EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52021PC0851

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van Richtlijn 2008/99/EC

COM/2021/851 final

Brussel, 15.12.2021

COM(2021) 851 final

2021/0422(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van Richtlijn 2008/99/EC

{SEC(2021) 428 final} - {SWD(2021) 465 final} - {SWD(2021) 466 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

De huidige EU-wetgeving die voorziet in gemeenschappelijke minimumvoorschriften voor de strafbaarstelling van milieucriminaliteit is Richtlijn 2008/99/EG inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht.

De Commissie heeft de richtlijn in 2019/2020 geëvalueerd en haar bevindingen in oktober 2020 bekendgemaakt 1 . Zij stelde vast dat de richtlijn in de praktijk niet veel effect heeft gesorteerd: in de afgelopen tien jaar is het aantal met succes onderzochte en veroordeelde gevallen van milieucriminaliteit zeer laag gebleven. Bovendien waren de opgelegde sancties te laag om afschrikkend te werken en vond er geen systematische grensoverschrijdende samenwerking plaats.

Uit de evaluatie is gebleken dat er in alle lidstaten en op alle niveaus van de handhavingsketen (politie, openbaar ministerie en strafrechtbanken) aanzienlijke leemten in de handhaving bestaan. Ook werden in de lidstaten tekortkomingen geconstateerd op het gebied van middelen, gespecialiseerde kennis, bewustzijn, prioritering, samenwerking en informatie-uitwisseling, en werd geconstateerd dat er geen overkoepelende nationale strategieën ter bestrijding van milieucriminaliteit waren waarbij alle niveaus van de handhavingsketen en een multidisciplinaire aanpak betrokken waren 2 . Bovendien wordt de doeltreffendheid vaak belemmerd door het gebrek aan coördinatie tussen administratieve en strafrechtelijke handhaving en sanctionering.

Ook werd opgemerkt dat het ontbreken van betrouwbare, nauwkeurige en volledige statistische gegevens over de procedures inzake milieucriminaliteit in de lidstaten niet alleen een belemmering vormt voor de evaluatie door de Commissie, maar ook de nationale beleidsmakers en professionals in het veld belet de doeltreffendheid van hun maatregelen te controleren.

Op basis van de bevindingen van de evaluatie heeft de Commissie besloten de richtlijn te herzien. Volgens het werkprogramma van de Commissie voor 2021 zou in december 2021 een wetgevingsvoorstel voor de herziening van de richtlijn 3 worden ingediend.

Het voorstel is om Richtlijn 2008/99/EG door dit wetgevingsvoorstel te vervangen. Dit voorstel gaat vergezeld van een mededeling 4 waarin de beleidsdoelstellingen worden toegelicht. Om de vastgestelde problemen aan te pakken, bevat het voorstel zes doelstellingen.

1.Verbetering van de doeltreffendheid van onderzoek en vervolging door het toepassingsgebied van de richtlijn aan te passen.

2.Verbetering van de doeltreffendheid van onderzoek en vervolging door vage termen in de definities van milieucriminaliteit te verduidelijken of te schrappen.

3.Zorgen voor doeltreffende, afschrikkende en evenredige soorten en niveaus van sancties voor milieucriminaliteit.

4.Bevordering van grensoverschrijdende opsporing en vervolging.

5.Verbetering van gefundeerde besluitvorming over milieucriminaliteit door een betere verzameling en verspreiding van statistische gegevens.

6.Verbetering van de operationele doeltreffendheid van de nationale handhavingsketens om onderzoek, vervolging en sancties te bevorderen.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De doelstellingen van dit voorstel zijn in overeenstemming met de volgende beleids- en wetgevingsbepalingen:

·Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten

·Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie

·Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken

·Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties

·Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures

·Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten

·Verordening (EU) nr. 2016/794 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol)

·Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM)

·Verordening (Euratom) nr. 883/2013 van de Raad betreffende de door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) verrichte onderzoeken

·Richtlijn (EU) 2017/1371 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt

·Richtlijn (EU) 2019/1937 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden.

Samenhang met ander beleid van de EU

Het strafrecht is een onderdeel van een alomvattende EU-strategie ter bescherming en verbetering van de toestand van het milieu, een prioriteit voor de Europese Commissie. In de Green Deal-mededeling en de biodiversiteitsstrategie wordt een hele reeks milieubeschermingsmaatregelen uiteengezet die elkaar versterken en beïnvloeden, waardoor ze in een holistische aanpak worden samengebracht. Strafrechtelijke maatregelen zijn een laatste redmiddel wanneer andere maatregelen niet hebben volstaan om naleving te waarborgen. Ecologische indicatoren over bijvoorbeeld de mate van luchtverontreiniging of de biodiversiteit zouden dus de doeltreffendheid van de algemene strategie ter verbetering van het milieu meten, en niet alleen de doeltreffendheid van de nieuwe aanpak van milieucriminaliteit.

Voorts maken de evaluatie en herziening van de richtlijn in de EU-strategie voor de veiligheidsunie en de EU-strategie voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit (2021–2025) deel uit van de kernacties ter bestrijding van milieucriminaliteit.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag voor de voorgestelde richtlijn is artikel 83, lid 2, van het VWEU. Artikel 83, lid 2, van het VWEU bepaalt dat de EU bevoegd is om minimumvoorschriften vast te stellen met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en sancties op EU-beleidsterreinen waarvoor harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, indien dat nodig is voor een doeltreffende handhaving:

“Indien onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij richtlijnen minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel 76 worden deze richtlijnen vastgesteld volgens de gewone of een bijzondere wetgevingsprocedure die gelijk is aan de procedure voor de vaststelling van de betrokken harmonisatiemaatregelen.”

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid) 

Criminele activiteiten die verband houden met het milieu, hebben vaak een grensoverschrijdende dimensie, terwijl sommige milieudelicten gewoonlijk gevolgen hebben voor meerdere landen (bijvoorbeeld de illegale handel in afvalstoffen, beschermde soorten of producten van in het wild levende dieren, zie deel 1 — Inleiding) of grensoverschrijdende effecten hebben (bijvoorbeeld in het geval van grensoverschrijdende verontreiniging van lucht, water en bodem) 5 . Grensoverschrijdende samenwerking tussen justitiële en rechtshandhavingsinstanties is daarom essentieel.

Met de bestaande richtlijn werd beoogd een geharmoniseerd rechtskader voor strafbare feiten tot stand te brengen om grensoverschrijdende samenwerking te vergemakkelijken. Zoals in het evaluatieverslag wordt uiteengezet, hebben de lidstaten, ondanks de vooruitgang die is geboekt bij het opstellen van een gemeenschappelijke reeks definities van milieucriminaliteit voor de hele EU en het opleggen van afschrikwekkender sancties, hun respectieve opvattingen over milieucriminaliteit niet met elkaar in overeenstemming gebracht binnen de manoeuvreerruimte die de richtlijn biedt. Evenzo verhinderen de ontoereikende sanctieniveaus in een aantal lidstaten dat in de hele EU gelijke voorwaarden gelden en dat instrumenten inzake wederzijdse erkenning (zoals het Europees aanhoudingsbevel en het Europees onderzoeksbevel) worden toegepast.

Er is een groeiende kloof tussen de strafrechtelijke reactie op milieucriminaliteit en de criminologische situatie ter plaatse. Ondanks de huidige richtlijn is het aantal grensoverschrijdende onderzoeken en veroordelingen in de EU voor milieucriminaliteit niet wezenlijk toegenomen. Ondertussen neemt de milieucriminaliteit wereldwijd jaarlijks met 5 % tot 7 % toe 6 , wat blijvende schade toebrengt aan leefomgevingen, soorten, de volksgezondheid en de inkomsten van regeringen en bedrijven.

Evenredigheid

Overeenkomstig het in artikel 5, lid 4, van het VEU neergelegde evenredigheidsbeginsel blijft de voorgestelde herziening van Richtlijn 2008/99/EG beperkt tot wat nodig en evenredig is om de bestaande wetgeving inzake delicten op dit gebied aan te passen aan nieuwe dreigingen. Maatregelen inzake het gebruik van onderzoeksinstrumenten en de uitwisseling van informatie zijn alleen opgenomen voor zover dat nodig is voor een doeltreffende werking van het voorgestelde strafrechtelijke kader.

In het voorstel wordt het toepassingsgebied van de delicten gedefinieerd met het oogmerk alle relevante gedragingen te bestrijken, doch dit toepassingsgebied te beperken tot wat noodzakelijk en evenredig is. De nieuwe richtlijn bevat nieuwe categorieën milieudelicten, voor zover de onderliggende milieuwetgeving dit vereist. Zowel de delicten als de sancties blijven beperkt tot ernstige inbreuken op het milieurecht, waardoor de betrokken voorschriften evenredig zijn.

Keuze van het instrument

Overeenkomstig artikel 83, lid 2, van het VWEU kunnen minimumvoorschriften met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en sancties op EU-beleidsterreinen waarvoor harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, alleen worden vastgesteld door middel van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad die volgens de gewone wetgevingsprocedure is aangenomen.

Er is nog steeds behoefte aan strafrechtelijke sancties om te zorgen voor een doeltreffende uitvoering op de gebieden die onder de richtlijn milieucriminaliteit van 2008 vallen. Daarom stelt de Commissie voor de lijst van
delicten van artikel 3 van de richtlijn van 2008 over te nemen, met de nodige preciseringen en wijzigingen. Deze omvat: ernstige verontreinigingsdelicten; illegaal beheer en vervoer van afvalstoffen; de exploitatie van een bedrijf waar gevaarlijke activiteiten worden verricht of gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of gebruikt; delicten in verband met het vervaardigen, produceren, verwerken, hanteren, gebruiken, in bezit hebben, opslaan, vervoeren, invoeren, uitvoeren of verwijderen van radioactief materiaal; misdrijven tegen in het wild levende dieren, met inbegrip van het illegaal doden, vernietigen, bezitten of vangen van specimens van in het wild levende dier- en plantensoorten, de illegale handel in in het wild levende dieren en de aantasting van leefomgevingen; het illegaal produceren, op de markt afzetten, invoeren, uitvoeren, gebruiken, uitstoten of afgeven van ozonafbrekende stoffen.

De noodzaak om deze categorieën delicten te bestrijden met strafrechtelijke sancties is bevestigd in de conclusies van de Raad waarin de prioriteiten van de EU voor de bestrijding van ernstige en georganiseerde criminaliteit zijn vastgesteld voor het Europees multidisciplinair platform tegen criminaliteitsdreiging (Empact) (2022–2025) 7 .

Wat afvalcriminaliteit in het bijzonder betreft, wordt in het verslag van de EU-dreigingsevaluatie van de zware en georganiseerde criminaliteit van 2021 8 gesteld dat “beheer van afvalstoffen een lucratieve en zich snel ontwikkelende bedrijfstak is, die steeds meer criminelen aantrekt. Bij het merendeel van de gerapporteerde gevallen van illegale handel in afvalstoffen ging het om personen die als manager of werknemer werkzaam zijn bij afvalbeheerbedrijven of deze exploiteren, en die de nationale en internationale wetgeving en normen inzake de inzameling, verwerking en verwijdering van afvalstoffen overtreden om hun winst te maximaliseren. De meest succesvolle handelaars in afvalstoffen zijn zij die de hele verwerkingscyclus controleren, van bron- tot bestemmingsland. Criminelen die afvalstoffen tussen verschillende landen verhandelen, maken hoofdzakelijk gebruik van legale bedrijfsstructuren om afvalcriminaliteit te orkestreren. Vaak zijn meerdere bedrijven eigendom van dezelfde personen of van stromannen. De juridische bedrijfsstructuren veranderen vaak van leiding en worden vaak na een korte periode van activiteit beëindigd, wanneer een nieuwe handelsentiteit de onderneming overneemt. Bedrijven die verschillende stadia in de afvalcyclus doorlopen, zijn vaak in verschillende rechtsgebieden gevestigd. De handel in afvalstoffen is sterk verbonden met andere delicten zoals fraude met documenten, economische fraude, belastingontduiking, corruptie, witwassen van geld, alsook diefstal en het dumpen van afvalstoffen uit illegale drugsproductie”.

Daarnaast heeft de Commissie vastgesteld dat er behoefte is aan strafrechtelijke sancties om de doeltreffende uitvoering van het EU-beleid inzake milieubescherming te waarborgen, met betrekking tot de volgende categorieën delicten die momenteel niet onder de richtlijn vallen:

·het op de markt brengen van producten die, in strijd met de dwingende voorschriften, aanzienlijke schade toebrengen aan het milieu door het gebruik van het product op grotere schaal;

·ernstige inbreuken op de EU-wetgeving inzake chemische stoffen die aanzienlijke schade toebrengen aan het milieu of de volksgezondheid;

·illegale scheepsrecycling;

·illegale waterwinning;

·bronlozing van verontreinigende stoffen vanaf schepen (voorgesteld wordt deze categorie delicten over te nemen uit Richtlijn 2005/35/EG 9 , om het rechtskader te consolideren);

·illegale handel in hout;

·ernstige inbreuken op de voorschriften inzake de introductie en verspreiding van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten;

·ernstige omzeiling van de vereisten om een milieueffectbeoordeling uit te voeren;

·illegale productie, het op de markt brengen, invoeren, uitvoeren, gebruiken, uitstoten of afgeven van gefluoreerde broeikasgassen.

Deze gedragingen houden een potentieel hoog risico in voor de volksgezondheid en het milieu en kunnen leiden tot bijzonder ernstige negatieve gevolgen voor het milieu en de samenleving. Ondanks de feitelijk optredende en mogelijk schadelijke gevolgen is de handhaving van de desbetreffende voorschriften momenteel niet doeltreffend genoeg. De vaststelling van en het vertrouwen in administratieve sancties door de lidstaten is tot dusver ontoereikend gebleken om de naleving van de voorschriften inzake milieubescherming te waarborgen, hetgeen vraagt om krachtiger maatregelen ter voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit.

Wat bijvoorbeeld de EU-houtverordening 10 betreft, hebben alle lidstaten weliswaar sancties voor overtreders in hun nationale wetgeving opgenomen, maar verschillen de soorten sancties en de maximumniveaus aanzienlijk van lidstaat tot lidstaat: administratieve boetes en inbeslagnemingen kunnen worden opgelegd in 23 lidstaten, strafrechtelijke boetes in 16, gevangenisstraffen in 17, opschorting van de handel in 15 en andere soorten sancties in 11. De boetes voor inbreuken op de EU-houtverordening variëren van 50 euro tot een onbeperkt bedrag 11 . Deze discrepanties tussen de sanctieregelingen van de lidstaten die van toepassing zijn op overtreding van de EU-houtverordening en het feit dat de sancties in veel gevallen te laag worden geacht om echt een afschrikkend effect te hebben op illegaal gedrag, in combinatie met ongelijke handhaving in de EU, houden een risico van verlegging van het handelsverkeer in. Bovendien ondermijnen de verschillen tussen de sanctieregelingen en het gebrek aan uniforme uitvoering in de lidstaten het gelijke speelveld doordat de marktdeelnemers die de voorschriften strikt naleven, worden benadeeld. Dit kan worden aangepakt door een geharmoniseerde strafbaarstelling en door een onderlinge aanpassing van de sanctieniveaus in de hele EU in de richtlijn milieucriminaliteit.

Het is duidelijk dat administratieve sancties ontoereikend zijn in omstandigheden zoals die welke hebben geleid tot de moord op twee boswachters in één lidstaat, die problemen in verband met illegale houtkap hadden onderzocht. Het onderliggende patroon van houtgerelateerde overtredingen is van zo ernstige aard dat de autoriteiten moeten beschikken over strafrechtelijke middelen om ze aan te pakken. In verband met houtgerelateerde zaken had de Commissie een inbreukprocedure tegen die lidstaat ingeleid wegens het ontbreken van doeltreffende controles op marktdeelnemers en het niet opleggen van passende sancties. Intussen heeft deze lidstaat strafrechtelijke sancties ingevoerd voor specifieke gevallen van wangedrag waarvoor voorheen alleen administratieve sancties golden die ontoereikend waren om naleving te waarborgen.

De ernstige inbreuken op het verbod op het gebruik van manipulatievoorzieningen in motorvoertuigen die sinds 2015 aan het licht zijn gekomen, tonen aan dat zelfs grote, gevestigde bedrijven zich niet van inbreuken laten weerhouden als zij ervan uitgaan dat de enige handhaving van administratieve aard zal zijn.

Een ander voorbeeld betreft de illegale waterwinning die bijdraagt tot de ernstige uitputting van de watervoorraden, een probleem dat nog zal verergeren als gevolg van de klimaatverandering. In haar speciaal verslag 2021, “Duurzaam watergebruik in de landbouw: GLB-middelen eerder gericht op de bevordering van hoger dan efficiënter watergebruik”, documenteert de Rekenkamer de ondoeltreffendheid van administratieve maatregelen om overmatige wateronttrekking aan te pakken en benadrukt zij dat de controles onregelmatig zijn en de sancties niet zwaar genoeg om een doeltreffende uitvoering en naleving van de betrokken verplichtingen te waarborgen 12 . In het verslag wordt gewezen op de tekortkomingen in de sanctieregelingen in de afzonderlijke lidstaten 13 .

Voorts heeft een beperkt aantal lidstaten in het kader van de richtlijn milieueffectbeoordeling sancties voor projectontwikkelaars ingevoerd. Projectontwikkelaars worden bijvoorbeeld niet systematisch aangepakt wanneer zij nalaten een milieueffectbeoordeling voor een bepaald project uit te voeren of projecten uitvoeren voordat de desbetreffende procedures zijn afgerond of zonder de juiste vergunningen. Inbreuken op deze verplichtingen kunnen leiden tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu, terwijl de bestaande sancties dergelijke inbreuken onvoldoende ontmoedigen.

Het is van essentieel belang dat de naleving van de EU-voorschriften inzake activiteiten met gevolgen voor het milieu en inzake milieugevoelige goederen wordt versterkt door de beschikbaarheid van strafrechtelijke sancties, die een sterkere vorm van maatschappelijke afkeuring inhouden dan administratieve sancties. Door delicten vast te stellen voor ernstige inbreuken op de EU-voorschriften, die ongeacht hun rechtsgrondslag bijdragen tot het EU-beleid ter bescherming van het milieu, worden er duidelijke grenzen gesteld aan gedragingen die als bijzonder onaanvaardbaar worden beschouwd en wordt aan het publiek en aan potentiële overtreders het signaal afgegeven dat de bevoegde autoriteiten dergelijke gedragingen zeer ernstig nemen. Dit lijkt met name passend gezien de expliciete toepassing van het preventie- en het voorzorgsbeginsel op dit beleidsterrein.

Door gemeenschappelijke minimumvoorschriften inzake de definitie van delicten en sancties op het gebied van milieucriminaliteit kunnen er effectievere methoden voor onderzoek worden gebruikt en wordt doeltreffende samenwerking binnen en tussen de lidstaten mogelijk. Dit wordt van bijzonder belang geacht voor de bestrijding van de handel in afvalstoffen en wilde dieren en planten (met inbegrip van de illegale houthandel), gezien het verband met de interne markt en het handelsbeleid van de EU.

Gezien de mogelijke verwoestende gevolgen van milieudelicten voor het milieu en de volksgezondheid, is het van belang dat potentiële daders niet de indruk krijgen dat delen van de EU een lichter en minder doeltreffend regelgevingsstelsel hanteren. Het opleggen van strafrechtelijke sancties voor de ernstigste milieudelicten zal een groter afschrikkend effect hebben op potentiële overtreders. De invoering van strafrechtelijke sancties door alle lidstaten is derhalve van essentieel belang om de daadwerkelijke uitvoering van het EU-beleid op het gebied van milieubescherming te waarborgen.

Wat betreft de opneming van nalatig gedrag in het toepassingsgebied van de delicten, is het van belang te benadrukken hoezeer de Europese milieuvoorschriften op preventieve en voorzorgsmaatregelen zijn gebaseerd. In het Verdrag (artikel 191, lid 2, van de VWEU) is uitdrukkelijk bepaald dat het milieubeleid op deze beginselen berust. Het belang van een hoge mate van zorgvuldigheid is noodzakelijk bij de uitvoering van activiteiten die inherent gevaarlijk zijn door het gebruik van gevaarlijke materialen en/of gevaarlijke processen. Tegen een dergelijke achtergrond kan nalatig gedrag grote en zelfs catastrofale gevolgen hebben, waardoor het noodzakelijk wordt het maatschappelijke standpunt te onderstrepen dat nalatig gedrag als voldoende ernstig moet worden beschouwd om strafbaar te worden gesteld. Het strafrecht is bedoeld om een afschrikkende werking te hebben en het in aanmerking nemen van nalatigheid zou op zichzelf elke neiging tot dergelijke gedragingen moeten ontmoedigen, bijvoorbeeld om financieel gewin te behalen door onderinvestering of gemakzucht.

Het milieu-acquis omvat een belangrijk aantal instrumenten, zoals de richtlijn industriële emissies 14 , de Seveso-richtlijn 15 , de REACH-verordening 16 en de afvalstoffenwetgeving, die ervoor moeten zorgen dat gevaarlijke of risicovolle activiteiten en stoffen worden behandeld met een hoog niveau van technische waarborgen.

Wat de frequentie van bepaalde delicten betreft, wordt helaas erkend dat de georganiseerde criminaliteit het beheer van afvalstoffen ondermijnt 17 . Ook het overtreden van verbodsbepalingen inzake in het wild levende dieren en planten is een reeds lang bekend probleem. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat in het Verdrag van Bern 18 de nadruk wordt gelegd op werkzaamheden in verband met de bestrijding van delicten tegen in het wild levende dieren en planten. Mede tegen deze achtergrond en gezien de aard van de betrokken gedragingen is het noodzakelijk dat ook nalatig gedrag onder deze richtlijn valt.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie en geschiktheidscontrole van bestaande wetgeving

De Commissie heeft de huidige richtlijn in 2019/2020 geëvalueerd (bekendmaking in oktober 2020) en geconcludeerd dat de richtlijn in de praktijk niet veel effect heeft gesorteerd. Bij de evaluatie achteraf van de richtlijn werd uitgegaan van vier belangrijke beoordelingscriteria: a) doeltreffendheid (evaluatie of de doelstellingen van de richtlijn zijn bereikt), b) efficiëntie (evaluatie of de baten van het bestaan en de uitvoering van de richtlijn de kosten rechtvaardigen), c) samenhang (met andere relevante Europese strafrechtelijke en milieuwetgeving en beleidsmaatregelen op die gebieden, alsook met de internationale verplichtingen van de EU) en d) relevantie (relevantie van de oorspronkelijke doelstellingen van de richtlijn in het licht van de huidige en toekomstige behoeften). Bij de evaluatie werd ook rekening gehouden met de sociale en economische gevolgen voor verschillende groepen belanghebbenden.

De evaluatie bracht zes belangrijke problemen aan het licht die ertoe hebben geleid dat de richtlijn in de praktijk niet doeltreffend is gebleken:

1. Het toepassingsgebied van de richtlijn is verouderd en is ingewikkeld gedefinieerd, wat doeltreffend onderzoek, vervolging en grensoverschrijdende samenwerking belemmert.

2. De richtlijn bevat verscheidene onduidelijke definities die worden gebruikt voor de omschrijving van milieudelicten, wat doeltreffend onderzoek, vervolging en grensoverschrijdende samenwerking kan belemmeren.

3. Onder de huidige richtlijn zijn de sanctieniveaus niet in alle lidstaten voldoende doeltreffend en afschrikkend.

4. Er is onvoldoende interne en grensoverschrijdende samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten op het gebied van milieucriminaliteit, wat doeltreffend onderzoek en een effectieve vervolging belemmert.

5. Het ontbreken van betrouwbare, nauwkeurige en volledige statistische gegevens over de procedures inzake milieucriminaliteit in de lidstaten belet de nationale beleidsmakers en professionals in het veld om de doeltreffendheid van hun maatregelen te controleren.

6. De handhavingsketen is niet doeltreffend: de prioritering, de opsporing, het onderzoek, de vervolging en de sanctionering van milieucriminaliteit zijn niet doeltreffend omdat de handhavingsketen niet doeltreffend functioneert. In alle lidstaten en op alle niveaus van de handhavingsketen (inspecteurs, politie, openbaar ministerie en strafrechtbanken) zijn lacunes in de handhaving vastgesteld, waaronder een gebrek aan middelen, onvoldoende opleiding en een gebrek aan gespecialiseerde kennis, een gebrek aan bewustzijn en prioritering, en een zwakke samenwerking en informatie-uitwisseling.

Op basis van de bevindingen van de evaluatie heeft de Europese Commissie besloten de richtlijn te herzien en een effectbeoordeling uit te voeren. De verschillende stappen van de effectbeoordeling, van de omschrijving van de problemen en de oorzaken daarvan tot de vaststelling van doelstellingen en mogelijke beleidsopties, berustten op de bevindingen van het evaluatieverslag.

Raadpleging van belanghebbenden

De Commissie heeft vruchtbare openbare en gerichte raadplegingen van belanghebbenden gehouden om te profiteren van externe expertise en inzicht te krijgen in de zorgen van het bredere publiek. Voorts moest deze raadpleging ervoor zorgen dat de voor de herziening van de richtlijn overwogen opties de meest geschikte manieren zijn om de richtlijn doeltreffender te maken en het werk van de professionals in het veld te ondersteunen. De raadpleging is op zo ruim mogelijke schaal uitgevoerd om relevante input, bewijsmateriaal en uitleg te krijgen over de relevante en feitelijke behoeften van verschillende categorieën belanghebbenden met betrekking tot de zes hoofddoelstellingen:

·verduidelijking en actualisering van het toepassingsgebied van de richtlijn milieucriminaliteit;

·verduidelijking van de juridische termen die worden gebruikt om milieudelicten te definiëren;

·verbetering van de beschikbaarheid van afschrikkende en vergelijkbare soorten en niveaus van sancties;

·verbetering van de grensoverschrijdende samenwerking;

·verbetering van de verzameling en verspreiding van informatie en statistische gegevens; en

·verbetering van de werking van de handhavingsketen (opleiding, coördinatie en samenwerking, middelen, strategische aanpak).

De raadplegingen vonden plaats in een vroeg stadium en er werd gepeild naar de standpunten van een breed scala van belanghebbenden, zoals burgers, deskundigen, professionals in het veld (politiediensten, inspecteurs, openbare aanklagers en rechters), netwerken van professionals in het veld (IMPEL, ENPE, EUFJE, EnvirCrimeNet), overheidsinstanties uit de lidstaten (ministeries van Justitie en van Milieu), Europese agentschappen (Europol en Eurojust), niet-gouvernementele milieuorganisaties (ngo’s), bedrijfsorganisaties, individuele bedrijven en academici. Al deze partijen werden geraadpleegd over hun verwachtingen en zorgen ten aanzien van de noodzaak en de inhoud van een eventuele herziening van de richtlijn milieucriminaliteit.

Tijdens het raadplegingsproces heeft de Commissie uiteenlopende methoden en vormen van raadpleging gehanteerd. Het betrof onder meer:

·de raadpleging over de aanvangseffectbeoordeling en een openbare raadpleging van 12 weken, waarin alle belanghebbende partijen hun mening konden geven;

·een reeks gerichte thematische onlineworkshops en -bijeenkomsten van groepen deskundigen, met inbegrip van bijeenkomsten van het Forum voor naleving van de milieuwetgeving en milieugovernance en zijn Werkgroep voor het bestraffen van milieudelicten. Ter voorbereiding van de door de Commissie georganiseerde bijeenkomsten werden vooraf specifieke vragenlijsten en discussienota’s toegezonden;

·via een aantal onlineconferenties waaraan de Commissie heeft deelgenomen en waarin zij haar werkzaamheden op dit gebied heeft gepresenteerd, is feedback over de zes belangrijkste opties ingewonnen bij andere deelnemers aan de conferentie en zijn er extra deelnemers uitgenodigd voor het deskundigenproces en de openbare raadpleging;

·bilaterale onlinebijeenkomsten met een breed scala van belanghebbenden, georganiseerd op initiatief van de Commissie of van de belanghebbenden;

·standpuntnota’s en analytische documenten van Europese agentschappen, professionals in het veld, professionele netwerken (bv. de gezamenlijke verklaring van IMPEL/ENPE/EUFJE en EnviCrimeNet, die in mei 2021 is aangenomen tijdens een conferentie over de bestrijding van milieucriminaliteit en de herziening van de richtlijn milieucriminaliteit), vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, overheidsinstanties van de lidstaten, ngo’s, het maatschappelijk middenveld en de academische wereld.

In totaal hebben de specifieke raadplegingsactiviteiten meer dan 6 maanden geduurd, van februari 2021 tot juli 2021.

Het overleg is zo opgezet dat het dezelfde logische volgorde volgt als de effectbeoordeling; er wordt begonnen met de probleemstelling en een geleidelijke ontwikkeling van de mogelijke opties en de effecten ervan wordt mogelijk gemaakt:

·De meeste respondenten bevestigden dat het toepassingsgebied van de richtlijn milieucriminaliteit moet worden bijgewerkt en dat de juridische termen moeten worden verduidelijkt.

·In de meeste bijdragen van ngo’s en bedrijfsverenigingen worden milieugebieden of specifieke wetgeving genoemd die niet onder de huidige richtlijn milieucriminaliteit vallen, maar waarvan de opneming zou moeten worden overwogen.

·De meerderheid van de respondenten achtte het passend bepalingen op te nemen over minimumniveaus voor maximumsancties en voor verzwarende omstandigheden. De opneming van een bepaling over confiscatie, samen met wetgeving tegen rechtspersonen, wordt in sommige gevallen nuttig geacht.

·Verscheidene partijen pleitten voor een betere verzameling en overdracht van informatie door de lidstaten. De vrees werd geuit dat dit zou leiden tot ingewikkelde IT-aanpassingen, een moeilijk en langdurig proces dat een zware administratieve last legt op de rechtshandhavingsinstanties, het openbaar ministerie en de rechterlijke macht.

·De grote meerderheid van de belanghebbenden bevestigde dat de doeltreffendheid van de handhavingsketen in de praktijk dringend moet worden verbeterd en dat er behoefte is aan bepalingen inzake opleiding, middelen, samenwerking en coördinatie, samen met strategische benaderingen voor de bestrijding van milieucriminaliteit.

Bij haar beslissing aan welke opties de voorkeur moest worden gegeven, heeft de Commissie met alle antwoorden rekening gehouden. Meer informatie over de raadplegingen is te vinden in de bijlagen bij de effectbeoordeling (bijlagen 7 en 8).

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Om ervoor te zorgen dat de nodige input voor haar effectbeoordeling beschikbaar was, heeft de Commissie een beroep gedaan experten uit een breed spectrum aan vakgebieden. De in aanmerking genomen adviezen van deskundigen kunnen in twee hoofdcategorieën worden onderverdeeld: onderzoek naar de stand van de techniek op dit gebied en raadplegingen van belanghebbenden.

Ten eerste heeft de Commissie de huidige richtlijn in 2019/2020 geëvalueerd en haar bevindingen in oktober 2020 bekendgemaakt. De evaluatie heeft de Commissie geholpen inzicht te krijgen in de voor- en nadelen van de huidige wetgeving. Dit effende de weg voor de herziening van de richtlijn, aangezien de evaluatie duidelijk onderstreepte dat de huidige wetgeving in de praktijk slechts verwaarloosbare effecten had. Na de evaluatie heeft de Commissie opdracht gegeven voor een onderzoek ter ondersteuning van de effectbeoordeling; dit onderzoek is uitgevoerd tussen april 2021 en oktober 2021. Doel was de effecten van de verschillende opties te beoordelen, met name de financiële en economische gevolgen.

Naast de twee onderzoeken heeft de Commissie de bestaande literatuur over dit onderwerp uitvoerig bestudeerd. Dit blijkt uit de talrijke verwijzingen die in de effectbeoordeling worden gebruikt. Daarnaast is een groot aantal schriftelijke verklaringen van belanghebbenden, zoals Eurojust, Europol, professionele netwerken, professionals in het veld, lidstaten, ngo’s en bedrijven, geanalyseerd. De deskresearch had ook betrekking op de evaluatie van de standpunten van het Europees Parlement, zoals het verslag over de aansprakelijkheid van bedrijven voor milieuschade (2020/2027(INI)) van de Commissie juridische zaken. Er is ook rekening gehouden met bevindingen van werkgroepen, zoals de landenquête voor de tweede bijeenkomst van de Werkgroep milieu en strafrecht van de Raad van Europa op 15 juni 2021.

Ook de relevante werkzaamheden van de belangrijkste Europese netwerken voor milieuhandhaving (IMPEL, EnviCrimeNet, ENPE, EUFJE) zijn zorgvuldig bestudeerd.

Er is ook rekening gehouden met de resultaten van de achtste ronde van de wederzijdse evaluaties van de Raad inzake de bestrijding van milieucriminaliteit.

Effectbeoordeling

Het wetgevingsvoorstel is gebaseerd op een effectbeoordeling. De Raad voor regelgevingstoetsing (RSB) heeft op 1 oktober 2021 een positief advies (met voorbehoud) uitgebracht. In bijlage I bij de effectbeoordeling wordt uitgelegd hoe de opmerkingen van de RSB zijn opgevolgd.

Uit een evaluatie is gebleken dat de richtlijn, hoewel zij een gemeenschappelijk EU-kader voor belangrijke milieudelicten vaststelt, in de praktijk niet veel effect heeft gesorteerd; zij had geen invloed op het aantal veroordelingen of op het niveau van de opgelegde sancties in de lidstaten. De evaluatie bracht met name de volgende specifieke kernproblemen aan het licht:

1.Het toepassingsgebied van de richtlijn (omschreven in twee bijlagen bij de richtlijn en een lijst van delicten in artikel 3 van de richtlijn) is verouderd en is op complexe wijze gedefinieerd, wat doeltreffende onderzoeken, vervolging en grensoverschrijdende samenwerking in de weg staat.

2.De definities om te omschrijven wat “milieucriminaliteit” inhoudt, zijn onduidelijk en staan doeltreffende onderzoeken, vervolging en grensoverschrijdende samenwerking tussen en binnen de lidstaten in de weg.

3.De sanctieniveaus zijn niet in alle lidstaten doeltreffend en afschrikkend.

4.Grensoverschrijdende samenwerking is te beperkt.

5.Beleidsmakers en professionals in het veld zijn zich niet bewust van de aard en de omvang van milieucriminaliteit en de doeltreffendheid van rechtshandhavingsmaatregelen, omdat statistische gegevens slechts in beperkte mate worden verzameld, verwerkt en gedeeld.

6.De handhavingsketen voor de bestrijding van milieucriminaliteit is onder meer niet doeltreffend door een gebrek aan opleiding en specialisatie, alsmede door onvoldoende coördinatie en samenwerking tussen de verschillende niveaus van milieurechtshandhaving.

De Commissie heeft een aantal wetgevende en niet-wetgevende beleidsopties ontwikkeld. De opties die in een vroeg stadium werden overwogen en verworpen, waren: intrekking van de richtlijn; of de vastgestelde problemen alleen aanpakken door middel van niet-bindende maatregelen, zoals EU-richtsnoeren voor de interpretatie van definities en sanctieniveaus.

Op basis van de beoordeling is herziening van de richtlijn de enige geschikte optie om de vastgestelde specifieke doelstellingen te verwezenlijken. Dit sluit niet uit dat er steun wordt verleend aan niet-wetgevende maatregelen (hierna: “hoofdoptie”). In het kader van de hoofdbeleidsoptie worden de volgende subopties (hierna: “opties”) vastgesteld en in detail beoordeeld in de effectbeoordeling om elke specifieke doelstelling aan te pakken:

Doelstelling 1: verbetering van de doeltreffendheid van onderzoek en vervolging door het toepassingsgebied van de richtlijn aan te passen en een haalbaar mechanisme in te voeren om de richtlijn up-to-date te houden in het licht van de Europese Green Deal.

·Optie 1a: actualisering van de bestaande lijst van wetgeving in de bijlagen, toevoeging van nieuwe relevante categorieën delicten aan artikel 3 en invoering van de comitéprocedure om de bijlage actueel te houden.

·Optie 1b: in algemene termen verwijzen naar relevante sectorale wetgeving en schrapping van de bijlagen; verfijning van de definities van milieucriminaliteit in artikel 3 en toevoeging van nieuwe relevante categorieën delicten.

·Optie 1c: definiëring van milieucriminaliteit in de richtlijn zonder het vereiste van een inbreuk op relevante sectorale EU-wetgeving.

De voorkeur gaat uit naar optie 1b, omdat deze meer juridische duidelijkheid verschaft over de vraag welke inbreuken op sectorale wetgeving als milieucriminaliteit worden aangemerkt. In de toekomst zou de Europese wetgever de richtlijn moeten actualiseren (net als in de huidige situatie), aangezien een eenvoudiger mechanisme — namelijk de comitologieprocedure — niet van toepassing is op essentiële onderdelen van de richtlijn. De definitie van milieucriminaliteit is een essentieel onderdeel. De delicten in artikel 3 zouden worden gedefinieerd aan de hand van een uitgebreide definitie van wat “onwettig” is en zouden tevens een bijgewerkte lijst van categorieën delicten bevatten, gebaseerd op ernstige inbreuken op de huidige milieuwetgeving.

Doelstelling 2: verbetering van de doeltreffendheid van onderzoek en vervolging door vage termen in de definities van milieucriminaliteit te verduidelijken of te schrappen.

·Optie 2a: nauwkeuriger definiëring van onduidelijke termen in de richtlijn (bv. “aanzienlijke schade”).

·Optie 2b: schrapping van vage termen zoals “aanzienlijke schade”, onder meer door risicogedrag strafbaar te stellen (gevaarsdelict).

·Optie 2c: een combinatie van de opties 2a en 2b.

De voorkeur gaat uit naar optie 2c, omdat de wetgever ter wille van de duidelijkheid de vastgestelde onduidelijke definities in de richtlijn zelf moet verduidelijken (optie 2a) en ook meer delicten moet toevoegen die gebaseerd zijn op het begrip risico, dat van essentieel belang is voor gevallen die grote schade met zich meebrengen die in milieucriminaliteitsprocedures kan worden bewezen. Gevaarsdelicten zouden betrekking hebben op gevallen waarin de wetgever heeft besloten dat de inbreuk op sectorale voorschriften een ontoelaatbaar risico voor het milieu inhoudt.

Doelstelling 3: zorgen voor doeltreffende, afschrikkende en evenredige soorten en niveaus van sancties voor milieucriminaliteit.

·Optie 3a: invoering van minimale maximumsanctieniveaus.

·Optie 3b: optie 3a plus verzwarende omstandigheden en bijkomende sancties.

·Optie 3c: optie 3b plus een verplichting om de hoogte van de boetes te koppelen aan de financiële situatie van de rechtspersoon en/of illegale winsten.

De voorkeursoptie is 3c, aangezien alle maatregelen betrekking hebben op verschillende aspecten van doeltreffende sanctionering en elkaar versterken.

Doelstelling 4: bevordering van grensoverschrijdende opsporing en vervolging.

Een pakket bepalingen die de grensoverschrijdende samenwerking rechtstreeks bevorderen, zoals geharmoniseerde doeltreffende onderzoeksinstrumenten, de verplichting tot samenwerking via Europol, Eurojust en OLAF, en bevoegdheidsvoorschriften.

Doelstelling 5: verbetering van gefundeerde besluitvorming over milieucriminaliteit door een betere verzameling en verspreiding van statistische gegevens.

·Optie 5a: de lidstaten verplichten statistische gegevens over milieucriminaliteit te verzamelen en deze regelmatig aan de Commissie te verstrekken.

·Optie 5b: optie 5a plus een verplichting voor de lidstaten om statistische gegevens te verzamelen en verslag uit te brengen volgens geharmoniseerde gemeenschappelijke normen.

De voorkeursoptie is 5b.

Doelstelling 6: verbetering van de operationele doeltreffendheid van de nationale handhavingsketens om opsporing, onderzoek, vervolging en sanctionering te bevorderen.

Een pakket verplichtingen ter bevordering van de praktische uitvoering, zoals het verstrekken van gerichte en regelmatige opleiding op alle niveaus van de handhavingsketen, overkoepelende nationale strategieën inzake milieucriminaliteit en bewustmakingsmaatregelen.

Voorkeurspakket

Wat doelstelling 1 betreft, zal het schrappen van de bijlagen en in plaats daarvan het verfijnen van de definitie van milieucriminaliteit in artikel 3, alsmede het toevoegen van nieuwe categorieën milieudelicten in hetzelfde artikel, waarschijnlijk de doeltreffendheid van het onderzoek naar en de vervolging van milieucriminaliteit verbeteren, vooral wat grensoverschrijdende samenwerking betreft. In de toekomst zou de richtlijn echter ook regelmatig via een wetgevingsprocedure moeten worden geactualiseerd, indien nieuwe gebieden van milieucriminaliteit aan het toepassingsgebied van de richtlijn moeten worden toegevoegd. Een eenvoudiger manier is er niet, aangezien de definities van de categorieën milieudelicten een essentieel onderdeel van de richtlijn vormen en een besluit van de Europese wetgever vereisen.

In het kader van doelstelling 2 zijn een definitie van zowel gevaarsdelicten als criminaliteit waarvoor het aanrichten van schade vereist is, noodzakelijk om milieudelicten adequaat aan te pakken. De huidige richtlijn is gebaseerd op een combinatie van deze twee soorten definities van criminaliteit. Het voorstel zal nieuwe categorieën gevaarsdelicten moeten toevoegen en preciezer moeten aangeven welke gedragingen strafbaar worden gesteld; ook moet er informatie worden toegevoegd aan de hand waarvan kan worden bepaald wat als milieuschade kan worden beschouwd.

Preciezere definities van onduidelijke termen — zoals “aanzienlijke schade” en “te verwaarlozen of niet-verwaarloosbare hoeveelheid” — zullen de duidelijkheid van de richtlijn ten goede komen. Door de nadruk te leggen op gevaarsdelicten en risicogedrag kunnen doeltreffende sancties worden opgelegd in gevallen waarin het moeilijk is de werkelijke schade vast te stellen of waarin geen schade is opgetreden. De gecombineerde toepassing van beide opties kan dus leiden tot een grotere doeltreffendheid van onderzoek en vervolging van milieucriminaliteit.

In het kader van doelstelling 3 zal het pakket maatregelen inzake sancties (optie 3c — minimale maximumsancties, verzwarende omstandigheden, bijkomende sancties, afhankelijkheid van de hoogte van de boetes van illegale winsten en de financiële situatie van de overtreder) leiden tot meer doeltreffende, evenredige, afschrikkende en uniforme sanctieniveaus en invoering in de praktijk in de hele EU. Bovendien krijgen rechtshandhavingsinstanties dankzij de minimale maximumgevangenisstraffen toegang tot onderzoeksinstrumenten die alleen beschikbaar zijn voor delicten waarop een bepaalde minimale maximumstraf staat. Dit zal doeltreffender onderzoek en grensoverschrijdende samenwerking mogelijk maken.

De maatregelen in het kader van doelstelling 4 (onderlinge aanpassing van de onderzoeksinstrumenten, verplichting tot samenwerking via EU-agentschappen, instelling van nationale contactpunten) zullen de grensoverschrijdende samenwerking rechtstreeks bevorderen, aanvullen en versterken en leiden tot doeltreffender onderzoek, aangezien veel zaken in verband met milieucriminaliteit alleen grensoverschrijdend met succes kunnen worden afgehandeld.

De voorkeursoptie in het kader van doelstelling 5 zal leiden tot een gemeenschappelijk vastgestelde minimumnorm voor het verzamelen van gegevens over milieucriminaliteitsprocedures en aldus tot statistische gegevens die in de gehele EU vergelijkbaar zijn.

Het pakket maatregelen dat in het kader van doelstelling 6 wordt voorgesteld (opleiding/specialisatie, eisen inzake samenwerking en coördinatie, bewustmaking, nationale strategieën) zal een positieve invloed hebben op de doeltreffendheid in de praktijk op alle niveaus van de handhavingsketen (inspecteurs, politie, openbaar ministerie, rechters).

Aangezien de richtlijn op alle zes probleemgebieden verbetering behoeft, zou de combinatie van de voorkeursopties voor elke doelstelling het beste totaalpakket moeten opleveren. In combinatie kunnen de voorkeursopties cumulatieve effecten sorteren die verder gaan dan wat met de afzonderlijke voorkeursopties zou kunnen worden bereikt.

Grensoverschrijdende samenwerking zal niet alleen worden bevorderd door de maatregelen in het kader van doelstelling 4, maar ook door het ruimere toepassingsgebied van de richtlijn, waardoor dergelijke samenwerking op meer milieugebieden mogelijk wordt. Preciezere definities van wat milieucriminaliteit in het kader van doelstelling 2 inhoudt, zullen de verschillende percepties in de lidstaten verminderen die tot dusver de samenwerking in de weg hebben gestaan of waardoor deze zelfs is beëindigd. De vaststelling van maximumsanctieniveaus zorgt niet alleen voor afschrikwekkender sancties, maar opent ook de deur naar doeltreffende grensoverschrijdende onderzoeksinstrumenten waarin wetgevingsinstrumenten voorzien die pas vanaf een bepaald sanctieniveau voor een bepaalde categorie delicten kunnen worden toegepast. In het kader van doelstelling 6 zal ook een betere opleiding en specialisatie volgens vergelijkbare normen in de lidstaten de grensoverschrijdende samenwerking rechtstreeks vergemakkelijken.

Het vermogen van rechtshandhavingsfunctionarissen om beter te anticiperen op de kansen op succes van een zaak, waardoor meer zaken worden vervolgd, wordt versterkt door nauwkeuriger definities van milieucriminaliteit (doelstelling 2) en betere opleiding en specialisatie in het kader van doelstelling 6. Betere grensoverschrijdende samenwerking (doelstelling 4) en de beschikbaarheid van meer afschrikkende sanctiesoorten en -niveaus (doelstelling 3) zijn andere factoren die het besluit om de nodige middelen te investeren in de aanpak van gevallen van milieucriminaliteit, kunnen vergemakkelijken.

De doeltreffendheid en het afschrikkingseffect van strafrechtelijke milieuonderzoeken zullen niet alleen worden bereikt door een passender sanctionering via de voorkeursoptie in het kader van doelstelling 3. Doeltreffender onderzoek door de gecombineerde effecten van de voorkeursopties in het kader van de doelstellingen 1, 2, 4 en 6, zoals hierboven beschreven, zal ook bijdragen tot een strafrechtelijk systeem dat milieucriminaliteit ontmoedigt.

Op die manier beantwoorden de voorkeursopties niet alleen het best aan de respectieve doelstellingen, maar versterken zij ook de algemene doeltreffendheid van de richtlijn, die verder reikt dan elke afzonderlijke specifieke doelstelling.

Op wie is de richtlijn van toepassing?

Lidstaten en overheidsinstanties

De bepalingen betreffende de uitvoering van de richtlijn zullen naar verwachting de doeltreffendheid van de handhavingsketen versterken en ervoor zorgen dat de inspanningen ter bestrijding van milieucriminaliteit in de gehele EU vergelijkbaar zijn. Zij kunnen voor de milieu-, rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten in de lidstaten bepaalde kosten met zich meebrengen, zowel eenmalige als terugkomende. De voordelen op middellange en lange termijn zullen echter ruimschoots opwegen tegen deze kosten. De nationale autoriteiten zullen extra personele en materiële middelen ter beschikking moeten stellen (vooral bij de politie en het openbaar ministerie, de instanties die het vaakst verantwoordelijk zijn voor het onderzoeken en vervolgen van milieucriminaliteit). Evenzo zou de verplichting voor de lidstaten om statistische gegevens te verzamelen en verslag uit te brengen volgens nieuwe en meer geharmoniseerde normen, een extra administratieve last kunnen betekenen: in de zin van een mogelijke aanpassing van de bestaande systemen om gevallen te registreren, en in de zin van het uitwerken van die statistieken op nationaal niveau alvorens ze aan de EU toe te zenden. Alle lidstaten moeten zorgen voor een zekere mate van aanvullende opleiding voor de betrokken professionals in de handhavingsketen, rekening houdend met de herziene bepalingen van de richtlijn en de inzet van extra personeel. De vereiste middelen hangen af van de mate waarin de lidstaten reeds zorgen voor regelmatige opleiding op het gebied van milieucriminaliteit. Ten slotte zijn er nog een aantal extra kosten die verband houden met de oprichting van nationale contactpunten in verschillende instellingen en de ontwikkeling van nationale strategieën ter bestrijding van milieucriminaliteit.

EU-bedrijven

Voor EU-bedrijven zijn er geen directe kosten verbonden aan de richtlijn; hun nalevingskosten vloeien voort uit de administratieve milieuwetgeving. Een doeltreffender rechtshandhaving op het gebied van milieucriminaliteit zou legaal opererende bedrijven beschermen tegen oneerlijke concurrentie als gevolg van illegale bedrijfsactiviteiten. Bovendien zou de reputatieschade voor een bedrijfstak (bv. afvalbeheer, chemische productie) die door illegale activiteiten wordt getroffen, worden beperkt, wat extra voordelen oplevert voor bedrijven die zich aan de regels houden. Aangezien milieucriminaliteit gekoppeld zal blijven aan een inbreuk op het bestuursrecht, is het risico beperkt dat bedrijven worden gestraft voor milieuactiviteiten die krachtens het bestuursrecht zijn toegestaan, met uitzondering van specifieke en welomschreven situaties die in de richtlijn worden genoemd.

Kmo’s

Kmo’s kunnen met een iets hogere druk te maken krijgen omdat zij minder goed in staat zijn boetes te betalen en/of juridische expertise in te schakelen en due diligence-activiteiten uit te voeren. De mogelijkheid om boetes te koppelen aan de financiële situatie van een bedrijf, naast andere indirecte aspecten van het misdrijf, zou de kwetsbaarheid van kmo’s voor dergelijke boetes kunnen verminderen.

EU-burgers

Verwacht wordt dat een doeltreffender handhaving van de strafwetgeving op milieugebied een positief effect zal hebben op de samenleving in het algemeen. Naast de voordelen voor de levenskwaliteit die verband houden met milieubescherming, draagt de vermindering van de criminele activiteit bij tot betere governance, minder corruptie en een vermindering van de risico’s die uitgaan van grote georganiseerde criminele groepen.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Deze effectbeoordeling heeft geen mogelijkheden aan het licht gebracht om de richtlijn te vereenvoudigen of onnodige kosten te beperken.

De richtlijn — die een strafrechtelijk instrument is — brengt geen extra kosten mee voor burgers, bedrijven en kmo’s. Dit werd bevestigd tijdens de raadpleging van belanghebbenden.

Het voorstel zal een aantal aanvullende bepalingen bevatten om de momenteel zeer algemene richtlijn nauwkeuriger te maken, het toepassingsgebied ervan te verduidelijken, preciezere definities van delicten te geven en de doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikking van sancties te waarborgen. Dit zal de praktische uitvoering door de autoriteiten van de lidstaten vereenvoudigen en vergemakkelijken en er aldus voor zorgen dat de richtlijn haar doelstellingen beter bereikt.

Het voorstel bevat ook nieuwe bepalingen op grond waarvan de lidstaten specifieke maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de richtlijn in de praktijk doeltreffend wordt uitgevoerd (opleidingsmaatregelen, bewustmakingsmaatregelen, maatregelen ter versterking van de grensoverschrijdende samenwerking, maatregelen om in de nodige middelen te voorzien enz.) Hoewel het hier lijkt te gaan om nieuwe verplichtingen die kosten voor de lidstaten met zich meebrengen, wordt in de betrokken bepalingen in feite alleen uitdrukkelijk bepaald wat hoe dan ook een verplichting van de lidstaten is. De lidstaten moeten de richtlijn niet alleen in nationaal recht omzetten, zij moeten ook de nodige praktische uitvoeringsmaatregelen nemen. Uit de evaluatie is gebleken dat de praktische uitvoering in alle lidstaten en in de hele handhavingsketen te wensen overlaat. De verplichtingen in de richtlijn zijn derhalve noodzakelijk om de naleving door de lidstaten te waarborgen. De in het voorstel vereiste uitvoeringsmaatregelen zijn maatregelen die de professionals in het veld als het meest relevant hebben aangemerkt om hen in staat te stellen de nationale bepalingen ter omzetting van de richtlijn te handhaven. Met name opleiding is genoemd als een essentiële noodzaak om de rechtshandhaving met betrekking tot milieucriminaliteit te verbeteren.

Grondrechten

De richtlijn zal waarschijnlijk een positief effect hebben op het niveau van milieubescherming, dat het voorwerp is van artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”). Verbetering van het milieu zal bijdragen tot verbetering van het lichamelijk welzijn (de gezondheid) van de burgers — dit valt onder de menselijke waardigheid. Daarom zal het ook een positieve invloed hebben op het recht op leven (artikel 2 van het Handvest), het recht op lichamelijke integriteit (artikel 3), de zorg voor en het welzijn van kinderen (artikel 24), het recht op gezonde arbeidsomstandigheden (artikel 31) en het recht op preventieve gezondheidszorg en medische verzorging (artikel 35).

Deze richtlijn — die een strafrechtelijk instrument is — zal in nationaal recht moeten worden omgezet met inachtneming van de grondrechten en de beginselen van het Handvest, zoals erkend in het VEU. Meer bepaald moet zij worden omgezet en toegepast met inachtneming van het recht op bescherming van persoonsgegevens (artikel 8 van het Handvest), de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16), het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging (artikel 48), het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen (artikel 49), en het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft (artikel 50). Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten erop toe te zien dat de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafrechtelijke procedures worden geëerbiedigd. De verplichtingen krachtens deze richtlijn doen geen afbreuk aan de verplichtingen van de lidstaten krachtens de EU-wetgeving inzake procedurele rechten in strafrechtelijke procedures.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het huidige voorstel heeft verwaarloosbare budgettaire gevolgen voor de lidstaten en voor de Commissie. Specifieke informatie over de financiële gevolgen voor de Commissie is te vinden in het financieel memorandum dat aan dit wetgevingspakket is gehecht.

De Commissie heeft twee soorten kosten: eenmalige en terugkerende. De initiële financiële gevolgen voor de Commissie houden verband met de vijfde doelstelling van de herziening: verbetering van het verzamelen van statistische gegevens en van de verslaglegging over milieucriminaliteit. De kosten van de Commissie voor deze doelstelling bedragen 155 000 EUR in 2025. Deze totale kosten worden onderverdeeld in drie categorieën uitgaven. Ten eerste zal de vaststelling van minimumnormen 110 000 EUR kosten. Dit is een eenmalige kostenpost die pas in 2025 zal ontstaan. De tweede kostenpost houdt verband met de instandhouding van de normen en bedraagt 16 000 EUR per jaar. De laatste kosten in verband met deze doelstelling zijn het tweejaarlijkse verslag van de Commissie over de gegevens van de lidstaten, eveneens een jaarlijks terugkerende kostenpost van 25 000 EUR.

Naast deze kosten voor de vijfde doelstelling van de herziening zal de Commissie ook moeten voorzien in een andere eenmalige kostenpost voor haar verslagleggingsverplichtingen. In het wetgevingsvoorstel staat dat de Commissie twee verslagen moet opstellen. Het eerste betreft de omzetting van de richtlijn door de lidstaten en zal 405 000 EUR kosten, verdeeld over de kosten van het inhuren van een contractant voor het opstellen van het onderzoek, d.w.z. 350 000 EUR, en de beoordeling ervan door het personeel van de Commissie, d.w.z. 54 600 EUR. Het tweede verslag dat de Commissie moet opstellen is een onderzoek waarin de doeltreffendheid van de richtlijn aan de hand van een bepaalde reeks indicatoren wordt geanalyseerd. Dit onderzoek, dat na afloop van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) zal worden uitgevoerd, zal 420 000 EUR kosten.

In totaal zouden de kosten voor de Commissie in 2025 dus 560 000 EUR bedragen en de jaarlijks terugkerende kosten in verband met de richtlijn 45 000 EUR. Deze evaluatie omvat niet de kosten van het verslag over de doeltreffendheid van de richtlijn, dat na het huidige MFK zou worden opgesteld.

De financiële gevolgen van de richtlijn voor de lidstaten houden verband met drie doelstellingen van de herziening ervan: verbetering van doeltreffende samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten (doelstelling 4), verbetering van het verzamelen van statistische gegevens en van de verslaglegging over milieucriminaliteit (doelstelling 5) en verbetering van de doeltreffende werking van de handhavingsketen (doelstelling 6).

Wat doelstelling 4 betreft, zullen er voor alle lidstaten twee reeksen kosten zijn: voor onderzoeksinstrumenten en voor het opzetten van nationale contactpunten. Wat de onderzoeksinstrumenten betreft, waren de gegevens niet beschikbaar om een eerste raming van de kosten te kunnen maken. Voor het opzetten van nationale contactpunten zullen de kosten voor alle lidstaten echter variëren tussen 475 600 EUR en 792 700 EUR, afhankelijk van de door de lidstaten gekozen optie.

Wat doelstelling 5 betreft, kunnen verschillende soorten kosten voor de lidstaten worden onderscheiden. Twee daarvan zijn eenmalige kosten: voor het opzetten van een nationale coördinatieprocedure, die voor alle lidstaten 146 200 EUR zou kosten, en voor het vaststellen van minimumnormen, wat 280 000 EUR zou kosten. Twee kostenposten in verband met doelstelling 5 zijn niet eenmalig, maar terugkerend. In de eerste plaats zullen de lidstaten de normen moeten handhaven, wat voor alle lidstaten 35 000 EUR zou kosten. Coördinatie, verzameling en verslaglegging zullen 220 000 EUR kosten voor alle lidstaten. Dit betekent dat het totale bedrag van de kosten voor de lidstaten voor doelstelling 5 ongeveer 683 000 EUR bedraagt.

Wat doelstelling 6 betreft, zouden de lidstaten opnieuw verschillende soorten kosten hebben: voor opleiding, bewustmaking van het publiek, vaststelling en uitvoering van nationale strategieën en personeelsuitbreiding. Aangezien opleiding een van de belangrijkste steunmaatregelen van de richtlijn is, wordt de kostenpost van opleiding voor alle lidstaten op 7 800 000 EUR geraamd. De kosten in verband met de nationale strategieën moeten worden opgesplitst in eenmalige en terugkerende kosten. De vaststelling en initiële uitvoering van nationale strategieën zal 864 000 EUR kosten voor alle lidstaten. Zodra dit eerste deel is afgerond, zullen de lidstaten terugkerende kosten hebben, die voor alle lidstaten op 325 000 EUR worden geraamd. Ten slotte wordt de uitbreiding van het personeelsbestand in verband met deze richtlijn voor alle lidstaten op 4 miljoen EUR geraamd. Alle kosten voor doelstelling 6 samen bedragen dus ongeveer 13 miljoen EUR voor alle lidstaten.

Die kosten moeten worden afgewogen tegen de verliezen als gevolg van milieucriminaliteit. Volgens ramingen van het UNEP en Interpol, gepubliceerd in juni 2016, bedraagt het jaarlijkse verlies als gevolg van milieucriminaliteit tussen 91 en 258 miljard USD.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en verslaglegging

Het voorstel beoogt de tekortkomingen van de huidige richtlijn te verhelpen en bevat derhalve diverse maatregelen voor de uitvoering, het toezicht, de evaluatie en de verslaglegging.

Ten eerste moeten, na de inwerkingtreding van de richtlijn, minimumnormen voor de verslaglegging en verzameling van statistische gegevens over milieucriminaliteit worden vastgesteld door middel van een uitvoeringsbesluit. Uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn moeten de lidstaten een nationale strategie ter bestrijding van milieucriminaliteit ontwikkelen en een actieplan opstellen om de richtlijn om te zetten. Dit zal de Commissie in staat stellen zowel de omzetting van de herziene richtlijn door de lidstaten als hun inzet voor een efficiëntere bestrijding van milieucriminaliteit te beoordelen.

Het uitvoeringsplan en de regelingen voor evaluatie en verslaglegging houden niet op na de inwerkingtreding van de richtlijn. Na de inwerkingtreding van de richtlijn hebben de lidstaten 18 maanden de tijd om de richtlijn in nationaal recht om te zetten. Twee jaar na afloop van deze omzettingsperiode zal de Commissie een verslag moeten opstellen over de wijze waarop de lidstaten de richtlijn hebben omgezet. Vijf jaar na het einde van de omzettingsperiode moet de Commissie een onderzoek uitvoeren naar de doeltreffendheid van de richtlijn om de toegevoegde waarde ervan te evalueren. Naast deze controleprocedures moeten de lidstaten om de twee jaar een verslag aanleveren met informatie over de richtlijn, zoals hun nationale strategie of hun coördinatie- en samenwerkingsmaatregelen. Op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens zal de Commissie ook statistische verslagen over milieucriminaliteit opstellen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1: onderwerp

In deze bepaling wordt het doel van de richtlijn uiteengezet, en met name het doel de bescherming van het milieu te ondersteunen door de bepaling van delicten en sancties.

Artikel 2: definities

Deze bepaling bevat definities van in de richtlijn gebruikte termen, waaronder een verfijnde definitie van “wederrechtelijkheid” met het oog op de definitie van milieudelicten.

Artikel 3: Delicten

In deze bepaling worden de delicten beschreven die onder deze richtlijn vallen. Sommige van die delicten zijn afkomstig uit de huidige richtlijn, andere zijn gewijzigde en verduidelijkte versies van bestaande delicten en weer andere zijn nieuwe delicten. Voorts worden de in de definitie van de delicten gebruikte termen verduidelijkt, in die zin dat zij elementen specificeren waarmee rekening moet worden gehouden bij het onderzoek, de vervolging en de berechting van delicten: met name “aanzienlijke schade”, schade die “dreigt te worden veroorzaakt” en “verwaarloosbare hoeveelheid”.

Artikel 4: uitlokking, medeplichtigheid en poging

Artikel 4 stelt uitlokking van en medeplichtigheid aan de in artikel 3, lid 1, bedoelde delicten strafbaar. Ook poging tot het plegen van bepaalde delicten, zoals deze in artikel 4 worden opgesomd, worden strafbaar gesteld.

Artikel 5: sancties tegen natuurlijke personen

Dit artikel voorziet in minimumnormen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties. Voorts schrijft het voorstel voor dat de lidstaten specifieke sanctieniveaus en -soorten invoeren voor milieudelicten. De voorgestelde indeling in categorieën weerspiegelt de ernst van de delicten. Zo wordt in lid 2 bepaald dat op de in artikel 3 bedoelde delicten een maximumgevangenisstraf van ten minste tien jaar moet worden gesteld indien zij de dood van of ernstig letsel aan een persoon veroorzaken of dreigen te veroorzaken.

Lid 5 strekt ertoe dat de lidstaten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten kunnen worden onderworpen aan bijkomende sancties en maatregelen om een op maat gesneden antwoord op verschillende soorten crimineel gedrag mogelijk te maken.

Artikel 6: aansprakelijkheid van rechtspersonen

Dit artikel bevat verplichtingen om de aansprakelijkheid van rechtspersonen voor delicten als bedoeld in artikelen 3 en 4 te waarborgen wanneer deze feiten te hunnen voordele zijn gepleegd. Dit artikel bepaalt tevens dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een gebrek aan toezicht en controle dat het plegen van een in de artikelen 3 en 4 bedoeld delict ten voordele van de rechtspersoon mogelijk heeft gemaakt. Voorts mag de aansprakelijkheid van de rechtspersoon strafvervolging van natuurlijke personen niet uitsluiten.

Artikel 7: sancties tegen rechtspersonen

Dit artikel bevat de sancties die van toepassing zijn op rechtspersonen die betrokken zijn bij de delicten waarop dit voorstel betrekking heeft.

Artikel 8: verzwarende omstandigheden

Dit artikel bevat de verzwarende omstandigheden waarmee rekening kan worden gehouden bij de oplegging van sancties voor een delict als bedoeld in de artikelen 3 en 4.

Artikel 9: verzachtende omstandigheden

Dit artikel bevat de verzachtende omstandigheden waarmee rekening kan worden gehouden bij de oplegging van sancties voor een delict als bedoeld in de artikelen 3 en 4.

Artikel 10: bevriezing en confiscatie

Deze bepaling zorgt ervoor dat de lidstaten de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid bieden om de opbrengsten van delicten die onder dit voorstel vallen, te bevriezen en te confisqueren.

Artikel 11: verjaringstermijnen van delicten

Dit artikel bevat bepalingen inzake verjaringstermijnen die de bevoegde autoriteiten in staat moeten stellen de onder dit voorstel vallende delicten gedurende een bepaalde periode te onderzoeken, te vervolgen en te berechten.

Artikel 12: rechtsmacht

Dit artikel bevat bepalingen over de rechtsmacht om ervoor te zorgen dat de lidstaten rechtsmacht vestigen voor delicten die onder het voorstel vallen en dat zij de Commissie op de hoogte stellen wanneer zij besluiten deze rechtsmacht uit te breiden tot specifieke gevallen waarin het delict buiten hun grondgebied is gepleegd.

Artikel 13: bescherming van personen die milieudelicten melden of medewerking verlenen aan het onderzoek

Deze bepaling heeft betrekking op de bescherming van personen zoals klokkenluiders, milieuactivisten en anderen die informatie verstrekken of bewijsmateriaal aanleveren voor een onderzoek in verband met milieudelicten.

Artikel 14: rechten van het betrokken publiek om deel te nemen aan procedures

Deze bepaling heeft betrekking op de procedurele rechten inzake deelneming aan de strafrechtelijke procedure, die overeenkomstig artikel 2 aan het betrokken publiek moeten worden toegekend.

Artikel 15: preventie

Volgens deze bepaling moeten de lidstaten preventieve maatregelen nemen om het aantal milieudelicten te verminderen.

Artikel 16: middelen

Deze bepaling moet ervoor zorgen dat de nationale autoriteiten die milieudelicten opsporen, onderzoeken, vervolgen of berechten, over voldoende gekwalificeerd personeel en over voldoende financiële, technische en technologische middelen beschikken om hun taken doeltreffend uit te voeren.

Artikel 17: opleiding

Met deze bepaling wordt beoogd de opleidingsactiviteiten in de handhavingsketen te versterken om ervoor te zorgen dat alle betrokken partijen over de nodige gespecialiseerde vaardigheden en bekwaamheden beschikken om hun rol doeltreffend te vervullen.

Artikel 18: onderzoeksmiddelen

In deze bepaling wordt bepaald dat voor het onderzoek naar de in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten speciale opsporingsmiddelen ter beschikking moeten worden gesteld.

Artikel 19: coördinatie en samenwerking tussen bevoegde autoriteiten binnen een lidstaat

Volgens deze bepaling moeten de lidstaten zorgen voor coördinatie en samenwerking op strategisch en operationeel niveau tussen al hun bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de preventie en bestrijding van milieucriminaliteit.

Artikel 20: nationale strategie ter bestrijding van milieucriminaliteit

Deze bepaling moet zorgen voor een strategische aanpak van de bestrijding van milieucriminaliteit en omvat aspecten die moeten worden geregeld in een nationale strategie die in elke lidstaat moet worden vastgesteld.

Artikel 21: Gegevensvergaring en statistieken

Deze bepaling voorziet in de noodzaak om systematisch informatie te verzamelen over de inspanningen ter bestrijding van milieucriminaliteit en om statistische gegevens over milieucriminaliteit te verstrekken. De richtlijn verplicht de lidstaten ertoe relevante statistische gegevens te verzamelen, bekend te maken en aan de Commissie toe te zenden. Ook wordt de Commissie verplicht regelmatig een verslag op te maken op basis van de door de lidstaten verstrekte statistische gegevens. Met deze bepaling wordt ook beoogd iets te doen aan de huidige beperkte beschikbaarheid van gegevens over milieucriminaliteit, wat zou kunnen helpen bij de evaluatie van de doeltreffendheid van nationale systemen ter bestrijding van milieudelicten.

Artikel 22: uitvoeringsbevoegdheden

Deze bepaling vormt een aanvulling op artikel 25 en heeft ten doel de verplichting van de lidstaten om statistische gegevens aan de Commissie toe te zenden, te versterken door de Commissie te verplichten een uitvoeringshandeling aan te nemen waarin gemeenschappelijke minimumnormen voor het rapporteren van statistische gegevens worden vastgesteld.

Artikel 23: comitéprocedure

Deze bepaling voorziet in de noodzaak dat de Commissie door een comité wordt bijgestaan bij de vaststelling van de ontwerpuitvoeringshandeling.

Artikelen 24, 25, 26, 27, 28 en 29

Deze artikelen bevatten nadere bepalingen over de omzetting door de lidstaten, de verslaglegging door de lidstaten, de evaluatie en de verslaglegging door de Commissie, de inwerkingtreding en de toepassing van Richtlijn 2005/35/EG en de vervanging van Richtlijn 2008/99/EG door deze richtlijn.



2021/0422 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van Richtlijn 2008/99/EC

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 83, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 19 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zet de Europese Unie zich in voor een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu.

(2)De Europese Unie blijft bezorgd over de toename van milieudelicten en de gevolgen daarvan, die de doeltreffendheid van de Europese milieuwetgeving ondermijnen. Bovendien strekken deze delicten zich steeds vaker uit tot over de grenzen van de lidstaten waar zij zijn gepleegd. Zulke delicten vormen een bedreiging voor het milieu en derhalve moet er op passende en doeltreffende wijze tegen worden opgetreden.

(3)De bestaande sanctieregelingen krachtens Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad 20 en de sectorale milieuwetgeving zijn niet op alle milieubeleidsgebieden toereikend geweest om de naleving van de Europese milieuwetgeving te bewerkstelligen. Deze naleving moet worden aangescherpt door de beschikbaarheid van strafrechtelijke sancties die een sociale afkeuring uitdrukken die kwalitatief verschilt van het effect van administratieve sancties.

(4)Het doeltreffend onderzoeken, vervolgen en berechten van milieucriminaliteit moet worden verbeterd. De lijst van milieudelicten in Richtlijn 2008/99/EG moet worden herzien en er moeten extra categorieën delicten op basis van de ernstigste inbreuken op het Europese milieurecht worden toegevoegd. De bepalingen inzake sancties moeten worden aangescherpt om het afschrikkend effect ervan te vergroten, en de handhavingsketen die belast is met het opsporen, onderzoeken, vervolgen en berechten van milieudelicten te verbeteren.

(5)De lidstaten moeten categorieën delicten strafbaar stellen en de definities van de categorieën delicten nauwkeuriger formuleren en de sanctiesoorten en -niveaus harmoniseren.

(6)De lidstaten dienen in hun nationale wetgeving te voorzien in strafrechtelijke sancties voor ernstige inbreuken op bepalingen van het Europees recht inzake de bescherming van het milieu. In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid voorziet de EU-wetgeving in een uitgebreide reeks voorschriften voor controle en handhaving op grond van Verordening (EG) nr. 1224/2009 21 en Verordening (EG) nr. 1005/2008 in geval van ernstige inbreuken, onder meer inbreuken die schade toebrengen aan het mariene milieu. In dit systeem hebben de lidstaten de keuze tussen administratieve en/of strafrechtelijke sanctieregelingen. In overeenstemming met de mededeling van de Commissie over de Europese Green Deal 22 en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 23 moeten bepaalde opzettelijke wederrechtelijke gedragingen die onder Verordening (EG) nr. 1224/2009 en Verordening (EG) nr. 1005/2008 24 vallen, als delicten worden aangemerkt.

(7)Om krachtens deze richtlijn als milieudelict te worden aangemerkt, moet een gedraging wederrechtelijk zijn krachtens het Europees recht ter bescherming van het milieu of krachtens nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of besluiten ter uitvoering van dat EU-recht. De gedragingen die elke categorie delicten vormen, moeten worden gedefinieerd en er moet, in voorkomend geval, een drempel worden vastgesteld waaraan moet worden voldaan om de gedraging strafbaar te stellen. Dergelijke gedragingen moeten als een delict worden beschouwd wanneer ze opzettelijk worden begaan en, in bepaalde gevallen, ook wanneer ze uit grove nalatigheid gebeuren. Onwettige gedragingen die de dood van of ernstig letsel aan personen, aanzienlijke schade of een aanzienlijke kans op aanzienlijke schade aan het milieu veroorzaken of anderszins als bijzonder schadelijk voor het milieu worden beschouwd, zijn strafbaar wanneer zij uit grove nalatigheid worden begaan. Het staat de lidstaten vrij om op dat gebied strengere strafrechtelijke voorschriften vast te stellen of te handhaven.

(8)Een gedraging moet ook als wederrechtelijk worden beschouwd wanneer deze wordt uitgevoerd op grond van een vergunning van een bevoegde autoriteit in een lidstaat, indien deze vergunning op frauduleuze wijze of door middel van corruptie, afpersing of dwang is verkregen. Voorts moeten de marktdeelnemers de nodige stappen ondernemen om te voldoen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de bescherming van het milieu die van toepassing zijn wanneer zij de respectieve activiteit uitvoeren, onder meer door te voldoen aan hun verplichtingen, zoals neergelegd in de toepasselijke EU- en nationale wetgeving, in procedures voor het wijzigen of actualiseren van bestaande vergunningen.

(9)Het milieu moet worden beschermd in brede zin, zoals bepaald in artikel 3, lid 3, van het VEU, en artikel 191 van het VWEU, en omvat alle natuurlijke rijkdommen – lucht, water, bodem, wilde dieren en planten, met inbegrip van leefomgevingen – alsmede de diensten die door natuurlijke rijkdommen worden geleverd.

(10)De versnelling van de klimaatverandering, het verlies aan biodiversiteit en de aantasting van het milieu, gekoppeld aan tastbare voorbeelden van de verwoestende gevolgen daarvan, hebben geleid tot de erkenning van de groene transitie als de bepalende doelstelling van onze tijd en een kwestie van intergenerationele billijkheid. Wanneer de onder deze richtlijn vallende EU-wetgeving evolueert, dient deze richtlijn derhalve ook van toepassing te zijn op alle geactualiseerde of gewijzigde EU-wetgeving die binnen het toepassingsgebied van de in deze richtlijn omschreven delicten valt, wanneer de verplichtingen krachtens EU-recht inhoudelijk ongewijzigd blijven. Wanneer nieuwe rechtsinstrumenten echter nieuwe gedragingen verbieden die schadelijk zijn voor het milieu, dient deze richtlijn te worden gewijzigd om ook de nieuwe ernstige inbreuken op de Europese milieuwetgeving toe te voegen aan de categorieën delicten.

(11)De kwalitatieve en kwantitatieve drempels die worden gebruikt om milieudelicten te definiëren, moeten worden verduidelijkt door een niet-uitputtende lijst op te stellen van omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van dergelijke drempels door autoriteiten die delicten onderzoeken, vervolgen en berechten. Dit moet de coherente toepassing van de richtlijn en een doeltreffender bestrijding van milieucriminaliteit bevorderen en rechtszekerheid bieden. Dergelijke drempels of de toepassing ervan mogen echter het onderzoek, de vervolging of de berechting van delicten niet buitensporig bemoeilijken.

(12)In strafrechtelijke procedures en rechtszaken moet terdege rekening worden gehouden met de betrokkenheid van georganiseerde criminele groepen die opereren op een wijze die negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Strafvervolging moet betrekking hebben op corruptie, witwassen van geld, cybercriminaliteit en documentfraude en – met betrekking tot bedrijfsactiviteiten – het voornemen van de dader om zijn winst te maximaliseren of kosten te besparen, wanneer deze zich voordoen in de context van milieucriminaliteit. Deze vormen van criminaliteit hangen vaak samen met ernstige vormen van milieucriminaliteit en moeten derhalve niet afzonderlijk worden aangepakt. In dit verband is het bijzonder zorgwekkend dat sommige milieudelicten worden gepleegd met de gedoogsteun of actieve steun van de bevoegde overheidsdiensten of ambtenaren die hun openbare taak vervullen. In bepaalde gevallen kan dit zelfs de vorm aannemen van corruptie. Voorbeelden van dergelijke gedragingen zijn het door de vingers zien of verzwijgen van de inbreuk op wetten ter bescherming van het milieu na inspecties, het opzettelijk achterwege laten van inspecties of controles, bijvoorbeeld met betrekking tot de vraag of de voorwaarden van een vergunning door de vergunninghouder worden nageleefd, resoluties of stemmingen ten gunste van het verlenen van illegale vergunningen of het uitbrengen van vervalste of onjuiste gunstige verslagen.

(13)Ook uitlokking van en medeplichtigheid aan opzettelijk gepleegde delicten moeten strafbaar worden gesteld. Een poging om een delict te plegen dat de dood van of ernstig letsel aan een persoon of aanzienlijke schade aan het milieu veroorzaakt, of dat aanzienlijke schade aan het milieu kan toebrengen of anderszins bijzonder schadelijk wordt geacht, moet ook een delict zijn wanneer het opzettelijk wordt gepleegd.

(14)De sancties voor de delicten moeten doeltreffend, afschrikkend en evenredig zijn. Daartoe moeten voor natuurlijke personen minimumniveaus voor de maximumgevangenisstraf worden vastgesteld. Vaak worden bijkomende sancties doeltreffender geacht dan financiële sancties, vooral voor rechtspersonen. Daarom moeten in strafrechtelijke procedures aanvullende sancties of maatregelen mogelijk zijn. Daartoe behoren de verplichting tot herstel van het milieu, uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, met inbegrip van aanbestedingsprocedures, subsidies en concessies, en intrekking van vergunningen. Dit doet geen afbreuk aan de discretionaire bevoegdheid van rechters of rechtbanken om in strafzaken in individuele gevallen passende sancties op te leggen.

(15)Wanneer het nationale recht daarin voorziet, moeten rechtspersonen ook strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor milieudelicten overeenkomstig deze richtlijn. Lidstaten waarvan het nationale recht niet voorziet in de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen, moeten ervoor zorgen dat hun administratieve sanctieregelingen voorzien in doeltreffende, afschrikkende en evenredige sanctiesoorten en -niveaus, zoals vastgesteld in deze richtlijn, teneinde de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken. Er moet rekening worden gehouden met de financiële situatie van rechtspersonen om ervoor te zorgen dat de opgelegde sanctie afschrikkend werkt.

(16)Een verdere onderlinge aanpassing en doeltreffendheid van de in de praktijk opgelegde sanctieniveaus moet worden bevorderd door middel van gemeenschappelijke verzwarende omstandigheden die de ernst van het gepleegde delict weerspiegelen. Wanneer de dood van of ernstig letsel aan een persoon is veroorzaakt en deze elementen niet reeds bestanddeel zijn van het delict, kunnen zij als verzwarende omstandigheden worden beschouwd. Ook wanneer een milieudelict aanzienlijke en onomkeerbare of langdurige schade toebrengt aan een volledig ecosysteem, dient dit vanwege de ernst ervan een verzwarende omstandigheid te zijn, ook in gevallen die vergelijkbaar zijn met ecocide. Aangezien de illegale winsten of uitgaven die door milieucriminaliteit kunnen worden gegenereerd respectievelijk vermeden, een belangrijke stimulans voor criminelen vormen, moet hiermee in het individuele geval rekening worden gehouden bij het bepalen van het passende sanctieniveau.

(17)Wanneer de delicten van aanhoudende aard zijn, moeten zij zo spoedig mogelijk worden beëindigd. Indien daders financiële winst hebben gemaakt, moet deze winst worden geconfisqueerd.

(18)Deze richtlijn dient van toepassing te zijn onverminderd de algemene regels en beginselen van het nationale strafrecht inzake de veroordeling of de toepassing en tenuitvoerlegging van straffen in overeenstemming met de specifieke omstandigheden van elk individueel geval.

(19)De lidstaten dienen voorschriften inzake verjaringstermijnen vast te stellen die nodig zijn om milieudelicten doeltreffend te kunnen bestrijden, onverminderd nationale voorschriften waarin geen verjaringstermijnen voor onderzoek, vervolging en handhaving zijn vastgesteld.

(20)De in deze richtlijn vervatte verplichting om te voorzien in strafrechtelijke sancties ontslaat de lidstaten niet van de verplichting om in hun nationale recht te voorzien in administratieve sancties en andere maatregelen voor inbreuken zoals vastgesteld in de Europese milieuwetgeving.

(21)De lidstaten moeten het toepassingsgebied van de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke rechtshandhaving met betrekking tot milieudelicten duidelijk afbakenen overeenkomstig hun nationale wetgeving. Bij de toepassing van het nationale recht tot omzetting van deze richtlijn moeten de lidstaten waarborgen dat het opleggen van strafrechtelijke en administratieve sancties in overeenstemming is met de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met inbegrip van het verbod op ne bis in idem.

(22)Voorts moeten de justitiële en bestuurlijke autoriteiten in de lidstaten beschikken over een scala van strafrechtelijke sancties en andere maatregelen om verschillende soorten criminele gedragingen op een passende en doeltreffende wijze aan te pakken.

(23)Met name gelet op de mobiliteit van de plegers van illegale gedragingen die onder deze richtlijn vallen, alsmede op het grensoverschrijdende karakter van delicten en de mogelijkheid van grensoverschrijdend onderzoek, moeten de lidstaten rechtsmacht vestigen om dergelijke gedragingen doeltreffend te bestrijden.

(24)Milieudelicten schaden de natuur en de samenleving. Door inbreuken op de Europese milieuwetgeving te melden, vervullen mensen een dienst van openbaar belang en spelen zij een sleutelrol bij het aan het licht brengen en voorkomen van dergelijke inbreuken, en aldus bij het waarborgen van het welzijn van de samenleving. Personen die in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten contact hebben met een organisatie, zijn vaak de eersten die op de hoogte zijn van bedreigingen van of schade aan het openbaar belang en het milieu. Personen die onregelmatigheden melden, staan bekend als klokkenluiders. Potentiële klokkenluiders worden vaak ontmoedigd om hun zorgen of vermoedens te melden uit angst voor represailles. Deze personen moeten in aanmerking komen voor een evenwichtige en doeltreffende klokkenluidersbescherming overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad 25 .

(25)Ook andere personen kunnen waardevolle informatie bezitten over mogelijke milieudelicten. Het kan gaan om leden van de getroffen gemeenschap of leden van de samenleving in het algemeen die een actieve rol spelen bij de bescherming van het milieu. Personen die milieudelicten aangeven en personen die meewerken aan de handhaving van dergelijke delicten moeten in het kader van de strafrechtelijke procedure de nodige steun en bijstand krijgen, zodat zij niet worden benadeeld voor hun medewerking, maar worden gesteund en bijgestaan. Deze personen moeten ook worden beschermd tegen intimidatie of onrechtmatige vervolging wegens het melden van dergelijke delicten of wegens hun medewerking aan de strafrechtelijke procedure.

(26)Aangezien de natuur zichzelf in strafrechtelijke procedures niet als slachtoffer kan vertegenwoordigen, moeten leden van het betrokken publiek, zoals gedefinieerd in deze richtlijn met inachtneming van artikel 2, lid 5, en artikel 9, lid 3, van het Verdrag van Aarhus 26 , met het oog op een doeltreffende handhaving de mogelijkheid hebben om op te treden namens het milieu als een collectief goed, binnen het toepassingsgebied van het rechtskader van de lidstaten en met inachtneming van de relevante procedurele voorschriften.

(27)Het gebrek aan middelen en handhavingsbevoegdheden voor de nationale autoriteiten die milieudelicten opsporen, onderzoeken, vervolgen of berechten, vormt een belemmering voor de doeltreffende preventie en bestraffing van milieudelicten. Het gebrek aan middelen kan er met name toe leiden dat de autoriteiten in het geheel niet optreden of hun handhavingsacties beperken, waardoor de daders aan hun aansprakelijkheid kunnen ontsnappen of een straf krijgen die niet in verhouding staat tot de ernst van het delict. Daarom moeten minimumcriteria inzake middelen en handhavingsbevoegdheden worden vastgesteld.

(28)De effectieve werking van de handhavingsketen hangt af van een reeks gespecialiseerde vaardigheden. Aangezien de complexiteit van de uitdagingen die milieudelicten met zich meebrengen en de technische aard van dergelijke delicten een multidisciplinaire aanpak vereisen, zijn een hoog niveau van juridische kennis, technische deskundigheid alsmede een hoog niveau van opleiding en specialisatie bij alle betrokken bevoegde autoriteiten noodzakelijk. De lidstaten moeten zorgen voor een opleiding die is afgestemd op de functie van degenen die milieucriminaliteit opsporen, onderzoeken, vervolgen of berechten. Om het professionalisme en de doeltreffendheid van de handhavingsketen te maximaliseren, moeten de lidstaten ook overwegen gespecialiseerde onderzoekseenheden, officieren van justitie en rechters aan te wijzen voor de behandeling van milieustrafzaken. De algemene strafrechtbanken zouden kunnen voorzien in gespecialiseerde kamers. Technische deskundigheid moet ter beschikking worden gesteld van alle betrokken handhavingsinstanties.

(29)Met het oog op een succesvolle handhaving moeten de lidstaten doeltreffende onderzoeksinstrumenten voor milieudelicten ter beschikking stellen, zoals die in hun nationale recht bestaan voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit of andere ernstige delicten. Deze instrumenten moeten onder meer het onderscheppen van communicatie, het schaduwen van personen, met inbegrip van elektronische bewaking, gecontroleerde aflevering, het controleren van bankrekeningen en andere financiële onderzoeksinstrumenten omvatten. Deze instrumenten moeten worden toegepast in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en met volledige inachtneming van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Overeenkomstig de nationale wetgeving moeten de aard en de ernst van de onderzochte delicten het gebruik van deze onderzoeksinstrumenten rechtvaardigen. Het recht op de bescherming van persoonsgegevens moet worden geëerbiedigd.

(30)Om te zorgen voor een doeltreffend, geïntegreerd en samenhangend handhavingssysteem dat bestuursrechtelijke, civielrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen omvat, moeten de lidstaten interne samenwerking en communicatie organiseren tussen alle partijen in de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingsketen en tussen partijen die straffen en corrigerende maatregelen opleggen. Overeenkomstig de toepasselijke voorschriften moeten de lidstaten ook samenwerken via EU-agentschappen, met name Eurojust en Europol, en met EU-instanties, waaronder het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), op hun respectieve bevoegdheidsgebieden.

(31)Met het oog op een samenhangende aanpak van de bestrijding van milieucriminaliteit dienen de lidstaten een nationale strategie ter bestrijding van milieucriminaliteit vast te stellen, bekend te maken en op gezette tijden te herzien, waarin de doelstellingen, de prioriteiten en de nodige maatregelen en middelen worden vastgesteld.

(32)Om de in deze richtlijn bedoelde delicten doeltreffend te kunnen aanpakken, is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten in de lidstaten nauwkeurige, consistente en vergelijkbare gegevens verzamelen over de omvang en de trends op het gebied van milieudelicten en over de inspanningen ter bestrijding ervan en de resultaten van die inspanningen. Deze gegevens moeten worden gebruikt voor het opstellen van statistieken ten behoeve van de operationele en strategische planning van handhavingsactiviteiten, alsmede voor het verstrekken van informatie aan de burgers. De lidstaten dienen relevante statistische gegevens over milieudelicten te verzamelen en daarover verslag uit te brengen aan de Commissie. De Commissie moet de resultaten op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens regelmatig beoordelen en bekendmaken.

(33)De krachtens deze richtlijn verzamelde statistische gegevens over milieudelicten moeten tussen de lidstaten vergelijkbaar zijn en verzameld worden op basis van gemeenschappelijke minimumnormen. Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend om het standaardformaat voor de toezending van statistische gegevens vast te stellen. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 27 .

(34)De verplichtingen krachtens deze richtlijn doen geen afbreuk aan het EU-recht inzake procedurele rechten in strafrechtelijke procedures. Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafrechtelijke procedures ten volle worden geëerbiedigd.

(35)Alternatieven — gelieve één optie te schrappen volgens de keuze van Ierland:

(36)[geen deelneming:] Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat. OF

[deelneming:] Overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 1, van het Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, heeft Ierland [, bij de brief van …,] te kennen gegeven te willen deelnemen aan de vaststelling en toepassing van deze richtlijn.

(37)Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad 28 is aangevuld door Richtlijn 2009/123/EG van het Europees Parlement en de Raad 29 met bepalingen inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken. Dergelijke delicten en sancties moeten binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Voor de lidstaten die aan deze richtlijn deelnemen, moet Richtlijn 2009/123/EG derhalve dienovereenkomstig worden vervangen.

(38)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat.

(39)Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het zorgen voor gemeenschappelijke definities van milieudelicten en voor de beschikbaarheid van doeltreffende, afschrikkende en evenredige strafrechtelijke sancties voor ernstige milieudelicten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar wegens de omvang en de gevolgen van deze richtlijn beter op EU-niveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de EU, overeenkomstig het in artikel 5 van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in genoemd artikel, gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om deze doelstelling te bereiken.

(40)Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen, en het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft. Deze richtlijn strekt ertoe die rechten en beginselen volledig te waarborgen en moet dienovereenkomstig ten uitvoer worden gelegd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden minimumvoorschriften met betrekking tot de bepaling van delicten en sancties vastgesteld teneinde het milieu doeltreffender te beschermen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1)“wederrechtelijk”: een gedraging die inbreuk maakt op:

a)wetgeving van de Unie, die ongeacht de rechtsgrondslag ervan bijdraagt tot het nastreven van de doelstellingen van het beleid van de Unie voor de bescherming van het milieu zoals vervat in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

b)een wettelijke bepaling, een bestuursrechtelijk voorschrift van een lidstaat of een besluit van een bevoegde instantie van een lidstaat ter uitvoering van de onder a) bedoelde wetgeving van de Unie.

De gedraging wordt ook wederrechtelijk geacht indien daarvoor een vergunning is verleend door een bevoegde instantie in een lidstaat en die vergunning op frauduleuze wijze of door middel van corruptie, afpersing of dwang is verkregen;

(2) “beschermde habitat”: een habitat van een soort waarvoor een gebied als speciale beschermingszone is ingedeeld overeenkomstig artikel 4, lid 1 of lid 2, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad 30 , of elke natuurlijke habitat of habitat van een soort waarvoor een gebied als speciale beschermingszone is aangemerkt overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad 31 ;

(3)“rechtspersoon”: iedere juridische entiteit die deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke interne recht bezit, met uitzondering van staten of overheidslichamen in de uitoefening van het overheidsgezag en van publiekrechtelijke internationale organisaties;

(4)“betrokken publiek”: de personen die worden getroffen of mogelijk worden getroffen door de in artikel 3 of artikel 4 bedoelde delicten. In de zin van deze definitie worden personen met een voldoende belang of personen die stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, alsmede niet-gouvernementele milieubeschermingsorganisaties die overeenkomstig het interne recht aan evenredige eisen voldoen, geacht een belang te hebben;

(5)“slachtoffer”: een slachtoffer in de zin van artikel 2, lid 1, punt a), van Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad 32 .

Artikel 3

Delicten

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de navolgende gedragingen delicten zijn wanneer zij wederrechtelijk en opzettelijk worden begaan:

(a)het lozen, uitstoten of anderszins brengen van een hoeveelheid materie of stoffen of ioniserende straling in de lucht, de grond of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(b)het op de markt brengen van een product waardoor, in strijd met een verbod of een ander vereiste, de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt ten gevolge van het gebruik van het product op grotere schaal;

(c)het vervaardigen, op de markt brengen of gebruiken van stoffen, als zodanig, in mengsels of voorwerpen, met inbegrip van de verwerking ervan in voorwerpen, wanneer:

i)ten aanzien daarvan beperkingen gelden ingevolge titel VIII en bijlage XVII van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad 33 ; of

ii)dit is verboden ingevolge titel VII van Verordening (EG) nr. 1907/2006; of

34 iii) dit niet in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad; of

35 iv) dit niet in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad; of

v)dit onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad 36 valt; of

vi)dit is verboden ingevolge bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad 37 ;

en de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten veroorzaakt dan wel dreigt te veroorzaken;

(d)de uitvoering van projecten als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt a), van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad 38 zonder een vergunning of een milieueffectbeoordeling, waardoor aanzienlijke schade wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt aan de factoren als omschreven in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2011/92/EU;

(e)het inzamelen, vervoeren, hergebruiken of verwijderen van afvalstoffen, het bedrijfstoezicht op deze procedures en de nazorg voor verwijderingslocaties, met inbegrip van de handelingen die door handelaren of makelaars worden verricht (afvalbeheer) wanneer wederrechtelijke gedragingen:

i) betrekking hebben op gevaarlijke afvalstoffen als gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad 39 en worden uitgevoerd in een niet-verwaarloosbare hoeveelheid;

ii)betrekking hebben op andere afvalstoffen dan bedoeld onder i) en de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken;

(f)het overbrengen van afvalstoffen, in de zin van artikel 2, punt 35, van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad 40 wanneer dit wordt uitgevoerd in een niet-verwaarloosbare hoeveelheid, ongeacht of de overbrenging tot stand komt door één enkel transport dan wel door meerdere, kennelijk met elkaar in verband staande transporten;

(g)scheepsrecycling binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad 41 zonder te voldoen aan de vereisten van artikel 6, lid 2, punt a), van die verordening;

(h)het lozen van verontreinigende stoffen vanaf schepen als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad 42 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties, waaronder strafrechtelijke sancties, voor inbreuken, in een van de gebieden als bedoeld in artikel 3, lid 1, van die richtlijn, voor zover de lozing vanaf schepen niet voldoet aan de uitzonderingen van artikel 5 van die richtlijn; deze bepaling is niet van toepassing op individuele gevallen, waarin de lozing vanaf schepen geen aantasting van de waterkwaliteit tot gevolg heeft, tenzij herhaalde gevallen door dezelfde dader tezamen een aantasting van de waterkwaliteit tot gevolg hebben.

(i)het installeren, exploiteren of ontmantelen van een installatie waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht of waar gevaarlijke stoffen, preparaten of verontreinigende stoffen worden opgeslagen of gebruikt die binnen het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad 43 , Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad 44 of Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad 45 en waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(j)het vervaardigen, produceren, bewerken, hanteren, gebruiken, voorhanden hebben, opslaan, vervoeren, in- en uitvoeren en verwijderen van radioactief materiaal dat binnen het toepassingsgebied valt van Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad 46 , Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad 47 of Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad 48 , waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(k)het onttrekken van oppervlaktewater of grondwater waardoor aanzienlijke schade aan de ecologische toestand of het ecologisch potentieel van oppervlaktewaterlichamen of aan de kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;

(l)het doden, vernietigen, vangen, bezitten, verkopen of te koop aanbieden van een specimen of specimens van in het wild levende dier- of plantensoorten als genoemd in de bijlagen IV en V (wanneer soorten van bijlage V onder de maatregelen vallen die ook zijn vastgesteld voor soorten van bijlage IV) bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad 49 en van de soorten als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad 50 , tenzij in gevallen waarin de gedraging betrekking heeft op een verwaarloosbare hoeveelheid van deze specimens;

(m)het verhandelen van specimens van in het wild levende dier- of plantensoorten of delen of afgeleide producten daarvan zoals genoemd in de bijlagen A en B bij Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad 51 , tenzij in gevallen waarin de gedraging betrekking heeft op een verwaarloosbare hoeveelheid van deze specimens;

(n)het in de Unie op de markt brengen of aanbieden van illegaal gekapt hout of van houtproducten vervaardigd van illegaal gekapt hout die binnen het toepassingsgebied vallen van Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad 52 , tenzij in gevallen waarin de gedraging betrekking heeft op een verwaarloosbare hoeveelheid; [Indien een verordening inzake het aanbieden op de markt in de Unie en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die verband houden met ontbossing en bosdegradatie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 995/2010 eerder dan deze richtlijn wordt aangenomen, moet punt n) worden vervangen door een delict binnen het toepassingsgebied van artikel 3 van die verordening.

(o)elke gedraging die schade toebrengt aan een beschermde habitat in de zin van artikel 6, lid 2, van Richtlijn 92/43/EEG, indien deze schade aanzienlijk is;

(p)de introductie of verspreiding van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten wanneer:

i)de gedraging in strijd is met de beperkingen van artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad 53 ;

ii)de gedraging in strijd is met een voorwaarde van een vergunning die is afgegeven ingevolge artikel 8 of een toelating die is verleend ingevolge artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1143/2014 en de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten veroorzaakt dan wel dreigt te veroorzaken;

(q)het produceren, op de markt brengen, invoeren, uitvoeren, gebruiken, uitstoten of doen vrijkomen van ozonafbrekende stoffen zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad 54 of van producten en apparaten die dergelijke stoffen bevatten of nodig hebben; 

(r)het produceren, op de markt brengen, invoeren, uitvoeren, gebruiken, uitstoten of doen vrijkomen van ozonafbrekende stoffen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad 55 of van producten en apparaten die dergelijke stoffen bevatten of nodig hebben;

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de gedragingen als bedoeld in lid 1, punten a), b), c), d), e), f), h), i), j), k), m), n), p) ii), q) en r) ook een delict zijn als zij ten minste uit grove nalatigheid worden begaan.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale wetgeving bepaalt dat bij de opsporing, de vervolging en de berechting van de delicten als bedoeld in lid 1, punten a) tot en met e), en i), j), k) en p) de navolgende aspecten, indien van toepassing, in aanmerking worden genomen wanneer wordt beoordeeld of de schade of mogelijke schade aanzienlijk is:

(a)de referentietoestand van het aangetaste milieu;

(b)de vraag of de schade van lange, middellange of korte duur is;

(c)de ernst van de schade;

(d)de verspreiding van de schade;

(e)de omkeerbaarheid van de schade.

4.De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale wetgeving bepaalt dat bij de opsporing, de vervolging en de berechting van de delicten als bedoeld in lid 1, punten a) tot en met e), en i), j), k) en p) de navolgende aspecten in aanmerking worden genomen wanneer wordt beoordeeld of de activiteit mogelijk schadelijk is voor de kwaliteit van lucht, grond of water of voor dieren of planten:

(a)de gedraging heeft betrekking op een vergunningplichtige activiteit die als risicovol of gevaarlijk wordt beschouwd en waarvoor geen vergunning is afgegeven of waarbij in strijd met de vergunningsvoorwaarden is gehandeld;

(b)de mate van overschrijding van de waarden, parameters of grenswaarden zoals opgenomen in rechtshandelingen of in een voor de activiteit afgegeven vergunning;

(c)de vraag of het materiaal of de stof als gevaarlijk of anderszins als schadelijk voor het milieu of de menselijke gezondheid is aangemerkt.

5.De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale wetgeving bepaalt dat bij de opsporing, de vervolging en de berechting van de delicten als bedoeld in lid 1, punten e), f), l), m) en n) de navolgende aspecten in aanmerking worden genomen wanneer wordt beoordeeld of de hoeveelheid al dan niet verwaarloosbaar is:

(a)het aantal artikelen waarop het delict betrekking heeft;

(b)de mate waarin de wettelijke drempel, de waarde of een andere voorgeschreven parameter is overschreden;

(c)de staat van instandhouding van de desbetreffende dier- of plantensoorten;

(d)de kosten van het herstel van de milieuschade.

Artikel 4

Uitlokking, medeplichtigheid en poging

1.De lidstaten stellen uitlokking van en medeplichtigheid aan elk van de in artikel 3, lid 1, bedoelde delicten strafbaar.

2.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om een poging om opzettelijk een van de in artikel 3, lid 1, punten a), b), c), d), e), f), h), i), j), k), m), n), p) ii), q) en r) bedoelde delicten te plegen, strafbaar te stellen.

Artikel 5

Sancties tegen natuurlijke personen

1.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten strafbaar worden gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties.

2.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3 bedoelde delicten strafbaar worden gesteld met een maximumgevangenisstraf van ten minste tien jaar indien zij de dood van of ernstig letsel aan personen veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.

3.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3, lid 1, punten a) tot en met j), en n), q) en r) bedoelde delicten strafbaar worden gesteld met een maximumgevangenisstraf van ten minste zes jaar.

4.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3, lid 1, punten k), l), m), o) en p) bedoelde delicten strafbaar worden gesteld met een maximumgevangenisstraf van ten minste vier jaar.

5.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan natuurlijke personen die de in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten hebben gepleegd, aanvullende sancties of maatregelen kunnen worden opgelegd, waaronder:

(a)de verplichting om het milieu binnen een bepaalde termijn te herstellen;

(b)geldboetes;

(c)tijdelijke of permanente uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, waaronder aanbestedingsprocedures, subsidies en concessies;

(d)een verbod op het geven van leiding aan inrichtingen van het type dat is gebruikt om het delict te plegen;

(e)intrekking van vergunningen en machtigingen voor activiteiten die hebben geleid tot het plegen van het delict;

(f)een tijdelijk verbod op kandidaatstelling voor openbare ambten of ambten die door verkiezing worden verkregen;

(g)openbaarmaking in het land of in de Unie van de rechterlijke beslissing inzake de veroordeling of eventuele opgelegde sancties of maatregelen.

Artikel 6

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.De lidstaten zorgen ervoor dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten indien deze tot hun voordeel zijn gepleegd door individueel of als lid van een orgaan van de rechtspersoon handelende personen die in de rechtspersoon een leidende positie bekleden, op grond van:

(a)de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen; of

(b)de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen;

(c)de bevoegdheid om bij de rechtspersoon toezicht uit te oefenen.

2.De lidstaten zorgen er eveneens voor dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld wanneer, als gevolg van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 bedoelde persoon, een in de artikelen 3 en 4 bedoeld delict ten voordele van de rechtspersoon kon worden gepleegd door een persoon die onder diens gezag staat.

3.De aansprakelijkheid van een rechtspersoon krachtens de leden 1 en 2 sluit niet de strafrechtelijke vervolging uit van natuurlijke personen die als dader, uitlokker of medeplichtige bij in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten betrokken zijn.

Artikel 7

Sancties tegen rechtspersonen

1.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een rechtspersoon die op grond van artikel 6, lid 1, aansprakelijk wordt gesteld, kan worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.

2.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan rechtspersonen die op grond van artikel 6, lid 1 aansprakelijk zijn voor in artikel 3 en 4 bedoelde delicten onder meer de navolgende sancties of maatregelen kunnen worden opgelegd:

(a)al dan niet strafrechtelijke geldboetes;

(b)de verplichting om het milieu binnen een bepaalde termijn te herstellen;

(c)de uitsluiting van door de overheid verleende voordelen of steun;

(d)tijdelijke uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, waaronder aanbestedingsprocedures, subsidies en concessies;

(e)een tijdelijk of permanent verbod op het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten;

(f)intrekking van vergunningen en machtigingen voor activiteiten die hebben geleid tot het plegen van het delict;

(g)plaatsing onder rechterlijk toezicht;

(h)gerechtelijke ontbinding;

(i)tijdelijke of permanente sluiting van inrichtingen die zijn gebruikt voor het plegen van het delict;

(j)de verplichting voor ondernemingen om de naleving van milieunormen op basis van zorgvuldig onderzoek te verbeteren;

(k)openbaarmaking van de rechterlijke beslissing in verband met de veroordeling of eventuele opgelegde sancties of maatregelen.

3.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan een rechtspersoon die op grond van artikel 6, lid 2, aansprakelijk wordt gesteld, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties of maatregelen kunnen worden opgelegd.

4.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3, lid 1, punten a) tot en met j), en n), q) en r), bedoelde delicten strafbaar worden gesteld met maximumboetes van ten minste 5 % van de totale wereldwijde omzet van de rechtspersoon [/onderneming] in het boekjaar voorafgaand aan het jaar waarin de boete wordt opgelegd.

5.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3, lid 1, punten k), l), m), o) en p) bedoelde delicten strafbaar worden gesteld met maximumboetes van ten minste 3 % van de totale wereldwijde omzet van de rechtspersoon [/onderneming] in het boekjaar voorafgaand aan het jaar waarin de boete wordt opgelegd.

6.De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de door het delict verkregen illegale winsten en de jaaromzet van de rechtspersoon in aanmerking worden genomen bij het nemen van een beslissing over de passende hoogte van een boete op grond van lid 1.

Artikel 8

Verzwarende omstandigheden

Voor zover de navolgende omstandigheden nog geen deel uitmaken van de constitutieve bestanddelen van de in artikel 3 bedoelde delicten, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in verband met de desbetreffende in artikel 3 en 4 bedoelde delicten de navolgende omstandigheden als verzwarende omstandigheden kunnen worden beschouwd:

(a)het delict heeft de dood van of ernstig letsel aan een persoon tot gevolg gehad;

(b)het delict heeft vernietiging of onomkeerbare dan wel langdurige aanzienlijke schade aan een ecosysteem tot gevolg gehad;

(c)het delict is gepleegd in het kader van een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad 56 ;

(d)bij het delict werden valse of vervalste documenten gebruikt;

(e)het delict werd door een overheidsfunctionaris gepleegd bij de uitvoering van zijn/haar taken;

(f)de dader heeft eerder soortgelijke overtredingen van de milieuwetgeving begaan;

(g)het delict heeft aanzienlijk financieel voordeel opgeleverd, zou naar verwachting aanzienlijk financieel voordeel opleveren of heeft aanzienlijke uitgaven voorkomen, direct of indirect;

(h)de dader kan vanwege zijn/haar gedragingen aansprakelijk worden gesteld voor milieuschade, maar voldoet niet aan zijn/haar verplichtingen tot herstel van de schade ingevolge artikel 6 van Richtlijn 2004/35/EG 57 ;

(i)de dader verleent geen medewerking aan inspectie- en andere handhavingsinstanties wanneer dat wettelijk verplicht is;

(j)de dader belemmert inspecties, douanecontroles of onderzoek actief of intimideert getuigen of klagers of valt deze lastig.

Artikel 9

Verzachtende omstandigheden

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in verband met de desbetreffende in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten de navolgende omstandigheden als verzachtende omstandigheden kunnen worden beschouwd:

(a)de dader herstelt de natuur in de oorspronkelijke toestand;

(b)de dader verstrekt de bestuurlijke of gerechtelijke autoriteiten informatie die zij niet anderszins hadden kunnen verkrijgen, en met behulp waarvan zij:

i)andere daders kunnen identificeren of gerechtelijk vervolgen;

ii)bewijsmateriaal kunnen opsporen.

Artikel 10

Bevriezing en confiscatie

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in voorkomend geval hun bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad 58 de opbrengsten van, en de hulpmiddelen die werden gebruikt of bestemd waren om te worden gebruikt bij het plegen of het bijdragen aan het plegen van een van de in deze richtlijn genoemde delicten, kunnen bevriezen of in beslag kunnen nemen.

Artikel 11

Verjaringstermijnen van delicten

1.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te voorzien in een zodanige verjaringstermijn dat de in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten voldoende lange tijd nadat deze zijn gepleegd, nog het voorwerp kunnen zijn van onderzoek, vervolging, een proces en een rechterlijke beslissing, zodat die delicten effectief kunnen worden aangepakt.

2.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om onderzoek, vervolging, een proces en een rechterlijke beslissing mogelijk te maken ten aanzien van:

(a)in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten waarvoor een maximumsanctie van ten minste tien jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd, gedurende een termijn van ten minste tien jaar, gerekend vanaf het moment waarop het delict werd gepleegd, indien de delicten strafbaar zijn;

(b)in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten waarvoor een maximumsanctie van ten minste zes jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd, gedurende een termijn van ten minste zes jaar, gerekend vanaf het moment waarop het strafbaar werd gepleegd, indien de delicten strafbaar zijn;

(c)in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten waarvoor een maximumsanctie van ten minste vier jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd, gedurende een termijn van ten minste vier jaar, gerekend vanaf het moment waarop het delict werd gepleegd, indien de delicten strafbaar zijn.

3.In afwijking van het bepaalde in lid 2 kunnen de lidstaten een verjaringstermijn van minder dan tien jaar doch van ten minste vier jaar vaststellen, mits die termijn door bepaalde handelingen kan worden gestuit of geschorst.

4.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de tenuitvoerlegging mogelijk te maken van:

(a)een gevangenisstraf, in het geval van een delict waarvoor een maximumsanctie van ten minste tien jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd na een onherroepelijke veroordeling voor een in de artikelen 3 en 4 bedoeld delict, gedurende een termijn van ten minste tien jaar, te rekenen vanaf de dag van de onherroepelijke veroordeling;

(b)een gevangenisstraf, in het geval van een delict waarvoor een maximumsanctie van ten minste zes jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd na een onherroepelijke veroordeling voor een in de artikelen 3 en 4 bedoeld delict, gedurende een termijn van ten minste zes jaar, te rekenen vanaf de dag van de onherroepelijke veroordeling;

(c)een gevangenisstraf, in het geval van een delict waarvoor een maximumsanctie van ten minste vier jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd na een onherroepelijke veroordeling voor een in de artikelen 3 en 4 bedoeld delict, gedurende een termijn van ten minste vier jaar, te rekenen vanaf de dag van de onherroepelijke veroordeling.

In deze termijnen kunnen verlengingen van de verjaringstermijn zijn inbegrepen die voortvloeien uit een stuiting of schorsing.

Artikel 12

Rechtsmacht

1.Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten, indien:

(a)het delict geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van die lidstaat is gepleegd;

(b)het delict is gepleegd aan boord van een vaartuig of een vliegtuig dat in die lidstaat is geregistreerd of er de vlag van voert;

(c)de schade op zijn grondgebied is ontstaan;

(d)de dader onderdaan of ingezetene van die lidstaat is.

2.Een lidstaat stelt de Commissie in kennis van zijn besluit om zijn rechtsmacht uit te breiden naar in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd, indien:

(a)het delict is gepleegd ten voordele van een op het grondgebied van die lidstaat gevestigde rechtspersoon;

(b)de benadeelde van het delict een onderdaan of ingezetene van die lidstaat is;

(c)door het delict op het grondgebied van die lidstaat een ernstig risico voor het milieu is ontstaan.

Wanneer een in de artikelen 3 en 4 bedoeld delict onder de rechtsmacht van meer dan een lidstaat valt, bepalen deze lidstaten gezamenlijk welke lidstaat de strafrechtelijke procedure zal uitvoeren. In voorkomend geval wordt de zaak overeenkomstig artikel 12 van Kaderbesluit 2009/948/JBZ naar Eurojust verwezen. 59  

3.In de in lid 1, punten c) en d), bedoelde gevallen nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitoefening van hun rechtsmacht niet is onderworpen aan de voorwaarde dat alleen tot vervolging kan worden overgegaan na een aangifte van de lidstaat waarin de plaats is gelegen waar het delict is gepleegd.

Artikel 13

Bescherming van personen die milieudelicten melden of medewerking verlenen aan het onderzoek

1.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bescherming die wordt verleend op grond van Richtlijn (EU) 2019/1937 van toepassing is op personen die de in de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn bedoelde delicten melden.

2.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat personen die in de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn bedoelde delicten melden en bewijsmateriaal aanleveren of anderszins medewerking verlenen aan het onderzoek, de vervolging of de berechting van die delicten, de nodige ondersteuning en bijstand wordt verleend in het kader van de strafrechtelijke procedure.

Artikel 14

Rechten van het betrokken publiek om deel te nemen aan procedures

De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met hun nationale rechtsstelsel, het betrokken publiek passende rechten heeft om deel te nemen aan procedures in verband met in de artikelen 3 en 4 bedoelde delicten, bijvoorbeeld als civiele partij.

Artikel 15

Preventie

De lidstaten nemen passende maatregelen, onder meer in de vorm van voorlichtings- en bewustmakingscampagnes en onderzoeks- en educatieprogramma's, om het totale aantal milieudelicten terug te dringen, het bewustzijn bij het publiek te vergroten en het risico dat de bevolking het slachtoffer wordt van een milieudelict te verkleinen. Waar nuttig, werken de lidstaten met de desbetreffende belanghebbenden samen.

Artikel 16

Middelen

De lidstaten zorgen ervoor dat nationale instanties die milieudelicten vaststellen, onderzoeken, vervolgen of berechten, beschikken over voldoende gekwalificeerde medewerkers en over voldoende financiële, technische en technologische middelen voor een doeltreffende uitoefening van hun taken in het kader van de uitvoering van deze richtlijn.

Artikel 17

Opleiding

Onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en verschillen in de organisatie van de rechterlijke macht in de Unie verzoeken de lidstaten degenen die verantwoordelijk zijn voor de opleiding van rechters, aanklagers, politie en medewerkers van justitie en van bevoegde instanties die betrokken zijn bij strafrechtelijke procedures en onderzoeken om geregeld gespecialiseerde opleidingen over de doelen van deze richtlijn aan te bieden, afgestemd op de functies van de betrokken medewerkers en instanties.

Artikel 18

Onderzoeksmiddelen

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat doeltreffende onderzoeksmiddelen, waaronder de middelen die worden ingezet bij zaken op het gebied van georganiseerde of andere zware criminaliteit, ook beschikbaar zijn voor het onderzoeken of vervolgen van de in de artikelen 3 en 4 genoemde delicten.

Artikel 19

Coördinatie en samenwerking tussen bevoegde instanties binnen een lidstaat

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te komen tot passende regelingen voor coördinatie en samenwerking op strategisch en operationeel niveau tussen al hun bevoegde instanties die betrokken zijn bij de preventie en de bestrijding van milieucriminaliteit. Met dergelijke regelingen moet ten minste het volgende worden beoogd:

(a)waarborgen van gezamenlijke prioriteiten en zienswijzen ten aanzien van het verband tussen strafrechtelijke en administratieve handhaving;

(b)uitwisselen van informatie voor strategische en operationele doeleinden;

(c)overleg in individuele onderzoeken;

(d)uitwisselen van beste praktijken;

(e)bijstand aan Europese netwerken van functionarissen die werken aan zaken die van belang zijn voor de bestrijding van milieucriminaliteit en aanverwante overtredingen,

onder meer in de vorm van gespecialiseerde coördinatieorganen, memoranda van overeenstemming tussen bevoegde instanties, nationale handhavingsnetwerken en gezamenlijke opleidingsactiviteiten.

Artikel 20

Nationale strategie

1.Uiterlijk op [PB – datum invoegen – binnen één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] hebben de lidstaten een nationale strategie voor de bestrijding van milieucriminaliteit vastgesteld, openbaar gemaakt en ingevoerd, waarin ten minste het volgende is opgenomen:

(a)de doelstellingen en prioriteiten van nationaal beleid ten aanzien van deze criminaliteit;

(b)de rollen en verantwoordelijkheden van alle bevoegde instanties die betrokken zijn bij de aanpak van dit soort criminaliteit;

(c)de wijzen van coördinatie en samenwerking tussen de bevoegde instanties;

(d)het gebruik van bestuurs- en civiel recht voor de aanpak van overtredingen in verband met de delicten binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn;

(e)de benodigde middelen en de wijze waarop specialisatie van handhavers zal worden ondersteund;

(f)de procedures en systemen voor geregelde monitoring en evaluatie van de bereikte resultaten;

(g)bijstand aan Europese netwerken die zich bezighouden met aangelegenheden die rechtstreeks relevant zijn voor de bestrijding van milieucriminaliteit en aanverwante overtredingen.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de strategie geregeld, doch ten minste eens in de vijf jaar op basis van een risicoanalyse wordt geëvalueerd en bijgewerkt, om rekening te houden met relevante ontwikkelingen en trends en daaraan gerelateerde dreigingen op het gebied van milieucriminaliteit.

Artikel 21

Gegevensvergaring en statistieken

1.De lidstaten verzamelen statistische gegevens om de doeltreffendheid van hun systemen voor de bestrijding van milieudelicten te bewaken.

2.Tot de in lid 1 bedoelde statistische gegevens behoren in ieder geval:

(a)het aantal gemelde milieuzaken;

(b)het aantal onderzochte milieuzaken;

(c)de gemiddelde lengte van strafrechtelijke onderzoeken naar milieudelicten;

(d)het aantal veroordelingen wegens milieudelicten;

(e)het aantal natuurlijke personen dat is veroordeeld en waaraan sancties zijn opgelegd wegens milieudelicten;

(f)het aantal rechtspersonen waaraan sancties zijn opgelegd wegens milieudelicten of soortgelijke delicten;

(g)het aantal geseponeerde milieuzaken;

(h)de soorten opgelegde sancties wegens milieudelicten en de hoogte ervan, ook uitgesplitst naar categorie milieudelicten overeenkomstig artikel 3.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat er geregeld een geconsolideerd overzicht van hun statistieken wordt gepubliceerd.

4.De lidstaten zenden de Commissie jaarlijks de in lid 2 bedoelde statistische gegevens in een standaardformaat dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 22.

5.De Commissie publiceert geregeld een verslag dat is gebaseerd op de door de lidstaten verstrekte statistische gegevens. Drie jaar nadat het in artikel 22 bedoelde standaardformaat is vastgesteld, wordt dit verslag voor het eerst gepubliceerd.

Artikel 22

Uitvoeringsbevoegdheden

1.De Commissie is bevoegd om uitvoeringshandelingen vast te stellen waarin het standaardformaat voor de in artikel 21, lid 4, bedoelde verzending van gegevens wordt bepaald. Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.Ten behoeve van de verzending van statistische gegevens moet het standaardformaat de navolgende onderdelen bevatten:

(a)een gemeenschappelijke indeling van milieudelicten;

(b)een gemeenschappelijk begrip van teleenheden;

(c)een gemeenschappelijk begrip van de fasen van een milieuprocedure (onderzoek, vervolging, proces);

(d)een gemeenschappelijk rapportageformaat.

Artikel 23

Comitéprocedure

1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 24

Omzetting

1.De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [PB – datum toevoegen – binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 25

Evaluatie en verslaglegging

1.De Commissie dient uiterlijk op [PB – datum toevoegen - twee jaar nadat de omzettingstermijn is verstreken] een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin wordt beoordeeld in welke mate de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten verstrekken de Commissie de nodige gegevens voor het opstellen van dat verslag.

2.Vanaf [PB – datum toevoegen één jaar nadat de omzettingstermijn is verstreken] zenden de lidstaten de Commissie om de twee jaar binnen drie maanden een verslag waarin een overzicht is opgenomen van de uitvoering en de maatregelen die zijn genomen overeenkomstig de artikelen 15 tot en met 17, 19 en 20.

3.Uiterlijk op [PB – datum toevoegen - vijf jaar nadat de omzettingstermijn is verstreken] evalueert de Commissie de effecten van deze richtlijn en zendt zij een verslag aan het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten verstrekken de Commissie de nodige gegevens voor het opstellen van dat verslag.

Artikel 26

Vervanging van Richtlijn 2008/99/EG

Richtlijn 2008/99/EG wordt vervangen voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten, onverminderd de verplichtingen van die lidstaten betreffende de datum van omzetting van die richtlijn in intern recht. Voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten gelden verwijzingen naar Richtlijn 2008/99/EG als verwijzingen naar deze richtlijn. Niet door deze richtlijn gebonden lidstaten blijven gebonden door Richtlijn 2008/98/EG.

Artikel 27
Toepassing van Richtlijn 2005/35/EG

Richtlijn 2009/123/EG is niet langer op de bij deze richtlijn betrokken lidstaten van toepassing vanaf de datum van omzetting ervan.

Artikel 28

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 29

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

INHOUDSOPGAVE

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

1.2.Betrokken beleidsterrein(en)

1.3.Het voorstel/initiatief betreft:

1.4.Doelstelling(en)

1.4.1.Algemene doelstelling(en)

1.4.2.Specifieke doelstelling(en)

1.4.3.Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en)

1.4.4.Prestatie-indicatoren

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de Unie (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van de deelname van de Unie” verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die door een optreden van alleen een lidstaat zou zijn gecreëerd.

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

1.6.Looptijd en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief

1.7.Beoogde beheersvorm(en)

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen

2.2.Beheers- en controlesyste(e)m(en)

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico’s en het (de) systeem (systemen) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico’s te beperken

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel voor de kredieten

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd met operationele kredieten

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

3.2.3.1.Geraamde personeelsbehoeften

3.2.4.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader

3.2.5.Bijdragen van derden

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

FINANCIEEL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

Voorstel voor een richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot wijziging van Richtlijn 99/2008/EG

1.2.Betrokken beleidsterrein(en) 

Milieubescherming

Strafrecht

Strafprocesrecht

Materieel strafrecht

1.3.Het voorstel/initiatief betreft: 

 een nieuwe actie 

 een nieuwe actie na een proefproject / voorbereidende actie 60  

 de verlenging van een bestaande actie 

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere / nieuwe actie 

1.4.Doelstelling(en)

1.4.1.Algemene doelstelling(en)

Het beleidsdoel en de hoofddoelstelling van het initiatief is het waarborgen van een betere bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en door verbetering van de vaststelling, het onderzoek, de vervolging en de bestraffing van milieucriminaliteit. De beoogde nieuwe richtlijn milieucriminaliteit zal bijdragen aan de verwezenlijking van de doelen van artikel 191 VWEU, de Green Deal en de biodiversiteitsstrategie.

Aangezien dit voorstel een herziening van een oude richtlijn inhoudt, voorziet het met name in het aanpakken van de tekortkomingen en zwakke punten van Richtlijn 2008/99/EG die bij de evaluatie in 2019-2020 naar voren zijn gekomen. (nvdr: “Specifieke doelstelling”).

1.4.2.Specifieke doelstelling(en)

Specifieke doelstelling nr.

1. Verbeteren van de doeltreffendheid van de opsporing, het onderzoek, de vervolging en de bestraffing van milieucriminaliteit door aanpassing van het toepassingsgebied van de richtlijn en verfijning van de juridische techniek die is gebruikt voor het definiëren van het toepassingsgebied;

2. Verbeteren van de doeltreffendheid van de opsporing, het onderzoek, de vervolging en de bestraffing van milieucriminaliteit door het verduidelijken of verwijderen van niet-gedefinieerde termen in (uit) de bestaande omschrijving van milieudelicten;

3. Waarborgen van doeltreffende, afschrikkende en evenredige soorten sancties en sanctiehoogten voor milieucriminaliteit;

4. Bevorderen van grensoverschrijdende onderzoeken en vervolging;

5. Voorzien in een beter geïnformeerde besluitvorming over milieucriminaliteit door een betere vergaring en verspreiding van informatie en statische gegevens over de omvang van milieucriminaliteit en de inspanningen om deze te bestrijden;

6. Verbeteren van de algehele operationele doeltreffendheid van nationale handhavingsketens om opsporing, onderzoek, vervolging en bestraffing van milieucriminaliteit te bevorderen.

1.4.3.Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en)

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.

Het belangrijkste resultaat dat van het initiatief wordt verwacht, is een verbetering van het EU-rechtskader voor de aanpak van milieudelicten en een versterking van de handhaving op nationaal niveau. Erkend wordt dat het strafrecht het laatste redmiddel is wanneer andere maatregelen onvoldoende zijn geweest om naleving te waarborgen, hetgeen in dit geval van wezenlijk belang blijkt te zijn voor handhaving van de milieuwetgeving van de Unie.

De richtlijn zal bijdragen aan verbetering van de doeltreffendheid van nationale stelsels voor handhaving en bestraffing op het gebied van milieucriminaliteit en aan vergroting van het vertrouwen van het publiek. Waar een kwantitatieve benadering van de verwachte resultaten van de richtlijn voor de algehele bescherming van het milieu niet mogelijk is, kan wel worden gekozen voor een kwalitatieve benadering van de gevolgen van een verbeterde bescherming van het milieu waaraan de herziene richtlijn zal bijdragen.

Een doeltreffender richtlijn die leidt tot betere rechtshandhaving door middel van het strafrecht zal bijdragen aan een beter milieu door de preventieve en afschrikkende effecten ervan. Een doeltreffend strafrechtstelsel voorkomt dat milieucriminaliteit lonend is. Het zal ook onmiddellijke positieve maatschappelijke gevolgen hebben voor het menselijk leven, de volksgezondheid en het welzijn van mensen. De herziene richtlijn zal betere instrumenten voor de bestrijding van milieudelicten opleveren en ook positieve economische gevolgen hebben. De richtlijn zal dus bijdragen aan een afname van de winsten uit milieucriminaliteit, die wereldwijd naar schatting tussen de 91 en 259 miljard USD bedragen en ten koste gaan van samenlevingen gaan omdat er minder belastingen binnenkomen, bedrijven die zich wel aan de regels houden inkomsten mislopen en goed bestuur wordt ondermijnd.

1.4.4.Prestatie-indicatoren

Vermeld de indicatoren voor het bewaken van vooruitgang en resultaten

Een eventueel succes van dit voorstel kan niet blijken uit een vergelijking met een duidelijke uitgangssituatie omdat er onvoldoende systematische informatie beschikbaar is over de omvang van milieucriminaliteit en over de inspanningen om deze in de afzonderlijke lidstaten te bestrijden. Trends op het gebied van milieucriminaliteit hangen af van ontwikkelingen in de wereldhandel, nieuwe kansen door digitalisering en de wisselwerking tussen enerzijds strafrechtelijke en anderzijds civiel- en bestuursrechtelijke sanctiestelsels in de lidstaten.

Voorgesteld wordt om de navolgende kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren te gebruiken voor de bewaking van voortgang en succes van het initiatief:

- algehele verbetering van de handhaving en de bestraffing van milieudelicten, blijkend uit toegenomen samenwerking, specialisatie, betere opleidingen en uitwisseling van informatie;

- het aantal milieuzaken waarin onderzoek en vervolging succesvol waren;

- het aantal veroordelingen;

- het soort en de hoogte van opgelegde sancties, die in de praktijk doeltreffender, afschrikkender en evenrediger moeten worden;

- het aantal functionarissen dat is opgeleid om milieudelicten doeltreffend te kunnen aanpakken;

- het bestaan of de ontwikkeling van nationale strategieën voor de bestrijding van milieucriminaliteit.

Bij een beoordeling van de doeltreffendheid van de richtlijn door middel van indicatoren moet ook naar achtergronden worden gekeken. Op dit moment worden in de lidstaten slechts weinig milieuzaken succesvol afgerond en zijn sancties niet streng genoeg. In het afgelopen decennium is er geen sprake geweest van een opgaande lijn (zie EB, paragraaf 1.2 – “evaluatie van de richtlijn en het eindverslag van de evaluatie”). Een stabiele opgaande lijn in het aantal milieuzaken in alle lidstaten zou er daarom op wijzen dat de richtlijn doeltreffend is. Aangezien het aantal milieudelicten wereldwijd met 5 tot 7 % toeneemt, zou een vergelijkbare toename van het aantal succesvolle onderzoeken en veroordelingen als een succes worden beschouwd. Indien daarentegen – in een later stadium – het aantal milieuzaken afneemt, zou dat erop kunnen wijzen dat de richtlijn criminelen met succes heeft afgeschrikt.

Prestatie-indicatoren

In onderstaande bepalingen zijn voor de bewaking van elke specifieke doelstelling suggesties opgenomen voor indicatoren:

·Uitbreiden van het toepassingsgebied van de richtlijn

oIndicator: het aantal onderzoeken, vervolgingen, veroordelingen en geseponeerde zaken.

oUitgangssituatie: uit de beschikbare informatie blijkt dat er geen sprake is van een opgaande lijn in de lidstaten.

oSucces: stabiele opwaartse lijn in elke lidstaat. Idealiter een toename van 5 tot 7 %, hetgeen overeenkomt met de geschatte jaarlijkse toename van het aantal milieudelicten.

·De in artikel 3 bedoelde soorten milieudelicten nauwkeuriger omschrijven

oIndicator: zie hierboven.

oUitgangssituatie: zie hierboven.

oSucces: zie hierboven.

·Bevorderen van doeltreffende, afschrikkende en evenredige soorten sancties en sanctiehoogten

oIndicator: de hoogte van aan natuurlijke personen opgelegde geldboetes, de lengte van gevangenisstraffen, de hoogte van aan rechtspersonen opgelegde geldboetes en de soorten en aantallen bijkomende aan natuurlijke personen opgelegde sancties.

oUitgangssituatie: op dit moment zijn er geen of slechts zeer weinig en versnipperde statistische gegevens beschikbaar over wegens milieudelicten opgelegde sancties. Uit de beschikbare gegevens en gesprekken met functionarissen blijkt dat sancties te laag zijn om een afschrikkende werking te hebben.

oSucces: gezien de huidige situatie zou in het geval van een succesvolle uitvoering blijken dat bij het opleggen van sancties gebruik wordt gemaakt van alle beschikbare soorten sancties en sanctiehoogten. Uit opgelegde bijkomende sancties zou blijken dat alle soorten sancties worden gebruikt. Wij zouden graag zien dat in alle gevallen schade moet worden hersteld en winsten worden ontnomen.

·Meer grensoverschrijdende samenwerking

oIndicatoren: de aantallen milieuzaken bij Eurojust en OLAF, het aantal JIT's bij Eurojust, het aantal Siena-zaken/-berichten bij Europol en het aantal contacten met in te stellen nationale contactpunten.

oUitgangssituatie: de huidige aantallen bij Eurojust en OLAF en in Siena en professionele netwerken zijn doorgaans laag.

oSucces: een toename van grensoverschrijdende samenwerking, blijkend uit cijfers van Eurojust, OLAF en Europol. Milieudelicten vormen wereldwijd de op drie na grootste categorie delicten en uit het aantal milieuzaken bij Europol en Eurojust zou daarom moeten blijken dat van het totaal aantal zaken bij deze agentschappen een groter deel betrekking heeft op milieudelicten.

·Doeltreffender handhavingsketen:

oIndicatoren: zie de eerste doelstelling, met echter één toevoeging: het aantal lidstaten met overkoepelende strategieën voor de bestrijding van milieudelicten, het aantal lidstaten met gespecialiseerde opsporings- en vervolgingseenheden en rechtbankkamers, het aantal lidstaten waar meer handhavers zijn gekomen en het aantal opgeleide politiemensen, aanklagers, rechters, douanebeambten en administratieve controleurs.

oUitgangssituatie: zie de eerste doelstelling.

oSucces: zie de eerste doelstelling.

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief 

1.5.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

Er zijn drie soorten behoeften, die overeenkomen met doelstellingen voor de korte, middellange en lange termijn.

Behoeften voor de korte termijn:

1.Opstellen van minimumnormen voor het verzamelen van statistische gegevens;

2.De lidstaten zetten de richtlijn binnen 18 maanden om;

3.De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 3 van het voorstel omschreven gedragingen strafbaar worden gesteld indien zij wederrechtelijk zijn en opzettelijk of althans door ernstige nalatigheid worden begaan;

3.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat bijkomende delicten bij een milieudelict strafbaar worden gesteld;

4.De lidstaten stellen voor milieudelicten straffen voor natuurlijke personen en rechtspersonen vast;

5.De lidstaten stellen verzwarende en verzachtende omstandigheden voor milieudelicten vast;

6.De lidstaten stellen onderzoeksmiddelen vast;

7.Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in het voorstel genoemde delicten;

8.De lidstaten waarborgen coördinatie en samenwerking op strategisch en operationeel niveau tussen alle bevoegde instanties die betrokken zijn bij het voorkomen en bestrijden van milieudelicten;

9.De lidstaten stellen een nationaal contactpunt in voor de uitwisseling van informatie. De lidstaten waarborgen ook dat deze nationale contactpunten zijn aangesloten op het [e-EDES system] en beschikken over procedures voor onmiddellijke afhandeling van spoedeisende verzoeken om bijstand. De lidstaten maken hun ingestelde contactpunt bekend bij de Commissie, Europol en Eurojust. Zij werken die informatie, indien nodig, bij. De Commissie brengt de andere lidstaten daarvan op de hoogte;

10.De lidstaten verlenen alle erkende groepen, stichtingen of verenigingen die blijkens hun statuten de bescherming van het milieu nastreven het recht van inzage in het bestand van zaken met betrekking tot de in het voorstel bedoelde delicten;

11.De lidstaten nemen passende maatregelen, waaronder voorlichtings- en bewustmakingscampagnes en onderzoeks- en educatieprogramma's, om milieucriminaliteit in het algemeen te doen afnemen, het bewustzijn te vergroten en de kans te verkleinen dat mensen het slachtoffer van milieucriminaliteit worden. Waar nuttig werken de lidstaten met belanghebbenden samen.

Behoeften voor de middellange termijn:

·Onverminderd de regels inzake grensoverschrijdende samenwerking en wederzijdse rechtshulp in strafzaken werken de lidstaten, Eurojust, het Europees Openbaar Ministerie en de Commissie (OLAF) met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden samen bij de bestrijding van de in de artikelen 3, 3bis en 4 bedoelde delicten;

·De lidstaten zorgen ervoor dat functionarissen die milieudelicten opsporen, onderzoeken, vervolgen of berechten, waaronder rechters, aanklagers en medewerkers van politie, justitie en bevoegde instanties, regelmatig gespecialiseerde opleidingen volgen die aansluiten bij hun functies;

·Onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en verschillen in gerechtelijke organisaties binnen de Unie, verzoeken de lidstaten degenen die verantwoordelijk zijn voor de opleiding van rechters, aanklagers en bij strafrechtelijke procedures betrokken medewerkers van politie, justitie en bevoegde instanties om opleidingen aan te bieden die aansluiten bij de doelstellingen van deze richtlijn;

·Binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn stellen de lidstaten een nationale strategie voor de bestrijding van milieucriminaliteit vast, maken zij deze openbaar en nemen zij maatregelen om deze strategie geregeld te evalueren en bij te werken;

·De lidstaten verzamelen systematische, betrouwbare en actuele statistieken over milieudelicten van alle bevoegde instanties om consistente en samenhangende vergelijkingen en analyses van relevante informatie mogelijk te maken;

·De lidstaten zenden de ingevolge paragraaf 1 verzamelde gegevens jaarlijks aan de Commissie;

·De Commissie zorgt ervoor dat een geconsolideerde beoordeling van de statistische verslagen en nationale uitvoeringstrategieën openbaar wordt gemaakt en aan de bevoegde gespecialiseerde agentschappen en organen van de Unie wordt gezonden.

Behoeften voor de lange termijn:

·Uiterlijk twee jaar na het verstrijken van de omzettingstermijn dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om deze richtlijn na te leven. De lidstaten verstrekken de Commissie de nodige gegevens voor het opstellen van dat verslag;

·Uiterlijk vijf jaar na het verstrijken van de omzettingstermijn evalueert de Commissie de gevolgen van deze richtlijn voor de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en dient zij een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten verstrekken de Commissie de nodige gegevens voor het opstellen van dat verslag.

1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de Unie (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van de deelname van de Unie” verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die door een optreden van alleen een lidstaat zou zijn gecreëerd.

Redenen voor maatregelen op EU-niveau (vooraf)

De bestaande richtlijn moest voorzien in een geharmoniseerd kader voor het aanpakken van milieudelicten in de Unie en het bevorderen van grensoverschrijdende samenwerking. Hoewel er sprake is van vooruitgang bij de totstandkoming van gemeenschappelijke definities van milieudelicten en er sancties met een grotere afschrikkende werking zijn voorgeschreven, zijn de afzonderlijke lidstaten, zoals ook aangegeven in het evaluatieverslag, niet in staat geweest om binnen de kaders van de richtlijn hun respectieve opvattingen over milieudelicten onderling af te stemmen. Het feit dat sancties in een aantal lidstaten niet hoog genoeg zijn, vormt daarnaast een belemmering voor de totstandkoming van een gelijk speelveld in de hele EU en voor de toepassing van instrumenten voor wederzijdse erkenning (waaronder het Europees arrestatiebevel en het Europees onderzoeksbevel).

Ondanks de richtlijn is in de EU het aantal grensoverschrijdende onderzoeken en veroordelingen wegens milieudelicten niet aanzienlijk gestegen. Ondertussen neemt daarentegen het aantal milieudelicten wereldwijd jaarlijks met 5 tot 7 % toe, met blijvende schade aan habitats, soorten, de volksgezondheid en de inkomsten van overheden en ondernemingen tot gevolg.

Verwachte gegenereerde toegevoegde waarde van de Unie (achteraf)

Als de richtlijn doeltreffender wordt, kan de EU voorzien in het geharmoniseerde kader voor een gemeenschappelijke opvatting over definities van milieudelicten en effectieve toegang tot middelen voor grensoverschrijdend onderzoek. Door meer duidelijkheid over wettelijke definities, door onderlinge aanpassing van sanctiehoogten en door te voorzien in middelen en verplichtingen voor grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten zal de herziene richtlijn het speelveld gelijker maken, met een gelijkwaardige strafrechtelijke bescherming voor het milieu in de hele EU en grensoverschrijdende samenwerking bij onderzoek en vervolging bevorderen. Door bevordering van grensoverschrijdende onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen, zullen EU-maatregelen in vergelijking met wat individuele lidstaten kunnen bereiken een duidelijke toegevoegde waarde hebben bij de bestrijding van milieudelicten, die doorgaans transnationale dimensies hebben.

Aangezien milieucriminaliteit vaak ten koste gaat van legale ondernemingen die gewoon hun belasting betalen, dragen deze een onbekend, maar waarschijnlijk groot deel van de jaarlijkse verliezen van naar schatting 91 tot 259 miljard USD die wereldwijd door milieucriminaliteit worden geleden, en zal een doeltreffend EU-wetgevingskader voor milieudelicten ook gevolgen hebben voor de werking van de gemeenschappelijke markt in de EU. Zonder dergelijke EU-brede wetgeving kunnen ondernemingen die actief zijn in lidstaten met beperkte definities van milieudelicten of milde handhavingsregimes een concurrentievoordeel hebben ten opzichte van ondernemingen in lidstaten met strengere rechtskaders.

Een doeltreffend EU-breed beleid op het gebied van milieucriminaliteit kan ook gunstig zijn voor andere beleidsdoelstellingen van de EU. Vaak gaat milieucriminaliteit gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder witwassen, terrorisme, belastingfraude, vervalsing of andere vormen van georganiseerde criminaliteit waartegen de EU in de laatste jaren een breed scala aan wetgeving heeft aangenomen. Een doeltreffender EU-wetgeving tegen milieucriminaliteit zou bijdragen aan effectieve strategieën voor strafrechtshandhaving op EU-en nationaal niveau die alle relevante aspecten van criminele activiteiten aanpakken.

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

Aangezien dit voorstel bestaat uit een herziening van een oude richtlijn, gaat het bij de nuttige ervaringen die met soortgelijke activiteiten in het verleden zijn opgedaan hoofdzakelijk om de voor- en nadelen van de laatste richtlijn. De Commissie heeft daarom de richtlijn in 2019/2020 geëvalueerd. In dat verslag werd vastgesteld dat de richtlijn toegevoegde waarde had, omdat daarin voor het eerst een gemeenschappelijk rechtskader voor milieudelicten werd gedefinieerd en er doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties werden voorgeschreven.

In de praktijk had de richtlijn echter niet veel effect, bleef met name het aantal succesvol onderzochte en berechte milieuzaken erg laag en vertoonde dat aantal in de afgelopen tien jaar geen sterk stijgende lijn.

Bovendien waren de opgelegde sancties te laag om een afschrikkende werking te hebben en was er geen sprake van stelselmatige grensoverschrijdende samenwerking.

In de praktijk is de richtlijn vooral onvoldoende doeltreffend door de algemene aard van zijn bepalingen. Dat kan worden verklaard door de beperkte strafrechtelijke bevoegdheden van de EG-wetgever in de pre-Lissabonperiode, toen met name op het gebied van sancties bepalingen niet nader mochten worden uitgewerkt.

Verder had de richtlijn in de praktijk ook niet veel effect omdat de handhaving in de lidstaten ontoereikend was. Bij de evaluatie werd vastgesteld dat de handhaving in alle lidstaten en op alle niveaus in de handhavingsketen (politie, vervolging en strafrechters) aanzienlijke lacunes vertoonde. De tekortkomingen in de lidstaten bestonden onder meer uit een gebrek aan middelen, gespecialiseerde kennis, bewustzijn en prioritering, samenwerking en uitwisseling van informatie; ook ontbrak het aan een multidisciplinaire benadering en aan nationale strategieën voor de bestrijding van milieudelicten waarbij alle niveaus van de handhavingsketen betrokken waren. Bovendien vormde het gebrek aan afstemming tussen bestuurs- en strafrechtelijke handhaving en sanctietrajecten vaak een belemmering voor de doeltreffendheid.

Verder werd vastgesteld dat het gebrek aan betrouwbare, nauwkeurige en volledige statistische gegevens over milieuzaken in de lidstaten niet alleen de evaluatie van de Commissie bemoeilijkte, maar ook nationale beleidsmakers en onderzoekers belemmerde bij het monitoren van de effectiviteit van hun maatregelen.

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten

De voorgestelde richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot wijziging van Richtlijn 99/2008/EG is in overeenstemming met de mededeling over de Green Deal, waarin duidelijk wordt gezegd dat de Commissie “daarnaast […] acties van de EU, de lidstaten en de internationale gemeenschap [zal] steunen om de inspanningen ter bestrijding van milieucriminaliteit op te voeren”, en de biodiversiteitsstrategie, waarin de mogelijkheid om de oude richtlijn te herzien en te wijzigen wordt genoemd in de bijlage bij de mededeling. In juli 2021 presenteerde de Commissie een pakket concrete voorstellen voor een Europese Green Deal, waarmee wordt gestreefd naar 55 % minder uitstoot in 2030 en een klimaatneutraal Europa in 2050. Het strafrecht is slechts een onderdeel van deze uitgebreide EU-strategie voor bescherming en verbetering van de toestand van het milieu, waaraan de huidige Commissie prioriteit hecht. In de mededeling over de Green Deal en de biodiversiteitsstrategie is een uitgebreide reeks milieumaatregelen opgenomen die in een holistische benadering worden geïntegreerd en elkaar zullen versterken en beïnvloeden. Strafrechtelijke maatregelen zijn een laatste redmiddel wanneer andere maatregelen niet toereikend zijn geweest om naleving te waarborgen.

Het voorstel is eveneens in overeenstemming met:

   Het Actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten voor een betere naleving van de milieuwetgeving op het gebied van de handel in wilde dieren en planten;

   Het onderzoek van de EU naar de dreiging van ernstige en georganiseerde criminaliteit (EU Serious and Organised Crime Threat Assessment, EU SOCTA) uit 2021, waarin “milieucriminaliteit” werd aangemerkt als een van de belangrijkste criminele dreigingen voor de EU en daarom werd opgenomen in EMPACT 2022-2025;

   De nieuwe EU-strategie voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit in de periode 2021-2025, die in april 2021 door de Commissie werd gepresenteerd; hierin werd milieucriminaliteit aangemerkt als een van de toekomstige prioriteiten in de strijd van de EU tegen georganiseerde criminaliteit.

De doelstellingen van dit voorstel worden ondersteund door het meerjarig financieel kader, dat sterk de nadruk legt op de financiering van activiteiten die zijn gericht op bescherming van het milieu. Er zal enige synergie bestaan met oudere programma's. Zo bestaan de meeste uit het voorstel voortvloeiende opleidingsactiviteiten al; zij worden verzorgd door CEPOL, Frontex-opleidingen voor rechtshandhaving en door verschillende professionele netwerken, waaronder EJTN en ERA voor de justitiële sector. Deze organisaties ontvangen al begrotingsmiddelen van de EU via het Life-programma, ISF of het programma voor politie en justitie en verzorgen al opleidingen op het gebied van milieurecht.

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

Om te kunnen voldoen aan de nieuwe verplichtingen die uit het voorstel voortvloeien, waaronder monitoring van de situatie, meer opleidingen, voorlichting en vergroting van het bewustzijn, is een extra inspanning van de Commissie nodig. Aangezien met de meeste onderstaande taken enig tijdbeheer en enige extra kosten gemoeid zullen, zijn zal die moeten komen van DG JUST en DG ENV.

1.6.Looptijd en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief

 beperkte looptijd

   van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ

   financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.

 onbeperkte looptijd

uitvoering met een opstartperiode vanaf 2022 tot en met 2025,

gevolgd door een volledige uitvoering.

1.7.Beoogde beheersvorm(en) 61   

Direct beheer door de Commissie

door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;

   door de uitvoerende agentschappen

- Gedeeld beheer met lidstaten

- Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:

derde landen of de door hen aangewezen organen;

internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);

de EIB en het Europees Investeringsfonds;

de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;

publiekrechtelijke organen;

privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;

privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;

personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder “Opmerkingen”.

Opmerkingen

2.BEHEERSMAATREGELEN 

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen 

Vermeld frequentie en voorwaarden.

Dit voorstel bevat diverse regels inzake toezicht en verslagen. Ten eerste moet de Commissie na het verstrijken van de omzettingstermijn een verslag opstellen over de wijze waarop de lidstaten de richtlijn hebben omgezet. Verder moet zij vijf jaar na de omzettingstermijn van de richtlijn nogmaals een verslag opstellen over de doeltreffendheid van de herziene richtlijn en mogelijkheden voor verbetering aangeven. Deze twee verslagen vormen de basis voor de regels inzake toezicht en verslagen uit het voorstel.

Bovendien brengt de Commissie om de twee jaar verslag uit over de gegevens die de lidstaten hebben verzameld en ingezonden.

2.2.Beheers- en controlesyste(e)m(en) 

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

Aangezien het voorstel gevolgen heeft voor het werk van de Commissie en meer in het bijzonder voor dat van DG JUST en DG ENV zal de EU-begroting worden uitgevoerd door middel van direct beheer.

Op grond van het beginsel van goed financieel beheer wordt op de uitvoering van de begroting een effectieve en doeltreffende interne controle uitgeoefend.

Met betrekking tot de controle zijn DG JUST en DG ENV gehouden aan:

- interne controles door de dienst Interne Audit van de Commissie;

- onafhankelijke externe controles door de Europese Rekenkamer (ECA);

- door het Europees Parlement verleende jaarlijkse kwijting;

- mogelijke administratieve onderzoeken door OLAF;

- een verdere laag van controle en verantwoording door de Europese Ombudsman.

2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico’s en het (de) systeem (systemen) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico’s te beperken

In dit stadium zijn geen specifieke risico's geïdentificeerd.

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting). 

Volgens de richtsnoeren van de centrale diensten van de Commissie worden de kosten van de controles op commissieniveau beoordeeld aan de hand van de kosten van de verschillende controlefasen. De algehele beoordeling voor elke beheersvorm wordt verkregen uit de verhouding tussen al die kosten en het totale bedrag dat in het jaar is betaald voor de desbetreffende beheersvorm.

De Commissie rapporteert over de verhouding tussen de controlekosten en de betaling van de desbetreffende beheerde financiële middelen. Blijkens het jaarlijks activiteitenverslag van DG JUST voor 2020 is deze verhouding 10,45 % voor directe opdrachten. Blijkens het jaarlijks activiteitenverslag van DG ENV voor 2020 is deze verhouding 1,55 %.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden 

Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen, bijvoorbeeld in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie.

Het financieel memorandum heeft betrekking op personeelsuitgaven en aanbestedingen, en voor dit soort uitgaven gelden standaardregels.

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

3.1.Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven 

·Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort 
uitgave

Bijdrage

Nummer  

GK/NGK 62 .

van EVA-landen 63

van kandidaat-lidstaten 64

van derde landen

in de zin van artikel 21, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement

2

Cohesie, veerkracht en waarden

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

7

Europees openbaar bestuur

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

·Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort 
uitgave

Bijdrage

Nummer  

GK/NGK

van EVA-landen

van kandidaat-lidstaten

van derde landen

in de zin van artikel 21, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement

[XX.YY.YY.YY]

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel voor de kredieten 

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel kader 

2

Cohesie, veerkracht en waarden

DG Justitie en Consumentenzaken

Jaar 
2025 65

Jaar 
2026

Jaar 
2027

Jaar 
N+4

Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

TOTAAL

•Beleidskredieten

Bevordering van justitiële samenwerking

Vastleggingen

(1a)

0,350 000

0,350 000

Betalingen

(2a)

0,350 000

0,350 000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

Betalingen

(2b)

Uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten 66  

Begrotingsonderdeel

(3)

TOTAAL kredieten
voor DG Justitie en Consumentenzaken

Vastleggingen

= 1a+1b +3

0,350 000

0,350 000

Betalingen

= 2a+2b

+3

0,350 000

 



TOTAAL beleidskredieten

Vastleggingen

(4)

Betalingen

(5)

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten

(6)

TOTAAL kredieten 
onder RUBRIEK <….> 
van het meerjarig financieel kader

Vastleggingen

= 4+6

Betalingen

= 5+6

Wanneer het voorstel/initiatief gevolgen heeft voor meerdere beleidsrubrieken, herhaal bovenstaand deel:

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

(4)

Betalingen

(5)

TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

(6)

TOTAAL kredieten
onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 6
van het meerjarig financieel kader
(referentiebedrag)

Vastleggingen

= 4+6

Betalingen

=5+ 6




Rubriek van het meerjarig financieel kader 

7

Europees openbaar bestuur

Dit deel moet worden ingevuld aan de hand van de “administratieve begrotingsgegevens”, die eerst moeten worden opgenomen in de bijlage bij het financieel memorandum (bijlage V bij de interne voorschriften), te uploaden in DECIDE met het oog op overleg tussen de diensten.

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Jaar 
2025

Jaar 
2026

Jaar 
2027

Jaar 
N+3

Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

TOTAAL

DG Justitie en Consumentenzaken

•Personele middelen

0,105 048

0,022 109

0,022 109

0,149 266

•Andere administratieve uitgaven

TOTAAL DG Justitie en Consumentenzaken

Kredieten

0,105 048

0,022 109

0,022 109

0,149 266

DG Milieu

•Personele middelen

0,105 048

0,022 109

0,022 109

0,149 266

•Andere administratieve uitgaven

TOTAAL DG Milieu

Kredieten

0,105 048

0,022 109

0,022 109

0,149 266

TOTAAL kredieten
onder RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader 

(Totaal vastleggingen = Totaal betalingen)

0,210 096

0,044 218

0,044 218

0,298 532

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Jaar 
2025

Jaar 
2026

Jaar 
2027

Jaar 
N+3

Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

TOTAAL

TOTAAL kredieten
onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7
van het meerjarig financieel kader 

Vastleggingen

0,560 096

0,044 218

0,044 218

0,648 532

Betalingen

0,560 096

0,044 218

0,044 218

0,648 532

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd met operationele kredieten 

Vastleggingskredieten in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Vermeld doelstellingen en outputs

Jaar 
2025

Jaar 
2026

Jaar 
2027

Jaar 
N+3

Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

TOTAAL

OUTPUTS

Soort 67

Gemiddelde kosten

Aant.

Kosten

Aant.

Kosten

Aant.

Kosten

Aant.

Kosten

Aant.

Kosten

Aant.

Kosten

Aant.

Kosten

Totaal aantal

Totale kosten

SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 5 68 Voorzien in een beter geïnformeerde besluitvorming over milieucriminaliteit door een betere vergaring en verspreiding van statische gegevens.

een deskundige op het gebied van de vergaring van statistische gegevens stelt minimumnormen op en biedt het rapportageformaat aan de lidstaten aan

0,111 297

0,111 297

Onderhoud van normen

0,016 582

0,016 582

0,016 582

0,049 746

Tweejaarlijks EU-verslag over gegevens van lidstaten

0,027 636

0,027 636

0,027 636

0,082 908

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1

0,155 515

0,044 218

0,044 218

0,243 951

Toezicht op de richtlijn

Een contractant levert het onderzoek naar de omzetting van de richtlijn door de lidstaten

0,350

De diensten van de Commissie beoordelen en beheren het onderzoek van de contractant

0,054 581

Subtotaal voor toezicht op de richtlijn

0,404 581

0,404 581

TOTALEN

0,560 096

0,044 218

0,044 218

0,648 532

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Jaar 
2025

Jaar 
2026

Jaar 
2027

Jaar 
N+3

Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

TOTAAL

RUBRIEK 7 
van het meerjarig financieel kader

Personele middelen

0,210 096

0,044 218

0,044 218

0,298 532

Andere administratieve uitgaven

Subtotaal RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

0,210 096

0,044 218

0,044 218

0,298 532

Buiten RUBRIEK 7 69
van het meerjarig financieel kader

Personele middelen

Andere
administratieve uitgaven

Subtotaal
buiten RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

TOTAAL

0,210 096

0,044 218

0,044 218

0,298 532

De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

3.2.3.1.Geraamde personeelsbehoeften 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.

   Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Raming uitgedrukt in VTE

Jaar 
2025

Jaar 
2026

Jaar 2027

Jaar N+3

Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

• Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (Zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)

2

1

1

20 01 02 03 (Delegaties)

01 01 01 01(Onderzoek door derden)

01 01 01 11 (Eigen onderzoek)

Andere begrotingsonderdelen (specificeer)

Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE) 70

20 02 01(AC, END, INT van de “totale financiële middelen”)

20 02 03 (AC, AL, END, INT en JPD in de delegaties)

XX 01 xx yy zz 71

- zetel

- delegaties

01 01 01 02 (AC, END, INT - Onderzoek door derden)

01 01 01 12 (AC, END, INT - Eigen onderzoek)

Andere begrotingsonderdelen (specificeer)

TOTAAL

2 72

1

1

XX is het beleidsterrein of de begrotingstitel.

Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

Beschrijving van de uit te voeren taken:

Ambtenaren en tijdelijk personeel

Jaar 2025:

Specifieke doelstelling vijf:

·Eenmalige kosten: een functionaris van de Commissie met deskundigheid op het gebied van de vergaring van statistische gegevens, idealiter criminaliteitsstatistieken, om minimumnormen op te stellen en een rapportageformaat te ontwerpen dat lidstaten kunnen gebruiken om statistische gegevens op een geharmoniseerde manier te rapporteren. Hiervoor worden 162 dagen uitgetrokken.

·Vaste kosten: een functionaris van de Commissie met deskundigheid op het gebied van de vergaring van statistische gegevens, idealiter criminaliteitsstatistieken, om gegevens bij te houden en om elke twee jaar een verslag op te stellen over door de lidstaten verstrekte gegevens. Hiervoor worden met ingang van 2025 jaarlijks 64 dagen uitgetrokken.

Verslag over de omzetting van de richtlijn

·Eenmalige kosten: een functionaris van de Commissie die het onderzoek van de contractant beheert en beoordeelt en het werkdocument van de diensten van de Commissie met de eigenlijke evaluatie voorbereidt. Hiervoor worden 79 dagen uitgetrokken in 2025.

Jaarlijks met ingang van 2025:

Specifieke doelstelling vijf:

·Vaste kosten: een functionaris van de Commissie met deskundigheid op het gebied van de vergaring van statistische gegevens, idealiter criminaliteitsstatistieken, om gegevens bij te houden en om elke twee jaar een verslag op te stellen over door de lidstaten verstrekte gegevens. Hiervoor worden met ingang van 2025 jaarlijks 64 dagen uitgetrokken

Extern personeel

3.2.4.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader 

Het voorstel/initiatief:

   is verenigbaar met het huidige meerjarig financieel kader.

   vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening.

Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen, de desbetreffende bedragen en de voorgestelde instrumenten.

   vereist een herziening van het MFK.

Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

3.2.5.Bijdragen van derden 

Het voorstel/initiatief:

   voorziet niet in medefinanciering door derden

   voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Jaar 
N 73

Jaar 
N+1

Jaar 
N+2

Jaar 
N+3

Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

Totaal

Medefinancieringsbron 

TOTAAL medegefinancierde kredieten

 

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten 

   Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

   Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

   voor de eigen middelen

   voor overige ontvangsten

Geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven    

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Beschikbare kredieten voor het lopende begrotingsjaar

Gevolgen van het voorstel/initiatief 74

Jaar 
N

Jaar 
N+1

Jaar 
N+2

Jaar 
N+3

Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

Artikel ….

Vermeld voor de toegewezen ontvangsten het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.

Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie). 

(1)    Werkdocument van de diensten van de Commissie, Evaluatie van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (“richtlijn milieucriminaliteit”) (SWD(2020) 259 final van 28.10.2020) ( deel I , deel II , samenvatting ).    
(2)    Evaluatieverslag, blz. 32. Zie blz. 33 van het evaluatieverslag voor nadere informatie over de bronnen.
(3)    Werkprogramma 2021 van de Europese Commissie ,   https://ec.europa.eu/info/publications/2021-commission-work-programme-key-documents_nl .
(4)    Mededeling aan het Europees Parlement en de Raad over het opvoeren van de strijd tegen milieucriminaliteit (COM(2021) 814 final van 14.12.2021).
(5)     Report on Eurojust’s Casework on Environmental Crime , januari 2021, blz. 8. Zie de UNEP-Interpol Rapid Response Assessment, “The rise of environmental crime: A growing threat to natural resources, peace, development and security”, 2016, blz. 7.
(6)    UNEP-Interpol Rapid Response Assessment, “The rise of environmental crime: A growing threat to natural resources, peace, development and security”, 2016, blz. 7.
(7)    Conclusies van de Raad tot vaststelling van de prioriteiten van de EU ter bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit voor Empact 2022–2025 (8665/21 van 12.5.2021). Het doel van de prioriteit inzake milieucriminaliteit is: “criminele netwerken die betrokken zijn bij milieucriminaliteit, in welke vorm dan ook, met in het bijzonder aandacht voor de illegale handel in afvalstoffen en in wilde dieren en planten, en criminele netwerken en individuele criminele ondernemers die met een crimineel oogmerk legale bedrijfsstructuren op hoog niveau [te] kunnen infiltreren of eigen bedrijven [te] kunnen opzetten”.
(8)    Europol – EU-dreigingsevaluatie van de zware en georganiseerde criminaliteit (SOCTA), A corrupting influence: the infiltration and undermining of Europe’s economy and society by organised crime, 2021, blz. 54. Voor delicten tegen in het wild levende dieren, zie blz. 55 en verder.
(9)    Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en de invoering van sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreinigingsdelicten (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 11).
(10)    Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23).
(11)    Werkdocument van de diensten van de Commissie, Fitness Check on Regulation (EU) No 995/2010 of the European Parliament and of the Council of 20 October 2010 laying down the obligations of operators who place timber and timber products on the market (the EU Timber Regulation) and on Regulation (EC) No 2173/2005 of 20 December 2005 on the establishment of a FLEGT licensing scheme for imports of timber into the European Community (FLEGT Regulation) (SWD(2021) 328 final van 17.11.2021, blz. 14).
(12)    Europese Rekenkamer, Speciaal verslag 2021, “Duurzaam watergebruik in de landbouw: GLB-middelen eerder gericht op de bevordering van hoger dan efficiënter watergebruik”, zie punt 62 en verder.
(13)    Europese Rekenkamer, Speciaal verslag 2021, “Duurzaam watergebruik in de landbouw: GLB-middelen eerder gericht op de bevordering van hoger dan efficiënter watergebruik”, zie bv. punt 32.
(14)    Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
(15)    Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (Voor de EER relevante tekst) (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 1).
(16)    Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (Voor de EER relevante tekst) (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
(17)    Europol – EU-dreigingsevaluatie van de zware en georganiseerde criminaliteit (SOCTA), A corrupting influence: the infiltration and undermining of Europe’s economy and society by organised crime, 2021, blz. 54.
(18)    Verdrag inzake behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa.
(19)    PB C [...] van [...], blz. [...].
(20)    Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28).
(21)    Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1).
(22)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — De Europese Green Deal (COM(2019) 640 final).
(23)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen (COM(2020) 380 final).
(24)    Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).
(25)    Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).
(26)    Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE).
(27)    Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(28)    Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 11).
(29)    Richtlijn 2009/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot wijziging van Richtlijn 2005/35/EG inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PB L 280 van 27.10.2009, blz. 52).
(30)    Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz.  7).
(31)    Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz.  7).
(32)    Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad (PB L 315 van 14.11.2012, blz.  57).
(33)    Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz.  1).
(34)    Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz.  1).
(35)    Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz.  1).
(36)    Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz.  1).
(37)    Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 169 van 25.6.2019, blz.  45).
(38)    Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz.  1).
(39)    Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz.  3).
(40)    Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz.  1).
(41)    Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 330 van 10.12.2013, blz.  1).
(42)    Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PB L 255 van 30.9.2005, blz.  11).
(43)    Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (Voor de EER relevante tekst), PB L 197 van 24.7.2012, blz. 1).
(44)    Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz.  17).
(45)    Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PB L 178 van 28.6.2013, blz.  66).
(46)    Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PB L 13 van 17.1.2014, blz.  1).
(47)    Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad van 8 juli 2014 houdende wijziging van Richtlijn 2009/71/Euratom tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 219 van 25.7.2014, blz.  42).
(48)    Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz.  12).
(49)    Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz.  7).
(50)    Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz.  7).
(51)    Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 61 van 3.3.1997, blz.  1).
(52)    Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz.  23).
(53)    Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz.  35).
(54)    Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PB L 286 van 31.10.2009, blz.  1)
(55)    Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz.  195).
(56)    Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, PB L 300/42.
(57)    Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143 van 30.4.2004, blz.  56).
(58)    Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB L 127 van 29.4.2014, blz.  39).
(59)    Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures (PB L 328 van 15.12.2009, blz.  42).
(60)    In de zin van artikel 58, lid 2, punt a) of b), van het Financieel Reglement.
(61)    Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: https://myintracomm.ec.europa.eu/budgweb/EN/man/budgmanag/Pages/budgmanag.aspx  
(62)    GK = Gesplitste kredieten / NGK = Niet-gesplitste kredieten.
(63)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(64)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, aspirant-kandidaten van de Westelijke Balkan.
(65)    Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. Vervang “N” door het verwachte eerste jaar van uitvoering (bijvoorbeeld: 2021). Hetzelfde voor de volgende jaren.
(66)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.
(67)    Outputs zijn te verstrekken producten en diensten (bv. aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde weg, enz.).
(68)    Zoals beschreven in punt 1.4.2. “Specifieke doelstelling(en)...”
(69)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.
(70)    AC = Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL = Agent Local (plaatselijk functionaris); END = Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige); INT = Intérimaire (uitzendkracht); JPD = Junior Professionals in Delegations (jonge deskundige in delegaties).
(71)    Subplafond voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere “BA”-onderdelen).
(72)    Deze VTE's gelden niet voor het hele jaar maar slechts voor zeven maanden per jaar.
(73)    Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. Vervang “N” door het verwachte eerste jaar van uitvoering (bijvoorbeeld: 2021). Hetzelfde voor de volgende jaren.
(74)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 20 % aan inningskosten.
Top