Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02024R1347-20240522

Consolidated text: Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1347/2024-05-22

02024R1347 — NL — 22.05.2024 — 000.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) 2024/1347 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 mei 2024

inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 1347 van 22.5.2024, blz. 1)


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 90926, 25.11.2025, blz.  1 (2024/1347)




▼B

VERORDENING (EU) 2024/1347 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 mei 2024

inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden normen vastgesteld voor:

a) 

de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten;

b) 

een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen;

c) 

de inhoud van de verleende internationale bescherming.

Artikel 2

Materieel toepassingsgebied

1.  
Deze verordening heeft betrekking op de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als personen die internationale bescherming genieten en op de inhoud van de verleende internationale bescherming.
2.  
Deze verordening heeft geen betrekking op nationale humanitaire statussen die de lidstaten toekennen aan onderdanen van derde landen en staatlozen die niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. De eventuele verlening van nationale humanitaire statussen mag niet tot verwarring kunnen leiden met internationale bescherming.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1) 

“vluchtelingenstatus”: de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als vluchteling;

2) 

“subsidiairebeschermingsstatus”: de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt;

3) 

“internationale bescherming”: de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus;

4) 

“persoon die internationale bescherming geniet”: een persoon aan wie de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus is verleend;

5) 

“vluchteling”: een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij of zij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij of zij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is;

6) 

“persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij of zij naar zijn of haar land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij of zij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen;

7) 

“verzoek om internationale bescherming”: een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst;

8) 

“verzoeker”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;

9) 

“gezinsleden”: voor zover het gezin reeds bestond voordat de verzoeker op het grondgebied van de lidstaten aankwam, de volgende leden van het gezin van de persoon die internationale bescherming geniet, die in verband met het verzoek om internationale bescherming op het grondgebied van dezelfde lidstaat aanwezig zijn:

a) 

de echtgenoot of echtgenote van de persoon die internationale bescherming geniet, dan wel zijn of haar niet-gehuwde partner met wie hij of zij een duurzame relatie onderhoudt, indien het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat ongehuwde paren op een gelijkwaardige wijze behandelt als gehuwde paren;

b) 

de minderjarige of meerderjarige kinderen ten laste van de onder a) bedoelde paren of van de persoon die internationale bescherming geniet, mits zij ongehuwd zijn, ongeacht de vraag of zij naar nationaal recht wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn; een minderjarige wordt, op basis van een individuele beoordeling, als ongehuwd beschouwd indien zijn of haar huwelijk niet in overeenstemming met het betreffende nationale recht zou zijn als het in de betrokken lidstaat zou zijn gesloten, met name gelet op de wettelijke huwelijksleeftijd;

c) 

indien de persoon die internationale bescherming geniet minderjarig en ongehuwd is, de vader, moeder of een andere volwassene die hetzij volgens het recht, hetzij volgens de praktijk van de betrokken lidstaat verantwoordelijk is voor die persoon, met inbegrip van een meerderjarige broer of zus; een minderjarige wordt, op basis van een individuele beoordeling, als ongehuwd beschouwd indien zijn of haar huwelijk niet in overeenstemming met het betreffende nationale recht zou zijn als het in de betrokken lidstaat zou zijn gesloten, met name gelet op de wettelijke huwelijksleeftijd;

10) 

“minderjarige”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar;

11) 

“niet-begeleide minderjarige”: een minderjarige die zonder begeleiding van een voor hem of haar hetzij volgens het recht, hetzij volgens de praktijk van de betrokken lidstaat verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van de lidstaten aankomt, zolang die minderjarige niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene is gesteld, met inbegrip van minderjarigen die, nadat zij het grondgebied van de lidstaten zijn binnengekomen, zonder begeleiding zijn komen te verkeren;

12) 

“verblijfstitel”: een machtiging die door de instanties van een lidstaat wordt verstrekt en beantwoordt aan een uniform model, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1030/2002, en op grond waarvan een onderdaan van een derde land of staatloze legaal op het grondgebied van die lidstaat mag verblijven;

13) 

“land van herkomst”: het land of de landen van de nationaliteit of, voor staatlozen, van de vroegere gewone verblijfplaats;

14) 

“intrekking van de internationale bescherming”: de beslissing van een beslissingsautoriteit of een bevoegde rechterlijke instantie om de internationale bescherming te herroepen of te beëindigen, met inbegrip van de weigering om deze te verlengen;

15) 

“beslissingsautoriteit”: elk semi-rechterlijk of administratief orgaan in een lidstaat dat met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming is belast en bevoegd is daarover in de administratieve fase van de procedure een beslissing te nemen;

16) 

“sociale zekerheid”: de takken van sociale zekerheid als bedoeld in artikel 3, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 );

17) 

“sociale bijstand”: prestaties die worden verleend met als doel ervoor te zorgen dat wordt voorzien in de basisbehoeften van personen die niet over toereikende middelen beschikken;

18) 

“voogd”: een natuurlijke persoon of een organisatie, met inbegrip van een overheidsorgaan, die door de bevoegde autoriteiten is aangewezen om een niet-begeleide minderjarige bij te staan, te vertegenwoordigen en namens hem of haar te handelen, voor zover van toepassing, om ervoor te zorgen dat de niet-begeleide minderjarige kan genieten van de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van deze verordening, waarbij zijn of haar belangen en algemeen welzijn worden gewaarborgd.

HOOFDSTUK II

BEOORDELING VAN VERZOEKEN OM INTERNATIONALE BESCHERMING

Artikel 4

Indienen van informatie en beoordeling van feiten en omstandigheden

1.  
Verzoekers verstrekken alle elementen waarover zij beschikken ter staving van het verzoek om internationale bescherming. Te dien einde verlenen verzoekers volledige medewerking aan de beslissingsautoriteit en andere bevoegde autoriteiten, en blijven zij op het grondgebied van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun verzoek aanwezig en beschikbaar gedurende de procedure, ook gedurende de beoordeling van de relevante elementen van het verzoek.
2.  

De in lid 1 bedoelde elementen bestaan uit:

a) 

de verklaringen van de verzoeker, en

b) 

alle documentatie waarover de verzoeker beschikt in verband met:

i) 

de redenen waarom de verzoeker om internationale bescherming verzoekt;

ii) 

de leeftijd van de verzoeker;

iii) 

de achtergrond van de verzoeker, ook die van relevante gezinsleden en andere familieleden;

iv) 

de identiteit van de verzoeker;

v) 

de nationaliteit(en) van de verzoeker;

vi) 

het land of de landen en de plaats of plaatsen van eerder verblijf van de verzoeker;

vii) 

eerdere verzoeken om internationale bescherming van de verzoeker;

viii) 

de resultaten van een op de verzoeker betrekking hebbende eventuele hervestigingsprocedure of procedure voor toelating op humanitaire gronden zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2024/1350;

ix) 

de reisroutes van de verzoeker, en

x) 

de reisdocumenten van de verzoeker.

3.  
De beslissingsautoriteit beoordeelt de relevante elementen van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) 2024/1348.
4.  
Het feit dat een verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij of zij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, wordt beschouwd als een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is of het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
5.  

Wanneer een of meer specifieke aspecten van de verklaringen van de verzoeker niet met documenten of ander bewijsmateriaal worden gestaafd, wordt geen aanvullend bewijsmateriaal verlangd met betrekking tot deze specifieke aspecten wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:

a) 

de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn of haar verzoek om internationale bescherming te staven;

b) 

alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c) 

de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn of haar verzoek;

d) 

vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.

Artikel 5

Ter plaatse ontstane behoefte aan internationale bescherming

1.  

Een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade kan gegrond zijn op:

a) 

gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden nadat de verzoeker het land van herkomst heeft verlaten, of

b) 

activiteiten die de verzoeker na het verlaten van zijn of haar land van herkomst heeft verricht, met name wanneer wordt vastgesteld dat de betrokken activiteiten de uitdrukking en de voortzetting vormen van overtuigingen, opvattingen of strekkingen die de betrokkene in het land van herkomst aanhing.

2.  
Indien het risico van vervolging of ernstige schade gegrond is op omstandigheden die de verzoeker na het verlaten van zijn of haar land van herkomst heeft veroorzaakt met als enig of voornaamste doel de noodzakelijke voorwaarden te scheppen om te kunnen verzoeken om internationale bescherming, kan de beslissingsautoriteit weigeren internationale bescherming te verlenen, mits elke beslissing over het verzoek om internationale bescherming wordt genomen met inachtneming van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals aangevuld door het Protocol van New York van 31 januari 1967 (het “Verdrag van Genève”), het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Artikel 6

Actoren van vervolging of ernstige schade

Actoren van vervolging of ernstige schade kunnen zijn:

a) 

de staat;

b) 

partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen;

c) 

niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren bedoeld in artikel 7, lid 1, geen bescherming kunnen of willen bieden tegen vervolging of ernstige schade.

Artikel 7

Actoren van bescherming

1.  

Bescherming tegen vervolging of ernstige schade kan alleen worden geboden door de volgende actoren, mits zij in staat en bereid zijn doeltreffende bescherming van niet-tijdelijke aard te bieden overeenkomstig lid 2:

a) 

de staat;

b) 

stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties, inclusief internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen.

2.  
De bescherming tegen vervolging of ernstige schade is doeltreffend en van niet-tijdelijke aard. De bescherming wordt aanwezig geacht wanneer de actoren als bedoeld in lid 1 redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer een verzoeker toegang tot dergelijke bescherming heeft.
3.  
Bij het beoordelen of stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties, inclusief internationale organisaties, een staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen en bescherming bieden in de zin van lid 2, houdt de beslissingsautoriteit rekening met nauwkeurige en actuele informatie over landen van herkomst die zij verzamelt uit relevante en beschikbare nationale, Uniale en internationale bronnen en, indien beschikbaar, de gemeenschappelijke analyse van de situatie in specifieke landen van herkomst en de richtsnoeren als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) 2021/2303.

Artikel 8

Binnenlands beschermingsalternatief

1.  

Wanneer de staat of staatsfunctionarissen niet de actoren van vervolging of ernstige schade zijn, dient de beslissingsautoriteit, als onderdeel van de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming, te onderzoeken of een verzoeker geen internationale bescherming nodig heeft, omdat de verzoeker op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang kan verschaffen tot een deel van het land van herkomst en er redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij of zij er zich vestigt, en indien hij of zij in dat deel van het land:

a) 

geen gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt; of

b) 

toegang heeft tot doeltreffende bescherming van niet-tijdelijke aard tegen vervolging of ernstige schade.

2.  
Wanneer de staat of staatsfunctionarissen de actoren van vervolging of ernstige schade zijn, neemt de beslissingsautoriteit aan dat er geen doeltreffende bescherming beschikbaar is voor de verzoeker en hoeft een onderzoek als bedoeld in lid 1 niet uitgevoerd te worden.

De beslissingsautoriteit mag een onderzoek als bedoeld in lid 1 slechts uitvoeren indien duidelijk vaststaat dat het risico op vervolging of ernstige schade uitgaat van een actor wiens of wier bevoegdheid duidelijk beperkt is tot een specifiek geografisch gebied of wanneer de staat zelf slechts controle heeft over bepaalde delen van het land.

3.  
De beslissingsautoriteit voert een onderzoek als bedoeld in lid 1 uit zodra zij heeft vastgesteld dat anders de in deze verordening vastgestelde erkenningscriteria van toepassing zouden zijn op een verzoeker. Het is aan de beslissingsautoriteit om aan te tonen dat de verzoeker beschikt over een binnenlands beschermingsalternatief. De verzoeker heeft vervolgens het recht bewijzen over te leggen en elementen in te dienen waaruit blijkt dat een dergelijk alternatief hem of haar niet ter beschikking staat. De beslissingsautoriteit houdt rekening met de door de verzoeker overgelegde bewijzen en ingediende elementen.
4.  
Wat betreft de beoordeling of een verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of ernstige schade in een deel van het betrokken land van herkomst overeenkomstig lid 1, houdt de beslissingsautoriteit bij haar beslissing over het verzoek om internationale bescherming rekening met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker zoals uiteengezet in artikel 4. Te dien einde houdt de beslissingsautoriteit rekening met nauwkeurige en actuele informatie die zij verzamelt uit relevante en beschikbare nationale, Uniale en internationale bronnen en, indien beschikbaar, de gemeenschappelijke analyse van de situatie in specifieke landen van herkomst en de richtsnoeren als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) 2021/2303.
5.  

Voor de toepassing van lid 1 houdt de beslissingsautoriteit rekening met:

a) 

de algemene omstandigheden in het relevante deel van het land van herkomst, inclusief de toegankelijkheid, doeltreffendheid en duurzaamheid van de bescherming als bedoeld in artikel 7;

b) 

de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker wat betreft factoren zoals gezondheid, leeftijd, gender, inclusief genderidentiteit, seksuele gerichtheid, etnische afkomst en het behoren tot een nationale minderheid, en

c) 

de vraag of de verzoeker in zijn of haar eigen basisbehoeften zou kunnen voorzien.

6.  
Indien de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is, houdt de beslissingsautoriteit rekening met het belang van de minderjarige, en in het bijzonder met de beschikbaarheid van duurzame en passende zorg en opvang.

HOOFDSTUK III

VOORWAARDEN VOOR HET VERKRIJGEN VAN DE VLUCHTELINGENSTATUS

Artikel 9

Daden van vervolging

1.  

Een daad wordt beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, A, van het Verdrag van Genève wanneer deze:

a) 

zo ernstig van aard is of zo vaak voorkomt dat deze een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het EVRM, of

b) 

een samenstel is van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als met een in punt a) bedoelde daad.

2.  

Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder andere de vorm aannemen van:

a) 

daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;

b) 

wettelijke, administratieve, politiële of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;

c) 

onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;

d) 

ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zware of discriminerende straf wordt opgelegd;

e) 

vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen zou inhouden die onder het toepassingsgebied van de uitsluitingsgronden van artikel 12, lid 2, vallen;

f) 

daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.

3.  
Opdat een verzoeker voldoet aan de definitie van “vluchteling” zoals uiteengezet in artikel 3, punt 5), moet er een verband zijn tussen de in artikel 10 bedoelde gronden voor vervolging en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1 van dit artikel of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.

Artikel 10

Gronden voor vervolging

1.  

Bij de beoordeling van de gronden voor vervolging wordt rekening gehouden met de volgende elementen:

a) 

het begrip “ras” omvat met name de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep;

b) 

het begrip “godsdienst” omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald;

c) 

het begrip “nationaliteit” is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat met name ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door haar culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat;

d) 

het begrip “behoren tot een bepaalde sociale groep” omvat met name het behoren tot een groep:

i) 

waarvan de leden een aangeboren kenmerk delen of worden geacht te delen, of een gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en

ii) 

die in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd;

e) 

het begrip “politieke overtuiging” omvat met name het hebben van een mening, gedachte of opvatting betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn of haar handelen door deze mening, gedachte of opvatting heeft laten leiden.

Afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst omvat het in de eerste alinea, punt d), bedoelde begrip “behoren tot een bepaalde sociale groep” het behoren tot een groep die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Er dient terdege rekening te worden gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit en genderexpressie, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd.

2.  
Bij het beoordelen of de vrees van een verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken door de actor van de vervolging worden toegeschreven aan de verzoeker.
3.  
Bij het beoordelen of de vrees van een verzoeker voor vervolging gegrond is, kan de beslissingsautoriteit redelijkerwijs niet van die verzoeker verwachten dat hij of zij, om risico van vervolging in zijn of haar land van herkomst te voorkomen, zijn of haar gedragingen, overtuigingen of identiteit aanpast of verandert of zich van bepaalde praktijken onthoudt wanneer deze gedragingen, overtuigingen of praktijken inherent zijn aan zijn of haar identiteit.

Artikel 11

Beëindiging

1.  

Een onderdaan van een derde land of staatloze houdt op vluchteling te zijn als een of meer van de volgende situaties van toepassing zijn:

a) 

de onderdaan van een derde land heeft vrijwillig opnieuw de bescherming ingeroepen van het land van zijn of haar nationaliteit;

b) 

de onderdaan van een derde land of staatloze heeft na verlies van zijn of haar nationaliteit deze vrijwillig opnieuw verworven;

c) 

de onderdaan van een derde land of staatloze heeft een nieuwe nationaliteit verworven en geniet de bescherming van het land van die nieuwe nationaliteit;

d) 

de onderdaan van een derde land of staatloze heeft zich vrijwillig opnieuw gevestigd in het land dat hij of zij had verlaten of waarbuiten hij of zij zich bevond uit vrees voor vervolging;

e) 

de onderdaan van een derde land kan, omdat de omstandigheden in verband waarmee hij of zij als vluchteling werd erkend, hebben opgehouden te bestaan, niet langer weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land van zijn of haar nationaliteit;

f) 

de staatloze kan terugkeren naar het land waar hij of zij vroeger zijn of haar gewone verblijfplaats had, omdat de omstandigheden in verband waarmee hij of zij als vluchteling is erkend, hebben opgehouden te bestaan.

De punten e) en f) van de eerste alinea zijn niet van toepassing op een vluchteling die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land waarvan hij of zij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij of zij vroeger zijn of haar gewone verblijfplaats had, in te roepen.

2.  

Om te beoordelen of de punten e) en f) van lid 1, eerste alinea, van toepassing zijn:

a) 

houdt de beslissingsautoriteit rekening met nauwkeurige en actuele informatie die zij verzamelt van relevante en beschikbare nationale, Uniale en internationale bronnen en, indien beschikbaar, de gemeenschappelijke analyse van de situatie in specifieke landen van herkomst en de richtsnoeren bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) 2021/2303;

b) 

gaat de beslissingsautoriteit na of de verandering van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees van de vluchteling voor vervolging weg te nemen.

Artikel 12

Uitsluiting

1.  

Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de erkenning als vluchteling wanneer die onderdaan van een derde land of staatloze:

a) 

onder artikel 1, punt D, van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op de bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen; is die bescherming of bijstand om welke reden ook opgehouden zonder dat de positie van die onderdaan van een derde land of staatloze definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft die onderdaan van een derde land of staatloze op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze verordening;

b) 

door de bevoegde autoriteiten van het land waar de onderdaan van een derde land of staatloze zich heeft gevestigd, beschouwd wordt als houder van de rechten en verplichtingen die met het bezit van de nationaliteit van dat land verbonden zijn, of van gelijkwaardige rechten en verplichtingen;

2.  

Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de erkenning als vluchteling wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat die onderdaan van een derde land of staatloze:

a) 

een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;

b) 

buiten het land van toevlucht een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan voordat die onderdaan van een derde land of staatloze als vluchteling is toegelaten, dat wil zeggen voorafgaand aan de toekenning van de vluchtelingenstatus; bijzonder wrede handelingen kunnen, zelfs indien zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige niet-politieke misdrijven worden aangemerkt;

c) 

zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties.

3.  
Lid 2 is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de daarin bedoelde misdrijven of handelingen.
4.  
Wanneer de beslissingsautoriteit, op basis van een beoordeling van de ernst van de door de betrokken persoon gepleegde misdrijven of handelingen en van de individuele verantwoordelijkheid van die persoon, rekening houdend met alle omstandigheden die deze misdrijven of handelingen en de situatie van die persoon kenmerken, heeft vastgesteld dat een of meer relevante uitsluitingsgronden als bedoeld in lid 2 of 3 van toepassing zijn, sluit de beslissingsautoriteit de verzoeker uit van de vluchtelingenstatus zonder een evenredigheidstoetsing in verband met de vrees voor vervolging uit te voeren.
5.  
Als onderdeel van de in lid 4 bedoelde toetsing houdt de beslissingsautoriteit, bij het verrichten van een onderzoek als bedoeld in de leden 2 en 3, met betrekking tot een minderjarige onder andere rekening met de vraag of deze strafrechtelijk aansprakelijk had kunnen worden gesteld indien hij of zij het misdrijf zou hebben gepleegd op het grondgebied van de lidstaat die het verzoek om internationale bescherming onderzoekt, overeenkomstig het nationaal recht inzake de leeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.

HOOFDSTUK IV

VLUCHTELINGENSTATUS

Artikel 13

Verlening van de vluchtelingenstatus

De beslissingsautoriteit verleent de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling.

Artikel 14

Intrekking van de vluchtelingenstatus

1.  

De beslissingsautoriteit trekt de vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of staatloze in indien:

a) 

die onderdaan van een derde land of staatloze overeenkomstig artikel 11 is opgehouden vluchteling te zijn;

b) 

die onderdaan van een derde land of staatloze overeenkomstig artikel 12 uitgesloten is of had moeten zijn van de erkenning als vluchteling;

c) 

die onderdaan van een derde land of staatloze feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus;

d) 

er redelijke gronden zijn die onderdaan van een derde land of staatloze te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar die onderdaan van een derde land of staatloze zich bevindt;

e) 

die onderdaan van een derde land of staatloze definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de samenleving van de lidstaat waar die onderdaan van een derde land of staatloze zich bevindt;

2.  
De beslissingsautoriteit kan in situaties waarin lid 1, punten d) en e), van toepassing is, besluiten geen vluchtelingenstatus te verlenen wanneer nog geen besluit over het verzoek om internationale bescherming is genomen.
3.  
Personen op wie lid 1, punten d) en e), of lid 2 van dit artikel van toepassing is, genieten de rechten die zijn vastgelegd in de artikelen 3, 4, 16, 22, 31, 32 en 33 van het Verdrag van Genève of daarmee vergelijkbare rechten, op voorwaarde dat zij in de lidstaat aanwezig zijn.
4.  
De beslissingsautoriteit die de vluchtelingenstatus heeft verleend toont per geval aan dat de persoon aan wie de vluchtelingenstatus is verleend geen vluchteling meer is, nooit de vluchtelingenstatus toegekend had mogen krijgen of niet langer de vluchtelingenstatus mag genieten om de in lid 1 van dit artikel genoemde redenen. Gedurende de intrekkingsprocedure is artikel 66 van Verordening (EU) 2024/1384 van toepassing.

HOOFDSTUK V

VOORWAARDEN OM IN AANMERKING TE KOMEN VOOR SUBSIDIAIRE BESCHERMING

Artikel 15

Ernstige schade

Ernstige schade als bedoeld in artikel 3, punt 6), bestaat uit:

a) 

de doodstraf of executie, of

b) 

foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn of haar land van herkomst, of

c) 

een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Artikel 16

Beëindiging

1.  
Een persoon aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend, komt niet meer in aanmerking voor subsidiaire bescherming wanneer de omstandigheden op grond waarvan die status is verleend, niet langer bestaan, of zodanig zijn gewijzigd dat bescherming niet langer nodig is.
2.  

Om te beoordelen of de omstandigheden op grond waarvan de subsidiairebeschermingsstatus is verleend, niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat bescherming niet langer nodig is:

a) 

houdt de beslissingsautoriteit rekening met nauwkeurige en actuele informatie die zij verzamelt van relevante en beschikbare nationale, Uniale en internationale bronnen en, indien beschikbaar, de gemeenschappelijke analyse van de situatie in specifieke landen van herkomst en de richtsnoeren bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) 2021/2303;

b) 

gaat de beslissingsautoriteit na of de verandering van de omstandigheden een zodanig ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft dat de persoon aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend niet langer een reëel risico op ernstige schade loopt.

3.  
Lid 1 is niet van toepassing op een persoon aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend en die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere ernstige schade, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land waarvan hij of zij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij of zij vroeger zijn of haar gewone verblijfplaats had, in te roepen.

Artikel 17

Uitsluiting

1.  

Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat die onderdaan van een derde land of staatloze:

a) 

een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;

b) 

een ernstig misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn of haar aankomst op het grondgebied van de lidstaat of voor een ernstig misdrijf is veroordeeld na zijn of haar aankomst;

c) 

zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;

d) 

een gevaar vormt voor de gemeenschap of voor de nationale veiligheid.

2.  
Lid 1 is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de daarin genoemde misdrijven of handelingen.
3.  
Een onderdaan van een derde land of staatloze kan worden uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer die onderdaan van een derde land of staatloze, voordat hij of zij tot de betrokken lidstaat werd toegelaten, een of meer andere dan de in lid 1, punten a), b) en c), bedoelde misdrijven heeft gepleegd die strafbaar zouden zijn met gevangenisstraf indien zij in de betrokken lidstaat waren gepleegd, en indien die onderdaan van een derde land of staatloze zijn of haar land van herkomst alleen heeft verlaten om straffen als gevolg van die misdrijven te ontlopen.
4.  
Wanneer de beslissingsautoriteit, op basis van een beoordeling van de ernst van de door de betrokken persoon gepleegde misdrijven of handelingen en van de individuele verantwoordelijkheid van die persoon, rekening houdend met alle omstandigheden die deze misdrijven of handelingen en de situatie van die persoon kenmerken, heeft vastgesteld dat een of meer relevante uitsluitingsgronden als bedoeld in lid 1 of 2 van toepassing zijn, sluit de beslissingsautoriteit de verzoeker uit van de subsidiairebeschermingsstatus zonder een evenredigheidstoetsing in verband met de vrees voor ernstige schade uit te voeren.
5.  
Als onderdeel van de in lid 4 bedoelde beoordeling houdt de beslissingsautoriteit, bij het verrichten van een onderzoek als bedoeld in lid 1, met betrekking tot een minderjarige onder andere rekening met de vraag of deze strafrechtelijk aansprakelijk had kunnen worden gesteld indien hij of zij het misdrijf zou hebben gepleegd op het grondgebied van de lidstaat die het verzoek om internationale bescherming onderzoekt, overeenkomstig het nationaal recht inzake de leeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid of, wanneer van toepassing, met een veroordeling wegens een ernstig misdrijf na de aankomst van de minderjarige.

HOOFDSTUK VI

SUBSIDIAIREBESCHERMINGSSTATUS

Artikel 18

Verlening van de subsidiairebeschermingsstatus

De beslissingsautoriteit verleent de subsidiairebeschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

Artikel 19

Intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus

1.  

De beslissingsautoriteit trekt de subsidiairebeschermingsstatus van een onderdaan van een derde land of staatloze in indien:

a) 

die onderdaan van een derde land of staatloze overeenkomstig artikel 16 niet meer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming;

b) 

die onderdaan van een derde land of staatloze, nadat hem of haar de subsidiairebeschermingsstatus is verleend, overeenkomstig artikel 17 van subsidiaire bescherming uitgesloten is of had moeten zijn;

c) 

die onderdaan van een derde land of staatloze feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de subsidiairebeschermingsstatus.

2.  
De beslissingsautoriteit die de subsidiairebeschermingsstatus heeft verleend, toont per geval aan dat de persoon aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend niet langer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, nooit de subsidiairebeschermingsstatus toegekend had mogen krijgen of niet langer de subsidiairebeschermingsstatus mag genieten om de in lid 1 van dit artikel genoemde redenen. Gedurende de intrekkingsprocedure is artikel 66 van Verordening (EU) 2024/1348 van toepassing.

HOOFDSTUK VII

INHOUD VAN DE AAN INTERNATIONALE BESCHERMING VERBONDEN RECHTEN EN PLICHTEN VAN PERSONEN DIE INTERNATIONALE BESCHERMING GENIETEN

AFDELING I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 20

Algemene bepalingen

1.  
Onverminderd de in het Verdrag van Genève neergelegde rechten en plichten gelden voor personen die internationale bescherming genieten de in dit hoofdstuk vastgelegde rechten en verplichtingen.
2.  
Personen die internationale bescherming genieten, hebben, zodra hun internationale bescherming is verleend en zolang zij de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus hebben, toegang tot de rechten waarin overeenkomstig dit hoofdstuk wordt voorzien.
3.  
Indien aan een persoon die internationale bescherming geniet, niet binnen 15 dagen na de verlening van internationale bescherming een verblijfstitel wordt afgegeven, neemt de betrokken lidstaat voorlopige maatregelen, zoals registratie of de afgifte van een document, om ervoor te zorgen dat de persoon die internationale bescherming geniet, effectief toegang heeft tot de in dit hoofdstuk vastgestelde rechten, met uitzondering van de in de artikelen 25 en 27 vastgestelde rechten, totdat overeenkomstig artikel 24 een verblijfstitel is afgegeven.
4.  
Wanneer bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt vastgesteld dat een persoon bijzondere behoeften heeft, bijvoorbeeld omdat het gaat om een minderjarige, een niet-begeleide minderjarige, een persoon met een handicap, een oudere, een zwangere vrouw, een alleenstaande ouder met een minderjarig of meerderjarig kind ten laste, een slachtoffer van mensenhandel, een persoon met een ernstige ziekte, een persoon met een geestesziekte of een persoon die folteringen heeft ondergaan, is verkracht of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld is blootgesteld, houden de bevoegde autoriteiten rekening met die bijzondere behoeften.
5.  
Bij de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk die betrekking hebben op minderjarigen, plaatsen de bevoegde autoriteiten het belang van het kind voorop.

Artikel 21

Bescherming tegen refoulement

Het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd overeenkomstig het Unierecht en het internationale recht.

Artikel 22

Informatie

De bevoegde autoriteiten verschaffen personen die internationale bescherming genieten, zo spoedig mogelijk nadat hun dergelijke bescherming is verleend, informatie over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus. Die informatie, zoals gespecificeerd in bijlage I:

a) 

wordt verstrekt in een taal die zij begrijpen of redelijkerwijs geacht kunnen worden te begrijpen; en

b) 

vermeldt uitdrukkelijk de gevolgen van het niet nakomen van de in artikel 27 omschreven verplichtingen op het gebied van bewegingen binnen de Unie.

Artikel 23

Instandhouding van het gezin

1.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat die internationale bescherming heeft verleend aan een persoon die internationale bescherming geniet, verstrekken overeenkomstig de nationale procedures verblijfstitels aan de gezinsleden van die persoon die internationale bescherming geniet, die zelf niet in aanmerking komen voor internationale bescherming en die in die lidstaat een verblijfstitel aanvragen, indien lid 3, 4 of 5 van dit artikel niet van toepassing is en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid.
2.  
De overeenkomstig lid 1 afgegeven verblijfstitels verstrijken op dezelfde datum als de verblijfstitel van de persoon die internationale bescherming geniet, en kunnen worden verlengd voor zolang als de verblijfstitel die is afgegeven aan de persoon die internationale bescherming geniet, wordt verlengd. De verblijfstitel die wordt afgegeven aan gezinsleden, is niet langer geldig dan de datum waarop de verblijfstitel van de persoon die internationale bescherming geniet, verstrijkt.
3.  
Er wordt uit hoofde van deze verordening geen verblijfstitel afgegeven aan een gezinslid dat op grond van de hoofdstukken III en V van internationale bescherming uitgesloten is of zou zijn.
4.  
Er wordt uit hoofde van deze verordening geen verblijfstitel afgegeven aan een echtgenoot of echtgenote of een niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden wanneer sterke aanwijzingen bestaan dat het huwelijk of partnerschap uitsluitend is aangegaan om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in de betrokken lidstaat te verkrijgen.
5.  
Wanneer dat om redenen van nationale veiligheid of openbare orde met betrekking tot het betrokken familielid noodzakelijk is, wordt geen verblijfstitel afgegeven aan dat gezinslid, en wordt een reeds afgegeven verblijfstitel ingetrokken of niet verlengd.
6.  
Gezinsleden aan wie een verblijfstitel is afgegeven overeenkomstig lid 1 van dit artikel, genieten de in de artikelen 25 tot en met 32, 34 en 35 bedoelde rechten.
7.  
De lidstaten kunnen dit artikel toepassen op andere naaste verwanten, inclusief broers en zussen, die voorafgaand aan de aankomst van de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat, deel uitmaakten van het gezin van de persoon die internationale bescherming geniet, en die te zijnen of haren laste komen. De lidstaten kunnen dit artikel toepassen op een gehuwde minderjarige, mits dat in het belang van die minderjarige is.

AFDELING II

Rechten en plichten in verband met woonplaats en verblijf

Artikel 24

Verblijfstitels

1.  
Personen die internationale bescherming genieten, hebben recht op een verblijfstitel zolang zij de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus hebben.
2.  
Zo spoedig mogelijk na de toekenning van de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus en uiterlijk 90 dagen na de kennisgeving van de beslissing om internationale bescherming toe te kennen, wordt een verblijfstitel afgegeven volgens het uniforme model van Verordening (EG) nr. 1030/2002.
3.  
De afgifte van een verblijfstitel is gratis of geschiedt tegen een vergoeding die niet hoger is dan de vergoeding die de onderdanen van de betrokken lidstaat voor de afgifte van identiteitskaarten moeten betalen.
4.  
Een verblijfstitel heeft een initiële geldigheidsduur van ten minste drie jaar voor personen aan wie de vluchtelingenstatus is verleend en van ten minste één jaar voor personen aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend.

Wanneer de geldigheidsduur van een verblijfstitel verstrijkt, wordt deze verlengd met ten minste drie jaar voor personen aan wie de vluchtelingenstatus is verleend en met ten minste twee jaar voor personen aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend.

De verlenging van verblijfstitels wordt georganiseerd op een wijze die de continuïteit van de periode van toegestaan verblijf waarborgt zonder onderbreking in de tijd tussen het verstrijken en het verlengen van de titel, mits de persoon die internationale bescherming geniet, handelt overeenkomstig het desbetreffende nationale recht waarin de administratieve formaliteiten voor verlenging zijn vastgelegd.

5.  
De bevoegde autoriteiten kunnen een verblijfstitel alleen herroepen of weigeren te verlengen indien zij de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 14 of de subsidiairebeschermingsstatus overeenkomstig artikel 19 hebben ingetrokken.

Artikel 25

Reisdocumenten

1.  
Tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde met betrekking tot een persoon aan wie de vluchtelingenstatus is verleend daaraan in de weg staan, verstrekken de bevoegde autoriteiten personen aan wie de vluchtelingenstatus is verleend reisdocumenten in de in de bijlage bij het Verdrag van Genève vermelde vorm en die voldoen aan de minimumnormen inzake veiligheidskenmerken en biometrische gegevens die worden beschreven in Verordening (EG) nr. 2252/2004. Deze reisdocumenten zijn meer dan één jaar geldig.
2.  
Tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde met betrekking tot een persoon aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend daaraan in de weg staan, verstrekken de bevoegde autoriteiten reisdocumenten die voldoen aan de minimumnormen inzake veiligheidskenmerken en biometrische gegevens die worden beschreven in Verordening (EG) nr. 2252/2004 aan personen aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend die geen nationaal paspoort kunnen verkrijgen of dat niet kunnen verlengen. Die reisdocumenten zijn meer dan één jaar geldig.
3.  
Bij de uitoefening van hun verplichtingen uit hoofde van de leden 1 en 2 van dit artikel verstrekken de bevoegde autoriteiten van lidstaten die niet deelnemen aan het Schengenacquis personen aan wie de vluchtelingenstatus is verleend reisdocumenten in de in de bijlage bij het Verdrag van Genève vermelde vorm en die voldoen aan minimumnormen inzake veiligheidskenmerken en biometrische gegevens die gelijkwaardig zijn aan die welke worden beschreven in Verordening (EG) nr. 2252/2004, rekening houdend met de specificaties van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, met name die welke zijn uiteengezet in document nr. 9303 betreffende machineleesbare reisdocumenten.

Bij de uitoefening van hun verplichtingen uit hoofde van de leden 1 en 2 van dit artikel verstrekken de bevoegde autoriteiten van lidstaten die niet deelnemen aan het Schengenacquis aan personen aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend die geen nationaal paspoort kunnen verkrijgen of dat niet kunnen verlengen, reisdocumenten die voldoen aan minimumnormen inzake veiligheidskenmerken en biometrische gegevens die gelijkwaardig zijn aan die welke worden beschreven in Verordening (EG) nr. 2252/2004, rekening houdend met de specificaties van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, met name die welke zijn uiteengezet in document nr. 9303 betreffende machineleesbare reisdocumenten.

Artikel 26

Vrij verkeer binnen de lidstaat

▼C1

Personen die internationale bescherming genieten, genieten het recht van vrij verkeer binnen het grondgebied van de lidstaat die internationale bescherming verleent, met inbegrip van het recht hun verblijfsplaats op dat grondgebied vrij te kiezen, onder dezelfde voorwaarden en beperkingen als die welke gelden voor andere onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van die lidstaat verblijven en zich over het algemeen in dezelfde omstandigheden bevinden.

▼B

Artikel 27

Verkeer binnen de Unie

Personen die internationale bescherming genieten, hebben niet het recht te verblijven in een andere lidstaat dan de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend. Dit doet geen afbreuk aan hun recht:

a) 

te verzoeken om verblijf in een andere lidstaat en hiervoor toestemming te krijgen overeenkomstig het nationaal recht van die lidstaat of overeenkomstig de relevante bepalingen van het Unierecht of internationale overeenkomsten;

b) 

zich vrij te verplaatsen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 21 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.

AFDELING III

Rechten in verband met integratie

Artikel 28

Toegang tot werk

1.  
Personen die internationale bescherming genieten, hebben het recht om onmiddellijk nadat hun deze bescherming is verleend, een beroepsactiviteit als werknemer of zelfstandige op te nemen, waarbij de algemene voorschriften die gelden voor het beroep in kwestie of de overheidsdienst moeten worden nageleefd.
2.  

Personen die internationale bescherming genieten, worden gelijk behandeld met onderdanen van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend, wat betreft:

a) 

tewerkstellingsvoorwaarden, zoals de minimumleeftijd om te werken, en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van salaris en ontslag, werktijden, verlof en vakantie, en de voorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het werk;

b) 

vrijheid van vereniging en aansluiting bij of participatie in een werkgevers- of werknemersorganisatie of een andere organisatie waarvan de leden een bepaald beroep uitoefenen, met inbegrip van de door dergelijke organisaties verschafte rechten en voordelen;

c) 

arbeidsmarktgericht onderwijsaanbod voor volwassenen, beroepsopleiding, met inbegrip van bijscholing en praktische werkervaring op de arbeidsplaats;

d) 

door arbeidsbureaus verstrekte informatie- en adviesdiensten.

3.  
De bevoegde autoriteiten faciliteren waar nodig de volledige toegang tot de activiteiten als bedoeld in lid 2, punten c) en d).

Artikel 29

Toegang tot onderwijs

1.  
Minderjarigen aan wie internationale bescherming is verleend, worden wat toegang tot het onderwijsstelsel betreft, gelijk behandeld met onderdanen van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend.

Personen die internationale bescherming genieten, behouden wat het voltooien van het middelbaar onderwijs betreft, het recht op gelijke behandeling met onderdanen van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend, ongeacht of zij al dan niet meerderjarig zijn.

2.  
Volwassenen aan wie internationale bescherming is verleend, worden wat toegang tot het algemene onderwijsstelsel, voortgezette opleidingsvoorzieningen en om- en herscholing betreft, gelijk behandeld met onderdanen van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend.

Niettegenstaande de eerste alinea kunnen de bevoegde instanties beurzen en leningen weigeren aan volwassenen aan wie internationale bescherming is verleend, indien het nationale recht in die mogelijkheid voorziet.

Artikel 30

Toegang tot procedures voor de erkenning van kwalificaties en validering van vaardigheden

1.  
Personen die internationale bescherming genieten, worden in de context van de bestaande procedures voor de erkenning van buitenlandse diploma’s, getuigschriften en andere bewijzen van officiële kwalificaties gelijk behandeld met onderdanen van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend.
2.  
Onverminderd artikel 2, lid 2, en artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) faciliteren de bevoegde autoriteiten de volledige toegang tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde procedures voor personen die internationale bescherming genieten en die geen bewijsstukken van hun kwalificaties kunnen overleggen.
3.  
Personen die internationale bescherming genieten, worden inzake toegang tot passende regelingen voor de beoordeling, validering en erkenning van hun eerdere leerresultaten en ervaring gelijk behandeld met onderdanen van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend.

Artikel 31

Sociale zekerheid en sociale bijstand

1.  
Personen die internationale bescherming genieten, worden met betrekking tot sociale zekerheid en sociale bijstand gelijk behandeld met onderdanen van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend.

Aan de toegang tot bepaalde in het nationale recht vastgestelde vormen van sociale bijstand kan de voorwaarde worden verbonden dat de persoon die internationale bescherming geniet, daadwerkelijk deelneemt aan integratiemaatregelen, indien deelname aan dergelijke maatregelen verplicht is en mits zij toegankelijk en gratis zijn.

2.  
Niettegenstaande lid 1 kan de gelijke behandeling op het gebied van sociale bijstand voor personen aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend worden beperkt tot de meest fundamentele prestaties indien het nationale recht in die mogelijkheid voorziet.

De meest fundamentele prestaties omvatten ten minste het volgende:

a) 

minimale inkomenssteun;

b) 

bijstand bij ziekte of zwangerschap;

c) 

hulpverlening aan ouders, met inbegrip van hulpverlening bij kinderopvang; en

d) 

huisvestingstoelagen, voor zover deze toelagen op grond van het nationale recht aan onderdanen van de betrokken lidstaat worden toegekend.

Artikel 32

Gezondheidszorg

1.  
Personen die internationale bescherming genieten, hebben toegang tot gezondheidszorg onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de onderdanen van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend.
2.  
Personen die internationale bescherming genieten en bijzondere behoeften hebben, zoals zwangere vrouwen, personen met een handicap, personen die foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan of minderjarigen die het slachtoffer zijn geweest van enige vorm van mishandeling, verwaarlozing, uitbuiting, foltering, of wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of die onder een gewapend conflict hebben geleden, krijgen passende gezondheidszorg, met inbegrip van de behandeling van geestesziekten waar nodig, onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor onderdanen van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend.

Artikel 33

Niet-begeleide minderjarigen

1.  
Zo spoedig mogelijk nadat aan een niet-begeleide minderjarige internationale bescherming is verleend, nemen de bevoegde autoriteiten de nodige maatregelen, uit hoofde van het nationale recht, om een voogd aan te wijzen.

De bevoegde autoriteiten kunnen dezelfde persoon als de vertegenwoordiger uit hoofde van artikel 23, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2024/1348 of uit hoofde van artikel 27, lid 1, punt b), van Richtlijn (EU) 2024/1346 aangewezen houden om als voogd op te treden, zonder dat een officiële aanwijzing nodig is.

Vertegenwoordigers als bedoeld in artikel 23, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2024/1348 of artikel 27, lid 1, punt b), van de Richtlijn (EU) 2024/1346 blijven verantwoordelijk voor niet-begeleide minderjarigen totdat een voogd is aangewezen.

Organisaties of natuurlijke personen waarvan de belangen met het belang van de niet-begeleide minderjarige in conflict komen of zouden kunnen komen, komen niet in aanmerking om als voogd van die minderjarige te worden aangewezen.

Wanneer een organisatie als voogd is aangewezen, wijst deze zo spoedig mogelijk een natuurlijke persoon aan die bevoegd is om ten aanzien van de niet-begeleide minderjarige de taak van voogd uit te voeren overeenkomstig deze verordening.

2.  

Voor de toepassing van deze verordening en ter waarborging van de belangen van het kind en het algemeen welzijn van de niet-begeleide minderjarige:

a) 

ziet de voogd erop toe dat de niet-begeleide minderjarige toegang heeft tot alle rechten die uit deze verordening voortvloeien;

b) 

staat de voogd de niet-begeleide minderjarige bij en vertegenwoordigt hij of zij deze in voorkomend geval, indien de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus van de niet-begeleide minderjarige wordt ingetrokken, en

c) 

helpt de voogd in voorkomend geval bij het opsporen van het gezin als bedoeld in lid 7.

De voogd:

a) 

heeft de nodige deskundigheid en krijgt passende initiële en voortgezette opleiding over de rechten en behoeften van niet-begeleide minderjarigen, met inbegrip van opleiding over de toepasselijke normen voor kinderbescherming;

b) 

is gebonden aan de in het nationale recht bepaalde geheimhoudingsregels ten aanzien van alle informatie welke hij of zij tijdens zijn of haar werk verkrijgt;

c) 

heeft geen aantoonbare antecedenten van strafbare feiten in verband met kinderen noch van strafbare feiten die ernstige twijfel doen ontstaan over zijn of haar vermogen om verantwoordelijkheid voor kinderen te dragen.

3.  
De bevoegde autoriteiten wijzen elke voogd aan als vertegenwoordiger van een evenredig en voldoende beperkt aantal niet-begeleide minderjarigen om ervoor te zorgen dat voogden hun taken doeltreffend kunnen verrichten en dat niet-begeleide minderjarigen doeltreffende toegang hebben tot hun rechten en voordelen.
4.  
Overeenkomstig het nationaal recht zorgen de lidstaten ervoor dat er entiteiten, waaronder gerechtelijke instanties, of personen zijn die verantwoordelijk zijn voor de permanente supervisie en monitoring van voogden, om ervoor te zorgen dat zij hun taken op bevredigende wijze vervullen.

De in de eerste alinea bedoelde entiteiten en personen beoordelen de prestaties van voogden, met name wanneer er aanwijzingen zijn dat voogden hun taken niet op bevredigende wijze vervullen. Deze entiteiten en personen onderzoeken onverwijld klachten die door niet-begeleide minderjarigen tegen hun voogden worden ingediend.

Zo nodig vervangen de bevoegde autoriteiten een persoon die als voogd optreedt, met name wanneer zij van mening zijn dat die persoon zijn of haar taken niet naar behoren heeft vervuld.

De bevoegde autoriteiten leggen aan niet-begeleide minderjarigen op een aan hun leeftijd aangepaste en voor hen begrijpelijke wijze uit hoe zij vertrouwelijk en veilig een klacht tegen hun voogden kunnen indienen.

5.  

Rekening houdend met de belangen van het kind plaatsen de bevoegde autoriteiten niet-begeleide minderjarigen:

a) 

bij een volwassen bloedverwant;

b) 

in een pleeggezin;

c) 

in speciale centra voor minderjarigen, of

d) 

in andere huisvesting die geschikt is voor minderjarigen.

Niet-begeleide minderjarigen krijgen inspraak in overeenstemming met hun leeftijd en maturiteit.

6.  
Voor zover mogelijk worden broers en zussen bij elkaar gehuisvest, rekening houdend met het belang van de betrokken niet-begeleide minderjarigen en in het bijzonder met hun leeftijd en maturiteit. Veranderingen in de verblijfplaats van niet-begeleide minderjarigen worden tot een minimum beperkt.
7.  
Indien al met het opsporen van gezinsleden van een niet-begeleide minderjarige werd begonnen voordat aan die minderjarige internationale bescherming werd verleend, wordt dat na de verlening van internationale bescherming voortgezet. Indien nog niet met het opsporen van gezinsleden is begonnen, wordt daarmee zo snel mogelijk na het verlenen van de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus begonnen, mits dat in het belang van de minderjarige is.

Indien er gevaar bestaat voor het leven of de integriteit van de minderjarige of zijn of haar naaste familieleden, met name indien zij in het land van herkomst zijn achtergebleven, wordt bij het verzamelen, verwerken en verspreiden van gegevens over die personen de vertrouwelijkheid gewaarborgd opdat hun veiligheid niet in gevaar wordt gebracht.

Artikel 34

Toegang tot huisvesting

1.  
Personen die internationale bescherming genieten, hebben toegang tot huisvesting onder voorwaarden die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op andere onderdanen van derde landen die legaal verblijven op het grondgebied van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend en zich over het algemeen in dezelfde omstandigheden bevinden.
2.  
De nationale praktijken van spreiding van personen die internationale bescherming genieten, zorgen ervoor dat personen die internationale bescherming genieten, gelijk worden behandeld tenzij het verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is. Die nationale praktijken garanderen gelijke kansen wat toegang tot huisvesting betreft.

Artikel 35

Toegang tot integratiemaatregelen

1.  
Om hun integratie in de samenleving van de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend, te bevorderen en te vergemakkelijken, krijgen personen die internationale bescherming genieten, toegang tot integratiemaatregelen die door de lidstaat worden aangeboden of gefaciliteerd — waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke behoeften — en die door de bevoegde autoriteiten passend worden geacht, met name taalcursussen, inburgeringscursussen, integratieprogramma’s en beroepsopleiding.
2.  
Personen die internationale bescherming genieten, nemen deel aan integratiemaatregelen wanneer deelname verplicht is gesteld door de lidstaat die hun internationale bescherming heeft verleend. Die integratiemaatregelen zijn toegankelijk en gratis.
3.  
In afwijking van lid 2 van dit artikel en onverminderd artikel 31, lid 1, tweede alinea, mogen de lidstaten voor bepaalde verplichte integratiemaatregelen een vergoeding vragen indien de persoon die internationale bescherming geniet over voldoende middelen beschikt en de kosten geen onevenredige last voor hem of haar betekenen.
4.  
De bevoegde autoriteiten passen geen sancties toe ten aanzien van personen die internationale bescherming genieten als zij door overmacht niet kunnen deelnemen aan integratiemaatregelen.

Artikel 36

Repatriëring

De lidstaten kunnen bijstand verlenen aan personen die internationale bescherming genieten en gerepatrieerd wensen te worden.

HOOFDSTUK VIII

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 37

Samenwerking

Elke lidstaat wijst voor de toepassing van deze verordening een nationaal contactpunt aan en deelt het adres daarvan mee aan de Commissie. De Commissie stelt de andere lidstaten van die informatie in kennis.

De lidstaten nemen in overleg met de Commissie alle passende maatregelen om een rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten tot stand te brengen.

Artikel 38

Personeel

De autoriteiten en andere organisaties die deze verordening uitvoeren, hebben de nodige opleiding ontvangen of zullen deze ontvangen, en zijn overeenkomstig het nationale recht gebonden aan geheimhouding wat betreft persoonlijke informatie die zij bij de uitvoering van hun taken verkrijgen.

HOOFDSTUK IX

SLOTBEPALINGEN

Artikel 39

Toezicht en evaluatie

De Commissie brengt uiterlijk op 13 juni 2028 en vervolgens om de vijf jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordening in de lidstaten en stelt zo nodig wijzigingen voor.

Uiterlijk negen maanden vóór het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde termijn verstrekken de lidstaten de Commissie alle informatie die relevant is voor het opstellen van het in die alinea bedoelde verslag.

Artikel 40

Wijzigingen van Richtlijn 2003/109/EG

Richtlijn 2003/109/EG wordt als volgt gewijzigd:

1) 

In artikel 4, lid 2, wordt de derde alinea vervangen door:

“Voor personen aan wie internationale bescherming is verleend, wordt de periode tussen de datum van indiening van het verzoek om internationale bescherming op grond waarvan die internationale bescherming werd verleend en de datum waarop de in artikel 24 van Verordening (EU) 2024/1347 ( *1 ) bedoelde verblijfstitel werd afgegeven, in aanmerking genomen bij de berekening van de in lid 1 bedoelde periode.

2) 

In artikel 4 wordt het volgende lid ingevoegd:

“3 bis.  
Wanneer een persoon die internationale bescherming geniet, wordt aangetroffen in een andere lidstaat dan die welke internationale bescherming heeft verleend, zonder dat deze persoon het recht heeft daar te wonen of te verblijven overeenkomstig het relevante nationale, Unie- of internationale recht, wordt de periode van legaal verblijf in de lidstaat die internationale bescherming heeft verleend voorafgaand aan die situatie niet in aanmerking genomen voor het berekenen van de in lid 1 bedoelde periode.

In afwijking van de eerste alinea, met name wanneer de persoon die internationale bescherming geniet, aantoont dat de reden om daar te verblijven of te wonen zonder dat die persoon het recht had zulks te doen, te wijten was aan omstandigheden die aan zijn of haar controle ontsnapten, kunnen de lidstaten overeenkomstig hun nationaal recht bepalen dat de berekening van de in lid 1 bedoelde periode niet wordt onderbroken.”.

3) 

In artikel 26 wordt de eerste alinea vervangen door:

“De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 23 januari 2006 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 12 juni 2026 aan artikel 4, lid 2, derde alinea, en lid 3 bis, te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.”.

Artikel 41

Intrekking

Richtlijn 2011/95/EU wordt met ingang van 12 juni 2026 ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Voor zover Richtlijn 2004/83/EG van de Raad ( 3 ) bindend is gebleven voor niet door Richtlijn 2011/95/EU gebonden lidstaten, wordt Richtlijn 2004/83/EG ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening voor die lidstaten bindend is. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 42

Inwerkingtreding en toepasselijkheid

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

▼C1

Deze verordening is van toepassing met ingang van 12 juni 2026.

▼B

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.




BIJLAGE I

Informatie die moet worden verstrekt aan personen die internationale bescherming genieten

Zo spoedig mogelijk nadat internationale bescherming is verleend, wordt aan personen die internationale bescherming genieten, ten minste de volgende informatie verstrekt over de rechten en plichten in verband met hun vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus. Indien nodig mag de informatie worden verstrekt door verschillende autoriteiten, dienstverleners of relevante contactpunten.

I. Informatie over rechten en plichten in verband met woonplaats en verblijf:

a) 

recht op een verblijfstitel voor personen die internationale bescherming genieten (artikel 24):

— 
hoe en waar een verblijfstitel kan worden aangevraagd en informatie over de bevoegde autoriteit of een relevant contactpunt;
b) 

recht op een verblijfstitel voor gezinsleden van personen die internationale bescherming genieten (artikel 23):

— 
hoe en waar een verblijfstitel kan worden aangevraagd en informatie over de bevoegde autoriteit of een relevant contactpunt;
— 
informatie over de rechten van gezinsleden aan wie een verblijfstitel is afgegeven;
c) 

recht om een reisdocument aan te vragen (artikel 25):

— 
hoe en waar een reisdocument kan worden aangevraagd en informatie over de bevoegde autoriteit of een relevant contactpunt;
d) 

recht op vrij verkeer binnen de lidstaat en eventuele beperkingen van dat verkeer (artikel 26):

— 
indien van toepassing, de verplichting om zich in een bepaalde gemeente te vestigen of in te schrijven en informatie over de bevoegde autoriteit of een relevant contactpunt;
e) 

recht op vrij verkeer binnen de Unie (artikel 27):

— 
de verplichting om te verblijven in de lidstaat die internationale bescherming heeft verleend;
— 
het recht om binnen het Schengengebied te reizen en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht als nader bepaald in artikel 21 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, en het recht te verzoeken om verblijf in een andere lidstaat en hiervoor toestemming te krijgen op grond van het nationale recht van die lidstaat of op grond van relevante bepalingen van het Unierecht of van internationale overeenkomsten;
— 
mogelijke sancties met betrekking tot de berekening van jaren overeenkomstig Richtlijn 2003/109/EG en de terugnameprocedure overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1351 indien de persoon die internationale bescherming geniet de betreffende regels niet naleeft en in strijd met de Schengenuitvoeringsovereenkomst zonder toestemming langer blijft dan toegestaan of zonder toestemming in een andere lidstaat blijft of verblijft.

II. Informatie over rechten in verband met integratie:

a) 

recht op toegang tot werk (artikel 28):

— 
administratieve vereisten voor de toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige;
— 
indien van toepassing, de beperkingen in verband met werken in overheidsdienst;
— 
het bevoegde arbeidsbureau of het relevante contactpunt voor aanvullende informatie;
b) 

recht op toegang tot onderwijs voor minderjarigen (artikel 29, lid 1)

— 
minimumleeftijd voor leerplicht;
— 
indien van toepassing, administratieve vereisten voor toegang tot het onderwijsstelsel;
c) 

recht op toegang tot het algemene onderwijsstelsel voor volwassenen (artikel 29, lid 2):

— 
de vereisten, waaronder administratieve vereisten, voor toegang tot het algemene onderwijsstelsel;
d) 

recht op toegang tot procedures voor de erkenning van kwalificaties en validering van vaardigheden (artikel 30):

— 
de bevoegde nationale autoriteiten of relevante contactpunten voor informatieverstrekking over gereglementeerde beroepen die pas na de formele erkenning van kwalificaties mogen worden uitgeoefend en de administratieve procedures die voor die erkenning moeten worden gevolgd;
e) 

informatie over passende regelingen voor de beoordeling, validering en erkenning van eerdere leerresultaten en ervaring (artikel 30, lid 3):

— 
indien van toepassing, informatie over dergelijke regelingen en een relevant contactpunt voor nadere informatie;
f) 

recht op gelijke behandeling met eigen onderdanen wat sociale zekerheid betreft (artikel 31)

— 
een relevant contactpunt voor nadere informatie;
g) 

recht op sociale bijstand (artikel 31):

— 
in voorkomend geval, de lijst van prestaties die niet worden verstrekt aan personen die subsidiaire bescherming genieten;
— 
een relevant contactpunt voor nadere informatie;
h) 

recht op gezondheidszorg onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen (artikel 32):

— 
algemene informatie over de voorwaarden voor toegang tot gezondheidszorg;
— 
indien van toepassing, een contactpunt voor diensten die beschikbaar zijn voor slachtoffers van misbruik, uitbuiting, foltering of wrede, onmenselijke en onterende behandeling;
i) 

recht op toegang tot huisvesting onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op andere onderdanen van derde landen die legaal in de lidstaat verblijven (artikel 34):

— 
indien van toepassing, basisinformatie over beschikbare socialehuisvestingsregelingen;
— 
indien van toepassing, woonplaatsvereisten in het kader van spreidingspraktijken;
— 
een bevoegde autoriteit of een relevant contactpunt voor nadere informatie;
j) 

recht op toegang tot passend geachte integratiemaatregelen, waaraan deelname in voorkomend geval verplicht is (artikel 35):

— 
indien van toepassing, informatie over verplichte integratiemaatregelen;
— 
een relevant contactpunt voor nadere informatie.

III. Informatie over specifieke rechten voor niet-begeleide minderjarigen (artikel 33):

— 
informatie over het recht op een voogd en de plichten van de voogd;
— 
nadere informatie over het indienen van een klacht tegen een voogd.




BIJLAGE II

Concordantietabel



Richtlijn 2011/95/EU

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, punt a)

Artikel 3, punt 3)

Artikel 2, punt b)

Artikel 3, punt 4)

Artikel 2, punt c)

—

Artikel 2, punt d)

Artikel 3, punt 5)

Artikel 2, punt e)

Artikel 3, punt 1)

Artikel 2, punt f)

Artikel 3, punt 6)

Artikel 2, punt g)

Artikel 3, punt 2)

Artikel 2, punt h)

Artikel 3, punt 7)

Artikel 2, punt i)

Artikel 3, punt 8)

Artikel 2, punt j), aanhef

Artikel 3, punt 9), aanhef

Artikel 2, punt j), eerste streepje

Artikel 3, punt 9), a)

Artikel 2, punt j), tweede streepje

Artikel 3, punt 9), b)

Artikel 2, punt j), derde streepje

Artikel 3, punt 9), c)

Artikel 2, punt k)

Artikel 3, punt 10)

Artikel 2, punt l)

Artikel 3, punt 11)

Artikel 2, punt m)

Artikel 3, punt 12)

Artikel 2, punt n)

Artikel 3, punt 13)

—

Artikel 3, punten 14), 15), 16), 17) en 18)

Artikel 3

—

Artikel 4, leden 1 en 2

Artikel 4, leden 1 en 2

—

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 3, punten a) tot en met e)

– ()

Artikel 4, leden 4 en 5

Artikel 4, leden 4 en 5

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 1

—

Artikel 8, leden 2 en 3

Artikel 8, lid 2

Artikel 8, lid 4

—

Artikel 8, leden 5 en 6

Artikel 9

Artikel 9

Artikel 10, leden 1 en 2

Artikel 10, leden 1 en 2

—

Artikel 10, lid 3

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 1, eerste alinea

Artikel 11, lid 2

Artikel 11, lid 2, punten a) en b)

Artikel 11, lid 3

—

Artikel 12, lid 1

Artikel 12, lid 1

Artikel 12, lid 2, punten a), b) en c)

Artikel 12, lid 2, punten a), b) en c)

Artikel 12, lid 3

Artikel 12, lid 3

—

Artikel 12, leden 4 en 5

Artikel 13

Artikel 13

Artikel 14, lid 1

Artikel 14, lid 1, punt a)

Artikel 14, lid 2

Artikel 14, lid 4

Artikel 14, lid 3, punt a)

Artikel 14, lid 1, punt b)

Artikel 14, lid 3, punt b)

Artikel 14, lid 1, punt c)

Artikel 14, lid 4, punt a)

Artikel 14, lid 1, punt d)

Artikel 14, lid 4, punt b)

Artikel 14, lid 1, punt e)

Artikel 14, lid 5

Artikel 14, lid 2

Artikel 14, lid 6

Artikel 14, lid 3

—

Artikel 14, lid 4

Artikel 15

Artikel 15

Artikel 16, lid 1

Artikel 16, lid 1

Artikel 16, lid 2

Artikel 16, lid 2, punten a) en b)

Artikel 16, lid 3

Artikel 16, lid 3

Artikel 17, lid 1, punten a), b), c) en d)

Artikel 17, lid 1, punten a), b), c) en d)

Artikel 17, lid 2

Artikel 17, lid 2

Artikel 17, lid 3

Artikel 17, lid 3

—

Artikel 17, leden 4 en 5

Artikel 18

Artikel 18

Artikel 19, lid 1

Artikel 19, lid 1, punt a)

Artikel 19, lid 2

Artikel 19, lid 1, punt b)

Artikel 19, lid 3, punt a)

Artikel 19, lid 1, punt b)

Artikel 19, lid 3, punt b)

Artikel 19, lid 1, punt c)

Artikel 19, lid 4

Artikel 19, lid 2

Artikel 21

Artikel 21

Artikel 20, lid 1

Artikel 20, lid 1

Artikel 22

Artikel 20, lid 2

Artikel 20, lid 3

Artikel 20, lid 4

Artikel 20, lid 4

Artikel 20, lid 4

Artikel 20, lid 5

Artikel 20, lid 5

Artikel 21, lid 1

Artikel 21

Artikel 21, lid 2

—

Artikel 21, lid 3

—

Artikel 22

Artikel 22

Artikel 23, lid 1

—

Artikel 23, lid 2

Artikel 23, leden 1 en 4

—

Artikel 23, lid 2

Artikel 23, lid 3

Artikel 23, lid 3

Artikel 23, lid 4

Artikel 23, lid 5

Artikel 23, lid 5

Artikel 23, lid 7

Artikel 24, lid 1, eerste alinea

Artikel 24, lid 2

Artikel 24, lid 2

Artikel 26, lid 4, tweede alinea

Artikel 25

Artikel 25

Artikel 26, lid 1

Artikel 28, lid 1

Artikel 26, lid 2

Artikel 28, lid 2, punten c) en d)

Artikel 26, lid 3

Artikel 28, lid 3

Artikel 26, lid 4

Artikel 31

Artikel 27

Artikel 29

Artikel 28, leden 1 en 2

Artikel 30, leden 1 en 2

—

Artikel 30, lid 3

Artikel 29, lid 1

Artikel 31, lid 1, eerste alinea

—

Artikel 31, lid 1, tweede alinea

Artikel 29, lid 2

Artikel 31, lid 2

Artikel 30

Artikel 32

Artikel 31, lid 1

Artikel 33, lid 1, eerste alinea

—

Artikel 33, lid 1, tweede alinea

Artikel 31, leden 2, 3, 4, 5, en 6

Artikel 33, leden 2, 3, 4, 5, 6, en 7

Artikel 32

Artikel 34

Artikel 33

Artikel 26

Artikel 34

Artikel 35, lid 1

—

Artikel 35, lid 2

Artikel 35

Artikel 36

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 37

Artikel 38

Artikel 38

Artikel 39

Artikel 39

—

—

Artikel 40

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 42

—

(1)   

Zie artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) 2024/1348.



( ) Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

( ) Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).

( *1 ) Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L, 2024/1347, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1347/oj).”.

( ) Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12).

Top