EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62021CC0068

Conclusie van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona van 5 mei 2022.


Court reports – general – 'Information on unpublished decisions' section

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2022:365

 CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA

van 5 mei 2022 ( 1 )

Gevoegde zaken C‑68/21 en C‑84/21

Iveco Orecchia SpA

tegen

APAM Esercizio SpA (C‑68/21),

Brescia Trasporti SpA (C‑84/21),

Andere partijen in de procedure:

Veneta Servizi International Srl unipersonale,

Var Srl,

Di Pinto & Dalessandro SpA,

Bellizzi Srl

[verzoek van de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Overheidsopdrachten – Richtlijn 2014/25/EU – Artikelen 60 en 62 – Technische specificaties – Onderdelen voor autobussen van het merk Iveco of daaraan gelijkwaardige onderdelen – Bewijs van gelijkwaardigheid – Richtlijn 2007/46/EG – Artikel 10, lid 2, artikel 19, lid 1, artikel 28, lid 1, en bijlage IV – EG-typegoedkeuring – Onderdelen – Noodzaak dat onderdelen die onder een van de in bijlage IV vermelde regelgevingen vallen over een EG-typegoedkeuring beschikken”

1.

In Italië hebben twee overheidsondernemingen die in hun respectieve gemeenten (Mantua en Brescia) verantwoordelijk zijn voor het stedelijk en interstedelijk vervoer van personen een openbare aanbesteding uitgeschreven voor de levering van reserveonderdelen voor autobussen. De reserveonderdelen konden zowel originele Iveco-onderdelen zijn, dat wil zeggen onderdelen voor voertuigen van datzelfde merk, als daaraan gelijkwaardige onderdelen.

2.

Na de gunning van de opdrachten voor leveringen heeft een niet-geselecteerde inschrijver twee beroepen ingesteld waarin de vraag aan de orde is of de „gelijkwaardige reserveonderdelen” moesten beschikken over een EG-typegoedkeuring overeenkomstig richtlijn 2007/46/EG ( 2 ).

3.

De Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) wenst bovenal te vernemen of de goedkeuring noodzakelijk is voor de levering van gelijkwaardige reserveonderdelen dan wel of de overlegging – samen met de inschrijving – van een verklaring van gelijkwaardigheid aan het goedgekeurde origineel volstaat.

I. Toepasselijke bepalingen – Unierecht

A.   Richtlijn 2007/46

4.

In artikel 1 („Onderwerp”) van deze richtlijn wordt uiteengezet:

„Deze richtlijn stelt een geharmoniseerd kader vast voor de bestuursrechtelijke bepalingen en de algemene technische voorschriften voor de goedkeuring van alle nieuwe voertuigen die binnen haar toepassingsgebied vallen, en van de systemen, onderdelen en technische eenheden die voor die voertuigen zijn bestemd, met als doel de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen ervan in de Gemeenschap te vergemakkelijken.

In deze richtlijn worden ook de bepalingen vastgesteld voor de verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en uitrustingsstukken voor voertuigen die overeenkomstig deze richtlijn zijn goedgekeurd.

Specifieke technische vereisten betreffende de bouw en de werking van voertuigen worden ter toepassing van deze richtlijn neergelegd in regelgevingen, waarvan de limitatieve lijst is opgenomen in bijlage IV.”

5.

In artikel 2 („Toepassingsgebied”) wordt bepaald:

„1.   Deze richtlijn is van toepassing op de typegoedkeuring van in een of meer fasen ontworpen en gebouwde voertuigen die bestemd zijn voor gebruik op de weg, en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.

[…]”

6.

Artikel 3 („Definities”) schrijft voor:

„Voor de toepassing van deze richtlijn en de in bijlage IV genoemde regelgevingen, tenzij daarin anders is bepaald, wordt verstaan onder:

1.

‚regelgeving’: een bijzondere richtlijn of verordening of een aan de Herziene Overeenkomst van 1958 gehecht VN/ECE-reglement;

2.

‚bijzondere richtlijn of verordening’: een richtlijn of verordening vermeld in bijlage IV, deel I. Deze term omvat ook uitvoeringsbesluiten daarvan;

3.

‚typegoedkeuring’: de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;

4.

‚nationale typegoedkeuring’: een in de nationale wetgeving van een lidstaat vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid beperkt is tot het grondgebied van die lidstaat;

5.

‚EG-typegoedkeuring’: de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van deze richtlijn en van de in bijlage IV of XI vermelde regelgevingen voldoet;

[…]

24.

‚onderdeel’: een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;

[…]”

7.

In artikel 7 („Procedure voor de EG-typegoedkeuring van systemen, onderdelen of technische eenheden”) kan worden gelezen:

„1.   De fabrikant dient de aanvraag bij de goedkeuringsinstantie in. Voor een type systeem, onderdeel of technische eenheid mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend. Voor ieder goed te keuren type wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

2.   De aanvraag gaat vergezeld van het informatiedossier, waarvan de inhoud in de bijzondere richtlijnen of verordeningen is gespecificeerd.

[…]”

8.

In artikel 10 („Bijzondere bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden”) wordt bepaald:

„[…]

2.   De lidstaten verlenen EG-typegoedkeuring aan een onderdeel of technische eenheid dat of die in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage IV genoemde relevante bijzondere richtlijn of verordening.

[…]”

9.

Artikel 19 („EG-typegoedkeuringsmerk”) luidt:

„1.   De fabrikant van een onderdeel of technische eenheid, ongeacht of het of zij deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen en technische eenheden die in overeenstemming met het goedgekeurde type zijn vervaardigd, het krachtens de relevante bijzondere richtlijn of verordening vereiste EG-typegoedkeuringsmerk aan.

2.   Naast het EG-typegoedkeuringsmerk brengt de fabrikant ten minste zijn handelsnaam of handelsmerk en de typeaanduiding en/of een identificatienummer aan.

3.   Het EG-typegoedkeuringsmerk komt overeen met het bepaalde in het aanhangsel bij bijlage VII.”

10.

In artikel 28 („Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden”) wordt bepaald:

„1.   De lidstaten staan de verkoop of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden enkel en alleen toe indien deze aan de voorschriften van de relevante regelgevingen voldoen en overeenkomstig artikel 19 naar behoren zijn gemerkt.

[…]”

11.

In artikel 46 („Sancties”) kan worden gelezen:

„De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn in geval van overtreding van de bepalingen van deze richtlijn, met name van de verbodsbepalingen in of als gevolg van artikel 31, en van de in bijlage IV, deel I, vermelde regelgevingen en zij treffen alle maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van die sancties. […]”

12.

Bijlage IV („Lijst van voorschriften voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen”) bestaat uit twee delen: een lijst van „regelgevingen” (bijzondere richtlijnen en verordeningen) en een lijst van VN/ECE-reglementen, waarbij eerst wordt aangegeven om welke reglementen het gaat („die VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap als partij bij de ‚herziene overeenkomst van Genève van 1958’ van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties krachtens besluit 97/836/EG van de Raad [van 27 november 1997 (PB 1997, L 346, blz. 78)] of latere besluiten van de Raad zoals bepaald in artikel 3, lid 3, van voornoemd besluit, is toegetreden”).

B.   Richtlijn 2014/25

13.

In artikel 60 („Technische specificaties”) van richtlijn 2014/25/EU ( 3 ) wordt bepaald:

„1.   De technische specificaties als omschreven in punt 1 van bijlage VIII maken deel uit van de aanbestedingsstukken. In de technische specificaties wordt bepaald welke kenmerken worden voorgeschreven voor werken, leveringen of diensten.

[…]

2.   De technische specificaties bieden inschrijvers gelijke toegang tot de aanbestedingsprocedures en mogen er niet toe leiden dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden opgeworpen.

3.   Onverminderd dwingende nationale technische voorschriften, voor zover deze verenigbaar zijn met het recht van de Unie, worden de technische specificaties aangegeven op een van de volgende wijzen:

a)

in termen van prestatie of functionele eisen, inclusief milieukenmerken, mits de parameters voldoende nauwkeurig zijn opdat de inschrijvers het voorwerp van de opdracht kunnen bepalen en de aanbestedende instanties de opdracht kunnen gunnen;

b)

door verwijzing naar de technische specificaties en, in volgorde van voorkeur, de nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, de Europese technische beoordelingen, de gemeenschappelijke technische specificaties, internationale normen, andere door de Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen, of, bij gebreke van dit alles, de nationale normen, de nationale technische goedkeuringen dan wel de nationale technische specificaties inzake het ontwerpen, het berekenen en het uitvoeren van de werken en het gebruik van de leveringen; elke verwijzing gaat vergezeld van de woorden ‚of gelijkwaardig’;

c)

in termen van de onder a) bedoelde prestatie of functionele eisen, waarbij onder vermoeden van overeenstemming met deze prestatie of functionele eisen wordt verwezen naar de onder b) bedoelde technische specificaties;

d)

door verwijzing naar de onder b) bedoelde technische specificaties voor bepaalde kenmerken, en naar de onder a) bedoelde prestatie of functionele eisen voor andere kenmerken.

4.   Behalve indien dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is, mag in de technische specificaties geen melding worden gemaakt van een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze die kenmerkend is voor de producten of diensten van een bepaalde ondernemer, en evenmin van een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd. Deze vermelding is bij wijze van uitzondering toegestaan wanneer een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke omschrijving van het voorwerp van de opdracht krachtens lid 3 niet mogelijk is. Een dergelijke vermelding of verwijzing gaat vergezeld van de woorden ‚of gelijkwaardig’.

5.   Wanneer een aanbestedende instantie gebruikmaakt van de mogelijkheid te verwijzen naar de in lid 3, onder b), genoemde technische specificaties, wijst zij een inschrijving niet af op grond van het feit dat de aangeboden werken, leveringen of diensten niet overeenstemmen met de betrokken technische specificaties, wanneer de inschrijver in zijn inschrijving met elk passend middel, inclusief de in artikel 62 bedoelde bewijsmiddelen, aantoont dat de voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze voldoen aan de in de technische specificaties gestelde eisen.

6.   […]

De inschrijver bewijst in zijn inschrijving met elk passend middel, waaronder de in artikel 62 bedoelde middelen, dat het werk, de levering of de dienst dat/die in overeenstemming is met de norm, voldoet aan de prestatie of functionele eisen van de aanbestedende instantie.”

14.

Artikel 62 („Testverslagen, certificatie en andere bewijsmiddelen”) schrijft voor:

„1.   De aanbestedende instanties kunnen eisen dat ondernemers een testverslag of certificaat van een conformiteitsbeoordelingsinstantie verstrekken als bewijs van overeenstemming met de voorschriften of criteria die zijn neergelegd in de technische specificaties, de gunningscriteria of de contractvoorwaarden.

Wanneer aanbestedende instanties eisen dat certificaten van een specifieke conformiteitsbeoordelingsinstantie worden overgelegd, worden door hen ook certificaten van andere gelijkwaardige conformiteitsbeoordelingsinstanties aanvaard.

[…]

2.   Aanbestedende instanties aanvaarden andere dan de in lid 1 bedoelde geschikte bewijsmiddelen, zoals een technisch dossier van de fabrikant, wanneer de betrokken ondernemer geen toegang heeft tot de in lid 1 bedoelde certificaten of testverslagen of deze niet binnen de desbetreffende termijnen kan verkrijgen, mits het ontbreken van toegang de betrokken ondernemer niet valt aan te rekenen, op voorwaarde dat de betrokken ondernemer daarbij aantoont dat de door hem geleverde werken, leveringen of diensten voldoen aan de voorschriften of criteria van de technische specificaties, de gunningscriteria of de contractvoorwaarden.

[…]”

II. Feiten, procedures en prejudiciële vragen

A.   Litigieuze gunningen

1. Zaak C‑68/21

15.

APAM Esercizio SpA, een onderneming die actief is in de sector stedelijk en interstedelijk openbaar vervoer van Mantua (Italië), heeft een openbare aanbesteding uitgeschreven ( 4 ) voor de levering gedurende twee jaar van „originele Iveco-reserveonderdelen of daaraan gelijkwaardige reserveonderdelen voor autobussen” (IGC 7602877C91), met een geraamde waarde van 710000 EUR.

16.

In artikel 5.1 („Typologie van de reserveonderdelen”) van het bestek werd onderscheid gemaakt tussen:

„reserveonderdelen bestemd voor het waarborgen van de veiligheid van het voertuig en de bescherming van het milieu”. Wat deze onderdelen betreft, mogen „onderdelen die met het voertuig of als technische eenheden aan goedkeuringsproeven zijn onderworpen alleen worden geleverd als originele onderdelen of daaraan gelijkwaardige onderdelen die wettelijk zijn goedgekeurd overeenkomstig de nationale wetgeving (verkeersreglement) en de communautaire wetgeving (richtlijn 98/14/EEG [van de Commissie van 6 februari 1998 (PB 1998, L 91, blz. 1)], richtlijn [2007/46] en bijlage IV bij deze laatste richtlijn)”;

„originele reserveonderdelen (of reserveonderdelen voor de aanvankelijke assemblage)”;

„gelijkwaardige reserveonderdelen”, gedefinieerd als „reserveonderdelen (onderdelen, uitrustingsstukken) van gelijke kwaliteit als het originele onderdeel, of onderdelen waarvan de kwaliteit ten minste gelijk is aan die van de onderdelen die worden gebruikt voor de assemblage van het voertuig en die worden vervaardigd overeenkomstig de productiestandaarden van de fabrikant van de originele reserveonderdelen”.

17.

Daar werd in dat artikel aan toegevoegd dat „die [gelijkwaardige] reserveonderdelen, in overeenstemming met de Unievoorschriften en de geldende wettelijke bepalingen, kunnen worden vervaardigd door elke onderneming die te allen tijde overeenkomstig de geldende regeling (UNI-CEI-ENISO/IEC 17050) kan certificeren dat de kwaliteit van de geproduceerde reserveonderdelen overeenkomt met die van de originele onderdelen die zijn gebruikt voor de assemblage van de betrokken motorvoertuigen”.

18.

In artikel 5.2 („Certificeringen en verklaringen”) van het bestek werd bepaald dat de inschrijver „in het kader van de aanbestedingsprocedure en voor het voorgestelde gelijkwaardige reserveonderdeel het certificaat van overeenstemming of een specifieke goedkeuring van het reserveonderdeel, dat door de fabrikant of door de goedkeuringsinstantie of het overeenkomstig ISO 45000 gecertificeerde testlaboratorium is verstrekt, moet overleggen”.

19.

Artikel 15 („Administratieve documentatie”) van het bestek vereiste onder d) de overlegging van „de passende technische documentatie voor elk voorgesteld gelijkwaardig reserveonderdeel, vergezeld van: […] een goedkeuringscertificaat voor het product, indien verplicht, afgegeven door de fabrikant van het voorgestelde gelijkwaardige reserveonderdeel; een verklaring van gelijkwaardigheid van het aangedragen product aan het overeenkomstige originele product (of het product voor de aanvankelijke assemblage), begrepen als volledige substitueerbaarheid, zonder enige aanpassing, met het onderdeel van het samenstel of systeem waarop het moet worden aangebracht, prestatiekenmerken die de regelmatige functionaliteit en veiligheid van het product in het systeem waarborgen en een identieke levensduur, afgegeven door de producent van het voorgestelde gelijkwaardige reserveonderdeel”.

20.

Aan de procedure is deelgenomen door drie ondernemingen, waaronder Iveco Orecchia en Veneta Servizi International Srl unipersonale, waarbij de opdracht aan deze laatste onderneming is gegund.

2. Zaak C‑84/21

21.

Brescia Trasporti SpA, een onderneming die actief is in de sector stedelijk en interstedelijk openbaar vervoer van Brescia (Italië), heeft een aanbestedingsprocedure uitgeschreven ( 5 ) voor een opdracht voor „de levering van reserveonderdelen voor autobussen van het merk Iveco die zijn uitgerust met een Iveco-motor – CIG 7680570EDB”, met een geraamde basiswaarde van 2100000 EUR.

22.

Artikel 1 („Technische definities”) van het document met de technische specificaties van de aanbestedingsprocedure voorzag in drie soorten reserveonderdelen: „originele reserveonderdelen”, „originele reserveonderdelen voor de aanvankelijke assemblage” en „gelijkwaardige reserveonderdelen”.

23.

Volgens lid 3 van artikel 1 zijn „reserveonderdelen van gelijke kwaliteit als het originele onderdeel […] onderdelen waarvan de kwaliteit ten minste gelijk is aan die van de onderdelen die zijn gebruikt voor de bouw van het voertuig en die zijn vervaardigd overeenkomstig de eigen productiestandaarden van de fabrikant van het reserveonderdeel”.

24.

In artikel 2 („Kenmerken van de te leveren reserveonderdelen […]”) van hetzelfde document werd bepaald dat de inschrijver voor elk reserveonderdeel moest vermelden of hij een origineel onderdeel, een onderdeel voor de aanvankelijke assemblage of een gelijkwaardig onderdeel wenste te leveren.

25.

Artikel 3 („Bij de inschrijving over te leggen documentatie”) vereiste ten aanzien van „reserveonderdelen van gelijke kwaliteit” dat de inschrijving, op straffe van uitsluiting, vergezeld ging van een „verklaring van de fabrikant van het reserveonderdeel waaruit voor elk reserveonderdeel blijkt dat:

de kwaliteit van de reserveonderdelen van voldoende hoge kwaliteit is om te waarborgen dat het gebruik ervan de reputatie van het betrokken erkende netwerk niet in gevaar brengt;

het reserveonderdeel volledig inwisselbaar is met het originele reserveonderdeel, […] zonder dat het samenstel of systeem waarop het moet worden aangebracht op enigerlei wijze hoeft te worden aangepast […]”.

26.

Daar werd in artikel 3 aan toegevoegd dat „[d]e leverancier bovendien, indien dit verplicht is, het goedkeuringscertificaat van het product dient over te leggen. In het geval van remvoeringen, remschijven en trommels dient de leverancier, naast bovengenoemde documenten, ook het certificaat over te leggen dat de communautaire typegoedkeuring ECE R90 aantoont.”

27.

Aan de aanbestedingsprocedure is deelgenomen door Iveco Orecchia en VAR Srl, waarbij de opdracht aan deze laatste onderneming is gegund.

B.   Nationale procedures en prejudiciële vraag

28.

Iveco Orecchia is bij de Tribunale amministrativo regionale per la Lombardia – sezione staccata di Brescia (bestuursrechter in eerste aanleg Lombardije, afdeling Brescia, Italië) opgekomen tegen de twee gunningsbesluiten, waarbij zij in wezen aanvoerde dat:

de geselecteerde inschrijvers niet aan de hand van een certificering of andere middelen de in de aanbestedingsstukken en de toepasselijke wetgeving vereiste goedkeuring van de onderdelen hadden aangetoond;

subsidiair, de voorwaarden van de inschrijving onwettig waren indien zij aldus zouden worden uitgelegd dat zij, waar dat wel noodzakelijk was, niet de overlegging van een door een bevoegde instantie afgegeven goedkeuringscertificaat of, in ieder geval, het bewijs van het bestaan van een dergelijke goedkeuring vereisten.

29.

De rechter in eerste aanleg heeft de twee beroepen van Iveco Orecchia afgewezen in vonnissen van respectievelijk 25 juni en 26 augustus 2019, waartegen deze onderneming hoger beroep heeft ingesteld bij de Consiglio di Stato. ( 6 )

30.

Volgens de Consiglio di Stato ( 7 ):

worden originele Iveco-reserveonderdelen – het voorwerp van de leveringen – samen met het voertuig goedgekeurd;

is de verkoop van reserveonderdelen die aan goedkeuring zijn onderworpen, met name als zij de veiligheid van voertuigen en de milieuprestaties in gevaar kunnen brengen, alleen mogelijk indien de goedkeuringsinstantie die onderdelen heeft goedgekeurd en een vergunning heeft verleend;

bevat bijlage IV bij richtlijn 2007/46 de specifieke en gedetailleerde lijst van categorieën onderdelen waarvoor relevante en ook specifieke wetgeving inzake de goedkeuring ervan bestaat;

werd in de technische specificaties, voor zover noodzakelijk, het goedkeuringscertificaat vereist. ( 8 )

moet in het licht van deze factoren worden bepaald of het noodzakelijk is om niet-originele onderdelen die door een fabrikant van dergelijke onderdelen zijn vervaardigd, goed te keuren;

lijkt de toepasselijke regelgeving, te weten richtlijn 2007/46 en de nationale omzettingsregels, aan voertuigfabrikanten (die het voertuig in zijn geheel goedkeuren, en daarmee automatisch ook elk van de onderdelen ervan) dezelfde typegoedkeuringsverplichtingen op te leggen als aan fabrikanten van onderdelen;

mag een onderdeel, wanneer het is onderworpen aan de bepalingen van een regelgeving (als bedoeld in bijlage IV bij richtlijn 2007/46), derhalve alleen in de handel worden gebracht wanneer het eerder is goedgekeurd;

zou echter ook kunnen worden gesteld, zoals de geïntimeerde ondernemingen betogen, dat in het geval van door andere subjecten dan de voertuigfabrikanten gedane inschrijvingen voor reserveonderdelen waarin wordt voorzien in de typologie van voornoemde bijlage IV, niet kan worden verlangd dat dezelfde technische documenten, die aantonen dat de onderdelen zijn onderworpen aan de voor de goedgekeurde oorspronkelijke onderdelen vereiste proeven, worden overgelegd. Vanuit dit oogpunt zou het kunnen volstaan dat, als alternatief voor die documentatie, een algemene verklaring van gelijkwaardigheid wordt overgelegd waarin wordt verklaard dat het reserveonderdeel voldoet aan de technische specificaties in het bestek en dat de voorgestelde oplossingen in overeenstemming zijn met die van dat bestek.

31.

In deze context stelt de Consiglio di Stato twee prejudiciële vragen, waarvan ik op aanwijzing van het Hof alleen de eerste zal behandelen. Die vraag luidt als volgt:

„Is het in overeenstemming met het Unierecht – en met name de artikelen 10, 19 en 28 van richtlijn [2007/46], en met de beginselen van gelijke behandeling en onpartijdigheid, volledige mededinging en goed bestuur – dat het specifiek met betrekking tot de levering, in het kader van een overheidsopdracht, van reserveonderdelen voor autobussen die bestemd zijn voor het openbaar vervoer, de aanbestedende dienst is toegestaan reserveonderdelen voor een bepaald voertuig te aanvaarden die zijn vervaardigd door een andere fabrikant dan de voertuigfabrikant en dus niet samen met het voertuig zijn goedgekeurd, die vallen onder een van de typen onderdelen die zijn vermeld in de in bijlage IV bij bovengenoemde richtlijn vermelde technische regelingen (‚Lijst van voorschriften voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen’), en die in de aanbestedingsprocedure zijn ingediend zonder het typegoedkeuringscertificaat en zonder enige informatie over de feitelijke goedkeuring, en er zelfs van uit wordt gegaan dat goedkeuring niet noodzakelijk is aangezien louter een verklaring van de inschrijver dat het onderdeel gelijkwaardig is aan het goedgekeurde origineel volstaat?”

III. Procedure bij het Hof

32.

De verzoeken om een prejudiciële beslissing zijn op respectievelijk 3 en 11 februari 2021 ingekomen ter griffie van het Hof.

33.

Iveco Orecchia, Brescia Trasporti SpA, Var Srl, Veneta Servizi International Srl unipersonale, Di Pinto & Dalessandro SpA, APAM Esercizio SpA, de Italiaanse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Op Di Pinto & Dalessandro SpA na hebben alle partijen deelgenomen aan de op 10 maart 2022 gehouden terechtzitting.

IV. Beoordeling

A.   Opmerking vooraf

34.

Hoewel de verwijzende rechter enkel vraagt om uitlegging van de artikelen 10, 19 en 28 van richtlijn 2007/46, kan niet worden genegeerd dat de gedingen betrekking hebben op opdrachten voor leveringen waarvan de gunning heeft plaatsgevonden volgens een procedure die is onderworpen aan de voorschriften van richtlijn 2014/25.

35.

Zoals de Commissie opmerkt en zoals ter terechtzitting naar voren is gebracht, zijn de litigieuze gunningen verricht door twee entiteiten die actief zijn in de sector stedelijk en interstedelijk vervoer, waarvan de regeling is neergelegd in richtlijn 2014/25.

36.

Zowel in de verwijzingsbeslissingen als in enkele schriftelijke opmerkingen wordt richtlijn 2014/24/EU ( 9 ) aangehaald. Naar mijn mening is dit echter niet de juiste referentienorm.

37.

Nogmaals zij opgemerkt dat het voorwerp van de aanbestede opdrachten in deze zaken bestond uit de levering van reserveonderdelen voor autobussen in het kader van de verlening van openbaarvervoerdiensten. Deze opdrachten vallen onder richtlijn 2014/25, aangezien zij een belangrijke rol spelen bij „activiteiten die het ter beschikking stellen of exploiteren van netten bestemd voor openbare dienstverlening op het gebied van vervoer per […] autobus […] beogen”, zoals in artikel 11 van die verordening wordt bepaald.

38.

Vervoersdiensten zijn krachtens artikel 1, lid 2, van richtlijn 2014/25 uitdrukkelijk opgenomen in de werkingssfeer van die richtlijn.

39.

Hoe dan ook zijn de in casu relevante artikelen (60 en 62) van richtlijn 2014/25 gelijkwaardig aan de overeenkomstige artikelen (42 en 44) van richtlijn 2014/24.

B.   Eerste prejudiciële vraag

40.

De vraag van de verwijzende rechter is scherp afgebakend: de Consiglio di Stato wenst te vernemen of een aanbestedende dienst reserveonderdelen voor autobussen kan aanvaarden wanneer, cumulatief:

die onderdelen behoren tot een van de categorieën van bijlage IV bij richtlijn 2007/46;

de onderdelen zijn vervaardigd door een andere fabrikant dan die van de autobus waardoor zij niet samen met die autobus zijn goedgekeurd;

de onderdelen niet vergezeld gaan van het goedkeuringscertificaat of van informatie over de feitelijke goedkeuring, in de veronderstelling dat die goedkeuring niet nodig is en een door de inschrijver zelf afgegeven verklaring van gelijkwaardigheid (aan het originele onderdeel) volstaat.

41.

Voor de beantwoording van deze vraag zal ik eerst de Unieregels inzake de goedkeuring van motorvoertuigen en voor deze voertuigen bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden analyseren. Daarna zal ik ingaan op de verschillen tussen goedkeuring en gelijkwaardigheid, om ten slotte de relevantie van richtlijn 2014/25 voor deze zaken te belichten.

1. Goedkeuring van voertuigen en voertuigonderdelen

42.

Richtlijn 2007/46 heeft tot doel om „de nationale goedkeuringssystemen te vervangen door een communautaire goedkeuringsprocedure op basis van het beginsel van volledige harmonisatie.” ( 10 )

43.

In artikel 1 van richtlijn 2007/46 wordt het onderwerp van de richtlijn omschreven, te weten de instelling van „een geharmoniseerd kader […] voor de bestuursrechtelijke bepalingen en de algemene technische voorschriften voor de goedkeuring” van niet alleen nieuwe voertuigen die binnen het toepassingsgebied ervan vallen, maar ook van de systemen, onderdelen en technische eenheden die voor die voertuigen zijn bestemd.

44.

In datzelfde kader worden „de bepalingen vastgesteld voor de verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en uitrustingsstukken voor voertuigen die overeenkomstig deze richtlijn zijn goedgekeurd”.

45.

Richtlijn 2007/46 heeft het begrip „typegoedkeuring” ( 11 ) gemunt, dat niet hetzelfde behelst als de individuele goedkeuring. Het kan hierbij gaan om zowel een „nationale typegoedkeuring”, waarvan de geldigheid zich beperkt tot het grondgebied van een lidstaat, als een „EG-typegoedkeuring”. Deze laatste bevestigt dat wordt voldaan aan „de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van [de] richtlijn en van de in bijlage IV of XI vermelde regelgevingen”. ( 12 )

46.

Zoals ik reeds heb opgemerkt, heeft de prejudiciële vraag enkel betrekking op de categorieën onderdelen ( 13 ) die zijn opgenomen in de in bijlage IV bij richtlijn 2007/46 vermelde regelgevingen. ( 14 )

47.

De EG-typegoedkeuring van onderdelen kan ofwel samen met het nieuwe voertuig, ofwel onafhankelijk daarvan worden verleend. ( 15 ) Overeenkomstig artikel 3, punt 24, van richtlijn 2007/46 kan een onderdeel dat is bestemd om deel uit te maken van een voertuig onafhankelijk van dat voertuig worden goedgekeurd.

48.

Voor de EG-typegoedkeuring van zelfstandige onderdelen wordt een procedure gevolgd die wordt beheerst door artikel 7 van Richtlijn 2007/46 en waarvan de bijzondere bepalingen zijn opgenomen in artikel 10. Volgens lid 2 van dit laatste artikel verlenen „[d]e lidstaten […] EG-typegoedkeuring aan een onderdeel […] dat […] in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage IV genoemde relevante bijzondere richtlijn of verordening”.

49.

Hoewel niet met de duidelijkheid die wenselijk zou zijn, volgt uit artikel 10, lid 2, artikel 19 en artikel 28, lid 1, van richtlijn 2007/46 dat de in bijlage IV bij die richtlijn vermelde voertuigonderdelen in beginsel zijn onderworpen aan goedkeuring.

50.

Het is dan ook van betekenis dat de lidstaten volgens artikel 28, lid 1, van richtlijn 2007/46 enkel en alleen de verkoop of het in het verkeer brengen van goedgekeurde onderdelen kunnen toestaan. Onder „goedgekeurde onderdelen” worden verstaan onderdelen die „aan de voorschriften van de relevante regelgevingen [zoals vermeld in bijlage IV] voldoen en overeenkomstig artikel 19 naar behoren zijn gemerkt”.

51.

Het bij richtlijn 2007/46 gekozen instrument om vast te stellen of de (originele of niet-originele) onderdelen van een voertuig aan de technische voorschriften van de in bijlage IV opgenomen regelgevingen voldoen is goedkeuring, en niet een ander instrument. Mijns inziens is dit de meest passende uitlegging van artikel 10, lid 2, van die richtlijn, gelezen in het licht van de regelgevingen waarnaar in bijlage IV wordt verwezen.

52.

Nu kan het geval zich voordoen (zoals VAR in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt en de Commissie en de Italiaanse regering ter terechtzitting hebben bevestigd) dat een specifiek onderdeel op grond van diezelfde regelgevingen is vrijgesteld van de verplichte goedkeuring. In die situatie is de verstrekking van het goedkeuringscertificaat, dat moet worden overgelegd voor alle andere in bijlage IV vermelde onderdelen, niet verplicht.

53.

Dit geval wordt geregeld in artikel 19, lid 2, van richtlijn 2007/46: „[Indien geen EG-typegoedkeuringsmerk is vereist,] brengt de fabrikant [van het onderdeel] ten minste zijn handelsnaam of handelsmerk en de typeaanduiding en/of een identificatienummer aan.”

54.

Behoudens dus in die omstandigheid, mogen de onderdelen die zijn opgenomen in de in bijlage IV bij richtlijn 2007/46 vermelde regelgevingen niet op de markt worden gebracht als zij niet eerder een EG-typegoedkeuring hebben verkregen. Onderstreept zij dat de verkoop en het in het verkeer brengen ervan zonder die goedkeuring niet is toegestaan.

55.

Dit vereiste houdt verband met eisen inzake de veiligheid van het wegverkeer, waarvoor de goedkeuring van reserveonderdelen (met enkele uitzonderingen) verplicht wordt gesteld. ( 16 ) Aldus wordt de EG-typegoedkeuring een voorafgaande voorwaarde voor de geschiktheid van de reserveonderdelen, die niet alleen geldt voor het op de markt brengen ervan via openbare aanbestedingen, maar voor elke vorm van marktintroductie.

56.

Het is niet van belang of de onderdelen worden vervaardigd door de merkhouder of door een producent van reserveonderdelen en of zij in een nieuw of in een gebruikt voertuig worden geïnstalleerd. Van discriminatie ten nadele van fabrikanten van gelijkwaardige reserveonderdelen kan bijgevolg geen sprake zijn: in het geval van onderdelen die aan EG-typegoedkeuring zijn onderworpen, vallen gelijkwaardige en originele onderdelen onder dezelfde regeling. ( 17 )

57.

Na deze premisse te hebben vastgesteld, moet als antwoord op het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag worden verklaard dat:

een aanbestedende dienst in beginsel geen reserveonderdelen zonder goedkeuringscertificaat mag aanvaarden als die reserveonderdelen onder de in bijlage IV bij richtlijn 2007/46 vermelde regelgevingen vallen en die regelgevingen goedkeuring voor die onderdelen vereisen,

het aan de verwijzende rechter staat om op basis van de specifieke onderdelen waarop de aanbestedingsprocedure betrekking had, na te gaan of deze ingevolge voornoemde regelgevingen waren onderworpen aan verplichte goedkeuring.

2. Goedkeuring en gelijkwaardigheid

58.

Middels het tweede deel van de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of in de door hem beschreven situatie een door de inschrijver zelf afgegeven verklaring van gelijkwaardigheid aan het goedgekeurde origineel kan volstaan.

59.

De begrippen „goedkeuring” en „gelijkwaardigheid” hebben elk hun eigen, niet met die van het andere begrip samenvallende betekenis:

Goedkeuring is een controletechniek die wordt toegepast door een autoriteit, een instantie of een entiteit onder haar auspiciën waarmee wordt gecertificeerd dat een voertuig voldoet (of, in dit geval, de onderdelen daarvan voldoen) aan bepaalde wettelijke voorschriften en technische vereisten.

De (verklaring van) gelijkwaardigheid beperkt zich tot een objectieve vergelijking van bepaalde producten, ongeacht of deze eerder zijn goedgekeurd of niet.

60.

Goedkeuring is, zoals ik reeds heb opgemerkt, een vereiste voor het op de markt brengen van voertuigonderdelen die moeten voldoen aan zeer gedetailleerde technische specificaties. De goedkeuring stoelt op dwingende veiligheidseisen, die onontbeerlijk zijn voor het verkeer van voertuigen op de openbare weg.

61.

Gelijkwaardigheid (in casu van door verschillende fabrikanten vervaardigde reserveonderdelen die dezelfde functie vervullen) ziet veeleer op de kenmerken van de vergeleken producten, waarbij het kan gaan om dezelfde of van elkaar afwijkende kenmerken.

62.

De bewijzen voor deze twee statussen zijn niet onderling inwisselbaar. Een goedgekeurd onderdeel kan niet-gelijkwaardig zijn aan het onderdeel waar de aanbestedende dienst om vraagt, terwijl omgekeerd een niet-goedgekeurd onderdeel materieel gelijkwaardig kan zijn aan de originele onderdelen zoals bedoeld in de technische specificaties van de aanbestedingsprocedure.

63.

De gedachte zou kunnen postvatten dat wanneer twee reserveonderdelen, waarvan het een is goedgekeurd en het ander niet, van gelijkwaardige kwaliteit en onderling inwisselbaar zijn, dat zo is omdat beide onderdelen voldoen aan de technische vereisten om de goedkeuringscontrole met succes te doorlopen. Mij dunkt echter niet dat die veronderstelling kan worden gebaseerd op richtlijn 2007/46. Wanneer de verkeersveiligheid en de bescherming van het milieu in het geding zijn, is controle door een derde partij (de autoriteit of instantie die de goedkeuring uitvoert volgens specifieke procedures en proeven) noodzakelijk voor elk prototype, tenzij dit in regelgeving niet nodig wordt geacht.

64.

Het schijnt mij niet toe dat reserveonderdelen zijn vrijgesteld van de goedkeuringscontrole (en uitsluitend zijn onderworpen aan de verklaring van gelijkwaardigheid) alleen omdat zij in een reeds gebruikt voertuig moeten worden aangebracht. Dat de reserveonderdelen bestemd zijn om (per definitie a posteriori) in dergelijke voertuigen te worden opgenomen, maakt ze niet automatisch veiliger, hetgeen sommige partijen in het geding lijken te denken.

65.

De clausules betreffende de twee in deze gedingen aan de orde zijnde gunningen voldeden aan dit criterium: in het geval van gelijkwaardige reserveonderdelen die aan goedkeuring waren onderworpen moest de inschrijver, op straffe van uitsluiting van zijn inschrijving, het goedkeuringscertificaat overleggen.

66.

Voor dit specifieke type reserveonderdelen kan daarom niet worden aanvaard dat de inschrijver, als alternatief voor het verstrekken van goedkeuringscertificaten, een zuiver eenzijdige verklaring overlegt waarin hij bevestigt dat de reserveonderdelen gelijkwaardig zijn aan de originele onderdelen.

67.

In het geval van reserveonderdelen die zijn onderworpen aan verplichte goedkeuring volstaat de door de inschrijver afgegeven verklaring van gelijkwaardigheid aan het goedgekeurde originele onderdeel dus niet.

68.

Onderzocht moet nog worden of deze uitlegging van richtlijn 2007/46 verenigbaar is met de beginselen en de bepalingen van richtlijn 2014/25.

3. Relevantie van richtlijn 2014/25

69.

Aanbestedende diensten moeten in de bestekken die zij publiceren vermelden aan welke kenmerken de in het kader van de overheidsopdracht aan te kopen werken, leveringen of diensten moeten voldoen. Daartoe kunnen onder andere de in de „technische specificaties” van de respectieve producten of diensten beschreven kenmerken behoren.

70.

Zoals ik te gelegener tijd heb opgemerkt, kan, „[a]ls die technische specificaties op subjectieve wijze worden omschreven, […] dat op zijn minst een belangrijke ‚toetredingsdrempel’ vormen voor bepaalde inschrijvers en in extreme gevallen van tevoren de uiteindelijke keuze van de winnende inschrijver bepalen (soms zelfs op frauduleuze wijze), als kenmerken van producten of diensten worden vermeld waaraan alleen die inschrijver kan voldoen” ( 18 ).

71.

De wens om onregelmatige praktijken te voorkomen en het oogmerk om „de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging […] mogelijk [te] maken” hebben de Uniewetgever ertoe gebracht om op dit gebied regelgevende bepalingen in te voeren die de mogelijkheid bieden om „inschrijvingen in te dienen waarin de diversiteit van technische oplossingen, normen en technische specificaties op de markt tot uiting komt, met inbegrip van die welke zijn opgesteld aan de hand van prestatiecriteria die zijn gerelateerd aan de levenscyclus en de duurzaamheid van het productieproces van de bewuste werken, leveringen en diensten” ( 19 ).

72.

Deze aspiratie wordt weerspiegeld in artikel 60, lid 2, van richtlijn 2014/25: „De technische specificaties bieden inschrijvers gelijke toegang tot de aanbestedingsprocedures en mogen er niet toe leiden dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden opgeworpen.”

73.

Bijgevolg is de regel dat „de technische specificaties zodanig [moeten] worden opgesteld dat kunstmatige concurrentiebeperking, die erin bestaat eisen te stellen die een bepaalde ondernemer bevoordelen omdat zij afgestemd zijn op de hoofdkenmerken van de leveringen, diensten of werken zoals deze gewoonlijk door die ondernemer worden aangeboden, wordt voorkomen. Door de technische specificaties als functionele en prestatie-eisen te formuleren, kan deze doelstelling in het algemeen optimaal worden bereikt.” ( 20 )

74.

Bij wijze van uitzondering staat artikel 60, lid 4, van richtlijn 2014/25 nochtans toe dat „melding [wordt] gemaakt van […] een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie”. Deze mogelijkheid, die bepaalde producenten bevoordeelt, wordt echter gemitigeerd door het vereiste dat de vermelding of verwijzing altijd vergezeld gaat van de woorden „of gelijkwaardig”. ( 21 )

75.

Het is in overeenstemming met de beginselen van artikel 60, lid 2, van richtlijn 2014/25 dat lid 5 van datzelfde artikel en artikel 62, lid 2, voorzien in de mogelijkheid om bij het aantonen van de gelijkwaardigheid van reserveonderdelen op een open en flexibele wijze de naleving van de technische specificaties te onderbouwen, „hetgeen betekent dat het gebruik van elk passend middel is toegestaan” ( 22 ).

76.

In casu hadden de opdrachten betrekking op de levering van reserveonderdelen, die zowel oorspronkelijke Iveco-onderdelen als gelijkwaardige onderdelen konden zijn. In het geval van reserveonderdelen die zijn onderworpen aan het goedkeuringsvereiste was het certificaat waarin die goedkeuring werd aangetoond echter niet onontbeerlijk, aangezien die (originele of gelijkwaardige) reserveonderdelen zonder dat certificaat – als noodzakelijke voorwaarde voor het op de markt brengen ervan – niet door een inschrijver konden worden aangeboden.

77.

Richtlijn 2014/25 regelt het bewijs met betrekking tot de technische specificaties zonder te verwijzen naar de goedkeuring van de goederen die het voorwerp van de levering zijn. Dat is ook logisch. Het goedkeuringsvereiste zal namelijk afhankelijk zijn van het soort levering dat wordt aanbesteed ( 23 ) en de sectoren die onder die richtlijn vallen laten een zeer heterogeen panorama zien.

78.

Niettemin kan richtlijn 2014/25, hoezeer ook geïnspireerd op het oogmerk van een grotere openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging, niet voorbijgaan aan de dwingende vereisten die door andere regels van Unierecht worden opgelegd.

79.

Dit wordt erkend in overweging 56 van richtlijn 2014/25: „Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag beletten dat maatregelen worden voorgeschreven of toegepast ter bescherming van de […] veiligheid […] of de gezondheid van mensen, dieren of planten of andere milieumaatregelen”.

80.

Richtlijn 2014/25 mag de toepassing van richtlijn 2007/46 dus niet „beletten” voor zover laatstgenoemde richtlijn ertoe strekt „een hoog niveau van verkeersveiligheid, gezondheidsbescherming, milieubescherming, energie-efficiëntie en beveiliging tegen ongeoorloofd gebruik te waarborgen” ( 24 ). Aangezien richtlijn 2007/46, juist gelet op deze doelstellingen, de goedkeuring van bepaalde reserveonderdelen voor voertuigen oplegt, wordt dat vereiste onontkoombaar en kan het niet uit de weg worden gegaan met een beroep op richtlijn 2014/25.

81.

Zoals de Commissie betoogt ( 25 ), vormt datzelfde criterium de inspiratie voor andere regels betreffende de werking van de interne markt waarmee de Uniewetgever heeft onderstreept dat een lex specialis (zoals die welke het verkeer van motorvoertuigen regelt) voorrang heeft boven de algemene bepalingen inzake het vrije verkeer van producten.

82.

Hoe dan ook is de verplichting om reserveonderdelen goed te keuren niet onverenigbaar met de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging. Ter bescherming van die openstelling vergemakkelijkt artikel 38, lid 1, van richtlijn 2007/46 de toegang tot de productie van zelfstandige onderdelen voor concurrenten van de voertuigfabrikant. Laatstgenoemde moet aan die concurrenten alle relevante, „in de bijlage of het aanhangsel bij een regelgeving gespecificeerde gegevens en, in voorkomend geval, tekeningen die voor de EG-typegoedkeuring van onderdelen […] zijn vereist” ter beschikking stellen.

V. Conclusie

83.

Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de eerste prejudiciële vraag van de Consiglio di Stato te beantwoorden als volgt:

„Artikel 10, lid 2, artikel 19, lid 1, en artikel 28, lid 1, van richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer bij de aanbesteding van een overheidsopdracht voor de levering van reserveonderdelen voor autobussen die bestemd zijn voor het openbaar vervoer wordt toegestaan dat er gelijkwaardige reserveonderdelen worden aangeboden waarvoor op grond van een van de in bijlage IV bij die richtlijn vermelde regelgevingen goedkeuring is vereist, inschrijvers het EG-typegoedkeuringscertificaat moeten overleggen en de overlegging van alleen een verklaring van gelijkwaardigheid niet volstaat.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.

( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (PB 2007, L 263, blz. 1). Die richtlijn is inmiddels ingetrokken bij verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van richtlijn 2007/46/EG (PB 2018, L 151, blz. 1). Verordening 2018/858 is ratione temporis niet van toepassing op deze gedingen.

( 3 ) Richtlijn van het Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17/EG (PB 2014, L 94, blz. 243).

( 4 ) Aankondiging gepubliceerd in het supplement bij het PB voor de bekendmaking van Europese overheidsaanbestedingen van 21 augustus 2018 (referentie 2018/S 159‑365946).

( 5 ) Aankondiging gepubliceerd in het supplement bij het PB voor de bekendmaking van Europese overheidsaanbestedingen van 13 november 2018 (referentie 2018/S 218‑500319).

( 6 ) In het vonnis van 26 augustus 2019 heeft de rechter in eerste aanleg het eerste middel van de vordering van Iveco Orecchia afgewezen op grond, naast andere overwegingen, dat zij niet specifiek had aangegeven welke door Brescia Trasporti SpA aangeboden reserveonderdelen over het goedkeuringscertificaat moesten beschikken.

( 7 ) Punten VIII.1, VIII.2 en VIII.4 van de verwijzingsbeslissing.

( 8 ) Volgens de verwijzingsbeslissing in zaak C‑84/21, werd „in de litigieuze aanbestedingsprocedure […] in de technische specificaties het goedkeuringscertificaat verlangd, voor zover noodzakelijk, en werd voor de gelijkwaardige remschijven en -trommels uitdrukkelijk verwezen naar artikel 34 van richtlijn 2007/46 (waarin dan weer werd verwezen naar de voor de EG-typegoedkeuring voorgeschreven VN/ECE-reglementen)”.

( 9 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).

( 10 ) Overweging 2.

( 11 )

( 12 ) Artikel 3, punt 5, van richtlijn 2007/46.

( 13 ) Systemen en technische eenheden worden derhalve buiten beschouwing gelaten.

( 14 ) In artikel 3, punt 1, van richtlijn 2007/46 wordt „regelgeving” gedefinieerd als „een bijzondere richtlijn of verordening of een aan de herziene overeenkomst van 1958 gehecht VN/ECE-reglement” [„waartoe de Gemeenschap als partij bij de ‚herziene overeenkomst van Genève van 1958’ van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties [VN/ECE] krachtens besluit [97/836] van de Raad […] is toegetreden” (titel II van bijlage IV bij de kaderrichtlijn)]. Volgens artikel 34, lid 1, van richtlijn 2007/46 maken „[d]e VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap is toegetreden en die in bijlage IV, deel I, […] zijn vermeld, […] op dezelfde wijze als de bijzondere richtlijnen of verordeningen deel uit van de EG-typegoedkeuring voor voertuigen”.

( 15 ) De onderhavige gedingen zien op een situatie waarin reserveonderdelen van de autobus niet samen met het voertuig zelf worden goedgekeurd, maar afzonderlijk.

( 16 ) Daarom verplicht artikel 46 van richtlijn 2007/46 de lidstaten om „sancties vast [te stellen] die van toepassing zijn in geval van overtreding van de bepalingen van deze richtlijn […] en van de in bijlage IV, deel I, vermelde regelgevingen en […] alle maatregelen [te treffen] die nodig zijn voor de toepassing van die sancties”.

( 17 ) In haar schriftelijke opmerkingen (blz. 15 van het Italiaanse origineel) stelt VAR dat „zij nooit heeft beweerd dat […] de goedkeuring van een reserveonderdeel dat gelijkwaardig is aan een aan verplichte goedkeuring onderworpen onderdeel ‚niet nodig zou zijn’, noch dat de goedkeuring in dat geval zou kunnen worden vervangen door een ‚door de inschrijver overgelegde verklaring van gelijkwaardigheid aan het goedgekeurde originele onderdeel’”.

( 18 ) Conclusie in de zaak VAR en ATM (C‑14/17, EU:C:2018:135, punt 2).

( 19 ) Overweging 83 van richtlijn 2014/25.

( 20 ) Ibidem.

( 21 ) In de punten 33 e.v. van de conclusie in zaak VAR en ATM (C‑14/17, EU:C:2018:135) heb ik de rechtspraak van het Hof aangaande „de opname van technische specificaties waarin verwezen wordt naar een bepaald merk, in de aankondigingen van overheidsopdrachten of de bestekken” nader onderzocht.

( 22 ) Arrest van 12 juli 2018, VAR en ATM (C‑14/17, EU:C:2018:568, punt 33).

( 23 ) Op veel opdrachten voor leveringen zijn er geen Unieregels inzake de goedkeuring van producten van toepassing. Omdat de aanbestedingen in de onderhavige zaken echter betrekking hadden op reserveonderdelen voor voertuigen die onder een geharmoniseerd kader vallen, is er een strikte regeling van toepassing die voorziet in goedkeuring, tenzij de desbetreffende regelgeving in bijlage IV bij richtlijn 2007/46 dit voor bepaalde onderdelen uitsluit.

( 24 ) Overweging 3 van richtlijn 2007/46.

( 25 ) Punt 42 en voetnoot 37 van haar schriftelijke opmerkingen, waarin zij overweging 5 van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93 (PB 2008, L 218, blz. 30) aanhaalt. Volgens die overweging moet „[h]et bij deze verordening ingestelde kader voor markttoezicht […] bestaande communautaire harmonisatiewetgeving met betrekking tot markttoezicht en de handhaving van dergelijke bepalingen aanvullen en versterken. In overeenstemming met het lex-specialisbeginsel dient deze verordening echter enkel van toepassing te zijn voor zover er geen specifieke bepalingen zijn met dezelfde doelstelling, van dezelfde aard of met hetzelfde effect als in andere bestaande of toekomstige regels van communautaire harmonisatiewetgeving. Voorbeelden kunnen in de volgende sectoren worden gevonden: drugsprecursoren, medische apparatuur, geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik, motorvoertuigen en luchtvaart. De overeenkomstige bepalingen van deze verordening mogen derhalve niet van toepassing zijn op de gebieden die door zulke specifieke bepalingen worden gedekt” (cursivering van mij).

Top