EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62020CC0713

Conclusie van advocaat-generaal G. Pitruzzella van 17 maart 2022.


ECLI identifier: ECLI:EU:C:2022:197

 CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. PITRUZZELLA

van 17 maart 2022 ( 1 )

Zaak C‑713/20

Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

tegen

X en Y

[verzoek van de Centrale Raad van Beroep (Nederland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 11, lid 3, onder a) en e) – Persoon die in een lidstaat woont en in een andere lidstaat werkzaamheden in loondienst verricht – Arbeidsverhoudingen met een uitzendbureau – Bepaling van de wetgeving die van toepassing is op de perioden tussen de dienstbetrekkingen”

1.

Is op een uitzendkracht die woont in een andere lidstaat dan die waarin hij gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht, in de tussenliggende perioden waarin hij geen werkzaamheden verricht en geen arbeidsovereenkomst van kracht is, de wet van de werkstaat als bedoeld in artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 ( 2 ) van toepassing, of de wet van de woonstaat als bedoeld in artikel 11, lid 3, onder e), van die verordening?

2.

Dat is in wezen de vraag die het Hof dient te beantwoorden in de onderhavige zaak betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) in het kader van twee gevoegde rechtszaken tussen enerzijds de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Nederland) (hierna: „SVB”) en anderzijds X en Y.

3.

De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid om de betekenis te verduidelijken van artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 en om het stelsel van de collisieregels in titel II van deze verordening nader vast te stellen.

I. Toepasselijke bepalingen

A.   Unierecht

4.

Bij verordening nr. 883/2004 is verordening nr. 1408/71 ( 3 ) met ingang van 1 mei 2010 ingetrokken.

5.

Artikel 1, onder a) en b), van verordening nr. 883/2004 luidt als volgt:

„Voor de toepassing van deze verordening:

a)

worden onder ‚werkzaamheden in loondienst’ verstaan werkzaamheden of daarmee gelijkgestelde situaties die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar die werkzaamheden worden verricht, of waar die gelijkgestelde situaties zich voordoen;

b)

worden onder ‚werkzaamheden anders dan in loondienst’ verstaan werkzaamheden of daarmee gelijkgestelde situaties die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar die werkzaamheden worden verricht, of waar die gelijkgestelde situaties zich voordoen”.

6.

Titel II van verordening nr. 883/2004, „Vaststelling van de toepasselijke wetgeving”, omvat de artikelen 11 tot en met 16.

7.

Artikel 11 van die verordening, „Algemene regels”, bepaalt:

„1.   Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.

2.   Voor de toepassing van deze titel worden de personen die een uitkering ontvangen omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren in loondienst of een werkzaamheid anders dan in loondienst, beschouwd als personen die die werkzaamheid verrichten. Deze regel geldt niet voor uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of aan nabestaanden, prestaties in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten, of prestaties bij ziekte voor behandeling voor onbepaalde tijd.

3.   Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:

a)

geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;

b)

geldt voor ambtenaren de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert;

c)

geldt voor degene die een werkloosheidsuitkering ontvangt overeenkomstig artikel 65 volgens de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, de wetgeving van die lidstaat;

d)

geldt voor degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;

e)

geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten.

[...]”

8.

De artikelen 12 tot en met 16 van verordening nr. 883/2004 voorzien in bijzondere regels voor gedetacheerden (artikel 12), voor personen die werkzaamheden verrichten in twee of meer lidstaten (artikel 13), voor personen die hebben gekozen voor een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering (artikel 14), en voor arbeidscontractanten van de Europese instellingen (artikel 15), alsmede in uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 van die verordening (artikel 16).

B.   Nederlands recht

9.

Artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet (hierna: „AOW”) bepaalt:

„1   Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en

a.

ingezetene is;

b.

geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

[...]

3   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.”

10.

Artikel 6a AOW luidt als volgt:

„Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen:

a.

wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

b.

wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.”

11.

Artikel 13, lid 1, onder a, AOW bepaalt dat op het ouderdomspensioen een korting van 2 % wordt toegepast voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd is geweest.

12.

In artikel 6 van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: „AKW”) is artikel 6 AOW in dezelfde bewoordingen overgenomen.

13.

Artikel 6a AKW luidt als volgt:

„Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen:

a.

wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

b.

wordt voor de toepassing van hoofdstuk 3 van deze wet onder verzekerde mede verstaan de niet-verzekerde persoon die recht op kinderbijslag heeft verkregen op grond van verordening [nr. 883/2004];

c.

wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.”

14.

Artikel 11, lid 1, AKW bepaalt:

„Recht op kinderbijslag voor een kind ingevolge deze wet heeft slechts degene, die op de eerste dag van een kalenderkwartaal verzekerd is.”

15.

Artikel 6 van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998 (hierna: „BUB”), met als opschrift „Tijdelijke onderbreking van arbeid in Nederland”, bepaalt het volgende:

„Verzekerd op grond van de volksverzekeringen blijft de persoon die niet in Nederland woont, maar die uitsluitend in Nederland arbeid verricht en van wie de arbeid tijdelijk wordt onderbroken:

a.

wegens ziekte, gebreken, zwangerschap, bevalling of werkloosheid; of

b.

wegens verlof, staking of uitsluiting.”

II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen

A.   Geding tussen de SVB en X

16.

X, Nederlands staatsburger, is in 2012 naar Duitsland verhuisd. Zij heeft nooit in Duitsland gewerkt, maar heeft vanaf 2013 met tussenpozen via een uitzendbureau werkzaamheden in Nederland verricht. ( 4 )

17.

In het bijzonder blijkt uit het dossier dat die werkzaamheden werden verricht op basis van uitzendovereenkomsten voor bepaalde tijd met een „uitzendbeding” ( 5 ), dat wil zeggen, een beding op grond waarvan de dienstbetrekking aanvangt op het moment waarop de werknemer met zijn werkzaamheden begint, en eindigt zodra die werkzaamheden worden stopgezet.

18.

Tijdens de perioden tussen de verschillende dienstbetrekkingen – uiteenlopend van 6 dagen tot 5 maanden – is X ingeschreven gebleven bij meerdere Nederlandse uitzendbureaus, heeft zij in Nederland vrijwilligerswerk verricht en heeft zij voor een minimale vergoeding werkzaamheden verricht in het huishouden van haar zoon.

19.

Op 6 juli 2015 heeft de SVB X een pensioenoverzicht verstrekt. Uit dat overzicht bleek dat zij slechts 82 % van haar volledige AOW-pensioen had opgebouwd omdat X werd geacht alleen verzekerd te zijn voor de AOW in de perioden dat zij in Nederland daadwerkelijk als uitzendkracht werkzaam was. Aangezien er in de perioden tussen de verschillende werkzaamheden geen arbeidsverhouding was en daadwerkelijk geen werkzaamheden werden verricht, was in die perioden de wet van haar woonplaats van toepassing, te weten de Duitse wet.

20.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt eveneens dat X in Duitsland geen recht heeft op een ouderdomspensioen omdat zij daar geen enkel tijdvak van verzekering heeft voltooid.

21.

X heeft bezwaar gemaakt en de SVB verzocht om de perioden tussen de verschillende werkzaamheden die zij op grond van de uitzendovereenkomst heeft verricht als verzekerde perioden voor de AOW aan te merken.

22.

Nadat dit bezwaar was afgewezen heeft X dezelfde vordering ingediend bij de rechtbank Amsterdam (Nederland), die deze vordering bij vonnis van 3 oktober 2016 heeft toegewezen. In het bijzonder heeft de rechtbank, onder verwijzing naar onder andere het arrest Franzen e.a. ( 6 ), geoordeeld dat de tussenliggende perioden moesten worden beschouwd als perioden van verlof dan wel werkloosheid als bedoeld in de nationale regeling, met name in artikel 6 BUB, en dat X in deze perioden moest wordt geacht verzekerd te zijn geweest voor de Nederlandse wet.

23.

De SVB heeft hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Centrale Raad van Beroep.

B.   Geding tussen de SVB en Y

24.

Y woont met zijn gezin in Polen en heeft sinds 2007, met enkele onderbrekingen, in Nederland gewerkt op basis van meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met een uitzendbureau.

25.

Voor de onderhavige conclusie is met name van belang dat Y met een uitzendbureau een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd heeft afgesloten voor de duur van 8 maanden vanaf 20 juli 2015. Y heeft van 1 januari 2016 tot en met 7 februari 2016 evenwel niet gewerkt, en heeft met ingang van 8 februari 2016 een nieuwe arbeidsovereenkomst met hetzelfde uitzendbureau gesloten.

26.

Bij besluit van 29 maart 2016 heeft de SVB Y meegedeeld dat hij op grond van de AKW geen recht heeft op kinderbijslag over januari en februari 2016 omdat hij op de eerste werkdag van die maanden niet in Nederland werkzaam was. ( 7 )

27.

Y heeft bezwaar gemaakt en de SVB verzocht om hem ook voor de maanden januari en februari 2016 kinderbijslag toe te kennen, op grond van het argument dat hij in die periode op verlof was en de arbeidsverhouding dus in stand was gebleven.

28.

Na de afwijzing van zijn bezwaar heeft Y dezelfde vordering ingediend bij de rechtbank Amsterdam, die haar bij vonnis van 5 januari 2017 heeft afgewezen en de standpunten van de SVB heeft bevestigd.

29.

Tegen dit vonnis heeft Y hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Centrale Raad van Beroep.

C.   Verwijzingsbeslissing

30.

De Centrale Raad van Beroep heeft beide zaken ter zitting van 29 mei 2020 gevoegd en op 17 december 2020 de verwijzingsbeslissing gegeven.

31.

Met betrekking tot de zaak X verklaart de verwijzende rechter dat in de perioden tussen de ene dienstbetrekking en de andere geen arbeidsverhouding bestond, aangezien de arbeidsovereenkomst werd gekenmerkt door het uitzendbeding, op grond waarvan de arbeidsverhouding automatisch eindigde zodra de bij de inlenende onderneming verrichte werkzaamheden werden stopgezet.

32.

De verwijzende rechter wijst er daarnaast op dat de werkzaamheden die X verrichtte als vrijwilliger en binnen de familiekring voor een minimale vergoeding niet economisch van aard waren en niet tot doel hadden inkomsten te genereren. Bijgevolg konden zij niet als werkzaamheden in loondienst of daarmee gelijkgestelde werkzaamheden worden beschouwd.

33.

Met betrekking tot Y merkt de Centrale Raad van Beroep op dat hij nooit heeft betwist dat hem in de periode van 1 januari 2016 tot en met 7 februari 2016 geen loon is betaald en dat de nieuwe arbeidsovereenkomst vóór de vervaldatum van de eerdere overeenkomst is gesloten. Op grond van deze omstandigheden kan worden verondersteld dat er van 1 januari 2016 tot en met 7 februari 2016 geen arbeidsverhouding bestond tussen Y en het uitzendbureau.

34.

Volgens de verwijzende rechter draaien beide zaken dus om de vraag of X en Y – personen die hun werkzaamheden gewoonlijk in Nederland verrichten maar in een andere lidstaat wonen – tijdens de perioden tussen de beschreven uitzendarbeidsbetrekkingen voor het Nederlandse socialezekerheidsstelsel verzekerd zijn gebleven.

35.

Daarom vraagt hij of dergelijke tussenliggende perioden situaties kunnen vormen die zijn gelijkgesteld met werkzaamheden al dan niet in loondienst als bedoeld in artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004, en dus de toepassing van de Nederlandse wetgeving kunnen rechtvaardigen.

36.

Aangezien vaststaat dat de onderhavige zaken niet vallen onder artikel 11, lid 3, onder b), c) en d), van verordening nr. 883/2004, zou een ontkennend antwoord op die vraag leiden tot de conclusie dat tijdens de tussenliggende perioden op grond van artikel 11, lid 3, onder e), van deze verordening de wetgeving van de woonstaat van toepassing was, dat wil zeggen, Duitsland voor X en Polen voor Y.

37.

De verwijzende rechter onderstreept dat dit vraagstuk veel problemen met zich brengt en verwijst daarbij naar het reeds genoemde arrest Franzen e.a., dat weliswaar betrekking heeft op verordening nr. 1408/71, doch wordt geacht overdraagbaar te zijn op verordening nr. 883/2004.

38.

Een mogelijke lezing van dat arrest – hoofdzakelijk op grond van de letterlijke bewoordingen van punt 50 daarvan ( 8 ) – is dat degenen die hun beroepswerkzaamheden gewoonlijk in een lidstaat verrichten, onder artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 vallen zolang zij hun werkzaamheden niet definitief of tijdelijk hebben stopgezet. Om te bepalen of van een dergelijke stopzetting sprake is, is het bestaan van een arbeidsverhouding evenwel niet relevant. Voor dat doel moeten daarentegen andere criteria worden vastgesteld die betrekking hebben op de kenmerken van het werk, de duur van de periode waarin de betrokkenen dit werk hebben verricht, de duur van de tussenliggende perioden en de gerichtheid op één nationale arbeidsmarkt.

39.

Het genoemde arrest kan evenwel ook aldus worden uitgelegd dat voor de toepassing van de wet van de werkstaat een arbeidsverhouding moet bestaan. Aldus zou een persoon automatisch worden onderworpen aan de wetgeving van de woonstaat indien de dienstbetrekking ook maar tijdelijk wordt stopgezet, en ongeacht de duur van die onderbreking.

40.

Daarnaast wijst de verwijzende rechter erop dat met de oplossing die de toepasbaarheid van artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 beperkt tot uitsluitend de gevallen waarin er nog een arbeidsbetrekking bestaat, de toepasselijke wetgeving met zekerheid kan worden bepaald op het tijdstip waarop de gebeurtenissen zich voordoen. Wanneer die oplossing wordt toegepast op zaken als de onderhavige, kan dit echter ertoe leiden dat de toepasselijke wetgeving zeer vaak verandert en kan dit aanzienlijke administratieve complicaties met zich brengen, waardoor het vrij verkeer van werknemers dus zou kunnen worden belemmerd.

41.

Ook de oplossing die inhoudt dat, naast het bestaan van een arbeidsverhouding, moet worden nagegaan of de werkzaamheden daadwerkelijk zijn onderbroken – aan de hand van indicaties zoals die vermeld in punt 38 hierboven – heeft volgens de verwijzende rechter grote voor- en nadelen. Een van de voordelen is dat met deze oplossing kan worden vermeden dat een andere wetgeving toepasselijk wordt indien de onderbrekingen tussen de arbeidsverhoudingen slechts kort zijn. Een van de nadelen is dat deze oplossing wordt gekenmerkt door een grotere onzekerheidsmarge, aangezien zij gebaseerd is op een beoordeling van de feiten die ex post moet worden verricht.

42.

In het licht van het voorgaande heeft de Centrale Raad van Beroep de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)

Moet artikel 11, derde lid, onder a, van verordening 883/2004 aldus worden uitgelegd dat een werknemer die woont in een lidstaat, en op het grondgebied van een andere lidstaat werkt op basis van een uitzendovereenkomst, waarbij de dienstbetrekking eindigt zodra de uitzending eindigt en daarna weer wordt hervat, in de tussenliggende perioden onderworpen blijft aan de wetgeving van laatstbedoelde lidstaat zolang hij deze arbeid niet tijdelijk heeft stopgezet?

2)

Welke factoren zijn van belang om in dit soort gevallen te beoordelen of al dan niet sprake is van een tijdelijk stopzetten van de werkzaamheden?

3)

Na welk tijdsverloop moet een werknemer die geen contractuele arbeidsverhouding meer heeft, worden geacht zijn werkzaamheden in het werkland tijdelijk te hebben stopgezet, behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel?”

III. Juridische analyse

43.

Mijns inziens kunnen de drie prejudiciële vragen gezamenlijk worden behandeld, aangezien daaruit in wezen één vraagstuk voortvloeit.

44.

In casu staat vast dat zowel X als Y onder de personele werkingssfeer van verordening nr. 883/2004 valt, en dat de betrokken prestaties – te weten het ouderdomspensioen en de kinderbijslag – onder de materiële werkingssfeer van die verordening vallen.

45.

Over de zaak van X moet worden opgemerkt dat de arbeidsovereenkomsten met het uitzendbureau worden gekenmerkt door een „uitzendbeding”, op grond waarvan de arbeidsverhouding automatisch eindigde zodra de werkzaamheden bij de inlenende onderneming werden stopgezet, zoals gezegd in de punten 31 en 32 hierboven. Om die reden bleven deze arbeidsverhoudingen volgens de Centrale Raad van Beroep niet in stand in de perioden tussen de ene dienstbetrekking en de andere. De verwijzende rechter heeft daarnaast uitgesloten dat de werkzaamheden die X verrichtte als vrijwilliger en binnen de familiekring voor een minimale vergoeding, kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden in loondienst of daarmee gelijkgestelde werkzaamheden.

46.

Met betrekking tot Y heeft de verwijzende rechter (zoals reeds gespecificeerd in punt 33) verklaard dat in de periode van 1 januari 2016 tot en met 7 februari 2016 geen arbeidsverhouding bestond.

47.

De situaties betreffende X en Y kunnen dus onder dezelfde noemer worden gebracht, aangezien beide betrekking hebben op perioden waarin er geen arbeidsverhouding bestond en deze personen, die woonden in een andere lidstaat dan die waar zij gewoonlijk werkten, geen werkzaamheden verrichtten.

48.

Daarom kan worden gesteld dat de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vragen, die samen moeten worden behandeld, het Hof in wezen verzoekt om te verduidelijken of op X en Y – personen die wonen in een andere lidstaat dan die waarin zij op grond van uitzendovereenkomsten gewoonlijk hun werkzaamheden verrichtten – in de tussenliggende perioden waarin zij geen werkzaamheden verrichtten en de dienstbetrekkingen waren beëindigd, de wet van de werkstaat als bedoeld in artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 van toepassing is, dan wel de wet van de woonstaat als bedoeld in artikel 11, lid 3, onder e), van die verordening. De Europese Commissie is voorstander van de eerste oplossing; de SVB en de Nederlandse regering hebben daarentegen voor de tweede oplossing gepleit.

49.

Om dit vraagstuk op te lossen is het mijns inziens nuttig om eerst een overzicht te geven van de context van verordening nr. 883/2004.

50.

Deze verordening – die verordening nr. 1408/71 heeft gemoderniseerd en vereenvoudigd maar dezelfde doelstelling heeft – strekt ertoe de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten te coördineren om de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vrij verkeer te waarborgen. ( 9 )

51.

Deze verordening voert geen gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid in, maar laat afzonderlijke nationale stelsels voortbestaan ( 10 ), en stelt een aantal gemeenschappelijke beginselen vast die in de socialezekerheidswetgeving van alle lidstaten moeten worden geëerbiedigd. Aldus moet worden voorkomen dat degenen die hun recht van vrij verkeer en verblijf binnen de Unie uitoefenen, worden benadeeld door de verschillende nationale systemen omdat zij van die vrijheid gebruik hebben gemaakt. ( 11 )

52.

In die context bevat titel II van verordening nr. 883/2004, met als opschrift „Vaststelling van de toepasselijke wetgeving”, de conflictregels waarmee kan worden vastgesteld welke wetgeving van toepassing is op de situaties die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen.

53.

Het betreft conflictregels die zijn gebaseerd op aanknopingsregels die vergelijkbaar zijn met de regels van het internationaal privaatrecht. Daarmee wordt namelijk beoogd vast te stellen welke wetgeving van toepassing is op situaties die aanknopingspunten hebben met meerdere lidstaten, aangezien zij betrekking hebben op werknemers en zelfstandigen die gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer. ( 12 )

54.

Het Hof heeft meerdere malen verduidelijkt dat de bepalingen van titel II van verordening nr. 883/2004 een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels vormen die tot doel hebben de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen te voorkomen, en te beletten dat binnen de werkingssfeer van die verordening vallende personen geen socialezekerheidsbescherming genieten bij gebreke van een wettelijke regeling die op hen van toepassing is. ( 13 ) Met andere woorden, daarmee wordt beoogd te vermijden, enerzijds, dat migrerende werknemers als gevolg van een negatief conflict tussen nationale regelingen geen sociale bescherming genieten en, anderzijds, dat zij op grond van de wetgeving van verschillende lidstaten wegens een positief conflict tweemaal dezelfde uitkering ontvangen of tweemaal tot afdracht verplicht zijn.

55.

De betrokken bepalingen strekken er evenwel niet toe de materiële voorwaarden voor aansluiting bij een zorgverzekeringsstelsel of voor een recht op socialezekerheidsprestaties te bepalen. Het staat in beginsel aan de lidstaten om deze voorwaarden in hun wettelijke regeling vast te stellen. ( 14 )

56.

De in verordening nr. 883/2004 neergelegde conflictregels gelden dwingend voor de lidstaten; zij kunnen dus niet zelf bepalen in hoeverre hun eigen wetgeving of die van een andere lidstaat van toepassing is. ( 15 ) De personen op wie de betrokken wettelijke regeling krachtens de verordening van toepassing is, mogen derhalve niet van de werkingssfeer van deze wetgeving worden uitgesloten. ( 16 )

57.

Om deze positieve of negatieve conflicten tussen de toepasselijke nationale wettelijke regelingen op te lossen, zijn de bepalingen van titel II van verordening nr. 883/2004 erop gericht de betrokkenen te onderwerpen aan het socialezekerheidsstelsel van één enkele lidstaat.

58.

Artikel 11 van verordening nr. 883/2004, „Algemene regels”, dat de hoeksteen van het stelsel vormt, bepaalt namelijk in lid 1 dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is.

59.

Indien iemand binnen de „personele werkingssfeer” van verordening nr. 883/2004 valt, zoals die is omschreven in artikel 2 ervan, geldt dan ook in beginsel dat de wetgeving van één lidstaat toepassing vindt, die wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van titel II ervan. ( 17 )

60.

Voor zover hier relevant is in artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 het beginsel van de lex loci laboris vervat, waar is bepaald dat „voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat de wetgeving van die lidstaat geldt”. ( 18 )

61.

De termen „werkzaamheden in loondienst” en „werkzaamheden anders dan in loondienst” zijn gedefinieerd in artikel 1, onder a) en b), van verordening nr. 883/2004. Volgens deze bepaling worden voor de toepassing van deze verordening onder werkzaamheden al dan niet in loondienst verstaan „werkzaamheden of daarmee gelijkgestelde situaties die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar die werkzaamheden worden verricht, of waar die gelijkgestelde situaties zich voordoen”.

62.

Uit deze bepalingen, gelezen in onderlinge samenhang, blijkt dat voor de toepassing van de lex loci laboris de voorwaarde geldt dat de persoon werkzaamheden verricht die door de socialezekerheidswetgeving van de betrokken staat worden aangemerkt als „werkzaamheden in loondienst” dan wel als „werkzaamheden anders dan in loondienst”. ( 19 ) Mijns inziens is het bestaan van een arbeidsverhouding – die als zodanig wordt aangemerkt door de wetgeving waar deze wordt uitgeoefend – dus essentieel voor de toepassing van de wetgeving van de werkstaat.

63.

Het bestaan van een arbeidsverhouding is slechts irrelevant in het (uitzonderlijke) geval bedoeld in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 883/2004, waarin personen die een uitkering ontvangen omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren in loondienst of een werkzaamheid anders dan in loondienst, worden gelijkgesteld met personen die die werkzaamheid verrichten.

64.

De verwijzende rechter heeft reeds uitdrukkelijk verklaard dat de situatie van X en Y tijdens de perioden tussen de tijdelijke arbeidsverhoudingen volgens de Nederlandse wetgeving niet wordt aangemerkt als werkzaamheden al dan niet in loondienst. ( 20 )

65.

Aan de andere kant staat vast dat de voornoemde personen in de betrokken perioden geen uitkeringen als bedoeld in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 883/2004 hebben ontvangen.

66.

Op grond van de bovenstaande overwegingen moet worden uitgesloten dat in casu de wet van de werkstaat van toepassing is, zowel overeenkomstig artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 als overeenkomstig artikel 11, lid 2, van deze verordening.

67.

Deze oplossing lijkt beter geschikt om de doelstellingen van verordening nr. 883/2004 te verwezenlijken. Door de bevoegdheid van de werkstaat te koppelen aan het bestaan van een arbeidsverhouding kan onmiddellijk wanneer de gebeurtenissen zich voordoen en met de vereiste zekerheid worden vastgesteld welke nationale wet van toepassing is.

68.

Aldus wordt de rechtszekerheid gewaarborgd, die een essentiële waarde vormt in een stelsel dat er, zoals gezegd, toe strekt volgens de vaste schema’s van het internationaal privaatrecht coördinatie van nationale regelingen mogelijk te maken en conflicten daartussen te vermijden.

69.

Zoals reeds opgemerkt heeft de onderzochte regeling overigens niet tot doel rechten te waarborgen op socialezekerheids- en socialebijstandsuitkeringen, die worden geregeld door de lidstaten.

70.

Het recht van de Unie waarborgt een werknemer niet dat verplaatsing naar een andere lidstaat dan zijn lidstaat van herkomst op sociaal gebied neutraal is; een dergelijke verplaatsing, rekening houdend met de verschillen tussen de regelingen en wetgevingen van de lidstaten, kan, naargelang van het geval, op dat gebied meer of minder voordelig zijn voor de betrokken persoon. ( 21 )

71.

Het feit dat de betrokken personen geen recht hebben op de desbetreffende sociale uitkering in de lidstaat van hun woonplaats is volstrekt irrelevant voor de toepassing van de conflictregels van titel II van verordening nr. 883/2004. Nog afgezien van het feit dat de wet van de lidstaat van de woonplaats in theorie heel goed gunstiger zou kunnen zijn dan die van de werkstaat.

72.

Een uitlegging gebaseerd op criteria betreffende de kenmerken van de arbeidsverhouding, de duur van de periode waarin de betrokkenen die werkzaamheden hebben verricht, de duur van de intervallen, de gerichtheid op één markt, zoals de Commissie in haar opmerkingen voorstelt, zou nog meer twijfel en onzekerheid creëren en het gevaar met zich brengen dat er makkelijker conflicten tussen nationale wettelijke regelingen kunnen ontstaan.

73.

Bovendien zijn de duur van de intervallen en de eventuele terugkeer naar de eerdere werkstaat omstandigheden die pas achteraf kunnen worden vastgesteld, zodat tijdens die intervallen niet kan worden vastgesteld welke nationale wetgeving van toepassing is. Dit brengt praktische problemen met zich, met name voor de betaling van uitkeringen – zoals gezinsbijslagen – die niet afhangen van de in principe definitieve beëindiging van de werkzaamheden.

74.

In het licht van deze overwegingen lijkt mij dat de noodzaak de op één werknemer toepasselijke regeling niet te sterk te fragmenteren ( 22 ) minder zwaar weegt dan het vereiste van rechtszekerheid dat aan het onderzochte stelsel ten grondslag ligt.

75.

In dit verband wijs ik er tevens op dat de Uniewetgever, waar hij een dergelijke versnippering heeft willen voorkomen, dat uitdrukkelijk heeft gedaan.

76.

Daarmee doel ik op de regeling in artikel 12 van verordening nr. 883/2004 inzake detachering, waarin is bepaald dat degene die werkzaamheden in loondienst verricht in een lidstaat voor rekening van een werkgever „die daar zijn werkzaamheden normaliter verricht, en die door deze werkgever wordt gedetacheerd om voor zijn rekening werkzaamheden in een andere lidstaat te verrichten, [...] onderworpen [blijft] aan de wetgeving van de eerstbedoelde lidstaat, mits de te verwachten duur van die werkzaamheden niet meer dan 24 maanden bedraagt en de betrokkene niet wordt uitgezonden om een andere gedetacheerde persoon te vervangen”.

77.

Die bepaling – die ertoe strekt te vermijden dat een op het grondgebied van een lidstaat gevestigde onderneming zich verplicht ziet om haar normaliter aan de socialezekerheidsregeling van die lidstaat onderworpen werknemers aan te sluiten bij de socialezekerheidsregeling van een andere lidstaat waarnaar deze worden uitgezonden om werkzaamheden van beperkte duur te verrichten ( 23 ) – heeft klaarblijkelijk een afwijkend en uitzonderlijk karakter, en kan derhalve niet naar analogie worden toegepast buiten de uitdrukkelijk daarin vermelde gevallen. Bovendien verwijst die bepaling naar gevallen die, anders dan in de zaken in het hoofdgeding, worden gekenmerkt door voortdurende arbeidsverhoudingen.

78.

Voorts kan naar mijn mening uit het genoemde arrest Franzen geen enkel element worden afgeleid dat ervoor pleit dat de wetgeving van de werkstaat ook na de beëindiging van de arbeidsverhouding van toepassing is.

79.

Punt 50 van het genoemde arrest noemt als voorwaarde voor de toepassing van de wetgeving van de werkstaat het feit dat de betrokkene „zijn beroepswerkzaamheden op het grondgebied van die staat verricht”.

80.

Daarnaast heeft het Hof in de punten 51 en 52 van het genoemde arrest onderscheid gemaakt tussen de destijds onderzochte zaak en een aantal eerdere arresten ( 24 ) waarin de arbeidsverhouding, definitief of tijdelijk, was stopgezet.

81.

In het bijzonder staat in het genoemde punt 52 te lezen dat „de periode waarin de werkzaamheden in het kader van oproeparbeid niet worden verricht, immers niet [kan] worden aangemerkt als het tijdelijk stopzetten van de werkzaamheden”, aangezien „blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken dat de arbeidsverhouding [...], zonder onderbreking, vijf jaar heeft geduurd”.

82.

Daaruit volgt dat het Hof het ononderbroken bestaan van een arbeidsverhouding als essentieel beschouwde, en de wijze waarop de arbeidsprestatie in concreto wordt verricht, daarentegen niet relevant achtte, net als in het arrest van 3 mei 1990, Kits van Heijningen ( 25 ), aangezien de wet van de werkstaat heel goed ook van toepassing kan zijn op arbeid op oproepbasis of deeltijdwerk.

83.

Het is dus begrijpelijk dat het Hof in dat arrest heeft geoordeeld dat artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 ook van toepassing is op de dagen waarop de werknemer niet als oproepkracht heeft gewerkt, aangezien die zaak, anders dan de onderhavige zaak, wordt gekenmerkt door een arbeidsverhouding die steeds in stand is gebleven.

84.

Een verdere bevestiging van de door mij voorgestelde benadering is te vinden in het arrest van 13 september 2017, X ( 26 ) – dat eveneens betrekking heeft op verordening nr. 1408/71 maar, zoals gezegd, overdraagbaar is op verordening nr. 883/2004 –, over een persoon die in Nederland werkte en die met zijn werkgever was overeengekomen dat hij onbetaald verlof zou nemen en tijdens dat verlof in een andere lidstaat nog andere werkzaamheden had verricht.

85.

In punt 24 van dat arrest staat te lezen dat een persoon, „voor zover [hij] de hoedanigheid van werknemer behoudt gedurende de periode van onbetaald verlof die hem door zijn werkgever is toegekend, kan [...] worden beschouwd werkzaamheden in loondienst uit te oefenen in de zin van titel II van verordening nr. 1408/71, niettegenstaande de schorsing van de belangrijkste uit deze arbeidsverhouding voortvloeiende verplichtingen gedurende die bepaalde periode”.

86.

Die verklaring bevestigt mijns inziens dat voor de toepassing van de lex loci laboris altijd het bestaan van een arbeidsverhouding vereist is, ongeacht de eventuele schorsing van de concrete daaruit voortvloeiende verplichtingen. ( 27 )

87.

Tot slot ben ik van mening dat de situatie waarin X en Y tijdens de intervallen verkeerden, niet onder de werkingssfeer van artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 (en evenmin binnen die van artikel 11, lid 2, van de verordening) kan worden gebracht en dat bijgevolg moet worden uitgesloten dat op die situaties de wet van de werkstaat van toepassing is.

88.

Daarnaast staat vast dat de betrokkenen zich niet bevonden in de situaties bedoeld in artikel 11, lid 3, onder b), c) en d), van verordening nr. 883/2004, die betrekking hebben op ambtenaren, personen die een werkloosheidsuitkering ontvangen en personen die worden opgeroepen of opnieuw worden opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst.

89.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de betreffende situaties vallen onder de restbepaling van artikel 11, lid 3, onder e), die van toepassing is op alle personen die niet in de punten a) tot en met d) van die bepaling zijn bedoeld ( 28 ), en inzonderheid op zowel personen die definitief elke beroepswerkzaamheid hebben stopgezet als personen die hun beroepswerkzaamheid niet definitief hebben stopgezet ( 29 ).

90.

Nogmaals, die conclusie is in overeenstemming met het doel van de bepalingen van titel II van verordening nr. 883/2004; dat doel is namelijk ervoor te zorgen dat de betrokken personen worden onderworpen aan de sociale wetgeving van slechts één lidstaat, en niet dat de uitbetaling van socialezekerheids- en socialebijstandsuitkeringen wordt gewaarborgd, die daarentegen afhankelijk blijft van de vervulling van de materiele voorwaarden die zijn vastgesteld door de lidstaat waarvan de wetgeving van toepassing is.

91.

Het is uiteraard aan de nationale rechter om deze beginselen concreet toe te passen, door hen op de onderhavige zaak toe te passen en de nationale wetgeving in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen.

IV. Conclusie

92.

Op basis van de bovenstaande overwegingen geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Centrale Raad van Beroep te beantwoorden als volgt:

„Artikel 11, lid 3, onder a), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019, moet aldus worden uitgelegd dat een werknemer die in een lidstaat woont en zijn werkzaamheden gewoonlijk verricht in een andere lidstaat, niet onderworpen blijft aan de wetgeving van de werkstaat gedurende de perioden waarin hij overeenkomstig de socialezekerheidswetgeving van die staat geen geldende arbeidsovereenkomst heeft en geen werkzaamheden verricht die volgens de wetgeving van de lidstaat kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden al dan niet in loondienst. Tijdens deze intervallen is daarentegen op grond van artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 de wetgeving van de woonstaat van toepassing.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.

( 2 ) Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 883/2004, (EU) nr. 492/2011 en (EU) 2016/589, en tot intrekking van besluit (EU) 2016/344 (PB 2019, L 186, blz. 21) (hierna: „verordening nr. 883/2004”).

( 3 ) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 tot wijziging en bijwerking van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1997, L 28, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”).

( 4 ) Beide in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaken betreffen uitzendarbeidsbetrekkingen. Zoals bekend is dit een soort arbeid – dat is geregeld in richtlijn 2008/104/EG betreffende uitzendarbeid – waaraan drie partijen deelnemen: het uitzendbureau, de werknemer en de inlenende onderneming. Die betrekkingen worden gekenmerkt door een driehoekschema, gebaseerd op twee naast elkaar bestaande overeenkomsten: een arbeidsovereenkomst tussen het uitzendbureau en de werknemer, en een overeenkomst op grond waarvan het uitzendbureau een of meer werknemers naar de inlenende onderneming uitzendt. Deze werknemers blijven dus formeel in dienst van, en worden betaald door, het uitzendbureau, maar zij verrichten hun werkzaamheden voor en onder leiding van de inlenende onderneming. De arbeidsovereenkomst tussen het uitzendbureau en de werknemer kan worden aangegaan voor bepaalde of onbepaalde tijd. Uitsluitend in het tweede geval heeft de werknemer recht op een vergoeding voor de perioden waarin hij wacht tot hij naar een inlenende onderneming zal worden uitgezonden.

( 5 ) Dit type beding is geregeld in artikel 7:691, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek.

( 6 ) Arrest van 23 april 2015 (C‑382/13, EU:C:2015:261; hierna: „Franzen e.a.”).

( 7 ) Zoals de SVB in haar opmerkingen heeft vermeld (punt 19), is in dit verband ook artikel 59, lid 1, van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2009, L 284, blz. 1) relevant. Daarin is het volgende bepaald: „Indien, in de loop van een kalendermaand, de toepasselijke wetgeving van een andere lidstaat toepasselijk wordt en/of de bevoegdheid om gezinsuitkeringen toe te kennen van de ene lidstaat naar de andere overgaat, ongeacht de in de wetgeving van die lidstaten bepaalde vervaldagen voor de betaling van gezinsuitkeringen, blijft het orgaan dat de gezinsuitkeringen heeft betaald op grond van de wetgeving waaronder de uitkeringen aan het begin van de maand zijn toegekend, deze betalen tot het einde van de lopende maand.”

( 8 ) In punt 50 van het arrest Franzen heeft het Hof geoordeeld dat „de wetgeving van de werkstaat van toepassing blijft zolang de betrokkene zijn beroepswerkzaamheden op het grondgebied van die staat verricht. Daarbij doen het bestaan van een arbeidsverhouding en het type arbeidsverhouding, zoals deeltijdwerk of arbeid op oproepbasis, of ook het aantal door de werknemer gewerkte uren, niet ter zake.” Cursivering van mij.

( 9 ) Zie de overwegingen 1, 3, 4 en 45 van verordening nr. 883/2004. Zie ook arresten van 30 september 2021, Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) (C‑285/20, EU:C:2021:785, punt 42); 29 oktober 2020, Veselības ministrija (C‑243/19, EU:C:2020:872, punt 22), en 21 maart 2018, Klein Schiphorst (C‑551/16, EU:C:2018:200, punt 31).

( 10 ) Zie arresten van 25 november 2021, Finanzamt Österreich (Gezinsbijslagen voor ontwikkelingswerkers) (C‑372/20, EU:C:2021:962, punt 71); 14 juni 2016, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑308/14, EU:C:2016:436, punt 67), en 21 maart 2018, Klein Schiphorst (C‑551/16, EU:C:2018:200, punt 44).

( 11 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑308/14, EU:C:2015:666, punt 49), alsook mijn conclusie in de zaak SF (C‑631/17, EU:C:2019:10, punt 21).

( 12 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Franzen e.a. (C‑382/13, EU:C:2014:2190, punt 63).

( 13 ) Zie arresten van 3 juni 2021, TEAM POWER EUROPE (C‑784/19, EU:C:2021:427, punt 32), en 16 juli 2020, AFMB (C‑610/18, EU:C:2020:565, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 14 ) Zie arrest van 15 juli 2021, A (Openbare gezondheidszorg) (C‑535/19, EU:C:2021:595, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 11 juni 1998, Kuusijärvi (C‑275/96, EU:C:1998:279, punt 29).

( 15 ) Zie arresten van 15 juli 2021, A (Openbare gezondheidszorg) (C‑535/19, EU:C:2021:595, punt 48), en 25 oktober 2018, Walltopia (C‑451/17, EU:C:2018:861, punt 48).

( 16 ) Zie arrest van 11 juni 1998, Kuusijärvi (C‑275/96, EU:C:1998:279, punt 30).

( 17 ) Zie arresten van 3 juni 2021, TEAM POWER EUROPE (C‑784/19, EU:C:2021:427, punt 33), en 16 juli 2020, AFMB (C‑610/18, EU:C:2020:565, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 18 ) Dit algemene beginsel strekt ertoe te garanderen dat alle in een bepaald land werkzame werknemers onder dezelfde socialezekerheidswetgeving vallen en dezelfde sociale uitkeringen verkrijgen (zie arrest van 6 september 2018, Alpenrind e.a.,C‑527/16, EU:C:2018:669, punten 97 en 98). Op deze manier kan ongewenste concurrentie op loonkosten en daarmee druk op de nationale socialezekerheidsstelsels tegen worden gegaan. Zie de conclusie van advocaat-generaal Pikamäe in de zaak AFMB (C‑610/18, EU:C:2019:1010, punt 29).

( 19 ) Zie in dit verband arrest van 13 september 2017, X (C‑569/15, EU:C:2017:673, punten 2326).

( 20 ) Zie punten 4.3-4.7 van de verwijzingsbeslissing.

( 21 ) Zie arrest van 19 september 2019, Van den Berg e.a. (C‑95/18 en C‑96/18, EU:C:2019:767, punt 64). Uit dit arrest – betreffende een prejudiciële verwijzing van de Hoge Raad der Nederlanden in het kader van hetzelfde geding dat heeft geleid tot het arrest Franzen e.a., maar in de fase van rechtmatigheidstoetsing – volgt dat de werkstaat niet verplicht is om de in een andere lidstaat woonachtige werknemer toe te laten tot zijn socialezekerheidsstelsel gedurende perioden waarin op grond van titel II van verordening nr. 883/2004 de wetgeving van de woonstaat van toepassing is.

( 22 ) Zie dienaangaande arrest van 17 december 1970, Manpower (35/70, EU:C:1970:120). In dat arrest is weliswaar geoordeeld dat het in het belang van migrerende werknemers is om niet voor korte perioden aan de wetgeving van verschillende landen onderworpen te zijn, aangezien zij daardoor meestal zouden worden benadeeld doordat korte perioden in de nationale wettelijke regelingen voor het genot van zekere sociale uitkeringen gewoonlijk worden uitgesloten. Dat arrest – betreffende een prejudiciële vraag over artikel 13, onder a), van verordening nr. 3 van de Raad van 25 september 1958 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers – ging over een werknemer van een Frans uitzendbureau die werd verzocht zijn werkzaamheden te verrichten bij een Duitse onderneming. Dit betrof dus één vaste en voortdurende arbeidsverhouding tussen de werknemer en het uitzendbureau (zie de punten 17‑19 van dat arrest), die – anders dan in de zaken die thans aan de orde zijn – niet werd onderbroken. Het is begrijpelijk dat het Hof in een dergelijke situatie artikel 13, onder a), van die verordening, dat uitdrukkelijk uitsluitend naar uitzending verwees, ruim heeft uitgelegd en heeft geoordeeld dat de wetgeving moest worden toegepast van de lidstaat waar het uitzendbureau gevestigd was.

( 23 ) Zie arresten van 3 juni 2021, TEAM POWER EUROPE (C‑784/19, EU:C:2021:427, punt 60), en 25 oktober 2018, Walltopia (C‑451/17, EU:C:2018:861, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 24 ) Het Hof verwees naar de arresten van 11 juni 1998, Kuusijärvi (C‑275/96, EU:C:1998:279, punten 39 en 40), en 11 november 2004, Adanez-Vega (C‑372/02, EU:C:2004:705, punt 24).

( 25 ) C‑2/89, EU:C:1990:183. In de punten 14 en 15 van dat arrest heeft het Hof opgemerkt dat artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 geen onderscheid maakt „naargelang de werkzaamheden in loondienst voor de volle werktijd dan wel voor een gedeelte daarvan worden uitgeoefend”. Om deze reden heeft het Hof geoordeeld dat iemand die binnen de werkingssfeer van deze verordening valt en voor een gedeelte van de volle werktijd op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, op grond van artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 zowel gedurende de dagen waarop hij deze werkzaamheden uitoefent als gedurende die waarop hij dat niet doet, aan de wettelijke regeling van die staat is onderworpen.

( 26 ) C‑569/15, EU:C:2017:673.

( 27 ) Zie in die zin ook de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak X (C‑569/15, EU:C:2017:181, punten 3136).

( 28 ) Zie arrest van 8 mei 2019, SF (C‑631/17, EU:C:2019:381, punt 40).

( 29 ) Zie arrest van 11 november 2004, Adanez-Vega (C‑372/02, EU:C:2004:705, punt 24).

Top