ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

30 mei 2013 ( *1 )

„Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c — Europees aanhoudingsbevel en procedures van overlevering tussen lidstaten — Specialiteitsbeginsel — Verzoek om uitbreiding van Europees aanhoudingsbevel dat overlevering of verzoek om verdere overlevering aan andere lidstaat heeft gerechtvaardigd — Beslissing van rechterlijke instantie van lidstaat van uitvoering waarbij toestemming wordt gegeven — Opschortend beroep — Toelaatbaarheid”

In zaak C-168/13 PPU,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil constitutionnel (Frankrijk) bij beslissing van 4 april 2013, ingekomen bij het Hof op 9 april 2013, in de procedure

Jeremy F.

tegen

Premier ministre,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, G. Arestis, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev en J. L. da Cruz Vilaça, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: V. Tourrès, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 mei 2013,

gelet op de opmerkingen van:

F., vertegenwoordigd door C. Waquet, advocaat,

de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Belliard en B. Beaupère-Manokha en vertegenwoordigd door G. de Bergues als gemachtigden,

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Kemper en T. Henze als gemachtigden,

de Ierse regering, vertegenwoordigd door E. Regan als gemachtigde,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Schillemans als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Bogensberger en R. Troosters als gemachtigden,

de advocaat-generaal gehoord,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB L 81, blz. 24; hierna: „kaderbesluit”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een door de Cour de cassation (Frankrijk) gestelde prioritaire grondwettigheidsvraag naar aanleiding van een door F. ingestelde hogere voorziening tegen het arrest van 15 januari 2013 van de raadkamer van de Cour d’appel de Bordeaux (Frankrijk), waarbij een door de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk ingediend verzoek is toegewezen om uitbreiding van de overlevering, en wel wegens een strafbaar feit dat is gepleegd vóór zijn overlevering, niet zijnde het strafbare feit dat de reden is geweest voor het oorspronkelijk door de Crown Court at Maidstone (Verenigd Koninkrijk) tegen hem uitgevaardigde Europese aanhoudingsbevel.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3

Onder het opschrift „Recht op vrijheid en veiligheid” bepaalt artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”):

„1.   Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:

[...]

f.

in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.

2.   Eenieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht.

[...]

4.   Eenieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat [dit] spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.

[...]”

4

In artikel 13 EVRM, „Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”, wordt bepaald:

„Eenieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.”

Unierecht

5

Zoals blijkt uit de informatie over de verklaringen van de Franse Republiek en de Republiek Hongarije over hun aanvaarding van de bevoegdheid van het Hof van Justitie tot het doen van een prejudiciële uitspraak over de besluiten als bedoeld in artikel 35 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, welke informatie op 14 december 2005 is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB L 327, blz. 19), heeft de Franse Republiek uit hoofde van artikel 35, lid 2, EU verklaard de bevoegdheid van het Hof van Justitie overeenkomstig de bepalingen van artikel 35, lid 3, sub b, EU te aanvaarden.

6

Volgens artikel 9 van het aan het VWEU gehechte protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen blijven de rechtsgevolgen van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie die op basis van het EU-Verdrag zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, gehandhaafd zolang deze handelingen niet krachtens de Verdragen zijn ingetrokken, nietig verklaard of gewijzigd. Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van datzelfde protocol blijven de bevoegdheden van het Hof uit hoofde van titel VI van het EU-Verdrag in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon ongewijzigd met betrekking tot de handelingen van de Unie die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn vastgesteld, ook wanneer zij uit hoofde van artikel 35, lid 2, EU zijn aanvaard.

7

De punten 5, 7, 8, 10 en 12 van de considerans van het kaderbesluit luiden als volgt:

„(5)

De opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

[...]

(7)

Daar de beoogde vervanging van het multilaterale uitleveringsstelsel, gebaseerd op het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 niet voldoende door de lidstaten op unilaterale wijze kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de dimensie en effecten ervan beter op het niveau van de Unie haar beslag kan krijgen, kan de Raad overeenkomstig het in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit kaderbesluit niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(8)

Beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mogen pas worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.

[...]

(10)

De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. De toepassing ervan kan slechts worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde beginselen, welke schending door de Raad is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, van dat Verdrag.

[...]

(12)

Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [hierna: ‚Handvest’], met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit verhindert dat de tenuitvoerlegging van een beslissing kan worden geweigerd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat de geldelijke sanctie is opgelegd met het oog op vervolging of bestraffing van die persoon op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid of dat de positie van die persoon kan worden aangetast om een van deze redenen.

Dit kaderbesluit laat de toepassing door de lidstaten van hun grondwettelijke bepalingen betreffende het recht op een eerlijke rechtsgang, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting in andere media onverlet.”

8

Artikel 1 van het kaderbesluit bepaalt:

„1.   Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.   De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3.   Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.”

9

De artikelen 3, 4, 4 bis, 5, 8 en 9 van het kaderbesluit regelen respectievelijk de gronden tot verplichte en facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, de garanties die de beslissingsstaat in gevallen waarin de betrokkene niet in persoon is verschenen alsook in andere bijzondere gevallen moet verstrekken, en de inhoud, vorm en toezending van het Europees aanhoudingsbevel. Artikel 6 van het kaderbesluit geeft aan welke rechterlijke autoriteiten bevoegd zijn voor de uitvaardiging en tenuitvoerlegging van dit bevel.

10

Artikel 13 van het kaderbesluit, met het opschrift „Instemming met overlevering”, bepaalt in de leden 1 en 4 ervan:

„1.   Indien de aangehouden persoon te kennen geeft dat hij instemt met zijn overlevering, wordt die instemming en, in voorkomend geval, de uitdrukkelijke afstand van de bescherming van het in artikel 27, lid 2, omschreven specialiteitsbeginsel gegeven ten overstaan van de uitvoerende rechterlijke autoriteit overeenkomstig het nationaal recht van de uitvoerende lidstaat.

[...]

4.   De instemming kan in beginsel niet worden herroepen. Elke lidstaat kan bepalen dat de instemming en, in voorkomend geval, de afstand overeenkomstig de toepasselijke regels van zijn nationaal recht kan worden herroepen. In dat geval wordt het tijdvak tussen de datum van instemming en de datum van afstand niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de in artikel 17 gestelde termijnen. Een lidstaat die gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid stelt het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie hiervan in kennis bij de aanneming van dit kaderbesluit en vermeldt de nadere regels volgens welke herroeping van de instemming mogelijk is, alsook iedere wijziging.”

11

Artikel 15 van het kaderbesluit, met het opschrift „Beslissing over de overlevering”, is als volgt verwoord:

„1.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist, binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld, over de overlevering van de betrokkene.

2.   Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat de door de uitvaardigende lidstaat meegedeelde gegevens onvoldoende zijn om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering, verzoekt zij dringend om aanvullende gegevens, met name in verband met de artikelen 3 tot en met 5 en artikel 8 en kan zij een uiterste datum voor de ontvangst ervan vaststellen, rekening houdend met de noodzaak de in artikel 17 gestelde termijn in acht te nemen.

3.   De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan te allen tijde alle aanvullende dienstige inlichtingen aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit toezenden.”

12

Artikel 17 van het kaderbesluit, met het opschrift „Termijnen en modaliteiten van de beslissing”, bepaalt:

„1.   Europese aanhoudingsbevelen worden met spoed behandeld en ten uitvoer gelegd.

2.   Indien de gezochte persoon met zijn overlevering instemt, zou de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen tien dagen na deze instemming moeten worden genomen.

3.   In de andere gevallen zou de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen 60 dagen na de aanhouding van de gezochte persoon moeten worden genomen.

4.   Indien het Europees aanhoudingsbevel in specifieke gevallen niet binnen de in de leden 2 en 3 bepaalde termijnen ten uitvoer kan worden gelegd, stelt de uitvoerende rechterlijke autoriteit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en met opgave van redenen. In dat geval kunnen de termijnen met 30 dagen worden verlengd.

5.   Zolang de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat geen definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft genomen, verzekert zij zich ervan dat de materiële voorwaarden voor daadwerkelijke overlevering gehandhaafd blijven.

6.   Elke weigering om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen wordt met redenen omkleed.

7.   Wanneer een lidstaat in uitzonderlijke omstandigheden de in dit artikel gestelde termijnen niet kan naleven, stelt hij Eurojust daarvan in kennis, samen met de redenen voor de vertraging. Daarenboven stelt een lidstaat waarvan de Europese aanhoudingsbevelen bij herhaling door een andere lidstaat te laat ten uitvoer zijn gelegd, de Raad daarvan in kennis met het oog op een beoordeling van de uitvoering door de lidstaten van dit kaderbesluit.”

13

Artikel 20 van het kaderbesluit, met het opschrift „Voorrechten en immuniteiten”, bepaalt in lid 1 ervan:

„Indien de gezochte persoon in de uitvoerende staat een voorrecht of immuniteit ter zake van tenuitvoerlegging of rechtsmacht geniet, beginnen de in artikel 17 bedoelde termijnen slechts te lopen indien en vanaf de datum waarop de uitvoerende rechterlijke autoriteit ervan in kennis is gesteld dat dit voorrecht of deze immuniteit is opgeheven.

Indien de persoon geen immuniteit ter zake van tenuitvoerlegging of rechtspraak [meer] geniet, vergewist de uitvoerende staat zich ervan dat de materiële voorwaarden die voor een daadwerkelijke overlevering nodig zijn, vervuld blijven.”

14

Artikel 21 van het kaderbesluit, met het opschrift „Samenloop van internationale verplichtingen”, luidt:

„Dit kaderbesluit laat de verplichtingen van de uitvoerende lidstaat onverlet, indien de gezochte persoon aan die lidstaat is uitgeleverd door een derde staat die geen lid is van de Europese Unie en de gezochte persoon de bescherming geniet van de specialiteitsbepalingen van het instrument op grond waarvan hij is uitgeleverd. De uitvoerende lidstaat neemt alle nodige maatregelen om onverwijld om de toestemming te verzoeken van de staat die de gezochte persoon heeft uitgeleverd, met het oog op diens overlevering aan de uitvaardigende lidstaat. De in artikel 17 gestelde termijnen beginnen pas te lopen vanaf de datum waarop bescherming van het specialiteitsbeginsel niet langer geldt. In afwachting van de beslissing van de staat die de gezochte persoon heeft uitgeleverd, vergewist de uitvoerende lidstaat zich ervan dat de materiële voorwaarden die voor een daadwerkelijke overlevering nodig zijn, gehandhaafd blijven.”

15

Artikel 27 van het kaderbesluit, met het opschrift „Eventuele vervolging wegens andere strafbare feiten”, is als volgt verwoord:

„1.   Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie ervan in kennis stellen dat, in zijn betrekking met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toestemming geacht kan worden te zijn gegeven voor de vervolging, berechting of detentie met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, van de persoon wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders heeft beschikt.

2.   Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.

3.   Lid 2 is niet van toepassing in gevallen waarin:

[...]

g)

de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de gezochte persoon overgeleverd heeft, overeenkomstig lid 4 daartoe toestemming geeft.

4.   Een verzoek tot toestemming wordt bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend, bevat de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en gaat vergezeld van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2. De toestemming wordt verleend indien het strafbaar feit waarvoor zij wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt. Toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd. De beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen.

Voor de in artikel 5 bedoelde situaties dient de uitvaardigende lidstaat de daarin bedoelde garanties te geven.”

16

Artikel 28 van het kaderbesluit, „Verdere overlevering of uitlevering”, luidt:

„1.   Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad ervan in kennis stellen dat in zijn betrekkingen met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht de toestemming voor de overlevering aan een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens enig vóór de overlevering begaan feit geacht wordt te zijn gegeven, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders beschikt.

2.   Een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel aan de uitvaardigende lidstaat is overgeleverd kan hoe dan ook, zonder toestemming van de uitvoerende lidstaat, in de volgende gevallen aan een andere lidstaat dan de uitvoerende staat worden overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens enig vóór de overlevering gepleegd feit:

[...]

c)

indien de gezochte persoon, overeenkomstig artikel 27, lid 3, sub a, e, f en g, niet de bescherming van het specialiteitsbeginsel geniet.

3.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit stemt overeenkomstig de volgende regels toe in de overlevering aan een andere lidstaat:

a)

het verzoek tot toestemming wordt ingediend overeenkomstig artikel 9, vergezeld van de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2;

b)

de toestemming wordt gegeven indien het strafbaar feit waarvoor zij verzocht wordt op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt;

c)

de beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen;

d)

de toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd.

Voor de in artikel 5 bedoelde situaties moet de uitvaardigende lidstaat de daarin bedoelde garanties geven.

[...]”

17

Artikel 31 van het kaderbesluit, met het opschrift „Verhouding tot andere rechtsinstrumenten”, bepaalt in de tweede en derde alinea van lid 2 ervan:

„De lidstaten kunnen [na] de inwerkingtreding van dit kaderbesluit bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen sluiten voor zover deze verder reiken dan de voorschriften van het kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor de overlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd verdergaand te vereenvoudigen of te vergemakkelijken, met name door de vaststelling van kortere dan de in artikel 17 gestelde termijnen, door uitbreiding van de in artikel 2, lid 2, vastgelegde lijst van strafbare feiten, door verdere beperking van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde weigeringsgronden, of door verlaging van de in artikel 2, lid 1 of lid 2, bepaalde drempel.

De in de tweede alinea bedoelde overeenkomsten laten in ieder geval de betrekkingen met de lidstaten die daarbij geen partij zijn, onverlet.”

Frans recht

18

Artikel 695-46 van de code de procédure pénale (Frans wetboek van strafvordering), zoals gewijzigd bij wet nr. 2009-526 van 12 mei 2009 inzake vereenvoudiging en verduidelijking van het recht en verhoging van de efficiency van procedures (JORF van 13 mei 2009, blz. 7920), heeft tot doel de artikelen 27 en 28 van het kaderbesluit in Frans recht om te zetten. Voornoemd artikel 695-46 luidt als volgt:

„De raadkamer waarvoor de gezochte persoon is verschenen beslist over elk verzoek van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat om toestemming te verlenen voor strafvervolging dan wel uitvoering van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wegens andere strafbare feiten dan die welke de reden zijn geweest tot de overlevering en die vóór laatstgenoemde feiten zijn gepleegd.

De raadkamer is ook bevoegd om, na de overlevering van de gezochte persoon, te beslissen over elk verzoek van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat om toestemming te verlenen voor overlevering van de gezochte persoon aan een andere lidstaat met het oog op de uitvoering van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat wat de reden tot de overlevering is geweest.

In beide gevallen wordt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat ook een proces-verbaal overgelegd waarin de verklaringen zijn vastgelegd van de overgeleverde persoon. Dit proces-verbaal wordt voorgelegd aan de raadkamer. Deze verklaringen kunnen, in voorkomend geval, worden aangevuld met opmerkingen door een advocaat van zijn keuze of, bij gebreke daarvan, ambtshalve, met opmerkingen door de deken van de orde van advocaten.

De raadkamer doet uitspraak na zich ervan te hebben vergewist dat het verzoek ook de inlichtingen als bedoeld in artikel 695-13 omvat en, in voorkomend geval, binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek, garanties te hebben verkregen met het oog op de bepalingen van artikel 695-32. De uitspraak is niet vatbaar voor hoger beroep.

De toestemming wordt verleend wanneer het feit waarvoor zij is gevraagd een van de strafbare feiten vormt als bedoeld in artikel 695-23, en binnen de werkingssfeer valt van artikel 695-12.

De toestemming wordt geweigerd om een van de redenen die worden genoemd in de artikelen 695-22 en 695-23 en kan worden geweigerd om een van de redenen die worden genoemd in artikel 695-24.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

19

Op 25 september 2012, heeft de Crown Court at Maidstone een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen verzoeker in het hoofdgeding, staatsburger van het Verenigd Koninkrijk, in het kader van de strafvervolging die is ingesteld tegen laatstgenoemde wegens in deze lidstaat gepleegde feiten die naar Engels recht kunnen worden gekwalificeerd als kinderontvoering, waarop een gevangenisstraf van maximaal zeven jaar is gesteld.

20

Na op 28 september 2012 in Frankrijk te zijn aangehouden heeft verzoeker in het hoofdgeding op diezelfde dag tegenover de procureur-generaal bij de Cour d’appel de Bordeaux uitdrukkelijk verklaard dat hij instemde met zijn overlevering aan de rechterlijke autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, zonder evenwel af te zien van toepassing van het specialiteitsbeginsel. Verzoeker heeft deze verklaring, bijgestaan door een tolk en in aanwezigheid van zijn advocaat, herhaald ter zitting van de raadkamer van de Cour d’appel de Bordeaux.

21

Bij arrest van 4 oktober 2012 heeft de raadkamer van de Cour d’appel de Bordeaux de overlevering gelast van verzoeker in het hoofdgeding aan die rechterlijke autoriteiten met het oog op de bovengenoemde strafvervolging. Verzoeker is op 10 oktober 2012 overgeleverd en zit sindsdien gevangen in het Verenigd Koninkrijk.

22

Op 22 oktober 2012 heeft de procureur-generaal bij de Cour d’appel de Bordeaux van de rechterlijke autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk een verzoek ontvangen teneinde de toestemming te verkrijgen van de raadkamer van die rechterlijke instantie met het oog op de strafvervolging van verzoeker in het hoofdgeding wegens feiten die zijn begaan in het Verenigd Koninkrijk vóór zijn overlevering en die een ander strafbaar feit kunnen opleveren dan dat wat de reden is geweest voor die overlevering.

23

Volgens deze autoriteiten heeft het meisje dat zou zijn ontvoerd bij terugkeer verklaard in de periode van 1 juli tot en met 20 september 2012 diverse malen geslachtsgemeenschap met verzoeker in het hoofdgeding te hebben gehad. Aangezien deze feiten naar Engels recht kunnen worden gekwalificeerd als het verrichten van seksuele handelingen met een kind van onder de zestien jaar, op welk misdrijf een gevangenisstraf is gesteld van maximaal veertien jaar, hebben voornoemde rechterlijke autoriteiten derhalve besloten verzoeker in het hoofdgeding daarvoor strafrechtelijk te vervolgen.

24

Het verzoek van de rechterlijke autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk werd gedaan op 16 november 2012 door middel van een Europees aanhoudingsbevel betreffende de misdrijven die hebben geleid tot de nieuwe strafvervolging.

25

Na de zitting van 18 december 2012 heeft de raadkamer van de Cour d’appel de Bordeaux bij arrest van 15 januari 2013 besloten tot toewijzing van het verzoek om uitbreiding van de overlevering met het oog op de nieuwe strafvervolging tegen verzoeker in het hoofdgeding voor het tijdens bovengenoemde periode verrichten van seksuele handelingen met een kind van onder de zestien jaar.

26

Aangezien verzoeker in het hoofdgeding bij de Cour de cassation hogere voorziening heeft ingesteld tegen voornoemd arrest van 15 januari 2013, heeft de Cour de cassation aan de Conseil constitutionnel een prioritaire grondwettigheidsvraag gesteld betreffende artikel 695-46 van de code de procédure pénale, dat met name betrekking heeft op het beginsel van gelijkheid voor de rechter en het recht op een effectief beroep in rechte.

27

De Conseil constitutionnel heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten de artikelen 27 en 28 van [het] kaderbesluit [...] aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de lidstaten voorzien in een beroepsmogelijkheid waarbij de uitvoering wordt opgeschort van de beslissing van de rechterlijke autoriteit die uitspraak doet binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek, hetzij om haar toestemming te geven voor het vervolgen, veroordelen of in hechtenis houden van een persoon met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, wegens een strafbaar feit dat is gepleegd vóór zijn overlevering krachtens een Europees aanhoudingsbevel, niet zijnde het strafbare feit waarvoor zijn overlevering is gevraagd, hetzij om een persoon krachtens een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens een vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit, over te leveren aan een andere lidstaat dan de lidstaat van uitvoering?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

Spoedprocedure

28

Bij een afzonderlijk verzoek van 4 april 2013, neergelegd ter griffie van het Hof op diezelfde dag, heeft de Conseil constitutionnel verzocht de onderhavige zaak te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure als voorzien in artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en geregeld in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie.

29

De verwijzende rechter heeft dat verzoek gemotiveerd door erop te wijzen dat zowel de termijn van drie maanden waarbinnen de Conseil constitutionnel gehouden is om de aan hem voorgelegde prioritaire grondwettigheidsvraag te onderzoeken, als de vrijheidsberoving waaraan verzoeker in het hoofdgeding is onderworpen in de procedure die aan deze vraag ten grondslag ligt, toepassing van de prejudiciële spoedprocedure rechtvaardigen.

30

Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de onderhavige prejudiciële vraag betrekking heeft op de uitlegging van het kaderbesluit, dat valt onder het derde deel, titel V, van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. De vraag kan dus volgens de prejudiciële spoedprocedure worden behandeld.

31

In de tweede plaats dient te worden geconstateerd, zoals de verwijzende rechter opmerkt, dat verzoeker in het hoofdgeding thans van zijn vrijheid is beroofd en dat de oplossing van het hoofdgeding een niet onbelangrijke invloed kan hebben op de duur van deze vrijheidsberoving.

32

Gelet op het voorgaande heeft de Tweede kamer van het Hof, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, op 10 april 2013 besloten het verzoek van de verwijzende rechter om de prejudiciële verwijzing volgens de spoedprocedure te behandelen, in te willigen.

Prejudiciële vraag

33

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de lidstaten voorzien in een beroepsmogelijkheid waarbij de uitvoering wordt opgeschort van de beslissing van de rechterlijke autoriteit, die uitspraak doet binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek, om haar toestemming te geven hetzij voor het vervolgen, veroordelen of in hechtenis houden van een persoon met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, wegens een strafbaar feit dat is gepleegd vóór zijn overlevering krachtens een Europees aanhoudingsbevel, niet zijnde het strafbare feit waarvoor zijn overlevering is gevraagd, hetzij voor de overlevering van een persoon krachtens een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens een vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit, aan een andere lidstaat dan de lidstaat van uitvoering.

34

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het kaderbesluit, zoals met name volgt uit artikel 1, leden 1 en 2 ervan, alsook uit de punten 5 en 7 van zijn considerans, beoogt het multilaterale uitleveringsstelsel tussen lidstaten te vervangen door een op het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerde regeling, waarbij veroordeelde of verdachte personen met het oog op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of met het oog op vervolging worden overgeleverd tussen rechterlijke autoriteiten (zie arresten van 29 januari 2013, Radu, C-396/11, punt 33, en 26 februari 2013, Melloni, C-399/11, punt 36).

35

Aldus beoogt het voornoemde kaderbesluit met de instelling van een nieuwe vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan (reeds aangehaalde arresten Radu, punt 34, en Melloni, punt 37).

36

Het beginsel van wederzijdse erkenning, dat de hoeksteen van de justitiële samenwerking vormt, houdt krachtens artikel 1, lid 2, van het kaderbesluit in dat de lidstaten in beginsel gehouden zijn om aan een Europees aanhoudingsbevel gevolg te geven. Immers, hetzij zijn laatstgenoemde tot tenuitvoerlegging gehouden hetzij mogen zij de tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel niet weigeren, en kunnen zij aan de tenuitvoerlegging slechts voorwaarden verbinden in de gevallen die in de artikelen 3 tot en met 5 van dit kaderbesluit zijn opgesomd. Volgens artikel 28, lid 3, daarvan mag de toestemming voor een verdere overlevering eveneens slechts in die gevallen worden geweigerd (zie arrest van 28 juni 2012, West, C-192/12 PPU, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en kunnen enkel die gevallen de weigering rechtvaardigen om toestemming te verlenen voor de uitbreiding van het Europees aanhoudingsbevel tot een vóór de overlevering van de vervolgde persoon begaan feit, niet zijnde het feit dat de reden tot de overlevering is geweest, overeenkomstig artikel 27, lid 4, van het kaderbesluit.

Mogelijkheid om beroep met opschortende werking in te stellen

37

Aangaande de mogelijkheid om beroep met opschortende werking in te stellen tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel of de beslissing waarbij toestemming wordt gegeven tot uitbreiding van dat bevel of tot verdere overlevering, moet worden vastgesteld dat het kaderbesluit een dergelijke mogelijkheid niet uitdrukkelijk regelt.

38

Het ontbreken van een uitdrukkelijke regeling betekent evenwel niet dat het kaderbesluit de lidstaten belet om een dergelijke beroepsmogelijkheid in te voeren, noch dat het hen daartoe verplicht.

39

In de eerste plaats kan met het kaderbesluit zelf immers worden verzekerd dat voor beslissingen betreffende het Europees aanhoudingsbevel alle waarborgen gelden die eigen zijn aan dit soort beslissingen.

40

Zo herinnert artikel 1, lid 3, van het kaderbesluit er uitdrukkelijk aan dat dit besluit niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast. Bovendien geldt deze verplichting voor alle lidstaten, en met name zowel voor de uitvaardigende als de uitvoerende lidstaat.

41

Voorts eerbiedigt het kaderbesluit zelf, zoals de eerste alinea van punt 12 van de considerans ervan preciseert, ook de grondrechten en voldoet het aan de beginselen die zijn erkend bij artikel 6 EU en weergegeven in het Handvest, met name in hoofdstuk VI, ten aanzien van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, hetgeen in overeenstemming is met de in punt 35 van het onderhavige arrest genoemde doelstelling om de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden.

42

Dienaangaande zij opgemerkt dat, net als in uitleveringsprocedures, in de door het kaderbesluit ingevoerde overleveringsprocedure het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, als bedoeld in artikel 13 EVRM en artikel 47 van het Handvest, dat aan de orde is in het kader van het hoofdgeding, bijzonder belang toekomt.

43

Zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat met betrekking tot voorlopige hechtenis met het oog op een uitlevering, artikel 5, lid 4, EVRM een lex specialis is ten opzichte van de meer algemene vereisten van artikel 13 EVRM (zie met name EHRM, arrest Chahal/Verenigd Koninkrijk van 15 november 1996, Judgments and decisions 1996-V, § 126). In dit verband oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat wanneer de beslissing tot vrijheidsbeneming wordt gegeven door een rechter die uitspraak doet na een rechterlijke procedure, het door artikel 5, lid 4, EVRM verlangde toezicht is geïncorporeerd in die beslissing (zie EHRM, arrest Khodzhamberdiyev/Rusland van 5 juni 2012, § 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en dat, bovendien, de betrokken bepaling de verdragsluitende staten niet dwingt om voor het onderzoek naar de rechtmatigheid van de hechtenis en voor het onderzoek van verzoeken om invrijheidstelling een rechtspraak in twee instanties in te voeren (zie EHRM, arrest Marturana/Italië van 4 maart 2008, § 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44

Ook heeft het Hof reeds vastgesteld, in het kader van de uitlegging van richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB L 326, blz. 13), dat het beginsel van doeltreffende bescherming in rechte een particulier een recht op toegang tot een rechter verleent en geen recht op rechtspraak in meerdere instanties (arrest van 28 juli 2011, Samba Diouf, C-69/10, Jurispr. blz. I-7151, punt 69).

45

Opgemerkt moet worden dat, zoals blijkt uit punt 8 van de considerans van het kaderbesluit, beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel pas mogen worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd. Bovendien bepaalt artikel 6 van het kaderbesluit dat niet alleen die beslissing moet worden genomen door een rechterlijke autoriteit, maar ook de beslissing betreffende de uitvaardiging van een dergelijk bevel. Het optreden van een rechterlijke autoriteit is ook vereist met betrekking tot de toestemming bedoeld in de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit, alsook tijdens andere fasen van de overleveringsprocedure, zoals die van het verhoor van de gezochte persoon, en die van de beslissing tot voortgezette hechtenis of tijdelijke overplaatsing van deze persoon.

46

Derhalve wordt de gehele procedure van overlevering tussen lidstaten die in het kaderbesluit is voorzien, overeenkomstig dit besluit uitgevoerd onder rechterlijk toezicht.

47

Hieruit volgt dat de bepalingen van het kaderbesluit zelf reeds voorzien in een procedure conform de vereisten van artikel 47 van het Handvest, onafhankelijk van de wijze waarop de lidstaten het kaderbesluit uitvoeren.

48

Tot slot moet worden opgemerkt dat in het kader van de procedure van strafvervolging of van uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf, of in het kader van de strafprocedure ten gronde – welke procedures alle buiten de werkingssfeer blijven van het kaderbesluit en het Unierecht – de lidstaten verplicht blijven tot eerbiediging van de in het EVRM of hun nationale recht neergelegde fundamentele rechten, met inbegrip van, in voorkomend geval, het recht van personen die door een gerecht schuldig zijn bevonden aan een strafbaar feit, op rechtspraak in meerdere instanties.

49

Een dergelijke verplichting bevestigt nu juist de hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten, alsook de wederzijdse erkenning waarop het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel berust, en rechtvaardigt de bewoordingen van punt 10 van de considerans van het kaderbesluit, volgens welke de toepassing van een Europees aanhoudingsbevel slechts kan worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, EU neergelegde beginselen, welke schending door de Raad wordt geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, EU en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, van dat Verdrag.

50

Het beginsel van wederzijdse erkenning, waarop het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel berust, is namelijk zelf gebaseerd op het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de op Unieniveau, in het bijzonder in het Handvest van de grondrechten, erkende grondrechten, zodat de personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd dus binnen de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat eventuele rechtsmiddelen kunnen aanwenden ter betwisting van de rechtmatigheid van de procedure van strafvervolging of van uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, dan wel van de strafprocedure ten gronde, die tot die straf of maatregel hebben geleid (zie bij analogie arrest van 22 december 2010, Aguirre Zarraga, C-491/10 PPU, Jurispr. I-14247, punten 70 en 71).

51

In de tweede plaats moet evenwel worden geconstateerd dat, onafhankelijk van de uitdrukkelijk in het kaderbesluit voorziene garanties, het feit dat in dit besluit geen eventueel opschortend beroepsrecht tegen beslissingen betreffende het Europees aanhoudingsbevel is geregeld, de lidstaten niet belet om in een dergelijk recht te voorzien.

52

Bij ontbreken van nadere preciseringen in de bepalingen zelf van het kaderbesluit en gelet op artikel 34 EU, dat aan de nationale instanties de bevoegdheid laat om vorm en middelen te kiezen om het door de kaderbesluiten gewenste resultaat te bereiken, moet immers worden vastgesteld dat het kaderbesluit de nationale autoriteiten een beoordelingsmarge laat inzake de concrete maatregelen om de door het kaderbesluit beoogde doelstellingen te verwezenlijken, met name wat betreft de mogelijkheid om te voorzien in een opschortend beroep tegen de beslissingen betreffende het Europees aanhoudingsbevel.

53

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat voor zover de toepassing van het kaderbesluit niet wordt verhinderd, dit besluit, zoals in de tweede alinea van punt 12 van de considerans ervan wordt verklaard, de toepassing door de lidstaten van hun grondwettelijke bepalingen betreffende het recht op een eerlijke rechtsgang, onverlet laat.

54

Wat de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel betreft, vloeit de mogelijkheid van het uitoefenen van een beroepsrecht impliciet maar noodzakelijkwijs voort uit de woorden „definitieve beslissing” in artikel 17, leden 2, 3 en 5, van het kaderbesluit en kan, gezien de formulering van de bepalingen ervan, niet worden aangenomen dat deze mogelijkheid zou moeten worden uitgesloten in het kader van de beslissing van de rechterlijke autoriteit die uitspraak doet om toestemming te geven voor de uitbreiding van een aanhoudingsbevel of voor verdere overlevering aan een andere lidstaat, overeenkomstig de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit, te meer daar, zoals het hoofdgeding aantoont, om die uitbreiding of die overlevering kan zijn verzocht voor een ernstiger strafbaar feit dan dat wat de reden is geweest voor de overlevering.

55

Hieruit volgt dat de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat de lidstaten voorzien in een beroepsmogelijkheid waarbij de uitvoering wordt opgeschort van de beslissing van de rechterlijke autoriteit die uitspraak doet om haar toestemming te geven voor hetzij het vervolgen, veroordelen of in hechtenis houden van een persoon met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, wegens een strafbaar feit dat is gepleegd vóór zijn overlevering krachtens een Europees aanhoudingsbevel, niet zijnde het strafbare feit waarvoor zijn overlevering is gevraagd, hetzij voor de overlevering van een persoon aan een andere lidstaat dan de lidstaat van uitvoering krachtens een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens een vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit.

Grenzen van een eventueel beroepsrecht met opschortende werking

56

Hoewel in het kaderbesluit met betrekking tot een eventueel beroepsrecht met opschortende werking tegen de beslissingen betreffende het Europees aanhoudingsbevel niets is geregeld, volgt hieruit wel dat aan de speelruimte waarover de lidstaten in dit verband beschikken, bepaalde grenzen moeten worden gesteld.

57

Dienaangaande zij opgemerkt dat, zoals ook in de punten 34 en 35 van dit arrest in herinnering is geroepen, het kaderbesluit beoogt het multilaterale uitleveringsstelsel tussen lidstaten te vervangen door een vereenvoudigde en efficiëntere regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten, die de justitiële samenwerking moet vergemakkelijken en bespoedigen. Zoals volgt uit punt 5 van de considerans van het kaderbesluit, kan met de invoering van een dergelijke overleveringsregeling een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de uitleveringsprocedures van vóór de vaststelling van dit besluit.

58

De bovengenoemde doelstelling van bespoediging van de justitiële samenwerking komt naar voren in verschillende aspecten van het kaderbesluit en met name bij de behandeling van termijnen voor de vaststelling van beslissingen betreffende het Europees aanhoudingsbevel.

59

Wat deze termijnen betreft, moet onderscheid worden gemaakt tussen de termijnen die in artikel 17 van het kaderbesluit zijn voorzien voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, en de termijnen waarin de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, ervan, voorzien voor de toestemming voor uitbreiding van het bevel of voor verdere overlevering. In elk geval moet worden opgemerkt dat artikel 15, lid 1, van het kaderbesluit algemeen bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit over de overlevering van de betrokkene beslist „binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld”.

60

Wat in de eerste plaats de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel betreft, bepaalt artikel 17, lid 1, van het kaderbesluit dat deze „met spoed [wordt] behandeld en ten uitvoer gelegd”. De leden 2 en 3 van ditzelfde artikel stellen nauwkeurige termijnen van, respectievelijk, tien of zestig dagen, voor het nemen van de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van dit bevel, afhankelijk van de vraag of de gezochte persoon al dan niet met zijn overlevering instemt.

61

Enkel indien het Europees aanhoudingsbevel in specifieke gevallen niet binnen deze termijnen ten uitvoer kan worden gelegd, kunnen deze termijnen, volgens het vierde lid van dit artikel, met 30 dagen worden verlengd, waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht is om de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onmiddellijk, en met opgave van redenen, van de vertraging in kennis te stellen. Buiten dergelijke specifieke gevallen is het voor een lidstaat ingevolge artikel 17, lid 7, van het kaderbesluit enkel in uitzonderlijke omstandigheden mogelijk deze termijnen niet na te leven. Deze lidstaat dient ook Eurojust daarvan in kennis te stellen, met vermelding van de redenen voor de vertraging.

62

Het belang van de door voornoemd artikel 17 gestelde termijnen vindt niet alleen uitdrukking in deze bepaling, maar ook in andere bepalingen van het kaderbesluit, zoals de artikelen 13, lid 4, 15, lid 2, 20, 21 en 31, lid 2, tweede alinea, ervan.

63

Bovendien zijn in de loop van het wetgevingsproces dat heeft geleid tot de vaststelling van het kaderbesluit, de woorden „de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel [zou] [...] moeten worden genomen” in artikel 17 van het kaderbesluit weliswaar in de plaats gekomen van de woorden „de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt [...] genomen” in het voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees arrestatiebevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten [COM(2001) 522 definitief], gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 27 november 2001 (PB C 332 E, blz. 305; hierna: „voorstel-kaderbesluit”), doch dit neemt niet weg dat in de loop van dat proces aan het woord „beslissing” ook het adjectief „definitief” is toegevoegd, en dat de enkele termijn van 90 dagen die was voorzien in het voorstel-kaderbesluit is vervangen door kortere, trapsgewijze termijnen, als vermeld in de punten 60 en 61 van het onderhavige arrest.

64

Hieruit volgt dat de termijnen die zijn voorzien in artikel 17 van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd dat zij vereisen dat de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt genomen, in beginsel, hetzij binnen tien dagen na de instemming van de gezochte persoon, hetzij, in andere gevallen, binnen zestig dagen na de aanhouding van laatstgenoemde. Enkel in specifieke gevallen kunnen deze termijnen met dertig dagen worden verlengd en enkel in uitzonderlijke omstandigheden is het voor een lidstaat mogelijk om de in dit artikel 17 gestelde termijnen niet na te leven.

65

Bijgevolg kan een eventueel in de nationale wetgeving van de lidstaat voorzien opschortend beroep tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, in elk geval – en tenzij het bevoegde gerecht besluit om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof – niet worden ingesteld zonder de in het voorgaande punt genoemde termijnen voor de vaststelling van een definitieve beslissing in acht te nemen.

66

Wat in de tweede plaats de beslissing over het verlenen van toestemming voor de uitbreiding van het bevel of een verdere overlevering overeenkomstig de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit betreft, zij opgemerkt dat deze twee artikelen bepalen dat de beslissing „uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek [wordt] genomen.”

67

De inhoud van die bepalingen, die, conform het specialiteitsbeginsel, waaraan zij uitvoering geven, niet waren voorzien in het voorstel-kaderbesluit, en welke inhoud een andere is dan die van artikel 17 van het kaderbesluit, beantwoordt aan verschillende situaties met betrekking tot de te nemen beslissing.

68

Enerzijds bevindt de gezochte persoon zich immers niet langer in hechtenis in de lidstaat van tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, en is hij reeds overgeleverd aan de lidstaat die dat bevel heeft uitgevaardigd.

69

Anderzijds beschikt de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de in artikel 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit bedoelde toestemming dient te verlenen, reeds over bepaalde gegevens die haar in staat stellen een gefundeerde uitspraak te doen, aangezien, zoals ook in punt 36 van dit arrest in herinnering is geroepen, die toestemming enkel kan worden geweigerd in dezelfde gevallen als, wat de in artikel 17 van het kaderbesluit bedoelde beslissingen betreft, die waarin de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd en, bovendien, deze toestemming moet worden verleend wanneer het strafbare feit waarvoor om uitbreiding of verdere overlevering is verzocht, zelf de verplichting tot overlevering met zich meebrengt.

70

De in de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit bedoelde beslissingen hebben evenwel betrekking op hetzij een ander strafbaar feit dan dat wat de reden is geweest voor de overlevering, hetzij een andere lidstaat dan de lidstaat die het eerste Europese aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, hetgeen rechtvaardigt dat is voorzien in een termijn van dertig dagen om die toestemming te verlenen.

71

Hieruit volgt dat de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd, dat zij verlangen dat de beslissingen van de rechterlijke autoriteit die uitspraak doet om toestemming te geven hetzij voor het vervolgen, veroordelen of in hechtenis houden van een persoon met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, wegens een strafbaar feit dat is gepleegd vóór zijn overlevering krachtens een Europees aanhoudingsbevel, niet zijnde het strafbare feit waarvoor zijn overlevering is gevraagd, hetzij voor de overlevering van een persoon aan een andere lidstaat dan de lidstaat van uitvoering, krachtens een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens een vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit, in beginsel uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek worden genomen.

72

Wat de mogelijkheid betreft voor de lidstaten om in hun nationale recht te voorzien in een beroep met opschortende werking tegen de in de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit bedoelde beslissingen, moet worden vastgesteld dat deze bepalingen, in tegenstelling tot artikel 17 van het kaderbesluit, geen termijnen vastleggen waarbinnen de „definitieve beslissing” moet worden genomen, en dat zij derhalve aldus moeten worden uitgelegd dat de termijn die zij vastleggen enkel ziet op de oorspronkelijke beslissing en geen betrekking heeft op het geval waarin een dergelijk beroep is ingesteld.

73

Niettemin zou het in strijd zijn met zowel de aan het kaderbesluit ten grondslag liggende logica als de doelstellingen van dat besluit – dat beoogt de overleveringsprocedures te bespoedigen – wanneer de termijnen voor het vaststellen van een definitieve beslissing uit hoofde van de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit langer zouden zijn dan die van artikel 17 van dat besluit.

74

Derhalve moet, teneinde een coherente uitlegging en toepassing van het kaderbesluit te verzekeren, worden geoordeeld dat een eventueel in een nationale wettelijke regeling van een lidstaat voorzien beroep met opschortende werking tegen de in de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit bedoelde beslissingen in elk geval moet worden ingesteld binnen de termijnen die in artikel 17 van het kaderbesluit zijn voorzien voor de vaststelling van een definitieve beslissing.

75

Gelet op het voorgaande dient op de vraag te worden geantwoord dat de artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat de lidstaten voorzien in een beroepsmogelijkheid waarbij de uitvoering wordt opgeschort van de beslissing van de rechterlijke autoriteit die uitspraak doet binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek, om haar toestemming te geven voor hetzij het vervolgen, veroordelen of in hechtenis houden van een persoon met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, wegens een strafbaar feit dat is gepleegd vóór deze overlevering krachtens een Europees aanhoudingsbevel, niet zijnde het strafbare feit waarvoor zijn overlevering is gevraagd, hetzij voor de overlevering van een persoon aan een andere lidstaat dan de lidstaat van uitvoering, krachtens een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens een vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit, voor zover de definitieve beslissing is vastgesteld binnen de in artikel 17 van datzelfde kaderbesluit voorziene termijnen.

Kosten

76

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

 

De artikelen 27, lid 4, en 28, lid 3, sub c, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat de lidstaten voorzien in een beroepsmogelijkheid waarbij de uitvoering wordt opgeschort van de beslissing van de rechterlijke autoriteit die uitspraak doet, binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek, om haar toestemming te geven voor hetzij het vervolgen, veroordelen of in hechtenis houden van een persoon met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, wegens een strafbaar feit dat is gepleegd vóór deze overlevering krachtens een Europees aanhoudingsbevel, niet zijnde het strafbare feit waarvoor zijn overlevering is gevraagd, hetzij voor de overlevering van een persoon aan een andere lidstaat dan de lidstaat van uitvoering, krachtens een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens een vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit, voor zover de definitieve beslissing is vastgesteld binnen de in artikel 17 van datzelfde kaderbesluit voorziene termijnen.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.