EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02020R1560-20201027

Consolidated text: Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1560 van de Commissie van 26 oktober 2020 tot wijziging van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 152/2009 tot vaststelling van analysemethoden voor de bepaling van bestanddelen van dierlijke oorsprong in het kader van de officiële controle van diervoeders (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/1560/2020-10-27

02020R1560 — NL — 27.10.2020 — 000.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1560 VAN DE COMMISSIE

van 26 oktober 2020

tot wijziging van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 152/2009 tot vaststelling van analysemethoden voor de bepaling van bestanddelen van dierlijke oorsprong in het kader van de officiële controle van diervoeders

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 357 van 27.10.2020, blz. 17)


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 203, 9.6.2021, blz.  17 (2020/1560)




▼B

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1560 VAN DE COMMISSIE

van 26 oktober 2020

tot wijziging van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 152/2009 tot vaststelling van analysemethoden voor de bepaling van bestanddelen van dierlijke oorsprong in het kader van de officiële controle van diervoeders

(Voor de EER relevante tekst)



Artikel 1

Bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 152/2009 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE

Bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 152/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1) 

Punt 2.1.1 wordt vervangen door:

Beginsel

De bestanddelen van dierlijke oorsprong die kunnen worden aangetroffen in voedermiddelen en mengvoeders die ter analyse worden aangeboden, worden geïdentificeerd op basis van typische microscopisch identificeerbare kenmerken zoals spierweefsel en andere vleesdeeltjes, kraakbeen, bot, hoorn, haar, bloed, melkdeeltjes, lactosekristallen, veren, eierschalen, visgraten en schubben.”.

2) 

Punt 2.1.2.1.3.2 wordt vervangen door:

“Glycerol (onverdund, viscositeit 1 490 cP) of een insluitmiddel met gelijkwaardige eigenschappen voor het maken van niet-permanente preparaten”.

3) 

Punt 2.1.2.2.2 wordt vervangen door:

“Verkleiningsapparatuur: mes of rotormolen. Bij gebruik van een rotormolen zijn mazen van ≤ 0,5 mm verboden.”.

4) 

Punt 2.1.2.2.3 wordt vervangen door:

“Zeven met vierkante mazen van 0,25 mm en 1 mm maaswijdte. Met uitzondering van bij het voorzeven van het monster mag de diameter van de zeven niet groter zijn dan 10 cm om verlies van materialen te voorkomen. IJking van de zeven is niet vereist.”.

5) 

In punt 2.1.2.2 worden de volgende punten toegevoegd:

“2.1.2.2.9. 

Laboratoriumoven

2.1.2.2.10. 

Centrifuge

2.1.2.2.11. 

Filterpapier: kwalitatieve cellulosefilter (poriëngrootte 4‐11 μm)”.

6) 

Punt 2.1.3.1 wordt vervangen door:

“Bemonstering

Er wordt uitgegaan van een representatief monster dat is genomen overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.”.

7) 

Punt 2.1.3.3.1 wordt vervangen door:

“Drogen: monsters met een hoger vochtgehalte dan 14 % worden vóór behandeling overeenkomstig bijlage III bij deze verordening gedroogd.”.

8) 

Punt 2.1.3.3.2 wordt vervangen door:

“Voorzeven: om informatie te verzamelen over mogelijke milieuverontreiniging van het diervoeder, wordt aanbevolen om diervoeder in pellets en pitten voor te zeven met 1 mm maaswijdte en beide fracties als afzonderlijke monsters voor te bereiden, te analyseren en er verslag van uit te brengen.”.

9) 

De laatste alinea van punt 2.1.3.3.4 wordt vervangen door:

“Het sediment wordt verzameld op een filtreerpapier dat in een trechter wordt geplaatst om het resterende tetrachlooretheen te scheiden terwijl vetafzetting in het sediment wordt vermeden. Het sediment wordt gedroogd. Vervolgens wordt aanbevolen het sediment (tot op 0,001 g nauwkeurig) te wegen om de sedimentatiestap te controleren. Ten slotte wordt het sediment met een maaswijdte van 0,25 mm gezeefd en worden de twee resulterende fracties onderzocht, tenzij zeven niet nodig wordt geacht.”.

10) 

De eerste zin van punt 2.1.4.1 wordt vervangen door:

“Er worden microscopische preparaten vervaardigd van het sediment en, naar keuze van de analist, van hetzij het flotaat hetzij het ruwe materiaal.”.

11) 

Punt 2.1.4.2, met inbegrip van de diagrammen 1 en 2, wordt vervangen door:

“Stroomschema voor microscopische detectie van deeltjes van dierlijke oorsprong in mengvoeders en voedermiddelen

De microscopische preparaten worden bekeken volgens de stroomschema’s in de diagrammen 1 en 2.

Het microscopisch onderzoek wordt uitgevoerd met de samengestelde microscoop op het sediment en, naar keuze van de analist, op hetzij het flotaat hetzij het ruwe materiaal. Voor de grove fracties kan behalve de samengestelde microscoop ook de stereomicroscoop worden gebruikt. Elk preparaat wordt in zijn geheel bij diverse vergrotingen onderzocht. Het gebruik van de stroomschema’s wordt gedetailleerd beschreven in de standaardwerkvoorschriften van het EURL‐AP, die te vinden zijn op de website van dat laboratorium.

Het minimumaantal preparaten dat in elke stap van het stroomschema moet worden onderzocht, moet strikt worden aangehouden, tenzij de fractie te klein is om het voorgeschreven aantal preparaten te maken, bijvoorbeeld wanneer geen sediment aanwezig is. Per bepaling worden maximaal zes preparaten gebruikt voor het bepalen van het aantal deeltjes.

Wanneer van het flotaat of het ruwe materiaal extra preparaten worden vervaardigd met specifiekere insluitmiddelen met kleurwerking, zoals bepaald in punt 2.1.2.1.4, voor de verdere karakterisering van structuren (bv. veren, haren, spieren of bloeddeeltjes) die zijn aangetroffen op met andere insluitmiddelen vervaardigde preparaten, zoals bepaald in punt 2.1.2.1.3, wordt het aantal deeltjes geteld op basis van niet meer dan zes preparaten per bepaling, met inbegrip van de extra preparaten met een specifieker insluitmiddel.

Om de aard en oorsprong van de deeltjes gemakkelijker te kunnen vaststellen, mag de analist gebruikmaken van hulpmiddelen als beslissingsondersteunende systemen, beeldbanken en referentiemonsters.

image Diagram 1
Stroomschema voor microscopische detectie van deeltjes van dierlijke oorsprong in mengvoeders en voedermiddelen voor de eerste bepaling.
(De diagrammen 1 en 2 hebben betrekking op de eerste en tweede bepaling; *: gewervelde landdieren, vissen)

image Diagram 2
Stroomschema voor microscopische detectie van deeltjes van dierlijke oorsprong in mengvoeders en voedermiddelen voor de tweede bepaling
(De diagrammen 1 en 2 hebben betrekking op de eerste en tweede bepaling; *: gewervelde landdieren, vissen)

12) 

Punt 2.1.4.3 wordt vervangen door:

“Aantal bepalingen

De bepalingen worden uitgevoerd op verschillende deelmonsters van elk 50 g.

Als in de eerste bepaling overeenkomstig het stroomschema van diagram 1 geen deeltjes van dierlijke oorsprong worden aangetoond, is geen verdere bepaling nodig en wordt het analyseresultaat uitgedrukt zoals aangegeven in punt 2.1.5.1.

Als in de eerste bepaling overeenkomstig het stroomschema van diagram 1 een of meer deeltjes van dierlijke oorsprong van een bepaald type (gewerveld landdier of vis) worden aangetoond, en het type van de aangetroffen deeltjes de aangegeven inhoud van het monster bevestigt, is een tweede bepaling niet nodig. Als het aantal deeltjes van dierlijke oorsprong van een bepaald type die in deze eerste bepalingen zijn aangetoond, groter is dan 5, wordt het analyseresultaat gerapporteerd per diercategorie en uitgedrukt zoals aangegeven in punt 2.1.5.3. Is dit niet het geval, dan wordt het analyseresultaat gerapporteerd per diercategorie en uitgedrukt zoals aangegeven in punt 2.1.5.2.

In andere gevallen, ook wanneer geen inhoudverklaring aan het laboratorium is verstrekt, wordt een tweede bepaling uitgevoerd met een nieuw deelmonster.

►C1  Als na de tweede bepaling overeenkomstig het stroomschema van diagram 2 het totale aantal deeltjes van dierlijke oorsprong van een bepaald type die in de twee bepalingen samen zijn aangetoond, groter is dan 10, wordt het analyseresultaat gerapporteerd per diercategorie en uitgedrukt zoals aangegeven in punt 2.1.5.3. ◄ Is dit niet het geval, dan wordt het analyseresultaat gerapporteerd per diercategorie en uitgedrukt zoals aangegeven in punt 2.1.5.2.”.

13) 

Punt 2.1.5 wordt vervangen door:

Weergave van de resultaten

Bij de rapportage van de resultaten geeft het laboratorium aan op welk materiaal de analyse is uitgevoerd (sediment, flotaat of ruw materiaal). Bij de rapportage moet duidelijk worden aangegeven hoeveel bepalingen zijn uitgevoerd en of het zeven van de fracties voorafgaand aan het voorbereiden van het preparaat, overeenkomstig de laatste alinea van punt 2.1.3.3.4, al dan niet is uitgevoerd.

Het laboratoriumverslag bevat ten minste informatie over de aanwezigheid van bestanddelen afkomstig van gewervelde landdieren en van vissen.

De verschillende situaties worden gerapporteerd zoals hieronder aangegeven.

2.1.5.1. 

Geen deeltjes van dierlijke oorsprong van een bepaald type aangetoond:

— 
“voor zover met een lichtmicroscoop kon worden waargenomen, zijn in het onderzochte monster geen deeltjes afkomstig van gewervelde landdieren aangetoond.”;
— 
“voor zover met een lichtmicroscoop kon worden waargenomen, zijn in het onderzochte monster geen deeltjes afkomstig van vissen aangetoond.”.
2.1.5.2. 

Minimaal 1 en maximaal 5 deeltjes van dierlijke oorsprong van een bepaald type aangetoond indien slechts één bepaling is uitgevoerd, of minimaal 1 en maximaal 10 deeltjes van dierlijke oorsprong van een bepaald type aangetoond in geval van twee bepalingen (het aantal aangetoonde deeltjes ligt onder de beslissingsgrens die is vastgesteld in de standaardwerkvoorschriften die door het EU-referentielaboratorium voor dierlijke eiwitten in diervoeders (EURL‐AP) zijn vastgesteld en te vinden zijn op de website van dat laboratorium ( 1 )):

indien slechts één bepaling is uitgevoerd:

— 
“voor zover met een lichtmicroscoop kon worden waargenomen, zijn in het onderzochte monster niet meer dan 5 deeltjes afkomstig van gewervelde landdieren aangetoond. De deeltjes werden geïdentificeerd als … [bot, kraakbeen, spier, haar, hoorn…]; Deze geringe aanwezigheid ligt onder de beslissingsgrens die voor deze microscopische methode is vastgesteld.”;
— 
“voor zover met een lichtmicroscoop kon worden waargenomen, zijn in het onderzochte monster niet meer dan 5 deeltjes afkomstig van vissen aangetoond. De deeltjes werden geïdentificeerd als … [graat, schub, kraakbeen, spier, otoliet, kieuw…]. Deze geringe aanwezigheid ligt onder de beslissingsgrens die voor deze microscopische methode is vastgesteld.”;

indien twee bepalingen zijn uitgevoerd:

— 
“voor zover met een lichtmicroscoop kon worden waargenomen, zijn in het onderzochte monster bij de twee bepalingen niet meer dan 10 deeltjes afkomstig van gewervelde landdieren aangetoond. De deeltjes werden geïdentificeerd als … [bot, kraakbeen, spier, haar, hoorn…]; Deze geringe aanwezigheid ligt onder de beslissingsgrens die voor deze microscopische methode is vastgesteld.”;
— 
“voor zover met een lichtmicroscoop kon worden waargenomen, zijn in het onderzochte monster bij de twee bepalingen niet meer dan 10 deeltjes afkomstig van vissen aangetoond. De deeltjes werden geïdentificeerd als … [graat, schub, kraakbeen, spier, otoliet, kieuw…]. Deze geringe aanwezigheid ligt onder de beslissingsgrens die voor deze microscopische methode is vastgesteld.”.

Bovendien:

— 
als het monster voorgezeefd is, wordt in het laboratoriumverslag vermeld in welke fractie (gezeefde fractie, pellets of pitten) de deeltjes van dierlijke oorsprong zijn aangetoond; worden alleen in de gezeefde fractie deeltjes van dierlijke oorsprong aangetoond, dan kan dat duiden op milieuverontreiniging;
— 
indien alleen dierlijk materiaal wordt aangetroffen dat niet als gewervelde landdieren of vissen kan worden ingedeeld (bv. spierweefsel), wordt in het verslag vermeld dat alleen dergelijke dierdeeltjes zijn aangetroffen en dat niet kan worden uitgesloten dat zij afkomstig zijn van gewervelde landdieren.
2.1.5.3. 

Meer dan 5 deeltjes van een bepaalde type aangetoond indien slechts één bepaling is uitgevoerd, of meer dan 10 deeltjes van een bepaald type aangetoond in het geval van twee bepalingen:

indien slechts één bepaling is uitgevoerd:

— 
“voor zover met een lichtmicroscoop kon worden waargenomen, zijn in het onderzochte monster meer dan 5 deeltjes afkomstig van gewervelde landdieren aangetoond. De deeltjes werden geïdentificeerd als … [bot, kraakbeen, spier, haar, hoorn…].”;
— 
“voor zover met een lichtmicroscoop kon worden waargenomen, zijn in het onderzochte monster meer dan 5 deeltjes afkomstig van vissen aangetoond. De deeltjes werden geïdentificeerd als … [graat, schub, kraakbeen, spier, otoliet, kieuw…].”;

indien twee bepalingen zijn uitgevoerd:

— 
“voor zover met een lichtmicroscoop kon worden waargenomen, zijn in het onderzochte monster bij de twee bepalingen meer dan 10 deeltjes afkomstig van gewervelde landdieren aangetoond. De deeltjes werden geïdentificeerd als … [bot, kraakbeen, spier, haar, hoorn…].”;
— 
“voor zover met een lichtmicroscoop kon worden waargenomen, zijn in het onderzochte monster bij de twee bepalingen meer dan 10 deeltjes afkomstig van vissen aangetoond. De deeltjes werden geïdentificeerd als … [graat, schub, kraakbeen, spier, otoliet, kieuw…].”.

Bovendien:

— 
als het monster voorgezeefd is, wordt in het laboratoriumverslag vermeld in welke fractie (gezeefde fractie, pellets of pitten) de deeltjes van dierlijke oorsprong zijn aangetoond; worden alleen in de gezeefde fractie deeltjes van dierlijke oorsprong aangetoond, dan kan dat duiden op milieuverontreiniging;
— 
indien alleen dierlijk materiaal wordt aangetroffen dat niet als gewervelde landdieren of vissen kan worden ingedeeld (bv. spierweefsel), wordt in het verslag vermeld dat alleen dergelijke dierdeeltjes zijn aangetroffen en dat niet kan worden uitgesloten dat zij afkomstig zijn van gewervelde landdieren.”.



( 1 ) http://eurl.craw.eu/

Top