EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014L0050

Richtlijn 2014/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten Voor de EER relevante tekst

OJ L 128, 30.4.2014, p. 1–7 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/50/oj

30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/1


RICHTLIJN 2014/50/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 46,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het vrije verkeer van personen is een van de fundamentele vrijheden van de Unie. Artikel 46 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité, bij wege van richtlijnen de maatregelen vaststellen welke nodig zijn om tot een vrij verkeer van werknemers te komen zoals dit in artikel 45 VWEU is vastgelegd. Artikel 45 VWEU bepaalt dat het vrije verkeer van werknemers, onder andere, het recht inhoudt om in te gaan op een aanbod tot tewerkstelling en „zich te dien einde vrij te verplaatsen op het grondgebied der lidstaten”. Deze richtlijn heeft tot doel het bevorderen van de mobiliteit van werknemers door de belemmeringen die het gevolg zijn van bepaalde regels met betrekking tot aanvullende pensioenregelingen die gekoppeld zijn aan een arbeidsverhouding, te verminderen.

(2)

De sociale bescherming van de werknemers inzake pensioenen wordt verzekerd door wettelijke socialezekerheidsregelingen, aangevuld door aanvullende pensioenregelingen die gekoppeld zijn aan een arbeidsverhouding en die in de lidstaten steeds gebruikelijker worden.

(3)

Het Europees Parlement en de Raad beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid wat betreft de keuze van de meest passende maatregelen om de doelstelling van artikel 46 VWEU te verwezenlijken. Het coördinatiesysteem zoals voorzien in Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad (3) en in Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (4) en, in het bijzonder, de regels die van toepassing zijn op de samentelling, hebben geen betrekking op de aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van die regelingen die vallen onder de term „wetgeving” als gedefinieerd in die verordeningen, of die in een verklaring van een lidstaat uit hoofde van deze verordeningen als zodanig zijn aangemerkt.

(4)

Richtlijn 98/49/EG van de Raad (5) vormt een eerste specifieke maatregel ter verbetering van de uitoefening van het recht op vrij verkeer voor werknemers op het gebied van de aanvullende pensioenregelingen.

(5)

Doel van deze richtlijn is het verder vergemakkelijken van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten van deelnemers aan die aanvullende pensioenregelingen te verbeteren.

(6)

Deze richtlijn is niet van toepassing op de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten door werknemers die zich binnen eenzelfde lidstaat verplaatsen. lidstaten kunnen overwegen hun nationale bevoegdheden te gebruiken om de uit hoofde van deze richtlijn toepasselijke regels ook te laten gelden voor deelnemers aan een regeling die binnen eenzelfde lidstaat van werk veranderen.

(7)

Een lidstaat kan werknemers die naar een andere lidstaat verhuizen, verzoeken de beheerders van hun aanvullende pensioenregeling daarvan op de hoogte te brengen.

(8)

Er dient rekening te worden gehouden met de structuur en het bijzondere karakter van de aanvullende pensioenregelingen en hun verschillen binnen en tussen de afzonderlijke lidstaten. De invoering van nieuwe regelingen, de duurzaamheid van bestaande regelingen en de verwachtingen en rechten van de huidige deelnemers dienen voldoende te worden beschermd. Verder dient in deze richtlijn met name rekening te worden gehouden met de rol van de sociale partners bij de vormgeving en toepassing van de aanvullende pensioenregelingen.

(9)

Deze richtlijn laat het recht van de lidstaten om hun eigen pensioenregelingen te organiseren, onverlet. De lidstaten blijven volledig verantwoordelijk voor het opzetten van dergelijke regelingen en zij zijn derhalve niet verplicht om bij de omzetting van deze richtlijn in het nationale recht, wetgeving tot instelling van aanvullende pensioenregelingen in te voeren.

(10)

Deze richtlijn houdt geen beperking van de autonomie van de sociale partners in wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het opzetten en beheren van pensioenregelingen, mits zij de ingevolge deze richtlijn vastgelegde resultaten kunnen garanderen.

(11)

Deze richtlijn heeft betrekking op alle overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk ingestelde aanvullende pensioenregelingen ter verschaffing van een aanvullend pensioen aan werknemers, zoals groepsverzekeringscontracten, door een of meer bedrijfstakken of sectoren gesloten en via het omslagstelsel gefinancierde regelingen, op kapitalisatie gebaseerde regelingen, uit pensioenreserves van de ondernemingen bekostigde pensioentoezeggingen of collectieve of andere vergelijkbare regelingen.

(12)

Deze richtlijn dient niet van toepassing te zijn op aanvullende pensioenregelingen of, in voorkomend geval, onderdelen daarvan, die reeds vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn afgesloten zijn in die zin dat er geen nieuwe deelnemers meer kunnen worden toegelaten, de invoering van nieuwe voorschriften zou immers een ongerechtvaardigde druk op deze regelingen kunnen leggen.

(13)

Deze richtlijn laat waarborgregelingen bij insolventie en compensatieregelingen die niet behoren tot de aan een arbeidsverhouding gekoppelde aanvullende pensioenregelingen en die tot doel hebben de pensioenrechten van werknemers bij insolventie van de onderneming of de pensioenregeling te beschermen, onverlet. Evenzo dienen nationale pensioenreservefondsen buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te blijven.

(14)

Deze richtlijn dient alleen van toepassing te zijn op aanvullende pensioenregelingen waarvan het recht erop voortvloeit uit een arbeidsverhouding en gekoppeld is aan het bereiken van de pensioenleeftijd of aan het vervullen van andere voorwaarden, zoals vastgelegd in de desbetreffende regeling of in de nationale wetgeving. Deze richtlijn is niet van toepassing op andere individuele pensioenregelingen dan die welke voortvloeien uit een arbeidsverhouding. Wanneer aanvullende pensioenregelingen gepaard gaan met invaliditeits- en nabestaandenuitkeringen, kunnen daarop specifieke regels van toepassing zijn. Deze richtlijn laat het bestaande nationale recht en de regels van aanvullende pensioenregelingen met betrekking tot dergelijke specifieke regels, onverlet.

(15)

Een eenmalige betaling die geen verband houdt met bijdragen gedaan met het oog op een aanvullend pensioen, die rechtstreeks of onrechtstreeks is betaald aan het eind van de arbeidsverhouding, en die uitsluitend door de werkgever is bekostigd, dient niet als een aanvullend pensioen in de zin van deze richtlijn te worden beschouwd.

(16)

Aangezien aanvullende pensioenen in veel lidstaten steeds belangrijker worden als middel om de levensstandaard op oudere leeftijd veilig te stellen, dienen de voorwaarden voor het opbouwen en het behouden van pensioenrechten te worden verbeterd zodat er minder belemmeringen zijn voor het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten.

(17)

Het feit dat pensioenrechten in sommige aanvullende pensioenregelingen als verloren kunnen worden beschouwd indien de arbeidsverhouding van de werknemer eindigt voordat hij een minimumperiode van deelneming aan de regeling („drempelperiode”) heeft voltooid, of voordat hij de minimumleeftijd („drempelleeftijd”) heeft bereikt, kan eraan in de weg staan dat werknemers die zich van de ene naar de andere lidstaat verplaatsen adequate pensioenrechten verwerven. Het vereisen van lange wachtperioden alvorens een werknemer tot een pensioenregeling kan toetreden, kan een soortgelijk effect hebben. Dergelijke voorwaarden zijn derhalve belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers. Een minimumleeftijd voor toetreding tot een pensioenregeling is daarentegen geen belemmering voor het vrije verkeer en wordt derhalve niet in deze richtlijn behandeld.

(18)

Verwervingsvoorwaarden mogen niet worden gelijkgesteld met de overige voorwaarden die gelden voor de verwerving van een recht op annuïteit dat krachtens het nationale recht of krachtens de regels van bepaalde aanvullende pensioenregelingen, in het bijzonder in regelingen met vaste bijdrage, is vastgelegd voor de uitbetalingsfase. Bijvoorbeeld, een periode van actief lidmaatschap van de regeling die door een lid, nadat het recht heeft gekregen op een aanvullend pensioen, voltooid moet worden om zijn of haar recht op een pensioen te doen gelden in de vorm van een annuïteit of een uitbetaling van kapitaal, is geen drempelperiode.

(19)

Indien een arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat de vertrekkende werknemer definitieve pensioenrechten heeft opgebouwd of indien het beleggingsrisico door de regeling of door de werkgever wordt gedragen, met name in het geval van regeling met vaste prestaties, dienen de pensioenpremies van die vertrekkende werknemer in elk geval door de regeling te worden teruggestort. Indien een arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat de vertrekkende werknemer definitieve pensioenrechten heeft opgebouwd en indien het beleggingsrisico door de vertrekkende werknemer wordt gedragen, met name in het geval van een regeling met vaste bijdrage, kan de waarde van de op deze bijdragen gebaseerde beleggingen door de regeling worden teruggestort. De waarde kan meer of minder bedragen dan de door de vertrekkende werknemer betaalde bijdragen. Een andere mogelijkheid is dat alle betaalde bijdragen door de regeling worden terugbetaald.

(20)

De vertrekkende werknemer dient het recht te hebben zijn definitieve pensioenrechten als slapende pensioenrechten te handhaven in de aanvullende pensioenregeling waarin die rechten zijn verworven. Wat het behoud van slapende pensioenrechten van gewezen deelnemers betreft, mag het niveau van bescherming als gelijkwaardig worden beschouwd wanneer, met name in het kader van een regeling met vaste bijdrage, de vertrekkende werknemer de mogelijkheid heeft om de waarde van zijn definitieve pensioenrechten te laten overdragen naar een aanvullende pensioenregeling die voldoet aan de voorwaarden van deze richtlijn.

(21)

Overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk dienen stappen te worden gezet om te zorgen voor het behoud van de slapende pensioenrechten of hun waarde. De waarde van deze rechten op het moment dat het lid uit de regeling stapt, dient te worden bepaald conform het nationale recht en de nationale praktijk. Wanneer de waarde van die pensioenrechten wordt aangepast, dient rekening te worden gehouden met de specifieke aard van de regeling, de belangen van de begunstigden met uitgestelde rechten, de belangen van de overblijvende actieve leden van de regeling en de belangen van gepensioneerde deelnemers.

(22)

Deze richtlijn houdt geen verplichting in om voor slapende pensioenrechten gunstiger voorwaarden vast te stellen dan voor de rechten van actieve deelnemers aan de regeling.

(23)

Om te hoge administratiekosten van het beheer van grote aantallen slapende pensioenrechten van geringe omvang te vermijden, kan pensioenregelingen worden toegestaan om, wanneer de definitieve pensioenrechten of de waarde van de definitieve pensioenrechten van een vertrekkende werknemer de door de betreffende lidstaat vastgestelde toepasselijke drempel niet te boven gaat, die definitieve rechten niet in stand te houden maar dat in plaats daarvan de vertrekkende werknemer een kapitaal wordt uitbetaald dat overeenstemt met de waarde van de definitieve pensioenrechten. Indien van toepassing dient de overdrachtswaarde of het uitgekeerde kapitaal vastgesteld te worden volgens het nationale recht en de nationale praktijk. lidstaten dienen in voorkomend geval een drempelwaarde voor dergelijke uitkeringen vast te leggen, waarbij ze er zorg voor dragen dat werknemers in de toekomst een toereikend pensioen genieten.

(24)

Deze richtlijn stelt geen bepalingen betreffende de overdracht van definitieve pensioenrechten vast. Ter bevordering van de beroepsmobiliteit tussen de lidstaten dienen de lidstaten er evenwel naar te streven de overdraagbaarheid van definitieve pensioenrechten, waar mogelijk en met name bij de invoering van nieuwe aanvullende pensioenregelingen, te verbeteren.

(25)

Onverminderd Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad (6), zouden actieve deelnemers en begunstigden met uitgestelde rechten die gebruikmaken van hun recht op vrij verkeer, of van plan zijn dat te doen, indien zij daarom verzoeken behoorlijk geïnformeerd moeten worden over hun rechten op aanvullend pensioen. Wanneer regelingen ook nabestaandenuitkeringen omvatten, moeten de overlevende begunstigden dezelfde rechten op informatie genieten als begunstigden met uitgestelde rechten. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat deze informatie niet vaker dan eens per jaar hoeft te worden verstrekt.

(26)

Gezien de diversiteit van de bestaande aanvullende pensioenregelingen dient de Unie zich te beperken tot het aangeven van de binnen een algemeen kader te verwezenlijken doelstellingen, en een richtlijn is het juiste juridische instrument daarvoor.

(27)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het vergemakkelijken van de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers tussen de lidstaten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(28)

Deze richtlijn stelt minimumeisen vast, waardoor de lidstaten de mogelijkheid behouden om gunstiger bepalingen in te voeren of te handhaven. De tenuitvoerlegging van deze richtlijn kan niet als rechtvaardiging worden aangevoerd voor een verslechtering ten opzichte van de bestaande situatie in een afzonderlijke lidstaat.

(29)

De Commissie dient uiterlijk zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een verslag op te stellen over de toepassing ervan.

(30)

De lidstaten kunnen, met inachtneming van de nationale bepalingen betreffende de organisatie van de aanvullende pensioenregelingen, de sociale partners, indien deze gezamenlijk daarom verzoeken, belasten met de uitvoering van deze richtlijn voor wat betreft de bepalingen die op collectieve overeenkomsten betrekking hebben, op voorwaarde dat de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen nemen om op ieder moment de ingevolge deze richtlijn vastgelegde resultaten te kunnen garanderen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn stelt regels vast om de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers tussen de lidstaten te vergemakkelijken door het verminderen van belemmeringen die het gevolg zijn van bepaalde voorschriften met betrekking tot aanvullende pensioenregelingen die gekoppeld zijn aan een arbeidsverhouding.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van regelingen die onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen.

2.   Deze richtlijn geldt niet voor:

a)

aanvullende pensioenregelingen die, op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn geen nieuwe actieve deelnemers meer aanvaarden en voor hen gesloten blijven;

b)

aanvullende pensioenregelingen die het voorwerp uitmaken van maatregelen die een optreden van uit hoofde van de nationale wetgeving opgerichte administratieve instanties of van gerechtelijke autoriteiten behelzen en bestemd zijn om de financiële positie van die regelingen in stand te houden of te herstellen, daaronder begrepen liquidatieprocedures. Deze uitsluiting gaat niet verder dan voor doeleinden van dit optreden;

c)

waarborgregelingen bij insolventie, compensatieregelingen en nationale pensioenreservefondsen, en

d)

een eenmalige betaling die door een werkgever aan een werknemer aan het einde van de arbeidsverhouding wordt verricht en geen verband houdt met een pensioenregeling.

3.   Deze richtlijn geldt niet voor invaliditeits- en/of nabestaandenuitkeringen in het kader van aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van de specifieke bepalingen van artikelen 5 en 6 inzake nabestaandenuitkeringen.

4.   Deze richtlijn geldt alleen voor tijdvakken van tewerkstelling die na de omzetting van de richtlijn overeenkomstig artikel 8 vallen.

5.   Deze richtlijn is niet van toepassing op de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten door werknemers die zich binnen eenzelfde lidstaat verplaatsen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

a)

„aanvullend pensioen”: een ouderdomspensioen zoals bepaald in een overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk ingestelde aanvullende pensioenregeling;

b)

„aanvullende pensioenregeling”: elke overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk ingestelde ouderdomspensioenregeling die gekoppeld is aan een arbeidsverhouding en bedoeld is ter verschaffing van een aanvullend pensioen aan werknemers;

c)

„actieve deelnemer”: een werknemer die op grond van zijn huidige arbeidsverhouding aanspraak heeft of na vervulling van de eventuele verwervingsvoorwaarden waarschijnlijk aanspraak zal hebben op een aanvullend pensioen overeenkomstig de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling;

d)

„wachtperiode”: het door het nationale recht of de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling vereiste tijdvak van arbeid dat door een werknemer vervuld moet worden om aanspraak te kunnen maken op deelneming aan een regeling;

e)

„drempelperiode”: de periode van actieve deelneming aan een regeling die uit hoofde van de nationale wetgeving of de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling moet worden vervuld om aanspraak op de opgebouwde aanvullende pensioenrechten te verwerven;

f)

„definitieve pensioenrechten”: iedere aanspraak op de opgebouwde aanvullende pensioenrechten, verkregen nadat is voldaan aan de verwervingsvoorwaarden die worden gesteld door de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling en, voor zover van toepassing, het nationale recht;

g)

„vertrekkende werknemer”: een actieve deelnemer van wie de huidige arbeidsverhouding eindigt om andere redenen dan dat hij aanspraak maakt op een aanvullend pensioen en die van de ene naar de andere lidstaat verhuist;

h)

„begunstigde met uitgestelde rechten”: een voormalige actieve deelnemer die definitieve pensioenrechten heeft in een aanvullende pensioenregeling en nog geen aanvullend pensioen van die regeling ontvangt;

i)

„slapende pensioenrechten”: definitieve pensioenrechten die behouden blijven in de regeling waarin ze door een begunstigde met uitgestelde rechtenzijn opgebouwd;

j)

„waarde van de slapende pensioenrechten”: kapitaalwaarde van de pensioenrechten berekend volgens het nationale recht en de nationale praktijk.

Artikel 4

Voorwaarden voor de verwerving van rechten uit aanvullende pensioenregelingen

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er voor te zorgen dat:

a)

indien een drempelperiode of een wachtperiode, of beide, wordt toegepast, beloopt de totale gecombineerde periode in geen geval meer dan drie jaar voor vertrekkende werknemers;

b)

indien voor de verwerving van pensioenrechten een minimumleeftijd wordt bepaald, die leeftijd niet hoger is dan 21 jaar voor vertrekkende werknemers, en

c)

wanneer een vertrekkende werknemer op het tijdstip van beëindiging van zijn arbeidsverhouding nog geen definitieve pensioenrechten heeft verworven, de aanvullende pensioenregeling de door de vertrekkende werknemer en eventueel door de werkgever namens de werknemer uit hoofde van wettelijke bepalingen of collectieve overeenkomsten of contracten gestorte bijdragen of, indien de vertrekkende werknemer het beleggingsrisico draagt, de som van de gestorte bijdragen of de met deze bijdragen gerealiseerde beleggingswaarde terugbetaalt.

2.   De lidstaten hebben de mogelijkheid om de sociale partners toe te staan bij collectieve overeenkomst andere bepalingen vast te stellen voor zover die bepalingen aan de betrokkenen geen minder gunstige bescherming bieden en geen belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers in het leven roepen.

Artikel 5

Behoud van slapende pensioenrechten

1.   Onverminderd de leden 3 en 4 nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de definitieve pensioenrechten van vertrekkende werknemers in de aanvullende pensioenregeling kunnen blijven waarin zij deze hebben verkregen. Voor de toepassing van lid 2 wordt de beginwaarde van deze rechten berekend op het moment waarop de huidige arbeidsverhouding van de vertrekkende werknemer een einde neemt.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen, rekening houdend met de aard van de regels en de praktijk van de pensioenregeling, om er voor te zorgen dat slapende pensioenrechten van vertrekkende werknemers en van hun nabestaanden, of de waarde daarvan worden behandeld in overeenstemming met de waarde van de pensioenrechten van actieve deelnemers of de ontwikkeling van de huidige pensioenuitkeringen, of worden behandeld op een andere, billijk geachte wijze, zoals:

a)

indien de pensioenrechten in de aanvullende pensioenregeling verworven zijn als een recht op een nominaal bedrag, door de nominale waarde van de slapende pensioenrechten te vrijwaren;

b)

indien de waarde van de opgebouwde pensioenrechten in de loop van de tijd verandert, door de waarde van de slapende pensioenrechten aan te passen door het toepassen van:

i)

een in de aanvullende pensioenregeling ingebouwd interestpercentage, of

ii)

het door de aanvullende pensioenregeling gerealiseerde rendement,

of

c)

indien de waarde van de opgebouwde pensioenrechten wordt aangepast, bijvoorbeeld op basis van het inflatiepercentage of het loonniveau, door de waarde van de slapende pensioenrechten dienovereenkomstig aan te passen met inachtneming van een in het nationale recht vastgesteld of door de sociale partners overeengekomen proportioneel plafond.

3.   De lidstaten kunnen toestaan dat aanvullende pensioenregelingen de definitieve rechten van een vertrekkende werknemer niet handhaven, maar hem, met zijn geïnformeerde toestemming, ook wat betreft de toeslagen, een kapitaal uitbetalen dat de waarde van de definitieve rechten vertegenwoordigt, wanneer de waarde van de definitieve rechten onder een door de betreffende lidstaat bepaalde drempel blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de gehanteerde drempel.

4.   De lidstaten kunnen de sociale partners toestaan bij collectieve overeenkomst andere bepalingen vast te stellen voor zover die bepalingen aan de betrokkenen geen minder gunstige bescherming bieden en geen belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers veroorzaken.

Artikel 6

Informatie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat actieve deelnemers op verzoek informatie kunnen krijgen over de eventuele gevolgen van beëindiging van de arbeidsverhouding voor hun aanvullende pensioenrechten.

Er moet met name informatie over het volgende verstrekt worden:

a)

de voorwaarden voor het verwerven van aanvullende pensioenrechten en de gevolgen van de toepassing van die voorwaarden bij beëindiging van de arbeidsverhouding;

b)

de waarde van de definitieve pensioenrechten of een uiterlijk twaalf maanden voor de datum van het verzoek uitgevoerde evaluatie van de definitieve pensioenrechten, en

c)

de voorwaarden voor de behandeling van de slapende pensioenrechten van gewezen deelnemers.

Indien de regeling het mogelijk maakt om via een kapitaalsuitkering vervroegd toegang te krijgen tot definitieve pensioenrechten, omvat de verstrekte informatie tevens een geschreven verklaring waarin staat dat de deelnemer moet overwegen advies te vragen betreffende het investeren van dat kapitaal met het oog op een aanvullend pensioen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat begunstigden met uitgestelde rechten op verzoek informatie ontvangen over het volgende:

a)

de waarde van zijn pensioenrechten als gewezen deelnemer of een uiterlijk twaalf maanden voor de datum van het verzoek uitgevoerde evaluatie van de pensioenrechten van de gewezen deelnemer, en

b)

de voorwaarden voor de behandeling van slapende pensioenrechten.

3.   Voor nabestaandenuitkeringen in het kader van aanvullende pensioenregelingen is lid 2, wat betreft de uitbetaling van nabestaandenuitkeringen, van toepassing op overlevende begunstigden.

4.   De informatie wordt schriftelijk, duidelijk en binnen een redelijke termijn verstrekt. De lidstaten kunnen bepalen dat dergelijke informatie niet meer dan een keer per jaar moet worden verstrekt.

5.   De verplichtingen uit hoofde van dit artikel komen bovenop de krachtens artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG geldende verplichtingen van bedrijfspensioeninstellingen, en laten deze onverlet.

Artikel 7

Minimumvoorschriften en non-regressie

1.   De lidstaten kunnen bepalingen betreffende de verwerving van aanvullende pensioenrechten van werknemers, het behoud van aanvullende pensioenrechten van vertrekkende werknemers en het recht op informatie van actieve deelnemers en begunstigden met uitgestelde rechten invoeren of handhaven die voor de betrokkenen gunstiger zijn dan de bepalingen in deze richtlijn.

2.   De omzetting van deze richtlijn mag in geen geval als rechtvaardiging dienen voor het beperken van de bestaande rechten inzake het verwerven en behouden van aanvullende pensioenrechten of voor het regelen van het recht op informatie van actieve deelnemers of begunstigden in de lidstaten.

Artikel 8

Omzetting

1.   De lidstaten stellen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om uiterlijk op 21 mei 2018 aan deze richtlijn te voldoen, of verzekeren zich ervan dat de sociale partners vóór die datum op basis van akkoorden de noodzakelijke bepalingen vaststellen. De lidstaten treffen alle noodzakelijke maatregelen om de door deze richtlijn voorgeschreven resultaten te kunnen waarborgen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2.   Wanneer de lidstaten de in lid 1 bedoelde bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 9

Verslag

1.   De lidstaten delen alle beschikbare gegevens betreffende de toepassing van deze richtlijn uiterlijk op 21 mei 2019 aan de Commissie mee.

2.   Uiterlijk op 21 mei 2020 stelt de Commissie een verslag op over de toepassing van deze richtlijn en dient zij dit in bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 11

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 185 van 8.8.2006, blz. 37.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 20 juni 2007 (PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 216) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 17 februari 2014 (PB C 77 E van 15.3.2014, blz. 1). Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2).

(4)  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

(5)  Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 209 van 25.7.1998, blz. 46).

(6)  Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235 van 23.9.2003, blz. 10).


Top