EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62008CJ0073

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 13 april 2010.
Nicolas Bressol e.a. en Céline Chaverot e.a. tegen Gouvernement de la Communauté française.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Cour constitutionnelle - België.
Burgerschap van Unie - Artikelen 18 VWEU en 21 VWEU -Richtlijn 2004/38/EG - Artikel 24, lid 1 - Recht op vrij verblijf - Beginsel van non-discriminatie - Toegang tot hoger onderwijs - Studenten die staatsburger zijn van lidstaat en die zich naar andere lidstaat begeven om daar opleiding te volgen - Contingentering van inschrijvingen van niet-ingezeten studenten voor universitaire opleidingen in domein van volksgezondheid - Rechtvaardiging - Evenredigheid - Gevaar voor kwaliteit van onderwijs in medische en paramedische materies - Risico van tekort aan gediplomeerden in beroepssectoren van volksgezondheid.
Zaak C-73/08.

European Court Reports 2010 I-02735

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2010:181

Zaak C‑73/08

Nicolas Bressol e.a.

en

Céline Chaverot e.a.

tegen

Regering van de Franse Gemeenschap

[verzoek van het Grondwettelijk Hof (België) om een prejudiciële beslissing]

„Burgerschap van Unie – Artikelen 18 VWEU en 21 VWEU – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 24, lid 1 – Recht van vrij verblijf – Discriminatieverbod – Toegang tot hoger onderwijs – Studenten die staatsburger zijn van lidstaat en zich naar andere lidstaat begeven om daar opleiding te volgen – Contingentering van inschrijvingen van niet-ingezeten studenten voor universitaire opleidingen op gebied van volksgezondheid – Rechtvaardiging – Evenredigheid – Gevaar voor kwaliteit van onderwijs in medische en paramedische materies – Risico van tekort aan gediplomeerden in beroepssectoren van volksgezondheid”

Samenvatting van het arrest

1.        Burgerschap van Europese Unie – Recht om vrij op grondgebied van lidstaten te reizen en te verblijven – Richtlijn 2004/38

(Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad, art. 24, lid 1)

2.        Gemeenschapsrecht – Beginselen – Gelijke behandeling – Burgerschap van Europese Unie – Discriminatie op grond van nationaliteit

(Art. 18 VWEU en 21 VWEU)

3.        Gemeenschapsrecht – Beginselen – Gelijke behandeling – Burgerschap van Europese Unie – Discriminatie op grond van nationaliteit

(Art. 18 VWEU en 21 VWEU; Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, art. 13, lid 2, sub c)

1.        De situatie van studenten die burgers van de Unie zijn en door de regeling van de gastlidstaat niet als ingezetenen worden beschouwd en zich daarom niet kunnen inschrijven voor een opleiding in het hoger onderwijs van deze staat, kan worden geregeld door artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, dat geldt voor iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft.

De omstandigheid dat deze studenten in voorkomend geval in de gastlidstaat geen economische activiteit uitoefenen is niet relevant, omdat richtlijn 2004/38 geldt voor alle burgers van de Unie, ongeacht of deze op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit in loondienst of als zelfstandige uitoefenen, dan wel er geen enkele economische activiteit uitoefenen.

(cf. punten 34‑36)

2.        De artikelen 18 VWEU en 21 VWEU verzetten zich tegen een regeling van een lidstaat die het aantal niet als ingezetenen beschouwde studenten die zich voor het eerst voor medische en paramedische opleidingen van instellingen van hoger onderwijs mogen inschrijven, beperkt, tenzij de nationale rechter na beoordeling van alle door de bevoegde instanties aangedragen relevante elementen vaststelt dat deze regeling uit het oogpunt van de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid gerechtvaardigd is.

Een dergelijke ongelijke behandeling van ingezeten studenten en niet-ingezeten studenten is een discriminatie die indirect op de nationaliteit is gebaseerd, tenzij zij gerechtvaardigd kan zijn door de doelstelling die erin bestaat een kwalitatief hoogstaande, evenwichtige en voor eenieder toegankelijke medische dienstverlening te handhaven, wanneer deze bijdraagt tot de verwezenlijking van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid. Dienaangaande moet worden nagegaan of de regeling geschikt is om deze gerechtvaardigde doelstelling te verwezenlijken en niet verder gaat dan nodig is ter verwezenlijking van deze doelstelling. Het staat aan de nationale rechter om dit vast te stellen.

Daartoe moet hij eerst nagaan of er daadwerkelijk risico´s bestaan voor de bescherming van de volksgezondheid. Bij de beoordeling van deze risico´s moet de nationale rechter eerst en vooral bedenken dat er slechts een indirect verband bestaat tussen de opleiding van toekomstige medische zorgverstrekkers en de doelstelling van de handhaving van een kwaliteitsvolle medische zorg die evenwichtig en voor allen toegankelijk is, en dat het om een minder sterk causaal verband gaat dan dat tussen de doelstelling van volksgezondheid en de activiteit van reeds op de markt werkzame medische zorgverstrekkers. De beoordeling van een dergelijk verband hangt immers met name af van een prospectieve analyse waarbij, uitgaande van vele toevallige en onzekere elementen, conclusies worden getrokken, en waarbij rekening moet worden gehouden met de toekomstige ontwikkeling van het betrokken gezondheidsgebied, maar eveneens van de analyse van de aanvangssituatie. Hij moet er bovendien rekening mee houden dat de lidstaat bij onzekerheid omtrent het bestaan en de omvang van risico’s voor de bescherming van de volksgezondheid op zijn grondgebied beschermende maatregelen kan nemen zonder te moeten wachten totdat een reëel tekort aan medische zorgverstrekkers ontstaat. Hetzelfde geldt voor de risico’s voor de kwaliteit van het onderwijs op dit gebied. Het staat evenwel aan de bevoegde nationale autoriteiten om het daadwerkelijke bestaan van dergelijke risico´s te bewijzen op basis van een objectieve, uitvoerige en cijfermatige analyse die met behulp van ernstige, gelijkluidende en bewijskrachtige gegevens kan aantonen dat er daadwerkelijk risico´s voor de volksgezondheid bestaan.

In de tweede plaats dient de nationale rechter, indien hij van mening is dat daadwerkelijke risico´s voor de bescherming van de volksgezondheid bestaan, rekening houdend met de door de bevoegde instanties verstrekte gegevens, te beoordelen of de regeling geschikt is om de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid te verwezenlijken. In deze context dient hij met name na te gaan of een beperking van het aantal niet-ingezeten studenten daadwerkelijk kan leiden tot een toename van het aantal afgestudeerden die op termijn de beschikbaarheid van de gezondheidszorg binnen de betrokken gemeenschap kunnen verzekeren.

Tot slot staat het aan de nationale rechter om ten derde na te gaan of de regeling niet verder gaat dan nodig is ter verwezenlijking van de aangevoerde doelstelling, en in het bijzonder of het gestelde doel van algemeen belang niet kan worden bereikt met minder restrictieve maatregelen, die erop gericht zijn de studenten die binnen de betrokken gemeenschap studeren, aan te moedigen om zich na hun studie aldaar te vestigen, of om buiten deze gemeenschap opgeleide medische zorgverstrekkers ertoe aan te zetten zich binnen deze gemeenschap te vestigen. Hij moet eveneens nagaan of de bevoegde instanties de verwezenlijking van deze doelstelling naar behoren hebben verzoend met de door het recht van Unie gestelde eisen, en, in het bijzonder, met de mogelijkheid voor de uit andere lidstaten afkomstige studenten om toegang te hebben tot het hoger onderwijs, welke mogelijkheid de essentie is van het beginsel van vrij verkeer van studenten.

(cf. punten 62‑64, 66, 69‑71, 75‑79, 82, dictum 1)

3.        De bevoegde autoriteiten van een lidstaat kunnen zich niet beroepen op artikel 13, lid 2, sub c, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, wanneer een nationale rechter heeft vastgesteld dat een regeling van deze lidstaat tot regulering van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs onverenigbaar is met de artikelen 18 VWEU en 21 VWEU.

Uit de tekst van artikel 13, lid 2, sub c, van dat verdrag volgt namelijk dat daarmee in wezen dezelfde doelstellingen als met de artikelen 18 VWEU en 21 VWEU worden nagestreefd, namelijk de inachtneming van het beginsel van non-discriminatie bij de toegang tot hoger onderwijs verzekeren. Dit wordt bevestigd door artikel 2, lid 2, van dat verdrag, dat bepaalt dat de staten die partij zijn bij het verdrag zich ertoe verbinden te waarborgen dat de erin genoemde rechten zullen worden uitgeoefend zonder discriminatie van welke aard ook, met name op grond van nationale herkomst. Artikel 13, lid 2, sub c, van dat verdrag eist daarentegen niet dat de verdragsluitende staten alleen aan hun eigen staatsburgers een brede toegang tot kwaliteitsvol hoger onderwijs garanderen, en staat dit overigens ook niet toe.

(cf. punten 86‑88, dictum 2)







ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

13 april 2010 (*)

„Burgerschap van Unie – Artikelen 18 VWEU en 21 VWEU – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 24, lid 1 – Recht op vrij verblijf – Beginsel van non-discriminatie – Toegang tot hoger onderwijs – Studenten die staatsburger zijn van lidstaat en die zich naar andere lidstaat begeven om daar opleiding te volgen – Contingentering van inschrijvingen van niet-ingezeten studenten voor universitaire opleidingen in domein van volksgezondheid – Rechtvaardiging – Evenredigheid – Gevaar voor kwaliteit van onderwijs in medische en paramedische materies – Risico van tekort aan gediplomeerden in beroepssectoren van volksgezondheid”

In zaak C‑73/08,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Grondwettelijk Hof (België) bij beslissing van 14 februari 2008, ingekomen bij het Hof op 22 februari 2008, in de procedure

Nicolas Bressol e.a.,

Céline Chaverot e.a.

tegen

Regering van de Franse Gemeenschap,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, J. N. Cunha Rodrigues, K. Lenaerts, J.‑C Bonichot, R. Silva de Lapuerta en C. Toader, kamerpresidenten, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, K. Schiemann, J. Malenovský (rapporteur), T. von Danwitz, A. Arabadjiev en J.‑J Kasel, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: M.‑A. Gaudissart, hoofd van administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 maart 2009,

gelet op de opmerkingen van:

–        N. Bressol e.a., vertegenwoordigd door M. Snoeck en J. Troeder, avocats,

–        C. Chaverot e.a., vertegenwoordigd door J. Troeder en M. Mareschal, avocats,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door L. Van den Broeck als gemachtigde, bijgestaan door M. Nihoul, advocaat,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en G. Rozet als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 juni 2009,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 12, eerste alinea, EG, 18, lid 1, EG, junctis de artikelen 149, leden 1 en 2, EG en 150, lid 2, EG.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen N. Bressol e.a. en C. Chaverot e.a., en de regering van de Franse Gemeenschap, betreffende de beoordeling van de grondwettigheid van het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs (Belgisch Staatsblad van 6 juli 2006, blz. 34055; hierna: „decreet van 16 juni 2006”).

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

3        Artikel 2, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 16 december 1966 en in werking getreden op 3 januari 1976 (hierna: „ICESCR”), bepaalt:

„De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich te waarborgen dat de in dit Verdrag opgesomde rechten zullen worden uitgeoefend zonder discriminatie van welke aard ook, wat betreft [...] nationale [...] afkomst [...].”

4        Artikel 13, lid 2, sub c, van het ICESCR bepaalt:

„De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen dat teneinde tot een volledige verwezenlijking van [het recht van een ieder op onderwijs] te komen:

[...]

c)      het hoger onderwijs door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs voor eenieder op basis van bekwaamheid gelijkelijk toegankelijk dient te worden gemaakt; [...]”.

 Recht van de Unie

5        Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77, en – rectificaties – PB 2004, L 229, blz. 35; PB 2005, L 197, blz. 34, alsook PB 2007, L 204, blz. 28), die werd vastgesteld in overeenstemming met de artikelen 12, tweede alinea, EG, 18, lid 2, EG, 40 EG, 44 EG en 52 EG, bepaalt in de punten 1, 3 en 20 van de considerans:

„(1)      Burgerschap van de Unie verleent iedere burger van de Unie, binnen de beperkingen van het Verdrag en de maatregelen tot uitvoering daarvan, een fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten.

[...]

(3)      Burgerschap van de Unie dient de fundamentele status te zijn van onderdanen van de lidstaten die hun recht van vrij verkeer en verblijf uitoefenen. Derhalve moeten de bestaande Gemeenschapsinstrumenten waarin afzonderlijke regelingen zijn vastgesteld voor werknemers, zelfstandigen, studenten en andere niet-actieven worden gecodificeerd en herzien, teneinde het recht van de burgers van de Unie van vrij verkeer en verblijf te vereenvoudigen en te versterken.

[...]

(20)      In overeenstemming met het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit moeten alle burgers van de Unie en hun familieleden die op grond van deze richtlijn in een lidstaat verblijven, in de lidstaat op de gebieden waarop het Verdrag van toepassing is op gelijke wijze worden behandeld als de eigen onderdanen, onverminderd de specifieke bepalingen van het Verdrag en de secundaire wetgeving.”

6        Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 bepaalt:

„Deze richtlijn is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden [...]”

7        Artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38, met als titel „Gelijke behandeling”, luidt als volgt:

„Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.”

 Nationaal recht

8        Volgens het decreet van 16 juni 2006 moeten de universiteiten en hogescholen van de Franse Gemeenschap het aantal studenten die op het ogenblik van hun inschrijving niet in aanmerking worden genomen als in België verblijvende studenten in de zin van dit decreet (hierna: „niet-verblijvende studenten”), die zich voor de eerste keer mogen inschrijven voor één van de negen in dit decreet bedoelde medische en paramedische cursussen, volgens bepaalde modaliteiten beperken.

9        Artikel 1 van het decreet van 16 juni 2006 bepaalt:

„Onder verblijvende student in de zin van dit decreet, dient verstaan te worden de student die, op het ogenblik van zijn inschrijving bij een inrichting voor hoger onderwijs, het bewijs levert dat hij zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en dat hij aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

1°      het recht hebben in België permanent te verblijven;

2°      zijn hoofdverblijfplaats in België hebben sedert minstens 6 maanden op het ogenblik van de inschrijving bij een inrichting voor hoger onderwijs, en er een al dan niet bezoldigde beroepsactiviteit uitoefenen of er een vervangingsbezoldiging genieten die door een Belgische openbare dienst toegekend wordt;

3°      ertoe gemachtigd zijn voor een onbepaalde duur [in België] te verblijven op basis van [de relevante Belgische wetgeving];

4°      ertoe gemachtigd zijn in België te verblijven als gevolg van de erkenning als vluchteling krachtens [de relevante Belgische wetgeving], of een adhoc aanvraag;

5°      ertoe gemachtigd zijn in België te verblijven met de tijdelijke bescherming [op basis van de relevante Belgische wetgeving];

6°      als vader, moeder, wettelijke voogd of echtgenoot(-ote) een persoon hebben die aan een van deze voorwaarden voldoet;

7°      zijn hoofdverblijfplaats in België hebben sedert minstens drie jaar op het ogenblik van de inschrijving bij een inrichting voor hoger onderwijs;

8°      houder zijn van een attest van beursstudent uitgereikt in het raam van de ontwikkelingssamenwerking voor het academiejaar en voor de studies waarvoor de aanvraag om inschrijving ingediend wordt.

Onder ‚recht om permanent te verblijven’ in de zin van het eerste lid, dient verstaan te worden voor de staatsburgers van een andere lidstaat van de Europese Unie, het recht erkend krachtens de artikelen 16 en 17 van [richtlijn 2004/38/EG] [...].”

10      Hoofdstuk 2 van genoemd decreet, bestaande uit de artikelen 2 tot en met 5, bevat bepalingen over de toegang tot universiteiten.

11      Artikel 2 van dit decreet bepaalt:

„De academische overheden beperken het aantal studenten die zich voor de eerste keer inschrijven in een universiteit van de Franse Gemeenschap voor een van de cursussen bedoeld bij artikel 3, op de wijze bepaald bij artikel 4.

[...]”

12      Artikel 3 van dit decreet luidt als volgt:

„De bepalingen van [hoofdstuk II] zijn van toepassing op de cursussen die tot de volgende academische graden leiden:

1°      Bachelor kinesitherapie en revalidatie;

2°      Bachelor diergeneeskunde.”

13      Artikel 4 van het decreet bepaalt:

„Voor iedere universitaire instelling en voor iedere cursus bedoeld bij artikel 3, wordt een aantal T bepaald gelijk aan het totaal aantal studenten die zich inschrijven voor de eerste keer voor de betrokken cursus en die in aanmerking genomen worden voor de financiering, alsook een aantal NR gelijk aan het aantal studenten die zich inschrijven voor de eerste keer in de betrokken cursus en die niet in aanmerking genomen worden als verblijvende studenten in de zin van artikel 1.

Wanneer de verhouding tussen het aantal NR, enerzijds, en het aantal T van het vorig academiejaar, anderzijds, een percentage P bereikt, weigert de academische overheid de bijkomende inschrijving van studenten die nooit ingeschreven waren voor de betrokken cursus en die niet in aanmerking worden genomen als verblijvende studenten in de zin van artikel 1.

De P bedoeld bij het vorig lid wordt op 30 % vastgesteld. Wanneer voor een academiejaar, het deel van de studenten die hun studies voortzetten elders dan in het land waar ze hun diploma van secundaire studies behaalden, gemiddeld 10 % in het geheel van de inrichtingen voor hoger onderwijs van de Europese Unie echter overschrijdt, is de P, voor het volgend academiejaar, gelijk aan dit percentage vermenigvuldigd met drie.”

14      Artikel 5 van het decreet van 16 juni 2006 bepaalt:

„[...] de studenten die niet in aanmerking worden genomen als verblijvende studenten in de zin van artikel 1 [dienen] hun aanvraag om inschrijving voor een cursus bedoeld bij artikel 3 in ten vroegste de derde werkdag voor de 2 september voorafgaand aan het betrokken academiejaar. [...]

[...]

In afwijking van het eerste lid, voor de niet-verblijvende studenten die zich aanbieden om een aanvraag tot inschrijving in te dienen voor een van de cursussen bedoeld bij artikel 3 ten laatste van de laatste werkdag die voorafgaat aan de 2de september voor het academiejaar, indien het aantal dergelijke studenten het bij artikel 4, tweede lid, bedoeld aantal NR overschrijdt, wordt de prioriteitsorde onder deze studenten door loting bepaald. [...]

[...]”

15      Hoofdstuk III van het decreet van 16 juni 2006, bestaande uit de artikelen 6 tot en met 9, bevat bepalingen met betrekking tot de hogescholen. De bepalingen van de artikelen 6, eerste alinea, 8 en 9, van dit decreet komen overeen met die van de artikelen 2, eerste alinea, 4 en 5, van dat decreet.

16      Volgens artikel 7 van dit decreet zijn deze bepalingen van toepassing op de cursussen die tot de volgende academische graden leiden:

„1°      Bachelor – Vroedvrouw;

2°       Bachelor ergotherapie;

3°       Bachelor logopedie;

4°       Bachelor podologie – podotherapie;

5°       Bachelor kinesitherapie;

6°       Bachelor audiologie;

7°       Opvoeder gespecialiseerd in de psycho‑opvoedende begeleiding.”

 Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

17      Het hoger onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap is gebaseerd op de vrije toegang tot het onderwijs, zonder beperking van de inschrijving van studenten.

18      Deze Gemeenschap heeft evenwel sinds meerdere jaren een gevoelige toename vastgesteld van het aantal studenten uit andere lidstaten dan het Koninkrijk België die zich inschrijven bij de instellingen die onder haar hoger onderwijssysteem vallen, en dat in het bijzonder voor negen medische en paramedische opleidingen. Volgens de verwijzingsbeslissing heeft deze toename met name te maken met de toestroom van Franse studenten die naar de Franse Gemeenschap komen omdat het hoger onderwijs daar in dezelfde taal als in Frankrijk wordt verstrekt en de Franse Republiek de toegang tot deze opleidingen heeft beperkt.

19      Omdat deze studenten in voornoemde opleidingen te talrijk zijn geworden, heeft de Franse Gemeenschap het decreet van 16 juni 2006 vastgesteld.

20      Op 9 augustus en 13 december 2006 hebben verzoekers in het hoofdgeding bij het Grondwettelijk Hof beroep tot nietigverklaring van het decreet ingesteld.

21      Verzoekers zijn ten dele studenten, in het bijzonder van Franse nationaliteit, die tot geen enkele van de in artikel 1 van het decreet van 16 juni 2006 bedoelde categorieën behoren, en die voor het academiejaar 2006-2007 een verzoek tot inschrijving bij een instelling voor hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap hebben gedaan om er één van de in het decreet bedoelde opleidingen te volgen.

22      Aangezien het aantal niet-verblijvende studenten de door het decreet vastgestelde drempel had overschreden, hebben de betrokken instellingen een loting tussen deze studenten georganiseerd, met een ongelukkige afloop voor voornoemde verzoekers in het hoofdgeding. Bijgevolg hebben de betrokken instellingen geweigerd hen in te schrijven.

23      Een ander deel van de verzoekers in het hoofdgeding zijn onderwijzend personeel van de door het decreet van 16 juni 2006 bedoelde universiteiten en hogescholen die van mening zijn dat de toepassing van dit decreet hun betrekking rechtstreeks en onmiddellijk bedreigt, omdat het op termijn zal leiden tot een daling van het aantal studenten dat bij hun onderwijsinstellingen is ingeschreven.

24      Tot staving van hun beroep hebben verzoekers in het hoofdgeding zich met name erop beroepen dat het decreet van 16 juni 2006 het beginsel van non-discriminatie schendt, omdat de bepalingen ervan verblijvende studenten en niet-verblijvende studenten zonder geldige rechtvaardiging verschillend behandelen. Terwijl namelijk verblijvende studenten verder vrije toegang tot de in dit decreet bedoelde opleidingen genieten, is de toegang van niet-verblijvende studenten tot deze opleidingen aldus beperkt, dat het aantal voor voornoemde opleidingen ingeschreven studenten van deze categorie niet meer dan 30 % mag bedragen.

25      De verwijzende rechter heeft twijfels geuit over de wettigheid van het decreet van 16 juni 2006, door te oordelen dat de bepalingen van de Belgische grondwet, waarvan de naleving tot zijn bevoegdheid behoort en waarvan de schending is gesteld, moeten worden gelezen in samenhang met de artikelen 12, eerste alinea, EG, 18, lid 1, EG, 149, leden 1 en 2, tweede streepje, EG en 150, lid 2, derde streepje, EG.

26      Derhalve heeft het Grondwettelijk Hof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moeten de artikelen 12, eerste alinea, [EG] en 18, lid 1, [EG], in samenhang gelezen met artikel 149, lid 1 en lid 2, tweede streepje, en met artikel 150, lid 2, derde streepje, [EG] in die zin worden geïnterpreteerd dat deze bepalingen eraan in de weg staan dat een voor het hoger onderwijs bevoegde autonome gemeenschap van een lidstaat, die geconfronteerd wordt met een toestroom van studenten uit een aangrenzende lidstaat in een aantal opleidingen van medische aard die in hoofdzaak met overheidsmiddelen worden gefinancierd, ten gevolge van een restrictief beleid in die aangrenzende lidstaat, maatregelen neemt zoals die welke vervat zijn in het [decreet van 16 juni 2006], wanneer die Gemeenschap op goede gronden aanvoert dat die situatie een buitenmatig beslag dreigt te leggen op de overheidsfinanciën, en de kwaliteit van het verstrekte onderwijs dreigt te hypothekeren?

2)      Maakt het bij de beantwoording van de sub 1 vermelde vraag een verschil wanneer die Gemeenschap aantoont dat die situatie ertoe leidt dat er te weinig in die Gemeenschap verblijvende studenten afstuderen om op duurzame wijze te voorzien in voldoende geschoold medisch personeel om de kwaliteit van het stelsel van volksgezondheid binnen die Gemeenschap te verzekeren?

3)      Maakt het bij de beantwoording van de sub 1 vermelde vraag een verschil wanneer die Gemeenschap, rekening houdende met het bepaalde in artikel 149, lid 1, in fine, [EG] en met artikel 13, lid 2, sub c, van het [Verdrag], dat een standstill-verplichting inhoudt, opteert voor het in stand houden van een ruime en democratische toegang tot een kwaliteitsvol hoger onderwijs voor de bevolking van die Gemeenschap?”

 Eerste en tweede vraag

27      Met zijn eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het recht van de Unie in de weg staat aan een regeling van een lidstaat als in het hoofdgeding aan de orde, die het aantal niet-verblijvende studenten die zich voor het eerst voor medische en paramedische opleidingen bij instellingen van hoger onderwijs mogen inschrijven beperkt, wanneer die lidstaat ten gevolge van een restrictief beleid in een aangrenzende lidstaat met een toestroom van vanuit deze aangrenzende lidstaat afkomstige studenten wordt geconfronteerd, en deze situatie ertoe leidt dat te weinig in de eerste lidstaat verblijvende studenten voor deze opleidingen afstuderen.

 Bevoegdheid van de lidstaten inzake onderwijs

28      Vooraf zij eraan herinnerd dat, ofschoon het recht van de Unie de bevoegdheid van de lidstaten ter zake van de opzet van het onderwijsstelsel en de opzet van de beroepsopleiding – ingevolge de artikelen 165, lid 1 VWEU en 166, lid 1 VWEU – niet aantast, deze lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid niettemin het recht van de Unie, inzonderheid de bepalingen inzake de vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, moeten naleven (zie in die zin arresten van 11 september 2007, Schwarz en Gootjes-Schwarz, C‑76/05, Jurispr. blz. I‑6849, punt 70, en 23 oktober 2007, Morgan en Bucher, C‑11/06 en C‑12/06, Jurispr. blz. I‑9161, punt 24).

29      Het staat de lidstaten dus vrij te kiezen voor een onderwijssysteem dat op de vrije toegang tot het onderwijs is gebaseerd – zonder beperking van het aantal ingeschreven studenten –, dan wel voor een systeem dat op gereguleerde toegang met een selectie van de studenten is gebaseerd. Zodra zij echter voor één van de systemen of een combinatie ervan hebben gekozen, moeten de modaliteiten van het gekozen systeem met het recht van de Unie verenigbaar zijn, en in het bijzonder met het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit.

 Identificatie van de in het hoofdgeding toepasselijke bepalingen

30      Artikel 21, lid 1, VWEU bepaalt dat iedere burger van de Unie het recht heeft om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

31      Blijkens de rechtspraak van het Hof kan elke burger van de Unie zich bovendien beroepen op artikel 18 VWEU, dat elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt in alle binnen de materiële werkingssfeer van het recht van de Unie vallende situaties, waaronder met name de uitoefening van de in artikel 21 VWEU neergelegde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (zie in die zin arresten van 2 oktober 2003, Garcia Avello, C‑148/02, Jurispr. blz. I‑11613, punt 24; 15 maart 2005, Bidar, C‑209/03, Jurispr. blz. I‑2119, punten 32 en 33, en 18 november 2008, Förster, C‑158/07, Jurispr. blz. I‑8507, punten 36 en 37).

32      Blijkens diezelfde rechtspraak overigens betreft dit verbod eveneens de situaties inzake de voorwaarden voor de toegang tot een beroepsopleiding, aangezien zowel het hoger als het universitair onderwijs een beroepsopleiding vormt (arrest van 7 juli 2005, Commissie/Oostenrijk, C‑147/03, Jurispr. blz. I‑5969, punten 32 en 33, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Bijgevolg kunnen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde studenten zich beroepen op het in de artikelen 18 VWEU en 21 VWEU neergelegde recht om vrij op het grondgebied van een lidstaat, zoals het Koninkrijk België, te reizen en te verblijven, zonder rechtstreeks of indirect op grond van hun nationaliteit te worden gediscrimineerd.

34      In deze context kan niet worden uitgesloten dat de situatie van bepaalde verzoekers in het hoofdgeding wordt geregeld door artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38, dat geldt voor elke burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft.

35      Dienaangaande blijkt in de eerste plaats uit het dossier dat de studenten als bedoeld in het hoofdgeding burgers van de Unie zijn.

36      In de tweede plaats is de omstandigheid dat zij in voorkomend geval in België geen economische activiteit uitoefenen niet relevant, omdat richtlijn 2004/38 geldt voor alle burgers van de Unie, ongeacht of deze burgers op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit in loondienst of als zelfstandige uitoefenen, dan wel er geen enkele economische activiteit uitoefenen.

37      In de derde plaats valt niet uit te sluiten dat bepaalde verzoekers in het hoofdgeding reeds in België hebben verbleven vóór zij zich voor een van de betrokken opleidingen wilden inschrijven.

38      In de vierde plaats moet worden vastgesteld dat richtlijn 2004/38 ratione temporis op het hoofdgeding van toepassing is. De lidstaten moesten de richtlijn namelijk vóór 30 april 2006 in nationaal recht omzetten. Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde decreet werd vastgesteld op 16 juni 2006, dus na deze datum. Verder staat vast dat de betrokken studenten om inschrijving voor het academiejaar 2006-2007 bij de betrokken instellingen van hoger onderwijs hebben verzocht, en dat de inschrijving hen op grond van dit decreet werd geweigerd. Hun verzoek werd dus noodzakelijkerwijs na 30 april 2006 geweigerd.

39      Aangezien het Hof echter niet over alle elementen beschikt om vast te stellen dat de situatie van verzoekers in het hoofdgeding eveneens onder artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 valt, staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of deze bepaling daadwerkelijk op het hoofdgeding van toepassing is.

 Bestaan van een ongelijke behandeling

40      Er zij aan herinnerd dat het beginsel van non-discriminatie niet alleen rechtstreekse discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, maar ook alle vormen van indirecte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden (zie in die zin arrest van 18 juli 2007, Hartmann, C‑212/05, Jurispr. blz. I‑6303, punt 29).

41      Tenzij een bepaling van nationaal recht objectief gerechtvaardigd is en evenredig is aan het nagestreefde doel, moet zij als indirect discriminerend worden beschouwd wanneer zij naar de aard ervan inwoners van andere lidstaten meer treft dan eigen inwoners en derhalve meer in het bijzonder eerstgenoemden dreigt te benadelen (zie in die zin arrest van 30 november 2000, Österreichischer Gewerkschaftsbund, C‑195/98, Jurispr. blz. I‑10497, punt 40, en arrest Hartmann, reeds aangehaald, punt 30).

42      In het hoofdgeding bepaalt het decreet van 16 juni 2006 dat alleen verblijvende studenten zonder beperking tot in dit decreet bedoelde medische en paramedische opleidingen toegang hebben, namelijk studenten die tegelijkertijd voldoen aan de voorwaarde dat zij hun hoofdverblijfplaats in België hebben en aan een van de acht in de punten 1° tot en met 8° van artikel 1, eerste alinea, van dit decreet opgesomde alternatieve voorwaarden.

43      Daarentegen hebben de studenten die niet aan deze voorwaarden voldoen, slechts een beperkte toegang tot deze instellingen, omdat het totale aantal dergelijke studenten in principe voor elke universitaire instelling en voor elke opleiding beperkt is tot 30 % van het totale aantal studenten die het vorige academiejaar ingeschreven waren. Zodra dit percentage wordt bereikt, worden niet-verblijvende studenten met het oog op hun inschrijving via loting geselecteerd.

44      De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling leidt dus tot een ongelijke behandeling van verblijvende en niet-verblijvende studenten.

45      Aan een woonplaatsvereiste als door deze regeling is vereist kan gemakkelijker worden voldaan door de eigen onderdanen, die hun woonplaats meestal in België hebben, dan door de onderdanen van andere lidstaten, die hun woonplaats doorgaans in een andere lidstaat dan België hebben (zie, naar analogie, arrest van 8 juni 1999, Meeusen, C‑337/97, Jurispr. blz. I‑3289, punten 23 en 24, en arrest Hartmann, reeds aangehaald, punt 31).

46      Zoals de Belgische regering overigens erkent, worden de onderdanen van andere lidstaten dan België, vanwege de aard van de regeling bijgevolg door de negatieve gevolgen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling zwaarder getroffen dan de Belgische onderdanen, zodat de regeling eerstgenoemden in het bijzonder benadeelt.

 Rechtvaardiging van de ongelijke behandeling

47      Zoals in punt 41 van het onderhavige arrest is vastgesteld, is een ongelijke behandeling als is ingevoerd bij het decreet van 16 juni 2006, een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit, die behoudens objectieve rechtvaardiging verboden is.

48      Bovendien is de maatregel slechts gerechtvaardigd wanneer zij geschikt is om de verwezenlijking van de erdoor nagestreefde legitieme doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om deze doelstelling te bereiken (zie in die zin arresten van 16 oktober 2008, Renneberg, C‑527/06, Jurispr. blz. I‑7735, punt 81, en 19 mei 2009, Apothekerkammer des Saarlandes e.a., C‑171/07 en C‑172/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 25).

 Rechtvaardiging op grond van buitensporige lasten voor de financiering van het hoger onderwijs

49      De Belgische regering, ondersteund door de Oostenrijkse regering, voert om te beginnen aan dat de ongelijke behandeling van verblijvende studenten en niet-verblijvende studenten nodig is ter vermijding van buitensporige lasten voor de financiering van het hoger onderwijs, die zouden ontstaan doordat zonder de ongelijke behandeling veel te veel niet-verblijvende studenten bij de instellingen van hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap zouden zijn ingeschreven.

50      Dienaangaande moet worden vastgesteld dat volgens de toelichting van de Franse Gemeenschap zoals die blijkt uit de verwijzingsbeslissing, bij de totstandkoming van het decreet van 16 juni 2006 de financiële lasten als rechtvaardigingsgrond geen doorslaggevende rol hebben gespeeld. Volgens de toelichting van de Franse Gemeenschap wordt het onderwijs namelijk gefinancierd volgens een „systeem van gesloten enveloppe”, waarbij het totale toegewezen bedrag geen functie is van het totale aantal studenten.

51      De vrees voor buitensporige lasten voor de financiering van het hoger onderwijs kan de ongelijke behandeling van verblijvende studenten en niet-verblijvende studenten dus niet rechtvaardigen.

 Rechtvaardiging op grond van de handhaving van de homogeniteit van het hogeronderwijssysteem

52      De Belgische regering, ondersteund door de Oostenrijkse regering, voert aan dat de deelneming van niet-verblijvende studenten aan de betrokken opleidingen een niveau heeft bereikt dat wegens de inherente beperkingen van de opvangcapaciteit van de onderwijsinstellingen en de beschikbaarheid van het personeel ervan, een daling van de kwaliteit van het hoger onderwijs dreigt teweeg te brengen. Om de homogeniteit van het systeem te handhaven en voor de bevolking van de Franse Gemeenschap een ruime en democratische toegang tot kwaliteitsvol hoger onderwijs te waarborgen, bleek het dus nodig te zijn om een ongelijke behandeling van verblijvende studenten en niet-verblijvende studenten in te voeren, en het aantal niet-verblijvende studenten te beperken.

53      Zeker kan niet van meet af aan worden uitgesloten dat de doelstelling om een risico voor het voortbestaan van een nationaal onderwijssysteem en de homogeniteit ervan te vermijden, een ongelijke behandeling van bepaalde studenten kan rechtvaardigen (zie in die zin, arrest Commissie/Oostenrijk, reeds aangehaald, punt 66).

54      De dienaangaande aangevoerde rechtvaardigingsgronden vallen echter samen met deze inzake de bescherming van de volksgezondheid, nu alle betrokken opleidingen onder dit gebied vallen. Zij moeten dus uitsluitend worden getoetst aan de rechtvaardigingsgronden ontleend aan noden in verband met de bescherming van de volksgezondheid.

 Rechtvaardiging op grond van dringende redenen van volksgezondheid

–       Bij het Hof ingediende opmerkingen

55      De Belgische regering, ondersteund door de Oostenrijkse regering, stelt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling nodig is ter verwezenlijking van de doelstelling om de kwaliteit en het voortbestaan van medische en paramedische zorg binnen de Franse Gemeenschap te verzekeren.

56      Het hoge aantal niet-verblijvende studenten zou in de eerste plaats de kwaliteit van het onderwijs in de medische en paramedische opleidingen aanzienlijk verlagen. Ter handhaving van de kwaliteit is in het bijzonder vereist dat vele uren praktijkopleiding worden verstrekt. Gebleken is evenwel dat deze praktijkopleiding boven een bepaald aantal studenten niet naar behoren kan worden verstrekt, aangezien de opvangcapaciteit van de hogeronderwijsinstellingen, de beschikbaarheid van het personeel ervan en de mogelijkheden om een praktijkopleiding te verstrekken niet onbeperkt zijn.

57      Ter illustratie van de ondervonden moeilijkheden inzake onderwijs vermeldt de Belgische regering in het bijzonder de situatie op het gebied van de studie diergeneeskunde. Zij stelt dat op basis van de kwaliteitsnormen voor de opleiding tot dierenarts – die in het bijzonder inhouden dat elke student klinische praktijkervaring op een voldoende aantal dieren moet opdoen – werd vastgesteld dat het niet mogelijk is om binnen de Franse Gemeenschap meer dan 200 dierenartsen per jaar in de tweede cyclus van het hoger onderwijs op te leiden. Door de toeloop van niet-verblijvende studenten, is het totale aantal studenten over de zes studiejaren verdeeld tussen de academiejaren 1995-1996 en 2002-2003 echter van 1233 naar 2343 gestegen.

58      Voor de andere opleidingen als bedoeld in het decreet van 16 juni 2006, is de situatie gelijkaardig.

59      In de tweede plaats stelt de Belgische regering dat het hoge aantal niet-verblijvende studenten op termijn een tekort aan gekwalificeerd medisch personeel op het gehele grondgebied zou kunnen teweegbrengen, wat het systeem van de volksgezondheid binnen de Franse Gemeenschap in gevaar kan brengen. Dit risico heeft ermee te maken dat de niet-verblijvende studenten na hun studies naar hun land van herkomst terugkeren om er hun beroep uit te oefenen, terwijl het aantal ingezeten afgestudeerden binnen bepaalde specialisatiegebieden te laag blijft.

60      Verzoekers in het hoofdgeding voeren met name aan dat, gesteld dat deze rechtvaardigingsgronden ontvankelijk zouden zijn, de Belgische regering het daadwerkelijke bestaan van deze omstandigheden niet heeft bewezen.

61      De Commissie stelt dat zij de door de Belgische regering aangevoerde risico´s zeer ernstig neemt. Zij meent echter dat zij op het ogenblik niet over alle gegevens beschikt om zich te kunnen uitspreken over de gegrondheid van de rechtvaardiging.

–       Antwoord van het Hof

62      Blijkens de rechtspraak kan een ongelijke behandeling die indirect op de nationaliteit gebaseerd is gerechtvaardigd zijn door de doelstelling die erin bestaat een kwalitatief hoogstaande, evenwichtige en voor eenieder toegankelijke medische dienstverlening te handhaven, wanneer deze bijdraagt tot de verwezenlijking van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid (zie in die zin arrest van 10 maart 2009, Hartlauer, C‑169/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63      Zo moet worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling geschikt is om de verwezenlijking van deze gerechtvaardigde doelstelling te verzekeren en niet verder gaat dan nodig is ter verwezenlijking van deze doelstelling.

64      Dienaangaande staat het in laatste instantie aan de nationale rechter, die bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding te beoordelen en de nationale wetgeving uit te leggen, om uit te maken of en in hoeverre een dergelijke regeling aan deze vereisten voldoet (zie in die zin arresten van 13 juli 1989, Rinner-Kühn, 171/88, Jurispr. blz. 2743, punt 15, en 23 oktober 2003, Schönheit en Becker, C‑4/02 en C‑5/02, Jurispr. blz. I‑12575, punt 82).

65      Wel is het Hof, dat de nationale rechter een nuttig antwoord dient te verschaffen, bevoegd om op basis van het dossier van het hoofdgeding en de bij hem ingediende schriftelijke en mondelinge opmerkingen aanwijzingen te geven die de nationale rechter in staat kunnen stellen uitspraak te doen (arresten van 20 maart 2003, Kutz-Bauer, C‑187/00, Jurispr. blz. I‑2741, punt 52, en Schönheit en Becker, reeds aangehaald, punt 83).

66      Het staat aan de verwijzende rechter om eerst na te gaan of er daadwerkelijk risico´s bestaan voor de bescherming van de volksgezondheid.

67      Dienaangaande valt niet bij voorbaat uit te sluiten dat de mogelijke kwaliteitsverlaging van de opleiding van toekomstige medische zorgverstrekkers op termijn de kwaliteit van de op het betrokken grondgebied verstrekte zorg kan aantasten, aangezien de kwaliteit van de medische of paramedische diensten op een bepaald grondgebied afhangt van de vaardigheden van de aldaar werkzame medische zorgverstrekkers.

68      Evenmin valt uit te sluiten dat een eventuele beperking van het totale aantal studenten in de betrokken opleidingen – met name om de kwaliteit van de opleiding te verzekeren – kan leiden tot een proportionele afname van het aantal afgestudeerden die op termijn de beschikbaarheid van de medische zorg op het betrokken grondgebied kunnen verzekeren, wat vervolgens invloed zou kunnen hebben op het niveau van de bescherming van de volksgezondheid. Inzake dit punt moet worden erkend dat een tekort aan medische zorgverstrekkers de bescherming van de volksgezondheid in grote problemen zou brengen, en dat ter voorkoming van dit risico vereist is dat een toereikend aantal afgestudeerden zich op dit grondgebied vestigt om er één van de betrokken medische of paramedische beroepen uit het in het hoofdgeding aan de orde zijnde decreet uit te oefenen.

69      Bij de beoordeling van deze risico´s moet de verwijzende rechter eerst en vooral bedenken dat er slechts een indirect verband bestaat tussen de opleiding van toekomstige medische zorgverstrekkers en de doelstelling van de handhaving van een kwaliteitsvolle medische zorg, die evenwichtig en voor allen toegankelijk is, en dat het om een minder sterk causaal verband gaat dan dat tussen de doelstelling van volksgezondheid en de activiteit van reeds op de markt werkzame medische zorgverstrekkers (zie de reeds aangehaalde arresten Hartlauer, punten 51 tot en met 53, en Apothekerkammer des Saarlandes e.a., punten 34 tot en met 40). De beoordeling van een dergelijk verband zal namelijk meer in het bijzonder van een prospectieve analyse, afhangen, waarbij uitgaande van vele toevallige en onzekere elementen conclusies worden getrokken, en waarbij met de toekomstige ontwikkeling van het betrokken gezondheidsgebied rekening moet worden gehouden, maar eveneens van de analyse van de aanvangssituatie, dus de huidige situatie.

70      Bij de concrete beoordeling van de omstandigheden van het hoofdgeding, moet de verwijzende rechter er bovendien rekening mee houden dat de lidstaat bij onzekerheid omtrent het bestaan en de omvang van risico’s voor de bescherming van de volksgezondheid op zijn grondgebied beschermende maatregelen kan nemen zonder te moeten wachten totdat een reëel tekort aan medische zorgverstrekkers ontstaat (zie, naar analogie, reeds aangehaald arrest Apothekerkammer des Saarlandes, reeds aangehaald, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hetzelfde geldt voor de risico´s voor de kwaliteit van het onderwijs op dit gebied.

71      Het staat evenwel aan de bevoegde nationale autoriteiten om aan te tonen dat dergelijke risico´s daadwerkelijk bestaan (zie, naar analogie, arrest Apothekerkammer des Saarlandes e.a., reeds aangehaald, punt 39). Volgens vaste rechtspraak is het namelijk een zaak van deze autoriteiten, om bij de vaststelling van een maatregel die afwijkt van een beginsel dat in het recht van de Unie is verankerd, in elk concreet geval te bewijzen dat deze maatregel geschikt is ter verzekering dat de genoemde doelstelling wordt verwezenlijkt en niet verder gaat dan daartoe nodig is. Bij de rechtvaardigingsgronden die een lidstaat kan aanvoeren moet een onderzoek zijn gevoegd van de geschiktheid en de evenredigheid van de door die lidstaat genomen beperkende maatregel, alsmede specifieke gegevens ter onderbouwing van zijn betoog (zie in die zin arrest van 18 maart 2004, Leichtle, C‑8/02, Jurispr. blz. I‑2641, punt 45, en arrest Commissie/Oostenrijk, reeds aangehaald, punt 63). Een dergelijke objectieve, uitvoerige en cijfermatige analyse moet met behulp van ernstige, gelijkluidende en bewijskrachtige gegevens kunnen aantonen dat er daadwerkelijk risico´s voor de volksgezondheid bestaan.

72      Op basis van deze analyse moet in het hoofdgeding voor elk van de negen door decreet van 16 juni 2006 bedoelde opleidingen kunnen worden beoordeeld hoeveel studenten maximaal kunnen worden opgeleid met inachtneming van de gewenste kwaliteitsnormen voor de opleiding. Bovendien moet de analyse aangeven hoeveel afgestudeerden zich binnen de Franse Gemeenschap moeten vestigen om er een medisch of paramedisch beroep uit te oefenen, ter verzekering van een toereikende beschikbaarheid van de openbare gezondheidszorg.

73      Het volstaat overigens niet dat de analyse de cijfers over de ene en de andere groep studenten meedeelt, met name op basis van de extrapolatie dat alle niet-verblijvende studenten zich na hun studies in het land waar zij vóór hun studies hun woonplaats hadden zullen vestigen om daar één van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beroepen uit te oefenen. Deze analyse moet dus rekening houden met de gevolgen die de groep niet-verblijvende studenten heeft op de verwezenlijking van het doel om een voldoende groot aantal medische zorgverstrekkers binnen de Franse Gemeenschap te waarborgen. Bovendien moet zij rekening houden met de mogelijkheid dat verblijvende studenten na hun studies besluiten om hun beroep in een andere lidstaat dan het Koninkrijk België uit te oefenen. Verder moet zij ermee rekening houden, in hoeverre personen die niet in de Franse Gemeenschap hebben gestudeerd, zich er later vestigen om er een van de voornoemde beroepen uit te oefenen.

74      Het staat aan de bevoegde instanties de verwijzende rechter een analyse voor te leggen die aan deze voorwaarden voldoet.

75      In de tweede plaats dient de verwijzende rechter, indien hij van mening is dat daadwerkelijke risico´s voor de bescherming van de volksgezondheid bestaan, rekening houdend met de door de bevoegde instanties verstrekte gegevens, beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling als geschikt kan worden beschouwd om de verwezenlijking van de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid te verzekeren.

76      In deze context dient hij met name na te gaan of een beperking van het aantal niet-verblijvende studenten daadwerkelijk het aantal afgestudeerden kan doen toenemen dat op termijn de beschikbaarheid van de gezondheidszorg binnen de Franse Gemeenschap kan verzekeren.

77      In de derde plaats moet de verwijzende rechter beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling niet verder gaat dan nodig is om het genoemde doel te bereiken, dus of het niet met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.

78      Dienaangaande zij gepreciseerd dat de verwijzende rechter in het bijzonder moet nagaan of het gestelde doel van algemeen belang niet kan worden bereikt met minder restrictieve maatregelen, die erop zouden gericht zijn de studenten die binnen de Franse Gemeenschap studeren aan te moedigen om zich na hun studies aldaar te vestigen, of om buiten de Franse Gemeenschap opgeleide medische zorgverstrekkers aan te zetten om zich binnen de Franse Gemeenschap te vestigen.

79      De verwijzende rechter moet eveneens nagaan of de bevoegde instanties de verwezenlijking van deze doelstelling naar behoren hebben verzoend met de door het recht van Unie gestelde eisen, en, in het bijzonder, met de mogelijkheid voor de uit andere lidstaten afkomstige studenten om toegang te hebben tot het hoger onderwijs, welke mogelijkheid de essentie is van het beginsel van vrij verkeer van studenten (zie in die zin arrest Commissie/Oostenrijk, reeds aangehaald, punt 70). De door een lidstaat opgelegde beperkingen van de toegang tot deze opleidingen mogen dus niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken en moeten een voldoende ruime toegang van deze studenten tot het hoger onderwijs mogelijk maken.

80      Uit het dossier blijkt dat niet-verblijvende studenten met interesse voor het hoger onderwijs, met het oog op hun inschrijving worden geselecteerd via een loting, die op zich geen rekening houdt met hun kennis en ervaring.

81      Het staat dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of de selectieprocedure van niet-verblijvende studenten zich tot een loting beperkt, en indien dit het geval is, of deze selectiewijze, die niet op de bekwaamheid van de betrokken kandidaten, maar op toeval is gebaseerd, nodig blijkt om de beoogde doelstellingen te bereiken.

82      Op de eerste en de tweede prejudiciële vraag moet dus worden geantwoord dat de artikelen 18 VWEU en 21 VWEU zich verzetten tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding aan de orde, die het aantal niet-verblijvende studenten die zich voor het eerst voor medische en paramedische opleidingen van instellingen van hoger onderwijs mogen inschrijven beperkt, tenzij de verwijzende rechter na beoordeling van alle door de bevoegde instanties voorgelegde relevante gegevens vaststelt dat deze regeling uit het oogpunt van de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid gerechtvaardigd is.

 Derde vraag

83      Met de derde vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen te preciseren welke invloed de op grond van artikel 13, lid 2, sub c, van het ICESCR voor de lidstaten geldende vereisten op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie hebben.

84      De Belgische regering stelt dat het decreet van 16 juni 2006 nodig was ter bescherming van het recht van de bevolking van de Franse Gemeenschap op onderwijs, zoals dit voortvloeit uit artikel 13, lid 2, sub c, van het ICESCR. De betrokken bepaling bevat namelijk een standstillclausule op basis waarvan deze Gemeenschap een brede en democratische toegang tot kwaliteitsvol hoger onderwijs moet handhaven. Zonder dit decreet zou de handhaving van een dergelijke toegang in gevaar komen.

85      Dienaangaande zij evenwel opgemerkt dat er geen onverenigbaarheid is tussen het ICESCR en de vereisten die desgevallend voortvloeien uit de artikelen 18 VWEU en 21 VWEU.

86      Uit de tekst van artikel 13, lid 2, sub c, van het ICESCR volgt namelijk dat daarmee in wezen dezelfde doelstellingen als met de artikelen 18 VWEU en 21 VWEU worden nagestreefd, namelijk het beginsel van non-discriminatie bij de toegang tot hoger onderwijs verzekeren. Dit wordt bevestigd door artikel 2, lid 2, van het ICESCR, dat bepaalt dat de staten die partij zijn bij het ICESCR zich ertoe verbinden te waarborgen dat de erin opgesomde rechten zullen worden uitgeoefend zonder discriminatie van welke aard ook, met name op grond van nationale herkomst.

87      Artikel 13, lid 2, sub c, van het ICESCR daarentegen vereist niet van een staat die partij is en laat een dergelijke staat evenmin toe, enkel aan haar onderdanen een brede toegang tot kwaliteitsvol hoger onderwijs te garanderen.

88      Gelet op het voorgaande, moet op de derde vraag worden geantwoord dat de bevoegde autoriteiten zich niet kunnen beroepen op artikel 13, lid 2, sub c, van het ICESCR wanneer de verwijzende rechter vaststelt dat het decreet van 16 juni 2006 onverenigbaar is met de artikelen 18 VWEU en 21 VWEU.

 Gelding van het arrest in de tijd

89      Voor het geval dat het Hof tot de conclusie zou komen dat het Unierecht zich verzet tegen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, verzoekt de Belgische regering de werking van het uitgesproken arrest in de tijd te beperken. Deze beperking is noodzakelijk omdat er een groot aantal rechtsbetrekkingen te goeder trouw zijn ontstaan daar vele niet-verblijvende studenten een inschrijvingsdossier voor het academiejaar 2006-2007 hebben ingediend voor een van de in het decreet van 16 juni 2006 bedoelde opleidingen. Wanneer deze rechtsbetrekkingen opnieuw ter discussie komen te staan, kan dit ernstige economische gevolgen hebben die het evenwicht van de begroting van de Franse Gemeenschap inzake onderwijs ernstig kunnen verstoren.

90      Het is vaste rechtspraak dat de uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid aan een voorschrift van het Unierecht geeft, de betekenis en de strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast, zo nodig verklaart en preciseert. Hieruit volgt dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht (zie arresten van 2 februari 1988, Blaizot e.a., 24/86, Jurispr. blz. 379, punt 27, en 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 141).

91      Slechts bij uitzondering kan het Hof, met toepassing van een aan de rechtsorde van de Unie inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, aanleiding vinden om voor iedere belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid om met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling, te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen opnieuw in geding te brengen. Om tot een dergelijke beperking te kunnen besluiten, moet zijn voldaan aan twee essentiële criteria, te weten de goede trouw van de belanghebbende kringen en het gevaar van ernstige verstoringen (zie met name arresten van 28 september 1994, Vroege, C‑57/93, Jurispr. blz. I‑4541, punt 21, en 10 januari 2006, Skov en Bilka, C‑402/03, Jurispr. blz. I‑199, punt 51).

92      Verder is het vaste rechtspraak dat de mogelijke financiële gevolgen van een prejudicieel arrest voor een lidstaat, op zich geen rechtvaardiging vormen voor een beperking van de werking van dit arrest in de tijd (zie met name arrest van 20 september 2001, Grzelczyk, C‑184/99, Jurispr. blz. I‑6193, punt 52).

93      Het Hof heeft immers slechts in zeer specifieke omstandigheden van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, namelijk wanneer er een gevaar bestond voor ernstige economische gevolgen, inzonderheid gezien het grote aantal op basis van de geldig geachte wettelijke regeling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen, en wanneer bleek dat de particulieren en de nationale autoriteiten tot een met de regeling van de Unie strijdig gedrag waren gebracht op grond van een objectieve en grote onzekerheid over de strekking van de voorschriften van de Unie, aan welke onzekerheid het gedrag van andere lidstaten of van de Commissie eventueel had bijgedragen (zie arrest Grzelczyk, reeds aangehaald, punt 53).

94      In het hoofdgeding moet worden vastgesteld dat de Belgische regering het Hof geen concrete gegevens heeft voorgelegd op basis waarvan kan worden gesteld dat de auteurs van het decreet van 16 juni 2006 tot eventueel met het recht van de Unie strijdig gedrag zouden zijn gebracht op grond van een objectieve en grote onzekerheid over de strekking van dat recht.

95      Deze regering heeft evenmin met concrete elementen haar betoog gestaafd dat dit arrest ernstige financiële gevolgen zou kunnen hebben wanneer de werking ervan niet zou worden beperkt in de tijd.

96      Derhalve behoeft de werking van het onderhavige arrest niet te worden beperkt in de tijd.

 Kosten

97      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      De artikelen 18 VWEU en 21 VWEU verzetten zich tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding aan de orde, die het aantal studenten die niet worden beschouwd als in België verblijvende studenten die zich voor het eerst voor medische en paramedische opleidingen van instellingen van hoger onderwijs mogen inschrijven beperkt, tenzij de verwijzende rechter na beoordeling van alle door de bevoegde instanties voorgelegde relevante elementen vaststelt dat deze regeling uit het oogpunt van de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid gerechtvaardigd is.

2)      De bevoegde instanties kunnen zich niet beroepen op artikel 13, lid 2, sub c, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 16 december 1966, wanneer de verwijzende rechter vaststelt dat het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs onverenigbaar is met de artikelen 18 VWEU en 21 VWEU.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.

Top