EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62020CJ0302

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 maart 2022.
A tegen Autorité des marchés financiers.
Verzoek van de cour d'appel de Paris om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Interne markt voor financiële diensten – Marktmisbruik – Richtlijn 2003/6/EG en richtlijn 2003/124/EG – ‚Voorwetenschap’ – Begrip – Informatie die ‚concreet’ is – Informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten – Wederrechtelijk karakter van de mededeling van voorwetenschap – Uitzonderingen – Verordening (EU) nr. 596/2014 – Artikel 10 – Mededeling van voorwetenschap in het kader van de normale uitoefening van een beroep – Artikel 21 – Mededeling van voorwetenschap voor journalistieke doeleinden – Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting – Openbaarmaking door een journalist aan een gebruikelijke informatiebron van informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel.
Zaak C-302/20.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2022:190

 ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

15 maart 2022 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Interne markt voor financiële diensten – Marktmisbruik – Richtlijn 2003/6/EG en richtlijn 2003/124/EG – ‚Voorwetenschap’ – Begrip – Informatie die ‚concreet’ is – Informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten – Wederrechtelijk karakter van de mededeling van voorwetenschap – Uitzonderingen – Verordening (EU) nr. 596/2014 – Artikel 10 – Mededeling van voorwetenschap in het kader van de normale uitoefening van een beroep – Artikel 21 – Mededeling van voorwetenschap voor journalistieke doeleinden – Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting – Openbaarmaking door een journalist aan een gebruikelijke informatiebron van informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel”

In zaak C‑302/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) bij beslissing van 9 juli 2020, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure

A

tegen

Autorité des marchés financiers (AMF),

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, K. Jürimäe, C. Lycourgos, N. Jääskinen, I. Ziemele, J. Passer, kamerpresidenten, J.‑C. Bonichot, T. von Danwitz, M. Safjan, F. Biltgen (rapporteur), A. Kumin en N. Wahl, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: V. Giacobbo, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 juni 2021,

gelet op de opmerkingen van:

A, vertegenwoordigd door G. Roch en S. Poisson, avocates,

de Autorité des marchés financiers (AMF), vertegenwoordigd door M. Delorme en A. du Passage als gemachtigden,

de Franse regering, vertegenwoordigd door E. de Moustier, A.‑L. Desjonquères en E. Leclerc als gemachtigden,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz en J. Rodríguez de la Rúa Puig als gemachtigden,

de Zweedse regering, vertegenwoordigd door O. Simonsson, J. Lundberg, C. Meyer-Seitz, A. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, H. Shev, H. Eklinder en R. Shahsavan Eriksson als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Tryantafyllou, T. Scharf en J. Rius als gemachtigden,

de Noorse regering, vertegenwoordigd door T. M. Tobiassen, K. K. Næss, P. Wennerås en T. H. Aarthun als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 september 2021,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (PB 2003, L 96, blz. 16), artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124/EG van de Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn 2003/6 wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft (PB 2003, L 339, blz. 70), en de artikelen 10 en 21 van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn 2003/6 en richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB 2014, L 173, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A en de Autorité des marchés financiers (AMF) (autoriteit voor financiële markten, Frankrijk; hierna: „AMF”) over het besluit van laatstgenoemde om A een geldboete op te leggen wegens de mededeling van informatie over de ophanden zijnde publicatie van persartikelen waarin aandacht wordt besteed aan marktgeruchten over het uitbrengen van openbare overnamebiedingen op beursgenoteerde ondernemingen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2003/6

3

In de overwegingen 1, 2 en 12 van richtlijn 2003/6 stond te lezen:

„(1)

Een echte interne markt voor financiële diensten is van cruciaal belang voor economische groei en het scheppen van werkgelegenheid in de [Europese Unie].

(2)

Voor een geïntegreerde en efficiënte financiële markt is marktintegriteit nodig. Een goede werking van de effectenmarkten en vertrouwen van het publiek in de markten zijn noodzakelijke voorwaarden voor economische groei en welvaart. Marktmisbruik schaadt de integriteit van de financiële markten en schendt het vertrouwen van het publiek in effecten en derivaten.

[...]

(12)

Marktmisbruik omvat handel met voorwetenschap en marktmanipulatie. De wetgeving tegen handel met voorwetenschap dient hetzelfde doel als wetgeving tegen marktmanipulatie: het waarborgen van de integriteit van de [...] financiële markten [in de Unie] en het vergroten van het vertrouwen van de beleggers in deze markten. [...]”

4

Artikel 1, punt 1, eerste alinea, van deze richtlijn luidde:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

‚voorwetenschap’: niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een of meer emittenten van financiële instrumenten of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten.”

5

Artikel 2, lid 1, van die richtlijn bepaalde:

„De lidstaten verbieden de in de tweede alinea bedoelde personen die over voorwetenschap beschikken om gebruik te maken van deze voorwetenschap door, voor eigen rekening of voor rekening van derden, rechtstreeks of middellijk de financiële instrumenten waarop deze voorwetenschap betrekking heeft te verkrijgen of te vervreemden, of te trachten deze te verwerven of te vervreemden.

De eerste alinea is van toepassing op iedere persoon die in het bezit van die informatie is:

[...]

c)

vanwege het feit dat hij toegang heeft tot de informatie vanwege de uitoefening van zijn werk, beroep of functie [...]

[...].”

6

Artikel 3 van richtlijn 2003/6 was als volgt verwoord:

„De lidstaten verbieden iedere persoon waarop de verbodsbepaling van artikel 2 van toepassing is:

a)

voorwetenschap aan een derde mede te delen, tenzij dit gebeurt in het kader van de normale uitoefening van hun werk, beroep of functie;

[...]”

Richtlijn 2003/124

7

De overwegingen 1 tot en met 3 van richtlijn 2003/124 luidden:

„(1)

Redelijk handelende beleggers baseren hun beleggingsbeslissingen op informatie die reeds voor hen beschikbaar is, d.w.z. vooraf beschikbare informatie. De vraag of een redelijk handelende belegger bij het nemen van een beleggingsbeslissing met een bepaalde inlichting rekening zou kunnen houden, moet derhalve worden beoordeeld op basis van de vooraf beschikbare informatie. Bij een dergelijke beoordeling moet rekening worden gehouden met de verwachte invloed van de inlichting in kwestie op de totaliteit van de activiteit van de betrokken emittent, de betrouwbaarheid van de informatiebron en alle andere marktvariabelen die onder de gegeven omstandigheden van invloed kunnen zijn op het desbetreffend financieel instrument of daarvan afgeleid financieel instrument.

(2)

Van achteraf beschikbare informatie kan gebruik worden gemaakt om de hypothese of de vooraf beschikbare informatie wel degelijk koersgevoelig was te verifiëren, maar niet om stappen te ondernemen tegen iemand die redelijke conclusies heeft getrokken uit informatie die vooraf voor hem beschikbaar was.

(3)

Aan marktdeelnemers dient meer rechtszekerheid te worden geboden door een nauwkeuriger omschrijving te geven van twee essentiële facetten van de definitie van voorwetenschap, namelijk van ‚informatie die concreet is’ en van ‚informatie die een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten’.”

8

Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Voorwetenschap”, bepaalde:

„1.   Voor de toepassing van artikel 1, punt 1, van richtlijn [2003/6] wordt informatie geacht concreet te zijn indien zij betrekking heeft op een situatie die bestaat of waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij zal ontstaan, dan wel op een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden of waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden, en indien de informatie specifiek genoeg is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van bovenbedoelde situatie of gebeurtenis op de koers van financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten.

2.   Voor de toepassing van artikel 1, punt 1, van richtlijn [2003/6] wordt verstaan onder ‚informatie die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten’, informatie waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren.”

Verordening nr. 596/2014

9

Richtlijn 2003/6 en richtlijn 2003/124 zijn per 3 juli 2016 ingetrokken bij verordening nr. 596/2014.

10

De overwegingen 2, 7 en 77 van verordening nr. 596/2014 luiden:

„(2)

Voor een geïntegreerde, efficiënte en transparante financiële markt is marktintegriteit nodig. Een goede werking van de effectenmarkten en vertrouwen van het publiek in de markten zijn noodzakelijke voorwaarden voor economische groei en welvaart. Marktmisbruik schaadt de integriteit van de financiële markten en schendt het vertrouwen van het publiek in effecten en derivaten.

[...]

(7)

Marktmisbruik is het begrip dat onwettige gedragingen op de financiële markten omvat. In het kader van deze verordening moet het worden geïnterpreteerd als handel met voorwetenschap, wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap en marktmanipulatie. Dergelijke gedragingen zijn een belemmering voor volledige en reële markttransparantie, die voor alle marktdeelnemers op geïntegreerde financiële markten een eerste vereiste is om handelstransacties te kunnen verrichten.

[...]

(77)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [...] in acht. Derhalve dient deze verordening te worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen. Er moet in het bijzonder aandacht worden geschonken aan de in deze verordening vermelde persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, en aan de regels of codes van het journalistieke beroep, aangezien zij worden gewaarborgd in de Unie en in de lidstaten, en erkend worden in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten [van de Europese Unie] en in andere bepalingen ter zake.”

11

Artikel 8 van deze verordening, met als opschrift „Handel met voorwetenschap”, bepaalt in lid 4:

„Dit artikel is van toepassing op ieder persoon die over voorwetenschap beschikt omdat deze persoon:

[...]

c)

toegang heeft tot de informatie uit hoofde van de uitoefening van werk, beroep of functie;

[...]”

12

Artikel 10 van die verordening, met als opschrift „Wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap”, bepaalt in lid 1:

„Voor de toepassing van deze verordening is sprake van wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap als een persoon die over voorwetenschap beschikt deze voorwetenschap bekendmaakt aan enige andere persoon, tenzij de bekendmaking plaatsvindt uit hoofde van de normale uitoefening van werk, beroep of functie.

Dit lid is van toepassing op iedere natuurlijke of rechtspersoon in de in artikel 8, lid 4, bedoelde situaties of omstandigheden.”

13

Artikel 14, onder c), van verordening nr. 596/2014 bepaalt dat het verboden is om voorwetenschap wederrechtelijk mee te delen.

14

Artikel 21 van deze verordening, met als opschrift „Openbaarmaking of verspreiding van informatie in de media”, luidt:

„Voor de toepassing van artikel 10, artikel 12, lid 1, onder c), en artikel 20 wanneer informatie openbaar wordt gemaakt of wordt verspreid en wanneer aanbevelingen worden verstrekt of verspreid ten behoeve van journalistieke doeleinden of andere uitdrukkingsvormen in de media, wordt deze openbaarmaking of verspreiding van informatie beoordeeld met inachtneming van de bepalingen inzake de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, en de journalistieke gedragscodes, tenzij:

a)

de betrokkenen of personen die nauw met hen verbonden zijn, rechtstreeks of onrechtstreeks een voordeel of winst behalen uit de openbaarmaking of de verspreiding van de betreffende informatie, of

b)

de openbaarmaking of de verspreiding wordt verricht met de bedoeling de markt te misleiden op het gebied van het aanbod van, de vraag naar of de koers van financiële instrumenten.”

Frans recht

15

Artikel 621‑1 van het règlement général de l’Autorité des marchés financiers (algemeen reglement van de AMF), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „RGAMF”), luidt:

„Voorwetenschap is niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een of meer emittenten van financiële instrumenten of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten.

Informatie wordt geacht concreet te zijn indien zij betrekking heeft op een situatie of gebeurtenis die heeft plaatsgevonden of kan plaatsvinden, en indien het mogelijk is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van bovenbedoelde situatie of gebeurtenis op de koers van de betrokken financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten.

Informatie die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten, is informatie waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zou maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren.”

16

Artikel 622‑1 RGAMF bepaalt:

„Iedere in artikel 622‑2 genoemde persoon onthoudt zich van de gebruikmaking van de voorwetenschap waarover hij beschikt [...].

Hij onthoudt zich tevens van:

1° de mededeling van deze informatie aan een derde, tenzij dit gebeurt in het kader van de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie of voor andere doeleinden dan waarvoor deze informatie aan hem is medegedeeld;

[...]”

17

In artikel 622‑2 RGAMF staat te lezen:

„De in artikel 622‑1 neergelegde onthoudingsverplichtingen gelden voor iedere persoon die in het bezit is van voorwetenschap wegens:

[...]

3° het feit dat hij toegang heeft tot de informatie ten gevolge van zijn werk, beroep of functie en deelneemt aan de voorbereiding en uitvoering van een financiële transactie;

[...]

Deze onthoudingsverplichtingen gelden tevens voor iedere andere persoon die over voorwetenschap beschikt en die weet of zou moeten weten dat het om voorwetenschap gaat.

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18

A heeft jarenlang het beroep van journalist uitgeoefend bij verschillende Britse dagbladen, het laatst bij de Daily Mail. In het kader van zijn werkzaamheden voor dat dagblad verzorgde hij de rubriek „Marktrapport”, waarin aandacht werd besteed aan marktgeruchten. A heeft onder meer twee artikelen geschreven over effecten die zijn toegelaten tot de handel op Euronext. Beide artikelen zijn gepubliceerd op de internetsite Mail Online van dat dagblad.

19

In het eerste artikel, dat is gepubliceerd op 8 juni 2011, werd gewag gemaakt van een mogelijk openbaar overnamebod van de vennootschap LVMH op de effecten van de vennootschap Hermès tegen een prijs van 350 EUR per aandeel, die 86 % hoger lag dan de slotkoers van die effecten op de dag waarop dit artikel werd gepubliceerd. De dag na deze publicatie is deze koers vanaf de opening van de beurssessie met 0,64 % en tijdens die sessie vervolgens met 4,55 % gestegen.

20

In het tweede artikel, dat is gepubliceerd op 12 juni 2012, werd vermeld dat mogelijkerwijs een openbaar overnamebod zou worden gedaan op de effecten van de vennootschap Maurel & Prom tegen een voorgestelde koopprijs van ongeveer 19 EUR per aandeel, die 80 % hoger lag dan de laatste slotkoers van die effecten. De dag na de publicatie van dit artikel heeft dit ertoe geleid dat de koers van die aandelen bij de sluiting van de beurs met 17,69 % stegen. Op 14 juni 2012 heeft de vennootschap Maurel & Prom dit gerucht ontkracht.

21

In het kader van een onderzoek van de AMF is gebleken dat kort vóór de publicatie van die twee artikelen kooporders zijn geplaatst voor respectievelijk de effecten van de vennootschappen Hermès en Maurel & Prom door Britse ingezetenen, die na die publicatie hun posities hadden gesloten.

22

Bij schrijven van 23 februari 2016 heeft de directie onderzoeken en controles van de AMF alle betrokken personen, onder wie met name A, in kennis gesteld van de feiten die hun naar aanleiding van de bevindingen van de onderzoekers van die directie zouden kunnen worden verweten. In het licht van het onderzoeksrapport van diezelfde directie is op 19 juli 2016 besloten mee te delen welke verwijten hun werden gemaakt.

23

Zo heeft de AMF bij brief van 7 december 2016 aan A een mededeling van de bezwaren doen toekomen, waarin zij hem verweet dat hij in strijd met de artikelen 622‑1 en 622‑2 RGAMF aan twee personen, B en C, voorwetenschap had meegedeeld over de ophanden zijnde publicatie van twee artikelen waarin aandacht zou worden besteed aan geruchten over de indiening van openbare overnamebiedingen op de effecten Hermès en Maurel & Prom.

24

Bij besluit van 24 oktober 2018 heeft de sanctiecommissie van de AMF bepaalde aan A gemaakte verwijten gegrond verklaard en hem een geldboete van 40000 EUR opgelegd. Zij heeft zich met name op het standpunt gesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie over de nakende publicatie van persartikelen waarin melding zou worden gemaakt van geruchten over transacties met beursgenoteerde effecten, voldeed aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als „voorwetenschap”, en heeft vastgesteld dat A deze voorwetenschap betreffende de effecten van de vennootschap Hermès aan B en C en de voorwetenschap betreffende de effecten van de vennootschap Maurel & Prom aan C had meegedeeld.

25

De verwijzende rechter, bij wie tegen deze beslissing beroep is ingesteld, vraagt zich in de eerste plaats af of informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten, „voorwetenschap” in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6 vormt, en met name of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie in casu „concreet” is in de zin van de definitie van „voorwetenschap”.

26

Onder verwijzing naar de in artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124 gegeven definitie van informatie die „concreet” is, vraagt de verwijzende rechter zich af of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie specifiek genoeg is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed ervan op de koers van financiële instrumenten, zoals bedoeld in die bepaling.

27

In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of de informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel slechts als „specifiek genoeg” kan worden beschouwd indien de inhoud van het artikel zelf specifiek genoeg is, en in voorkomend geval of – zoals A betoogt – de aard zelf van een gerucht belet dat het voldoende concreet is.

28

Gelet op de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding vraagt de verwijzende rechter zich tevens af welke invloed op de beoordeling van het concrete karakter van de informatie in kwestie uitgaat van ten eerste de vermelding van de prijs die wordt geboden in het kader van een eventueel openbaar overnamebod op de effecten van de betrokken emittenten van de financiële instrumenten, ten tweede de bekendheid van de journalist van wiens hand de persartikelen over de geruchten zijn en de reputatie van het persorgaan dat deze artikelen heeft gepubliceerd, en ten derde het feit dat die artikelen achteraf daadwerkelijk aanzienlijke invloed hebben gehad op de koers van de effecten waarover die geruchten gingen.

29

In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter, voor het geval dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie zou worden aangemerkt als voorwetenschap, te vernemen of de openbaarmaking van dergelijke informatie door een journalist aan een van zijn gebruikelijke informatiebronnen kan worden geacht te hebben plaatsgevonden „ten behoeve van journalistieke doeleinden” in de zin van artikel 21 van verordening nr. 596/2014. Aangezien deze bepaling in richtlijn 2003/6 geen tegenhanger heeft, is de verwijzende rechter van oordeel dat zij met terugwerkende kracht op de feiten van het hoofdgeding kan worden toegepast als bepaling die minder streng is dan de bepalingen van die richtlijn.

30

Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af hoe artikel 21 van verordening nr. 596/2014 zich verhoudt tot artikel 10 van deze verordening, waarnaar artikel 21 verwijst en op grond waarvan de mededeling van voorwetenschap wederrechtelijk is tenzij die mededeling plaatsvindt in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie. Voor het geval dat artikel 10 van verordening nr. 596/2014 van toepassing zou zijn op de bekendmaking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie, wenst de verwijzende rechter te vernemen of deze bekendmaking overeenkomstig het arrest van 22 november 2005, Grøngaard en Bang (C‑384/02, EU:C:2005:708), slechts gerechtvaardigd is indien zij strikt noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van journalist en strookt met het evenredigheidsbeginsel.

31

In deze omstandigheden heeft de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

a)

Moet artikel 1, punt 1, eerste alinea, van [richtlijn 2003/6], gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1, van [richtlijn 2003/124] aldus worden uitgelegd dat informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten kan voldoen aan het in die bepalingen neergelegde concreetheidsvereiste voor de kwalificatie van informatie als voorwetenschap?

b)

Is de omstandigheid dat het persartikel waarvan de ophanden zijnde publicatie de informatie in kwestie vormt bij wijze van marktgerucht de prijs van een openbaar overnamebod vermeldt, van invloed op de beoordeling of die informatie concreet van aard is?

c)

Zijn de bekendheid van de journalist van wiens hand het artikel is, de reputatie van het persorgaan dat dit artikel heeft gepubliceerd, en de daadwerkelijk aanzienlijke invloed (‚ex post’) van deze publicatie op de koers van de effecten waarop deze publicatie betrekking heeft, relevante criteria voor de beoordeling van de concrete aard van de informatie in kwestie?

2)

Indien [de] informatie [in kwestie] aan het gestelde concreetheidsvereiste [voldoet]:

a)

Moet artikel 21 van [verordening nr. 596/2014] dan aldus worden uitgelegd dat wanneer een journalist aan een van zijn gebruikelijke [informatiebronnen] informatie openbaar maakt over de ophanden zijnde publicatie van een door hem geschreven artikel betreffende marktgeruchten, dit een openbaarmaking is die ‚ten behoeve van journalistieke doeleinden’ is geschied?

b)

Is voor het antwoord op deze vraag dan met name beslissend of de journalist al dan niet door deze bron in kennis is gesteld van het marktgerucht, dan wel of de openbaarmaking van de informatie over de ophanden zijnde publicatie van het artikel al dan niet nuttig was om van die bron meer duidelijkheid te verkrijgen over de geloofwaardigheid van dat gerucht?

3)

Moeten de artikelen 10 en 21 van [verordening nr. 596/2014] aldus worden uitgelegd dat er, zelfs wanneer een journalist voorwetenschap openbaar maakt ‚ten behoeve van journalistieke doeleinden’ in de zin van artikel 21, voor de beoordeling van de vraag of deze openbaarmaking al dan niet wederrechtelijk is moet worden nagegaan of zij heeft plaatsgevonden ‚uit hoofde van de normale uitoefening van [het journalistieke] beroep’ in de zin van artikel 10?

4)

Moet artikel 10 van [verordening nr. 596/2014] aldus worden uitgelegd dat de openbaarmaking van voorwetenschap slechts plaatsvindt in de normale uitoefening van het journalistieke beroep indien zij strikt noodzakelijk is voor de uitoefening van dit beroep en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste prejudiciële vraag

32

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6 aldus moet worden uitgelegd dat informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten, voor de kwalificatie als voorwetenschap informatie kan vormen die „concreet” is in de zin van die bepaling en van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124, alsmede of voor de beoordeling van het concrete karakter van die informatie relevantie toekomt aan het feit dat in dat persartikel wordt vermeld tegen welke prijs de effecten van die emittent zouden worden gekocht in het kader van een eventueel openbaar overnamebod, aan de identiteit van de journalist van wiens hand het betreffende artikel is en van het persorgaan dat het publiceert, en aan de daadwerkelijke invloed van deze publicatie op de koers van die effecten.

33

In herinnering dient te worden gebracht dat de definitie van het begrip „voorwetenschap” in artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6 vier essentiële bestanddelen omvat. Ten eerste gaat het om informatie die concreet is. Ten tweede is deze informatie niet openbaar gemaakt. Ten derde heeft zij rechtstreeks of middellijk betrekking op een of meer financiële instrumenten of de emittenten ervan. Ten vierde zou zij, indien zij openbaar werd gemaakt, een aanzienlijke invloed kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten (arrest van 11 maart 2015, Lafonta, C‑628/13, EU:C:2015:162, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34

In casu is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie, die betrekking heeft op de ophanden zijnde publicatie van persartikelen waarin aandacht wordt besteed aan marktgeruchten over het uitbrengen van openbare overnamebiedingen op effecten van beursgenoteerde ondernemingen, door de auteur van die artikelen openbaar gemaakt aan twee van zijn gebruikelijke informatiebronnen. Volgens de verwijzende rechter vervult deze informatie de laatste drie van de in het vorige punt van dit arrest vermelde vier bestanddelen van de definitie van het begrip „voorwetenschap”. Wat het vierde bestanddeel betreft, doet hij deze vaststelling ten eerste steunen op de overweging dat de informatie in kwestie door een redelijk handelende belegger kon worden gebruikt om er zijn beleggingsbeslissingen over die effecten ten dele op te baseren – omdat zij de bestaande speculaties over de betreffende effecten in de hand werkte – en ten tweede op de koersschommelingen van die effecten die zich hadden voorgedaan na de publicatie van de artikelen in kwestie. Hij betwijfelt echter of in casu het eerste bestanddeel van die definitie vervuld is. Dat bestanddeel heeft betrekking op de vraag of die informatie concreet is.

35

Opgemerkt dient te worden dat richtlijn 2003/124 – zoals blijkt uit overweging 3 ervan – met name dat eerste bestanddeel heeft willen preciseren om meer rechtszekerheid te bieden aan de deelnemers aan de financiële markten.

36

Volgens artikel 1, lid 1, van deze richtlijn wordt informatie geacht concreet te zijn indien zij aan twee voorwaarden voldoet. Ten eerste moet zij betrekking hebben op een situatie die bestaat of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal ontstaan, dan wel op een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden. Ten tweede moet de informatie specifiek genoeg zijn om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van die situatie of gebeurtenis op de koers van financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten.

37

In casu is de verwijzende rechter van oordeel dat aan de eerste in het vorige punt genoemde voorwaarde is voldaan aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie verwijst naar een gebeurtenis – te weten de ophanden zijnde publicatie van persartikelen – waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden. Hij betwijfelt daarentegen of in casu is voldaan aan de tweede in het vorige punt genoemde voorwaarde. Met name vraagt hij zich af of informatie die ziet op de ophanden zijnde publicatie van een persartikel en waarin de voornaamste elementen van dit artikel worden weergegeven, slechts als „specifiek genoeg” in de zin van die tweede voorwaarde kan worden beschouwd indien ook de inhoud van dat artikel specifiek genoeg is.

38

Wat die tweede voorwaarde betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het overeenkomstig de betekenis die gewoonlijk wordt toegekend aan de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124, voldoende is dat de informatie concreet of specifiek genoeg is om een grondslag te kunnen vormen voor de beoordeling of de in die informatie vermelde situatie of gebeurtenis, zoals beschreven in punt 36 van dit arrest, van invloed kan zijn op de koers van de financiële instrumenten waarop die informatie betrekking heeft. Derhalve is volgens het Hof op grond van die bepaling enkel „vage of algemene informatie waaruit geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de mogelijke invloed ervan op de koers van de betrokken financiële instrumenten” uitgesloten van het begrip „voorwetenschap” (arrest van 11 maart 2015, Lafonta, C‑628/13, EU:C:2015:162, punt 31).

39

In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of een gerucht van nature behoort tot de categorie „vage of algemene informatie” in de zin van die rechtspraak, zodat informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een gerucht, niet kan worden aangemerkt als „voorwetenschap”.

40

Om te beginnen zij opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie – die ziet op de publicatie van artikelen waarin aandacht wordt besteed aan marktgeruchten over openbare overnamebiedingen die zouden worden overwogen – betrekking heeft op twee verschillende soorten toekomstige gebeurtenissen, namelijk ten eerste de publicatie van de artikelen en ten tweede het uitbrengen van de in die artikelen genoemde biedingen. Zoals blijkt uit punt 37 van het onderhavige arrest, baseert de verwijzende rechter zijn oordeel dat voldaan is aan de eerste in punt 36 van dit arrest genoemde voorwaarde waaronder informatie concreet is in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6 en artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124, op het feit dat het eerste soort gebeurtenissen zich zeer waarschijnlijk zal voordoen. Wat de tweede in punt 36 van dit arrest vermelde voorwaarde betreft, betwijfelt de verwijzende rechter daarentegen of de in verband met de eerste voorwaarde erkende voldoende concreetheid met betrekking tot de ophanden zijnde publicatie van persartikelen op zichzelf beschouwd volstaat om vast te stellen dat deze omstandigheid van invloed kan zijn op de koers van de financiële instrumenten waarop die informatie ziet, zodat eveneens is voldaan aan die tweede voorwaarde, dan wel of ook de inhoud van de artikelen in kwestie moet voldoen aan dat concreetheidsvereiste, in casu ten aanzien van marktgeruchten over de mogelijkheid dat het tweede soort gebeurtenissen zal plaatsvinden, te weten het uitbrengen van de overwogen biedingen.

41

Of informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel concreet is in de zin van bovengenoemde bepalingen, hangt nauw samen met de vraag of de in dat artikel vervatte informatie concreet is. Bij gebreke van enige precisering van de te publiceren informatie zouden uit de informatie over deze publicatie immers geen conclusies kunnen worden getrokken over de mogelijke invloed van die informatie op de koers van de financiële instrumenten in kwestie, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124.

42

In de eerste plaats blijkt na deze verduidelijking uit de bewoordingen zelf van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124 – volgens welke informatie geacht wordt „concreet” te zijn indien zij onder meer betrekking heeft op een gebeurtenis waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze zal plaatsvinden en indien zij specifiek genoeg is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van die gebeurtenis op de koers van financiële instrumenten – dat een onderzoek per geval noodzakelijk is. Dat informatie behoort tot een categorie van bijzondere informatie – zoals informatie over de ophanden zijnde publicatie van artikelen waarin aandacht wordt besteed aan marktgeruchten over het eventuele uitbrengen van een openbaar overnamebod – kan op zichzelf beschouwd dan ook niet tot gevolg hebben dat deze informatie per definitie niet concreet kan zijn.

43

Dat zou overigens in strijd zijn met het doel van richtlijn 2003/6, dat er blijkens de overwegingen 2 en 12 van deze richtlijn in bestaat de integriteit van de financiële markten van de Unie te waarborgen en het vertrouwen van de beleggers in deze markten te vergroten, welk vertrouwen onder meer berust op de omstandigheid dat zij op voet van gelijkheid verkeren en dat zij zullen worden beschermd tegen het ongeoorloofde gebruik van voorwetenschap (arrest van 11 maart 2015, Lafonta, C‑628/13, EU:C:2015:162, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve heeft het bij artikel 2, lid 1, van die richtlijn ingestelde verbod tot doel de gelijkheid van de partijen bij een beurstransactie te waarborgen door te vermijden dat een van de contractanten die over voorwetenschap beschikt en bijgevolg een voordeel heeft ten opzichte van de andere investeerders, hiervan profiteert ten nadele van de anderen, die hiervan niet op de hoogte zijn (arrest van 23 december 2009, Spector Photo Group en Van Raemdonck, C‑45/08, EU:C:2009:806, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44

Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, kan het feit dat een belegger op de hoogte is van de ophanden zijnde publicatie van een gerucht in bepaalde omstandigheden volstaan om hem een voordeel te verschaffen ten opzichte van de overige beleggers.

45

Indien werd aangenomen dat informatie niet als „voorwetenschap” in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/6 moet worden aangemerkt louter omdat zij betrekking heeft op de publicatie van een gerucht, zou heel wat informatie die van invloed kan zijn op de koers van de financiële instrumenten in kwestie bijgevolg buiten het toepassingsgebied van die richtlijn vallen en dus kunnen worden gebruikt door de deelnemers aan de financiële markten die over deze informatie beschikken en ervan profiteren ten nadele van degenen die er niet van op de hoogte zijn (zie in die zin arrest van 28 juni 2012, Geltl, C‑19/11, EU:C:2012:397, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46

Uit deze overwegingen volgt dat niet kan worden uitgesloten dat informatie als concreet in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6 en artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124 kan worden beschouwd op de enkele grond dat zij betrekking heeft op de ophanden zijnde publicatie van een artikel over een marktgerucht.

47

Niettemin moet in de tweede plaats worden onderzocht hoe concreet het gerucht over het eventuele uitbrengen van een openbaar overnamebod is, teneinde te beoordelen of de informatie over de publicatie van een artikel waarin aandacht wordt besteed aan dat gerucht daadwerkelijk voldoet aan de in dat punt genoemde tweede voorwaarde, die betrekking heeft op de mogelijke invloed van de aan de orde zijnde publicatie op de koers van de financiële instrumenten in kwestie of daarvan afgeleide financiële instrumenten. Bij deze beoordeling mag echter niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de concrete aard van de geruchten niet in aanmerking wordt genomen om vast te stellen of deze geruchten als zodanig voldoende concreet zijn om er een conclusie uit te trekken omtrent de invloed op de koers van de instrumenten in kwestie, maar wel om te bepalen of informatie over de ophanden zijnde publicatie van een artikel over die geruchten voldoende concreet is om er een conclusie uit te trekken omtrent de invloed die van die publicatie kan uitgaan op de koersen.

48

Hoewel een gerucht – zoals A opmerkt – wordt gekenmerkt door enige mate van onzekerheid, is de betrouwbaarheid ervan een factor die van geval tot geval moet worden vastgesteld. Aangezien de geloofwaardigheid van een gerucht relevant is om te bepalen of informatie over de ophanden zijnde publicatie van een artikel over dat gerucht voldoende concreet is om er een conclusie uit te trekken omtrent de invloed die deze publicatie kan hebben op de koersen, moet daartoe onder meer rekening worden gehouden met de mate van nauwkeurigheid van de inhoud van het gerucht in kwestie en met de betrouwbaarheid van de bron die het gerucht verspreidt.

49

In dit verband kan informatie die elementen bevat als die waarover de geruchten gaan die worden genoemd in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde persartikelen – waarin zowel de naam van de betrokken emittent van de financiële instrumenten als de voorwaarden van het verwachte openbaar overnamebod worden vermeld – niet worden aangemerkt als „vage of algemene informatie waaruit geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de mogelijke invloed ervan op de koers van de betrokken financiële instrumenten” in de zin van de in punt 38 van dit arrest aangehaalde rechtspraak.

50

In zoverre kan de vermelding – als onderdeel van een gerucht over een openbaar overnamebod op effecten van een emittent van financiële instrumenten – van de prijs die wordt geboden voor de aankoop van die effecten, van invloed zijn op de beoordeling van het concrete karakter van de informatie in kwestie. Die vermelding is evenwel niet noodzakelijk om informatie over dat gerucht als „concreet” aan te merken, aangezien zij andere elementen bevat die betrekking hebben op dat openbaar overnamebod. Zoals de advocaat-generaal in punt 51 van haar conclusie heeft opgemerkt, houdt een dergelijk bod in de regel immers een overnamepremie op de aandelenkoers in, zodat de markt de mogelijke invloed op die koers kan beoordelen.

51

Naast de inhoud van het persartikel in kwestie kunnen – met het oog op de beoordeling van de mogelijke invloed op de koers van de financiële instrumenten in kwestie of daarvan afgeleide financiële instrumenten – nog andere elementen bijdragen aan het concrete karakter van informatie over de ophanden zijnde publicatie van dat artikel. In dit verband kunnen de bekendheid van de journalist van wiens hand de persartikelen zijn en van het persorgaan dat deze artikelen heeft gepubliceerd, naargelang van de omstandigheden van het geval beslissend worden geacht, aangezien de geloofwaardigheid van de betreffende geruchten aan de hand van die elementen kan worden beoordeeld gelet op het feit dat beleggers in voorkomend geval ertoe kunnen worden gebracht om aan te nemen dat deze geruchten afkomstig zijn van bronnen die door die journalist en dat persorgaan als betrouwbaar worden beschouwd.

52

Wanneer bepaalde personen geïnformeerd worden over het feit dat een persartikel, dat op het punt staat te worden gepubliceerd, de in punt 50 van dit arrest genoemde informatie zal bevatten, alsmede in voorkomend geval over de identiteit van de auteur van dit artikel en van het persorgaan dat het zal publiceren, zijn dergelijke aanwijzingen dan ook relevant om te beoordelen of de informatie over de ophanden zijnde publicatie van dat artikel voldoende concreet is om er een conclusie uit te trekken omtrent de invloed die deze publicatie kan hebben op de koersen, aangezien zij in de regel de geloofwaardigheid versterken van het gerucht waaraan in een persartikel aandacht wordt besteed.

53

Voorts wenst de verwijzende rechter te vernemen of de daadwerkelijk aanzienlijke invloed („ex post”) van een publicatie op de koers van de effecten waarop deze publicatie betrekking heeft, een relevant criterium is voor de beoordeling van de concrete aard van de informatie over die publicatie.

54

In dit verband zij eraan herinnerd dat in overweging 2 van richtlijn 2003/124 met betrekking tot het vierde bestanddeel van de definitie van voorwetenschap in artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6 – te weten dat de informatie, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van de financiële instrumenten in kwestie – staat te lezen dat van achteraf beschikbare informatie kan worden gebruikgemaakt om de hypothese of de vooraf beschikbare informatie wel degelijk koersgevoelig was te verifiëren, maar niet om stappen te ondernemen tegen iemand die redelijke conclusies heeft getrokken uit informatie die vooraf voor hem beschikbaar was.

55

Informatie die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten in kwestie, moet in de regel worden geacht het eerste bestanddeel van die definitie te vervullen. Dat bestanddeel houdt in dat de informatie concreet is aangezien de bekendmaking van informatie in beginsel geen dergelijke invloed kan hebben indien die informatie op zich niet concreet is.

56

Derhalve kan de daadwerkelijke invloed van een publicatie op de koers van de effecten waarop deze publicatie betrekking heeft, een ex-postbewijs vormen dat de informatie over die publicatie concreet was. Zonder onderzoek van andere gegevens die vóór de publicatie in kwestie bekend waren of bekendgemaakt waren, volstaat die daadwerkelijke invloed op zichzelf echter niet om aan te tonen dat die informatie concreet was.

57

Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6 aldus moet worden uitgelegd dat informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten, voor de kwalificatie als voorwetenschap informatie kan vormen die „concreet” is in de zin van die bepaling en van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124, alsmede dat voor de beoordeling van het concrete karakter van die informatie relevantie toekomt aan het feit dat in dat persartikel melding zal worden gemaakt van de prijs waartegen de effecten van die emittent zouden worden gekocht in het kader van een eventueel openbaar overnamebod alsook aan de identiteit van de journalist van wiens hand het betreffende artikel is en van het persorgaan dat het publiceert, voor zover deze gegevens vóór deze publicatie zijn meegedeeld. De daadwerkelijke invloed van de publicatie in kwestie op de koers van de effecten waarop deze publicatie betrekking heeft, kan weliswaar een ex-postbewijs vormen dat de informatie over de betreffende publicatie concreet was, maar volstaat op zichzelf zonder onderzoek van andere gegevens die vóór die publicatie bekend waren of bekendgemaakt waren, niet om aan te tonen dat die informatie concreet was.

Tweede tot en met vierde prejudiciële vraag

Opmerkingen vooraf

58

De tweede tot en met de vierde prejudiciële vraag betreffen de uitlegging van de artikelen 10 en 21 van verordening nr. 596/2014, die is vastgesteld na de feiten van het hoofdgeding. De verwijzende rechter is van oordeel dat artikel 21 van die verordening niettemin minder streng is dan de bepalingen van richtlijn 2003/6, die ten tijde van die feiten van kracht waren, zodat het met terugwerkende kracht op die feiten behoort te worden toegepast. Volgens hem wordt bij dat artikel een specifieke regeling ingevoerd waarin richtlijn 2003/6 niet voorziet en die er met name toe strekt dat minder snel wordt aangenomen dat de inbreuk is begaan die bestaat in de wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap, wanneer de mededeling in kwestie wordt gedaan voor journalistieke doeleinden.

59

Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van haar conclusie heeft opgemerkt, hangt in dit verband het antwoord op de vraag of artikel 21 van verordening nr. 596/2014 op het betreffende gebied minder streng is dan de bepalingen van richtlijn 2003/6, zodat het daadwerkelijk van toepassing is op het hoofdgeding (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, Delvigne, C‑650/13, EU:C:2015:648, punt 53), af van het antwoord op de vraag hoe dat artikel moet worden uitgelegd. Daarbij komt dat artikel 10 van die verordening weliswaar overeenkomt met artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6 en dus op zichzelf beschouwd niet kan worden geacht een minder strenge regel te bevatten dan die waarin laatstgenoemde bepaling voorzag, maar dat uit de verwijzing naar artikel 10 van verordening nr. 596/2014 in artikel 21 van deze verordening volgt dat deze artikelen nauw met elkaar samenhangen en niet afzonderlijk kunnen worden toegepast. Derhalve kan niet bij voorbaat worden vastgesteld dat artikel 10 van die verordening en artikel 3 van die richtlijn exact dezelfde inhoud en draagwijdte hebben wat de openbaarmaking van voorwetenschap door een journalist betreft.

60

Derhalve behoort de vraag of de artikelen 10 en 21 van verordening nr. 596/2014 van toepassing zijn op het hoofdgeding, tot het onderzoek ten gronde van de tweede tot en met de vierde prejudiciële vraag (zie naar analogie arrest van 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo, C‑319/19, EU:C:2021:883, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Ten gronde

– Tweede prejudiciële vraag

61

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 21 van verordening nr. 596/2014 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een journalist aan een van zijn gebruikelijke informatiebronnen informatie openbaar maakt over de ophanden zijnde publicatie van een door hem geschreven artikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht, deze openbaarmaking geschiedt „ten behoeve van journalistieke doeleinden” in de zin van dat artikel.

62

Uit artikel 21 van verordening nr. 596/2014 volgt dat de openbaarmaking van informatie ten behoeve van journalistieke doeleinden of andere uitdrukkingsvormen in de media, voor de toepassing van onder meer artikel 10 van deze verordening – dat betrekking heeft op de wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap – wordt beoordeeld met inachtneming van de bepalingen inzake de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, en de journalistieke gedragscodes, tenzij de persoon die de informatie openbaar maakt dan wel nauw met hem verbonden personen rechtstreeks of middellijk voordeel behalen of de openbaarmaking wordt verricht met de bedoeling de markt te misleiden.

63

Om uit te maken of een openbaarmaking „ten behoeve van journalistieke doeleinden” in de zin van artikel 21 van verordening nr. 596/2014 betrekking heeft op het geval waarin een journalist informatie openbaar maakt aan een van zijn gebruikelijke informatiebronnen, dan wel enkel op een mededeling aan het publiek – in de pers of andere media – zij eraan herinnerd dat bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt

64

Wat de bewoordingen van artikel 21 van verordening nr. 596/2014 betreft, dient te worden vastgesteld dat de woorden „ten behoeve van journalistieke doeleinden” betrekking hebben op de openbaarmaking van informatie waarbij de doelstelling wordt gevormd door journalistieke activiteiten, zodat die woorden niet noodzakelijk alleen betrekking hebben op de openbaarmaking van informatie die bestaat in de publicatie van informatie als zodanig, maar ook zien op de openbaarmaking van informatie die deel uitmaakt van het proces dat tot die publicatie leidt.

65

Wat de context van verordening nr. 596/2014 en de met deze verordening nagestreefde doelstellingen betreft, volgt uit overweging 2 dat die verordening tot doel heeft de integriteit van de financiële markten te waarborgen door marktmisbruik – zoals handel met voorwetenschap en wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap – te verbieden. Voorts blijkt uit overweging 77 van verordening nr. 596/2014 dat deze doelstelling moet worden nagestreefd met eerbiediging van de grondrechten en de beginselen die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), in het bijzonder de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, zoals zij in de Unie en in de lidstaten worden gewaarborgd, in artikel 11 van het Handvest worden erkend en voorts in artikel 21 van verordening nr. 596/2014 worden vermeld.

66

Teneinde rekening te houden met het belang dat in elke democratische samenleving aan die fundamentele vrijheden toekomt, dienen de daarmee samenhangende begrippen, waaronder het begrip „journalistieke doeleinden”, ruim te worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 14 februari 2019, Buivids, C‑345/17, EU:C:2019:122, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67

Bovendien moet bij de uitlegging van artikel 11 van het Handvest volgens artikel 52, lid 3, ervan rekening worden gehouden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 10 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (zie in die zin arrest van 14 februari 2019, Buivids, C‑345/17, EU:C:2019:122, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68

Uit deze rechtspraak volgt dat niet alleen publicaties maar ook handelingen ter voorbereiding van een publicatie, zoals het vergaren van informatie en de onderzoeks- en opsporingswerkzaamheden van een journalist, inherent zijn aan de in artikel 10 van dat verdrag neergelegde persvrijheid en als zodanig worden beschermd (zie in die zin EHRM, 25 april 2006, Dammann tegen Zwitserland, CE:ECHR:2006:0425JUD007755101, § 52, en EHRM, 27 juni 2017, Satakunnan Markkinapörssi Oy en Satamedia Oy tegen Finland, CE:ECHR:2017:0627JUD000093113, § 128).

69

Het feit dat het uiteindelijke doel van journalistieke activiteiten erin bestaat om informatie mee te delen aan het publiek, brengt met zich mee dat een openbaarmaking van informatie die ertoe strekt die activiteiten uit te voeren – daaronder begrepen de openbaarmaking die plaatsvindt in het kader van onderzoekswerkzaamheden die een journalist verricht ter voorbereiding van de publicatie – een openbaarmaking van informatie voor journalistieke doeleinden in de zin van artikel 21 van verordening nr. 596/2014 kan vormen.

70

Wat het hoofdgeding betreft, zou dit onder meer kunnen gelden voor het door de verwijzende rechter genoemde geval waarin de openbaarmaking van informatie over de ophanden zijnde publicatie van een artikel ertoe zou strekken het gerucht waarover dat artikel gaat te verifiëren of op te helderen, ongeacht of dat gerucht afkomstig is van degene aan wie die openbaarmaking is gericht. Het staat aan die rechter om te beoordelen of dat in casu daadwerkelijk het geval was.

71

Gelet op een en ander dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 21 van verordening nr. 596/2014 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een journalist aan een van zijn gebruikelijke informatiebronnen informatie openbaar maakt over de ophanden zijnde publicatie van een door hem geschreven persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht, deze openbaarmaking geschiedt „ten behoeve van journalistieke doeleinden” in de zin van dat artikel, wanneer die openbaarmaking noodzakelijk is om hem in staat te stellen journalistieke activiteiten, daaronder begrepen onderzoekswerkzaamheden ter voorbereiding van publicaties, tot een goed einde te brengen.

– Derde en vierde prejudiciële vraag

72

Met zijn derde en zijn vierde vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 10 en 21 van verordening nr. 596/2014 aldus moeten worden uitgelegd dat het antwoord op de vraag of de mededeling van voorwetenschap door een journalist ten behoeve van journalistieke doeleinden al dan niet wederrechtelijk is, afhangt van het antwoord op de vraag of die mededeling werd gedaan in het kader van de normale uitoefening van het beroep van journalist.

73

Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014 bepaalt dat er sprake is van wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap – hetgeen verboden is krachtens artikel 14, onder c), van deze verordening – als een persoon die beschikt over voorwetenschap, deze aan enige andere persoon bekendmaakt, tenzij de bekendmaking plaatsvindt in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie.

74

Aangezien deze definitie van wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap in artikel 10 van verordening nr. 596/2014 is opgenomen „voor de toepassing van deze verordening”, moet zij worden geacht van toepassing te zijn op de in artikel 21 van die verordening bedoelde situaties. Dit wordt bevestigd door de bewoordingen van laatstgenoemde bepaling, die betrekking hebben op de beoordeling van de mededeling van voorwetenschap ten behoeve van journalistieke doeleinden, onder meer voor de toepassing van artikel 10 van verordening nr. 596/2014.

75

Hieruit volgt dat artikel 21 van verordening nr. 596/2014 geen van artikel 10 van deze verordening afwijkende autonome grondslag vormt om vast te stellen of de mededeling van voorwetenschap ten behoeve van journalistieke doeleinden al dan niet wederrechtelijk is. Die vaststelling moet gebaseerd zijn op artikel 10 van verordening nr. 596/2014, waarbij rekening moet worden gehouden met de verduidelijkingen in artikel 21 van deze verordening.

76

In dit verband moet worden vastgesteld dat artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014, gelezen in samenhang met artikel 14, onder c), van deze verordening, in wezen overeenkomt met artikel 3, onder a), van richtlijn 89/592/EEG van de Raad van 13 november 1989 tot coördinatie van de voorschriften inzake transacties van ingewijden (PB 1989, L 334, blz. 30), en met artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6, die de lidstaten verplichtten de mededeling van voorwetenschap te verbieden. Met name bevat artikel 10 van verordening nr. 596/2014 dezelfde uitzondering op het verbod om voorwetenschap mee te delen als bovengenoemde bepalingen van die richtlijnen, doordat het bepaalt dat de mededeling van voorwetenschap niet wederrechtelijk is wanneer zij plaatsvindt in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie.

77

Daarbij komt dat verordening nr. 596/2014 – zoals met name blijkt uit overweging 2 ervan – net zoals de voormelde, daaraan voorafgaande richtlijnen onder meer tot doel heeft de integriteit van de financiële markten te beschermen en het vertrouwen van de beleggers te vergroten, dat onder meer berust op de omstandigheid dat zij met elkaar op voet van gelijkheid verkeren en dat zij zullen worden beschermd tegen het ongeoorloofde gebruik van voorwetenschap (zie in die zin arrest van 23 december 2009, Spector Photo Group en Van Raemdonck, C‑45/08, EU:C:2009:806, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78

Derhalve vereist de uitzondering van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014 – net zoals die van artikel 3, onder a), van richtlijn 89/592 – dat er een nauw verband bestaat tussen de mededeling van voorwetenschap en de uitoefening van werk, beroep of functie om die mededeling te rechtvaardigen. Zij moet in beginsel restrictief worden uitgelegd, aangezien de mededeling van voorwetenschap slechts niet wederrechtelijk is indien zij strikt noodzakelijk is voor die uitoefening en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt, zoals het Hof heeft uiteengezet in het arrest van 22 november 2005, Grøngaard en Bang (C‑384/02, EU:C:2005:708, punten 31 en 34).

79

In herinnering dient evenwel te worden gebracht dat in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, de personen die de voorwetenschap in kwestie hadden meegedeeld, respectievelijk een vertegenwoordiger van de werknemers in de raad van bestuur van een vennootschap – die tevens lid was van het comité voor samenwerking van een groep van ondernemingen – en de voorzitter van een vakbond waren.

80

Wanneer een journalist voorwetenschap meedeelt „ten behoeve van journalistieke doeleinden” in de zin van artikel 21 van verordening nr. 596/2014, moet die uitzondering – zoals in wezen is opgemerkt in de punten 65 en 66 van het onderhavige arrest – aldus worden uitgelegd dat het nuttig effect van deze bepaling wordt beschermd gelet op het doel ervan, dat tevens wordt vermeld in overweging 77 van die verordening, te weten de eerbiediging van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, die met name worden gewaarborgd door artikel 11 van het Handvest (zie naar analogie arrest van 29 juli 2019, Spiegel Online, C‑516/17, EU:C:2019:625, punt 55).

81

Bij de beoordeling van het uit artikel 10 van verordening nr. 596/2014 voortvloeiende vereiste dat de mededeling van voorwetenschap noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van journalist, alsmede bij de beoordeling van de evenredigheid van die mededeling, moet dan ook in aanmerking worden genomen dat voormeld artikel als beperking van het door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde grondrecht moet worden uitgelegd in overeenstemming met de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest.

82

Wat in de eerste plaats het vereiste betreft dat de mededeling van voorwetenschap noodzakelijk is voor het verrichten van journalistieke activiteiten, die zich – zoals in punt 71 van het onderhavige arrest is beklemtoond – uitstrekken tot onderzoekswerkzaamheden ter voorbereiding van publicaties, moet dan ook met name in aanmerking worden genomen dat de journalist de informatie waarvan hij kennis heeft genomen moet verifiëren.

83

Derhalve moet – zoals de advocaat-generaal in punt 97 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt – wanneer een mededeling als die in het hoofdgeding is gedaan met het oog op de publicatie van een persartikel, worden onderzocht of deze mededeling verder ging dan noodzakelijk was om de in dat artikel vervatte informatie te verifiëren. Wat met name de verificatie van informatie over een marktgerucht betreft, moet in voorkomend geval worden onderzocht of het voor de journalist noodzakelijk was om, behalve de inhoud van het gerucht in kwestie als zodanig, de specifieke informatie over de ophanden zijnde publicatie van een artikel waarin aan dat gerucht aandacht zou worden besteed, aan een derde bekend te maken.

84

In de tweede plaats vereist de vaststelling of een dergelijke mededeling van voorwetenschap evenredig is in de zin van artikel 10 van verordening nr. 596/2014, dat wordt onderzocht of de beperking van de persvrijheid die het gevolg zou zijn van het verbod op deze mededeling, buitensporig zou zijn ten opzichte van de schade die door die mededeling zou kunnen worden toegebracht aan de integriteit van de financiële markten.

85

Tot de bij deze beoordeling in aanmerking te nemen factoren behoort ten eerste het afschrikkend effect dat een dergelijk verbod mogelijkerwijs heeft op de uitoefening van de journalistieke activiteiten, daaronder begrepen de voorbereidende onderzoekswerkzaamheden.

86

Ten tweede moet tevens worden nagegaan of de journalist bij de mededeling in kwestie de journalistieke gedragscodes in acht heeft genomen die worden vermeld in artikel 21 van verordening nr. 596/2014. Zoals de advocaat-generaal in punt 103 van haar conclusie heeft opgemerkt, wettigt de naleving van die gedragscodes op zichzelf echter niet de gevolgtrekking dat de mededeling van voorwetenschap evenredig was in de zin van artikel 10 van verordening nr. 596/2014.

87

Ten derde moet – zoals de advocaat-generaal in punt 100 van haar conclusie heeft opgemerkt – eveneens rekening worden gehouden met de negatieve gevolgen van de betreffende mededeling van voorwetenschap voor de integriteit van de financiële markten. Met name kunnen andere beleggers financiële verliezen lijden en kan op middellange termijn het vertrouwen in de financiële markten verdwijnen voor zover handel met voorwetenschap plaatsvond ten gevolge van die mededeling.

88

Hieruit volgt dat de mededeling van voorwetenschap niet alleen de particuliere belangen van bepaalde beleggers schaadt, maar meer in het algemeen ook het openbaar belang dat erin bestaat volledige en adequate markttransparantie te garanderen teneinde de integriteit van de markt te beschermen en het vertrouwen van alle beleggers te waarborgen, zoals in punt 77 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht. Derhalve dient de verwijzende rechter in aanmerking te nemen dat het openbaar belang dat met die mededeling mogelijkerwijs is nagestreefd, niet alleen ingaat tegen particuliere belangen, maar ook tegen een ander openbaar belang (zie naar analogie EHRM, 10 december 2007, Stoll tegen Zwitserland, CE:ECHR:2007:1210JUD006969801, § 116).

89

Gelet op een en ander dient op de derde en de vierde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat de artikelen 10 en 21 van verordening nr. 596/2014 aldus moeten worden uitgelegd dat de mededeling van voorwetenschap door een journalist niet wederrechtelijk is wanneer zij moet worden geacht noodzakelijk te zijn voor de uitoefening van zijn beroep en te stroken met het evenredigheidsbeginsel.

Kosten

90

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) moet aldus worden uitgelegd dat informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten, voor de kwalificatie als voorwetenschap informatie kan vormen die „concreet” is in de zin van die bepaling en van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124/EG van de Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn 2003/6 wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft, alsmede dat voor de beoordeling van het concrete karakter van die informatie relevantie toekomt aan het feit dat in dat persartikel melding zal worden gemaakt van de prijs waartegen de effecten van die emittent zouden worden gekocht in het kader van een eventueel openbaar overnamebod alsook aan de identiteit van de journalist van wiens hand het betreffende artikel is en van het persorgaan dat het publiceert, voor zover deze gegevens vóór deze publicatie zijn meegedeeld. De daadwerkelijke invloed van de publicatie in kwestie op de koers van de effecten waarop deze publicatie betrekking heeft, kan weliswaar een ex-postbewijs vormen dat de informatie over de betreffende publicatie concreet was, maar volstaat op zichzelf zonder onderzoek van andere gegevens die vóór die publicatie bekend waren of bekendgemaakt waren, niet om aan te tonen dat die informatie concreet was.

 

2)

Artikel 21 van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn 2003/6 van het Europees Parlement en de Raad en richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een journalist aan een van zijn gebruikelijke informatiebronnen informatie openbaar maakt over de ophanden zijnde publicatie van een door hem geschreven persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht, deze openbaarmaking geschiedt „ten behoeve van journalistieke doeleinden” in de zin van dat artikel, wanneer die openbaarmaking noodzakelijk is om hem in staat te stellen journalistieke activiteiten, daaronder begrepen onderzoekswerkzaamheden ter voorbereiding van publicaties, tot een goed einde te brengen.

 

3)

De artikelen 10 en 21 van verordening nr. 596/2014 moeten aldus worden uitgelegd dat de mededeling van voorwetenschap door een journalist niet wederrechtelijk is wanneer zij moet worden geacht noodzakelijk te zijn voor de uitoefening van zijn beroep en te stroken met het evenredigheidsbeginsel.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.

Top