betreft de procedurele stappen die moeten worden genomen in geval van een vermoeden van niet-naleving en de relevante documenten, wat betreft de methodologie voor de detectie en evaluatie van de aanwezigheid van niet-toegelaten producten en stoffen, en wat betreft de nadere gegevens en het formaat van de informatie die de lidstaten de Commissie en andere lidstaten moeten doen toekomen en over resultaten van de onderzoeken naar de aanwezigheid van niet-toegelaten producten of stoffen.

(115)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend aan de Commissie ten aanzien van de gedetailleerde voorschriften voor de etikettering van en de reclame voor bepaalde omschakelingsproducten, wat betreft de praktische regelingen voor gebruik, presentatie, samenstelling en grootte van de aanduidingen van de codenummers van de controleautoriteiten en controleorganen, en gebruik, presentatie, samenstelling en grootte van de vermelding van de plaats waar de agrarische grondstoffen zijn geteeld, wat betreft de toewijzing van codenummers aan controleautoriteiten en controleorganen en wat betreft de vermelding van de plaats waar de agrarische grondstoffen zijn geteeld.

(116)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten uitvoeringsbevoegdheden worden verleend aan de Commissie met betrekking tot de bijzonderheden en specificaties inzake de vorm en de technische middelen waarmee exploitanten en groepen exploitanten de bevoegde autoriteiten van hun activiteiten in kennis dienen te stellen, wat betreft de regelingen voor de bekendmaking van de lijsten van deze exploitanten en groepen exploitanten, met betrekking tot de procedures en de regelingen voor de bekendmaking van de vergoedingen die in verband met de controles mogen worden geïnd, met betrekking tot de bijzonderheden en specificaties inzake de vorm van het certificaat voor exploitanten en groepen exploitanten en de technische middelen waarmee het wordt afgegeven, wat betreft de samenstelling en omvang van groepen exploitanten, wat betreft de relevante documentatie- en boekhoudingssystemen, wat betreft het systeem voor interne traceerbaarheid en de lijst van exploitanten, alsmede wat betreft de uitwisseling van informatie tussen groepen exploitanten en bevoegde autoriteiten, controleautoriteiten of controleorganen, en de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie.

(117)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten uitvoeringsbevoegdheden worden verleend aan de Commissie met betrekking tot het minimumpercentage van alle officiële controles die moeten worden uitgevoerd zonder voorafgaande kennisgeving en het minimumpercentage aan aanvullende controles en met betrekking tot het minimumaantal monsters dat moet worden genomen en het minimumaantal exploitanten dat binnen een groep exploitanten moet worden gecontroleerd, wat betreft de gegevens om naleving aan te tonen, met betrekking tot verklaringen en andere communicatie die noodzakelijk zijn voor officiële controles, met betrekking tot de relevante praktische maatregelen die naleving moeten waarborgen, wat betreft uniforme regelingen voor de gevallen waarin de bevoegde autoriteiten maatregelen moeten nemen in verband met een vermoedelijke of vastgestelde niet-naleving, met betrekking tot de informatie die moet worden verstrekt in geval van vermoedelijke of vastgestelde niet-naleving, met betrekking tot de ontvangers van die informatie en met betrekking tot de procedures voor de verstrekking van zulke informatie, waaronder de functies van het computersysteem dat wordt gebruikt.

(118)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten uitvoeringsbevoegdheden worden verleend aan de Commissie met betrekking tot de inhoud van de inspectiecertificaten die worden afgegeven door derde landen, met betrekking tot de te volgen procedure voor afgifte en verificatie van zulke certificaten, met betrekking tot de technische middelen waarmee zulke certificaten worden afgegeven, met betrekking tot de erkenning van controleautoriteiten en controleorganen die bevoegd zijn om controles te verrichten en biologische certificaten af te geven in derde landen, alsmede de intrekking van een dergelijke erkenning, met betrekking tot het opstellen van de lijst van deze controleautoriteiten en controleorganen, met betrekking tot voorschriften die borg staan voor de toepassing van maatregelen in gevallen van vermeende of vastgestelde niet-naleving, met name die gevallen die van invloed zijn op de integriteit van geïmporteerde biologische producten of omschakelingsproducten, met betrekking tot de opstelling van een lijst van derde landen die erkend zijn op grond van artikel 33, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007 en de wijziging van deze lijst, en met betrekking tot voorschriften die borg staan voor de toepassing van maatregelen in gevallen van vermeende of vastgestelde niet-naleving, met name die gevallen die van invloed zijn op de integriteit van biologische producten of omschakelingsproducten uit die landen.

(119)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten uitvoeringsbevoegdheden worden verleend aan de Commissie met betrekking tot het systeem dat moet worden gebruikt voor de toezending van de benodigde informatie voor de tenuitvoerlegging van en het toezicht op deze verordening, met betrekking tot de bijzonderheden van de informatie die moet worden doorgegeven en de datum waarop die informatie moet worden toegezonden, en met betrekking tot het opstellen van de lijst van controleautoriteiten en controleorganen die zijn erkend op grond van artikel 33, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 en de wijziging van die lijst.

(120)

De uitvoeringsbevoegdheden die aan de Commissie worden overgedragen moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (31).

(121)

De Commissie moet ertoe worden gemachtigd om, in naar behoren gemotiveerde gevallen op het gebied van oneerlijke praktijken of praktijken die onverenigbaar zijn met de beginselen en regels inzake de biologische productie, op het gebied van de bescherming van het consumentenvertrouwen of op het gebied van de bescherming van de eerlijke concurrentie tussen exploitanten, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast te stellen wanneer dat om dwingende urgente redenen nodig is om de toepassing van maatregelen te verzekeren in gevallen van vermeende of vastgestelde niet-naleving die onder de controle van erkende controleautoriteiten of controleorganen vallen.

(122)

Er dient te worden voorzien in de mogelijkheid om voorraden van producten die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 834/2007 vóór de datum van toepassing van deze verordening zijn geproduceerd, na deze datum op te maken.

(123)

Daar de doelstellingen van deze verordening, met name het garanderen van eerlijke concurrentie, de goede werking van de interne markt voor biologische producten en het vertrouwen van de consument in die producten en in het logo voor de biologische productie van de Europese Unie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de vereiste harmonisering van de voorschriften inzake de biologische productie, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(124)

Bij de vaststelling van de datum van toepassing van deze verordening dient erop te worden toegezien dat de exploitanten zich aan de nieuwe voorschriften kunnen aanpassen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

VOORWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Voorwerp

Bij deze verordening worden de beginselen van de biologische productie vastgesteld alsmede de voorschriften inzake biologische productie, de gerelateerde certificering en het gebruik van aanduidingen die naar biologische productie verwijzen op etiketten en in reclame, alsmede controlevoorschriften in aanvulling op de in Verordening (EU) 2017/625 vastgestelde voorschriften.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op de volgende producten die afkomstig zijn van de landbouw, inclusief de aquacultuur en de bijenteelt, zoals vermeld in bijlage I bij het VWEU, en op producten die daarvan zijn afgeleid, indien deze producten worden geproduceerd in, bereid in, geëtiketteerd in, gedistribueerd in, in de handel gebracht in, ingevoerd in of uitgevoerd uit de Unie, of daartoe bestemd zijn:

a)

levende of onverwerkte landbouwproducten, met inbegrip van zaden en ander plantaardig teeltmateriaal;

b)

verwerkte landbouwproducten voor gebruik als levensmiddel;

c)

diervoeders.

Deze verordening is tevens van toepassing op bepaalde andere producten die nauw verband houden met de landbouw en opgenomen zijn in bijlage I bij de onderhavige verordening, indien deze producten worden geproduceerd in, bereid in, geëtiketteerd in, gedistribueerd in, in de handel gebracht in, ingevoerd in of uitgevoerd uit de Unie of daartoe bestemd zijn.

2.   Deze verordening is van toepassing op elke exploitant die, in om het even welk stadium van de productie, bereiding of distributie, betrokken is bij activiteiten met betrekking tot de in lid 1 bedoelde producten.

3.   Grootkeukendiensten die worden verricht door in artikel 2, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 1169/2011 omschreven grote cateraars, vallen niet onder deze verordening, met uitzondering van het in dit lid bepaalde.

De lidstaten kunnen nationale voorschriften of, bij ontstentenis daarvan, particuliere normen inzake de productie, etikettering en controle van producten afkomstig van grootkeukendiensten toepassen. Het logo voor de biologische productie van de Europese Unie wordt niet gebruikt in de etikettering, de presentatie of de reclame van zulke producten, en evenmin om reclame te maken voor grote cateraars.

4.   Tenzij anderszins is bepaald, is deze verordening van toepassing onverminderd gerelateerde wetgeving van de Unie, met name wetgeving op het gebied van veiligheid van de voedselketen, gezondheid en welzijn van dieren, gezondheid van planten en plantaardig teeltmateriaal.

5.   Deze verordening is van toepassing onverminderd andere specifieke Uniewetgeving inzake het in de handel brengen van producten, met name onverminderd Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (32) en Verordening (EU) nr. 1169/2011.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de lijst van producten in bijlage I te wijzigen door producten toe te voegen aan de lijst of door die toegevoegde gegevens te wijzigen. Alleen producten die nauw verband houden met de landbouw komen in aanmerking voor opname in die lijst.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „biologische productie”: het gebruik, ook tijdens de in artikel 10 bedoelde omschakelingsperiode, van productiemethoden die in overeenstemming zijn met deze verordening in alle stadia van de productie, bereiding en distributie;

2.   „biologisch product”: een van biologische productie afkomstig product dat niet geproduceerd is tijdens de in artikel 10 bedoelde omschakelingsperiode. De producten van jacht of visserij op in het wild levende dieren worden niet als biologische producten beschouwd;

3.   „agrarische grondstof”: een landbouwproduct dat geen handeling van verduurzaming of verwerking heeft ondergaan;

4.   „preventieve maatregelen”: maatregelen die exploitanten in elk stadium van de productie, bereiding en distributie moeten nemen om de instandhouding van de biodiversiteit en de bodemkwaliteit te waarborgen, maatregelen om plaagorganismen en ziekten te voorkomen en te bestrijden, en maatregelen die moeten worden genomen om nadelige gevolgen voor het milieu en de gezondheid van dieren en/of planten te vermijden;

5.   „voorzorgsmaatregelen”: maatregelen die exploitanten in elk stadium van de productie, bereiding en distributie moeten nemen om verontreiniging te vermijden met producten of stoffen die overeenkomstig deze verordening niet voor de biologische productie mogen worden gebruikt, en om vermenging van biologische en niet-biologische producten te vermijden;

6.   „omschakeling”: de overgang van de niet-biologische productie naar de biologische productie binnen een bepaalde periode, gedurende welke de bepalingen van deze verordening inzake biologische productie van toepassing zijn;

7.   „omschakelingsproduct”: een product dat tijdens de in artikel 10 bedoelde omschakelingsperiode wordt geproduceerd;

8.   „bedrijf”: alle productie-eenheden die door één bestuur worden beheerd met het oog op de productie van levende of onverwerkte landbouwproducten, waaronder producten uit de aquacultuur en de bijenhouderij, als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a), of andere in bijlage I genoemde producten dan etherische oliën en gist;

9.   „productie-eenheid”: alle activa van een bedrijf zoals primaire-productieruimten, percelen grond, weilanden, openluchtruimten, stallen of delen daarvan, bijenkorven, visvijvers, insluitingssystemen en -locaties voor algen of aquacultuurdieren, kweekeenheden, geconcessioneerde kust- of zeebodemlocaties, en plaatsen voor de opslag van gewassen, van gewasproducten, van algenproducten, van dierlijke producten, van grondstoffen en van andere relevante productiemiddelen die worden beheerd als beschreven in de punten 10, 11 of 12;

10.   „biologische productie-eenheid”: een productie-eenheid die, behalve tijdens de in artikel 10 bedoelde omschakelingsperiode, wordt beheerd overeenkomstig de voorschriften die van toepassing zijn op de biologische productie;

11.   „productie-eenheid in omschakeling”: een productie-eenheid die, tijdens de in artikel 10 bedoelde omschakelingsperiode, wordt beheerd volgens de voorschriften die van toepassing zijn op de biologische productie. Zij kan bestaan uit percelen grond of andere activa waarvoor de in artikel 10 bedoelde omschakelingsperiode op verschillende momenten aanvangt;

12.   „niet-biologische productie-eenheid”: een productie-eenheid die niet wordt beheerd overeenkomstig de voorschriften die van toepassing zijn op de biologische productie;

13.   „exploitant”: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de voorschriften van deze verordening in elk stadium van de productie, bereiding en distributie waarover hij gezag uitoefent;

14.   „landbouwer”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan wel een groep natuurlijke personen of rechtspersonen, die een landbouwactiviteit uitoefent, ongeacht de rechtspositie van die groep en haar leden volgens het nationale recht;

15.   „landbouwareaal”: landbouwareaal in de zin van artikel 4, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

16.   „planten”: planten in de zin van artikel 3, punt 5, van Verordening (EG) nr. 1107/2009;

17.   „plantaardig teeltmateriaal”: planten en alle delen van planten, met inbegrip van zaden, in elk groeistadium, die ertoe in staat zijn om en bedoeld zijn om volledige planten voort te brengen;

18.   „biologisch heterogeen materiaal”: een plantengroep binnen één botanisch taxon van de laagst bekende rang die:

a)

gemeenschappelijke fenotypische kenmerken heeft;

b)

gekenmerkt wordt door een hoog niveau van genetische en fenotypische diversiteit tussen afzonderlijke teelteenheden, zodat die plantengroep vertegenwoordigd wordt door het materiaal als geheel, en niet door een klein aantal eenheden;

c)

geen ras is in de zin van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad (33);

d)

geen mengsel van rassen is, en

e)

overeenkomstig deze verordening is geproduceerd;

19.   „voor biologische productie geschikt biologisch ras”: een ras in de zin van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2100/94 dat:

a)

gekenmerkt wordt door een hoog niveau van genetische en fenotypische diversiteit tussen afzonderlijke teelteenheden, en

b)

voortkomt uit biologische teeltpraktijken als bedoeld in deel I, punt 1.8.4, van bijlage II bij deze verordening;

20.   „moederplant”: een geïdentificeerde plant waarvan teeltmateriaal wordt genomen met het oog op het telen van nieuwe planten;

21.   „generatie”: een groep planten die samen één stap in een afstammingslijn van planten vormen;

22.   „plantaardige productie”: de productie van landbouwgewassen, met inbegrip van het oogsten van in het wild voorkomende plantaardige producten voor commerciële doeleinden;

23.   „plantaardige producten”: plantaardige producten in de zin van artikel 3, punt 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009;

24.   „plaagorganisme”: een plaagorganisme in de zin van artikel 1, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad (34);

25.   „biodynamische bereidingen”: traditioneel in de biodynamische landbouw gebruikte mengsels;

26.   „gewasbeschermingsmiddelen”: de in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde producten;

27.   „dierlijke productie”: de productie van als huisdier of gedomesticeerde landdieren, met inbegrip van insecten;

28.   „veranda”: een extra, overdekte, niet-geïsoleerde buitenruimte van een pluimveestal met aan de langste zijde gewoonlijk een afsluiting van metaaldraad of metaalgaas, met een buitenklimaat, met natuurlijke en, waar nodig, kunstmatige verlichting en met een van strooisel voorziene vloer;

29.   „jonge hennen”: jonge dieren van de soort Gallus gallus die jonger zijn dan 18 weken;

30.   „leghennen”: dieren van de soort Gallus gallus die worden gehouden voor de productie van consumptie-eieren en ten minste 18 weken oud zijn;

31.   „bruikbare oppervlakte”: bruikbare oppervlakte in de zin van artikel 2, lid 2, onder d), van Richtlijn 1999/74/EG van de Raad (35);

32.   „aquacultuur”: aquacultuur in de zin van artikel 4, lid 1, punt 25), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (36);

33.   „aquacultuurproducten”: aquacultuurproducten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 34), van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

34.   „gesloten recirculatievoorziening voor aquacultuur”: een op het land of op een vaartuig gelegen aquacultuurvoorziening waarin het water in een gesloten circuit wordt rondgepompt en waar permanent externe energie nodig is om de omgeving voor de aquacultuurdieren te stabiliseren;

35.   „energie uit hernieuwbare bronnen”: energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen zoals wind, zon, geothermische warmte, golfslag, getij, waterkracht, stortgas, gas van rioolwaterzuiveringsinstallaties en biogassen;

36.   „broedkamer”: ruimte om aquacultuurdieren, in het bijzonder vis, schelpdieren en schaaldieren, in de vroege levensstadia te reproduceren, uit te broeden en te kweken;

37.   „kweekkamer”: ruimte voor een tussenstadium in het systeem voor aquacultuurproductie die volgt op het broedstadium en voorafgaat aan het opkweekstadium. Het kweekkamerstadium wordt tijdens het eerste derde deel van de productiecyclus afgerond, behalve wanneer de soorten zich in een smoltificatieproces bevinden;

38.   „waterverontreiniging”: verontreiniging in de zin van artikel 2, punt 33, van Richtlijn 2000/60/EG en in artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (37), in wateren waarop elk van deze richtlijnen van toepassing is;

39.   „polycultuur”: het kweken in aquacultuur van twee of meer soorten van doorgaans verschillende trofische niveaus in dezelfde kweekeenheid;

40.   „productiecyclus”: de levenscyclus van aquacultuurdieren of algen vanaf de prilste levensfase (bevruchte eitjes in het geval van aquacultuurdieren) tot de oogst;

41.   „plaatselijk gekweekte soorten”: andere aquacultuursoorten dan de uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende aquacultuursoorten in de zin van artikel 3, punt 6 respectievelijk punt 7, van Verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad (38), alsmede de in bijlage IV bij die verordening vermelde soorten;

42.   „diergeneeskundige behandeling”: elke curatieve of preventieve behandeling van een specifiek ziektegeval;

43.   „diergeneesmiddel”: geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik in de zin van artikel 1, punt 2, van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad (39);

44.   „bereiding”: alle handelingen van verduurzaming of verwerking van biologische producten of omschakelingsproducten, alsmede alle andere handelingen die op een onverwerkt product worden verricht zonder het oorspronkelijke product te veranderen, waaronder slachten, uitsnijden, schoonmaken of malen, alsmede verpakken, etiketteren of wijzigen van de etikettering in verband met de biologische productie;

45.   „levensmiddel”: een levensmiddel in de zin van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (40);

46.   „diervoeders”: diervoeders in de zin van artikel 3, punt 4, van Verordening (EG) nr. 178/2002;

47.   „voedermiddelen”: voedermiddelen in de zin van artikel 3, lid 2, onder g), van Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad (41);

48.   „in de handel brengen”: in de handel brengen in de zin van artikel 3, punt 8, van Verordening (EG) nr. 178/2002;

49.   „traceerbaarheid”: het vermogen tot het traceren en het volgen van levensmiddelen, diervoeders of een van de in artikel 2, lid 1, bedoelde producten, alsook van om het even welke stof die bestemd is om in levensmiddelen, diervoeders of een in artikel 2, lid 1, bedoeld product te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin wordt verwerkt, in alle stadia van de productie, bereiding en distributie;

50.   „stadium van de productie, bereiding en distributie”: elk stadium vanaf de primaire productie van een biologisch product, nadien de opslag, de verwerking, het vervoer, en tot slot de verkoop of de levering daarvan aan de eindverbruiker, in voorkomend geval met inbegrip van etikettering, reclame, invoer, uitvoer en onderaanneming;

51.   „ingrediënt”: een ingrediënt in de zin van artikel 2, lid 2, onder f), van Verordening (EU) nr. 1169/2011 of, voor andere producten dan levensmiddelen, elke stof die of elk product dat gebruikt wordt bij het vervaardigen of bereiden van producten en nog aanwezig is in het eindproduct, al dan niet in gewijzigde vorm;

52.   „etikettering”: de vermeldingen, aanduidingen, handelsmerken, handelsnamen, afbeeldingen of tekens betreffende een product op verpakkingen, documenten, bordjes, etiketten, ringen of banden die dat product vergezellen of op dat product betrekking hebben;

53.   „reclame”: iedere manier, behalve etikettering, om producten aan het publiek voor te stellen met als doel of als waarschijnlijk gevolg houdingen, overtuigingen en gedragingen te beïnvloeden en te vormen, teneinde direct of indirect de verkoop van producten te bevorderen;

54.   „bevoegde autoriteiten”: bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 3, punt 3, van Verordening (EU) 2017/625;

55.   „controleautoriteit”: een controleautoriteit voor biologische producten in de zin van artikel 3, punt 4, van Verordening (EU) 2017/625 of een autoriteit die door de Commissie of een door de Commissie erkend derde land is erkend om in derde landen controles te verrichten met betrekking tot de invoer van biologische en omschakelingsproducten in de Unie;

56.   „controleorgaan”: een gemachtigde instantie in de zin van artikel 3, punt 5, van Verordening (EU) 2017/625 of een instantie die door de Commissie of een door de Commissie erkend derde land is erkend om in derde landen controles te verrichten met betrekking tot de invoer van biologische en omschakelingsproducten in de Unie;

57.   „niet-naleving”: niet-naleving van deze verordening of niet-naleving van de overeenkomstig deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen;

58.   „genetisch gemodificeerd organisme” of „ggo”: een genetisch gemodificeerd organisme in de zin van artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (42) dat niet is verkregen met behulp van de in bijlage I.B bij die richtlijn genoemde genetische-modificatietechnieken;

59.   „met ggo’s geproduceerd”: geheel of gedeeltelijk afgeleid van ggo’s maar geen ggo’s bevattend en niet uit ggo’s bestaand;

60.   „door ggo’s geproduceerd”: afgeleid door gebruik te maken van een ggo als laatste levend organisme in het productieproces, maar geen ggo’s bevattend, niet uit ggo’s bestaand, noch met ggo’s geproduceerd;

61.   „levensmiddelenadditief”: een levensmiddelenadditief in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad (43);

62.   „diervoederadditieven”: toevoegingsmiddelen in de zin van artikel 2, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad (44);

63.   „technisch vervaardigd nanomateriaal”: een technisch vervaardigd nanomateriaal in de zin van artikel 3, lid 2, onder f), van Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad (45);

64.   „gelijkwaardigheid”: het voldoen aan dezelfde doelstellingen en beginselen door de toepassing van voorschriften die hetzelfde niveau aan conformiteit garanderen;

65.   „technische hulpstof”: een technische hulpstof in de zin van artikel 3, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1333/2008 voor levensmiddelen, en in de zin van artikel 2, lid 2, onder h) van Verordening (EG) nr. 1831/2003 voor diervoeders;

66.   „voedingsenzym”: een voedingsenzym in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1332/2008 van het Europees Parlement en de Raad (46);

67.   „ioniserende straling”: ioniserende straling in de zin van artikel 4, punt 46, van Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad (47);

68.   „voorverpakt levensmiddel”: voorverpakt levensmiddel in de zin van artikel 2, lid 2, onder e), van Verordening (EU) nr. 1169/2011;

69.   „pluimveestal”: een vaste of mobiele constructie voor het onderbrengen van pluimveekoppels, welke alle oppervlakken met daken, met inbegrip van veranda’s, omvat; de stal kan zijn onderverdeeld in afzonderlijke compartimenten voor elk pluimveekoppel;

70.   „bodemgebonden gewassenteelt”: de productie in levende bodem of in bodem die is vermengd of bemest met materialen en producten die zijn toegestaan in het kader van biologische productie, in contact met de ondergrond en het vast gesteente;

71.   „onverwerkte producten”: onverwerkte producten in de zin van artikel 2, lid 1, onder n), van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad (48), ongeacht verpakkings- of etiketteringshandelingen;

72.   „verwerkte producten”: verwerkte producten in de zin van artikel 2, lid 1, onder o), van Verordening (EG) nr. 852/2004, ongeacht verpakkings- of etiketteringshandelingen;

73.   „verwerking”: verwerking in de zin van artikel 2, lid 1, onder m), van Verordening (EG) nr. 852/2004; dit omvat het gebruik van de in de artikelen 24 en 25 van de onderhavige verordening bedoelde stoffen, maar niet verpakkings- of etiketteringshandelingen;

74.   „integriteit van biologische producten of van omschakelingsproducten”: het feit dat het product niet doet blijken van een niet-naleving die:

a)

in om het even welk stadium van de productie, bereiding en distributie gevolgen heeft voor de biologische dan wel omschakelingskenmerken van het product, of

b)

herhaaldelijk of opzettelijk is;

75.   „omheinde ruimte”: een afgebakende zone met een gedeelte waarin de dieren beschut zijn tegen ongunstige weersomstandigheden.

HOOFDSTUK II

DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN VAN DE BIOLOGISCHE PRODUCTIE

Artikel 4

Doelstellingen

Met biologische productie worden de volgende algemene doelstellingen nagestreefd:

a)

bijdragen aan de bescherming van het milieu en het klimaat;

b)

in stand houden van de vruchtbaarheid van de bodem op lange termijn;

c)

bijdragen aan een hoog niveau van biodiversiteit;

d)

in aanzienlijke mate bijdragen aan een niet-toxisch milieu;

e)

bijdragen aan hoge normen voor dierenwelzijn en in het bijzonder aan het voldoen aan de soortspecifieke gedragsbehoeften van dieren;

f)

bevorderen van korte distributiekanalen en lokale productie in de diverse gebieden van de Unie;

g)

bevorderen van de instandhouding van zeldzame en inheemse rassen die met uitsterven zijn bedreigd;

h)

bijdragen aan de ontwikkeling van het aanbod van plantgenetisch materiaal dat is aangepast aan de specifieke behoeften en doelstellingen van de biologische landbouw;

i)

bijdragen aan een hoog niveau van biodiversiteit, met name door gebruik te maken van diverse plantgenetische materialen, zoals biologische heterogene materialen en voor de biologische productie geschikte biologische rassen;

j)

bevorderen van de ontwikkeling van biologische teeltpraktijken om bij te dragen aan gunstige economische vooruitzichten voor de biologische sector.

Artikel 5

Algemene beginselen

De biologische productie is een duurzaam beheersysteem dat is gebaseerd op de volgende algemene beginselen:

a)

eerbied voor de systemen en cycli van de natuur, het behoud en de verbetering van de toestand van bodem, water en lucht, van de gezondheid van planten en dieren, alsmede van het evenwicht daartussen;

b)

de instandhouding van natuurlijke landschapselementen zoals natuurlijk erfgoed;

c)

het verantwoord gebruik van energie en natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem, organische stoffen en lucht;

d)

de productie van een grote verscheidenheid aan hoogwaardige levensmiddelen en andere landbouw- en aquacultuurproducten die beantwoorden aan de vraag van de consument naar goederen die worden geproduceerd met processen die geen schade toebrengen aan het milieu, de gezondheid van de mens, de gezondheid van planten of de gezondheid en het welzijn van dieren;

e)

het waarborgen van de integriteit van de biologische productie in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen en diervoeders;

f)

het passend ontwerpen en beheren van biologische processen, gebaseerd op ecologische systemen en met gebruikmaking van natuurlijke hulpbronnen die intern zijn aan het beheerssysteem, waarbij gebruik wordt gemaakt van methoden:

i)

waarbij levende organismen en mechanische productiemethoden worden gebruikt;

ii)

waarbij op bodemgebonden wijze gewassen worden geteeld of op grondgebonden wijze dierlijke productie plaatsvindt of waarbij aquacultuur wordt bedreven volgens het beginsel van de duurzame exploitatie van aquatische hulpbronnen;

iii)

waarbij het gebruik van ggo’s, met ggo’s geproduceerde producten en door ggo’s geproduceerde producten, met uitzondering van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, uitgesloten wordt;

iv)

die gebaseerd zijn op risicobeoordeling en, in voorkomend geval, op het gebruik van voorzorgsmaatregelen en preventieve maatregelen;

g)

de beperking van het gebruik van externe productiemiddelen; waar externe productiemiddelen vereist zijn of de in punt f) bedoelde passende beheerpraktijken en -methoden niet bestaan, worden de externe productiemiddelen beperkt tot:

i)

productiemiddelen van de biologische productie; in geval van plantaardig teeltmateriaal wordt de voorkeur gegeven aan rassen die geselecteerd zijn op hun vermogen om te beantwoorden aan de specifieke behoeften en doelstellingen van de biologische landbouw;

ii)

natuurlijke stoffen of natuurlijke derivaten;

iii)

minerale meststoffen met een lage oplosbaarheid;

h)

de aanpassing van het productieproces, waar nodig en in het kader van deze verordening, om rekening te houden met de gezondheidstoestand, regionale verschillen in ecologisch evenwicht, klimatologische en plaatselijke omstandigheden, ontwikkelingsstadia en specifieke houderijpraktijken;

i)

de uitsluiting uit de volledige biologische voedselketen van het klonen van dieren, van het houden van dieren met kunstmatig geïnduceerde polyploïdie en van ioniserende straling;

j)

de inachtneming van een hoog niveau van dierenwelzijn, rekening houdend met soortspecifieke behoeften.

Artikel 6

Specifieke beginselen voor landbouwactiviteiten en aquacultuur

Wat betreft landbouwactiviteiten en aquacultuur is de biologische productie met name gebaseerd op de volgende specifieke beginselen:

a)

de instandhouding en verbetering van het bodemleven en de natuurlijke bodemvruchtbaarheid, de bodemstabiliteit, het waterhoudend vermogen van de bodem en de biodiversiteit van de bodem, het voorkomen en bestrijden van verlies van in de bodem aanwezige organisch materiaal, bodemverdichting en bodemerosie, en het — voornamelijk via het bodemecosysteem — voeden van gewassen;

b)

de beperking van het gebruik van niet-hernieuwbare hulpbronnen en externe productiemiddelen tot een minimum;

c)

het recyclen van afval en bijproducten van plantaardige en dierlijke oorsprong tot productiemiddelen voor de plantaardige en de dierlijke productie;

d)

de instandhouding van de gezondheid van planten door middel van preventieve maatregelen, met name de keuze van tegen plaagorganismen en ziekten resistente soorten, rassen of heterogeen materiaal, passende vruchtwisseling, mechanische en fysieke methoden en de bescherming van natuurlijke vijanden van plaagorganismen;

e)

het gebruik van zaden en dieren met een hoog gehalte aan genetische diversiteit, een hoge ziekteresistentie en een lange levensduur;

f)

de inachtneming, bij de keuze van plantenrassen, van de kenmerken van specifieke biologische-productiesystemen, met het accent op agronomische prestaties, ziekteresistentie, aanpassing aan plaatselijke bodem- en klimaatomstandigheden en eerbiediging van natuurlijke kruisingsbeperkingen;

g)

het gebruik van biologisch plantaardig teeltmateriaal zoals plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal en van voor de biologische productie geschikte biologische rassen;

h)

de productie van biologische rassen aan de hand van hun natuurlijk voortplantingsvermogen, met inachtneming van de natuurlijke kruisingsbeperkingen;

i)

onverminderd artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2100/94 en de nationale kwekersrechten uit hoofde van het nationale recht van de lidstaten, de mogelijkheid voor landbouwers om plantaardig teeltmateriaal van hun eigen bedrijven te gebruiken om genetische hulpbronnen te ontwikkelen die zijn aangepast aan de bijzondere kenmerken van de biologische productie;

j)

de inachtneming, bij de keuze van dierenrassen, van een grote genetische diversiteit, het vermogen van dieren om zich aan plaatselijke omstandigheden aan te passen, hun fokwaarde, hun levensduur, hun vitaliteit en hun resistentie tegen ziekten of gezondheidsproblemen;

k)

het beoefenen van een aan de locatie aangepaste en grondgebonden dierlijke productie;

l)

de toepassing van dierhouderijpraktijken die het immuunsysteem versterken en de natuurlijke resistentie tegen ziekten verhogen, waaronder regelmatige beweging en toegang tot openluchtruimten en tot weidegronden;

m)

het voederen van dieren met biologische diervoeders die bestaan uit biologisch geproduceerde ingrediënten van agrarische oorsprong en uit natuurlijke stoffen van niet-agrarische oorsprong;

n)

de productie van biologische dierlijke producten van dieren die sinds geboorte of het uitkomen van de eieren gedurende hun hele leven op biologische bedrijven hebben verbleven;

o)

de voortdurende gezondheid van het watermilieu en de kwaliteit van de omliggende water- en land-ecosystemen;

p)

het voederen van in het water levende organismen met diervoeders afkomstig uit de duurzaam geëxploiteerde visserij overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013, of met biologische diervoeders die bestaan uit biologisch geproduceerde ingrediënten van agrarische oorsprong, met inbegrip van de biologische aquacultuur, en van natuurlijke stoffen van niet-agrarische oorsprong;

q)

vermijden dat vanuit instandhoudingsoogpunt belangrijke soorten bedreigd worden als gevolg van de biologische productie.

Artikel 7

Specifieke beginselen voor de verwerking van biologische levensmiddelen

De productie van verwerkte biologische levensmiddelen is met name gebaseerd op de volgende specifieke beginselen:

a)

de productie van biologische levensmiddelen met biologische ingrediënten van agrarische oorsprong;

b)

de beperking van het gebruik van levensmiddelenadditieven, niet-biologische ingrediënten met een hoofdzakelijk technologische en sensorische functie, en micronutriënten en technische hulpstoffen, zodat zij zo weinig mogelijk en alleen in gevallen van wezenlijke technologische noodzaak of voor bijzondere voedingsgerelateerde doeleinden worden gebruikt;

c)

de uitsluiting van stoffen en verwerkingsmethoden die misleidend kunnen zijn met betrekking tot de ware aard van het product;

d)

de zorgvuldige verwerking van biologische levensmiddelen, bij voorkeur door het gebruik van biologische, mechanische en fysieke methoden;

e)

de uitsluiting van levensmiddelen die vervaardigde nanomaterialen bevatten of daaruit bestaan.

Artikel 8

Specifieke beginselen voor de verwerking van biologische diervoeder

De productie van verwerkte biologische diervoeders is met name gebaseerd op de volgende specifieke beginselen:

a)

de productie van biologische diervoeders met biologische voedermiddelen;

b)

de beperking van het gebruik van diervoederadditieven en technische hulpstoffen, zodat zij zo weinig mogelijk en alleen in gevallen van wezenlijke technologische of zoötechnische noodzaak of voor bijzondere voedingsgerelateerde doeleinden worden gebruikt;

c)

de uitsluiting van stoffen en verwerkingsmethoden die misleidend kunnen zijn met betrekking tot de ware aard van het product;

d)

de zorgvuldige verwerking van biologische diervoeders, bij voorkeur door gebruik van biologische, mechanische en fysieke methoden.

HOOFDSTUK III

PRODUCTIEVOORSCHRIFTEN

Artikel 9

Algemene productievoorschriften

1.   De exploitanten nemen de in dit artikel opgenomen algemene productievoorschriften in acht.

2.   Het volledige bedrijf wordt beheerd overeenkomstig de vereisten die krachtens deze verordening gelden voor de biologische productie.

3.   Voor de toepassing en het gebruik als bedoeld in de artikelen 24 en 25 en in bijlage II mogen in de biologische productie alleen uit hoofde van die bepalingen toegelaten producten en stoffen worden gebruikt, mits het gebruik ervan ook is toegelaten in de niet-biologische productie overeenkomstig de Unierechtelijke bepalingen ter zake en, in voorkomend geval, daarop gebaseerde nationale bepalingen.

De volgende in artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde producten en stoffen mogen in de biologische productie worden gebruikt, mits zij zijn toegelaten op grond van die verordening:

a)

beschermstoffen, synergisten en formuleringshulpstoffen als bestanddeel van gewasbeschermingsmiddelen;

b)

toevoegingsstoffen die met gewasbeschermingsmiddelen moeten worden gemengd.

Producten en stoffen mogen in de biologische landbouw worden gebruikt voor andere dan de onder deze verordening vallende doeleinden, mits hun gebruik in overeenstemming is met de beginselen van hoofdstuk II.

4.   Ioniserende straling mag niet worden gebruikt bij de behandeling van biologische levensmiddelen of diervoeders, noch bij de behandeling van daarin gebruikte grondstoffen.

5.   Het klonen van dieren en het houden van kunstmatig gefokte polyploïde dieren zijn verboden.

6.   In voorkomend geval worden in elk stadium van de productie, bereiding en distributie preventieve maatregelen en voorzorgsmaatregelen genomen.

7.   Niettegenstaande lid 2 kan een bedrijf worden opgedeeld in duidelijk en daadwerkelijk gescheiden productie-eenheden voor biologische en niet-biologische productie en productie in omschakeling, mits voor de niet-biologische productie-eenheden het volgende geldt:

a)

wat dieren betreft, zijn verschillende soorten betrokken;

b)

wat planten betreft, zijn verschillende rassen betrokken die gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

Wat algen en aquacultuurdieren betreft, mag het om dezelfde soorten gaan, mits de productielocaties of -eenheden duidelijk en daadwerkelijk gescheiden zijn.

8.   In afwijking van lid 7, onder b), mag het, wat blijvende gewassen met een teeltperiode van ten minste drie jaar betreft, gaan om verschillende rassen die niet gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn of om dezelfde rassen, mits de betrokken productie in het kader van een omschakelingsplan plaatsvindt en mits de omschakeling van het laatste gedeelte van de betrokken productieoppervlakte naar de biologische productie zo snel mogelijk van start gaat en uiterlijk binnen vijf jaar wordt voltooid.

In dergelijke gevallen:

a)

stelt de landbouwer de bevoegde autoriteit of in voorkomend geval de controleautoriteit of het controleorgaan ten minste 48 uur van tevoren in kennis van het begin van de oogst van elk van de betrokken producten;

b)

deelt de landbouwer na de oogst aan de bevoegde autoriteit of in voorkomend geval aan de controleautoriteit of het controleorgaan mee welke hoeveelheden er precies van de betrokken eenheden zijn geoogst, en welke maatregelen zijn genomen om de producten van elkaar te scheiden;

c)

worden het omschakelingsplan en de maatregelen voor een daadwerkelijke en duidelijke scheiding jaarlijks na de start van het omschakelingsplan bevestigd door de bevoegde autoriteit of in voorkomend geval door de controleautoriteit of het controleorgaan.

9.   De voorschriften inzake verschillende soorten en rassen die zijn neergelegd in lid 7, onder a) en b), zijn niet van toepassing in het geval van onderzoeks- en opleidingscentra, plantenkwekerijen, zaadvermeerderingsbedrijven en reproductiehandelingen.

10.   Indien, in de gevallen bedoeld in de leden 7, 8 en 9, niet alle productie-eenheden van een bedrijf volgens de beginselen van de biologische productie worden beheerd:

a)

houden de exploitanten de producten die worden gebruikt voor de biologische productie-eenheden en de productie-eenheden in omschakeling gescheiden van de producten die worden gebruikt voor de niet-biologische productie-eenheden;

b)

houden de exploitanten de producten die respectievelijk door de biologische productie-eenheden, door de productie-eenheden in omschakeling en door de niet-biologische productie-eenheden zijn geproduceerd van elkaar gescheiden;

c)

houden de exploitanten de nodige registers bij om de daadwerkelijke scheiding van de productie-eenheden en de producten aan te tonen.

11.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van lid 7 van dit artikel door de toevoeging van nadere regels over het opdelen van een bedrijf in biologische productie-eenheden, productie-eenheden in omschakeling en niet-biologische productie-eenheden, met name met betrekking tot de in bijlage I vermelde producten, of door de wijziging van die toegevoegde regels.

Artikel 10

Omschakeling

1.   Landbouwers en exploitanten die algen of aquacultuurdieren produceren, nemen een omschakelingsperiode in acht. Gedurende de hele omschakelingsperiode passen zij alle in deze verordening vastgestelde voorschriften inzake de biologische productie toe, met name de toepasselijke omschakelingsvoorschriften van dit artikel en van bijlage II.

2.   De omschakelingsperiode begint ten vroegste wanneer de landbouwer of de exploitant die algen of aquacultuurdieren produceert, de activiteit heeft gemeld aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 34, lid 1, in de lidstaat waar de activiteit wordt verricht en waar het bedrijf van die landbouwer of exploitant aan het controlesysteem is onderworpen.

3.   Eerdere perioden mogen niet met terugwerkende kracht als deel van de omschakelingsperiode worden erkend, tenzij:

a)

met betrekking tot de percelen grond van de exploitant maatregelen zijn vastgesteld in het kader van een programma dat is uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013, met als doel te garanderen dat op die percelen grond geen andere producten of stoffen zijn gebruikt dan die welke voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten, of

b)

de exploitant het bewijs kan leveren dat de percelen grond natuur- of landbouwgebieden zijn die gedurende een periode van ten minste drie jaar niet zijn behandeld met producten of stoffen die niet voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten.

4.   Gedurende de omschakelingsperiode geproduceerde producten mogen niet als biologische producten of als omschakelingsproducten in de handel worden gebracht.

De volgende producten die overeenkomstig lid 1 gedurende de omschakelingsperiode zijn geproduceerd kunnen echter wel in de handel worden gebracht als omschakelingsproducten:

a)

plantaardig teeltmateriaal, op voorwaarde dat een omschakelingsperiode van ten minste twaalf maanden in acht is genomen;

b)

levensmiddelen van plantaardige oorsprong en voedermiddelen van plantaardige oorsprong, mits het product slechts één gewasingrediënt van agrarische oorsprong bevat en mits vóór de oogst een omschakelingsperiode van ten minste twaalf maanden in acht is genomen.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II, deel II, punt 1.2.2, door de toevoeging van voorschriften met betrekking tot de omschakeling voor andere soorten dan die welke op 17 juni 2018 zijn geregeld in bijlage II, deel II, of door de wijziging van die toegevoegde voorschriften.

6.   De Commissie stelt in voorkomend geval uitvoeringshandelingen vast om te preciseren welke documenten moeten worden verstrekt met het oog op de erkenning met terugwerkende kracht van een eerdere periode overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 11

Verbod op het gebruik van ggo’s

1.   Ggo’s, met ggo’s geproduceerde producten en door ggo’s geproduceerde producten mogen in de biologische productie niet worden gebruikt in levensmiddelen of diervoeders, of als levensmiddel, diervoeder, technische hulpstof, gewasbeschermingsmiddel, meststof, bodemverbeteraar, plantaardig teeltmateriaal, micro-organisme of dieren.

2.   Voor de toepassing van het in lid 1 bedoelde verbod mogen de exploitanten, met betrekking tot het gebruik van ggo’s en met ggo’s geproduceerde producten voor levensmiddelen of diervoeders, vertrouwen op de etikettering van een product die is aangebracht of verstrekt overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG, Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (49) of Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad (50) of op enig begeleidend document dat dienovereenkomstig is verstrekt.

3.   Exploitanten mogen ervan uitgaan dat bij de vervaardiging van gekochte levensmiddelen en diervoeders die niet overeenkomstig de in lid 2 vermelde wetgeving zijn geëtiketteerd of zijn voorzien van begeleidende documenten, geen ggo’s of met ggo’s geproduceerde producten zijn gebruikt, tenzij zij over andere informatie beschikken die erop wijst dat de etikettering van de betrokken producten niet met de reeds genoemde wetgeving strookt.

4.   Voor de toepassing van het in lid 1 bedoelde verbod eisen exploitanten die van derden gekochte niet-biologische producten gebruiken, met betrekking tot producten die niet onder de leden 2 en 3 vallen, van de verkoper dat deze bevestigt dat die producten niet met of door ggo’s zijn geproduceerd.

Artikel 12

Voorschriften voor de plantaardige productie

1.   Exploitanten die planten of plantaardige producten produceren, nemen met name de gedetailleerde voorschriften van bijlage II, deel I, in acht.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van:

a)

bijlage II, deel I, punten 1.3 en 1.4, met betrekking tot afwijkingen;

b)

bijlage II, deel I, punt 1.8.5, met betrekking tot het gebruik van omschakelings- en niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal;

c)

bijlage II, deel I, punt 1.9.5, door de toevoeging van nadere bepalingen inzake overeenkomsten tussen exploitanten van landbouwbedrijven, of door de wijziging van die toegevoegde bepalingen;

d)

bijlage II, deel I, punt 1.10.1, door de toevoeging van nadere maatregelen inzake het beheer van plaagorganismen en onkruid, of door de wijziging van die toegevoegde maatregelen;

e)

bijlage II, deel I, door de toevoeging van nadere gedetailleerde voorschriften en teeltpraktijken voor specifieke planten en plantaardige producten, waaronder voorschriften voor gekiemde zaden, of door de wijziging van die toegevoegde voorschriften.

Artikel 13

Specifieke bepalingen voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal

1.   Plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal kan in de handel worden gebracht zonder dat is voldaan aan de voorschriften voor de registratie en zonder dat is voldaan aan de certificeringscategorieën van prebasismateriaal, basismateriaal en gecertificeerd materiaal, of aan de voorschriften voor andere categorieën, die zijn vervat in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 98/56/EG, 2002/53/EG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG of in op grond van die richtlijnen vastgestelde handelingen.

2.   Plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal als bedoeld in lid 1 mag in de handel worden gebracht na een kennisgeving van het biologisch heterogeen materiaal door de leverancier aan de bevoegde officiële instanties bedoeld in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 98/56/EG, 2002/53/EG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG door middel van een dossier met daarin:

a)

de contactgegevens van de aanvrager;

b)

de soort en benaming van het biologisch heterogeen materiaal;

c)

de beschrijving van de belangrijke agronomische en fenotypische kenmerken die de groep planten gemeen heeft, waaronder de teeltmethoden, beschikbare testresultaten met betrekking tot die kenmerken, het land van productie en het gebruikte oudermateriaal;

d)

een verklaring van de aanvrager betreffende de waarachtigheid van de elementen in de punten a), b) en c), en

e)

een representatief monster.

De kennisgeving wordt aangetekend verzonden, of via enig ander communicatiemiddel dat door de officiële instanties wordt aanvaard, met verzoek om een ontvangstbevestiging.

Drie maanden na de datum op de ontvangstbevestiging wordt de verantwoordelijke officiële instantie geacht kennis te hebben genomen van de kennisgeving en de inhoud ervan, mits geen aanvullende informatie werd gevraagd of aan de leverancier niet werd meegedeeld dat het dossier formeel geweigerd werd op grond van onvolledigheid of niet-naleving in de zin van artikel 3, punt 57.

Na expliciete of impliciete kennisneming van de kennisgeving kan de verantwoordelijke officiële instantie het biologisch heterogeen materiaal waarvan kennis is gegeven, in de lijst opnemen. De opneming op de lijst is kosteloos voor de leverancier.

De opneming op de lijst van enig biologisch heterogeen materiaal wordt meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en aan de Commissie.

Dergelijk biologisch heterogeen materiaal voldoet aan de voorschriften die zijn neergelegd in de overeenkomstig lid 3 vastgestelde gedelegeerde handelingen.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen met voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal van bepaalde genera of soorten, met betrekking tot:

a)

de beschrijving van het biologisch heterogeen materiaal, waaronder informatie over de gebruikte kweek- en productiemethoden en het gebruikte oudermateriaal;

b)

de minimale kwaliteitsvereisten voor de partijen zaden, onder meer inzake identiteit, specifieke zuiverheid, kiemgetallen en gezondheidskwaliteit;

c)

etikettering en verpakking;

d)

de informatie en productiemonsters die de exploitanten moeten bijhouden;

e)

in voorkomend geval, de instandhouding van het biologisch heterogeen materiaal.

Artikel 14

Voorschriften voor de dierlijke productie

1.   Exploitanten van dierlijke productie nemen met name de gedetailleerde productievoorschriften van bijlage II, deel II, en van elke in lid 3 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling in acht.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van:

a)

bijlage II, deel II, punt 1.3.4.2, punt 1.3.4.4.2 en punt 1.3.4.4.3, door het verlagen van de percentages wat betreft de herkomst van dieren, zodra is vastgesteld dat in de Uniehandel voldoende biologisch gehouden dieren beschikbaar zijn;

b)

bijlage II, deel II, punt 1.6.6, met betrekking tot de grenswaarde voor biologische stikstof in verband met de totale bezettingsdichtheid;

c)

bijlage II, deel II, punt 1.9.6.2, onder b), met betrekking tot het voederen van bijenkolonies;

d)

bijlage II, deel II, punt 1.9.6.3, onder b) en onder e), met betrekking tot de aanvaardbare behandelingen voor de ontsmetting van bijenstallen en de methoden en behandelingen ter bestrijding van Varroa destructor;

e)

bijlage II, deel II, door de toevoeging van gedetailleerde voorschriften inzake dierlijke productie voor andere soorten dan die welke in dat deel worden geregeld op 17 juni 2018, of door de wijziging van die toegevoegde voorschriften, met betrekking tot:

i)

afwijkingen in verband met de herkomst van dieren;

ii)

voeding;

iii)

huisvestings- en houderijpraktijken;

iv)

gezondheidszorg;

v)

dierenwelzijn.

3.   De Commissie stelt, waar passend, uitvoeringshandelingen met betrekking tot bijlage II, deel II, vast met voorschriften voor:

a)

de in punt 1.4.1, onder g), bedoelde minimumperiode die in acht moet worden genomen voor het voeden van te zogen dieren met moedermelk;

b)

de bezettingsdichtheid en het minimale oppervlak van binnen- en buitenruimten die voor specifieke diersoorten in acht moeten worden genomen om, overeenkomstig de punten 1.6.3, 1.6.4 en 1.7.2, in de behoeften van dieren op het gebied van ontwikkeling, fysiologie en ethologie te voorzien;

c)

de kenmerken en de technische vereisten van het minimale vloeroppervlak van binnen- en buitenruimten;

d)

de kenmerken en de technische vereisten van gebouwen en omheinde ruimten voor alle diersoorten, behalve bijen, om overeenkomstig punt 1.7.2 in de behoeften van dieren op het gebied van ontwikkeling, fysiologie en ethologie te voorzien;

e)

de vereisten inzake begroeiing en de kenmerken van beschermde faciliteiten en openluchtruimten.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 15

Productievoorschriften voor algen en aquacultuurdieren

1.   Exploitanten die algen en aquacultuurdieren produceren, nemen met name de gedetailleerde productievoorschriften van bijlage II, deel III, en van elke in lid 3 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling in acht.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van:

a)

bijlage II, deel III, punt 3.1.3.3, met betrekking tot voeder voor carnivore aquacultuurdieren;

b)

bijlage II, deel III, punt 3.1.3.4, door de toevoeging van nadere specifieke voorschriften inzake voeder voor bepaalde aquacultuurdieren, of door de wijziging van die toegevoegde voorschriften;

c)

bijlage II, deel III, punt 3.1.4.2, met betrekking tot diergeneeskundige behandelingen voor aquacultuurdieren;

d)

bijlage II, deel III, door de toevoeging van nadere gedetailleerde voorschriften per soort voor het reproductiemateriaalbeheer, de reproductie en de productie van juvenielen, of door de wijziging van die toegevoegde gedetailleerde voorwaarden.

3.   De Commissie stelt, in voorkomend geval, uitvoeringshandelingen vast met per soort of groep soorten gedetailleerde voorschriften inzake de bezettingsdichtheid en inzake de specifieke kenmerken van productiesystemen en inperkingssystemen om in de soortspecifieke behoeften te voorzien.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.   Voor de toepassing van dit artikel en van bijlage II, deel III, wordt met „bezettingsdichtheid” bedoeld, het levend gewicht van de aquacultuurdieren per kubieke meter water op elk moment van het opkweekstadium en, in het geval van platvis en garnalen, het gewicht per vierkante meter oppervlakte.

Artikel 16

Productievoorschriften voor verwerkte levensmiddelen

1.   Exploitanten die verwerkte levensmiddelen produceren, nemen met name de gedetailleerde productievoorschriften van bijlage II, deel IV, en van elke in lid 3 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling in acht.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van:

a)

bijlage II, deel IV, punt 1.4, met betrekking tot de door exploitanten te nemen voorzorgsmaatregelen en preventieve maatregelen;

b)

bijlage II, deel IV, punt 2.2.2, met betrekking tot de types van voor gebruik in verwerkte levensmiddelen toegelaten producten en stoffen en de samenstelling ervan, alsmede de voorwaarden waaronder zij mogen worden gebruikt;

c)

bijlage II, deel IV, punt 2.2.4, met betrekking tot de berekening van het in artikel 30, lid 5, onder a), ii), en onder b), i), bedoelde percentage ingrediënten van agrarische oorsprong, met inbegrip van de op grond van artikel 24 voor gebruik in de biologische productie toegelaten levensmiddelenadditieven die voor dergelijke berekeningen als ingrediënten van agrarische oorsprong worden beschouwd.

Die gedelegeerde handelingen mogen niet voorzien in de mogelijkheid om aromastoffen of aromatiserende preparaten te gebruiken die noch natuurlijk zijn in de zin van artikel 16, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 1334/2008 van het Europees Parlement en de Raad (51), noch biologisch.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de bij de verwerking van levensmiddelen toegelaten technieken te bepalen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 17

Productievoorschriften voor verwerkte diervoeders

1.   Exploitanten die verwerkte diervoeders produceren, nemen met name de gedetailleerde productievoorschriften van bijlage II, deel V, en van elke in lid 3 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling in acht.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II, deel V, punt 1.4, door het aan te vullen met nadere, door de exploitanten te nemen voorzorgsmaatregelen en preventieve maatregelen, of door die aanvullende maatregelen te wijzigen.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin is bepaald welke technieken bij de verwerking van voedermiddelen mogen worden gebruikt.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 18

Productievoorschriften voor wijn

1.   Exploitanten die producten van de wijnsector produceren, nemen met name de gedetailleerde productievoorschriften van bijlage II, deel VI, in acht.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van:

a)

bijlage II, deel VI, punt 3.2, door het aan te vullen met nadere verboden oenologische praktijken, processen en behandelingen, of door die aanvullende elementen te wijzigen;

b)

bijlage II, deel VI, punt 3.3.

Artikel 19

Productievoorschriften voor als levensmiddel of diervoeder gebruikte gist

1.   Exploitanten die voor gebruik als levensmiddel of diervoeder bestemde gist produceren, nemen met name de gedetailleerde productievoorschriften van bijlage II, deel VII, in acht.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II, deel VII, punt 1.3, door de toevoeging van nadere, gedetailleerde gistproductievoorschriften, of door de wijziging van die toegevoegde voorschriften.

Artikel 20

Afwezigheid van bepaalde productievoorschriften voor specifieke diersoorten en aquacultuurdiersoorten

In afwachting van de vaststelling van:

a)

aanvullende algemene voorschriften voor andere diersoorten dan die welke worden geregeld in bijlage II, deel II, punt 1.9, overeenkomstig artikel 14, lid 2, onder e);

b)

de in artikel 14, lid 3, bedoelde uitvoeringshandelingen voor diersoorten, of

c)

de in artikel 15, lid 3, bedoelde uitvoeringshandelingen voor aquacultuurdiersoorten of groepen aquacultuurdiersoorten,

kan een lidstaat voor specifieke diersoorten of groepen diersoorten gedetailleerde nationale productievoorschriften toepassen inzake de elementen die deel moeten uitmaken van de in de punten a), b) en c) bedoelde maatregelen, mits die nationale voorschriften in overeenstemming zijn met deze verordening en mits zij geen verbod, beperking of belemmering inhouden voor het in de handel brengen van buiten zijn grondgebied geproduceerde producten die in overeenstemming zijn met deze verordening.

Artikel 21

Productievoorschriften voor producten die niet vallen onder de productcategorieën bedoeld in de artikelen 12 tot en met 19

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II, door de toevoeging van gedetailleerde productievoorschriften, alsmede voorschriften betreffende de verplichting tot omschakeling, voor producten die niet vallen onder de productcategorieën bedoeld in de artikelen 12 tot en met 19, of door de wijziging van die toegevoegde voorschriften.

Die gedelegeerde handelingen zijn gebaseerd op de doelstellingen en beginselen inzake biologische productie van hoofdstuk II, en nemen de algemene productievoorschriften in de artikelen 9, 10 en 11, alsmede de bestaande gedetailleerde productievoorschriften voor soortgelijke producten van bijlage II in acht. Zij bevatten vereisten, met name, inzake de behandelingen, praktijken, en productiemiddelen die zijn toegelaten of verboden of inzake de omschakelingsperioden voor de betrokken producten.

2.   Bij ontstentenis van de in lid 1 bedoelde gedetailleerde productievoorschriften:

a)

voldoen de exploitanten voor de in lid 1 bedoelde producten aan de beginselen van de artikelen 5 en 6, mutatis mutandis aan de beginselen van artikel 7, en aan de algemene productievoorschriften van de artikelen 9 tot en met 11;

b)

kan een lidstaat voor de in lid 1 bedoelde producten gedetailleerde nationale productievoorschriften toepassen, mits die voorschriften in overeenstemming zijn met deze verordening en mits zij geen verbod, beperking of belemmering inhouden voor het in de handel brengen van buiten zijn grondgebied geproduceerde producten die in overeenstemming zijn met deze verordening.

Artikel 22

Vaststelling van uitzonderlijke productievoorschriften

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vastleggen van:

a)

de criteria om te bepalen of een situatie kan worden aangemerkt als rampzalige omstandigheden die voortvloeien uit „ongunstige weersomstandigheden”, „dierziekten”, een „milieuongeval”, een „natuurramp” of een „rampzalige gebeurtenis”, in de zin van artikel 2, lid 1, respectievelijk onder h), i), j), k) en l), van Verordening (EU) nr. 1305/2013, alsmede vergelijkbare situaties;

b)

specifieke voorschriften, waaronder eventueel afwijkingen van deze verordening, over hoe de lidstaten moeten omgaan met dergelijke rampzalige omstandigheden indien zij besluiten dit artikel toe te passen, en

c)

specifieke voorschriften inzake de monitoring van en de rapportage met betrekking tot zulke gevallen.

Deze criteria en voorschriften zijn onderworpen aan de beginselen inzake biologische productie van hoofdstuk II.

2.   Indien een lidstaat een gebeurtenis formeel als een natuurramp als bedoeld in artikel 18, lid 3, of artikel 24, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 heeft erkend, en die gebeurtenis het onmogelijk maakt de productievoorschriften van deze verordening na te leven, kan die lidstaat gedurende een beperkte periode, totdat de biologische productie kan worden hervat, afwijkingen van deze productievoorschriften toestaan, met inachtneming van de beginselen van hoofdstuk II en van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde gedelegeerde handelingen.

3.   De lidstaten kunnen overeenkomstig de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handeling maatregelen nemen om de biologische productie bij rampzalige omstandigheden voort te zetten of te hervatten.

Artikel 23

Verzameling, verpakking, vervoer en opslag

1.   Exploitanten zorgen ervoor dat biologische producten en omschakelingsproducten worden verzameld, verpakt, vervoerd en opgeslagen overeenkomstig de voorschriften in bijlage III.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van:

a)

bijlage III, afdeling 2;

b)

bijlage III, afdelingen 3, 4 en 6, door het toevoegen van nadere bijzondere voorschriften voor het vervoer en de ontvangst van de betrokken producten, of door de wijziging van die toegevoegde voorschriften.

Artikel 24

Toelating van producten en stoffen voor gebruik in de biologische productie

1.   De Commissie kan het gebruik van bepaalde producten en stoffen in de biologische productie toelaten en neemt deze toegelaten producten en stoffen in restrictieve lijsten op, mits zij worden gebruikt als:

a)

werkzame stof die zal worden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen;

b)

meststof, bodemverbeteraar of nutriënt;

c)

van planten, algen, dieren of gist afkomstig niet-biologisch voedermiddel, of als voedermiddel van microbiële of minerale oorsprong;

d)

diervoederadditief of technische hulpstof;

e)

product voor het reinigen en ontsmetten van vijvers, kooien, tanks, doorstroomsystemen, gebouwen of installaties voor dierlijke productie;

f)

product voor het reinigen en ontsmetten van gebouwen en installaties voor plantaardige productie, waaronder voor opslag in een landbouwbedrijf;

g)

product voor het reinigen en ontsmetten van verwerkings- en opslagfaciliteiten.

2.   In aanvulling op producten en stoffen die overeenkomstig lid 1 zijn toegelaten kan de Commissie het gebruik van bepaalde producten en stoffen in de productie van verwerkte biologische levensmiddelen en van als levensmiddel of diervoeder gebruikte gist toelaten en neemt zij deze toegelaten producten en stoffen op in restrictieve lijsten, mits deze worden aangewend als:

a)

levensmiddelenadditief of technische hulpstof;

b)

niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong dat dient te worden gebruikt voor de productie van verwerkte biologische levensmiddelen;

c)

technische hulpstof voor de productie van gist en gistproducten.

3.   De in lid 1 genoemde producten en stoffen worden voor het gebruik in de biologische productie toegelaten in overeenstemming met de beginselen van hoofdstuk II en met de volgende criteria, die in hun totaliteit worden beoordeeld:

a)

de producten en stoffen zijn essentieel voor voortdurende productie en voor het beoogde gebruik;

b)

alle betrokken producten en stoffen zijn van plantaardige, algen-, dierlijke, microbiële of minerale oorsprong, tenzij producten of stoffen van dergelijke oorsprong niet in voldoende hoeveelheden of kwaliteit of er geen alternatieven beschikbaar zijn;

c)

voor de in lid 1, onder a), bedoelde producten geldt:

i)

het gebruik ervan is essentieel voor de bestrijding van een plaagorganisme waarvoor geen andere biologische, fysische of kweekalternatieven, dan wel teeltpraktijken of andere doeltreffende beheerspraktijken beschikbaar zijn;

ii)

indien zulke producten niet van plantaardige, algen-, dierlijke, microbiële of minerale oorsprong zijn en niet identiek zijn aan hun natuurlijke vorm, sluiten de voorwaarden voor het gebruik ervan elk direct contact met het eetbare gedeelte van het gewas uit;

d)

het gebruik van de in lid 1, onder b), bedoelde producten is essentieel voor het vruchtbaar maken of houden van de bodem, voor specifieke voedingsbehoeften van de gewassen of voor specifieke toepassingen op het gebied van bodemverbetering;

e)

voor de in lid 1, onder c) en d), bedoelde producten geldt:

i)

het gebruik ervan is noodzakelijk voor het handhaven van de gezondheid, het welzijn en de vitaliteit van de dieren en draagt bij tot een passend dieet dat voorziet in de fysiologische en ethologische behoeften van de betrokken soort, of het produceren of bewaren van diervoeder is niet mogelijk zonder dergelijke stoffen;

ii)

diervoeder van minerale oorsprong, spoorelementen, vitaminen of provitaminen zijn van natuurlijke oorsprong, tenzij producten of stoffen van dergelijke oorsprong niet in voldoende hoeveelheden of kwaliteit of er geen alternatieven beschikbaar zijn;

iii)

het gebruik van een niet-biologisch voedermiddel van plantaardige of dierlijke oorsprong is noodzakelijk omdat een volgens de voorschriften inzake biologische productie geproduceerd voedermiddel van plantaardige of dierlijke oorsprong niet in voldoende hoeveelheden beschikbaar is;

iv)

het gebruik van niet-biologische specerijen, kruiden en melasse is noodzakelijk omdat dergelijke producten niet beschikbaar zijn in biologische vorm; zij moeten zonder chemische oplosmiddelen zijn geproduceerd of bereid en het gebruik ervan mag niet meer bedragen dan 1 % van het voederrantsoen voor een bepaalde soort, berekend op jaarbasis als percentage van de droge stof van diervoeders van agrarische oorsprong.

4.   De toelating voor het gebruik van de in lid 2 genoemde producten en stoffen in de productie van verwerkte biologische levensmiddelen of voor de productie van als levensmiddel of diervoeder gebruikte gist wordt verleend in overeenstemming met de beginselen van hoofdstuk II en met de volgende criteria, die in hun totaliteit worden beoordeeld:

a)

overeenkomstig dit artikel toegelaten alternatieve producten of stoffen, of technieken die in overeenstemming zijn met deze verordening, zijn niet beschikbaar;

b)

zonder deze producten en stoffen kunnen de levensmiddelen niet worden geproduceerd of bewaard of kan aan bepaalde voedingsvoorschriften waarin de Uniewetgeving voorziet, niet worden voldaan;

c)

deze producten en stoffen komen in de natuur voor en hebben uitsluitend mechanische, fysische, biologische, enzymatische of microbiële processen ondergaan, behalve indien producten of stoffen van dergelijke oorsprong niet in voldoende hoeveelheden of in de juiste kwaliteit beschikbaar zijn;

d)

het biologische ingrediënt is niet in voldoende hoeveelheden beschikbaar.

5.   Het gebruik van chemisch gesynthetiseerde producten of stoffen wordt, in overeenstemming met de leden 1 en 2 van dit artikel, alleen toegelaten wanneer het gebruik van in artikel 5, onder g), bedoelde externe productiemiddelen onaanvaardbare gevolgen voor het milieu zou hebben.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de leden 3 en 4 van dit artikel door de toevoeging van nadere criteria voor de toelating van in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde producten en stoffen in de biologische productie in het algemeen en in de productie van verwerkte biologische levensmiddelen in het bijzonder, alsmede van nadere criteria voor de intrekking van zulke toelatingen, of door de wijziging van deze toegevoegde criteria.

7.   Een lidstaat die van oordeel Is dat een product of een stof aan de lijst van in de leden 1 en 2 bedoelde toegelaten producten en stoffen moet worden toegevoegd of daarvan moet worden geschrapt of dat de in de productievoorschriften bedoelde gebruiksvoorwaarden moeten worden gewijzigd, zorgt ervoor dat een dossier met opgave van redenen voor die toevoeging, schrapping of andere wijzigingen langs de officiële weg aan de Commissie en de andere lidstaten wordt toegezonden en wordt bekendgemaakt, met inachtneming van de Unie- en nationale wetgeving inzake gegevensbescherming.

De Commissie publiceert alle in dit lid bedoelde verzoeken.

8.   De Commissie evalueert de in dit artikel bedoelde lijsten regelmatig.

De in lid 2, onder b), bedoelde lijst van niet-biologische ingrediënten wordt ten minste eenmaal per jaar geëvalueerd.

9.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de toelating of intrekking van de toelating van producten en stoffen overeenkomstig de leden 1 en 2 voor gebruik in de biologische productie in het algemeen en in de productie van verwerkte biologische levensmiddelen in het bijzonder, en tot vaststelling van de procedures die gevolgd moeten worden voor dergelijke toelatingen en de lijsten van dergelijke producten en stoffen en, in voorkomend geval, de beschrijving, samenstellingseisen en gebruiksvoorwaarden ervan.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 25

Toelating door lidstaten van niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong voor verwerkte biologische levensmiddelen

1.   Indien dit noodzakelijk is om de toegang tot bepaalde ingrediënten van agrarische oorsprong te verzekeren en die ingrediënten niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn in biologische vorm, kan een lidstaat op verzoek van een exploitant het gebruik van niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong voor de productie van verwerkte biologische levensmiddelen voorlopig toelaten op zijn grondgebied voor een periode van maximaal zes maanden. Die toelating geldt voor alle exploitanten in die lidstaat.

2.   De lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten onmiddellijk in kennis van elke toelating die overeenkomstig lid 1 voor zijn grondgebied is verleend, via een computersysteem dat de elektronische uitwisseling van documenten en door de Commissie beschikbaar gestelde informatie mogelijk maakt.

3.   De lidstaat kan de in lid 1 bedoelde toelating twee keer verlengen met telkens maximaal zes maanden, tenzij een andere lidstaat via het in lid 2 bedoelde systeem bezwaar heeft gemaakt door aan te geven dat zulke ingrediënten wel in voldoende hoeveelheid in biologische vorm beschikbaar zijn.

4.   De overeenkomstig artikel 46, lid 1, erkende controleautoriteiten of controleorganen kunnen een voorlopige toelating als bedoeld in lid 1 van dit artikel voor een periode van maximaal zes maanden verlenen aan onder hun controles vallende exploitanten in derde landen die om een dergelijke toelating verzoeken, mits in het betrokken derde land aan alle voorwaarden van dat lid is voldaan. De toelating kan maximaal twee keer met telkens zes maanden worden verlengd.

5.   Indien een lidstaat na twee verlengingen van een voorlopige toelating op basis van objectieve informatie oordeelt dat de beschikbaarheid van zulke ingrediënten in biologische vorm ontoereikend blijft om in de kwalitatieve en kwantitatieve behoeften van de exploitanten te voorzien, kan hij een verzoek bij de Commissie indienen overeenkomstig artikel 24, lid 7.

Artikel 26

Verzameling van gegevens over de beschikbaarheid op de markt van plantaardig biologisch teeltmateriaal en plantaardig omschakelingsteeltmateriaal, biologische dieren en biologische aquacultuurjuvenielen

1.   Iedere lidstaat zorgt ervoor dat een databank wordt opgezet waarin het op zijn grondgebied beschikbare plantaardige biologische teeltmateriaal en plantaardige omschakelingsteeltmateriaal, met uitsluiting van zaailingen maar met inbegrip van pootaardappelen, wordt bijgehouden en regelmatig wordt geactualiseerd.

2.   De lidstaten dienen te beschikken over systemen waarmee exploitanten die plantaardig biologisch teeltmateriaal of plantaardig omschakelingsteeltmateriaal, biologische dieren of biologische aquacultuurjuvenielen in de handel brengen, en die dit, respectievelijk deze in toereikende hoeveelheden en binnen een redelijke termijn kunnen leveren, op vrijwillige basis de volgende informatie, alsmede hun namen en contactgegevens, openbaar kunnen maken:

a)

het beschikbare plantaardig biologisch teeltmateriaal en plantaardig omschakelingsteeltmateriaal, zoals plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal of van biologische rassen die geschikt zijn voor de biologische productie, met uitsluiting van zaailingen maar met inbegrip van pootaardappelen; de hoeveelheid van dat materiaal, uitgedrukt in gewicht; en de periode van het jaar waarin het beschikbaar is; dergelijk materiaal wordt minstens onder vermelding van de Latijnse wetenschappelijke naam ervan in de lijst opgenomen;

b)

de biologische dieren waarvoor overeenkomstig bijlage II, deel II, punt 1.3.4.4, een afwijking kan gelden; het aantal beschikbare dieren ingedeeld naar geslacht; indien dat relevant is, informatie over de verschillende diersoorten met betrekking tot de beschikbare rassen en stammen; de rassen van de dieren; de leeftijd van de dieren; en andere relevante informatie;

c)

de in het bedrijf beschikbare biologische aquacultuurjuvenielen en hun gezondheidsstatus overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG van de Raad (52) en de productiecapaciteit voor elke aquacultuursoort.

3.   De lidstaten kunnen ook systemen opzetten waarmee exploitanten die aan de biologische productie aangepaste rassen en stammen in de handel brengen overeenkomstig bijlage II, deel II, punt 1.3.3, of biologische jonge hennen, en die deze dieren in voldoende hoeveelheden en binnen een redelijke termijn kunnen leveren, op vrijwillige basis en kosteloos de relevante informatie, alsmede hun namen en contactgegevens, openbaar kunnen maken.

4.   Exploitanten die ervoor kiezen om informatie over plantaardig teeltmateriaal, dieren of aquacultuurjuvenielen op te nemen in de in de leden 2 en 3 bedoelde systemen, zorgen ervoor dat de informatie regelmatig wordt geactualiseerd, alsook dat zij van de lijsten wordt verwijderd zodra het plantaardig teeltmateriaal, de dieren of de aquacultuurjuvenielen niet langer beschikbaar zijn.

5.   Voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 kunnen de lidstaten reeds bestaande relevante informatiesystemen blijven gebruiken.

6.   De Commissie maakt de link naar elk van de nationale databanken of systemen bekend op een speciaal hiervoor bedoelde website van de Commissie, zodat gebruikers in de hele Unie toegang hebben tot die databanken en systemen.

7.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen ter verstrekking van:

a)

technische details voor het opzetten en bijhouden van de in lid 1 bedoelde databanken en de in lid 2 bedoelde systemen;

b)

specificaties voor de in de leden 1 en 2 bedoelde informatievergaring;

c)

specificaties voor regelingen voor de deelname aan de in lid 1 bedoelde databanken en de in de leden 2 en 3 bedoelde systemen, en

d)

details inzake de informatie die de lidstaten overeenkomstig artikel 53, lid 6, moeten verstrekken.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 27

Verplichtingen en maatregelen bij vermoeden van niet-naleving

Indien een exploitant vermoedt dat een door hem geproduceerd, bereid, ingevoerd of van een andere exploitant ontvangen product niet voldoet aan deze verordening, doet hij, onverminderd artikel 28, lid 2, het volgende:

a)

hij identificeert en scheidt het betrokken product van de andere;

b)

hij controleert of het vermoeden kan worden gestaafd;

c)

hij brengt het betrokken product niet in de handel als een biologisch of omschakelingsproduct en gebruikt het niet in de biologische productie, tenzij het vermoeden kan worden weggenomen;

d)

hij informeert onmiddellijk de betrokken bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de betrokken controleautoriteit of het betrokken controleorgaan, indien het vermoeden is gestaafd of niet kan worden weggenomen, en hij verstrekt daarbij, waar passend, beschikbare gegevens;

e)

hij verleent zijn volledige medewerking aan de betrokken bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, aan de betrokken controleautoriteit of het betrokken controleorgaan bij het identificeren en verifiëren van de redenen voor de vermeende niet-naleving.

Artikel 28

Voorzorgsmaatregelen om de aanwezigheid van niet-toegelaten producten en stoffen te vermijden

1.   Ter vermijding van verontreiniging met producten of stoffen die niet op grond van artikel 9, lid 3, eerste alinea, voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten, nemen de exploitanten in elk stadium van de productie, bereiding en distributie de volgende voorzorgsmaatregelen:

a)

het invoeren en handhaven van evenredige en passende maatregelen om de risico’s van verontreiniging van de biologische productie en biologische producten met niet-toegelaten producten of stoffen te identificeren, waaronder de systematische aanwijzing van cruciale procedurele stappen;

b)

het invoeren en handhaven van evenredige en passende maatregelen om de risico’s van verontreiniging van de biologische productie en biologische producten met niet-toegelaten producten of stoffen te vermijden;

c)

het regelmatig evalueren en aanpassen van dergelijke maatregelen, en

d)

het voldoen aan andere relevante voorschriften van deze verordening die de scheiding van biologische producten, omschakelingsproducten en niet-biologische producten verzekeren.

2.   Indien een exploitant vermoedt dat een product dat bestemd is om te worden gebruikt of in de handel te worden gebracht als biologisch of omschakelingsproduct niet voldoet aan deze verordening omdat het een product of een stof zou bevatten dat/die op grond van artikel 9, lid 3, eerste alinea, niet voor gebruik in de biologische productie is toegelaten:

a)

identificeert hij het betrokken product en scheidt het van de andere;

b)

controleert hij of het vermoeden kan worden onderbouwd;

c)

brengt hij het product niet in de handel als biologisch of omschakelingsproduct en gebruikt hij het niet in de biologische productie, tenzij het vermoeden kan worden weggenomen;

d)

informeert hij, indien het vermoeden is onderbouwd of niet kan worden weggenomen, onmiddellijk de betrokken bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de betrokken controleautoriteit of het betrokken controleorgaan, en verstrekt hij daarbij, waar passend, beschikbare gegevens;

e)

verleent hij zijn volledige medewerking aan de betrokken bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de betrokken controleautoriteit of het betrokken controleorgaan bij het identificeren en verifiëren van de redenen voor de aanwezigheid van niet-toegelaten producten of stoffen.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met uniforme voorschriften voor:

a)

de in lid 2, onder a) tot en met e), bedoelde procedurele stappen die exploitanten moeten volgen en de relevante documenten die zij moeten verstrekken;

b)

de evenredige en passende maatregelen die exploitanten moeten treffen en evalueren om de risico’s op verontreiniging overeenkomstig lid 1, onder a) tot en met c), te identificeren en te vermijden.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 29

Te nemen maatregelen in geval van aanwezigheid van niet-toegelaten producten of stoffen

1.   Indien de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de controleautoriteit of het controleorgaan onderbouwde informatie ontvangt over de aanwezigheid van producten of stoffen die op grond van artikel 9, lid 3, eerste alinea, niet voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten, of door een exploitant is ingelicht overeenkomstig artikel 28, lid 2, onder d), of dergelijke producten of stoffen aantreft in een biologisch of omschakelingsproduct:

a)

verricht deze autoriteit of dit orgaan onmiddellijk een officieel onderzoek overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625, teneinde de bron en de oorzaak te achterhalen met het oog op het controleren van de naleving van artikel 9, lid 3, eerste alinea, en van artikel 28, lid 1; dit onderzoek dient zo snel mogelijk, binnen een redelijke termijn, te worden voltooid, waarbij rekening wordt gehouden met de houdbaarheid van het product en de complexiteit van de zaak,

b)

verbiedt deze autoriteit of dit orgaan voorlopig zowel het in de handel brengen van de betrokken producten als biologische of omschakelingsproducten als het gebruik ervan in de biologische productie, in afwachting van de resultaten van het onder a) bedoelde onderzoek.

2.   Het betrokken product wordt niet als biologisch of omschakelingsproduct in de handel gebracht of in de biologische productie gebruikt indien de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de controleautoriteit of het controleorgaan heeft vastgesteld dat de betrokken exploitant:

a)

producten of stoffen heeft gebruikt die op grond van artikel 9, lid 3, eerste alinea, niet voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;

b)

niet de in artikel 28, lid 1, bedoelde voorzorgsmaatregelen heeft genomen, of

c)

geen maatregelen heeft genomen in antwoord op eerdere verzoeken ter zake van de bevoegde autoriteiten, controleautoriteiten of controleorganen.

3.   De betrokken exploitant krijgt de gelegenheid te reageren op de resultaten van het in lid 1, onder a), bedoelde onderzoek. De bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de controleautoriteit of het controleorgaan houdt een register over het verrichte onderzoek bij.

Indien vereist, neemt de betrokken exploitant de nodige corrigerende maatregelen om verontreiniging in de toekomst te vermijden.

4.   Uiterlijk op 31 december 2024 dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van dit artikel, over de aanwezigheid van producten en stoffen die op grond van artikel 9, lid 3, eerste alinea, niet voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten, en over de beoordeling van de in lid 5 van dit artikel bedoelde nationale voorschriften. Dat verslag kan zo nodig worden vergezeld van een wetgevingsvoorstel dat tot verdere harmonisering strekt.

5.   De lidstaten die beschikken over voorschriften op grond waarvan producten die meer dan een bepaald niveau bevatten aan producten of stoffen die op grond van artikel 9, lid 3, eerste alinea, niet voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten, niet als biologische producten in de handel mogen worden gebracht, kunnen die voorschriften blijven toepassen, mits die voorschriften geen verbod, beperking of belemmering inhouden voor het als biologisch product in de handel brengen van producten die conform deze verordening in andere lidstaten zijn geproduceerd. De lidstaten die van dit lid gebruikmaken stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

6.   De bevoegde autoriteiten documenteren de resultaten van het in lid 1 bedoelde onderzoek alsmede de maatregelen die zij hebben genomen met het doel beste praktijken te formuleren en verdere maatregelen om de aanwezigheid van producten en stoffen die op grond van artikel 9, lid 3, eerste alinea, niet voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten te vermijden.

De lidstaten stellen zulke informatie ter beschikking van de andere lidstaten en de Commissie via een computersysteem waarmee documenten en door de Commissie beschikbaar gestelde informatie elektronisch kunnen worden uitgewisseld.

7.   De lidstaten kunnen op hun grondgebied passende maatregelen nemen om de onbedoelde aanwezigheid in de biologische landbouw te vermijden van producten en stoffen die op grond van artikel 9, lid 3, eerste alinea, niet voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten. Dergelijke maatregelen verbieden, beperken of belemmeren niet het als biologische of omschakelingsproducten in de handel brengen van producten die conform deze verordening in andere lidstaten zijn geproduceerd. De lidstaten die van dit lid gebruikmaken, stellen de Commissie en de andere lidstaten daarvan onverwijld in kennis.

8.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met uniforme voorschriften inzake:

a)

de methoden die bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, controleautoriteiten of controleorganen moeten hanteren voor de opsporing en de beoordeling van de aanwezigheid van producten en stoffen die op grond van artikel 9, lid 3, eerste alinea, niet voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;

b)

de details en de vorm van de informatie die de lidstaten aan de Commissie en de andere lidstaten overeenkomstig lid 6 van dit artikel ter beschikking moeten stellen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

9.   Uiterlijk op 31 maart van elk jaar sturen de lidstaten de Commissie in elektronische vorm relevante informatie over gevallen van verontreiniging met niet-toegelaten producten of stoffen in het voorgaande jaar, waaronder aan grenscontroleposten verzamelde informatie, met betrekking tot de aard van de geconstateerde verontreiniging, en met name de oorzaak, de bron en het niveau van verontreiniging alsmede het volume en de aard van de verontreinigde producten. Deze informatie wordt door de Commissie verzameld via het door de Commissie ter beschikking gestelde computersysteem, en wordt gebruikt om de formulering van beste praktijken ter vermijding van verontreiniging te faciliteren.

HOOFDSTUK IV

ETIKETTERING

Artikel 30

Het gebruik van termen die verwijzen naar biologische productie

1.   Voor de toepassing van deze verordening worden producten beschouwd als producten waarop termen met betrekking tot de biologische productie voorkomen wanneer die producten, de ingrediënten ervan of de bij de productie ervan gebruikte voedermiddelen in de etikettering, de reclame of de handelsdocumenten worden beschreven in termen die bij de koper de indruk wekken dat de producten, ingrediënten of voedermiddelen geproduceerd zijn overeenkomstig deze verordening. Met name de in bijlage IV vermelde termen en de afleidingen of verkleinwoorden daarvan, zoals „bio” en „eco”, alleen of in combinatie, mogen in de hele Unie worden gebruikt, in elke in die bijlage vermelde taal, in de etikettering en de reclame voor in artikel 2, lid 1, bedoelde producten die voldoen aan deze verordening.

2.   Ten aanzien van de in artikel 2, lid 1, bedoelde producten worden de in lid 1 bedoelde termen nergens in de Unie gebruikt, in geen enkele in bijlage IV bedoelde taal, voor de etikettering van, de reclame of de handelsdocumenten betreffende een product dat niet voldoet aan deze verordening.

Voorts worden in de etikettering of reclame geen termen, waaronder termen in handelsmerken of firmanamen, of praktijken gebruikt die de consument of gebruiker kunnen misleiden door de indruk te wekken dat de betrokken producten of de ingrediënten ervan voldoen aan deze verordening.

3.   Gedurende de omschakelingsperiode geproduceerde producten mogen niet als biologische producten of als omschakelingsproducten worden geëtiketteerd of als zodanig in reclame worden gebruikt.

Plantaardig teeltmateriaal, levensmiddelen van plantaardige oorsprong en diervoerders van plantaardige oorsprong die tijdens de omschakelingsperiode zijn geproduceerd en die in overeenstemming zijn met artikel 10, lid 4, kunnen echter wel als omschakelingsproducten worden geëtiketteerd of in reclame worden gebruikt door middel van de term „omschakeling” of een overeenkomstige term, samen met de termen bedoeld in lid 1.

4.   De in de leden 1 en 3 bedoelde termen worden niet gebruikt voor een product waarvoor overeenkomstig het Unierecht op het etiket of in reclame moet worden vermeld dat het product ggo’s bevat, uit ggo’s bestaat, of met ggo’s is geproduceerd.

5.   Voor verwerkte levensmiddelen kunnen de in lid 1 bedoelde termen worden gebruikt:

a)

in de verkoopbenaming, en in de ingrediëntenlijst, indien een dergelijke lijst op grond van Uniewetgeving verplicht is, mits:

i)

de verwerkte levensmiddelen voldoen aan de productievoorschriften van bijlage II, deel IV, en aan de overeenkomstig artikel 16, lid 3, vastgestelde voorschriften;

ii)

de ingrediënten van agrarische oorsprong voor ten minste 95 gewichtsprocent biologisch zijn, en

iii)

in het geval van aroma’s, zij alleen voor natuurlijke aromastoffen en natuurlijke aromatiserende preparaten worden gebruikt die geëtiketteerd zijn overeenkomstig artikel 16, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 1334/2008, voor zover alle aromatiserende componenten en dragers van aromatiserende componenten in het betrokken aroma biologisch zijn;

b)

alleen in de ingrediëntenlijst, mits:

i)

minder dan 95 gewichtsprocent van de ingrediënten van agrarische oorsprong biologisch is en deze ingrediënten voldoen aan de productievoorschriften in deze verordening, en

ii)

de verwerkte levensmiddelen voldoen aan de productievoorschriften in bijlage II, deel IV, punten 1.5, 2.1, onder a) en b), en 2.2.1, en de overeenkomstig artikel 16, lid 3, vastgestelde voorschriften;

c)

in de verkoopbenaming en in de ingrediëntenlijst, mits:

i)

het hoofdingrediënt een product van jacht of visserij is;

ii)

de in lid 1 bedoelde term in de verkoopbenaming duidelijk verband houdt met een ander ingrediënt dat biologisch is en verschillend is van het hoofdingrediënt;

iii)

alle andere ingrediënten van agrarische oorsprong biologisch zijn, en

iv)

de levensmiddelen voldoen aan bijlage II, deel IV, punten 1.5, 2.1., onder a) en b), en 2.2.1, en aan de overeenkomstig artikel 16, lid 3, vastgestelde voorschriften.

In de in de eerste alinea, onder a), b) en c), bedoelde ingrediëntenlijst wordt aangegeven welke ingrediënten biologisch zijn. Verwijzingen naar biologische productie mogen alleen betrekking hebben op biologische ingrediënten.

In de in de eerste alinea, onder b) en c), bedoelde ingrediëntenlijsten wordt het totale percentage biologische ingrediënten ten opzichte van de totale hoeveelheid ingrediënten van agrarische oorsprong vermeld.

De in lid 1 bedoelde termen die worden gebruikt in de in de eerste alinea van dit lid, onder a), b) en c), bedoelde ingrediëntenlijst en het in de derde alinea van dit lid vermelde percentage, worden aangebracht in dezelfde kleur en lettergrootte en in hetzelfde lettertype als de andere aanduidingen in de ingrediëntenlijst.

6.   Voor verwerkt diervoeder mogen de in lid 1 bedoelde termen worden gebruikt in de verkoopbenaming en in de ingrediëntenlijst, mits:

a)

het verwerkte diervoeder voldoet aan de productievoorschriften van bijlage II, delen II, III en V, en aan de overeenkomstig artikel 16, lid 3, vastgestelde specifieke voorschriften;

b)

alle ingrediënten van agrarische oorsprong in het verwerkte diervoeder biologisch zijn, en

c)

ten minste 95 % van de droge stof van het product biologisch is.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging:

a)

van dit artikel door toevoeging van nadere voorschriften inzake de etikettering van producten die zijn opgenomen in bijlage I, of tot wijziging van deze toegevoegde voorschriften, en

b)

van de in bijlage IV opgenomen lijst van termen, rekening houdend met taalkundige ontwikkelingen in de lidstaten.

8.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met gedetailleerde voorschriften voor de toepassing van lid 3 van dit artikel.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 31

Etikettering van producten en stoffen die in de gewasproductie worden gebruikt

Niettegenstaande het toepassingsgebied van deze verordening, als vervat in artikel 2, lid 1, kan op producten en stoffen die worden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen of als overeenkomstig de artikelen 9 en 24 toegelaten meststoffen, bodemverbeteraars of nutriënten, worden vermeld dat die producten of stoffen overeenkomstig deze verordening gebruikt mogen worden in de biologische productie.

Artikel 32

Verplichte aanduidingen

1.   Wanneer op producten termen voorkomen als bedoeld in artikel 30, lid 1, met inbegrip van producten die als omschakelingsproducten zijn geëtiketteerd overeenkomstig artikel 30, lid 3:

a)

wordt het codenummer van de controleautoriteit of het controleorgaan waaraan de exploitant die de laatste productie- of bereidingshandeling heeft verricht, onderworpen is, ook op het etiket vermeld, en

b)

wordt, in het geval van voorverpakte levensmiddelen, het logo voor de biologische productie van de Europese Unie als bedoeld in artikel 33 ook op de verpakking vermeld, behalve in de in artikel 30, lid 3 en lid 5, onder b) en c), genoemde gevallen.

2.   Wanneer het logo voor de biologische productie van de Europese Unie wordt gebruikt, wordt in hetzelfde gezichtsveld als het logo de plaats vermeld waar de agrarische grondstoffen waaruit het product is samengesteld geteeld zijn, naargelang het geval, in een van de volgende vormen:

a)

„EU Landbouw”, wanneer de agrarische grondstoffen in de Unie zijn geteeld;

b)

„niet-EU Landbouw”, wanneer de agrarische grondstoffen in derde landen zijn geteeld;

c)

„EU/niet-EU Landbouw”, wanneer een deel van de agrarische grondstoffen in de Unie en een ander deel In een derde land is geteeld.

Voor de toepassing van de eerste alinea mag het woord „Landbouw” naargelang het geval worden vervangen door „Aquacultuur” en mogen de begrippen „EU” en „niet-EU” worden vervangen door of aangevuld met de naam van een land of met de naam van een land en een regio indien alle agrarische grondstoffen waaruit het product is samengesteld in dat land en, in voorkomend geval, in die regio, zijn geteeld.

Voor de aanduiding van de in de eerste en de derde alinea bedoelde plaats waar de agrarische grondstoffen waaruit het product is samengesteld zijn geteeld, mogen kleine gewichtshoeveelheden ingrediënten buiten beschouwing worden gelaten op voorwaarde dat de totale hoeveelheid buiten beschouwing gelaten ingrediënten niet meer dan 5 % van de totale gewichtshoeveelheid agrarische grondstoffen uitmaakt.

De begrippen „EU” of „niet-EU” mogen niet worden aangebracht in een opvallender kleur, lettergrootte en lettertype dan de naam van het product.

3.   De aanduidingen als bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel en in artikel 33, lid 3, worden aangebracht op een opvallende plaats en zijn goed zichtbaar, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar.

4.   De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 54 tot wijziging van lid 2 van dit artikel en van artikel 33, lid 3, door verdere voorschriften inzake etikettering toe te voegen, of die toegevoegde voorschriften te wijzigen.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot:

a)

praktische bepalingen inzake het gebruik, de presentatie, samenstelling en grootte van de aanduidingen als bedoeld in lid 1, onder a), en lid 2 van dit artikel en in artikel 33, lid 3;

b)

de toewijzing van codenummers aan controleautoriteiten en controleorganen;

c)

de aanduiding van de plaats waar de agrarische grondstoffen zijn geteeld, overeenkomstig lid 2 van dit artikel en artikel 33, lid 3.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 55, lid 2.

Artikel 33

Het logo voor de biologische productie van de Europese Unie

1.   Het logo voor de biologische productie van de Europese Unie mag worden gebruikt in de etikettering en presentatie van producten die aan deze verordening voldoen en in de reclame voor deze producten.

Het logo voor de biologische productie van de Europese Unie mag ook worden gebruikt voor voorlichtings- en opleidingsdoeleinden in verband met het bestaan en het aanprijzen van het logo zelf, mits dergelijk gebruik ervan de consument niet kan misleiden wat betreft de biologische productie van specifieke producten, en mits het logo wordt afgebeeld overeenkomstig de voorschriften van bijlage V. In dat geval zijn de voorschriften van artikel 32, lid 2, en bijlage V, punt 1.7, niet van toepassing.

Het logo voor de biologische productie van de Europese Unie mag niet worden gebruikt voor verwerkte levensmiddelen als bedoeld in artikel 30, lid 5, onder b) en c), en voor omschakelingsproducten als bedoeld in artikel 30, lid 3.

2.   Behalve wanneer het gebruikt wordt voor de in lid 1, tweede alinea, genoemde doeleinden, is het logo voor de biologische productie van de Europese Unie een officiële verklaring in de zin van de artikelen 86 en 91 van Verordening (EU) 2017/625.

3.   Het gebruik van het logo voor de biologische productie van de Europese Unie is facultatief voor uit derde landen ingevoerde producten. Op etiketten van dergelijke producten met dit logo wordt de in artikel 32, lid 2, vermelde aanduiding aangebracht.

4.   Het logo voor de biologische productie van de Europese Unie moet overeenstemmen met het model en de voorschriften in bijlage V.

5.   In de etikettering en presentatie van producten die aan deze verordening voldoen en de reclame voor deze producten mogen nationale en particuliere logo’s worden gebruikt.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage V wat betreft het logo voor de biologische productie van de Europese Unie en de desbetreffende regels.

HOOFDSTUK V

CERTIFICERING

Artikel 34

Certificeringssysteem

1.   Exploitanten en groepen exploitanten als bedoeld in artikel 36 die biologische of omschakelingsproducten produceren, bereiden, distribueren of opslaan, uit een derde land invoeren, naar een derde land uitvoeren of in de handel brengen, melden, alvorens een van deze producten als „biologisch” of „omschakelingsproduct” in de handel te brengen of vóór de omschakelingsperiode, hun activiteit aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hun activiteit wordt verricht en waar hun onderneming aan het controlesysteem is onderworpen.

Indien de bevoegde autoriteiten hun verantwoordelijkheden hebben overgedragen of bepaalde officiële controletaken of bepaalde taken in verband met andere officiële activiteiten hebben gedelegeerd aan meer dan één controleautoriteit of controleorgaan, vermelden de exploitanten of groepen exploitanten in de in de eerste alinea bedoelde melding welke controleautoriteit of welk controleorgaan controleert of de betrokken activiteit in overeenstemming is met deze verordening en het in artikel 35, lid 1, bedoelde certificaat afgeeft.

2.   Exploitanten die voorverpakte biologische producten rechtstreeks aan de eindconsument of eindgebruiker verkopen, worden vrijgesteld van de in lid 1 van dit artikel bedoelde meldingsplicht en van de verplichting om over een certificaat als bedoeld in artikel 35, lid 2, te beschikken, mits zij deze producten niet anderszins dan in verband met het verkooppunt produceren, bereiden, opslaan, en niet invoeren uit een derde land, noch de bedoelde activiteiten uitbesteden aan een andere exploitant.

3.   Indien exploitanten of groepen exploitanten activiteiten aan derden uitbesteden, voldoen zowel de exploitanten en groepen exploitanten als de derden waaraan de activiteiten zijn uitbesteed, aan lid 1, tenzij de exploitant of groep exploitanten in de in lid 1 bedoelde melding heeft verklaard dat de verantwoordelijkheid voor de biologische productie op hem blijft rusten en die verantwoordelijkheid niet op de onderaannemer heeft overgedragen. In dergelijke gevallen controleert de bevoegde autoriteit, of in voorkomend geval de controleautoriteit of het controleorgaan, in het kader van de controle die deze autoriteit of dit orgaan uitoefent op de exploitanten of groepen exploitanten die hun activiteiten hebben uitbesteed, of die activiteiten in overeenstemming zijn met deze verordening.

4.   De lidstaten kunnen een autoriteit aanwijzen of een instantie goedkeuren die de in lid 1 bedoelde melding dient te ontvangen.

5.   Exploitanten, groepen exploitanten en onderaannemers houden een register bij van de verschillende activiteiten die zij overeenkomstig deze verordening verrichten.

6.   De lidstaten houden geactualiseerde lijsten bij met de naam en het adres van de exploitanten en groepen exploitanten die hun activiteiten overeenkomstig lid 1 hebben gemeld, en maken op passende wijze, onder meer via links naar één specifieke website, een alomvattende lijst met deze gegevens bekend, samen met de informatie inzake de overeenkomstig artikel 35, lid 1, aan die exploitanten en groepen exploitanten afgegeven certificaten. De lidstaten moeten in dat geval de bij Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (53) vastgestelde vereisten inzake de bescherming van persoonsgegevens naleven.

7.   De lidstaten zien erop toe dat iedere exploitant of groep exploitanten die aan deze verordening voldoet en die, indien overeenkomstig de artikelen 78 en 80 van Verordening (EU) 2017/625 een vergoeding wordt geïnd, een redelijke vergoeding betaalt om de kosten van de controles te dekken, aan het controlesysteem mag deelnemen. De lidstaten zorgen ervoor dat eventueel geïnde vergoedingen worden bekendgemaakt.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II wat betreft de voorschriften voor het bijhouden van registers.

9.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met details en specificaties inzake:

a)

de vorm en de technische middelen voor de in lid 1 bedoelde melding,

b)

de regelingen voor de bekendmaking van de in lid 6 bedoelde lijsten, en

c)

de procedures en regelingen voor de bekendmaking van de in lid 7 bedoelde vergoedingen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 35

Certificaat

1.   De bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, de controleautoriteiten of controleorganen verstrekken een certificaat aan exploitanten of groepen exploitanten die hun activiteit overeenkomstig artikel 34, lid 1, hebben gemeld en die aan deze verordening voldoen. Het certificaat:

a)

wordt waar mogelijk afgegeven in elektronische vorm;

b)

maakt het op zijn minst mogelijk om de exploitant of groep exploitanten, met inbegrip van de lijst met leden, de categorie onder het certificaat vallende producten en de geldigheidsperiode te identificeren;

c)

staaft dat de gemelde activiteit in overeenstemming is met deze verordening, en

d)

wordt afgegeven in een vorm die strookt met het model in bijlage VI.

2.   Onverminderd lid 8 van dit artikel en artikel 34, lid 2, brengen exploitanten en groepen exploitanten de in artikel 2, lid 1, bedoelde producten niet in de handel als biologische of omschakelingsproducten voordat zij over een certificaat als bedoeld in lid 1 van dit artikel beschikken.

3.   Het in dit artikel bedoelde certificaat is een officieel certificaat in de zin van artikel 86, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2017/625.

4.   Exploitanten en groepen exploitanten zijn niet gerechtigd een certificaat van meer dan één controleorgaan te verkrijgen met betrekking tot in dezelfde lidstaat verrichte activiteiten inzake dezelfde categorie producten, ook niet wanneer deze exploitanten en groepen exploitanten actief zijn in verschillende stadia van de productie, bereiding en distributie.

5.   Leden van een groep exploitanten hebben geen recht op een individueel certificaat voor activiteiten die onder het certificaat van de groep exploitanten waartoe zij behoren vallen.

6.   De exploitanten verifiëren de certificaten van hun toeleveranciers.

7.   Voor de toepassing van de leden 1 en 4 van dit artikel worden de producten overeenkomstig de volgende categorieën geclassificeerd:

a)

onverwerkte planten en plantaardige producten, met inbegrip van zaden en ander plantaardig teeltmateriaal;

b)

dieren en onverwerkte dierlijke producten;

c)

algen en onverwerkte aquacultuurproducten;

d)

verwerkte producten van agrarische oorsprong, waaronder aquacultuurproducten, voor gebruik als levensmiddel;

e)

diervoeders;

f)

wijn;

g)

andere in bijlage I bij deze verordening opgenomen of niet onder de voorgaande categorieën vallende producten.

8.   De lidstaten kunnen exploitanten die onverpakte biologische producten, met uitzondering van diervoeders, rechtstreeks aan de eindgebruiker verkopen, vrijstellen van de verplichting over een certificaat als bedoeld in lid 2 te beschikken, mits die exploitanten deze producten niet anderszins dan in verband met het verkooppunt produceren, bereiden, opslaan, en dergelijke producten niet invoeren uit een derde land, noch de bedoelde activiteiten uitbesteden aan een derde, en mits:

a)

de verkochte hoeveelheid niet hoger is dan 5 000 kilogram per jaar, of

b)

hun jaaromzet met betrekking tot onverpakte biologische producten niet hoger is dan 20 000 EUR, of

c)

de potentiële certificeringskosten van de exploitant hoger zijn dan 2 % van de totale omzet met betrekking tot onverpakte biologische producten die door die exploitant zijn verkocht.

Indien een lidstaat besluit de in de eerste alinea bedoelde exploitanten vrij te stellen, kan hij striktere dan de in de eerste alinea bedoelde drempels vastleggen.

De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van een overeenkomstig de eerste alinea genomen besluit om exploitanten vrij te stellen, en van de grenswaarden waarvoor de vrijstelling geldt.

9.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van het model van het certificaat in bijlage VI.

10.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met details en specificaties inzake de vorm van het in lid 1 bedoelde certificaat en de technische middelen waarmee het wordt afgegeven.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 36

Groep exploitanten

1.   Elke groep exploitanten:

a)

bestaat uitsluitend uit leden die landbouwers zijn of exploitanten die algen of aquacultuurdieren produceren, en die voorts betrokken kunnen zijn bij het verwerken, bereiden of in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders;

b)

bestaat uitsluitend uit leden:

i)

voor wie de individuele certificeringskosten meer dan 2 % van de omzet of standaardopbrengst van de biologische productie van elk lid bedraagt, en van wie de jaarlijkse omzet van de biologische productie niet meer bedraagt dan 25 000 EUR, of van wie de standaardopbrengst van de biologische productie niet meer bedraagt dan 15 000 EUR per jaar, of

ii)

die elk een bedrijf hebben van maximaal:

vijf hectare,

0,5 hectare, in het geval van broeikassen, of

15 hectare, uitsluitend in het geval van permanent grasland;

c)

is gevestigd in een lidstaat of een derde land;

d)

bezit rechtspersoonlijkheid;

e)

bestaat uitsluitend uit leden van wie de productieactiviteiten plaatsvinden in elkaars geografische nabijheid;

f)

zet een gemeenschappelijk vermarktingssysteem op voor het in de handel brengen van de door de groep geproduceerde producten, en

g)

stelt een systeem voor interne controle in dat bestaat uit een gedocumenteerde reeks controleactiviteiten en -procedures volgens welke een geïdentificeerde persoon of instantie verantwoordelijk is voor de controle of elk lid van de groep deze verordening naleeft.

2.   De bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, de controleautoriteiten of controleorganen trekken het in artikel 35 bedoelde certificaat voor de hele groep in wanneer de integriteit van de biologische en omschakelingsproducten in gevaar komt door tekortkomingen in de opzet of de werking van het in lid 1 bedoelde systeem voor interne controles, in het bijzonder het verzuim om de niet-naleving door individuele leden van de groep exploitanten te op te sporen of aan te pakken.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de leden 1 en 2 van dit artikel door bepalingen toe te voegen, of die toegevoegde bepalingen te wijzigen, met name wat betreft:

a)

de verantwoordelijkheden van de individuele leden van een groep exploitanten;

b)

de criteria om de geografische nabijheid van de leden van de groep te bepalen, zoals gedeelde faciliteiten of locaties;

c)

de opzet en de werking van het systeem voor interne controles, waaronder de reikwijdte, de inhoud en de frequentie van de te verrichten controles, en de criteria voor het identificeren van tekortkomingen in de opzet en de werking van het systeem voor interne controle.

4.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met specifieke voorschriften voor:

a)

de samenstelling en omvang van een groep exploitanten;

b)

de documenten en registratiesystemen, het systeem voor interne traceerbaarheid en de lijst van exploitanten;

c)

de uitwisseling van informatie tussen een groep exploitanten en de bevoegde autoriteit of autoriteiten, controleautoriteiten of controleorganen, en tussen de lidstaten en de Commissie.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK VI

OFFICIËLE CONTROLES EN ANDERE OFFICIËLE ACTIVITEITEN

Artikel 37

Verband met Verordening (EU) 2017/625 en aanvullende voorschriften voor officiële controles en andere officiële activiteiten met betrekking tot de biologische productie en de etikettering van biologische producten

In aanvulling op de regels van Verordening (EU) 2017/625, behoudens de andersluidende bepalingen van artikel 40, lid 2, van deze verordening, en in aanvulling op artikel 29 van deze verordening, behoudens de andersluidende bepalingen van artikel 41, lid 1, van deze verordening, zijn de specifieke regels van dit hoofdstuk van toepassing op officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om, gedurende het gehele proces in alle stadia van de productie, bereiding en distributie, te controleren of de in artikel 2, lid 1, van deze verordening bedoelde producten zijn geproduceerd conform deze verordening.

Artikel 38

Aanvullende regels inzake officiële controles en acties die de bevoegde autoriteiten moeten ondernemen

1.   Officiële controles die worden uitgevoerd conform artikel 9 van Verordening (EU) 2017/625 voor de controle op de naleving van deze verordening, omvatten met name:

a)

de controle op de toepassing van preventieve maatregelen en voorzorgsmaatregelen door de exploitanten, als bedoeld in artikel 9, lid 6, en artikel 28 van deze verordening, in elk stadium van de productie, bereiding en distributie;

b)

in de gevallen waar het bedrijf niet-biologische productie-eenheden of productie-eenheden in omschakeling omvat, de verificatie van de registers en van de geldende maatregelen of procedures of regelingen die de duidelijke en daadwerkelijke scheiding tussen biologische productie-eenheden, productie-eenheden in omschakeling en niet-biologische productie-eenheden alsmede tussen de respectievelijke producten van die eenheden moeten waarborgen, en van de stoffen en de producten die worden gebruikt voor biologische productie-eenheden, productie-eenheden in omschakeling en niet-biologische productie-eenheden; deze verificatie omvat controles van percelen waarvoor een eerdere periode met terugwerkende kracht werd erkend als deel van de omschakelingsperiode, en controles op de niet-biologische productie-eenheden;

c)

in de gevallen waarin biologische producten, omschakelingsproducten en niet-biologische producten gelijktijdig door exploitanten worden verzameld, in dezelfde bereidingseenheid, hetzelfde gebied of dezelfde gebouwen worden bereid of opgeslagen, of naar andere exploitanten of eenheden worden vervoerd, de verificatie van de registers en van de geldende maatregelen, procedures of regelingen om ervoor te zorgen dat de handelingen in ruimte of in tijd gescheiden worden uitgevoerd, dat passende reinigingsmaatregelen en, in voorkomend geval, maatregelen ter voorkoming van de verwisseling van producten worden toegepast, dat biologische producten en omschakelingsproducten te allen tijde aangeduid zijn en dat biologische producten, omschakelingsproducten en niet-biologische producten vóór en na de bereidingshandelingen in ruimte of in tijd gescheiden van elkaar worden opgeslagen;

d)

de verificatie van de instelling en werking van het systeem voor interne controle van groepen exploitanten;

e)

in de gevallen waarin exploitanten zijn vrijgesteld van de in artikel 34, lid 2, van deze verordening bedoelde meldingsplicht, of van de verplichting in het bezit te zijn van een certificaat als bedoeld in artikel 35, lid 8, van deze verordening, de verificatie dat aan de vereisten voor die vrijstelling is voldaan en de verificatie van de door die exploitanten verkochte producten.

2.   Officiële controles die worden uitgevoerd conform artikel 9 van Verordening (EU) 2017/625 voor de controle op de naleving van deze verordening, worden gedurende het gehele proces in alle stadia van de productie, bereiding en distributie uitgevoerd op basis van de waarschijnlijkheid van niet-naleving in de zin van artikel 3, punt 57, van deze verordening, bij de bepaling waarvan rekening wordt gehouden met de elementen bedoeld in artikel 9 van Verordening (EU) 2017/625, en in het bijzonder met de volgende elementen:

a)

het type, de omvang en de structuur van de exploitanten en de groepen exploitanten;

b)

hoe lang exploitanten en groepen exploitanten zich al bezighouden met biologische productie, bereiding en distributie;

c)

de resultaten van de overeenkomstig dit artikel uitgevoerde controles;

d)

het voor de verrichte activiteiten relevante tijdstip;

e)

de categorieën producten;

f)

het type, de hoeveelheid en de waarde van de producten en de ontwikkeling daarvan in de loop van de tijd;

g)

de mogelijkheid van vermenging van producten of verontreiniging met niet-toegelaten producten of stoffen;

h)

de toepassing van afwijkingen van of uitzonderingen op de regels door exploitanten en groepen exploitanten;

i)

de kritieke punten voor niet-naleving en de waarschijnlijkheid van niet-naleving in elk stadium van de productie, bereiding en distributie;

j)

uitbestede activiteiten.

3.   In elk geval worden alle exploitanten en groepen exploitanten, met uitzondering van hen die worden bedoeld in artikel 34, lid 2, en artikel 35, lid 8, ten minste eenmaal per jaar aan een controle op de naleving onderworpen.

De controle op de naleving omvat een fysieke inspectie ter plaatse, behalve indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

bij eerdere controles van de betrokken exploitant of groep exploitanten is gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren geen niet-naleving geconstateerd die de integriteit van biologische of omschakelingsproducten aantast, en

b)

de exploitant of groep exploitanten is beoordeeld op basis van de elementen bedoeld in lid 2 van dit artikel en in artikel 9 van Verordening (EU) 2017/625, waarbij van een geringe waarschijnlijkheid van niet-naleving is gebleken.

In dat geval mag de periode tussen twee materiële inspecties ter plaatse niet langer dan 24 maanden zijn.

4.   Officiële controles die worden uitgevoerd conform artikel 9 van Verordening (EU) 2017/625 voor de controle op de naleving van deze verordening moeten:

a)

worden uitgevoerd conform artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) 2017/625, met de garantie dat een minimumpercentage van alle officiële controles van exploitanten of groepen exploitanten onaangekondigd plaatsvindt;

b)

garanderen dat een minimumpercentage van aanvullende controles, naast de in lid 3 van dit artikel vermelde controles, wordt verricht;

c)

worden uitgevoerd door een minimumaantal monsters te nemen, die zijn verkregen overeenkomstig artikel 14, onder h), van Verordening (EU) 2017/625;

d)

garanderen dat een minimumaantal exploitanten die lid zijn van een groep exploitanten worden gecontroleerd in verband met de controle op de in lid 3 van dit artikel bedoelde naleving.

5.   De verstrekking of hernieuwing van het in artikel 35, lid 1, bedoelde certificaat is gebaseerd op de resultaten van de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel bedoelde verificatie van de naleving.

6.   De schriftelijke gegevens die overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2017/625 moeten worden opgesteld met betrekking tot elke officiële controle die is verricht op de naleving van deze verordening, worden door de exploitant of groep exploitanten gecontrasigneerd ter bevestiging van hun ontvangst van die gegevens.

7.   Artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2017/625 is niet van toepassing op audits en inspecties door bevoegde autoriteiten in de context van het toezicht op controleorganen waaraan bepaalde officiële controletaken of bepaalde taken in verband met andere officiële activiteiten zijn gedelegeerd.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a)

om deze verordening aan te vullen met specifieke criteria en voorwaarden voor het verrichten van officiële controles om de traceerbaarheid te verzekeren gedurende alle stadia van de productie, bereiding en distributie, en van de naleving van deze verordening met betrekking tot:

i)

controles van de administratie;

ii)

controles van specifieke categorieën van exploitanten;

iii)

in voorkomend geval, de periode en de specifieke gebouwen of het specifieke gebied waarin de in deze verordening voorziene controles moeten worden verricht, met inbegrip van de in lid 3 van dit artikel bedoelde fysieke inspecties ter plaatse;

b)

om lid 2 van dit artikel te wijzigen door nieuwe elementen op basis van praktische ervaring toe te voegen, of door die toegevoegde elementen te wijzigen.

9.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen ter precisering van:

a)

het in lid 4, onder a), bedoelde minimumpercentage van alle officiële controles van exploitanten of groepen exploitanten dat onaangekondigd plaatsvindt;

b)

het minimumpercentage van de in lid 4, onder b), bedoelde aanvullende controles;

c)

het minimumaantal monsters, als bedoeld in lid 4, onder c);

d)

het minimumaantal exploitanten die lid zijn van een groep exploitanten, als bedoeld in lid 4, onder d).

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 55, lid 2.

Artikel 39

Aanvullende regels inzake door exploitanten en groepen exploitanten te nemen maatregelen

1.   Naast de verplichtingen op grond van artikel 15 van Verordening (EU) 2017/625 moeten de exploitanten en groepen exploitanten:

a)

een register bijhouden om hun naleving van deze verordening aan te tonen;

b)

alle verklaringen afleggen en andere mededelingen doen die nodig zijn voor officiële controles;

c)

de nodige praktische maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd;

d)

in de vorm van een verklaring, te ondertekenen en waar nodig te actualiseren, de volgende elementen verstrekken:

i)

de volledige beschrijving van de biologische productie-eenheid of productie-eenheid in omschakeling en van de overeenkomstig deze verordening te verrichten activiteiten;

ii)

de nodige praktische maatregelen die moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd;

iii)

een verbintenis om:

in het geval van een gestaafd vermoeden van niet-naleving, een vermoeden van niet-naleving dat niet kan worden weggenomen, of van een vastgestelde niet-naleving die de integriteit van de betrokken producten aantast, de kopers van de producten onverwijld schriftelijk in kennis te stellen en relevante informatie uit te wisselen met de bevoegde autoriteit of, waar passend, met de controleautoriteit of het controleorgaan,

te aanvaarden dat bij een wijziging van controleautoriteit of controleorgaan het controledossier wordt overgedragen of, in geval van terugtrekking uit de biologische productie, dat het controledossier minstens vijf jaar wordt bewaard door de laatste controleautoriteit of het laatste controleorgaan,

in geval van terugtrekking uit de biologische productie, de bevoegde autoriteit of de autoriteit of het orgaan die/dat is aangewezen overeenkomstig artikel 34, lid 4, onmiddellijk daarvan in kennis te stellen, en

indien onderaannemers worden gecontroleerd door verschillende controleautoriteiten of controleorganen, te aanvaarden dat informatie wordt uitgewisseld tussen die autoriteiten of organen.

2.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met details en specificaties inzake:

a)

de registers om de naleving van deze verordening aan te tonen;

b)

de verklaringen en andere mededelingen die nodig zijn voor officiële controles;

c)

de relevante praktische maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 40

Aanvullende regels inzake de delegatie van officiële controletaken en taken in verband met andere officiële activiteiten

1.   Bevoegde autoriteiten kunnen bepaalde officiële controletaken en bepaalde taken in verband met andere officiële activiteiten enkel delegeren aan controleorganen indien aan de volgende voorwaarden, naast die van hoofdstuk III van Verordening (EU) 2017/625, is voldaan:

a)

de delegatie omvat een gedetailleerde beschrijving van de gedelegeerde officiële controletaken en taken in verband met andere officiële activiteiten, waaronder rapportageverplichtingen en andere specifieke verplichtingen, en van de voorwaarden waaronder het controleorgaan die mag uitvoeren. Het controleorgaan overlegt ter voorafgaande goedkeuring aan de bevoegde autoriteiten met name het volgende:

i)

zijn risicobeoordelingsprocedure, aan de hand waarvan met name de intensiteit en de frequentie van de controles op de naleving door de exploitanten of groepen exploitanten wordt bepaald, die wordt ingesteld op basis van de in artikel 9 van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde elementen en van artikel 38 van deze verordening, en die moet worden gevolgd voor officiële controles van exploitanten of groepen exploitanten;

ii)

de geldende standaardcontroleprocedure, die een gedetailleerde beschrijving bevat van de controlemaatregelen die het controleorgaan op de aan zijn controles onderworpen exploitanten en groepen exploitanten zal toepassen;

iii)

een lijst van maatregelen, conform de in artikel 41, lid 4, bedoelde gemeenschappelijke catalogus, die moeten worden toegepast op exploitanten en groepen exploitanten in gevallen van vermeende of vastgestelde niet-naleving;

iv)

de regelingen voor het doeltreffend toezicht op en de rapportage over de officiële controletaken en taken in verband met andere officiële activiteiten die zijn verricht ten aanzien van exploitanten en groepen exploitanten.

Latere wijzigingen van de in punten i) tot en met iv) bedoelde elementen worden door het controleorgaan aan de bevoegde autoriteit gemeld;

b)

deze bevoegde autoriteiten beschikken over procedures en regelingen om toezicht op de controleorganen uit te oefenen, onder meer om na te gaan of de gedelegeerde taken doeltreffend, onafhankelijk en objectief worden uitgevoerd, met name wat betreft de intensiteit en de frequentie van de controle op de naleving.

De bevoegde autoriteiten organiseren ten minste eenmaal per jaar overeenkomstig artikel 33, onder a), van Verordening (EU) 2017/625 audits van de controleorganen waaraan zij officiële controletaken of taken in verband met andere officiële activiteiten hebben gedelegeerd.

2.   In afwijking van artikel 31, lid 3, van Verordening (EU) 2017/625, kunnen bevoegde autoriteiten het besluit over hun taken, als vermeld in artikel 138, lid 1, onder b), en artikel 138, leden 2 en 3, van die verordening, aan een controleorgaan delegeren.

3.   Met het oog op de toepassing van artikel 29, onder b), iv), van Verordening (EU) 2017/625 is de voor het toepassingsgebied van deze verordening relevante norm voor de delegatie van bepaalde officiële controletaken en bepaalde taken in verband met andere officiële activiteiten voor de controle op de naleving van deze verordening, de meest recente versie van de internationale geharmoniseerde norm „Conformiteitsbeoordeling — Eisen voor certificatie-instellingen die certificaten toekennen aan producten, processen en diensten”, waarvan de referentie in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt.

4.   De volgende officiële controletaken en taken in verband met andere officiële activiteiten worden door bevoegde autoriteiten niet aan controleorganen gedelegeerd:

a)

het toezicht op en de audit van andere controleautoriteiten of controleorganen;

b)

de bevoegdheid om afwijkingen toe te staan, behalve voor het gebruik van niet uit biologische productie verkregen plantaardig teeltmateriaal;

c)

de bevoegdheid om de in artikel 34, lid 1, van deze verordening bedoelde kennisgeving van activiteiten van exploitanten of groepen exploitanten te ontvangen;

d)

de beoordeling van de waarschijnlijkheid van niet-naleving van de voorschriften van deze verordening die de frequentie bepalen van de overeenkomstig artikel 54 van Verordening (EU) 2017/625 uit te voeren fysieke controles van zendingen biologische goederen vóór de vrijgave ervan voor vrij verkeer in de Unie;

e)

de opstelling van de in artikel 41, lid 4, van deze verordening bedoelde gemeenschappelijke catalogus van maatregelen.

5.   De bevoegde autoriteiten delegeren geen officiële controletaken of taken in verband met andere officiële activiteiten aan natuurlijke personen.

6.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat zij de informatie die zij op grond van artikel 32 van Verordening (EU) 2017/625 van de controleorganen hebben ontvangen, en de informatie over de door de controleorganen toegepaste maatregelen in geval van vastgestelde of waarschijnlijke niet-naleving, verzamelen en gebruiken om toezicht te houden op de activiteiten van die controleorganen.

7.   Indien een bevoegde autoriteit de delegatie van bepaalde officiële controletaken of bepaalde taken in verband met andere officiële activiteiten overeenkomstig artikel 33, onder b), van Verordening (EU) 2017/625 volledig of gedeeltelijk heeft ingetrokken, neemt zij een beslissing over de geldigheid van de door de betrokken controleorganen vóór de datum van die gedeeltelijke of volledige intrekking afgegeven certificaten, en stelt zij de betrokken exploitanten van die beslissing in kennis.

8.   Onverminderd artikel 33, onder b), van Verordening (EU) 2017/625 mogen de bevoegde autoriteiten, alvorens zij de delegatie van officiële controletaken of taken in verband met andere officiële activiteiten geheel of gedeeltelijk intrekken in de in dat punt bedoelde gevallen, die delegatie geheel of gedeeltelijk schorsen:

a)

voor een periode van ten hoogste twaalf maanden, tijdens welke het controleorgaan de tijdens audits en inspecties geconstateerde tekortkomingen dient te verhelpen of gevallen van niet-naleving dient aan te pakken waarover informatie is uitgewisseld met andere controleautoriteiten, controleorganen en bevoegde autoriteiten, alsmede overeenkomstig artikel 43 van deze verordening met de Commissie, of

b)

voor de periode tijdens welke de accreditatie bedoeld in artikel 29, onder b), iv), van Verordening (EU) 2017/625, in samenhang met artikel 40, lid 3, van deze verordening, is geschorst.

In geval van schorsing van de delegatie inzake officiële controletaken of taken in verband met andere officiële activiteiten geven de betrokken controleorganen geen in artikel 35 bedoelde certificaten af voor die delen waarvoor de delegatie is geschorst. De bevoegde autoriteiten nemen een besluit over de geldigheid van door de betrokken controleorganen vóór die gedeeltelijke of volledige schorsing afgegeven certificaten, en stellen de betrokken exploitanten van dat besluit in kennis.

Onverminderd artikel 33 van Verordening (EU) 2017/625 heffen de bevoegde autoriteiten de schorsing van de delegatie van officiële controletaken of taken in verband met andere officiële activiteiten zo spoedig mogelijk op zodra het controleorgaan de in punt a) van de eerste alinea bedoelde tekortkomingen of gevallen van niet-naleving heeft verholpen, of zodra het accreditatieorgaan de schorsing van de in punt b) van de eerste alinea bedoelde accreditatie heeft opgeheven.

9.   Wanneer een controleorgaan waaraan bevoegde autoriteiten bepaalde officiële controletaken of bepaalde taken in verband met andere officiële activiteiten hebben gedelegeerd, eveneens overeenkomstig artikel 46, lid 1, van deze verordening door de Commissie is erkend voor het uitvoeren van controleactiviteiten in derde landen, en de Commissie voornemens is de erkenning van dat controleorgaan in te trekken of dat reeds heeft gedaan, organiseren de bevoegde autoriteiten audits of inspecties met betrekking tot de activiteiten van het controleorgaan in de betrokken lidstaat of lidstaten, overeenkomstig artikel 33, onder a), van Verordening (EU) 2017/625.

10.   De controleorganen zenden de bevoegde autoriteiten het volgende toe:

a)

uiterlijk op 31 januari van elk jaar, een lijst van de exploitanten die op 31 december van het voorgaande jaar aan hun controles waren onderworpen, en

b)

uiterlijk op 31 maart van elk jaar, informatie over de in het voorgaande jaar verrichte officiële controles en andere officiële activiteiten, ter ondersteuning van het opstellen van het gedeelte over biologische productie en de etikettering van biologische producten van het jaarverslag als bedoeld in artikel 113 van Verordening (EU) 2017/625.

11.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen wat betreft voorwaarden voor de delegatie van officiële controletaken en taken in verband met andere officiële activiteiten aan controleorganen in aanvulling op de in lid 1 van dit artikel neergelegde voorwaarden.

Artikel 41

Aanvullende regels inzake maatregelen in geval van niet-naleving

1.   Behoudens artikel 29, indien een bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, een controleautoriteit of controleorgaan een vermoeden heeft of gestaafde informatie ontvangt, waaronder informatie van andere bevoegde autoriteiten of in voorkomend geval van andere controleautoriteiten of controleorganen, dat een exploitant voornemens is een product te gebruiken of in de handel te brengen dat mogelijk niet conform deze verordening is maar waarop termen voorkomen die verwijzen naar de biologische productiemethode, of indien een dergelijke bevoegde autoriteit, een dergelijke controleautoriteit of een dergelijk controleorgaan van een vermoeden van niet-naleving overeenkomstig artikel 27 door een exploitant in kennis wordt gesteld:

a)

stelt deze autoriteit of dit orgaan onmiddellijk een officieel onderzoek in overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625, teneinde de naleving van de voorschriften van deze verordening te controleren; dit onderzoek dient zo snel mogelijk, binnen een redelijke termijn, te worden voltooid waarbij rekening wordt gehouden met de houdbaarheid van het product en de complexiteit van de zaak.

b)

verbiedt deze autoriteit of dit orgaan voorlopig het in de handel brengen van zowel de betrokken producten als biologische of omschakelingsproducten als het gebruik ervan in de biologische productie, in afwachting van de resultaten van het in punt a) bedoelde onderzoek. Alvorens een dergelijke beslissing te nemen geeft de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de controleautoriteit of het controleorgaan, de exploitant de gelegenheid te reageren.

2.   Indien uit het in lid 1, onder a), bedoelde onderzoek geen niet-naleving blijkt die de integriteit van biologische of omschakelingsproducten aantast, krijgt de exploitant de toestemming de betrokken producten te gebruiken of ze in de handel te brengen als biologische of omschakelingsproducten.

3.   De lidstaten nemen maatregelen en voorzien in de nodige sancties om frauduleus gebruik van de in hoofdstuk IV van deze verordening bedoelde aanduidingen te voorkomen.

4.   De bevoegde autoriteiten verstrekken een gemeenschappelijke lijst van de op hun grondgebied door controleautoriteiten en controleorganen toe te passen maatregelen bij gevallen van vermeende en vastgestelde niet-naleving.

5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om uniforme regelingen te preciseren voor de gevallen waarin bevoegde autoriteiten maatregelen moeten nemen met betrekking tot vermeende of vastgestelde niet-naleving.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 55, lid 2.

Artikel 42

Aanvullende regels inzake maatregelen in geval van niet-naleving

1.   In geval van een niet-naleving die de integriteit van biologische of omschakelingsproducten aantast gedurende enig stadium van de productie, bereiding, en distributie, bijvoorbeeld als gevolg van gebruik van niet-toegelaten producten, stoffen of technieken dan wel vermenging met niet-biologische producten, garanderen de bevoegde autoriteiten, en in voorkomend geval de controleautoriteiten en de controleorganen, naast de te nemen maatregelen overeenkomstig artikel 138 van Verordening (EU) 2017/625, dat er op etiketten en in reclame voor de hele partij of productiegang in kwestie geen vermelding met betrekking tot biologische productie voorkomt.

2.   In geval van ernstige, herhaalde of voortdurende niet-naleving zorgen de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, de controleautoriteiten en de controleorganen ervoor dat aan de betrokken exploitanten of groepen exploitanten, naast de in lid 1 neergelegde maatregelen en eventuele passende maatregelen die met name overeenkomstig artikel 138 van Verordening (EU) 2017/625 worden genomen, een verbod wordt opgelegd om gedurende een bepaalde periode producten met een vermelding met betrekking tot de biologische productie in de handel te brengen, en dat hun in artikel 35 bedoeld certificaat, naargelang het geval, wordt opgeschort of ingetrokken.

Artikel 43

Aanvullende regels inzake de uitwisseling van informatie

1.   Naast de verplichtingen in artikel 105, lid 1, en artikel 106, lid 1, van Verordening (EU) 2017/625, delen de bevoegde autoriteiten onmiddellijk informatie met andere bevoegde autoriteiten en met de Commissie over enig vermoeden van niet-naleving die gevolgen heeft voor de integriteit van biologische of omschakelingsproducten.

De bevoegde autoriteiten delen die informatie met andere bevoegde autoriteiten en met de Commissie via een computersysteem waarmee documenten en door de Commissie beschikbaar gestelde informatie kunnen worden uitgewisseld.

2.   In gevallen waarin niet-naleving wordt vermoed of is vastgesteld met betrekking tot producten onder de controle van andere controleautoriteiten of controleorganen, stellen de controleautoriteiten en de controleorganen die andere controleautoriteiten of controleorganen daarvan onmiddellijk in kennis.

3.   De controleautoriteiten en de controleorganen wisselen andere relevante informatie uit met andere controleautoriteiten en controleorganen.

4.   De controleautoriteiten en de controleorganen wisselen desgevraagd, wanneer dat gerechtvaardigd is vanwege de noodzaak om te garanderen dat een product overeenkomstig deze verordening is geproduceerd, met andere bevoegde autoriteiten en met de Commissie informatie over hun controleresultaten uit.

5.   De bevoegde autoriteiten wisselen informatie over het toezicht op de controleorganen uit met de in artikel 2, punt 11, van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (54) gedefinieerde nationale accreditatie-instanties.

6.   De bevoegde autoriteiten nemen de nodige maatregelen en stellen gedocumenteerde procedures vast om ervoor te zorgen dat informatie over de resultaten van de controles wordt meegedeeld aan het betaalorgaan overeenkomstig zijn behoeften in het kader van artikel 58 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (55) en de krachtens dat artikel vastgestelde handelingen.

7.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen ter precisering van de informatie die moet worden verstrekt door de bevoegde autoriteiten, de controleautoriteiten en de controleorganen die de leiding hebben over de officiële controles en andere officiële activiteiten in overeenstemming met dit artikel, van de betrokken ontvangers van die informatie en de procedures volgens welke deze informatie moet worden verstrekt, met inbegrip van de functionaliteiten van het in lid 1 bedoelde computersysteem.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 55, lid 2.

HOOFDSTUK VII

HANDELSVERKEER MET DERDE LANDEN

Artikel 44

Uitvoer van biologische producten

1.   Een product mag als een biologisch product uit de Unie worden uitgevoerd en het logo voor de biologische productie van de Europese Unie dragen, indien het aan de regels inzake biologische productie in het kader van deze verordening voldoet.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 uitvoeringshandelingen vast te stellen in aanvulling op deze verordening met betrekking tot documenten die voor douaneautoriteiten in derde landen zijn bestemd, met name met betrekking tot de afgifte van biologische-uitvoercertificaten, zo mogelijk in elektronische vorm, en de verstrekking van garanties dat de uitgevoerde biologische producten aan deze verordening voldoen.

Artikel 45

Invoer van biologische en omschakelingsproducten

1.   Een product mag uit een derde land worden ingevoerd met het doel in de Unie als een biologisch product of als een omschakelingsproduct in de handel te worden gebracht, indien aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan:

a)

het product is een product als bedoeld in artikel 2, lid 1;

b)

er is sprake van één van het volgende:

i)

het product voldoet aan de hoofdstukken II, III en IV van deze verordening en alle exploitanten en in artikel 36 bedoelde groepen exploitanten, met inbegrip van exporteurs in het betrokken derde land, vallen onder de controles van overeenkomstig artikel 46 erkende controleautoriteiten of controleorganen en hebben van die autoriteiten of organen een certificaat ontvangen dat bevestigt dat zij aan deze verordening voldoen;

ii)

in gevallen waarin het product uit een derde land komt dat is erkend overeenkomstig artikel 47, voldoet dat product aan de in de desbetreffende handelsovereenkomst vastgestelde voorwaarden, of

iii)

in gevallen waarin het product uit een derde land komt dat is erkend overeenkomstig artikel 48, voldoet dat product aan de gelijkwaardige productie- en controlevoorschriften van dat derde land, en wordt het ingevoerd met een door de bevoegde autoriteiten, de controleautoriteiten of de controleorganen van dat derde land afgegeven inspectiecertificaat dat bevestigt dat aan de betrokken regels is voldaan, en

c)

de exploitanten in derde landen zijn te allen tijde in staat aan de importeurs en de nationale autoriteiten in de Unie en in die derde landen informatie te verstrekken aan de hand waarvan de exploitanten die hun leveranciers zijn, alsmede de controleautoriteiten of controleorganen van die leveranciers, kunnen worden geïdentificeerd teneinde de traceerbaarheid van het biologische of omschakelingsproduct in kwestie te waarborgen. Die informatie wordt tevens aan de controleautoriteiten of de controleorganen van de importeurs ter beschikking gesteld.

2.   Overeenkomstig de procedure die is vastgelegd in artikel 24, lid 9, kan de Commissie specifieke toelatingen verlenen voor het gebruik van producten en stoffen in derde landen en in de ultraperifere gebieden van de Unie, rekening houdend met verschillen in het ecologisch evenwicht in de plantaardige of dierlijke productie, specifieke klimatologische omstandigheden, tradities en plaatselijke omstandigheden in die gebieden. Dergelijke specifieke toelatingen kunnen worden verleend voor een hernieuwbare termijn van twee jaar en zijn onderworpen aan de beginselen van hoofdstuk II en de in artikel 24, leden 3 en 6, vastgestelde criteria.

3.   Wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 22 de criteria vastlegt om te bepalen of een situatie als rampzalige omstandigheden kan worden aangemerkt en specifieke regels vaststelt over hoe met zulke omstandigheden om te gaan, houdt zij rekening met verschillen in het ecologisch evenwicht en de klimatologische en plaatselijke omstandigheden in derde landen en in de ultraperifere gebieden van de Unie.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast houdende specifieke regels met betrekking tot de inhoud van de in lid 1, onder b), bedoelde certificaten, de te volgen procedure voor de afgifte, hun verificatie en de technische middelen waarmee het certificaat wordt afgegeven, met name wat betreft de rol van de bevoegde autoriteiten, controleautoriteiten en controleorganen, die daarmee de traceerbaarheid en conformiteit verzekeren van ingevoerde producten die bestemd zijn om als biologische producten of als omschakelingsproducten in de Unie in de handel te worden gebracht als bedoeld in lid 1.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 55, lid 2.

5.   Aan grenscontroleposten wordt overeenkomstig artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) 2017/625 nagegaan of de voorwaarden en maatregelen betreffende de invoer van de in lid 1 bedoelde biologische producten en omschakelingsproducten in de Unie worden nageleefd. De frequentie van de in artikel 49, lid 2, van die verordening bedoelde materiële controles hangt af van de waarschijnlijkheid van niet-naleving in de zin van artikel 3, punt 57), van deze verordening.

Artikel 46

Erkenning van controleautoriteiten en controleorganen

1.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de controleautoriteiten en controleorganen te erkennen die bevoegd zijn om in derde landen controles te verrichten en biologische certificaten af te geven, om de erkenning van zulke controleautoriteiten en controleorganen in te trekken, en om een lijst van erkende controleautoriteiten en controleorganen op te stellen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 55, lid 2.

2.   De controleautoriteiten of controleorganen worden overeenkomstig lid 1 van dit artikel erkend voor de controle van de invoer van de in artikel 35, lid 7, vermelde producten, indien zij aan de volgende criteria voldoen:

a)

zij zijn juridisch gevestigd in één lidstaat of derde land;

b)

zij zijn bevoegd om controles uit te voeren teneinde erop toe te zien dat aan de in artikel 45, lid 1, onder a), b), i), en c), vastgestelde voorwaarden wordt voldaan met betrekking tot biologische producten en omschakelingsproducten die bestemd zijn voor invoer in de Unie;

c)

zij bieden adequate garanties qua objectiviteit en onpartijdigheid en zijn vrij van elk belangenconflict wat de uitoefening van hun controletaken betreft;

d)

in het geval van controleorganen, worden deze geaccrediteerd overeenkomstig de ter zake relevante geharmoniseerde norm inzake „Conformiteitsbeoordeling — Eisen voor certificatie-instellingen die certificaten toekennen aan producten, processen en diensten” waarvan de referentie is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie;

e)

zij beschikken over de nodige deskundigheid, uitrusting en infrastructuur voor het verrichten van controletaken, alsmede over voldoende geschikte, gekwalificeerde en ervaren medewerkers, en

f)

zij voldoen aan extra criteria die bij een krachtens lid 7 vastgestelde gedelegeerde handeling bepaald kunnen worden.

3.   De in lid 2, onder d), bedoelde accreditatie mag enkel worden verleend door:

a)

een nationaal accreditatie-instantie in de Unie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008, of

b)

een accreditatie-instantie buiten de Unie die ondertekenaar is van een multilaterale erkenningsregeling onder de auspiciën van het IAF (International Accreditation Forum).

4.   De controleautoriteiten en de controleorganen dienen bij de Commissie een verzoek tot erkenning in. Dergelijk verzoek bestaat uit een technisch dossier met alle informatie die nodig is om ervoor te zorgen dat aan de in lid 2 vermelde criteria wordt voldaan.

De controleautoriteiten leggen het meest recente door de bevoegde autoriteit uitgebrachte evaluatieverslag over, en de controleorganen leggen het door de accreditatie-instantie afgegeven accreditatiecertificaat over. In voorkomend geval, leggen controleautoriteiten of controleorganen ook de meest recente verslagen over de regelmatige evaluatie ter plaatse, het toezicht en de meerjaarlijkse herbeoordeling van hun activiteiten over.

5.   Op basis van de in lid 4 bedoelde informatie en van alle andere relevante informatie met betrekking tot de controleautoriteit of het controleorgaan zorgt de Commissie ervoor dat de erkende controleautoriteiten en controleorganen aan passend toezicht worden onderworpen door regelmatig hun prestaties en erkenning te evalueren. Met het oog op dat toezicht kan de Commissie de accreditatie-instanties of, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteiten om aanvullende informatie verzoeken.

6.   De invulling van het in lid 5 bedoelde toezicht wordt bepaald op basis van een beoordeling van de waarschijnlijkheid van niet-naleving, waarbij met name rekening wordt gehouden met de activiteit van de controleautoriteit of het controleorgaan, het type producten en exploitanten waarop zij/het controle uitoefent en de veranderingen in de productievoorschriften en controlemaatregelen.

De in lid 1 bedoelde erkenning van controleautoriteiten of controleorganen wordt met name overeenkomstig de in dat lid bedoelde procedure onverwijld ingetrokken wanneer ernstige of herhaaldelijke inbreuken met betrekking tot de certificering of de overeenkomstig lid 8 vastgelegde controles en acties worden geconstateerd en wanneer de betrokken controleautoriteit of het betrokken controleorgaan heeft nagelaten om in antwoord op een verzoek van de Commissie passende en tijdige corrigerende maatregelen te treffen, binnen een door de Commissie bepaalde termijn. De lengte van die termijn wordt vastgesteld naargelang de ernst van het probleem, en bedraagt in de regel niet minder dan 30 dagen.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a)

tot wijziging van lid 2 van dit artikel door aanvullende criteria aan de reeds vastgestelde criteria toe te voegen die gelden voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde erkenning, van de controleautoriteiten en controleorganen, en voor de intrekking van de erkenning, of door die aanvullende criteria te wijzigen;

b)

tot aanvulling van deze verordening wat betreft:

i)

de uitoefening van toezicht op de overeenkomstig lid 1 door de Commissie erkende controleautoriteiten en controleorganen, met inbegrip van inspecties ter plaatse, en

ii)

de controles en andere acties die deze controleautoriteiten en controleorganen moeten uitvoeren.

8.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om te garanderen dat maatregelen worden genomen met betrekking tot gevallen van vermeende of vastgestelde niet-naleving, met name gevallen die een risico inhouden voor de integriteit van biologische of omschakelingsproducten die in het kader van de in dit artikel bedoelde erkenning worden ingevoerd. Bij wijze van maatregel kan de integriteit van biologische of omschakelingsproducten vóór het in de handel brengen van producten in de Unie worden gecontroleerd, of kan, in voorkomend geval, de toelating om dergelijke producten in de Unie als biologische producten of omschakelingsproducten in de handel te brengen, worden opgeschort.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 55, lid 2.

9.   Om naar behoren gerechtvaardigde dwingende redenen van urgentie op het gebied van oneerlijke praktijken of praktijken die onverenigbaar zijn met de beginselen en voorschriften inzake de biologische productie, de bescherming van het consumentenvertrouwen of de bescherming van de eerlijke concurrentie tussen exploitanten, stelt de Commissie overeenkomstig de in artikel 55, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast om de in lid 8 van dit artikel bedoelde maatregelen te nemen of om een besluit te nemen over de intrekking van de erkenning van de controleautoriteiten en controleorganen als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

Artikel 47

Gelijkwaardigheid in het kader van een handelsovereenkomst

Een erkend derde land als bedoeld in artikel 45, lid 1, onder b), ii), is een derde land dat door de Unie in het kader van een handelsovereenkomst is erkend als een land met een productiesysteem dat aan dezelfde doelstellingen en beginselen voldoet omdat in het kader van dat systeem voorschriften worden toegepast die hetzelfde conformiteitsniveau garanderen als die van de Unie.

Artikel 48

Gelijkwaardigheid in het kader van Verordening (EG) nr. 834/2007

1.   Een erkend derde land als bedoeld in artikel 45, lid 1, onder b), iii), is een derde land dat voor gelijkwaardigheidsdoeleinden is erkend in het kader van artikel 33, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007, met inbegrip van de derde landen die zijn erkend in het kader van de overgangsmaatregel waarin is voorzien in artikel 58 van deze verordening.

Die erkenning verstrijkt op 31 december 2025.

2.   Op basis van jaarlijkse verslagen die de in lid 1 bedoelde derde landen over de uitvoering en handhaving van door hen vastgestelde controlemaatregelen moeten opstellen en jaarlijks uiterlijk op 31 maart van elk jaar aan de Commissie moeten toezenden, en in het licht van eventuele andere ontvangen informatie zorgt de Commissie voor passend toezicht op de erkende derde landen door regelmatig hun erkenning te evalueren. De Commissie kan de lidstaten daartoe om bijstand verzoeken. De invulling van het toezicht wordt bepaald op basis van een beoordeling van de waarschijnlijkheid van niet-naleving, waarbij met name rekening wordt gehouden met het volume van de uitvoer naar de Unie uit het betrokken derde land, de resultaten van de monitoring- en toezichtsactiviteiten van de bevoegde autoriteit en de resultaten van eerdere controles. De Commissie brengt regelmatig verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van haar evaluatie.

3.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst van de in lid 1 bedoelde derde landen vast, die zij door middel van uitvoeringshandelingen kan wijzigen.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening wat betreft de door de derde landen in de lijst als bedoeld in lid 3 van dit artikel op te sturen informatie die nodig is voor het toezicht door de Commissie op hun erkenning, alsmede de uitoefening van dat toezicht door de Commissie, onder meer via inspectie ter plaatse.

5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om te garanderen dat maatregelen worden genomen in gevallen van vermeende of vastgestelde niet-naleving, met name gevallen die een risico inhouden voor de integriteit van biologische of omschakelingsproducten die uit derde landen als bedoeld in dit artikel zijn ingevoerd. Bij wijze van maatregel kan de integriteit van biologische of omschakelingsproducten vóór het in de handel brengen in de Unie worden gecontroleerd, of kan, in voorkomend geval, de toelating om dergelijke producten in de Unie als biologische producten of omschakelingsproducten in de handel te brengen, worden opgeschort.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 55, lid 2.

Artikel 49

Verslag van de Commissie over de toepassing van de artikelen 47 en 48

Uiterlijk op 31 december 2021 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de staat van toepassing van de artikelen 47 en 48, met name wat betreft de erkenning van derde landen voor gelijkwaardigheidsdoeleinden.

HOOFDSTUK VIII

ALGEMENE BEPALINGEN

AFDELING 1

Vrij verkeer van biologische en omschakelingsproducten

Artikel 50

Geen verbod en geen beperking op het in de handel brengen van biologische en omschakelingsproducten

Bevoegde autoriteiten, controleautoriteiten en controleorganen beperken of belemmeren het in de handel brengen van biologische en omschakelingsproducten die zijn onderworpen aan controle door andere, in een andere lidstaat gevestigde bevoegde autoriteiten, controleautoriteiten of controleorganen, niet om redenen die verband houden met de productie, de etikettering of de presentatie van die producten, indien die producten aan deze verordening voldoen. Met name worden geen andere dan de in Verordening (EU) 2017/625 bedoelde officiële controles en andere officiële activiteiten verricht en worden geen andere dan de in hoofdstuk VI van die verordening opgenomen vergoedingen voor officiële controles en andere officiële activiteiten geïnd.

AFDELING 2

Informatie, rapportage en afwijkingen in verband daarmee

Artikel 51

Informatie over de biologische sector en de biologische handel

1.   De lidstaten zenden de Commissie jaarlijks de informatie toe die nodig is om deze verordening uit te voeren en de toepassing ervan te monitoren. Dergelijke informatie is voor zover mogelijk gebaseerd op bestaande gegevensbronnen. De Commissie houdt waar passend rekening met de gegevensbehoeften en de synergieën tussen potentiële gegevensbronnen, en in het bijzonder met het eventuele gebruik ervan voor statistische doeleinden.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot het systeem voor de toezending van de in lid 1 bedoelde informatie, de inhoud van de toe te zenden informatie en de uiterste datum voor toezending ervan.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 55, lid 2.

Artikel 52

Informatie over de bevoegde autoriteiten, controleautoriteiten en controleorganen

1.   De lidstaten houden een regelmatig geactualiseerde lijst bij met:

a)

de namen en adressen van de bevoegde autoriteiten, en

b)

de namen, adressen en codenummers van de controleautoriteiten en controleorganen.

De lidstaten zenden die lijsten, en eventuele wijzigingen daarvan, toe aan de Commissie en maken deze openbaar, tenzij een dergelijke verzending en openbaarmaking reeds overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) 2017/625 heeft plaatsgevonden.

2.   Op basis van de op grond van lid 1 verstrekte informatie maakt de Commissie regelmatig een actuele versie van de in lid 1, onder b), bedoelde lijst van controleautoriteiten en controleorganen op internet bekend.

Artikel 53

Afwijkingen, toelatingen en verslag

1.   De afwijkingen van het gebruik van biologisch plantaardig teeltmateriaal, en van het gebruik van biologische dieren uit hoofde van bijlage II, deel I, punt 1.8.5 en van bijlage II, deel II, punten 1.3.4.3 en 1.3.4.4, met uitzondering van bijlage II, deel II, punt 1.3.4.4.2, verstrijken op 31 december 2035.

2.   Vanaf 1 januari 2028, is de Commissie, op basis van de conclusies met betrekking tot de beschikbaarheid van biologisch plantaardig teeltmateriaal en biologische dieren van het in lid 7 van dit artikel bedoelde verslag, bevoegd om overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze verordening door:

a)

de afwijkingen bedoeld in bijlage II, deel I, punt 1.8.5 en van bijlage II, deel II, punten 1.3.4.3 en 1.3.4.4, met uitzondering van bijlage II, deel II, punt 1.3.4.4.2, op een eerdere datum dan 31 december 2035 te beëindigen, dan wel tot na die datum te verlengen, of

b)

de afwijking bedoeld in bijlage II, deel II, punt 1.3.4.4.2 te beëindigen.

3.   Met ingang van 1 januari 2026 is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van artikel 26, lid 2, onder b), om de werkingssfeer van het in artikel 26, lid 2 bedoelde informatiesysteem uit te breiden naar jonge hennen, en tot wijziging van bijlage II, deel II, punt 1.3.4.3, om de afwijkingen met betrekking tot jonge hennen te baseren op de gegevens die overeenkomstig dit systeem zijn verzameld.

4.   Met ingang 1 januari 2025 is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen om op basis van de informatie over de beschikbaarheid van biologische eiwithoudende diervoeders voor pluimvee en varkens die door de lidstaten beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig lid 6 van dit artikel of in het verslag als bedoeld in lid 7 van dit artikel, de toelatingen om niet-biologische eiwithoudende diervoeders in de voeding van pluimvee en varkens op een eerdere datum dan de datum die is vastgelegd in bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onder c), en 1.9.4.2, onder c), te beëindigen vóór 31 december 2025 of na deze datum te verlengen.

5.   Wanneer de Commissie de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde afwijkingen of toelatingen verlengt, doet zij dat slechts zolang zij over met name overeenkomstig lid 6 door de lidstaten verstrekte informatie beschikt die de niet-beschikbaarheid op de Uniemarkt van het betrokken plantaardig teeltmateriaal, de betrokken dieren of het betrokken diervoeder bevestigt.

6.   Uiterlijk op 30 juni van elk jaar stellen de lidstaten aan de Commissie en de andere lidstaten:

a)

de informatie beschikbaar die wordt verstrekt in de databank, als bedoeld in artikel 26, lid 1, en in de systemen als bedoeld in artikel 26, lid 2, en, in voorkomend geval, in de systemen als bedoeld in artikel 26, lid 3;

b)

de informatie beschikbaar over de afwijkingen die zijn toegekend overeenkomstig bijlage II, deel I, punt 1.8.5, en bijlage II, deel II, punten 1.3.4.3 en 1.3.4.4, en

c)

de informatie beschikbaar over de beschikbaarheid op de Uniemarkt van biologische eiwithoudende diervoeders voor pluimvee en varkens en over de toelatingen die zijn verleend overeenkomstig bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onder c), en 1.9.4.2, onder c).

7.   Uiterlijk op 31 december 2025 dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de beschikbaarheid op de Uniemarkt van, en in voorkomend geval, over de oorzaken van de beperkte toegang tot:

a)

biologisch plantaardig teeltmateriaal;

b)

biologische dieren die vallen onder de afwijkingen bedoeld in bijlage II, deel II, punten 1.3.4.3 en 1.3.4.4;

c)

biologische eiwithoudende diervoeders die bestemd zijn voor het voederen van pluimvee en varkens die zijn onderworpen aan de toelatingen als bedoeld in bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onder c), en 1.9.4.2, onder c).

Bij het opstellen van dat verslag houdt de Commissie met name rekening met de overeenkomstig artikel 26 verzamelde gegevens en met de informatie in verband met de in lid 6 van dit artikel bedoelde afwijkingen en toelatingen.

HOOFDSTUK IX

PROCEDURE-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

AFDELING 1

Procedurebepalingen

Artikel 54

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen als bedoeld in artikel 2, lid 6, artikel 9, lid 11, artikel 10, lid 5, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 3, artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, artikel 16, lid 2, artikel 17, lid 2, artikel 18, lid 2, artikel 19, lid 2, artikel 21, lid 1, artikel 22, lid 1, artikel 23, lid 2, artikel 24, lid 6, artikel 30, lid 7, artikel 32, lid 4, artikel 33, lid 6, artikel 34, lid 8, artikel 35, lid 9, artikel 36, lid 3, artikel 38, lid 8, artikel 40, lid 11, artikel 44, lid 2, artikel 46, lid 7, artikel 48, lid 4, artikel 53, leden 2, 3 en 4, artikel 57, lid 3 en artikel 58, lid 2, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 januari 2021. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, lid 6, artikel 9, lid 11, artikel 10, lid 5, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 3, artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, artikel 16, lid 2, artikel 17, lid 2, artikel 18, lid 2, artikel 19, lid 2, artikel 21, lid 1, artikel 22, lid 1, artikel 23, lid 2, artikel 24, lid 6, artikel 30, lid 7, artikel 32, lid 4, artikel 33, lid 6, artikel 34, lid 8, artikel 35, lid 9, artikel 36, lid 3, artikel 38, lid 8, artikel 40, lid 11, artikel 44, lid 2, artikel 46, lid 7, artikel 48, lid 4, artikel 53, leden 2, 3 en 4, artikel 57, lid 3, en artikel 58, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 2, lid 6, artikel 9, lid 11, artikel 10, lid 5, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 3, artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, artikel 16, lid 2, artikel 17, lid 2, artikel 18, lid 2, artikel 19, lid 2, artikel 21, lid 1, artikel 22, lid 1, artikel 23, lid 2, artikel 24, lid 6, artikel 30, lid 7, artikel 32, lid 4, artikel 33, lid 6, artikel 34, lid 8, artikel 35, lid 9, artikel 36, lid 3, artikel 38, lid 8, artikel 40, lid 11, artikel 44, lid 2, artikel 46, lid 7, artikel 48, lid 4, artikel 53, leden 2, 3 en 4, artikel 57, lid 3, en artikel 58, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 55

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité, genaamd „Comité voor de biologische productie”. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.

4.   Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

AFDELING 2

Intrekking en overgangs- en slotbepalingen

Artikel 56

Intrekking

Verordening (EG) nr. 834/2007 wordt ingetrokken.

Die verordening blijft evenwel van toepassing voor de afronding van het onderzoek van in artikel 58 van de onderhavige verordening bedoelde verzoeken van derde landen die nog in behandeling zijn.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 57

Overgangsmaatregelen met betrekking tot krachtens artikel 33, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 erkende controleautoriteiten en controleorganen

1.   De uit hoofde van artikel 33, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 verleende erkenning van de controleautoriteiten en de controleorganen verstrijkt uiterlijk op 31 december 2023.

2.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst van de krachtens artikel 33, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 erkende controleautoriteiten en controleorganen vast, die zij door middel van uitvoeringshandelingen kan wijzigen.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 55, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening wat betreft de door de in lid 2 bedoelde controleautoriteiten en controleorganen op te sturen informatie die nodig is voor het toezicht op hun erkenning door de Commissie, alsmede de uitoefening van dat toezicht door de Commissie, onder meer door middel van inspectie ter plaatse.

Artikel 58

Overgangsmaatregelen met betrekking tot krachtens artikel 33, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007 ingediende verzoeken van derde landen

1.   De Commissie rondt het onderzoek van verzoeken af die derde landen krachtens artikel 33, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007 hebben ingediend en die op 17 juni 2018 nog in behandeling zijn. Die verordening is van toepassing op het onderzoek van die verzoeken.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 54 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening, door de procedurele voorschriften vast te leggen die nodig zijn voor de behandeling van de verzoeken als bedoeld in lid 1, onder meer wat betreft de informatie die door derde landen moet worden verstrekt.

Artikel 59

Overgangsmaatregelen met betrekking tot de eerste erkenning van controleautoriteiten en controleorganen

In afwijking van de datum van toepassing als bedoeld in artikel 61, tweede alinea, is artikel 46 van toepassing vanaf 17 juni 2018, voor zover dat nodig is voor een tijdige erkenning van controleautoriteiten en controleorganen.

Artikel 60

Overgangsmaatregelen voor voorraden van overeenkomstig Verordening (EG) nr. 834/2007 geproduceerde biologische producten

Het is toegestaan om producten die vóór 1 januari 2021 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 834/2007 zijn geproduceerd, na die datum in de handel te brengen zolang de voorraad strekt.

Artikel 61

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 30 mei 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitster

L. PAVLOVA


(1)  PB C 12 van 15.1.2015, blz. 75.

(2)  PB C 19 van 21.1.2015, blz. 84.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 19 april 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 mei 2018.

(4)  Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 23).

(6)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(7)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(8)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22).

(10)  Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).

(11)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(12)  Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).

(13)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(14)  Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).

(15)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(16)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(17)  Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).

(18)  Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PB 125 van 11.7.1966, blz. 2298).

(19)  Richtlijn 66/402/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (PB 125 van 11.7.1966, blz. 2309).

(20)  Richtlijn 68/193/EEG van de Raad van 9 april 1968 betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken (PB L 93 van 17.4.1968, blz. 15).

(21)  Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (PB L 226 van 13.8.1998, blz. 16).

(22)  Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1).

(23)  Richtlijn 2002/54/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 12).

(24)  Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 33).

(25)  Richtlijn 2002/56/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 60).

(26)  Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74).

(27)  Richtlijn 2008/72/EG van de Raad van 15 juli 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen, met uitzondering van zaad (PB L 205 van 1.8.2008, blz. 28).

(28)  Richtlijn 2008/90/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (PB L 267 van 8.10.2008, blz. 8).

(29)  Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PB L 250 van 18.9.2008, blz. 1).

(30)  Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18).

(31)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(32)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(33)  Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1).

(34)  Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4).

(35)  Richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PB L 203 van 3.8.1999, blz. 53).

(36)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(37)  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

(38)  Verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur (PB L 168 van 28.6.2007, blz. 1).

(39)  Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1).

(40)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(41)  Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie (PB L 229 van 1.9.2009, blz. 1).

(42)  Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).

(43)  Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16).

(44)  Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29).

(45)  Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (PB L 327 van 11.12.2015, blz. 1).

(46)  Verordening (EG) nr. 1332/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake voedingsenzymen en tot wijziging van Richtlijn 83/417/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad, Richtlijn 2000/13/EG, Richtlijn 2001/112/EG van de Raad en Verordening (EG) nr. 258/97 (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 7)

(47)  Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PB L 13 van 17.1.2014, blz. 1).

(48)  Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1).

(49)  Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).

(50)  Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24).

(51)  Verordening (EG) nr. 1334/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake aroma’s en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen voor gebruik in en op levensmiddelen en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1601/91 van de Raad, Verordening (EG) nr. 2232/96, Verordening (EG) nr. 110/2008 en Richtlijn 2000/13/EG (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 34).

(52)  Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14).

(53)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(54)  Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).

(55)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).


BIJLAGE I

ANDERE IN ARTIKEL 2, LID 1, BEDOELDE PRODUCTEN

als levensmiddel of diervoeder gebruikte gist,

maté, suikermaïs, wijnrankbladeren, palmharten, hopscheuten en andere soortgelijke eetbare delen van planten en daaruit geproduceerde producten;

zeezout en andere zouten voor levensmiddelen en diervoeders;

cocons van zijderupsen, geschikt om te worden afgehaspeld;

natuurlijke gommen en harsen;

bijenwas;

etherische oliën;

kurken (stoppen) van natuurkurk, niet geperst en zonder bindmiddelen;

katoen, niet gekaard of gekamd;

wol, niet gekaard of gekamd;

ongelooide en onbehandelde huiden;

traditionele kruidenpreparaten op basis van planten.


BIJLAGE II

IN HOOFDSTUK III BEDOELDE GEDETAILLEERDE PRODUCTIEVOORSCHRIFTEN

Deel I: Voorschriften voor de plantaardige productie

Op de biologische plantaardige productie zijn naast de in de artikelen 9 tot en met 12 bedoelde productievoorschriften de in dit deel opgenomen productievoorschriften van toepassing.

1.   Algemene voorschriften

1.1.   Biologische gewassen, behalve gewassen die op natuurlijke wijze in water groeien, worden geproduceerd in levende bodem of in levende bodem gemengd of bemest met materialen en producten die zijn toegelaten in de biologische productie, in contact met de ondergrond en het vast gesteente.

1.2.   Substraatteelt — een methode om planten die niet op natuurlijke wijze in water groeien te telen met hun wortels hetzij louter in een oplossing van nutriënten, hetzij in een inert medium waaraan een oplossing van nutriënten is toegevoegd — is verboden.

1.3.   In afwijking van punt 1.1 wordt de productie van spruiten door het bevochtigen van zaden en het verkrijgen van witloofkroppen, onder meer door onderdompeling in helder water, toegestaan

1.4.   In afwijking van punt 1.1 worden de volgende praktijken toegestaan:

a)

het kweken van planten voor de teelt van sierplanten en kruiden in potten die samen met de potten aan de eindconsument worden verkocht;

b)

het kweken van zaailingen of plantgoed in containers voor verdere verplanting.

1.5.   In afwijking van punt 1.1 wordt het telen van gewassen in afgescheiden bedden enkel toegestaan voor de percelen die voor die praktijk in Finland, Zweden en Denemarken vóór 28 juni 2017 als biologisch werden gecertificeerd. Uitbreidingen van deze percelen zijn niet toegestaan.

Die afwijking verstrijkt op 31 december 2030.

Uiterlijk op 31 december 2025 dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over het gebruik van afgescheiden bedden in de biologische landbouw. Dat verslag kan indien passend vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel ter zake.

1.6.   Bij alle voor de plantaardige productie gebruikte technieken moet elke bijdrage aan milieuverontreiniging worden voorkomen of zo veel mogelijk beperkt.

1.7.   Omschakeling

1.7.1.

Planten en plantaardige producten mogen pas als biologische producten worden beschouwd wanneer de in deze verordening vastgestelde productievoorschriften in acht zijn genomen met betrekking tot de percelen gedurende een omschakelingsperiode van ten minste twee jaar vóór het inzaaien of, in het geval van grasland of meerjarige voedergewassen, gedurende een periode van ten minste twee jaar vóór het gebruik ervan als biologische diervoeders, of, in het geval van andere meerjarige gewassen dan voedergewassen, gedurende een periode van ten minste drie jaar vóór de eerste oogst van biologische producten.

1.7.2.

Wanneer de grond of één of meer percelen daarvan zijn verontreinigd met niet voor gebruik in de biologische productie toegelaten producten of stoffen, kan de bevoegde autoriteit besluiten de in punt 1.7.1 bedoelde omschakelingsperiode voor de grond of de percelen in kwestie te verlengen.

1.7.3.

In het geval van een behandeling met een niet voor gebruik in de biologische productie toegelaten product of stof moet de bevoegde autoriteit een nieuwe omschakelingsperiode opleggen overeenkomstig punt 1.7.1.

Die periode kan in de volgende twee gevallen worden ingekort:

a)

de behandeling met een niet voor gebruik in de biologische productie toegelaten product of stof maakt deel uit van een door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat verplichte maatregel ter bestrijding van plaagorganismen of onkruid, inclusief quarantaineorganismen of invasieve soorten;

b)

de behandeling met een niet voor gebruik in de biologische productie toegelaten product of stof maakt deel uit van door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat goedgekeurde wetenschappelijke proeven.

1.7.4.

In de in de punten 1.7.2 en 1.7.3 bedoelde gevallen moet de duur van de omschakelingsperiode worden vastgesteld met inachtneming van de volgende vereisten:

a)

de afbraak van het betrokken product of stof moet zodanig verlopen dat aan het einde van de omschakelingsperiode het gehalte aan residuen in de bodem of, in het geval van blijvende gewassen, in de plant, onbeduidend is;

b)

de producten van de oogst die op de behandeling volgt, mogen niet in de handel worden gebracht als biologische of omschakelingsproducten.

1.7.4.1.

De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van besluiten die zij nemen ter vaststelling van verplichte maatregelen met betrekking tot behandeling met een product dat of een stof die niet is toegelaten voor gebruik in de biologische productie.

1.7.4.2.

In geval van behandelingen met een product dat of een stof die niet is toegelaten voor gebruik in de biologische productie, is punt 1.7.5, onder b), niet van toepassing.

1.7.5.

In het geval van bij de biologische dierlijke productie betrokken grond:

a)

gelden de omschakelingsvoorschriften voor het totale, voor de productie van diervoeders gebruikte areaal van de productie-eenheid;

b)

mag de omschakelingsperiode niettegenstaande punt a) worden beperkt tot één jaar voor door niet-herbivore soorten gebruikte weidegronden en openluchtruimten.

1.8.   Oorsprong van planten, inclusief vegetatief plantaardig teeltmateriaal

1.8.1.

Voor de productie van andere planten en plantaardige producten dan plantaardig teeltmateriaal, mag alleen biologisch plantaardig teeltmateriaal worden gebruikt.

1.8.2.

Om biologisch plantaardig teeltmateriaal te verkrijgen dat moet worden gebruikt voor de productie van andere producten dan plantaardig teeltmateriaal moeten de moederplant en, in voorkomend geval, andere voor de productie van plantaardig teeltmateriaal bestemde planten, ten minste één generatie of, in het geval van blijvende gewassen, ten minste één generatie gedurende twee teeltseizoenen, zijn geproduceerd overeenkomstig deze verordening.

1.8.3.

Bij het kiezen van biologisch plantaardig teeltmateriaal moeten exploitanten de voorkeur geven aan biologisch plantaardig teeltmateriaal dat geschikt is voor de biologische landbouw.

1.8.4.

Voor de productie van biologische rassen die geschikt zijn voor de biologische productie worden de biologische kweekactiviteiten verricht in biologische omstandigheden, en ligt de nadruk op de vergroting van de genetische diversiteit, het vertrouwen op het natuurlijke voortplantingsvermogen, en op agronomische prestaties, ziekteresistentie en aanpassing aan diverse plaatselijke bodem- en klimaatomstandigheden.

Alle vermeerderingspraktijken met uitzondering van meristeemteelt moeten onder gecertificeerd biologisch beheer worden uitgevoerd.

1.8.5.

Gebruik van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal en plantaardig niet-biologisch teeltmateriaal

1.8.5.1.

Indien uit de gegevens van de in artikel 26, lid 1, bedoelde databank of het in artikel 26, lid 2, onder a), bedoelde systeem, blijkt dat niet is voldaan aan de kwalitatieve of kwantitatieve behoeften van de exploitant met betrekking tot biologisch plantaardig teeltmateriaal, met uitzondering van zaailingen, kunnen de bevoegde autoriteiten, in afwijking van punt 1.8.1, het gebruik van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal of plantaardig niet-biologisch teeltmateriaal toestaan, onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in de punten 1.8.5.3, 1.8.5.4 en 1.8.5.5.

Alvorens om een dergelijke afwijking te verzoeken, raadpleegt de exploitant de in artikel 26, lid 1 bedoelde databank of het in artikel 26, lid 2, onder a), bedoelde systeem om na te gaan of zijn verzoek gerechtvaardigd is.

1.8.5.2.

Voor exploitanten in derde landen kunnen de overeenkomstig artikel 46, lid 1, erkende controleautoriteiten of controleorganen het gebruik van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal of plantaardig niet-biologisch teeltmateriaal in een biologische productie-eenheid toestaan, indien biologisch plantaardig teeltmateriaal niet in voldoende hoeveelheden of in de juiste kwaliteit beschikbaar is op het grondgebied van het derde land waar de exploitant is gevestigd en onder de voorwaarden van de punten 1.8.5.3, 1.8.5.4 en 1.8.5.5.

1.8.5.3.

Niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal mag niet worden behandeld met andere gewasbeschermingsmiddelen dan die welke krachtens artikel 24, lid 1, van deze verordening zijn toegelaten voor de behandeling van zaden, tenzij de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat overeenkomstig Verordening (EU) 2016/2031 om fytosanitaire redenen een chemische behandeling heeft voorgeschreven voor alle rassen van een bepaalde soort in het gebied waar het plantaardig teeltmateriaal zal worden gebruikt.

1.8.5.4.

De vergunning voor het gebruik van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal of plantaardig niet-biologisch teeltmateriaal moet worden verleend voordat het gewas wordt ingezaaid.

1.8.5.5.

Vergunningen voor het gebruik van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal of plantaardig niet-biologisch teeltmateriaal worden telkens voor één seizoen en alleen aan individuele gebruikers verleend, en de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de vergunningen registreert de hoeveelheden toegelaten plantaardig teeltmateriaal.

1.9.   Beheer en bemesting van de grond

1.9.1.

Bij de biologische plantaardige productie moet gebruik worden gemaakt van grondbewerkings- en teeltpraktijken die erop gericht zijn de hoeveelheid organisch bodemmateriaal te handhaven of te verhogen, de stabiliteit en de biodiversiteit van de bodem te verbeteren, en bodemverdichting en -erosie te voorkomen.

1.9.2.

De vruchtbaarheid en biologische activiteit van de bodem worden gehandhaafd en vergroot

a)

behalve in het geval van grasland of blijvende voedergewassen, door gebruik van meerjarige gewasrotatie, met onder meer verplichte leguminosen als hoofdgewas of bodembedekker voor rotatiegewassen en andere groenbemestingsgewassen;

b)

in het geval van kassen of andere meerjarige gewassen dan voedergewassen, door gebruik, op korte termijn, van groenbemestingsgewassen en peulvruchten, en de benutting van plantendiversiteit, en

c)

in alle gevallen, door het toepassen van dierlijke mest of organisch materiaal, bij voorkeur gecomposteerd, van biologische productie.

1.9.3.

Indien de toepassing van de in de punten 1.9.1 en 1.9.2 bedoelde maatregelen niet volstaat om aan de nutritionele behoeften van de planten te voldoen, mag slechts gebruik worden gemaakt van een strikt noodzakelijke hoeveelheid meststoffen en bodemverbeteraars die krachtens artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten. De exploitanten houden een register bij van het gebruik van die producten.

1.9.4.

De in de omschakelings- en biologische productie-eenheden gebruikte totale hoeveelheid dierlijke mest als omschreven in Richtlijn 91/676/EEG, mag niet groter zijn dan 170 kg stikstof per jaar per hectare landbouwgrond. Dat maximum geldt enkel voor het gebruik van stalmest, gedroogde stalmest, gedehydrateerde pluimveemest, gecomposteerde dierlijke mest, met inbegrip van pluimveemest, gecomposteerde stalmest en vloeibare dierlijke mest.

1.9.5.

Exploitanten van landbouwbedrijven mogen met het oog op het uitrijden van mestoverschotten van biologische productie-eenheden, uitsluitend schriftelijke samenwerkingsovereenkomsten treffen met exploitanten van andere landbouwbedrijven en ondernemingen die de voorschriften inzake de biologische productie in acht nemen. Het in punt 1.9.4 vastgestelde maximum moet worden berekend op basis van alle bij een dergelijke samenwerking betrokken biologische productie-eenheden.

1.9.6.

Om de algemene bodemgesteldheid of de beschikbaarheid van nutriënten in de bodem of in de gewassen te verbeteren, mag gebruik worden gemaakt van preparaten op basis van micro-organismen.

1.9.7.

Voor het versnellen van de compostering mogen passende preparaten op basis van planten en op basis van micro-organismen worden gebruikt.

1.9.8.

Minerale stikstofmeststoffen mogen niet worden gebruikt.

1.9.9.

Het gebruik van biodynamische preparaten is toegestaan.

1.10.   Beheer van plaagorganismen en onkruid

1.10.1.

Voor het voorkomen van schade door plaagorganismen en onkruid moet vooral worden vertrouwd op bescherming middels:

natuurlijke vijanden,

de keuze van soorten, rassen en heterogeen materiaal,

gewasrotatie,

teelttechnieken, zoals biofumigatie, mechanische en fysieke methoden, en

thermische processen, zoals solarisatie en, voor beschermde gewassen, ondiepe stoombehandeling van de bodem (niet dieper dan 10 cm).

1.10.2.

Wanneer planten niet adequaat tegen plaagorganismen kunnen worden beschermd met de onder 1.10.1. bedoelde maatregelen, of wanneer een bedreiging van een gewas is vastgesteld, mag slechts gebruik worden gemaakt van een strikt noodzakelijke hoeveelheid producten en stoffen die op grond van de artikelen 9 en 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten. De exploitanten houden een register bij waaruit de noodzaak van het gebruik van dergelijke producten moet blijken.

1.10.3.

Wat de andere producten en stoffen betreft die worden gebruikt in vallen of in verstuivers van andere producten en stoffen dan feromonen, moeten de vallen of verstuivers zo zijn ontworpen dat de gebruikte producten en stoffen niet in het milieu kunnen terechtkomen en dat zij niet met de geteelde gewassen in contact kunnen komen. Alle vallen, met inbegrip van feromoonvallen, moeten na gebruik worden verzameld en veilig worden verwijderd.

1.11.   Producten voor reiniging en ontsmetting

Voor reiniging en ontsmetting mag slechts gebruik worden gemaakt van de voor reiniging en ontsmetting in de plantaardige productie gebruikte producten die krachtens artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten.

1.12.   Documentatieverplichting

De exploitanten houden een register bij met betrekking tot de betrokken percelen en de hoeveelheid van de oogst.

1.13.   Bereiding van onverwerkte producten

Indien met planten andere bereidingshandelingen dan verwerking worden verricht, zijn op zulke handelingen de algemene voorschriften van de punten 1.2., 1.3, 1.4., 1.5 en 2.2.3 van deel IV van overeenkomstige toepassing.

2.   Gedetailleerde voorschriften voor specifieke planten en plantaardige producten

2.1.   Voorschriften voor de champignonteelt

Voor de productie van champignons mogen substraten worden gebruikt op voorwaarde dat deze uitsluitend zijn samengesteld uit de volgende componenten:

a)

stalmest en dierlijke mest:

i)

hetzij afkomstig van biologische productie-eenheden of van omschakelingseenheden in het tweede jaar van hun omschakeling, of

ii)

als vermeld in punt 1.9.3, uitsluitend wanneer het onder i) bedoelde product niet beschikbaar is, op voorwaarde dat die stalmest en dierlijke mest samen niet meer wegen dan 25 % van het gewicht van alle componenten van het substraat, exclusief afdekmateriaal en eventueel toegevoegd water, vóór compostering;

b)

andere landbouwproducten dan de in punt a) vermelde, afkomstig van biologische productie-eenheden;

c)

turf die niet met chemische producten is behandeld;

d)

hout dat na het kappen niet chemisch is behandeld;

e)

in punt 1.9.3 bedoelde minerale producten, water en grond.

2.2.   Voorschriften voor de vergaring van wilde planten

De vergaring van wilde planten en van delen daarvan die op natuurlijke wijze in natuurgebieden, bossen en landbouwgebieden groeien, wordt als biologische productie beschouwd, op voorwaarde dat:

a)

die gebieden in ten minste de laatste drie jaar vóór de vergaring niet zijn behandeld met andere producten of stoffen dan de op grond van de artikelen 9 en 24 voor gebruik in de biologische productie toegestane;

b)

de vergaring de stabiliteit van de natuurlijke habitat en de instandhouding van de soorten in het betrokken gebied niet nadelig beïnvloedt.

Deel II: Voorschriften voor de dierlijke productie

Op de biologische dierlijke productie zijn naast de in de artikelen 9, 10, 11 en 14 bedoelde productievoorschriften de in dit deel opgenomen productievoorschriften van toepassing.

1.   Algemene voorschriften

1.1.   Behalve in het geval van de bijenteelt is de niet-grondgebonden dierlijke productie verboden, indien de landbouwer die voornemens is aan biologische dierlijke productie te doen geen landbouwgrond beheert en geen schriftelijke samenwerkingsovereenkomst heeft met een landbouwer met betrekking tot het gebruik van biologische productie-eenheden of productie-eenheden in omschakeling voor die dieren.

1.2.   Omschakeling

1.2.1.   In het geval van gelijktijdige start van de omschakeling van de productie-eenheid, met inbegrip van weidegronden of gronden die voor diervoeder worden gebruikt, en van de dieren die al op deze productie-eenheid waren bij aanvang van de omschakelingsperiode van deze productie-eenheid zoals bedoeld in de punten 1.7.1 en 1.7.5, onder b), van deel I, mogen dieren en dierlijke producten als biologisch worden beschouwd na afloop van de omschakelingsperiode van de productie-eenheid, zelfs wanneer de in punt 1.2.2 van dit deel vastgelegde omschakelingsperiode voor het soort dier in kwestie langer is dan de omschakelingsperiode voor de productie-eenheid.

In afwijking van punt 1.4.3.1 mogen, in geval van zulke gelijktijdige omschakeling en tijdens de omschakelingsperiode van de productie-eenheid, dieren die al op deze productie-eenheid waren bij aanvang van de omschakelingsperiode, worden gevoederd met omschakelingsdiervoeder dat in het eerste jaar van de omschakeling in de productie-eenheid in omschakeling wordt geproduceerd en/of met voeder in overeenstemming met punt 1.4.3.1 en/of met biologisch voeder.

Niet-biologische dieren mogen na aanvang van de omschakelingsperiode in een productie-eenheid in omschakeling worden binnengebracht overeenkomstig punt 1.3.4.

1.2.2.   Omschakelingsperioden voor de specifieke soorten dierlijke productie worden als volgt vastgesteld:

a)

twaalf maanden voor runderen en paardachtigen die voor de vleesproductie bestemd zijn, en in elk geval gedurende niet minder dan driekwart van hun leven;

b)

zes maanden voor schapen, geiten en varkens en voor de melkproductie bestemde dieren;

c)

tien weken voor pluimvee dat voor de vleesproductie is bestemd, behalve pekingeenden, dat vóór de leeftijd van drie dagen in het bedrijf is binnengebracht;

d)

zeven weken voor pekingeenden die vóór de leeftijd van drie dagen in het bedrijf zijn binnengebracht;

e)

zes weken voor pluimvee dat voor de eierproductie is bestemd en dat vóór de leeftijd van drie dagen in het bedrijf is binnengebracht;

f)

twaalf maanden voor bijen.

Tijdens de omschakelingsperiode moet de was worden vervangen door van de biologische bijenteelt afkomstige was.

Het gebruik van niet-biologische bijenwas is evenwel toegestaan:

i)

indien geen van de biologische bijenteelt afkomstige bijenwas op de markt beschikbaar is;

ii)

indien het bewezen is dat de niet-biologische bijenwas niet verontreinigd is met niet voor gebruik in de biologische productie toegestane producten of stoffen, en

iii)

mits deze afkomstig is van het celdeksel;

g)

drie maanden voor konijnen;

h)

twaalf maanden voor hertachtigen.

1.3.   Oorsprong van de dieren

1.3.1.   Onverminderd de voorschriften inzake omschakeling worden biologische dieren geboren of uitgebroed en gehouden in biologische productie-eenheden.

1.3.2.   Voor het reproduceren van biologische dieren geldt het volgende:

a)

voor de voortplanting worden natuurlijke methoden gebruikt; kunstmatige inseminatie is evenwel toegestaan;

b)

de voortplanting mag niet worden gestimuleerd of belemmerd door behandeling met hormonen of andere stoffen met een soortgelijk effect, behalve als vorm van diergeneeskundige therapeutische behandeling van een afzonderlijk dier;

c)

andere vormen van kunstmatige voortplanting, zoals klonen en embryotransplantatie, mogen niet worden toegepast;

d)

de rassenkeuze moet stroken met de beginselen van biologische productie, een hoog niveau van dierenwelzijn garanderen en ertoe bijdragen dat lijden wordt voorkomen en de noodzaak tot verminking van de dieren wordt vermeden.

1.3.3.   Bij het selecteren van rassen of stammen moeten exploitanten overwegen de voorkeur te geven aan rassen of stammen met een grote genetische diversiteit, en rekening houden met het vermogen van de dieren om zich aan de plaatselijke omstandigheden aan te passen, hun reproductiewaarde, hun levensduur, hun vitaliteit en hun resistentie tegen ziekten of gezondheidsproblemen, dit alles zonder schade voor hun welzijn. Voorts moeten rassen of stammen van dieren worden geselecteerd met het oog op het vermijden van specifieke ziekten of gezondheidsproblemen die met bepaalde in de intensieve dierhouderij gebruikte rassen of stammen in verband worden gebracht, zoals stresssyndroom bij varkens, dat mogelijk leidt tot PSE-vlees („pale, soft, exudative”), acute dood, spontane abortus en moeilijke geboorten die keizersneden nodig maken. De voorkeur moet worden gegeven aan inheemse rassen en stammen.

Om de rassen en stammen overeenkomstig de eerste alinea te selecteren, maken de exploitanten gebruik van de informatie die beschikbaar is in de in artikel 26, lid 3 bedoelde systemen.

1.3.4.   Gebruik van niet-biologische dieren

1.3.4.1.   In afwijking van punt 1.3.1 mogen niet-biologisch gehouden dieren voor fokdoeleinden in een biologische productie-eenheid worden binnengebracht wanneer rassen voor de landbouw verloren dreigen te gaan in de zin van artikel 28, lid 10, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en op grond daarvan vastgestelde handelingen. In dat geval hoeven de dieren van deze rassen niet noodzakelijk nullipara te zijn.

1.3.4.2.   In afwijking van punt 1.3.1, mag voor de vernieuwing van de bijenbestanden per biologische productie-eenheid jaarlijks 20 % van de koninginnen en zwermen worden vervangen door niet-biologische koninginnen en zwermen, mits de koninginnen en zwermen worden geplaatst in kasten met natuurlijke raten of kunstraten die afkomstig zijn van biologische productie-eenheden. In ieder geval mag per jaar één zwerm of koningin worden vervangen door een niet-biologische zwerm of koningin.

1.3.4.3.   In afwijking van punt 1.3.1, wanneer een pluimveebeslag voor het eerst wordt samengesteld, wordt vernieuwd of opnieuw wordt samengesteld, en indien niet aan de kwalitatieve en kwantitatieve behoeften van de landbouwers kan worden voldaan, kan de bevoegde autoriteit besluiten dat niet-biologisch gefokt pluimvee in een biologische productie-eenheid mag worden binnengebracht, mits de voor de productie van eieren en slachtpluimvee bestemde jonge hennen niet ouder zijn dan drie dagen. De van deze dieren afkomstige producten mogen enkel als biologisch worden beschouwd als de in punt 1.2 bedoelde omschakelingsperiode in acht wordt genomen.

1.3.4.4.   In afwijking van punt 1.3.1, indien uit de gegevens die zijn verzameld in het in artikel 26, lid 2, onder b), bedoelde systeem, blijkt dat niet is voldaan aan de kwalitatieve of kwantitatieve behoeften van de landbouwer met betrekking tot biologische dieren, kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat niet-biologische dieren in een biologische productie-eenheid worden binnengebracht, onder de voorwaarden van de punten 1.3.4.4.1 tot en met 1.3.4.4.4.

Alvorens om een dergelijke afwijking te verzoeken raadpleegt de landbouwer de in het in artikel 26, lid 2, onder b), bedoelde systeem verzamelde gegevens om na te gaan of zijn verzoek gerechtvaardigd is.

Voor exploitanten in derde landen kunnen de overeenkomstig artikel 46, lid 1, erkende controleautoriteiten en controleorganen het binnenbrengen van niet-biologische dieren in een biologische productie-eenheid toestaan, indien biologische dieren niet in voldoende hoeveelheden of in de juiste kwaliteit beschikbaar zijn op het grondgebied van het land waar de exploitant is gevestigd.

1.3.4.4.1.

Voor fokdoeleinden mogen niet-biologische jonge dieren worden binnengebracht wanneer een veestapel of pluimveebeslag voor het eerst wordt samengesteld. Zij worden meteen na het spenen opgefokt volgens de voorschriften voor de biologische productie. Bovendien gelden met betrekking tot de datum waarop die dieren in de veestapel of het pluimveebeslag worden opgenomen, de volgende beperkingen:

a)

runderen, paardachtigen en hertachtigen moeten jonger zijn dan zes maanden;

b)

schapen en geiten moeten jonger zijn dan zestig dagen;

c)

varkens moeten minder dan 35 kg wegen;

d)

konijnen moeten jonger zijn dan drie maanden.

1.3.4.4.2.

Voor fokdoeleinden mogen niet-biologische volwassen mannelijke dieren en niet-biologische vrouwelijke dieren die nog geen jongen hebben, worden binnengebracht met het oog op de vernieuwing van een veestapel of pluimveebeslag. Zij worden vervolgens opgefokt in overeenstemming met de voorschriften voor de biologische productie. Bovendien gelden voor het aantal vrouwelijke dieren per jaar de volgende beperkingen:

a)

maximaal 10 % van de volwassen paardachtigen of runderen, en maximaal 20 % van de volwassen varkens, schapen, geiten, konijnen of hertachtigen mogen worden binnengebracht;

b)

op eenheden met minder dan tien paardachtigen, hertachtigen, runderen of konijnen, of met minder dan vijf varkens, schapen of geiten mag maximaal één dier per jaar voor vernieuwing worden binnengebracht.

1.3.4.4.3.

De in punt 1.3.4.4.2 vastgestelde percentages mogen tot 40 % worden verhoogd, mits de bevoegde autoriteit heeft bevestigd dat aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het bedrijf wordt aanzienlijk uitgebreid;

b)

er wordt overgeschakeld op een ander ras;

c)

het bedrijf zet een nieuwe veehouderijtak op.

1.3.4.4.4.

In de gevallen als bedoeld in de punten 1.3.4.4.1, 1.3.4.4.2 en 1.3.4.4.3 mogen niet-biologische dieren enkel als biologisch worden beschouwd als de in punt 1.2 bedoelde omschakelingsperiode in acht is genomen. De in punt 1.2.2 vastgelegde omschakelingsperiode begint ten vroegste zodra de dieren worden binnengebracht in de productie-eenheid in omschakeling.

1.3.4.4.5.

In de gevallen bedoeld in de punten 1.3.4.4.1 tot en met 1.3.4.4.4 worden niet-biologische dieren gescheiden gehouden van andere dieren of blijven zij identificeerbaar tot het einde van de omschakelingsperiode bedoeld in punt 1.3.4.4.4.

1.4.   Voeding

1.4.1.   Algemene voedingsvoorschriften

Met betrekking tot de voeding gelden de volgende voorschriften:

a)

diervoeder moet in hoofdzaak worden verkregen op het landbouwbedrijf waar de dieren worden gehouden of bij biologische productie-eenheden of productie-eenheden in omschakeling die behoren tot andere bedrijven in dezelfde regio;

b)

de dieren moeten worden gevoederd met biologisch of omschakelingsvoeder dat voldoet aan de voedingsbehoeften van het dier in de verschillende stadia van zijn ontwikkeling; beperkte voedering is niet toegestaan in de dierlijke productie, tenzij dit om diergeneeskundige redenen gerechtvaardigd is;

c)

dieren worden niet gehouden onder omstandigheden of met rantsoenen die bloedarmoede kunnen veroorzaken;

d)

mestmethoden moeten steeds volgens de normale voedingspatronen van elke soort in acht nemen en rekening houden met het welzijn van de dieren, in elk stadium van het fokproces; dwangvoedering is verboden;

e)

met uitzondering van varkens, pluimvee en bijen, moeten de dieren, wanneer de omstandigheden dat toelaten, permanent toegang hebben tot weidegrond of tot ruwvoeder;

f)

er mogen geen groeibevorderaars of synthetische aminozuren worden gebruikt;

g)

dieren die gezoogd worden moeten bij voorkeur met moedermelk worden gevoed gedurende een door de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 3, onder a), bepaalde minimumperiode; tijdens die periode worden geen melkvervangers gebruikt die chemisch gesynthetiseerde componenten of componenten van plantaardige oorsprong bevatten;

h)

van planten, algen, dieren of gist afkomstige voedermiddelen moeten biologisch zijn;

i)

niet-biologische voedermiddelen afkomstig van planten, algen, dieren of gisten, diervoedermiddelen van microbiële of minerale oorsprong, diervoederadditieven en hulpstoffen mogen enkel worden gebruikt indien het gebruik ervan in de biologische productie krachtens artikel 24 is toegestaan.

1.4.2.   Begrazing

1.4.2.1.   Begrazing van biologische grond

Onverminderd punt 1.4.2.2. moeten biologische dieren biologische grond begrazen. Niet-biologische dieren mogen evenwel gedurende een beperkte periode per jaar gebruikmaken van biologische weidegronden, mits zij zijn grootgebracht op een milieuvriendelijke wijze op grond die wordt ondersteund uit hoofde van de artikelen 23, 25, 28, 30, 31 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en zij niet op hetzelfde moment als biologische dieren op de biologische grond aanwezig zijn.

1.4.2.2.   Begrazing van gemeenschappelijke grond en verweiding

1.4.2.2.1.

Biologische dieren mogen op gemeenschappelijke grond grazen, mits:

a)

de gemeenschappelijke grond gedurende ten minste drie jaar niet is behandeld met producten of stoffen die niet zijn toegelaten voor gebruik in de biologische productie;

b)

niet-biologische dieren die de gemeenschappelijke grond gebruiken gefokt zijn op een milieuvriendelijke wijze op grond die wordt ondersteund uit hoofde van de artikelen 23, 25, 28, 30, 31 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

c)

dierlijke producten van biologische dieren die zijn geproduceerd gedurende de periode waarin die dieren op gemeenschappelijke grond graasden, worden niet als biologische producten beschouwd, tenzij kan worden aangetoond dat de biologische dieren adequaat zijn gescheiden van de niet-biologische dieren.

1.4.2.2.2.

Tijdens de verweidingsperiode mogen de biologische dieren grazen op niet-biologische grond wanneer zij van de ene weide naar de andere moeten lopen. Tijdens deze periode worden biologische dieren apart gehouden van andere dieren. De dieren mogen niet-biologische diervoeders tot zich nemen in de vorm van gras en andere vegetatie waarop zij grazen:

a)

gedurende maximaal 35 dagen, op het heen- en het terugtraject samen, of

b)

voor maximaal 10 % van het totale jaarlijkse voederrantsoen, berekend als percentage van de droge stof van diervoeders van agrarische oorsprong.

1.4.3.   Omschakelingsdiervoeders

1.4.3.1.   Voor landbouwbedrijven die biologisch vee produceren:

a)

mag gemiddeld maximaal 25 % van het voederrantsoen bestaan uit omschakelingsdiervoeders van het tweede omschakelingsjaar. Wanneer dit omschakelingsdiervoeder afkomstig is van het bedrijf waar het vee wordt gehouden, kan dit percentage worden opgetrokken tot 100, en

b)

mag maximaal 20 % van de totale gemiddelde hoeveelheid aan de dieren gevoederde diervoeders bestaan uit begrazing of oogst van percelen blijvend grasland, blijvende voedergewassen of eiwithoudende gewassen die in het kader van biologisch beheer tijdens het eerste omschakelingsjaar zijn ingezaaid, op voorwaarde dat die percelen van het eigen bedrijf zijn.

Wanneer beide types omschakelingsdiervoeder als bedoeld onder a) en b) worden gebruikt, mag het totale percentage van die diervoeders samen niet hoger zijn dan het onder a) vastgestelde percentage.

1.4.3.2.   De in punt 1.4.3.1 opgenomen cijfers moeten op jaarbasis worden berekend als percentage van de droge stof van diervoeders van plantaardige oorsprong.

1.5.   Gezondheidszorg

1.5.1.   Ziektepreventie

1.5.1.1.   Ziektepreventie moet zijn gebaseerd op de selectie van rassen en stammen, op praktijken voor veehouderijbeheer, op hoogwaardig diervoeder, op lichaamsbeweging, op een passende bezettingsdichtheid en op adequate en passende huisvesting onder hygiënische omstandigheden.

1.5.1.2.   Het gebruik van immunologische diergeneesmiddelen is toegestaan.

1.5.1.3.   Het gebruik van chemisch gesynthetiseerde, allopathische diergeneesmiddelen, met inbegrip van antibiotica en bolusmaterialen die zijn samengesteld uit chemisch gesynthetiseerde allopathische moleculen, voor preventieve behandelingen is verboden.

1.5.1.4.   Het gebruik van stoffen om de groei of de productie te bevorderen (met inbegrip van antibiotica, coccidiostatica en andere kunstmatige groeibevorderende hulpstoffen), alsmede van hormonen en soortgelijke stoffen voor het controleren van de reproductie of voor andere doeleinden (zoals het opwekken of synchroniseren van bronst) is verboden.

1.5.1.5.   Wanneer dieren van niet-biologische productie-eenheden op het bedrijf worden binnengebracht, moeten, naargelang de plaatselijke omstandigheden, speciale maatregelen worden toegepast, zoals screeningtests en quarantaineperioden.

1.5.1.6.   Voor de reiniging en ontsmetting van gebouwen en installaties voor de veehouderij wordt enkel gebruikgemaakt van de producten die krachtens artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten.

1.5.1.7.   Stallen, hokken, uitrusting en gereedschap moeten naar behoren worden gereinigd en ontsmet om kruisbesmetting en de ontwikkeling van vectororganismen te voorkomen. Uitwerpselen, urine en niet-aangeroerde of gemorste voedselresten moeten zo vaak als nodig worden verwijderd om ongewenste geuren zoveel mogelijk te beperken en te vermijden dat insecten of knaagdieren worden aangetrokken. Om gebouwen en andere installaties waar dieren worden gehouden, te ontdoen van insecten en andere plaagorganismen, mag gebruik worden gemaakt van rodenticiden (uitsluitend in vallen) en de op grond van de artikelen 9 en 24 voor gebruik in de biologische productie toegelaten producten.

1.5.2.   Diergeneeskundige behandeling

1.5.2.1.   Dieren die ondanks preventieve maatregelen om de gezondheid van de dieren te waarborgen, ziek worden of verwondingen oplopen, moeten onmiddellijk worden behandeld.

1.5.2.2.   Ziekten worden onmiddellijk behandeld om het dier lijden te besparen. Zo nodig mogen, onder strikte voorwaarden en onder verantwoordelijkheid van een dierenarts, chemisch gesynthetiseerde, allopathische diergeneesmiddelen, waaronder antibiotica, worden gebruikt als fytotherapeutische, homeopathische en andere middelen niet geschikt zijn. In het bijzonder moeten beperkingen met betrekking tot behandelingskuren en wachttijden worden vastgesteld.

1.5.2.3.   Voedermiddelen van minerale oorsprong en diervoederadditieven die krachtens artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten, alsmede fytotherapeutische en homeopatische producten, moeten worden verkozen boven chemisch gesynthetiseerde, allopathische diergeneesmiddelen, waaronder antibiotica, mits hun therapeutisch effect doeltreffend is voor de betreffende diersoort en de aandoening waarop de behandeling is gericht.

1.5.2.4.   Behalve in het geval van inentingen, behandelingen tegen parasieten en verplichte uitroeiingsregelingen is het verboden om individuele dieren of groepen dieren die binnen twaalf maanden meer dan drie behandelingskuren met chemisch gesynthetiseerde, allopathische diergeneesmiddelen, waaronder antibiotica, ondergaan of die meer dan één behandelingskuur ondergaan indien de productieve levenscyclus minder dan een jaar bedraagt, alsmede de van die individuele dieren of groepen dieren afkomstige producten, te verkopen als biologische producten, en moeten de in de punt 1.2 bedoelde omschakelingsperioden op de dieren worden toegepast.

1.5.2.5.   De wachttijd tussen de laatste toediening aan een dier van een chemisch gesynthetiseerd allopathisch diergeneesmiddel, met inbegrip van een antibioticum, onder normale gebruiksomstandigheden en de productie van biologisch geproduceerde levensmiddelen afkomstig van dat dier bedraagt het dubbele van de in artikel 11 van Richtlijn 2001/82/EG bedoelde wachttijd en bedraagt minstens 48 uur.

1.5.2.6.   Op basis van de Uniewetgeving opgelegde behandelingen in verband met de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid zijn toegelaten.

1.6.   Huisvestings- en houderijpraktijken

1.6.1.   De isolatie, de verwarming en de ventilatie van het gebouw moeten ervoor zorgen dat de luchtcirculatie, het stofgehalte, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentratie beperkt blijven tot een niveau dat borg staat voor het welzijn van de dieren. Er moeten ruimschoots natuurlijke ventilatie en daglicht in het gebouw kunnen komen.

1.6.2.   Huisvesting voor dieren is niet verplicht in gebieden met passende klimatologische omstandigheden waarin dieren buiten kunnen worden gehouden. In dergelijke gevallen moeten de dieren toegang hebben tot beschutte of schaduwrijke plekken om hen te beschermen tegen ongunstige weersomstandigheden.

1.6.3.   De bezettingsdichtheid in de gebouwen moeten voorzien in het comfort, het welzijn van de dieren en de soortspecifieke behoeften van de dieren, en met name afhankelijk zijn van de soort, het ras en de leeftijd van de dieren. De bezettingsdichtheid moet tevens in overeenstemming zijn met de ethologische behoeften van de dieren, die met name afhankelijk zijn van de groepsgrootte en het geslacht van de dieren. De bezettingsdichtheid moet erop gericht zijn het welzijn van de dieren te waarborgen door te zorgen voor voldoende ruimte om op natuurlijke wijze te staan, te bewegen, gemakkelijk te gaan liggen, zich om te draaien, zich te verzorgen, alle natuurlijke houdingen aan te nemen en alle natuurlijke bewegingen uit te voeren zoals zich uitrekken en met de vleugels klapperen.

1.6.4.   Het minimale vloeroppervlak van binnen- en buitenruimten, en de technische details met betrekking tot huisvesting, zoals vastgelegd in de in artikel 14, lid 3 bedoelde uitvoeringshandelingen, moeten in acht worden genomen.

1.6.5.   De openluchtruimten mogen gedeeltelijk zijn afgedekt. Veranda’s mogen niet als openluchtruimten worden beschouwd.

1.6.6.   De totale bezettingsdichtheid mag niet meer biologische stikstof opleveren dan 170 kg per jaar en per hectare landbouwgrond.

1.6.7.   Met het oog op de bepaling van de juiste bezettingsdichtheid als bedoeld in punt 1.6.6, moet de bevoegde autoriteit, met inachtneming van de cijfers in de specifieke voorschriften voor elk type dierlijke productie, het aantal vee-eenheden vaststellen dat overeenkomt met het in punt 1.6.6 vastgestelde maximum.

1.6.8.   Het gebruik van kooien, kisten en batterijen voor het kweken van dieren is voor geen enkele diersoort toegestaan.

1.6.9.   Wanneer een dier om veterinaire redenen individueel wordt behandeld, moet het in ruimten met een vaste vloer worden gehouden en moet het de beschikking hebben over stro of passend strooisel. Het dier moet zich gemakkelijk kunnen omdraaien en moet gemakkelijk languit kunnen gaan liggen.

1.6.10.   Het biologisch fokken van dieren in omheinde ruimten met een zeer vochtige grond of moerasgrond is niet toegelaten.

1.7.   Dierenwelzijn

1.7.1.   Alle personen die betrokken zijn bij de dierhouderij en bij het omgaan met dieren tijdens vervoer en slachting, moeten beschikken over de nodige basiskennis en -vaardigheden wat de gezondheid en de welzijnsbehoeften van de dieren betreft, en moeten een passende opleiding hebben genoten, zoals met name voorgeschreven in Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad (1) en Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad (2) teneinde te zorgen voor de correcte toepassing van de voorschriften van deze Verordening.

1.7.2.   De houderijpraktijken, met inbegrip van bezettingsdichtheid en huisvestingsomstandigheden, moeten er borg voor staan dat aan de behoeften van de dieren op het gebied van ontwikkeling, fysiologie en ethologie wordt voldaan.

1.7.3.   De dieren moeten permanent toegang hebben tot openluchtruimten waarin zij zich kunnen bewegen, bij voorkeur weidegrond, wanneer de weers- en seizoensomstandigheden en de staat van de grond dit mogelijk maken, tenzij op grond van Uniewetgeving beperkingen en verplichtingen in verband met de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid zijn opgelegd.

1.7.4.   Het aantal dieren moet worden beperkt om overbegrazing, vertrappen van de bodem, erosie, en door de dieren en de verspreiding van hun mest veroorzaakte verontreiniging tot een minimum te beperken.

1.7.5.   Het aanbinden of isoleren van dieren is verboden, tenzij het gaat om individuele dieren gedurende een beperkte tijd en voor zover deze praktijk gerechtvaardigd is om diergeneeskundige redenen. Het isoleren van dieren kan voor enkel een beperkte periode worden toegestaan, en alleen wanneer de veiligheid van de werknemers in het gedrang komt of ten behoeve van het dierenwelzijn. De bevoegde autoriteiten kunnen het aanbinden van vee in bedrijven met ten hoogste 50 dieren (uitgezonderd jonge dieren) toestaan als deze dieren niet in aan hun gedrag aangepaste groepen kunnen worden gehouden, op voorwaarde dat zij tijdens de graasperiode toegang hebben tot weidegrond en ten minste tweemaal per week toegang krijgen tot openluchtruimten wanneer grazen niet mogelijk is.

1.7.6.   De duur van het vervoer van dieren wordt tot een minimum beperkt.

1.7.7.   Het lijden, de pijn en de stress van de dieren moeten gedurende hun hele leven, inclusief bij het slachten, worden vermeden en tot een minimum worden beperkt.

1.7.8.   Onverminderd ontwikkelingen in de Uniewetgeving op het vlak van dierenwelzijn, kunnen het couperen van staarten voor schapen, het snavelkappen in de eerste drie levensdagen, en het onthoornen alleen per geval uitzonderlijk worden toegestaan wanneer deze ingrepen de gezondheid, het welzijn of de hygiëne van het dier ten goede komen of de veiligheid van de werknemers anders in gevaar is. Het verwijderen van hoornknoppen is alleen per geval toegestaan wanneer deze ingreep de gezondheid, het welzijn of de hygiëne van het dier ten goede komt of de veiligheid van de werknemers anders in gevaar is. De bevoegde autoriteit staat een dergelijke ingreep enkel toe indien de exploitant de redenen ervoor naar behoren ter kennis heeft gebracht en gerechtvaardigd en wanneer de ingreep uitgevoerd wordt door gekwalificeerd personeel.

1.7.9.   Het lijden van de dieren moet tot een minimum worden beperkt door adequate anesthesie en/of analgesie toe te passen en elke ingreep uitsluitend op de optimale leeftijd van de dieren te laten uitvoeren door daartoe gekwalificeerd personeel.

1.7.10.   Fysieke castratie is toegestaan om de kwaliteit van de producten te handhaven en traditionele productiepraktijken in stand te houden, doch uitsluitend op de in punt 1.7.9 genoemde voorwaarden.

1.7.11.   De dieren moeten worden in- en uitgeladen zonder gebruik van enig elektrisch of ander pijnlijk dwangmiddel. Het gebruik van allopathische kalmeringsmiddelen vóór of tijdens het vervoer is verboden.

1.8.   Bereiding van onverwerkte producten

Indien met dieren andere bereidingshandelingen dan verwerking worden verricht, zijn op zulke handelingen de algemene voorschriften van de punten 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 en 2.2.3 van deel IV van overeenkomstige toepassing.

1.9.   Aanvullende algemene voorschriften

1.9.1.   Voor runderen, schapen, geiten en paardachtigen

1.9.1.1.   Voeding

Met betrekking tot de voeding gelden de volgende voorschriften:

a)

ten minste 60 % van de diervoeders moet afkomstig zijn van het landbouwbedrijf zelf of, wanneer dit niet haalbaar of zulk diervoeder niet beschikbaar is, worden geproduceerd in samenwerking met andere biologische productie-eenheden of productie-eenheden in omschakeling en diervoederbedrijven die diervoeders en diervoedermiddelen uit dezelfde regio gebruiken. Dit percentage wordt met ingang van 1 januari 2023 verhoogd tot 70 %.

b)

dieren moeten, wanneer de omstandigheden dit toelaten, toegang hebben tot weidegrond om te grazen;

c)

onverminderd het bepaalde in punt b), moeten mannelijke runderen van meer dan één jaar toegang hebben tot weidegrond of tot een openluchtruimte;

d)

wanneer dieren tijdens de graastijd toegang hebben tot weidegrond en in winterstalling bewegingsvrijheid genieten, kan worden afgezien van de verplichting om gedurende de wintermaanden openluchtruimten te verschaffen;

e)

foksystemen moeten zijn gebaseerd op maximaal gebruik van graasweidegrond, naargelang de beschikbaarheid van weidegrond gedurende de verschillende perioden van het jaar;

f)

ten minste 60 % van de droge stof van het dagrantsoen moet bestaan uit ruwvoer, verse of gedroogde voedergewassen of kuilvoer. Voor dieren in de zuivelindustrie kan dit percentage bij het begin van de lactatie gedurende maximaal drie maanden tot 50 % worden verlaagd.

1.9.1.2.   Huisvestings- en houderijpraktijken

Met betrekking tot huisvestings- en houderijpraktijken gelden de volgende voorschriften:

a)

vloeren van de huisvesting moeten vlak zijn maar niet glad;

b)

huisvesting moet zijn voorzien van een comfortabele, schone en droge lig- of rustruimte met een toereikende oppervlakte en met een dichte bodem zonder lattenconstructie. In de rustruimte moet worden gezorgd voor ruim voldoende en droog strooisel. Het strooisel moet bestaan uit stro of andere geschikte natuurlijke materialen. Het strooisel mag worden verbeterd en verrijkt met minerale producten die krachtens artikel 24 als meststof of bodemverbeteringsmiddel zijn toegelaten voor gebruik in de biologische productie;

c)

onverminderd artikel 3, lid 1, eerste alinea, onder a), en artikel 3, lid 1, tweede alinea, van Richtlijn 2008/119/EG van de Raad (3) is het verboden kalveren ouder dan een week in individuele kisten onder te brengen tenzij het gaat om individuele dieren gedurende een beperkte tijd en voor zover deze praktijk gerechtvaardigd is om veterinaire redenen.

d)

wanneer een kalf om diergeneeskundige redenen individueel wordt behandeld, moet het in ruimten met een vaste vloer worden gehouden en moet het de beschikking hebben over ligstro. Het kalf moet zich gemakkelijk kunnen omdraaien en moet gemakkelijk languit kunnen gaan liggen.

1.9.2.   Voor hertachtigen

1.9.2.1.   Voeding

Met betrekking tot de voeding gelden de volgende voorschriften:

a)

ten minste 60 % van de diervoeders moet afkomstig zijn van het landbouwbedrijf zelf of, wanneer dit niet haalbaar of zulk diervoeder niet beschikbaar is, worden geproduceerd in samenwerking met andere biologische productie-eenheden of productie-eenheden in omschakeling en diervoederbedrijven die diervoeders en diervoedermiddelen uit dezelfde regio gebruiken. Dit percentage wordt met ingang van 1 januari 2023 verhoogd tot 70;

b)

dieren moeten, wanneer de omstandigheden dit toelaten, toegang hebben tot weidegrond om te grazen;

c)

wanneer dieren tijdens de graastijd toegang hebben tot weidegrond en in winterstalling bewegingsvrijheid genieten, kan worden afgezien van de verplichting om gedurende de wintermaanden openluchtruimten te verschaffen;

d)

foksystemen moeten zijn gebaseerd op maximaal gebruik van graasweidegrond, naargelang de beschikbaarheid van weidegrond gedurende de verschillende perioden van het jaar;

e)

ten minste 60 % van de droge stof van het dagrantsoen moet bestaan uit ruwvoer, verse of gedroogde voedergewassen of kuilvoer. Voor vrouwelijke hertachtigen in de melkproductie kan dit percentage bij het begin van de lactatie gedurende maximaal drie maanden tot 50 % worden verlaagd;

f)

het natuurlijk grazen in de omheinde ruimte moet tijdens de vegetatie verzekerd worden. Omheinde ruimten, waar tijdens de periode van de vegetatie de voeding via het grazen niet verzekerd kan worden, zijn niet toegelaten;

g)

bijkomende voeding is enkel toegestaan indien er wegens ongunstige weersomstandigheden niet kan worden gegraasd;

h)

landbouwdieren moeten in een omheind leefgebied schoon en vers drinkwater ter beschikking hebben. Indien er geen voor dieren gemakkelijk toegankelijke natuurlijke waterbron ter beschikking is, moet er in drinkplaatsen voorzien worden.

1.9.2.2.   Huisvestings- en houderijpraktijken

Met betrekking tot huisvestings- en houderijpraktijken gelden de volgende voorschriften:

a)

hertachtigen moeten beschikken over schuilplaatsen, beschutte plaatsen en hekken die de dieren geen schade berokkenen;

b)

in omheinde ruimten voor gewone hertachtigen moet voor de dieren de mogelijkheid voorzien worden om in modder te rollen, om zo hun huid te onderhouden en hun temperatuur in evenwicht te houden;

c)

de vloeren van de huisvesting moeten vlak zijn maar niet glad;

d)

huisvesting moet zijn voorzien van een comfortabele, schone en droge lig- of rustruimte met een toereikende oppervlakte en met een dichte bodem zonder lattenconstructie. In de rustruimte moet worden gezorgd voor ruim voldoende en droog strooisel. Het strooisel moet bestaan uit stro of andere geschikte natuurlijke materialen. Het strooisel mag worden verbeterd en verrijkt met minerale producten die krachtens artikel 24 als meststof of bodemverbeteraar voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;

e)

de voederplaatsen moeten geplaatst worden op plaatsen die beschermd zijn tegen weersinvloeden en toegankelijk zijn voor de dieren en verzorgers. Op plaatsen waar er voederbakken staan moet de bodem verhard zijn en de installatie om te voederen moet onder een afdak staan;

f)

indien er niet voortdurend toegang tot diervoeder is, moeten de voederplaatsen zo ingericht zijn dat alle dieren tegelijkertijd kunnen eten.

1.9.3.   Voor varkens

1.9.3.1.   Voeding

Met betrekking tot de voeding gelden de volgende voorschriften:

a)

ten minste 30 % van de diervoeders moet afkomstig zijn van het landbouwbedrijf zelf of, wanneer dit niet haalbaar of zulk diervoeder niet beschikbaar is, worden geproduceerd in samenwerking met andere biologische of omschakelingsproductie-eenheden en diervoederbedrijven die diervoeders en diervoedermiddelen uit dezelfde regio gebruiken;

b)

het dagrantsoen moet worden aangevuld met ruwvoer, verse of gedroogde voedergewassen of kuilvoer;

c)

indien landbouwers er niet in slagen eiwithoudende diervoeders uitsluitend uit biologische productie te verkrijgen, en de bevoegde autoriteit heeft bevestigd dat biologische eiwithoudende diervoeders niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn, mogen niet-biologische eiwithoudende diervoeders worden gebruikt tot en met 31 december 2025, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de diervoeders zijn niet beschikbaar in biologische vorm;

ii)

de diervoeders worden zonder chemische oplosmiddelen geproduceerd of bereid;

iii)

de diervoeders worden slechts gebruikt voor de voedering van biggen tot en met 35 kg met specifieke eiwitsamenstellingen, en

iv)

het maximaal toegestane percentage per periode van twaalf maanden bedraagt voor die dieren niet meer dan 5 %. Het percentage droge stof van diervoeders van agrarische oorsprong wordt berekend.

1.9.3.2.   Huisvestings- en houderijpraktijken

Met betrekking tot huisvestings- en houderijpraktijken gelden de volgende voorschriften:

a)

de vloeren van de huisvesting moeten vlak zijn maar niet glad;

b)

de huisvesting moet zijn voorzien van een comfortabele, schone en droge lig- of rustruimte met een toereikende oppervlakte en met een dichte bodem zonder lattenconstructie. In de rustruimte moet worden gezorgd voor ruim voldoende en droog strooisel. Het strooisel moet bestaan uit stro of andere geschikte natuurlijke materialen. Het strooisel mag worden verbeterd en verrijkt met minerale producten die krachtens artikel 24 als meststof of bodemverbeteraars voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;

c)

er moet altijd een bed van stro of een ander geschikt materiaal voorhanden zijn dat groot genoeg is om ervoor te zorgen dat alle varkens in een omheinde ruimte gelijktijdig kunnen liggen in de positie die het meest ruimte in beslag neemt;

d)

zeugen moeten in groepen worden gehouden, behalve in de laatste fase van de dracht en tijdens de zoogtijd, wanneer zeugen zich vrijelijk in hun omheinde ruimte moeten kunnen bewegen en hun beweging alleen kortstondig mag worden beperkt;

e)

onverminderd aanvullende vereisten met betrekking tot stro moeten zeugen een aantal dagen voor de verwachte worp een hoeveelheid stro of ander geëigend natuurlijk materiaal krijgen die groot genoeg is om een nest te maken;

f)

varkens moeten in de bewegingsruimten kunnen mesten en wroeten. De onderlaag voor het wroeten mag uit verschillende soorten materiaal bestaan.

1.9.4.   Voor pluimvee

1.9.4.1.   Oorsprong van de dieren

Ter voorkoming van het gebruik van intensieve opfokmethoden moet het pluimvee bij de slacht een bepaalde minimumleeftijd hebben of moet het behoren tot traaggroeiende rassen die geschikt zijn voor buitenhouderij.

De bevoegde autoriteit stelt de criteria voor traaggroeiende rassen of een lijst van die rassen vast en verstrekt deze informatie aan exploitanten, andere lidstaten en de Commissie.

Wanneer de landbouwer geen traaggroeiende rassen gebruikt, moet het pluimvee bij de slacht de volgende minimumleeftijd hebben:

a)

81 dagen voor kippen;

b)

150 dagen voor kapoenen;

c)

49 dagen voor Pekingeenden;

d)

70 dagen voor vrouwelijke Barbarijse eenden;

e)

84 dagen voor mannelijke Barbarijse eenden;

f)

92 dagen voor Mallardeenden;

g)

94 dagen voor parelhoenders;

h)

140 dagen voor mannelijke kalkoenen en braadganzen, en

i)

100 dagen voor vrouwelijke kalkoenen.

1.9.4.2.   Voeding

Met betrekking tot de voeding gelden de volgende voorschriften:

a)

ten minste 30 % van de diervoeders moet afkomstig zijn van het landbouwbedrijf zelf of, wanneer dit niet haalbaar of zulk diervoeder niet beschikbaar is, worden geproduceerd in samenwerking met andere biologische of productie-eenheden in omschakeling en diervoederbedrijven die diervoeders en diervoedermiddelen uit dezelfde regio gebruiken;

b)

het dagrantsoen moet worden aangevuld met ruwvoer, verse of gedroogde voedergewassen of kuilvoer;

c)

indien landbouwers er niet in slagen eiwithoudende diervoeders voor pluimveesoorten uitsluitend uit biologische productie te verkrijgen, en de bevoegde autoriteit heeft bevestigd dat biologische eiwithoudende diervoeders niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn, mogen niet-biologische eiwithoudende diervoeders worden gebruikt tot en met 31 december 2025, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de diervoeders zijn niet beschikbaar in biologische vorm;

ii)

de diervoeders worden zonder chemische oplosmiddelen geproduceerd of bereid;

iii)

de diervoeders worden slechts gebruikt voor de voedering van jong pluimvee met specifieke eiwitsamenstellingen, en

iv)

het maximaal toegestane percentage per periode van twaalf maanden bedraagt voor die dieren niet meer dan 5. Het percentage droge stof van diervoeders van agrarische oorsprong wordt berekend.

1.9.4.3.   Dierenwelzijn

Het plukken van levend pluimvee is verboden.

1.9.4.4.   Huisvestings- en houderijpraktijken

Met betrekking tot huisvestings- en houderijpraktijken gelden de volgende voorschriften:

a)

ten minste één derde van het vloeroppervlak moet dicht zijn, dat wil zeggen zonder latten- of roosterconstructie, en moet bedekt zijn met strooisel, zoals stro, houtkrullen, zand of turfmolm;

b)

in pluimveestallen voor leghennen moet een voldoende groot gedeelte van het voor de kippen beschikbare vloeroppervlak beschikbaar zijn voor het opvangen van de uitwerpselen van de vogels;

c)

de stallen moeten telkens na het houden van een partij pluimvee worden leeggemaakt. De stallen en toebehoren moeten dan worden gereinigd en ontsmet. Bovendien moeten de uitlopen telkens na het houden van een partij pluimvee gedurende een door de lidstaten te bepalen periode vrij worden gehouden om de vegetatie te laten aangroeien. Die voorschriften zijn niet van toepassing op pluimvee dat niet in partijen wordt gefokt, niet in uitlopen wordt gehouden en de hele dag vrij kan rondlopen;

d)

pluimvee moet gedurende ten minste één derde van zijn leven toegang hebben tot een openluchtruimte. Leghennen en mestpluimvee moeten evenwel gedurende ten minste één derde van hun leven toegang hebben tot een openluchtruimte, behalve wanneer op basis van de Uniewetgeving tijdelijke beperkingen zijn opgelegd;

e)

de dieren moeten vanaf een zo jong mogelijke leeftijd als praktisch haalbaar is en wanneer de fysiologische en fysieke omstandigheden dit toelaten, onafgebroken toegang hebben tot de open lucht behalve wanneer op grond van Uniewetgeving tijdelijke beperkingen zijn opgelegd;

f)

in afwijking van punt 1.6.5, geldt voor broedvogels en jonge hennen jonger dan 18 weken dat wanneer aan de voorwaarden van punt 1.7.3 met betrekking tot op grond van de Uniewetgeving opgelegde beperkingen en verplichtingen in verband met de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid is voldaan, en aan broedvogels en jonge hennen jonger dan 18 weken hierdoor de toegang tot ruimten in de open lucht wordt verhinderd, veranda’s als openluchtruimten worden beschouwd en in dergelijke gevallen voorzien zijn van een barrière van metaalgaas om andere vogels buiten te houden;

g)

in openluchtruimtes voor pluimvee moeten de dieren gemakkelijk toegang hebben tot voldoende drinkbakken;

h)

de openluchtruimten voor pluimvee moeten voor het grootste deel zijn begroeid;

i)

wanneer de uitloop als gevolg van bijvoorbeeld langdurige sneeuw of zeer droge weersomstandigheden weinig voeder te bieden heeft, moet het rantsoen van het pluimvee worden aangevuld met ruwvoer;

j)

pluimvee dat binnen wordt gehouden als gevolg van beperkingen of verplichtingen die op grond van de Uniewetgeving zijn opgelegd, moet permanent toegang hebben tot voldoende hoeveelheden ruwvoer en geschikt materiaal om aan zijn ethologische behoeften te voldoen;

k)

waterpluimvee moet toegang hebben tot een waterloop, een vijver, een meer of een poel wanneer de weersomstandigheden en de hygiëneomstandigheden dit toelaten, teneinde te voldoen aan de soortspecifieke behoeften van deze dieren en de voor hen geldende welzijnsvoorschriften; wanneer de weersomstandigheden dergelijke toegang niet toelaten, moeten deze dieren toegang hebben tot water waarin zij hun kop kunnen onderdompelen om hun veren te reinigen;

l)

het daglicht mag met kunstlicht worden aangevuld tot een maximum van 16 uur licht per dag, met een ononderbroken nachtelijke rustperiode zonder kunstlicht van minstens acht uur;

m)

de totale nuttige oppervlakte in pluimveestallen voor het afmesten van pluimvee van een productie-eenheid bedraagt maximaal 1 600 m2;

n)

in een enkel compartiment van een pluimveestal mogen niet meer dan 3 000 leghennen worden gehouden.

1.9.5.   Voor konijnen

1.9.5.1.   Voeding

Met betrekking tot de voeding gelden de volgende voorschriften:

a)

ten minste 70 % van de diervoeders moet afkomstig zijn van het landbouwbedrijf zelf of, wanneer dit niet haalbaar en zulk diervoeder niet beschikbaar is, worden geproduceerd in samenwerking met andere biologische productie-eenheden of productie-eenheden in omschakeling en diervoederbedrijven die diervoeders en diervoedermiddelen uit dezelfde regio gebruiken.

b)

konijnen moeten, wanneer de omstandigheden dit toelaten, toegang hebben tot weidegrond om te grazen;

c)

houderijsystemen moeten zijn gebaseerd op maximaal gebruik van graasweidegrond, naargelang de beschikbaarheid van weidegrond tijdens de verschillende perioden van het jaar;

d)

vezelrijke voeder zoals stro en/of hooi moeten worden verstrekt wanneer er onvoldoende gras is. Het aandeel van gewassen in het voeder bedraagt minstens 60 %.

1.9.5.2.   Huisvestings- en houderijpraktijken

Met betrekking tot huisvestings- en houderijpraktijken gelden de volgende voorschriften:

a)

huisvesting moet zijn voorzien van een comfortabele, schone en droge lig- of rustruimte met een toereikende oppervlakte en met een dichte bodem zonder lattenconstructie. In de rustruimte moet worden gezorgd voor ruim voldoende en droog strooisel. Het strooisel moet bestaan uit stro of andere geschikte natuurlijke materialen. Het strooisel mag worden verbeterd en verrijkt met minerale producten die krachtens artikel 24 als meststof of bodemverbeteraars voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;

b)

konijnen worden in groep gehouden;

c)

konijnenhouderijen gebruiken sterke rassen die zijn aangepast aan de buitenomstandigheden;

d)

konijnen hebben toegang tot:

i)

beschutte plekken, met inbegrip van donkere schuilplaatsen;

ii)

een buitenren met vegetatie, bij voorkeur weidegrond;

iii)

een verhoogd platform, binnen of buiten, waarop zij kunnen zitten;

iv)

nestmateriaal voor alle zogende moeren.

1.9.6.   Voor bijen

1.9.6.1.   Oorsprong van de dieren

Met betrekking tot de bijenteelt moet de voorkeur uitgaan naar de Apis mellifera en plaatselijke ecotypes daarvan.

1.9.6.2.   Voeding

Met betrekking tot de voeding gelden de volgende voorschriften:

a)

na afloop van het productieseizoen moeten in de bijenkasten nog voldoende honing- en stuifmeelvoorraden aanwezig zijn om de bijen in staat te stellen de winter door te komen;

b)

het voederen van bijenkolonies is slechts toegestaan wanneer het overleven van de kolonie door klimatologische omstandigheden in gevaar is. Voor het voederen moet in zulk geval gebruik worden gemaakt van biologische honing, biologische suikerstropen of biologische suiker.

1.9.6.3.   Gezondheidszorg

Met betrekking tot gezondheidszorg gelden de volgende voorschriften:

a)

voor de bescherming van ramen, kasten en raten, met name tegen plaagorganismen, mogen alleen rodenticiden, gebruikt in vallen, en daarvoor geschikte producten en stoffen worden gebruikt die op grond van de artikelen 9 en 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;

b)

fysische behandelingen voor de ontsmetting van de bijenstallen, zoals het gebruik van stoom en rechtstreeks vuur, zijn toegestaan;

c)

het vernietigen van het mannelijk broed is enkel toegestaan als middel om besmetting door Varroa destructor tegen te gaan;

d)

indien de kolonies ondanks alle preventieve maatregelen toch ziek worden of besmet geraken, moeten zij onmiddellijk worden behandeld, zo nodig door hen in speciale bijenstallen af te zonderen;

e)

bij besmetting met Varroa destructor is het gebruik van mierenzuur, melkzuur, azijnzuur, oxaalzuur, menthol, thymol, eucalyptol en kamfer toegestaan;

f)

gedurende de periode waarin een behandeling wordt toegepast met chemisch gesynthetiseerde, allopathische producten — waaronder antibiotica — die niet behoren tot de op grond van de artikelen 9 en 24 voor gebruik in de biologische productie toegelaten producten en stoffen, moeten de behandelde kolonies in speciale bijenstallen worden afgezonderd en moet alle bijenwas worden vervangen door bijenwas die afkomstig is van de biologische bijenteelt. Daarna geldt voor die kolonies de in punt 1.2.2 vastgestelde omschakelingsperiode van twaalf maanden.

1.9.6.4.   Dierenwelzijn

Met betrekking tot de bijenteelt gelden de volgende aanvullende algemene voorschriften:

a)

de vernietiging van bijen in de raten als methode voor de winning van bijenteeltproducten is verboden;

b)

verminking, zoals het knippen van de vleugels van koninginnen, is verboden.

1.9.6.5.   Huisvestings- en houderijpraktijken

Met betrekking tot huisvestings- en houderijpraktijken gelden de volgende voorschriften:

a)

bijenstallen staan op plaatsen die de beschikbaarheid garanderen van de bronnen van nectar en stuifmeel die voornamelijk bestaan uit biologisch geproduceerde gewassen of, in voorkomend geval, van spontane vegetatie of niet-biologisch beheerde bossen of gewassen die alleen behandeld worden met slechts licht milieubelastende technieken;

b)

bijenstallen staan op voldoende afstand van bronnen die tot verontreiniging van de bijenteeltproducten of tot een slechte gezondheid van de bijen kunnen leiden;

c)

de bijenkasten moeten zo geplaatst zijn dat bronnen van nectar en stuifmeel binnen een straal van 3 km van de locatie van de bijenkasten hoofdzakelijk bestaan uit biologisch geproduceerde gewassen of spontane vegetatie of gewassen waarop slechts licht milieubelastende technieken worden toegepast die gelijkwaardig zijn aan die welke zijn beschreven in de artikelen 28 en 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, en die geen gevolgen kunnen hebben voor de biologische status van de bijenteeltproductie. Die bepaling is niet van toepassing op gebieden waar geen bloei plaatsvindt, of wanneer de bijenkolonies in rust zijn;

d)

de kasten en het bij de bijenteelt gebruikte materiaal moeten in essentie vervaardigd zijn uit natuurlijke materialen die geen verontreinigingsgevaar opleveren voor het milieu of de bijenteeltproducten;

e)

de bijenwas voor nieuwe ramen moet afkomstig zijn van biologische productie-eenheden;

f)

in de kasten mogen alleen natuurlijke producten zoals propolis, was en plantaardige oliën worden gebruikt;

g)

tijdens de honingwinning is het gebruik van synthetische chemische repellenten verboden;

h)

het is verboden honing te winnen uit raten die broed bevatten;

i)

de bijenteelt in gebieden of zones die door de lidstaten zijn aangemerkt als ongeschikt voor de biologische bijenteelt, mag niet als biologisch worden beschouwd.

Deel III: Productievoorschriften voor algen en aquacultuurdieren

1.   Algemene voorschriften

1.1.   De bedrijven moeten gevestigd zijn op locaties die niet zijn verontreinigd met niet voor de biologische productie toegelaten producten of stoffen, noch door verontreinigende stoffen die de biologische aard van de producten in het gedrang zouden brengen.

1.2.   Biologische en niet-biologische productie-eenheden moeten adequaat en in voorkomend geval overeenkomstig door de lidstaten vastgestelde minimumscheidingsafstanden van elkaar worden gescheiden. Deze scheiding moet gebaseerd zijn op natuurlijke omstandigheden, aparte waterdistributiesystemen, afstanden, getijdenstroming en de stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen locatie van de biologische productie-eenheid. Algen- en aquacultuurproductie op locaties of in gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen als ongeschikt voor dergelijke activiteiten, mogen niet als biologisch worden beschouwd.

1.3.   Met betrekking tot nieuwe, voor de biologische productie geplande bedrijven die meer dan 20 ton aquacultuurproducten per jaar produceren, moeten de omstandigheden van de productie-eenheid en van de onmiddellijke omgeving daarvan, alsmede de verwachte impact van de exploitatie van die eenheid worden geëvalueerd in een milieueffectbeoordeling die passend is voor de productie-eenheid. De exploitant moet de milieueffectbeoordeling ter beschikking van de controleautoriteit of het controleorgaan stellen. De inhoud van de milieueffectbeoordeling moet zijn gebaseerd op bijlage IV bij Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (4). Indien voor de betrokken productie-eenheid reeds een gelijkwaardige beoordeling is opgesteld, mag die beoordeling ook in dit verband worden gebruikt.

1.4.   De vernietiging van mangroves is niet toegestaan.

1.5.   De exploitant moet een duurzaambeheerplan indienen dat in verhouding staat tot de productie-eenheid waar aan aquacultuur wordt gedaan en algen worden geoogst.

1.6.   Dit plan dient jaarlijks te worden bijgewerkt, moet gedetailleerde gegevens bevatten over de milieueffecten van het bedrijf en de uit te voeren milieumonitoring, alsmede maatregelen voor het optimaal beperken van negatieve gevolgen voor de aquatische en terrestrische omgeving, met inbegrip, in voorkomend geval, van gegevens inzake de lozing van nutriënten in het milieu per productiecyclus of per jaar. Controles en reparaties van technische apparatuur dienen in het plan te worden geregistreerd.

1.7.   Defensieve en preventieve maatregelen die overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG en nationale regels worden genomen tegen predatoren, moeten in het duurzaambeheerplan worden geregistreerd.

1.8.   In voorkomend geval moeten exploitanten van aan elkaar grenzende bedrijven het opstellen van hun beheersplannen coördineren.

1.9.   exploitanten van aquacultuur- en algenbedrijven moeten in het duurzaambeheerplan een afvalbeperkingsschema opnemen dat vanaf het begin van de exploitatie van het bedrijf moet worden toegepast. Het gebruik van restwarmte moet zo veel mogelijk worden beperkt tot energie van hernieuwbare bronnen.

1.10.   Bereiding van onverwerkte producten

Indien op algen of aquacultuurdieren andere bereidingshandelingen dan verwerking worden verricht, zijn op zulke handelingen de algemene voorschriften van de punten 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 en 2.2.3 van deel IV van overeenkomstige toepassing.

2.   Voorschriften voor algen

Op de biologische vergaring en productie van algen zijn naast de in de artikelen 9, 10, 11 en 15 en eventueel in afdeling 1 van dit deel bedoelde algemene productievoorschriften, de in deze afdeling opgenomen voorschriften van toepassing. Deze voorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op de productie van fytoplankton.

2.1.   Omschakeling

2.1.1.   De omschakelingsperiode voor een productie-eenheid waar algen worden verzameld bedraagt zes maanden.

2.1.2.   De omschakelingsperiode voor een productie-eenheid waar algen worden geteeld bedraagt zes maanden of een volledige productiecyclus, afhankelijk van welke periode de langste is.

2.2.   Productievoorschriften voor algen

2.2.1.   De vergaring van wilde algen en van delen daarvan wordt als biologische productie beschouwd, op voorwaarde dat:

a)

de gebieden waar het zeewier groeit, geschikt zijn vanuit gezondheidsoogpunt en zich in zeer goede ecologische toestand bevinden als omschreven in Richtlijn 2000/60/EG, of waarvan de kwaliteit gelijk is aan die van:

de productiegebieden van klasse A of B krachtens Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad (5), tot en met 13 december 2019, of

de overeenkomstige indelingsgebieden als omschreven in de uitvoeringshandelingen die de Commissie heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 18, lid 8, van Verordening (EU) 2017/625, vanaf 14 december 2019;

b)

de verzameling geen significante negatieve impact heeft op de stabiliteit van het natuurlijke ecosysteem of de instandhouding van de soorten in het vergaringsgebied.

2.2.2.   De algen moeten worden gekweekt in gebieden met milieu- en gezondheidskenmerken die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in punt 2.2.1, onder a), beschreven kenmerken waaraan algen moeten voldoen om als biologisch te worden beschouwd. Bovendien zijn de volgende productievoorschriften van toepassing:

a)

in alle stadia van de productie, van het vergaren van juveniele algen tot de oogst, moeten duurzame praktijken worden gehanteerd;

b)

om de instandhouding van een brede genetische diversiteit te garanderen, moeten geregeld juveniele algen in het wild worden vergaard om de diversiteit van binnenkweekbestanden te handhaven en te verhogen;

c)

meststoffen mogen niet worden gebruikt, tenzij in binnenfaciliteiten en mits zij daartoe krachtens artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten.

2.3.   Algenteelt

2.3.1.   Bij de algenteelt op zee mag slechts gebruik worden gemaakt van natuurlijk in het milieu voorkomende nutriënten of van nutriënten afkomstig van een bij voorkeur dichtbij gelegen eenheid voor de biologische productie van aquacultuurdieren die deel uitmaakt van een polycultuursysteem.

2.3.2.   In op het land gelegen voorzieningen waar gebruik wordt gemaakt van externe nutriëntenbronnen, mogen de nutriëntenniveaus in de effluenten verifieerbaar niet hoger zijn dan die in het instromende water. Er mag enkel gebruik worden gemaakt van nutriënten van plantaardige of minerale oorsprong die krachtens artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten.

2.3.3.   De teeltdichtheid of de exploitatie-intensiteit moet worden geregistreerd en moet worden afgestemd op behoud van de integriteit van het aquatische milieu door ervoor te zorgen dat de maximumhoeveelheid algen die het milieu aankan zonder daar negatieve gevolgen van te ondervinden, niet wordt overschreden.

2.3.4.   Touwen en andere materialen die bij de algenteelt worden gebruikt, moeten waar mogelijk worden hergebruikt of gerecycled.

2.4.   Duurzame verzameling van wilde algen

2.4.1.   Zodra met de algenverzameling wordt begonnen, dient een eenmalige biomassaraming te worden verricht.

2.4.2.   De administratie moet in de eenheid of de bedrijfskantoren worden bewaard en moet de exploitant, respectievelijk de controleautoriteit of het controleorgaan in staat stellen na te gaan, respectievelijk te verifiëren of de verzamelaars uitsluitend overeenkomstig deze verordening geproduceerd wilde algen hebben geleverd.

2.4.3.   De omvang van de verzameling mag niet zo groot zijn dat de toestand van het aquatische milieu er significante gevolgen van ondervindt. Met het oog op de regeneratie van de algen en de preventie van bijvangsten moeten maatregelen worden genomen op het gebied van, onder meer, verzamelingstechnieken, minimumgrootte, leeftijd, reproductiecycli of de grootte van de resterende algen.

2.4.4.   Indien algen van een gedeeld of gemeenschappelijk verzamelingsgebied worden verzameld, moet uit bewijsstukken van de door de lidstaat in kwestie aangewezen betrokken autoriteit blijken dat de volledige verzameling aan deze verordening voldoet.

3.   Voorschriften voor aquacultuurdieren

Naast de in de artikelen 9, 10, 11 en 15 en, in voorkomend geval, afdeling 1 van dit deel opgenomen algemene productievoorschriften, zijn de in deze afdeling vastgestelde voorschriften van toepassing op de biologische productie van vis, schaaldieren, stekelhuidigen en weekdieren. Deze voorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op de productie van zoöplankton, microschelpdieren, microschaaldieren, rotiferen, wormen en andere als voer gebruikte waterdieren.

3.1.   Algemene voorschriften

3.1.1.   Omschakeling

Voor de volgende soorten aquacultuurvoorzieningen, inclusief de daarin levende aquacultuurdieren, gelden met betrekking tot de aquacultuurproductie-eenheden de volgende omschakelingsperioden:

a)

24 maanden voor voorzieningen die niet kunnen worden geleegd, gereinigd en ontsmet;

b)

twaalf maanden voor voorzieningen die zijn geleegd of stilgelegd;

c)

zes maanden voor voorzieningen die zijn geleegd, gereinigd en ontsmet;

d)

drie maanden voor in open water gelegen voorzieningen, onder meer voor de productie van tweekleppige weekdieren.

3.1.2.   Oorsprong van de aquacultuurdieren

3.1.2.1.   Met betrekking tot de oorsprong van de aquacultuurdieren gelden de volgende voorschriften:

a)

biologische aquacultuur moet gebaseerd zijn op de kweek van jonge dieren die afkomstig zijn van biologisch reproductiemateriaal en van biologische productie-eenheden;

b)

er moet gebruik worden gemaakt van plaatselijk gekweekte soorten en de reproductie moet erop gericht zijn stammen te produceren die beter zijn aangepast aan de productieomstandigheden, waarbij de gezondheid en het welzijn van de dieren worden verzekerd en de voedselbronnen goed worden benut. De bewijsstukken met betrekking tot de oorsprong en de behandeling van de dieren moeten ter beschikking van de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de controleautoriteit of het controleorgaan worden gehouden;

c)

er moeten soorten worden gekozen die robuust zijn en kunnen worden geproduceerd zonder significante schade aan wilde bestanden toe te brengen;

d)

in het wild gevangen of niet-biologische aquacultuurdieren mogen voor reproductiedoeleinden alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen in een bedrijf worden binnengebracht, met name wanneer er geen biologische soort beschikbaar is of wanneer, met het oog op de verbetering van de geschiktheid van het genetische materiaal, nieuw genetisch materiaal voor reproductiedoeleinden in de productie-eenheid wordt binnengebracht na goedkeuring van de bevoegde autoriteit. Deze dieren moeten ten minste drie maanden volgens de biologische methode worden gehouden alvorens zij voor reproductiedoeleinden mogen worden gebruikt. Voor dieren die op de rode IUCN-lijst van bedreigde soorten staan, mag de toelating om in het wild gevangen exemplaren te gebruiken alleen worden toegekend in het kader van door de ter zake bevoegde overheidsinstantie erkende instandhoudingsprogramma’s;

e)

het verzamelen van wilde aquacultuurjuvenielen voor opkweekdoeleinden moet specifiek worden beperkt tot de volgende gevallen:

i)

de natuurlijke instroom van larven en juvenielen van vissen of schaaldieren bij het vullen van vijvers, inperkingssystemen en omsloten ruimten;

ii)

het uitzetten van wilde juvenielen of larven van schaaldieren van soorten die niet op de rode IUCN-lijst van bedreigde soorten staan in extensieve aquacultuurteelt in waterrijke gebieden zoals ingedamde en ingedijkte brakwatervijvers, getijdengebieden en kustlagunes, mits:

het uitzetten in overeenstemming is met de beheersmaatregelen die de betrokken autoriteiten hebben goedgekeurd teneinde de duurzame exploitatie van de betrokken soort te garanderen, en

de dieren uitsluitend worden gevoederd met voeder dat natuurlijk in het milieu voorkomt.

voor opkweekdoeleinden mag een lidstaat in afwijking van punt a) toestaan dat in een biologische productie-eenheid gebruik wordt gemaakt van maximaal 50 % niet-biologische juvenielen van soorten die niet biologisch werden ontwikkeld in de Unie vóór 1 januari 2021, mits ten minste het laatste tweederde deel van de productiecyclus volgens de biologische methode wordt beheerd. Deze afwijking kan worden toegekend voor maximaal twee jaar en is niet hernieuwbaar.

Voor aquacultuurbedrijven buiten de Unie mag een dergelijke afwijking alleen worden toegekend door overeenkomstig artikel 46, lid 1, erkende controleautoriteiten of controleorganen voor soorten die niet biologisch werden ontwikkeld op het grondgebied van het land waar het bedrijf zich bevindt, noch in de Unie. Deze afwijking kan worden toegekend voor maximaal twee jaar en is niet hernieuwbaar.

3.1.2.2.   Met betrekking tot de reproductie gelden de volgende voorschriften:

a)

het gebruik van hormonen en hormoonderivaten is verboden;

b)

er mag geen gebruik worden gemaakt van de kunstmatige productie van stammen met uitsluitend exemplaren van hetzelfde geslacht, tenzij door handmatige selectie, noch van polyploïdie-inductie, kunstmatige hybridisatie en klonen;

c)

er moeten passende stammen worden gekozen.

3.1.3.   Voeding

3.1.3.1.   Met betrekking tot het diervoeder voor vis, schaaldieren, schelpdieren en stekelhuidigen gelden de volgende voorschriften:

a)

de dieren moeten worden gevoederd met diervoeder dat voldoet aan de voedingsbehoeften van het dier in de verschillende stadia van zijn ontwikkeling;

b)

de voederpatronen moeten worden samengesteld in het licht van de volgende prioriteiten:

i)

diergezondheid en dierenwelzijn;

ii)

hoge productkwaliteit, onder meer op het gebied van de nutritionele samenstelling van het product, die de hoge kwaliteit van het eetbare eindproduct moet garanderen;

iii)

geringe impact op het milieu;

c)

de plantaardige fractie van het diervoeder moet biologisch zijn en de fractie afkomstig van aquatische dieren moet afkomstig zijn uit de biologische aquacultuur of uit visserij die als duurzaam is gecertificeerd krachtens een regeling die door de bevoegde autoriteit is erkend overeenkomstig de beginselen van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

d)

van planten, algen, dieren of gist afkomstige niet-biologische voedermiddelen, voedermiddelen van minerale of microbiële oorsprong, diervoederadditieven en technische hulpstoffen mogen alleen worden gebruikt indien het gebruik ervan in de biologische productie krachtens deze verordening is toegestaan;

e)

er mogen geen groeibevorderaars of synthetische aminozuren worden gebruikt.

3.1.3.2.   Met betrekking tot tweekleppige weekdieren en andere soorten die niet door de mens worden gevoed maar van natuurlijk plankton leven, gelden de volgende voorschriften:

a)

plaatkieuwigen moeten alle voeding die zij nodig hebben, uit de natuur halen tenzij het gaat om juvenielen in broed- en kweekkamers;

b)

de gebieden waar zij groeien, moeten geschikt zijn uit gezondheidsoogpunt en zich in zeer goede ecologische toestand bevinden volgens de definitie van Richtlijn 2000/60/EG of in goede milieutoestand volgens de definitie van Richtlijn 2008/56/EG, of van een kwaliteit zijn die gelijk is aan die van:

de productiegebieden van klasse A krachtens Verordening (EG) nr. 854/2004, tot en met 13 december 2019, of

de overeenkomstige indelingsgebieden als omschreven in de uitvoeringshandelingen die de Commissie heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 18, lid 8, van Verordening (EU) 2017/625, met ingang van 14 december 2019.

3.1.3.3.   Specifieke voorschriften inzake voeder voor carnivore aquacultuurdieren

Het voeder voor carnivore aquacultuurdieren dient prioritair te bestaan uit:

a)

biologische diervoeders van oorsprong uit de aquacultuur;

b)

vismeel en visolie van uit de biologische aquacultuur afkomstige snijresten van vissen, schaaldieren, schelpdieren of weekdieren;

c)

vismeel, visolie en voedermateriaal, afkomstig van snijresten van vissen, schaaldieren, schelpdieren of weekdieren die in het kader van duurzame visserij reeds voor menselijke consumptie zijn gevangen;

d)

vismeel, visolie en voedermateriaal, afkomstig van volledige vissen, schaaldieren, schelpdieren of weekdieren die in het kader van duurzame visserij zijn gevangen en niet voor menselijke consumptie worden gebruikt;

e)

biologische voedermiddelen van plantaardige of dierlijke oorsprong; het plantaardige materiaal mag niet meer dan 60 % van het totaal van de ingrediënten uitmaken.

3.1.3.4.   Specifieke voorschriften inzake voeder voor bepaalde aquacultuurdieren

In de opkweekfase gelden met betrekking tot het voeder voor vis in binnenwateren, peneïdegarnalen, zoetwatergarnalen en tropische zoetwatervis de volgende voorschriften:

a)

het voeder moet van nature beschikbaar zijn in vijvers en meren;

b)

bij gebrek aan voldoende onder a) bedoeld natuurlijk voeder mag gebruik worden gemaakt van bij voorkeur in het bedrijf zelf gekweekt biologisch voeder van plantaardige oorsprong of van algen. De exploitanten moeten bewijsstukken bewaren waarin de noodzaak van bijvoederen wordt aangetoond;

c)

indien het natuurlijke voeder overeenkomstig punt b) wordt aangevuld:

i)

mag het voederrantsoen van peneïdegarnalen en zoetwatergarnalen (Macrobrachium spp.) maximaal uit 25 % vismeel of visolie afkomstig van duurzame visserij bestaan;

ii)

mag het voederrantsoen van pangasius (Pangasius spp.) maximaal uit 10 % vismeel of visolie afkomstig van duurzame visserij bestaan.

3.1.4.   Gezondheid

3.1.4.1.   Ziektepreventie

Met betrekking tot ziektepreventie gelden de volgende voorschriften:

a)

ziektepreventie moet gebaseerd zijn op optimale houderijomstandigheden door te zorgen voor een passende locatie waar wordt tegemoetgekomen aan onder meer de soortspecifieke behoeften op het gebied van goede waterkwaliteit, waterdoorstroming en wateruitwisseling, en door te zorgen voor een optimaal bedrijfsontwerp, voor de toepassing van goede houderij- en beheerspraktijken, waaronder het regelmatig reinigen en ontsmetten van gebouwen en terreinen, voor hoogwaardig voeder, voor een passende bezettingsdichtheid en voor een adequate selectie van rassen en stammen;

b)

het gebruik van immunologische diergeneesmiddelen is toegestaan;

c)

een plan inzake diergezondheidsbeheer moet gedetailleerde gegevens over bioveiligheid en ziektepreventiepraktijken bevatten, inclusief een schriftelijk akkoord dat rekening zal worden gehouden met in verhouding tot de productie-eenheid staand advies van op het gebied van de gezondheid van aquacultuurdieren gekwalificeerde diensten die het bedrijf ten minste eens per jaar of, in het geval van tweekleppige schaal- en schelpdieren, ten minste eens om de twee jaar bezoeken;

d)

zowel de houderijsystemen als het materiaal en het gereedschap moeten goed worden gereinigd en ontsmet;

e)

biologische aangroeiorganismen mogen slechts fysiek of met de hand worden verwijderd en moeten, waar passend, op enige afstand van het bedrijf weer in zee worden gezet;

f)

voor de reiniging en ontsmetting van voorzieningen en materiaal mag enkel gebruik worden gemaakt van producten die krachtens artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;

g)

met betrekking tot het stilleggen van bedrijven gelden de volgende voorschriften:

i)

de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de controleautoriteit of het controleorgaan moet vaststellen of stillegging noodzakelijk is, hoelang deze na elke productiecyclus in in open water op zee gelegen inperkingssystemen moet worden toegepast en hoe deze moet worden gedocumenteerd;

ii)

deze praktijk is niet verplicht voor de kweek van tweekleppige weekdieren;

iii)

de kooien en andere voor de productie van aquacultuurdieren gebruikte structuren mogen pas weer in gebruik worden genomen nadat deze tijdens de stillegging zijn leeggemaakt, ontsmet en enige tijd leeg hebben gestaan;

h)

niet-opgegeten visvoeder, faeces en dode dieren moeten in voorkomend geval zo snel mogelijk worden verwijderd om enig risico van significante milieuschade aan de kwaliteit van de watertoestand te vermijden, het risico van ziektes tot een minimum te beperken en het aantrekken van insecten of knaagdieren te voorkomen;

i)

het gebruik van ultraviolet licht en ozon is slechts toegestaan in broed- en kweekkamers;

j)

voor de biologische beheersing van ectoparasieten moet bij voorkeur gebruik worden gemaakt van poetsvissen en van zoetwater, zeewater en natriumchlorideoplossingen.

3.1.4.2.   Diergeneeskundige behandelingen

Met betrekking tot diergeneeskundige behandelingen gelden de volgende voorschriften:

a)

ziekten worden onmiddellijk behandeld om het dier lijden te besparen; zo nodig mogen, onder strikte voorwaarden en onder verantwoordelijkheid van een dierenarts, chemisch gesynthetiseerde allopathische diergeneesmiddelen, waaronder antibiotica, worden gebruikt als het niet adequaat is fytotherapeutische, homeopathische en andere middelen te gebruiken. In voorkomend geval moeten beperkingen met betrekking tot behandelingskuren en wachttijden worden vastgesteld;

b)

op basis van de Uniewetgeving opgelegde behandelingen in verband met de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid zijn toegelaten;

c)

wanneer zich ondanks de in punt 3.1.4.1 bedoelde preventieve maatregelen ter waarborging van de gezondheid van de dieren toch een gezondheidsprobleem voordoet, mogen in de onderstaande volgorde van voorkeur de volgende diergeneeskundige behandelingen worden gebruikt:

i)

van planten, dieren of mineralen afkomstige stoffen in een homeopathische verdunning;

ii)

planten zonder verdovend effect, alsmede de extracten daarvan, en

iii)

stoffen zoals spoorelementen, metalen, natuurlijke immunostimulanten en toegestane probiotica;

d)

er mogen niet meer dan twee allopathische behandelingskuren per jaar worden toegediend, behalve wanneer het vaccins en behandelingen in het kader van verplichte uitroeiingsregelingen betreft. Voor productiecycli van minder dan een jaar geldt evenwel een maximum van één allopathische behandeling. Indien de opgegeven beperkingen voor allopathische behandelingen worden overschreden, mogen de betrokken aquacultuurdieren niet als biologische producten worden vermarkt;

e)

het gebruik van andere parasietenbehandelingen dan verplichte, door de lidstaten uitgevoerde bestrijdingsregelingen, moet worden beperkt tot twee per jaar, of één per jaar wanneer de productiecyclus korter is dan 18 maanden;

f)

de wachttijd voor allopathische diergeneeskundige behandelingen en parasietenbehandelingen overeenkomstig punt d), inclusief behandelingen in het kader van verplichte bestrijdings- en uitroeiingsregelingen, bedraagt het dubbele van de in artikel 11 van Richtlijn 2001/82/EG aangegeven wachttijd of, wanneer deze periode niet is bepaald, 48 uur;

g)

indien diergeneesmiddelen worden gebruikt, dient dit bij de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de controleautoriteit of het controleorgaan te worden aangemeld vooraleer de dieren als biologische producten worden vermarkt. Behandelde bestanden moeten duidelijk identificeerbaar zijn.

3.1.5.   Huisvesting en houderijpraktijken

3.1.5.1.   Gesloten recirculatievoorzieningen voor de dierlijke aquacultuurproductie zijn verboden, behalve voor broedkamers, kweekkamers en voorzieningen voor de productie van soorten die worden gebruikt als biologische voedingsorganismen.

3.1.5.2.   Kunstmatige verwarming of koeling van het water is slechts toegestaan in broed- en kweekkamers. In alle productiefasen mag gebruik worden gemaakt van natuurlijk putwater voor het verwarmen of koelen van het water.

3.1.5.3.   De houderijomgeving van de aquacultuurdieren moet zo zijn ontworpen dat de aquacultuurdieren overeenkomstig hun soortspecifieke behoeften:

a)

voldoende ruimte hebben om zich goed te voelen, waarbij de relevante in de in artikel 15, lid 3, bedoelde uitvoeringshandelingen vastgelegde bezettingsdichtheid in acht moet worden genomen;

b)

worden gehouden in water van een goede kwaliteit met onder meer een adequaat doorstromings- en uitwisselingsniveau, een toereikend zuurstofniveau en een lage concentratie aan metabolieten;

c)

worden gehouden bij een temperatuur en een lichtintensiteit die, tevens rekening houdend met de geografische locatie, overeenstemmen met de vereisten van de soort.

Bij het beoordelen van de effecten van de bezettingsdichtheid op het welzijn van de geproduceerde vis moeten zowel de toestand van de vis (zoals schade aan de vinnen, andere verwondingen, groeitempo, vertoond gedrag en algemene gezondheid) als de waterkwaliteit worden gemonitord en in aanmerking worden genomen.

In geval van zoetwatervissen moet het bodemtype zo veel mogelijk lijken op dat in hun natuurlijke omgeving.

Voor karpers en verwante soorten:

moet de bodem uit natuurlijke aarde bestaan,

mag voor de biologische en minerale meststofgift in vijvers en meren alleen gebruik worden gemaakt van meststoffen en bodemverbeteraars die overeenkomstig artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten, met inachtneming van een maximum van 20 kg stikstof/ha,

zijn behandelingen met synthetische chemicaliën voor het bestrijden van in de productiewateren voorkomende waterplanten en andere vegetatie verboden.

3.1.5.4.   De aquatische inperkingssystemen moeten zijn ontworpen en gebouwd met het oog op stromingsniveaus en fysisch-chemische parameters die borg staan voor de gezondheid en het welzijn van de dieren en zijn afgestemd op hun ethologische behoeften.

De specifieke kenmerken van de productiesystemen en inperkingssystemen voor soorten of groepen soorten als vervat in de in artikel 15, lid 3, bedoelde uitvoeringshandelingen, moeten in acht worden genomen.

3.1.5.5.   Kweekeenheden op het land moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

doorstroomsystemen maken het mogelijk zowel het doorstromingsniveau als de kwaliteit van het in- en uitstromende water te monitoren en te controleren;

b)

op ten minste 10 % van het perimetergebied („land-water interface”) moet natuurlijke vegetatie voorkomen.

3.1.5.6.   Inperkingssystemen op zee moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij moeten zich bevinden op een locatie met de juiste waterdoorstroming, waterdiepte en uitwisseling tussen de verschillende waterlichamen om de impact op de zeebodem en het omgevende waterlichaam tot een minimum te beperken;

b)

zij moeten zijn uitgerust met kooien die qua ontwerp, constructie en onderhoud afgestemd zijn op de exploitatieomgeving.

3.1.5.7.   Het ontwerp, de locatie en de exploitatie van de inperkingssystemen moeten erop gericht zijn het risico van ontsnappingsincidenten tot een minimum te beperken.

3.1.5.8.   Indien vissen, schaaldieren of schelpdieren ontsnappen, moeten adequate maatregelen worden genomen om de impact op het plaatselijke ecosysteem te verminderen, onder meer door de dieren waar mogelijk weer te vangen. Hiervan moeten registers worden bijgehouden.

3.1.5.9.   Met betrekking tot de dierlijke aquacultuurproductie in visvijvers, vistanks of doorstroomsystemen („raceways”) moeten de bedrijven zijn uitgerust met natuurlijke filterbedden, bezinkingsvijvers, biologische filters of mechanische filters voor het verzamelen van resterende nutriënten, of moeten zij gebruikmaken van algen of dieren (tweekleppigen) die bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit van de effluenten. In voorkomend geval moeten de effluenten regelmatig worden gecontroleerd.

3.1.6.   Dierenwelzijn

3.1.6.1.   Alle personen die betrokken zijn bij het houden van aquacultuurdieren, moeten beschikken over de nodige basiskennis en -vaardigheden wat de gezondheid en de welzijnsbehoeften van de dieren betreft.

3.1.6.2.   De aquacultuurdieren moeten zo weinig mogelijk, met de grootst mogelijke zorg en de juiste apparatuur, en aan de hand van adequate protocollen worden behandeld om stress en fysieke schade als gevolg van de behandelingsprocessen te voorkomen. Het reproductiemateriaal moet op zodanige wijze worden behandeld — waar nodig onder anesthesie — dat fysieke beschadiging en stress tot een minimum worden beperkt. Groottesortering moet tot e