ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

28 januari 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn 2012/13/EU – Artikelen 4 tot en met 7 – In de bijlagen I en II opgenomen verklaringen van rechten – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Recht op informatie in strafprocedures – Verklaring van rechten bij aanhouding – Recht op informatie over de beschuldiging – Recht op toegang tot de stukken van het dossier – Persoon aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel in de lidstaat van uitvoering”

In zaak C‑649/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) bij beslissing van 20 augustus 2019, ingekomen bij het Hof op 3 september 2019, in de strafprocedure tegen

IR,

in tegenwoordigheid van:

Spetsializirana prokuratura,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, M. Ilešič, E. Juhász, C. Lycourgos (rapporteur) en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en T. Machovičová als gemachtigden,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en E. Lankenau als gemachtigden,

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll als gemachtigde,

de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Grünheid, Y. G. Marinova en R. Troosters, vervolgens door S. Grünheid en Y. G. Marinova als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 september 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), artikel 4, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1), alsmede artikel 1, lid 3, en artikel 8 van en het formulier in de bijlage bij kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2002/584”), alsook de geldigheid van kaderbesluit 2002/584.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure die tegen IR is ingesteld wegens strafbare feiten in verband met sigarettensmokkel.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Kaderbesluit 2002/584

3

De overwegingen 5, 6 en 12 van kaderbesluit 2002/584 luiden:

„(5)

[…] Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. […]

(6)

Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.

[…]

(12)

Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 [VEU] en zijn weergegeven in het Handvest […], met name in [titel] VI. Niets in dit kaderbesluit staat eraan in de weg dat de overlevering kan worden geweigerd van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op vervolging of bestraffing van die persoon op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid of dat de positie van die persoon kan worden aangetast om een van deze redenen.

Dit kaderbesluit laat de toepassing door de lidstaten van hun grondwettelijke bepalingen betreffende het recht op een eerlijke rechtsgang, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting in andere media, onverlet.”

4

In artikel 1 van kaderbesluit 2002/584 wordt het volgende bepaald:

„1.   Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.   De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3.   Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.”

5

Artikel 8 van dit kaderbesluit luidt als volgt:

„1.   In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:

a)

de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon;

b)

de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het e-mailadres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit;

c)

de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;

d)

de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit, met name rekening houdend met artikel 2;

e)

een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;

f)

de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;

g)

indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit.

2.   Het Europees aanhoudingsbevel wordt vertaald in de officiële taal of in één van de officiële talen van de uitvoerende lidstaat. Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of op een later tijdstip, in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neergelegde verklaring meedelen dat hij een vertaling in één of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Gemeenschappen aanvaardt.”

6

De bijlage bij kaderbesluit 2002/584 bevat een formulier waarin de in het Europees aanhoudingsbevel te verstrekken gegevens worden gespecificeerd.

Richtlijn 2012/13

7

De overwegingen 3, 11, 14, 21, 27, 28 en 39 van richtlijn 2012/13 luiden als volgt:

„(3)

De toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen veronderstelt wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtstelsels. De omvang van die wederzijdse erkenning hangt nauw samen met het bestaan en de inhoud van bepaalde parameters, waaronder regelingen voor de bescherming van de rechten van verdachten of beklaagden en gemeenschappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken.

[…]

(11)

Op 30 november 2009 keurde de Raad een resolutie goed betreffende een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures [(PB 2009, C 295, blz. 1)] (hierna ‚de routekaart’ genoemd). […]

[…]

(14)

Deze richtlijn heeft betrekking op maatregel B van de routekaart. Zij bevat gemeenschappelijke minimumnormen die – teneinde het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten – van toepassing zijn op het verstrekken van informatie over rechten en over de beschuldiging aan personen die worden verdacht of beschuldigd van een strafbaar feit. Deze richtlijn is geënt op de in het Handvest neergelegde rechten, in het bijzonder de artikelen 6, 47 en 48, die op hun beurt zijn gebaseerd op de artikelen 5 en 6 [van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: ‚EVRM’)], zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de rechten van de mens. In deze richtlijn wordt de term ‚beschuldiging’ gebruikt om hetzelfde begrip aan te duiden als de term ‚ingestelde vervolging’ in artikel 6, lid 1, EVRM.

[…]

(21)

Wanneer deze richtlijn verwijst naar verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, dient hieronder te worden verstaan betrokkenen die in de loop van een strafprocedure van hun vrijheid zijn beroofd als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder c), EVRM, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens.

[…]

(27)

Een persoon die ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, dient alle informatie over de beschuldiging te ontvangen die hij nodig heeft om zijn verdediging te kunnen voorbereiden en die met het oog op een eerlijk verloop van de procedure is geboden.

(28)

De informatie aan verdachten of beklaagden over het strafbare feit waarvan ze worden verdacht of beschuldigd, dient onverwijld, doch zonder lopende onderzoeken te schaden, te worden verstrekt, en uiterlijk vóór hun eerste officiële verhoor door de politie of een andere bevoegde autoriteit. Met het oog op een eerlijk verloop van de procedure en op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging dient de omschrijving van het strafbare feit waarvan de persoon wordt verdacht of beschuldigd, met inbegrip van, indien bekend, tijd en plaats en de mogelijke wettelijke kwalificatie van het vermeende strafbare feit, te worden verstrekt in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt.

[…]

(39)

Het recht op schriftelijke informatie over rechten bij aanhouding waarin deze richtlijn voorziet, dient mutatis mutandis ook te gelden voor personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in kaderbesluit [2002/584]. Om de lidstaten te helpen bij het opstellen van een verklaring van rechten voor dergelijke personen, is in bijlage II een model opgenomen. Dit model is indicatief en kan worden herzien in het kader van het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn alsmede wanneer alle maatregelen van de routekaart in werking zijn getreden.”

8

Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:

„Deze richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging. De richtlijn legt ook voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ten aanzien van hun rechten.”

9

Artikel 3 van die richtlijn luidt:

„1.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden onverwijld informatie krijgen over ten minste de volgende procedurele rechten, zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht, opdat deze rechten daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend:

a)

het recht op toegang tot een advocaat;

b)

het recht op kosteloze rechtsbijstand en de voorwaarden waaronder deze bijstand kan worden verkregen;

c)

het recht op informatie over de beschuldiging overeenkomstig artikel 6;

d)

het recht op vertolking en vertaling;

e)

het zwijgrecht.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde informatie mondeling of schriftelijk en in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen wordt verstrekt, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele specifieke behoeften van kwetsbare verdachten of beklaagden.”

10

In artikel 4 van die richtlijn is het volgende bepaald:

„1.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, onverwijld in het bezit worden gesteld van een schriftelijke verklaring van rechten. Zij worden in de gelegenheid gesteld om de verklaring van rechten te lezen en mogen deze in hun bezit houden zolang zij van hun vrijheid zijn beroofd.

2.   Naast de in artikel 3 bedoelde informatie, bevat de in lid 1 van dit artikel bedoelde verklaring van rechten informatie over de volgende rechten, zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht:

a)

het recht op toegang tot de stukken van het dossier;

b)

het recht om consulaire autoriteiten en één persoon op de hoogte te laten stellen;

c)

het recht op toegang tot dringende medische bijstand; en

d)

het maximumaantal uren of dagen dat verdachten of beklaagden van hun vrijheid mogen worden beroofd voordat zij aan een gerechtelijke autoriteit moeten worden voorgeleid.

3.   De verklaring van rechten bevat tevens basisinformatie over de eventuele mogelijkheden, overeenkomstig het nationale recht, om de rechtmatigheid van de aanhouding aan te vechten, om een herziening van de detentie te bekomen, of om [om] voorlopige invrijheidstelling te verzoeken.

4.   De verklaring van rechten is in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen opgesteld. Bijlage I bevat een indicatief model van een dergelijke verklaring.

5.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden de verklaring van rechten ontvangen opgesteld in een taal die zij begrijpen. Als er geen verklaring van rechten in de passende taal beschikbaar is, worden de rechten aan de verdachten of beklaagden mondeling meegedeeld in een taal die zij begrijpen. Aan de betrokkenen moet vervolgens zonder onnodig uitstel een verklaring van rechten worden verstrekt in een taal die zij begrijpen.”

11

Artikel 5 van richtlijn 2012/13 bepaalt:

„1.   De lidstaten zien erop toe dat personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel onverwijld een passende verklaring van rechten ontvangen met informatie over hun rechten zoals voorzien in de wet van de uitvoerende lidstaat tot uitvoering van kaderbesluit [2002/584].

2.   De verklaring van rechten is in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen opgesteld. Bijlage II bevat een indicatief model van een dergelijke verklaring.”

12

In artikel 6 van die richtlijn is bepaald:

„1.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze informatie wordt onverwijld verstrekt en is zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen.

2.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, in kennis worden gesteld van de redenen voor hun aanhouding of detentie, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.

3.   De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde.

4.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden onverwijld in kennis worden gesteld van wijzigingen in de overeenkomstig dit artikel verstrekte informatie, indien dit nodig is om een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen.”

13

Artikel 7 van die richtlijn bepaalt:

„1.   Wanneer een persoon in enige fase van de strafprocedure is aangehouden en gedetineerd, zien de lidstaten erop toe dat de stukken betreffende de zaak die in het bezit zijn van de bevoegde autoriteiten en die essentieel zijn om de rechtmatigheid van de aanhouding of de detentie overeenkomstig het nationale recht daadwerkelijk aan te vechten, ter beschikking worden gesteld van de aangehouden personen of hun advocaten.

2.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden of hun advocaten toegang wordt verleend tot ten minste alle bewijsstukken waarover de bevoegde autoriteiten beschikken en die belastend of ontlastend voor de betrokkenen zijn, teneinde een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen en de voorbereiding van de verdediging mogelijk te maken.

3.   Onverminderd lid 1 wordt met het oog op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging tijdig toegang tot de in lid 2 bedoelde stukken verleend, uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging. Indien de bevoegde autoriteiten in het bezit komen van aanvullende bewijsstukken, verlenen zij daartoe tijdig toegang, zodat deze kunnen worden bestudeerd.

4.   In afwijking van de leden 2 en 3 kan, op voorwaarde dat het recht op een eerlijk proces hierdoor niet wordt geschonden, de toegang tot bepaalde stukken worden geweigerd indien door die toegang het leven of de grondrechten van een andere persoon ernstig in het gedrang zouden kunnen komen of indien die weigering strikt noodzakelijk is ter bescherming van een zwaarwegend algemeen belang, zoals wanneer door de toegang een lopend onderzoek zou kunnen worden geschaad of de nationale veiligheid van de lidstaat waar de strafprocedure wordt gevoerd ernstig zou kunnen worden bedreigd. De lidstaten zien erop toe dat, overeenkomstig de procedures in hun nationale recht, het besluit om overeenkomstig dit lid de toegang tot bepaalde stukken te weigeren, wordt genomen door een gerechtelijke autoriteit of ten minste onderworpen is aan toetsing door een gerechtelijke autoriteit.

5.   De in dit artikel bedoelde toegang wordt kosteloos verleend.”

14

Bijlage I bij richtlijn 2012/13 bevat een indicatief model voor een verklaring van rechten. Deze bijlage bepaalt dat „[d]it model […] uitsluitend [is] bedoeld om nationale autoriteiten te helpen bij de opstelling van een dergelijke verklaring op nationaal niveau. De lidstaten zijn niet verplicht dit model te gebruiken. Bij het opstellen van hun verklaring van rechten kunnen de lidstaten dit model wijzigen om het in overeenstemming te brengen met hun nationale bepalingen en kunnen zij ook bijkomende nuttige informatie toevoegen. De lidstaten overhandigen de verklaring van rechten bij de aanhouding of inhechtenisneming. Dit belet de lidstaten evenwel niet om een verdachte of beklaagde ook in andere situaties tijdens de strafprocedure schriftelijke informatie te verstrekken.”

15

Dit model bevat acht informatierubrieken.

16

Bijlage II bij richtlijn 2012/13 bevat een indicatief model voor een verklaring van rechten voor personen aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel. Deze bijlage bepaalt dat „[d]it model […] uitsluitend bedoeld [is] om nationale autoriteiten te helpen bij de opstelling van een verklaring van rechten op nationaal niveau. De lidstaten zijn niet verplicht dit model te gebruiken. Bij het opstellen van hun verklaring van rechten kunnen de lidstaten dit model wijzigen om het in overeenstemming te brengen met hun nationale bepalingen en kunnen zij ook bijkomende nuttige informatie toevoegen.”

17

Dit model bevat vijf informatierubrieken.

Bulgaars recht

18

De Zakon za ekstraditsiata i evropeyskata zapoved za arest (wet inzake uitlevering en het Europees aanhoudingsbevel) (DV nr. 46 van 2005) geeft uitvoering aan kaderbesluit 2002/584. Artikel 37 van deze wet en het daarbij gevoegde formulier komen overeen met artikel 8 van dit kaderbesluit en het formulier in de bijlage daarbij.

19

Artikel 65, lid 3, tweede volzin, en artikel 269, lid 3, punt 4, onder b), van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering; hierna: „NPK”) verzetten zich niet tegen het gebruik van rechtsmiddelen wanneer de betrokkene wordt aangehouden in de uitvoerende lidstaat.

20

Artikel 55 NPK en de artikelen 72 tot en met 74 van de Zakon za Ministerstvoto na vatreshnite raboti (wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken; hierna: „ZMVR”) bepalen dat een persoon die in Bulgarije naar aanleiding van een nationaal aanhoudingsbevel door de Bulgaarse autoriteiten is aangehouden, wordt geïnformeerd over de rechten die hij als aangehouden persoon geniet en over de rechten waarover hij als beklaagde beschikt. Volgens artikel 72, lid 4, ZMVR en de artikelen 65 en 270 NPK wordt de aangehouden persoon geïnformeerd over het recht om in beroep te gaan tegen het aanhoudingsbevel en het recht om in het kader van dat beroep kennis te nemen van alle documenten van de zaak. Hij moet rechtstreeks contact kunnen hebben met zijn advocaat, ook wanneer die ambtshalve is toegewezen. Voorts zendt de rechter de aangehouden persoon ambtshalve een afschrift van de tenlastelegging waarin de handelingen die het voorwerp uitmaken van de beschuldiging gedetailleerd zijn beschreven, alsook de beschikking waarbij de datum van de terechtzitting wordt vastgesteld en waarin de rechten waarover hij in de gerechtelijke procedure beschikt, gedetailleerd worden beschreven. De aangehouden persoon, die is geïnformeerd over zijn rechten en over de feitelijke en juridische omstandigheden van zijn aanhouding, kan tegen die aanhouding onmiddellijk beroep instellen bij de rechter.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

21

De Spetsializirana prokuratura (bijzonder openbaar ministerie, Bulgarije) is een strafprocedure gestart tegen IR, die ervan wordt verdacht te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie om fiscale delicten te plegen. IR heeft in de voorbereidende fase van de tegen hem ingeleide strafprocedure, in de loop waarvan hij een beroep heeft gedaan op twee door hem aangewezen advocaten, slechts informatie ontvangen over een aantal van zijn rechten als beklaagde.

22

Bij aanvang van de gerechtelijke fase van de strafprocedure tegen IR op 24 februari 2017 had hij zijn woonplaats verlaten en was hij niet op te sporen. De twee advocaten die hem tijdens de voorbereidende fase van de strafprocedure hadden vertegenwoordigd, hebben aangegeven die rol niet langer te bekleden. Met het oog op zijn verdediging is ambtshalve een nieuwe advocaat toegewezen.

23

Bij beschikking van 10 april 2017, die op 19 april 2017 in beroep is bevestigd, heeft de verwijzende rechter aan IR een maatregel van voorlopige hechtenis opgelegd, die gelijkstaat aan een nationaal aanhoudingsbevel. IR is niet ter zitting verschenen en hij werd verdedigd door de ambtshalve toegewezen advocaat.

24

Op 25 mei 2017 is een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen IR, die nog steeds niet was opgespoord. De advocaat die ambtshalve was toegewezen om hem te vertegenwoordigen, is vervangen door een andere advocaat, die eveneens ambtshalve is toegewezen.

25

Aangezien de verwijzende rechter niet zeker was dat het Europees aanhoudingsbevel dat hij tegen IR had uitgevaardigd, in overeenstemming was met het Unierecht, omdat deze persoon niet in kennis was gesteld van bepaalde rechten waarop hij krachtens het Bulgaarse recht aanspraak kon maken, heeft hij dit aanhoudingsbevel nietig verklaard.

26

Hij benadrukt dat hij, na te hebben besloten om tegen IR een nieuw Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, verduidelijkingen wenst verkrijgen over de informatie die aan dat bevel moet worden toegevoegd om de eerbiediging van de door richtlijn 2012/13 verleende rechten te waarborgen.

27

In de eerste plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat uit de bepalingen van die richtlijn niet eenduidig kan worden opgemaakt of artikel 4, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, ervan kunnen worden toegepast op een persoon die in een andere lidstaat is aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel.

28

De vraag is of personen die op grond van een Europees aanhoudingsbevel worden aangehouden zich niet alleen kunnen beroepen op de rechten die uitdrukkelijk zijn vermeld in artikel 5 van en bijlage II bij richtlijn 2012/13, maar ook op de rechten bedoeld in artikel 4 van deze richtlijn en bijlage I daarbij. Deze vraag rijst ook in verband met de rechten bedoeld in artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van die richtlijn, aangezien het niet zeker is of de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich daarop kan beroepen in de lidstaat van uitvoering van een dergelijk bevel.

29

In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of, indien moet worden aangenomen dat de in de uitvoerende lidstaat op grond van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden persoon over alle rechten dient te beschikken die hij zou hebben genoten bij aanhouding op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, artikel 8 van kaderbesluit 2002/584 aldus dient te worden uitgelegd dat het Europees aanhoudingsbevel inhoudelijk kan worden gewijzigd om overeenkomstig artikel 4, lid 3, van richtlijn 2012/13 daarin de mogelijke rechtsmiddelen op te nemen die tegen de door deze rechter uitgevaardigde aanhoudingsbevelen kunnen worden ingesteld.

30

In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter of, indien moet worden aangenomen dat de informatie die is opgenomen in het formulier in de bijlage bij kaderbesluit 2002/584 niet kan worden aangevuld, er andere middelen voorhanden zijn teneinde te waarborgen dat IR onmiddellijk na zijn aanhouding in een andere lidstaat op grond van een Europees aanhoudingsbevel zijn rechten krachtens richtlijn 2012/13 daadwerkelijk en doeltreffend kan uitoefenen. Een van deze middelen kan erin bestaan dat deze persoon op de hoogte wordt gesteld van zijn rechten krachtens artikel 4, lid 3, van deze richtlijn en van de redenen voor zijn aanhouding overeenkomstig artikel 6, lid 2, van die richtlijn, alsook van zijn recht op toegang tot documenten krachtens artikel 7, lid 1, van die richtlijn. Dit zou voor de verwijzende rechter die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, aanleiding kunnen zijn om de betrokkene, nadat hij kennis heeft gekregen van zijn aanhouding, de verklaring van rechten bij aanhouding alsmede een afschrift van het nationaal aanhoudingsbevel en van de bewijsstukken ter ondersteuning ervan toe te zenden, evenals de gegevens van zijn vertegenwoordiger en desgevraagd een afschrift van de andere stukken uit het hem betreffende dossier.

31

In de vierde plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat, indien wordt geoordeeld dat de rechterlijke instantie die het Europees aanhoudingsbevel uitvaardigt hetzij de tekst van dat bevel kan aanvullen door informatie over de rechten van de aangehouden persoon toe te voegen, hetzij de aangehouden persoon na zijn aanhouding in kennis kan stellen van zijn rechten, zonder daartoe evenwel verplicht te zijn, dan de vraag rijst naar de geldigheid van kaderbesluit 2002/584, dat de daadwerkelijke uitoefening van de rechten niet waarborgt waarover de aangehouden persoon moet beschikken krachtens richtlijn 2012/13 en de artikelen 6 en 47 van het Handvest.

32

In die omstandigheden heeft de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Kan een beklaagde die op grond van een Europees aanhoudingsbevel is aangehouden, zich beroepen op de rechten van de beklaagde ingevolge artikel 4 (met name het recht krachtens artikel 4, lid 3), artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [2012/13]?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 8 van kaderbesluit [2002/584] dan aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een inhoudelijke wijziging van het als bijlage bij het Europees aanhoudingsbevel gevoegde formulier, met name de toevoeging van nieuwe tekst in dit formulier met betrekking tot de rechten van de gezochte persoon om het nationaal aanhoudingsbevel en het Europees aanhoudingsbevel bij de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat aan te vechten?

3)

Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, is het dan in overeenstemming met overweging 12 en artikel 1, lid 3, van kaderbesluit [2002/584], artikel 4, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [2012/13] en de artikelen 6 en 47 van het Handvest wanneer een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd met strikte inachtneming van het formulier zoals opgenomen in de bijlage (dat wil zeggen zonder de gezochte persoon informatie te verstrekken over zijn rechten ten aanzien van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, zodra zij in kennis is gesteld van de aanhouding van de persoon, laatstgenoemde onverwijld over zijn rechten informeert en hem de overeenkomstige stukken toezendt?

4)

Indien er geen andere rechtsgrond bestaat ter waarborging van de rechten van een op grond van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden persoon uit hoofde van artikel 4 (en met name artikel 4, lid 3), artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [2012/13], is kaderbesluit [2002/584] dan geldig?”

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

33

De Duitse regering uit twijfels over de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op grond dat er geen geding aanhangig is bij de verwijzende rechter, aangezien het tegen IR uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel nietig is verklaard. De gestelde vragen zijn dus hypothetisch en hebben bovendien enkel zin voor de vaststelling van een nieuw Europees aanhoudingsbevel voor het geval IR zich niet langer in Bulgarije zou bevinden.

34

In dit verband zij eraan herinnerd dat de nationale rechter volgens vaste rechtspraak van het Hof alleen bevoegd is tot verwijzing naar het Hof, indien bij hem een geding aanhangig is gemaakt en hij uitspraak moet doen in het kader van een procedure die moet uitmonden in een beslissing die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak (arresten van 31 mei 2005, Syfait e.a., C‑53/03, EU:C:2005:333, punt 29, en 16 september 2020, Anesco e.a., C‑462/19, EU:C:2020:715, punt 36).

35

In het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om – rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak – zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de voorgelegde vragen dus betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dan ook in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

Bijgevolg geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging of toetsing van de geldigheid van een regel van Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de voorgelegde vragen (arrest van 16 oktober 2019, Winterhoff en Eisenbeis, C‑4/18 en C‑5/18, EU:C:2019:860, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37

In casu lijdt het geen twijfel dat het geding actueel is en dat de procedure van rechterlijke aard is, aangezien het bijzondere openbaar ministerie strafvervolging heeft ingesteld tegen IR, die ervan wordt beschuldigd aan een criminele organisatie te hebben deelgenomen met als doel het plegen van fiscale delicten en aan wie ambtshalve een advocaat is toegewezen.

38

De verwijzende rechter zet ook uiteen dat hij zich tot het Hof wendt om, in het licht van de antwoorden op de gestelde vragen, een nieuw Europees aanhoudingsbevel tegen IR uit te vaardigen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de voorgelegde vragen geen verband houden met een reëel geschil of met het voorwerp van de bij de verwijzende rechter aanhangige procedure, of dat het probleem van hypothetische aard is.

39

Bovendien heeft de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel tot gevolg dat de gezochte persoon kan worden aangehouden, zodat dit zijn persoonlijke vrijheid aantast. Het Hof heeft ten aanzien van een procedure inzake een dergelijk bevel geoordeeld dat de waarborging van de grondrechten in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de uitvaardigende lidstaat is. Om ervoor te zorgen dat deze rechten worden gewaarborgd – wat voor een rechterlijke autoriteit aanleiding kan zijn om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen –, is het van belang dat een dergelijke autoriteit over de mogelijkheid beschikt om zich prejudicieel tot het Hof te wenden [zie in die zin arrest van 25 juli 2018, AY (Aanhoudingsbevel – Getuige), C‑268/17, EU:C:2018:602, punten 28 en 29].

40

Het verzoek om een prejudiciële beslissing is dus ontvankelijk.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

41

Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 4, in het bijzonder lid 3 ervan, alsmede artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 aldus dienen te worden uitgelegd dat de daarin bedoelde rechten gelden voor personen die zijn aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.

42

Overeenkomstig vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie met name arresten van 4 mei 2010, TNT Express Nederland, C‑533/08, EU:C:2010:243, punt 44, en 6 oktober 2020, Jobcenter Krefeld, C‑181/19, EU:C:2020:794, punt 61).

43

Wat in dit verband de bewoordingen van de betrokken bepalingen betreft, bepaalt artikel 4, lid 1, van richtlijn 2012/13 dat de lidstaten erop toezien dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd onverwijld in het bezit worden gesteld van een schriftelijke verklaring van rechten. Artikel 4, lid 3, van richtlijn 2012/13 bepaalt dat die verklaring van rechten basisinformatie bevat over de eventuele mogelijkheden, overeenkomstig het nationale recht, om de rechtmatigheid van de aanhouding aan te vechten, een herziening van de detentie te bekomen, of om voorlopige invrijheidstelling te verzoeken.

44

Artikel 6, lid 2, van deze richtlijn betreft ook verdachten en beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd. De lidstaten zien er volgens deze bepaling op toe dat deze personen in kennis worden gesteld van de redenen voor hun aanhouding of detentie, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.

45

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 bepaalt dat wanneer een persoon in enige fase van de strafprocedure is aangehouden en gedetineerd, de lidstaten erop toezien dat de stukken betreffende de zaak die in het bezit zijn van de bevoegde autoriteiten en die essentieel zijn om de rechtmatigheid van de aanhouding of de detentie overeenkomstig het nationale recht daadwerkelijk aan te vechten, ter beschikking worden gesteld van de aangehouden personen of hun advocaten, en ziet eveneens op die verdachten of beklaagden zoals blijkt uit de lezing van dit lid 1 samen met lid 2 van hetzelfde artikel.

46

Vastgesteld moet worden dat louter op basis van de analyse van de bewoordingen van de betrokken bepalingen niet kan worden bepaald of de personen die worden aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel behoren tot de verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd in de zin van richtlijn 2012/13 en op wie de in die bepalingen bedoelde rechten van toepassing zijn.

47

In die omstandigheden moeten deze bepalingen worden uitgelegd in het licht van de context ervan en het doel van richtlijn 2012/13.

48

Wat de context van deze bepalingen betreft, moet worden vastgesteld dat artikel 5 van richtlijn 2012/13 uitdrukkelijk betrekking heeft op de rechten van personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Volgens lid 1 van dit artikel zien de lidstaten erop toe dat die personen onverwijld een passende verklaring van rechten ontvangen met informatie over hun rechten zoals daarin is voorzien in de wet van de uitvoerende lidstaat tot uitvoering van kaderbesluit 2002/584. Volgens lid 2 van dat artikel is een indicatief model van een dergelijke verklaring opgenomen in bijlage II bij deze richtlijn.

49

Ditzelfde artikel moet worden gelezen in het licht van overweging 39 van richtlijn 2012/13, waarin wordt gepreciseerd dat het recht op schriftelijke informatie over rechten bij aanhouding waarin deze richtlijn voorziet, slechts mutatis mutandis dient te gelden voor personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, waarbij deze overweging enkel verwijst naar het indicatieve model in bijlage II bij deze richtlijn om de lidstaten te helpen een verklaring van rechten voor die personen op te stellen.

50

Opgemerkt zij dat dit indicatieve model verschilt van het indicatieve model dat is opgenomen in bijlage I bij die richtlijn en waarnaar wordt verwezen in artikel 4 ervan, dat betrekking heeft op de verklaring van rechten die moeten worden overhandigd aan verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd.

51

Ook al kunnen de lidstaten, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de aanhef van de bijlagen I en II bij richtlijn 2012/13, deze twee indicatieve modellen wijzigen om ze aan te passen aan hun nationale regels en andere nuttige informatie toevoegen, deze modellen bevatten slechts één rubriek die identiek is, namelijk die betreffende de bijstand van een advocaat. De overige rubrieken van deze modellen zijn, zoals blijkt uit de titel of de inhoud ervan, eigen aan de rechten van de verdachte of de beklaagde in het kader van strafrechtelijke procedures, wat bijlage I bij richtlijn 2012/13 betreft, dan wel van de persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel is aangehouden, wat bijlage II daarbij betreft.

52

Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt, voorziet geen enkele bepaling van richtlijn 2012/13 erin dat personen die zijn aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel in het bezit moeten worden gesteld van een schriftelijke verklaring waarin de informatie uit de twee in de bijlagen I en II bij die richtlijn opgenomen indicatieve modellen wordt gecombineerd.

53

Aangezien de bepalingen waarvan de verwijzende rechter om uitlegging verzoekt, betrekking hebben op verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, leidt artikel 5 van richtlijn 2012/13, gelezen in het licht van overweging 39 ervan, tot de vaststelling dat zij geen betrekking hebben op personen die zijn aangehouden of gedetineerd ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.

54

Deze vaststelling wordt bevestigd door overweging 21 van deze richtlijn, waarin wordt gepreciseerd dat wanneer de richtlijn verwijst naar verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, hieronder dient te worden verstaan betrokkenen die in de loop van een strafprocedure van hun vrijheid zijn beroofd als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder c), EVRM, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens.

55

Zoals de advocaat-generaal in punt 47 van zijn conclusie heeft opgemerkt, ziet laatstgenoemde bepaling op de situatie waarin een persoon is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijze noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan. Deze situatie verschilt van die bedoeld in artikel 5, lid 1, onder f), EVRM, te weten de rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is. Dit laatste geval komt overeen met het door kaderbesluit 2002/584 ingevoerde mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel.

56

De uitlegging van artikel 4, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 in het licht van de context van deze bepalingen, volgens welke zij niet van toepassing zijn op personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, vindt ook steun in de doelstellingen van deze richtlijn.

57

In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 1 van richtlijn 2012/13, dat het onderwerp van deze richtlijn omschrijft, een onderscheid maakt tussen de rechten van verdachten en beklaagden en die van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. Dit artikel bepaalt dat deze richtlijn voorschriften vastlegt met betrekking tot het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging. De richtlijn legt ook voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ten aanzien van hun rechten.

58

Uit de gezamenlijke lezing van dit artikel en de overwegingen 14, 27 en 39 van richtlijn 2012/13 blijkt dat deze richtlijn tot doel heeft minimumnormen vast te stellen voor de informatie van personen die van een strafbaar feit worden verdacht of beschuldigd, teneinde hen in staat te stellen hun verdediging voor te bereiden en het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, maar dat die richtlijn ook beoogt de bijzonderheden van de procedure betreffende het Europees aanhoudingsbevel in stand te houden.

59

Kaderbesluit 2002/584 betreffende het Europees aanhoudingsbevel beoogt dus met de instelling van een vereenvoudigde en efficiëntere regeling – rechtstreeks tussen rechterlijke autoriteiten – voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Europese Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan [arrest van 24 september 2020, Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof (Specialiteitsbeginsel), C‑195/20 PPU, EU:C:2020:749, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

60

Door in artikel 5 te bepalen dat personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel onverwijld een passende verklaring van rechten ontvangen met informatie over hun rechten zoals daarin is voorzien in de wet van de uitvoerende lidstaat tot uitvoering van kaderbesluit 2002/584, draagt richtlijn 2012/13 doeltreffend bij aan deze doelstelling van vereenvoudiging en snelheid van de procedure.

61

Bovendien verkrijgt de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zodra hij wordt overgeleverd aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, de hoedanigheid van „beklaagde” in de zin van richtlijn 2012/13 en geniet hij alle aan die hoedanigheid verbonden rechten, met name die waarin de artikelen 4, 6 en 7 van deze richtlijn voorzien. Overeenkomstig de doelstellingen van deze richtlijn kan hij aldus zijn verdediging voorbereiden en wordt het eerlijke verloop van zijn procedure gewaarborgd.

62

In het licht van de voorgaande overwegingen dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 4, in het bijzonder lid 3 ervan, alsmede artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 aldus moeten worden uitgelegd dat de daarin bedoelde rechten niet gelden voor personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel.

Tweede vraag

63

Aangezien de tweede vraag enkel is gesteld voor het geval artikel 4, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 aldus zouden moeten worden uitgelegd dat de daarin bedoelde rechten gelden voor personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, hoeft zij, gelet op het antwoord op de eerste vraag, niet te worden beantwoord.

Derde en vierde vraag

64

Met zijn derde en zijn vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen om zich uit te spreken over de geldigheid van kaderbesluit 2002/584 in het licht van richtlijn 2012/13 en de artikelen 6 en 47 van het Handvest, voor zover dit kaderbesluit bepaalt dat de gegevens die worden meegedeeld aan personen die worden aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, beperkt zijn tot de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, van dit kaderbesluit en opgenomen in het formulier dat als bijlage bij dit kaderbesluit is gevoegd alsmede in het model van bijlage II bij deze richtlijn.

65

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de interne rechtmatigheid van een Uniehandeling niet kan worden getoetst aan een andere Uniehandeling met dezelfde normatieve rang, behalve wanneer zij is vastgesteld in toepassing van laatstgenoemde handeling of in een van deze twee handelingen uitdrukkelijk is bepaald dat de ene voorrang heeft op de andere (arrest van 8 december 2020, Hongarije/Parlement en Raad, C‑620/18, EU:C:2020:1001, punt 119).

66

In casu zijn kaderbesluit 2002/584 en richtlijn 2012/13 handelingen van afgeleid recht en is kaderbesluit 2002/584 niet vastgesteld krachtens richtlijn 2012/13, die overigens van latere datum is. Bovendien is niet uitdrukkelijk bepaald dat een van deze twee handelingen voorrang heeft op de andere. Bijgevolg hoeft de geldigheid van kaderbesluit 2002/584 niet te worden getoetst aan de bepalingen van richtlijn 2012/13.

67

De geldigheid van dit kaderbesluit moet daarentegen wel worden getoetst aan de artikelen 6 en 47 van het Handvest.

68

De verwijzende rechter vraagt zich meer bepaald af of het, wanneer de in artikel 4, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 bedoelde rechten niet van toepassing zijn op personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, voor die personen onmogelijk of uiterst moeilijk wordt om de tegen hen uitgevaardigde nationale en Europese aanhoudingsbevelen aan te vechten.

69

In het bijzonder volgt uit punt 70 van het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456), dat tegen de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen in de uitvaardigende lidstaat een beroep in rechte moet kunnen worden ingesteld dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming. Opdat de betrokken persoon de hem bij richtlijn 2012/13 verleende rechten daadwerkelijk kan uitoefenen, moet hij deze rechten niet alleen genieten na zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten, maar vanaf het tijdstip van zijn aanhouding in de uitvoerende lidstaat.

70

In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat kaderbesluit 2002/584 volgens artikel 1, lid 3, ervan niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast.

71

Het bij dit kaderbesluit ingevoerde stelsel van het Europees aanhoudingsbevel berust op het beginsel van wederzijdse erkenning, dat zelf gebaseerd is op het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten dat hun respectieve nationale rechtsorden in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de grondrechten die zijn erkend op Unieniveau, in het bijzonder in het Handvest [arresten van 10 november 2016, Özçelik, C‑453/16 PPU, EU:C:2016:860, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 oktober 2019, NJ (Openbaar ministerie Wenen), C‑489/19 PPU, EU:C:2019:849, punt 27].

72

Daarbij zij aangetekend dat wanneer een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en overlevering van een gezochte persoon door een andere lidstaat om een strafvervolging in te stellen, die persoon reeds in een eerste stadium van de procedure het voordeel van de procedurele waarborgen en de grondrechten dient te kunnen genieten, op de bescherming waarvan de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat moeten toezien, overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, met name met het oog op de vaststelling van een nationaal aanhoudingsbevel [zie in die zin arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 66, en 9 oktober 2019, NJ (Openbaar ministerie Wenen), C‑489/19 PPU, EU:C:2019:849, punt 33].

73

Het Hof heeft aldus reeds geoordeeld dat de regeling van het Europees aanhoudingsbevel op twee niveaus bescherming omvat van de procedurele en grondrechten die de gezochte persoon moet genieten, aangezien bij de rechterlijke bescherming op het eerste niveau van de vaststelling van een nationale rechterlijke beslissing, zoals een nationaal aanhoudingsbevel, de bescherming komt die gewaarborgd moet zijn op het tweede niveau van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, die in voorkomend geval kort na de vaststelling van de nationale rechterlijke beslissing kan plaatsvinden [arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 67; 9 oktober 2019, NJ (Openbaar ministerie Wenen), C‑489/19 PPU, EU:C:2019:849, punt 34, en 12 december 2019, Parquet Général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie, C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punt 59].

74

Aangezien de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel het in artikel 6 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van de betrokken persoon kan aantasten, houdt deze bescherming in dat op minstens één van de twee niveaus van die bescherming een beslissing wordt genomen die voldoet aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming [arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 68, en 12 december 2019, Parquet Général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie, C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punt 60].

75

In het bijzonder veronderstelt het tweede niveau van bescherming van de rechten van de betrokken persoon dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit controleert of de voor de uitvaardiging noodzakelijke voorwaarden zijn vervuld en op objectieve wijze – rekening houdend met alle belastende en ontlastende elementen en zonder daarbij het risico te lopen dat door derden, met name door de uitvoerende macht, instructies worden gegeven – onderzoekt of die uitvaardiging evenredig is [arrest van 12 december 2019, Parquet Général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie, C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

76

Hieraan moet worden toegevoegd dat kaderbesluit 2002/584, zoals de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie opmerkt, deel uitmaakt van een alomvattend stelsel van waarborgen voor effectieve rechterlijke bescherming waarin is voorzien bij andere Unieregelingen, waaronder richtlijn 2012/13, die zijn vastgesteld op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en die ertoe bijdragen dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd zijn rechten gemakkelijker kan uitoefenen.

77

Zoals reeds is opgemerkt in punt 61 van het onderhavige arrest, verkrijgt de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, vanaf het tijdstip van zijn overlevering aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, de hoedanigheid van „beklaagde” in de zin van richtlijn 2012/13 en geniet hij aldus alle krachtens de artikelen 4, 6 en 7 van deze richtlijn aan die hoedanigheid verbonden rechten, zodat hij zijn verdediging kan voorbereiden en het eerlijk verloop van de procedure kan worden gewaarborgd in overeenstemming met die richtlijn.

78

Wat voorts de periode betreft die voorafgaat aan het moment waarop de persoon tegen wie een dergelijk Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, wordt overgeleverd aan de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, moet worden opgemerkt dat artikel 8, lid 1, onder d) en e), van kaderbesluit 2002/584 bepaalt dat het Europees aanhoudingsbevel gegevens over de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit moet bevatten, alsook een beschrijving van de omstandigheden waarin het strafbare feit is gepleegd, met inbegrip van het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon. Zoals de advocaat-generaal in punt 79 van zijn conclusie heeft opgemerkt, komt deze informatie in wezen overeen met de in artikel 6 van richtlijn 2012/13 bedoelde informatie.

79

Voorts vereist het recht op effectieve rechterlijke bescherming niet dat het in het recht van de uitvaardigende lidstaat neergelegde recht om beroep in te stellen tegen de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op strafvervolging, kan worden uitgeoefend vóór de overlevering van de betrokkene aan de bevoegde autoriteiten van die lidstaat (zie in die zin arrest van 12 december 2019, Parquet Général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie, C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punten 6971).

80

Bijgevolg kan uit de enkele omstandigheid dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, pas na zijn overlevering aan de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in kennis wordt gesteld van de rechtsmiddelen die in die lidstaat openstaan en toegang krijgt tot de stukken van het dossier, niet worden afgeleid dat het recht op effectieve rechterlijke bescherming is geschonden.

81

Uit het voorgaande volgt dat bij het onderzoek van de derde en de vierde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van kaderbesluit 2002/584 in het licht van de artikelen 6 en 47 van het Handvest kunnen aantasten.

Kosten

82

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 4, in het bijzonder lid 3 ervan, alsmede artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, moeten aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde rechten niet gelden voor personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel.

 

2)

Bij het onderzoek van de derde en de vierde prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, in het licht van de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kunnen aantasten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Bulgaars.