ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

12 februari 2020 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 267 VWEU – Uitvoering van een prejudiciële beslissing van het Hof – Bevoegdheid van een hogere rechter om bevelen te geven betreffende de wijze van uitvoering – Procedurele autonomie van de lidstaten – Doeltreffendheidsbeginsel – Eerbiediging van de rechten van de verdediging”

In zaak C‑704/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) bij beslissing van 30 oktober 2018, ingekomen bij het Hof op 12 november 2018, in de strafprocedure tegen

Nikolay Kolev e.a.,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, I. Jarukaitis, E. Juhász, M. Ilešič en C. Lycourgos (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher, R. Troosters en Y. Marinova als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 267 VWEU.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen Nikolay Kolev en zeven andere personen (hierna: „beklaagden”), die ervan worden beschuldigd meerdere strafbare feiten te hebben gepleegd als Bulgaarse douanebeambten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Artikel 6 van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1), met als opschrift „Recht op informatie over de beschuldiging”, bepaalt in lid 3:

„De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde.”

4

Artikel 7 van die richtlijn heeft als opschrift „Recht op toegang tot de stukken van het dossier” en bepaalt in lid 3 het volgende:

„Onverminderd lid 1 wordt met het oog op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging tijdig toegang tot de in lid 2 bedoelde stukken verleend, uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging. Indien de bevoegde autoriteiten in het bezit komen van aanvullende bewijsstukken, verlenen zij daartoe tijdig toegang, zodat deze kunnen worden bestudeerd.”

Bulgaars recht

5

Krachtens artikel 249 van de Nakazatelno protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering, hierna: „NPK”) kan een rechter de gerechtelijke fase van de strafprocedure afsluiten en de zaak terugverwijzen naar de openbare aanklager om de op het strafrechtelijke onderzoek betrekking hebbende vormgebreken inzake de kennisgeving aan de beklaagde van de beschuldiging jegens hem en de verlening van toegang tot de processtukken, recht te zetten.

6

Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, verzet de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke nationale regeling zich ertegen dat een rechterlijke beslissing die is vastgesteld op grond van artikel 249 NPK na de vaststelling ervan kan worden herzien.

7

De artikelen 368 en 369 NPK, in de versie die van kracht was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, voorzagen in een mechanisme waarmee personen tegen wie een strafprocedure liep, konden bewerkstelligen dat de strafprocedure in haar geheel, namelijk niet enkel de gerechtelijke fase maar ook het strafrechtelijk onderzoek, definitief werd beëindigd vanwege schendingen van wezenlijke vormvoorschriften door de openbare aanklager.

8

Krachtens artikel 369 NPK moest de rechter, op verzoek van de beklaagde en na te hebben vastgesteld dat het strafrechtelijk onderzoek niet binnen twee jaar na de beschuldiging was afgesloten, de zaak naar de openbare aanklager terugverwijzen en hem daarbij een termijn stellen om het onderzoek van de zaak af te sluiten en het strafrechtelijk onderzoek te beëindigen, hetzij door de vervolging te beëindigen hetzij door de zaak voor vonnis naar de rechter te verwijzen. In dit laatste geval beschikte de openbare aanklager over een aanvullende termijn om een tenlastelegging op te stellen en bij de rechter in te dienen.

9

In het geval dat de openbare aanklager die nieuwe termijnen niet naleefde, moest de rechter de zaak in behandeling nemen en de strafprocedure beëindigen. Indien de openbare aanklager daarentegen binnen de gestelde termijnen het strafrechtelijk onderzoek beëindigde en een tenlastelegging bij de rechter indiende, ging de rechter na of de procedure regelmatig was verlopen en vergewiste hij zich er in het bijzonder van dat er geen wezenlijke vormvoorschriften waren verzuimd. Indien hij vaststelde dat dit wel was gebeurd, verwees de rechter de zaak opnieuw naar de openbare aanklager en kende hij hem een aanvullende termijn toe om dat vastgestelde verzuim te herstellen. Indien de openbare aanklager die termijn niet naleefde, het verzuim niet herstelde of nieuwe wezenlijke vormvoorschriften verzuimde, moest de rechter de strafprocedure beëindigen.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10

De beklaagden worden sinds 2012 strafrechtelijk vervolgd omdat zij in hun hoedanigheid van Bulgaarse douanebeambten aan een criminele organisatie hebben deelgenomen. Aangezien de verwijzende rechter, de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije), van oordeel was dat de akten van beschuldiging niet door het bevoegde orgaan waren opgesteld en dat bij de opstelling ervan vormvoorschriften waren verzuimd, werd de zaak naar de bevoegde openbare aanklager van het gespecialiseerde parket terugverwezen met de opdracht nieuwe akten van beschuldiging ten aanzien van de beklaagden op te stellen. De procedure werd echter onderbroken en de voor het onderzoek gestelde termijnen zijn meermaals verlengd.

11

In de loop van 2014 is bij de verwijzende rechter een verzoek ingediend om de procedure van de artikelen 368 en 369 NPK in te stellen. Overeenkomstig die bepalingen heeft die rechter de zaak eerst naar de openbare aanklager terugverwezen en hem opgedragen om het onderzoek binnen een bepaalde termijn te beëindigen, nieuwe akten van beschuldiging op te stellen, deze aan de beklaagden mee te delen samen met het onderzoeksdossier, en het strafrechtelijk onderzoek te beëindigen waarna de openbare aanklager vervolgens over een aanvullende termijn beschikte om een tenlastelegging op te stellen en deze bij de rechter in te dienen.

12

Nadat de openbare aanklager nieuwe akten van beschuldiging had opgesteld en binnen de gestelde termijnen een tenlastelegging had ingediend, heeft die rechter nieuwe procedurele onregelmatigheden vastgesteld ten nadele van de beklaagden en heeft hij de zaak opnieuw naar de openbare aanklager verwezen.

13

Bij beschikking van 22 mei 2015 heeft dezelfde rechter vastgesteld dat de openbare aanklager het eerder vastgestelde verzuim van wezenlijke vormvoorschriften niet had hersteld en nieuwe wezenlijke vormvoorschriften had verzuimd. Hij heeft dus geoordeeld dat was voldaan aan de voorwaarden om de strafprocedure te beëindigen en dat die personen daar bijgevolg recht op hadden.

14

Ondanks die vaststellingen heeft de verwijzende rechter echter niet, in overeenstemming met de artikelen 368 en 369 NPK, de beëindiging van de strafprocedure gelast, maar heeft hij, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing in deze zaak, op grond van artikel 249 NPK beslist de gerechtelijke fase af te sluiten en de zaak opnieuw te verwijzen naar de openbare aanklager opdat deze de vormgebreken inzake, ten eerste, de kennisgeving aan de beklaagden van de beschuldiging jegens hen en, ten tweede, de verlening van toegang tot de processtukken, zou herstellen.

15

De rechter bij wie tegen die beschikking van 22 mei 2015 hoger beroep werd ingesteld, heeft bij beschikking van 12 oktober 2015 geoordeeld dat de verwijzende rechter overeenkomstig de artikelen 368 en 369 NPK de strafprocedure had moeten beëindigen en heeft de zaak naar de verwijzende rechter terugverwezen.

16

Bij beslissing van 11 november 2015 heeft de verwijzende rechter een eerste verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend bij het Hof, dat heeft geleid tot het arrest van 5 juni 2018, Kolev e.a. (C‑612/15, EU:C:2018:392; hierna: „arrest Kolev”).

17

In punt 1 van het dictum van dat arrest heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 325, lid 1, VWEU, zich verzet tegen een nationale regeling die voorziet in een procedure tot beëindiging van de strafprocedure als die welke is bedoeld in de artikelen 368 en 369 NPK, voor zover die regeling van toepassing is op procedures die zijn ingesteld in gevallen van ernstige fraude of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Europese Unie op het vlak van douane worden geschaad. Het Hof heeft in hetzelfde punt daaraan toegevoegd dat het aan de verwijzende rechter staat om volle werking te verlenen aan artikel 325, lid 1, VWEU, door die regeling zo nodig buiten toepassing te laten, waarbij hij erop moet toezien dat de grondrechten van de beklaagden worden geëerbiedigd. In punt 70 van dat arrest heeft het Hof in dat verband gepreciseerd dat die rechten het recht omvatten van die personen op de behandeling van hun zaak binnen een redelijke termijn.

18

Het Hof heeft in punt 67 van hetzelfde arrest gepreciseerd dat indien er meerdere maatregelen kunnen worden vastgesteld om de uit artikel 325, lid 1, VWEU voortvloeiende verplichtingen ten uitvoer te leggen, het aan de verwijzende rechter staat om te bepalen welke van die maatregelen moet worden toegepast. Dienaangaande heeft het Hof met name overwogen dat de verwijzende rechter, voor zover de openbare aanklager bij hem binnen de gestelde termijnen een tenlastelegging heeft ingediend, de gerechtelijke fase van de strafprocedure kan inleiden en de eventuele tijdens het strafrechtelijk onderzoek begane onregelmatigheden zelf kan verhelpen.

19

Wat de naleving van het recht van de beklaagden op de behandeling van hun zaak binnen een redelijke termijn betreft, heeft het Hof in punt 74 van het arrest Kolev geoordeeld dat het ook aan de verwijzende rechter staat om te bepalen welke maatregelen moeten worden vastgesteld om de naleving van dat recht te waarborgen, waarbij hij rekening dient te houden met alle procedurele mogelijkheden die het nationale recht biedt, in hun geheel beschouwd en uitgelegd in het licht van het Unierecht. Indien er meerdere mogelijkheden zijn om volle werking te verlenen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 325, lid 1, VWEU, staat het volgens het Hof aan de verwijzende rechter om te bepalen welke van die mogelijkheden het betrokken grondrecht in casu kunnen waarborgen.

20

In punt 2 van het dictum van het arrest Kolev heeft het Hof de artikelen 6 en 7 van richtlijn 2012/13 uitgelegd, waarin de rechten van de beklaagden op informatie over de beschuldiging en op toegang tot de stukken van het dossier zijn vastgelegd.

21

Meer in het bijzonder heeft het Hof in de eerste plaats voor recht verklaard dat artikel 6, lid 3, van die richtlijn zich niet ertegen verzet dat gedetailleerde informatie over de beschuldiging aan de verdediging wordt verstrekt nadat de rechter is verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, doch voordat deze met het onderzoek ten gronde van de beschuldiging aanvangt en de debatten voor hem worden geopend, of nadat die debatten zijn geopend doch vóór de beraadslaging, in het geval dat de verstrekte informatie achteraf is gewijzigd, mits de rechter alle nodige maatregelen neemt om te waarborgen dat de rechten van verdediging worden geëerbiedigd en de procedure eerlijk verloopt.

22

In de tweede plaats heeft het Hof voor recht verklaard dat krachtens artikel 7, lid 3, van de richtlijn 2012/13 de nationale rechter ervoor moet zorgen dat de verdediging daadwerkelijk toegang krijgt tot de stukken van het dossier. Die toegang kan in voorkomend geval worden verleend nadat de rechter is verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, doch voordat deze met het onderzoek ten gronde van de beschuldiging aanvangt en de debatten voor hem worden geopend, of nadat die debatten zijn geopend doch vóór de beraadslaging, in het geval dat tijdens de procedure nieuwe bewijzen aan het dossier worden toegevoegd, mits de rechter alle nodige maatregelen neemt om te waarborgen dat de rechten van verdediging worden geëerbiedigd en de procedure eerlijk verloopt.

23

In punt 3 van het dictum van het arrest Kolev heeft het Hof artikel 3, lid 1, van richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB 2013, L 294, blz. 1) uitgelegd.

24

De verwijzende rechter geeft aan dat hij, bij beschikkingen van 13 juni 2018 en 14 september 2018, respectievelijk de punten 3 en 1 van het dictum van het arrest Kolev heeft toegepast.

25

Wat daarentegen punt 2 van het dictum van dat arrest betreft, stelt de verwijzende rechter dat hij wordt geconfronteerd met een nationale procedureregel die de toepassing ervan in de bij hem aanhangige zaak verhindert.

26

Hij geeft aan dat in casu de gerechtelijke fase van de strafprocedure immers reeds werd afgesloten bij de intussen definitief geworden beschikking van 22 mei 2015, genomen op grond van artikel 249 NPK. Aldus wordt de verwijzende rechter krachtens zijn nationaal recht verhinderd elke latere handeling te verrichten die hem de mogelijkheid zou bieden de door het Hof gegeven uitlegging van richtlijn 2012/13 toe te passen op het hoofdgeding.

27

Tegen de achtergrond van de punten 67 en 74 van het arrest Kolev is de verwijzende rechter evenwel van oordeel dat zijn nationaal recht aldus moet worden uitgelegd dat die procedurele belemmering zich niet verzet tegen de toepassing van het Unierecht.

28

De verwijzende rechter geeft in dat verband aan dat de definitieve beslissing om de gerechtelijke fase af te sluiten van belang is op procedureel gebied, omdat zij betekent dat de zaak wordt terugverwezen naar de openbare aanklager om procedurele maatregelen te treffen en zij op zich geen materiële rechten toekent aan de beklaagden. Hij is van oordeel dat, aangezien de zaak wordt vertraagd, deze beslissing aan die personen een voordeel verschaft dat niet verdedigbaar is omdat het leidt tot een schending van het beginsel van de behandeling van de beschuldiging binnen een redelijke termijn, zoals door het Hof bedoeld in de punten 70 tot en met 74 van het arrest Kolev. De verwijzende rechter merkt bovendien op dat in de gerechtelijke fase van de procedure alle procedurele rechten kunnen worden gewaarborgd die door richtlijn 2012/13, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest Kolev, aan de verdachten worden verleend.

29

Op basis van deze overwegingen heeft de verwijzende rechter bij beschikking van 14 september 2018 beslist om de nationale bepaling die niet voorziet in de mogelijkheid van herziening van een krachtens artikel 249 NPK vastgestelde beslissing om de gerechtelijke fase af te sluiten, buiten toepassing te laten.

30

Twee beklaagden hebben beroep ingesteld tegen deze beschikking, die door de aangezochte rechter nietig werd verklaard omdat het arrest Kolev geen toepassing vond wat de reeds afgesloten gerechtelijke fase betrof, en verder omdat het Hof zich niet uitgesproken had over de verenigbaarheid van artikel 249 NPK met artikel 325 VWEU.

31

De rechter in hoger beroep heeft de zaak terugverwezen naar de verwijzende rechter en hem gelast de gerechtelijke fase te af te sluiten en de zaak terug te verwijzen naar de openbare aanklager. De verwijzende rechter preciseert dat hij op die manier geconfronteerd wordt met een uitdrukkelijk verbod om punt 2 van het dictum van het arrest Kolev toe te passen.

32

De verwijzende rechter twijfelt in dat verband aan de door de rechter in hoger beroep gegeven uitlegging van dit arrest. Laatstbedoelde zou immers zijn beslissing gebaseerd hebben op feiten die het Hof bekend waren wanneer het zijn arrest wees, te weten de beëindiging van de gerechtelijke procedure bij beschikking van 22 mei 2015. Het is echter juist in het licht van die feiten dat het Hof uitdrukkelijk heeft voorzien in de mogelijkheid voor de verwijzende rechter om uitvoering te geven aan dat arrest door de gerechtelijke fase van de procedure in te leiden en zelf de procedurele onregelmatigheden te verhelpen.

33

Daarop heeft de Spetsializiran nakazatelen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 267 VWEU aldus worden uitgelegd dat het de nationale rechter toestaat om een prejudiciële beslissing buiten toepassing te laten in het hoofdgeding met betrekking waartoe deze beslissing is gewezen, door zich te beroepen op feitelijke omstandigheden die het Hof in aanmerking heeft genomen bij zijn prejudiciële beslissing?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

34

Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter bij beschikking van 22 mei 2015, vastgesteld op grond van artikel 249 NPK, de gerechtelijke fase van de strafprocedure in het hoofdgeding had afgesloten, welke beslissing er krachtens nationaal recht aan in de weg staat dat de gerechtelijke fase wordt heropend. Van oordeel dat een beslissing die op die grondslag werd genomen de terugverwijzing van de zaak naar de openbare aanklager met zich meebrengt, heeft de rechter in hoger beroep de beslissing van de verwijzende rechter van 14 september 2018, genomen na het arrest Kolev, om artikel 249 NPK buiten toepassing te laten teneinde de tijdens het strafrechtelijk onderzoek begane procedurele onregelmatigheden zelf te verhelpen, vernietigd. Deze rechter in hoger beroep heeft hem bovendien, op grond van dat artikel 249, gelast om de zaak terug te verwijzen naar de openbare aanklager.

35

De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat een dergelijk bevel zou betekenen dat punt 2 van het dictum van het arrest Kolev niet wordt uitgevoerd.

36

In deze omstandigheden moet de gestelde vraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter in essentie wenst te vernemen of, gelet op de uitlegging die het Hof in punt 2 van het dictum van het arrest Kolev heeft gegeven van artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 3, van richtlijn 2012/13, artikel 267 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale rechtsregel welke de verwijzende rechter verplicht om gevolg te geven aan een bevel van een hogere rechter om de zaak in het hoofdgeding na de afsluiting van de gerechtelijke fase van de strafprocedure terug te verwijzen naar de openbare aanklager om de tijdens het strafrechtelijk onderzoek begane procedurele onregelmatigheden te verhelpen.

37

Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist artikel 267 VWEU van een verwijzende rechter dat hij volle werking verleent aan de door het Hof in de prejudiciële beslissing gegeven uitlegging van het Unierecht (zie in die zin arresten van 3 februari 1977, Benedetti, 52/76, EU:C:1977:16, punt 26, en 5 juli 2016, Ognyanov, C‑614/14, EU:C:2016:514, punt 28).

38

Om de gestelde vraag te beantwoorden, moet derhalve in eerste instantie de draagwijdte van het arrest Kolev nader worden bepaald op het punt van de uitlegging van artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 3, van richtlijn 2012/13, waarop punt 2 van het dictum van dat arrest betrekking heeft. In tweede instantie moet worden onderzocht of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regel van nationaal procesrecht die in artikel 249 NPK is neergelegd en door de nationale rechtspraak zo wordt uitgelegd dat eens de gerechtelijke fase van de strafprocedure is afgesloten, de rechter niet langer bevoegd is en de zaak moet worden terugverwezen naar de openbare aanklager om de tijdens het strafrechtelijk onderzoek begane procedurele onregelmatigheden te verhelpen, de uitvoering van dat punt 2 verhindert.

39

Wat in de eerste plaats de draagwijdte van het arrest Kolev betreft, dient erop gewezen te worden dat blijkens de punten 20 tot en met 22 van het onderhavige arrest het Hof in punt 2 van het dictum van dat arrest in wezen nader heeft bepaald wanneer de in artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 3, van richtlijn 2012/13 vastgelegde procedurele rechten gewaarborgd moeten zijn, te weten in beginsel ten laatste voordat de strafrechter het onderzoek ten gronde van de beschuldiging aanvangt en de debatten voor hem worden geopend.

40

Daarentegen moet worden vastgesteld dat het arrest Kolev niet bepaalt welke nationale autoriteit ervoor moet zorgen dat de beklaagden de betrokken rechten genieten, en evenmin welke procedure daartoe moet worden gevolgd.

41

Wat de concrete uitwerking van die procedure betreft, wijst het Hof er in punt 98 hooguit op dat de nationale rechter ervoor moet zorgen dat er een juist evenwicht bestaat tussen, enerzijds, de eerbiediging van de rechten van verdediging en, anderzijds, de noodzaak te waarborgen dat strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad doeltreffend worden vervolgd en bestraft, en de noodzaak ervoor te zorgen dat de procedure binnen een redelijke termijn wordt afgehandeld.

42

Een soortgelijke verplichting rust noodzakelijkerwijs ook op het openbaar ministerie tijdens het strafrechtelijk onderzoek.

43

In de punten 72 en 73 van het arrest Kolev heeft het Hof verder opgemerkt dat de redelijkheid van de duur van de procedure niet mag worden bepaald aan de hand van een in abstracto vastgesteld nauwkeurig maximum, maar geval per geval moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, zoals het belang en de complexiteit van het geding en het gedrag van de bevoegde autoriteiten en van de partijen, het aantal beklaagden en de duur en de ernst van de feiten die aan die personen ten laste worden gelegd, waarbij de complexiteit van het geschil of het vertragingsgedrag van de verdediging kan worden gezien als rechtvaardiging van een termijn die op het eerste gezicht te lang is.

44

Hieruit volgt dat het arrest Kolev zich er niet tegen verzet dat de rechten van de beklaagden en hun advocaten op informatie over de beschuldiging en op toegang tot de stukken van het dossier worden gegarandeerd door de openbare aanklager na de terugverwijzing van de zaak in het strafrechtelijke onderzoek, dan wel door de verwijzende rechter wanneer de zaak bij hem aanhangig wordt gemaakt.

45

Daaruit volgt ook dat, in tegenstelling tot wat de verwijzende rechter met de formulering van zijn prejudiciële vraag suggereert, het Hof in dat arrest geenszins rekening heeft gehouden met het feit dat de gerechtelijke fase van de strafprocedure in het hoofdgeding door die rechter was afgesloten bij beschikking van 22 mei 2015, vastgesteld op grond van artikel 249 NPK.

46

Integendeel, uit de punten 41 en 67 van het arrest Kolev volgt dat de verwijzende rechter zelf, in zijn verwijzingsbeslissing, de mogelijkheid overwoog om de gerechtelijke fase van de procedure in te leiden, niettegenstaande de vaststelling van zijn beschikking van 22 mei 2015. Het Hof heeft dan ook geenszins de door de rechter in hoger beroep gegeven uitlegging van artikel 249 NPK onderzocht, laat staan dat het deze heeft verworpen als zijnde strijdig met het Unierecht.

47

Wat in de tweede plaats de invloed van die regel van nationaal procesrecht op de uitvoering van punt 2 van het dictum van het arrest Kolev betreft, staat vast dat de door de verwijzende rechter op grond van die bepaling gegeven beschikking van 22 mei 2015 tot gevolg heeft gehad dat de gerechtelijke fase van de strafprocedure werd afgesloten en dat de zaak werd terugverwezen naar de openbare aanklager. Bijgevolg moet worden onderzocht of, zoals de verwijzende rechter vreest, een dergelijke regel de nationale gerechtelijke autoriteiten kan beletten elke latere handeling te verrichten die het mogelijk maakt de in dat punt 2 bedoelde uitlegging toe te passen.

48

In dit verband zij opgemerkt dat het Hof, zoals blijkt uit de punten 67 en 74 van het arrest Kolev, niet heeft voorgeschreven op welke wijze in de procedure in het hoofdgeding concreet uitvoering moet worden gegeven aan punt 2 van het dictum van dit arrest. Aangezien de inleiding van de gerechtelijke fase van de procedure door de verwijzende rechter om de onregelmatigheden zelf te verhelpen slechts een van de mogelijkheden was die het Hof in dat arrest voor ogen had, behoort de keuze van die regeling meer in het bijzonder tot de procedurele autonomie van de lidstaten.

49

In deze omstandigheden staat het aan de interne rechtsorde van elke lidstaat om die regeling vast te stellen, met dien verstande evenwel dat de nationale regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin met name arresten van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral, 33/76, EU:C:1976:188, punten 5 en 6; 28 september 1994, Fisscher, C‑128/93, EU:C:1994:353, punt 39, en 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, C‑411/17, EU:C:2019:622, punt 171).

50

Bijgevolg dient te worden nagegaan of het terugverwijzen van de zaak naar de openbare aanklager om de tijdens het strafrechtelijk onderzoek begane procedurele onregelmatigheden te verhelpen, afbreuk kan doen aan die beginselen, rekening houdend met de uitlegging die het Hof in punt 2 van het dictum van het arrest Kolev heeft gegeven aan artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 3, van richtlijn 2012/13.

51

Dienaangaande dient opgemerkt te worden dat, wat ten eerste het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, uit het verzoek om een prejudiciële beslissing geenszins blijkt dat het door de rechter in hoger beroep aan de verwijzende rechter gegeven bevel dit beginsel geweld zou aandoen.

52

Wat ten tweede het doeltreffendheidsbeginsel betreft, zij er allereerst aan herinnerd dat het Unierecht zich er niet tegen verzet dat een verwijzende rechter bij de uitvoering van een prejudicieel arrest de aanwijzingen van een hogere rechter betreffende de uitlegging van het nationale procesrecht moet volgen, mits die aanwijzingen geen afbreuk doen aan met name de doeltreffendheid van het Unierecht zoals uitgelegd door het Hof in dat arrest. Zo heeft het Hof met name geoordeeld dat, op voorwaarde dat de effectieve bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten verzekerd is, het zich niet dient in te laten met de beslechting van bevoegdheidsvragen die op het niveau van de nationale rechterlijke organisatie kunnen rijzen bij de kwalificatie van bepaalde op het Unierecht gebaseerde rechtssituaties (zie in die zin arrest van 30 september 2003, Köbler,C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 47).

53

Tegen die achtergrond vloeit uit het doeltreffendheidsbeginsel voort dat de verwijzende rechter geen gevolg hoeft te geven aan het door de rechter in hoger beroep aan hem gegeven bevel om het hoofdgeding terug te verwijzen naar de openbare aanklager indien dat bevel de doeltreffendheid aantast van artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 3, van richtlijn 2012/13, zoals door het Hof in het arrest Kolev uitgelegd.

54

Dienaangaande zij evenwel opgemerkt dat ook al werd de gerechtelijke fase van de strafprocedure in het hoofdgeding afgesloten, dat niet geldt voor de procedure in haar geheel, voor zover de zaak werd terugverwezen naar de openbare aanklager.

55

Niets wijst er echter op dat het terugverwijzen van de zaak in het hoofdgeding naar de openbare aanklager de uitoefening van de in artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 3, van richtlijn 2012/13 geformuleerde procedurele rechten belemmert of verhindert en aldus afbreuk doet aan het nuttig effect van die bepalingen, voor zover de openbare aanklager – in het kader van het strafrechtelijk onderzoek – of de verwijzende rechter – in het kader van de daaropvolgende gerechtelijke fase – erover waakt dat die bepalingen, zoals uitgelegd door het Hof in punt 2 van het dictum van het arrest Kolev, worden toegepast.

56

Wat betreft de bedenkingen van de verwijzende rechter inzake de consequenties van een dergelijke terugverwijzing voor de duur van de procedure, moet worden benadrukt dat, zoals blijkt uit punt 42 van dit arrest, de openbare aanklager, net zoals de nationale rechter, tijdens het strafrechtelijk onderzoek ervoor dient te zorgen dat er een juist evenwicht bestaat tussen, enerzijds, de eerbiediging van de rechten van verdediging en, anderzijds, de noodzaak te waarborgen dat strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad doeltreffend worden vervolgd en bestraft, en de noodzaak ervoor te zorgen dat de procedure binnen een redelijke termijn wordt afgehandeld.

57

Uit een en ander volgt dat op de gestelde vraag moet worden geantwoord dat, gelet op de uitlegging die het Hof in punt 2 van het dictum van het arrest Kolev heeft gegeven van artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 3, van richtlijn 2012/13, artikel 267 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regel van nationaal procesrecht die de verwijzende rechter verplicht om, in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, gevolg te geven aan een bevel van een hogere rechter om de zaak na de afsluiting van de gerechtelijke fase van de strafprocedure terug te verwijzen naar de openbare aanklager om de tijdens het strafrechtelijk onderzoek begane procedurele onregelmatigheden te verhelpen, voor zover deze Unierechtelijke bepalingen, zoals uitgelegd door het Hof in punt 2 van het dictum van voormeld arrest, in acht worden genomen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek of in het kader van de daaropvolgende gerechtelijke fase van de strafprocedure.

Kosten

58

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

 

Gelet op de uitlegging die het Hof in punt 2 van het dictum van het arrest van 5 juni 2018, Kolev e.a. (C‑612/15, EU:C:2018:392), heeft gegeven van artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, moet artikel 267 VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regel van nationaal procesrecht die de verwijzende rechter verplicht om, in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, gevolg te geven aan een bevel van een hogere rechter om de zaak na de afsluiting van de gerechtelijke fase van de strafprocedure terug te verwijzen naar de openbare aanklager om de tijdens het strafrechtelijk onderzoek begane procedurele onregelmatigheden te verhelpen, voor zover deze Unierechtelijke bepalingen, zoals uitgelegd door het Hof in punt 2 van het dictum van voormeld arrest, in acht worden genomen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek of in het kader van de daaropvolgende gerechtelijke fase van de strafprocedure.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Bulgaars.