Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018R0973

Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad

PE/14/2018/REV/2

OJ L 179, 16.7.2018, p. 1–13 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/973/oj

16.7.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 179/1


VERORDENING (EU) 2018/973 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 4 juli 2018

tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982, waarbij de Unie partij is, zijn instandhoudingsverplichtingen vastgesteld, onder meer betreffende het behoud of het herstel van populaties van geoogste soorten op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst („MDO”) kan opleveren.

(2)

Tijdens de top van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling die in 2015 in New York heeft plaatsgevonden, hebben de Unie en haar lidstaten zich ertoe verbonden om tegen 2020 het oogsten van vis doeltreffend te reglementeren, een einde te maken aan overbevissing, aan illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij en aan destructieve visserijpraktijken, en wetenschappelijk gefundeerde beheersplannen uit te voeren teneinde de bestanden in zo kort mogelijke tijd te herstellen tot op zijn minst het niveau dat de door hun biologische kenmerken bepaalde MDO kan opleveren.

(3)

Bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid („GVB”) vastgesteld in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB moet bijdragen tot de bescherming van het mariene milieu, tot het duurzame beheer van alle commercieel geëxploiteerde soorten en in het bijzonder tot het bereiken, uiterlijk in 2020, van een goede milieutoestand, als vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (4).

(4)

Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, de voorzorgsbenadering toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.

(5)

Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten zo nodig een of meer instandhoudingsmaatregelen, zoals meerjarenplannen, technische maatregelen en maatregelen inzake de vaststelling en toewijzing van de vangstmogelijkheden, worden vastgesteld.

(6)

Ingevolge Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten meerjarenplannen gebaseerd zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen. Volgens die bepalingen moet het bij deze verordening vastgestelde meerjarenplan („het plan”) doelstellingen, kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten en vrijwaringsmaatregelen bevatten, alsook technische maatregelen om ongewenste vangsten te voorkomen en te beperken.

(7)

Met het „beste beschikbare wetenschappelijke advies” wordt openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies bedoeld dat geschraagd wordt door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden en dat is uitgebracht of getoetst door een onafhankelijk wetenschappelijk orgaan dat op Unieniveau of op internationaal niveau erkend is.

(8)

De Commissie moet het beste beschikbare wetenschappelijke advies inwinnen voor de bestanden die binnen de werkingssfeer van het plan vallen. Met het oog daarop moet zij memoranda van overeenstemming sluiten met de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Door de ICES uitgebracht wetenschappelijk advies moet gebaseerd zijn op het plan en moet met name FMDO-bandbreedtes en biomassareferentiepunten aangeven, d.w.z. MDO Btrigger en Blim. Die waarden moeten worden vermeld in het advies voor het betrokken bestand en, in voorkomend geval, in elk ander openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies, waaronder bijvoorbeeld door de ICES uitgebracht advies inzake gemengde visserij.

(9)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 676/2007 (5) en (EG) nr. 1342/2008 (6) van de Raad zijn de regels voor de duurzame exploitatie van de kabeljauw-, schol- en tongbestanden in de Noordzee en daaraan grenzende wateren vastgesteld. Die en andere demersale bestanden worden geoogst in het kader van gemengde visserijen. Daarom dient één meerjarenplan te worden vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met zulke technische interacties.

(10)

Een dergelijk meerjarenplan moet van toepassing zijn op demersale bestanden en de desbetreffende visserijen in de Noordzee. Dat zijn rondvis-, platvis- en kraakbeenvissoorten, langoustines (Nephrops norvegicus) en Noordse garnalen (Pandalus borealis) die op of in de nabijheid van de bodem van de waterkolom leven.

(11)

Sommige demersale bestanden worden zowel in de Noordzee als in daaraan grenzende wateren geëxploiteerd. Daarom moet de werkingssfeer van de bepalingen in het plan die betrekking hebben op streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen voor bestanden die voornamelijk in de Noordzee worden geëxploiteerd, worden uitgebreid tot de betrokken gebieden buiten de Noordzee. Bovendien moeten voor bestanden die in de Noordzee voorkomen maar die voornamelijk buiten de Noordzee worden geëxploiteerd, de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen worden vastgesteld in meerjarenplannen voor gebieden buiten de Noordzee waar deze bestanden voornamelijk worden geëxploiteerd, en moet de werkingssfeer van die meerjarenplannen zo worden uitgebreid dat zij ook de Noordzee omvatten.

(12)

De geografische werkingssfeer van het plan moet gebaseerd zijn op de geografische verspreiding van bestanden die vermeld wordt in het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES. Toekomstige wijzigingen in de geografische verspreiding van bestanden zoals omschreven in het plan kunnen noodzakelijk zijn vanwege verbeterde wetenschappelijke informatie of de migratie van bestanden. Daarom moet de Commissie bevoegd zijn om gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanpassing van de geografische verspreiding van bestanden zoals die in het plan is omschreven, indien in het door de ICES verstrekte wetenschappelijke advies wordt aangegeven dat de geografische verspreiding van de betrokken bestanden veranderd is.

(13)

Indien bestanden van gemeenschappelijk belang ook worden geëxploiteerd door derde landen, moet de Unie overleg plegen met die derde landen teneinde ervoor te zorgen dat die bestanden op duurzame wijze worden beheerd, in overeenstemming met de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013, met name artikel 2, lid 2, daarvan, en van deze verordening. Bij gebreke van een formeel akkoord moet de Unie alles in het werk stellen om tot gemeenschappelijke regelingen voor het bevissen van deze bestanden te komen teneinde duurzaam beheer mogelijk te maken en daarbij een gelijk speelveld voor de marktdeelnemers van de Unie te bevorderen.

(14)

Dit plan moet erop gericht zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name de MDO voor de doelbestanden te bereiken en te behouden door de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden ten uitvoer te leggen, een behoorlijke levensstandaard voor degenen die afhankelijk zijn van de visserij-activiteiten te bevorderen, met inachtneming van kustvisserij en sociaaleconomische aspecten, en de ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer toe te passen. In dit plan moeten ook nadere bepalingen worden vastgelegd ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren in de Noordzee, voor alle bestanden van soorten waarvoor krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de aanlandingsverplichting geldt.

(15)

Krachtens artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 2, lid 2, van die verordening vermelde doelstellingen en moeten zij overeenstemmen met de streefdoelen, tijdschema's en marges die in de meerjarenplannen zijn vastgesteld.

(16)

Het streefdoel voor de visserijsterfte („F”) dat in overeenstemming is met de doelstelling om de MDO te bereiken en te behouden, dient te worden vastgesteld in de vorm van een bandbreedte van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de MDO (FMDO). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijk advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om op flexibele wijze te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting en rekening te houden met de kenmerken van de gemengde visserijen. De FMDO-bandbreedtes moeten worden berekend en overgelegd door de ICES, met name in zijn periodieke vangstadvies. Op basis van het plan worden zij zo bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO, zoals uiteengezet in het antwoord van de ICES op het „Verzoek van de EU aan de ICES om FMDO-brandbreedtes te verstrekken voor bepaalde Noordzee- en Oostzeebestanden”. De bovengrens van de bandbreedte ligt vast, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. Deze bovengrens komt ook overeen met de „adviesregel” van de ICES, die inhoudt dat wanneer de toestand op het gebied van paaibiomassa of abundantie slecht is, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMDO-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa of de abundantie in het jaar waarvoor de totale toegestane vangsten (total allowable catch; hierna „TAC” genoemd) moeten worden bepaald, gedeeld door MDO Btrigger. De ICES hanteert deze overwegingen en de adviesregel wanneer hij wetenschappelijk advies verstrekt over visserijsterfte en vangstopties.

(17)

Met het oog op de vaststelling van de vangstmogelijkheden moet er een bovendrempel komen voor FMDO-brandbreedtes bij normaal gebruik en, mits het betrokken bestand als in goede staat verkerend wordt beschouwd, een bovengrens voor bepaalde gevallen. De vangstmogelijkheden mogen alleen op de bovengrens worden vastgesteld indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in het geval van gemengde visserijen, of indien dat noodzakelijk is om schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen of om de jaarlijkse schommelingen op het gebied van de vangstmogelijkheden te beperken.

(18)

Voor bestanden waarvoor streefcijfers in verband met de MDO beschikbaar zijn en met het oog op de toepassing van vrijwaringsmaatregelen moeten instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld die in het geval van visbestanden worden uitgedrukt als triggerniveaus voor de paaibiomassa, en in het geval van langoustines als triggerniveaus voor de abundantie.

(19)

Wanneer de bestandsomvang tot onder die niveaus daalt, moeten passende vrijwaringsmaatregelen worden genomen. Vrijwaringsmaatregelen moeten onder meer inhouden dat de vangstmogelijkheden worden gereduceerd en dat er specifieke instandhoudingsmaatregelen worden genomen wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat herstelmaatregelen vereist zijn. Deze maatregelen moeten worden aangevuld met alle andere passende maatregelen, zoals maatregelen van de Commissie overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of maatregelen van de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van die Verordening.

(20)

Het moet mogelijk zijn om de TAC voor langoustine in de ICES-sector 2a en deelgebied 4 vast te stellen als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in dat TAC-gebied. Dit mag het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uitsluiten.

(21)

Indien de Raad rekening houdt met een aanzienlijke impact van recreatieve visserij in het kader van de vangstmogelijkheden voor een bepaald bestand, moet hij een TAC kunnen vaststellen voor commerciële vangsten die rekening houdt met de omvang van de recreatieve vangsten en/of andere maatregelen kunnen vaststellen om de recreatieve visserij te beperken, zoals meeneemlimieten en sluitingsperioden.

(22)

Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, die nader moeten worden gespecificeerd overeenkomstig artikel 18 van die verordening.

(23)

Ter voorkoming van de verstorende verplaatsing van de visserijactiviteit, die een negatief effect zou kunnen hebben op de situatie van de kabeljauwbestanden, is het passend in ICES-sector 7d het stelsel van vismachtigingen in stand te houden dat gekoppeld is aan een beperking van de totale motorcapaciteit van de vissersvaartuigen, welk stelsel al van toepassing was in het kader van Verordening (EG) nr. 1342/2008.

(24)

Voor de indiening van gemeenschappelijke aanbevelingen van lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moet een uiterste termijn worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(25)

Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten bepalingen worden vastgesteld inzake de evaluatie van de toereikendheid en de doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening die de Commissie uiterlijk op 6 augustus 2023 en vervolgens om de vijf jaar op basis van wetenschappelijk advies moet opmaken. Die termijn biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig ten uitvoer te leggen, en om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en zicht te krijgen op de gevolgen ervan voor de bestanden en de visserij. Het is tevens de tijd die de wetenschappelijke instanties op zijn minst nodig hebben.

(26)

Teneinde voor een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang te zorgen, flexibiliteit te waarborgen en de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van het aanvullen van deze verordening wat aanpassingen inzake de onder deze verordening vallende bestanden betreft na wijzigingen in de geografische verspreiding van de bestanden, herstelmaatregelen en de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (7). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(27)

Met het oog op rechtszekerheid behoort te worden verduidelijkt dat maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken, geacht kunnen worden in aanmerking te komen voor steun krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(28)

Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 moeten worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna „het plan” genoemd) vastgesteld voor de volgende demersale bestanden in Uniewateren in de Noordzee (ICES-sectoren 2a, 3a en deelgebied 4), met inbegrip van de visserijen die deze bestanden exploiteren en, wanneer die bestanden zich uitstrekken tot buiten de Noordzee, in de daaraan grenzende wateren:

a)

kabeljauw (Gadus morhua) in deelgebied 4 (Noordzee) en de sectoren 7d (oostelijk deel van het Kanaal) en 3a.20 (Skagerrak);

b)

schelvis (Melanogrammus aeglefinus) in deelgebied 4 (Noordzee) en de sectoren 6a (gebied ten westen van Schotland) en 3a.20 (Skagerrak);

c)

schol (Pleuronectes platessa) in deelgebied 4 (Noordzee) en sector 3a.20 (Skagerrak);

d)

zwarte koolvis (Pollachius virens) in deelgebieden 4 (Noordzee) en 6 (Rockall en gebied ten westen van Schotland) en sector 3a (Skagerrak en Kattegat);

e)

tong (Solea solea) in deelgebied 4 (Noordzee);

f)

tong (Solea solea) in sector 3a (Skagerrak en Kattegat) en deelgebieden 22-24 (westelijk deel van de Oostzee);

g)

wijting (Merlangius merlangus) in deelgebied 4 (Noordzee) en sector 7d (oostelijk deel van het Kanaal);

h)

zeeduivel (Lophius piscatorius) in sector 3a (Skagerrak en Kattegat) en deelgebieden 4 (Noordzee) en 6 (Rockall en gebied ten westen van Schotland);

i)

Noordse garnaal (Pandalus borealis) in de sectoren 4a Oost (noordelijk deel van de Noordzee, Noorse trog) en 3a.20 (Skagerrak);

j)

langoustine (Nephrops norvegicus) in sector 3a (functionele eenheden 3-4);

k)

langoustine in deelgebied 4 (Noordzee) per functionele eenheid:

langoustine in Botney Gut-Silver Pit (functionele eenheid 5);

langoustine in Farn Deeps (functionele eenheid 6);

langoustine in Fladen Ground (functionele eenheid 7);

langoustine in Firth of Forth (functionele eenheid 8);

langoustine in Moray Firth (functionele eenheid 9);

langoustine in Noup (functionele eenheid 10);

langoustine in de Noorse trog (functionele eenheid 32);

langoustine in Horns Rev (functionele eenheid 33);

langoustine in Devil's Hole (functionele eenheid 34).

Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de geografische verspreiding van de in de eerste alinea van dit lid opgesomde soorten gewijzigd is, kan de Commissie overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vaststellen om deze verordening te wijzigen door de in de eerste alinea van dit lid vermelde gebieden aan te passen om die wijziging te weerspiegelen. Bij die aanpassingen worden de bestandengebieden niet uitgebreid tot buiten de Uniewateren van de deelgebieden 2 tot en met 7.

2.   Wanneer de Commissie op basis van wetenschappelijk advies van mening is dat de in lid 1, eerste alinea, bedoelde lijst van bestanden moet worden gewijzigd, kan zij een voorstel tot wijziging van die lijst indienen.

3.   Voor de aangrenzende wateren bedoeld in lid 1 van dit artikel zijn alleen de artikelen 4 en 6 en de krachtens artikel 7 genomen maatregelen inzake vangstmogelijkheden van toepassing.

4.   Deze verordening is ook van toepassing op bijvangsten in de Noordzee in het kader van de visserij op de in lid 1, eerste alinea, opgesomde bestanden. Wanneer echter FMDO-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake biomassa worden vastgesteld voor die bestanden bij andere rechtshandelingen van de Unie waarbij meerjarenplannen worden vastgesteld, zijn die bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen van toepassing.

5.   In deze verordening worden ook nadere bepalingen vastgelegd ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren in de Noordzee, voor alle bestanden van soorten waarvoor krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de aanlandingsverplichting geldt.

Artikel 2

Definities

Met het oog op de toepassing van deze verordening gelden naast de definities die zijn vastgesteld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad (9), artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (10) en artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, de volgende definities:

1)   „FMDO-bandbreedte”: een in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), vermelde bandbreedte van waarden waarin alle niveaus van visserijsterfte maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. Die brandbreedte wordt zo bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 procent lager is dan de MDO. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;

2)   „MDO Flower: de laagste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;

3)   „MDO Fupper: de hoogste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;

4)   „FMDO-puntwaarde”: de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden de MDO op lange termijn oplevert;

5)   „Lagere FMDO-bandbreedte”: een bandbreedte met waarden van MDO Flower tot de FMDO-puntwaarde;

6)   „Hogere FMDO-bandbreedte”: een bandbreedte met waarden van de FMDO-puntwaarde tot MDO Fupper;

7)   „Blim: het in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, vermelde referentiepunt voor de paaibiomassa van het bestand waaronder er sprake kan zijn van verminderde reproductiecapaciteit;

8)   „MDO Btrigger: het referentiepunt voor paaibiomassa en — in het geval van Noorwegen — het referentiepunt voor abundantie van het langoustinebestand, vermeld in het beste wetenschappelijke advies, met name van de ICES, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn MDO kan opleveren.

HOOFDSTUK II

DOELSTELLINGEN

Artikel 3

Doelstellingen

1.   Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de levende mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat MDO kan opleveren.

2.   Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de tenuitvoerlegging van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden.

3.   Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG vastgestelde doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken.

4.   Het plan heeft met name ten doel:

a)

ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in beschrijvend element 3 van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG beschreven voorwaarden; en

b)

bij te dragen tot de vervulling van de andere beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserijen voor de vervulling ervan spelen.

5.   Maatregelen in het kader van het plan worden in overeenstemming met het beste beschikbare wetenschappelijke advies genomen. Wanneer er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, wordt een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden nagestreefd.

HOOFDSTUK III

STREEFDOELEN

Artikel 4

Streefdoelen

1.   Het streefdoel voor de visserijsterfte, overeenkomstig de in artikel 2 gedefinieerde FMDO-bandbreedtes, wordt zo spoedig mogelijk en op basis van een geleidelijke toename uiterlijk in 2020 bereikt voor de in artikel 1, lid 1, genoemde bestanden en wordt van dan af gehandhaafd binnen de FMDO-bandbreedtes overeenkomstig dit artikel.

2.   De op het plan gebaseerde FMDO-bandbreedtes worden bij de ICES aangevraagd.

3.   Wanneer de Raad, conform artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, vangstmogelijkheden voor een bestand vaststelt, stelt hij die mogelijkheden vast binnen de lagere FMDO-bandbreedte die op dat moment voor dat bestand beschikbaar is.

4.   Niettegenstaande de leden 1 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld op niveaus die lager zijn dan de FMDO-bandbreedtes.

5.   Niettegenstaande de leden 3 en 4 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld in overeenstemming met de hogere FMDO-bandbreedte die op dat moment voor dat bestand beschikbaar is, mits het in artikel 1, lid 1, genoemde bestand zich bevindt boven de MDO Btrigger:

a)

indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserijen;

b)

indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken, of

c)

om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.

6.   De vangstmogelijkheden worden in elk geval zodanig vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat de paaibiomassa onder de Blim belandt, minder dan 5 % bedraagt.

Artikel 5

Beheer van bijvangstbestanden

1.   Voor de in artikel 1, lid 4, genoemde bestanden worden de beheersmaatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van vangstmogelijkheden, vastgesteld met inachtneming van het beste beschikbare wetenschappelijke advies en zijn zij in overeenstemming met de in artikel 3 vastgelegde doelstellingen.

2.   Wanneer er geen geschikte wetenschappelijke informatie beschikbaar is. worden die bestanden beheerd volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

3.   Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt bij het beheer van gemengde visserij met betrekking tot in artikel 1, lid 4, van deze verordening bedoelde bestanden, rekening gehouden met het feit dat het moeilijk is om alle bestanden tegelijkertijd volgens het MDO-beginsel te bevissen, met name in situaties waarin dit tot vroegtijdige sluiting van de visserij leidt.

HOOFDSTUK IV

VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 6

Instandhoudingsreferentiepunten

De volgende instandhoudingsreferentiepunten om de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden niet aan te tasten, worden op basis van dit plan bij de ICES aangevraagd:

a)

MDO Btrigger voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden;

b)

Blim voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden.

Artikel 7

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa en — in het geval van de langoustinebestanden — de abundantie van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager zijn dan MDO Btrigger, worden alle passende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden de vangstmogelijkheden, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot een waarde onder de hogere FMDO-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.

2.   Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa en — in het geval van de langoustinebestanden — de abundantie, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager zijn dan Blim, worden aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen deze herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.

3.   De in dit artikel bedoelde herstelmaatregelen kunnen onder meer bestaan in:

a)

noodmaatregelen overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)

maatregelen krachtens de artikelen 8 en 9 van deze verordening.

4.   Bij het bepalen van de keuze van in dit artikel bedoelde maatregelen wordt rekening gehouden met de aard, de ernst, de duur en de herhaling van de situatie waarin de paaibiomassa en — in het geval van langoustine — de abundantie zich onder de in artikel 6 bedoelde niveaus bevinden.

Artikel 8

Specifieke instandhoudingsmaatregelen

Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat herstelmaatregelen nodig zijn voor de instandhouding van een van de in artikel 1, lid 4, van deze Verordening genoemde demersale bestanden, of wanneer de paaibiomassa en — in het geval van de langoustinebestanden — de abundantie van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager zijn dan MDO Btrigger, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen. Die gedelegeerde handelingen kunnen deze verordening aanvullen met regels met betrekking tot:

a)

de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de haakgrootte, de constructie van het vistuig, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig of het gebruik van voorzieningen voor selectiviteit, om de selectiviteit te waarborgen of te verbeteren;

b)

het gebruik van het vistuig, met name de onderwatertijd en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet, om de selectiviteit te waarborgen of te verbeteren;

c)

een verbod op of beperking van het vissen in specifieke gebieden, om paaiende en jonge vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere soorten dan de doelvissoorten te beschermen;

d)

een verbod op of beperking van het vissen of het gebruik van bepaalde soorten vistuig gedurende specifieke perioden, om paaiende vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere soorten dan de doelvissoorten te beschermen;

e)

minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen;

f)

andere kenmerken gerelateerd aan selectiviteit.

HOOFDSTUK V

TECHNISCHE MAATREGELEN

Artikel 9

Technische maatregelen

1.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met betrekking tot de volgende technische maatregelen:

a)

de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

b)

de specificatie van aanpassingen van of aanvullende hulpmiddelen voor vistuig, om de selectiviteit te behouden of te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

c)

de beperking van of het verbod op het gebruik van bepaald vistuig en visserijactiviteiten in bepaalde gebieden of perioden, om paaiende vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of niet-doelvissoorten te beschermen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken; en

d)

de vaststelling van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, om de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen te waarborgen.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.

HOOFDSTUK VI

VANGSTMOGELIJKHEDEN

Artikel 10

Vangstmogelijkheden

1.   Wanneer de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden toewijzen, houden zij rekening met de waarschijnlijke samenstelling van de vangst van vaartuigen die aan gemengde visserij deelnemen.

2.   Krachtens artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, mogen de lidstaten, na kennisgeving aan de Commissie, de hun toegewezen vangstmogelijkheden geheel of gedeeltelijk uitwisselen.

3.   Onverminderd artikel 7 van deze verordening kan de TAC voor het langoustinebestand in de ICES-zones 2a en 4 de som zijn van de vangstbeperkingen voor de functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden.

4.   Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatieve visserij een aanzienlijk effect heeft op de visserijsterfte voor een bepaald bestand, houdt de Raad daar rekening mee en kan hij bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden beperkingen stellen aan de recreatieve visserij teneinde te voorkomen dat het totale streefdoel voor de visserijsterfte wordt overschreden.

HOOFDSTUK VII

BEPALINGEN IN VERBAND MET DE AANLANDINGSVERPLICHTING

Artikel 11

Bepalingen in verband met de aanlandingsverplichting in de Uniewateren in de Noordzee

De Commissie is bevoegd om voor alle bestanden van soorten in de Noordzee waarop krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de aanlandingsverplichting van toepassing is, overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door overeenkomstig artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 nadere bepalingen vast te leggen ter uitvoering van deze verplichting.

HOOFDSTUK VIII

TOEGANG TOT WATEREN EN HULPBRONNEN

Artikel 12

Vismachtigingen en capaciteitsmaxima

1.   Voor elke van de in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde ICES-zones geeft elke lidstaat vismachtigingen af overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voor vaartuigen die zijn vlag voeren en die in dat gebied vissen. In die vismachtigingen kunnen de lidstaten ook de in kW uitgedrukte totale capaciteit beperken van de vaartuigen die met specifiek vistuig vissen.

2.   Voor kabeljauw in het oostelijke deel van het Kanaal (ICES-sector 7d) is, onverminderd de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde capaciteitsmaxima, de in kW uitgedrukte totale capaciteit van de vaartuigen die overeenkomstig lid 1 van dit artikel afgegeven vismachtigingen hebben, niet groter dan de maximumcapaciteit van de vaartuigen die in 2006 of 2007 in de betrokken ICES-zone visten met een van de volgende vistuigen:

a)

bodemtrawls en zegens (OTB, OTT, PTB, SDN, SSC, SPR) met een maaswijdte:

i)

gelijk aan of groter dan 100 mm;

ii)

gelijk aan of groter dan 70 mm en kleiner dan 100 mm;

iii)

gelijk aan of groter dan 16 mm en kleiner dan 32 mm;

b)

boomkorren (TBB) met een maaswijdte:

i)

gelijk aan of groter dan 120 mm;

ii)

gelijk aan of groter dan 80 mm en kleiner dan 120 mm;

c)

kieuwnetten, warrelnetten (GN);

d)

schakelnetten (GT);

e)

beuglijnen (LL).

3.   Iedere lidstaat stelt een lijst op van de vaartuigen die in het bezit zijn van een in lid 1 bedoelde vismachtiging, houdt deze lijst bij en stelt deze via zijn officiële website beschikbaar voor de Commissie en de overige lidstaten.

HOOFDSTUK IX

BEHEER VAN BESTANDEN VAN GEMEENSCHAPPELIJK BELANG

Artikel 13

Beginselen en doelstellingen van het beheer van bestanden van gemeenschappelijk belang voor de Unie en derde landen

1.   Indien bestanden van gemeenschappelijk belang ook worden geëxploiteerd door derde landen, pleegt de Unie overleg met die derde landen teneinde ervoor te zorgen dat die bestanden op duurzame wijze worden beheerd, in overeenstemming met de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013, met name artikel 2, lid 2, daarvan, en van deze verordening. Bij gebreke van een formeel akkoord stelt de Unie alles in het werk om gemeenschappelijke regelingen voor het bevissen van deze bestanden tot stand te brengen teneinde duurzaam beheer mogelijk te maken, waarbij gelijke voorwaarden voor de marktdeelnemers van de Unie worden bevorderd.

2.   In de context van het gezamenlijke beheer van bestanden met derde landen kan de Unie krachtens artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vangstmogelijkheden uitwisselen met derde landen.

HOOFDSTUK X

REGIONALISERING

Artikel 14

Regionale samenwerking

1.   Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 8, 9 en 11 van deze verordening genoemde maatregelen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan 6 augustus 2019 en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 15 van deze verordening. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een bestand waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend.

3.   De bij de artikelen 8, 9 en 11 van deze verordening toegekende bevoegdheden laten de bevoegdheden die krachtens andere bepalingen van het Unierecht, onder andere bij Verordening (EU) nr. 1380/2013, aan de Commissie zijn verleend, onverlet.

HOOFDSTUK XI

FOLLOW-UP

Artikel 15

Evaluatie van het plan

Uiterlijk 6 augustus 2023 en vervolgens om de vijf jaar brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten en de gevolgen van het plan voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de verwezenlijking van de in artikel 3 uiteengezette doelstellingen.

HOOFDSTUK XII

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 16

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8, 9 en 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 5 augustus 2018. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8, 9 en 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 1, lid 1, en de artikelen 8, 9 en 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van die termijn heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

HOOFDSTUK XIII

STEUN UIT HET EUROPEES FONDS VOOR MARITIEME ZAKEN EN VISSERIJ

Artikel 17

Steun van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

Maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken, worden voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 508/2014 als tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten beschouwd.

HOOFDSTUK XIV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 18

Intrekkingen

1.   De Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 worden ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 4 juli 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

K. EDTSTADLER


(1)  PB C 75 van 10.3.2017, blz. 109.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 29 mei 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 18 juni 2018.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

(5)  Verordening (EG) nr. 676/2007 van de Raad van 11 juni 2007 tot vaststelling van een beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee (PB L 157 van 19.6.2007, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20).

(7)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(8)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).


Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad inzake verboden soorten

De verordening die moet worden goedgekeurd op basis van het Commissievoorstel betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen (2016/0074(COD)) moet onder andere bepalingen omvatten inzake de soorten die niet mogen worden bevist. Om deze reden zijn beide instellingen overeengekomen in deze verordening geen lijst inzake de Noordzee op te nemen (2016/0238(COD)).


Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad inzake controle

Het Europees Parlement en de Raad zullen de volgende controlebepalingen opnemen in de komende herziening van de controleverordening (Verordening (EG) nr. 1224/2009), wanneer van toepassing op de Noordzee: voorafgaande kennisgevingen, logboekvoorschriften en andere controlebepalingen.


Top