EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52020DC0298

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Langetermijnraming van toekomstige in- en uitstromen op de EU-begroting (2021-2025)

COM/2020/298 final

Brussel, 30.6.2020

COM(2020) 298 final

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

Langetermijnraming van toekomstige in- en uitstromen op de EU-begroting (2021-2025)


1.Inleiding

Dit verslag biedt een langetermijnraming van toekomstige in- en uitstromen voor de volgende vijf jaar (2021-2025) zoals voorgeschreven in artikel 247, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement 1 . Bij de analyse is rekening gehouden met de beginselen en voorwaarden van het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie 2 (hierna “het terugtrekkingsakkoord” genoemd).

De sociaaleconomische omstandigheden in de EU zijn aanzienlijk verslechterd als gevolg van de COVID-19-pandemie. Daarom heeft de Commissie op 27 mei 2020 3 een herzien voorstel voor een versterkt meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027 en een ambitieus herstelplan gepresenteerd. Dit verslag bevat een raming van de uitstroom van uitgaven binnen de maxima van het volgende meerjarig financieel kader en de bijbehorende instroom van ontvangsten voor de komende vijf jaar op basis van het herziene MFK-voorstel van mei 2020.

De raming van vorig jaar 4 had betrekking op de periode 2020-2024; deze nieuwe raming beslaat één extra jaar (2025). De ramingen voor de betalingen betreffende de vastleggingen van het huidige financiële kader zijn bijgewerkt teneinde rekening te houden met de feitelijke uitvoeringsresultaten voor 2019, de begroting 2020 en de voorgestelde wijzigingen daarvan nrs. 1 en 2 en de ontwerpen van gewijzigde begroting nrs. 3 en 6 5 , alsook de ontwerpbegroting voor 2021 6 .

De betalingen in verband met de vastleggingen voor de periode na 2021 zijn, ermee rekening houdend dat de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader 2021-2027 nog aan de gang zijn, in overeenstemming met de parameters van de stand van de onderhandelingen en van het voorstel van de Commissie voor de volgende financiële periode, zoals dit jaar herzien.

2.Resultaten van de raming

Over het geheel genomen zullen de betalingen in de eerste vijf jaar van het volgende financieel kader naar verwachting ongeveer 866 miljard EUR bedragen. Dit bedrag is niet gelijkmatig over de jaren verdeeld, maar volgt de verwachte ontwikkeling van: 1) de geleidelijke invoering van betalingen voor de nieuwe uitgavenprogramma’s (ongeveer 67 % van de totale betalingen voor vijf jaar) en 2) de betalingen voor nog betaalbaar te stellen vastleggingen uit de periode 2014-2020 (de resterende 33 % van de betalingen).

2.1. Betalingen in verband met nieuwe vastleggingen

De geraamde betalingen met betrekking tot de vastleggingen die zullen worden gedaan in 2021-2025 zijn afgestemd op de bedragen per programma en per jaar zoals opgenomen in het voorstel van de Commissie voor het volgende meerjarig financieel kader van 27 mei 2020. De onderliggende aannames van de raming zijn in overeenstemming met de aannames uit het verslag van vorig jaar en het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader van 2 mei 2018. Voor zover mogelijk is rekening gehouden met de vooruitgang in de onderhandelingen over de nieuwe generatie van uitgavenprogramma’s (zie voor meer informatie sectie 3: Aannames waarop de raming is gebaseerd).

Dit is met name het geval voor de onderhandelingen met betrekking tot de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, waarin de uitvoeringssnelheid wordt bepaald voor het cohesiebeleid – het grootste uitgaventerrein waarbij gebruik wordt gemaakt van gesplitste kredieten. Veranderingen in de uitvoeringswijzen voor de middelen van het cohesiebeleid (zoals de vrijmakingsregel, de voorfinancieringspercentages, de clearing van voorfinancieringen en het inhoudingspercentage) ten opzichte van de aannames die in de onderhavige raming zijn gebruikt, zouden van grote invloed zijn op het verwachte betalingsniveau voor de gehele EU-begroting.

Bijgevolg kan een preciezere datum voor de raming pas worden vastgesteld zodra de onderhandelingen over het volgende financieel kader en de begeleidende sectorspecifieke wetgeving zijn afgerond.

2.2. Betalingen betreffende vastleggingen vóór 2021

In haar raming van de betalingen die voortvloeien uit bestaande vastleggingen (met inbegrip van in 2020 nog te verrichten vastleggingen) houdt de Commissie rekening met de voorstellen om de EU-begroting 2020 in te zetten in reactie op de COVID-19-pandemie. De ramingen voor 2021-2025 omvatten de betalingen die voortvloeien uit de versterking van de programma’s in 2020 waarin is voorzien bij de corona-investeringsinitiatieven CRII en CRII+ en het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6. In het kader van sommige voorstellen worden betalingen vervroegd naar eerdere jaren, terwijl in andere gevallen niet eerder beraamde extra middelen nodig zijn.

De initiatieven CRII en CRII+ zullen naar verwachting leiden tot een versnelde uitvoering van het cohesiebeleid, waardoor de betalingsbehoeften in 2020 en 2021 zullen stijgen en in 2024 en 2025 lager zullen zijn. Als gevolg van het voorstel voor eenmalige forfaitaire inkomenssteun aan landbouwers zullen de betalingsbehoeften inzake plattelandsontwikkeling 2014-2020 ook stijgen in 2021 en, in verband daarmee, dalen in 2024.

De COVID-19-responsmaatregelen die worden voorgesteld in de herziening van de verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 en het bijbehorende ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6 gaan in 2020 gepaard met aanvullende vastleggingen ten bedrage van 11,5 miljard EUR en met 6,5 miljard EUR aan betalingen. Het resterende bedrag van 5 miljard EUR dat voortvloeit uit dat voorstel (2,5 miljard EUR in het kader van REACT-EU en 2,5 miljard EUR in het kader van het nieuwe venster solvabiliteitssteun binnen het Europees Fonds voor strategische investeringen) zal in 2021-2025 worden betaald, en leidt tot een stijging van de betalingsbehoefte ten opzichte van de raming van vorig jaar.

Afwijkingen in de vastgestelde bedragen voor de bovengenoemde voorstellen van de Commissie in combinatie met wijzigingen in de uitvoeringswijzen voor de cohesiemiddelen kunnen een effect hebben op de betalingsbehoeften en moeten in aanmerking worden genomen bij de onderhandelingen over de betalingsmaxima voor het volgende financiële kader.

2.3. Betalingen in 2021

Het betalingsniveau in 2021 is een uiterst belangrijke factor. Dit verslag is volledig in overeenstemming met het voorstel voor de ontwerpbegroting voor 2021, dat gebaseerd is op de parameters van de voorstellen van de Commissie, met name wat betreft de voorfinancieringspercentages voor de cohesiemiddelen voor 2014-2020 (1 % voorfinanciering) en 2021-2027 (0,5 % voorfinanciering). Een stijging van de voorfinancieringspercentages zou een direct effect hebben op de betalingsbehoeften in 2021. Een vertraagde start van de programma’s voor 2021-2027 kan ertoe leiden dat een deel van de voorfinanciering voor de nieuwe generatie cohesieprogramma’s wordt uitgesteld tot 2022.

2.3.1.Vrijmakingen

Het totaalbedrag aan geraamde vrijmakingen voor 2021-2025 komt uit op 9 miljard EUR, dat geheel betrekking heeft op de programma’s van de periode 2014-2020 en daarvoor. Er worden geen vrijmakingen verwacht met betrekking tot de voorgestelde vastleggingen voor het financiële kader 2021-2027.

De omvang van de vrijmakingen verschilt per rubriek aangezien de raming is gemaakt met inachtneming van vastleggingen die reeds zijn geannuleerd en vrijmakingen die tijdens de voorbereiding van de ontwerpbegroting 2021 werden vastgesteld. In beginsel zijn vrijmakingen geraamd voor de gehele duur van de programmeringsperiode. Omdat voor de meeste programma’s en acties geen automatische vrijmakingsregel bestaat, zou een jaarlijkse verdeling van vrijmakingen uiterst speculatief zijn. Om de omvang van de vrijmakingen tot 2025 te schatten, worden de geraamde vrijmakingen opgesplitst in verhouding tot de gerelateerde jaarlijkse betalingen.

Voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) 2014-2020 wordt een speciale raming gemaakt. Daarin worden de ervaringen met de afsluiting van de programma’s 2007-2013 meegenomen. De raming van de vrijmakingen zal worden bijgewerkt zodra de eerste programma’s voor 2014-2020 worden afgesloten. Een lager feitelijk niveau van vrijmakingen zou zich vertalen in hogere betalingsbehoeften. Het precieze jaar van de vrijmaking hangt af van de specifieke sluitingsdatum van elk nationaal programma. Gelet op de vrijmakingsregel van n+3 zullen de vrijmakingen hoogstwaarschijnlijk worden gespreid over 2024-2026. Aangezien alleen 2024 en 2025 binnen de reikwijdte van dit verslag vallen, is de voorlopige aanname dat ongeveer twee derde van de verwachte vrijmakingen van de ESI-fondsen 2014-2020 in die periode zal vallen.

In vergelijking met het verslag van vorig jaar stijgen de geraamde vrijmakingen voor vijf jaar met ongeveer 1 miljard EUR. Dit is het gecombineerde effect van de verhoogde geraamde vrijmakingen voor programma’s in de rubrieken 1b en 2 met betrekking tot 2014-2020 (een stijging van 2,5 miljard EUR) en de verlagingen van de overige rubrieken (een verlaging van 1,5 miljard EUR).

De verhoging voor rubriek 1b (2014-2020) is het logische gevolg van de opneming van één extra jaar (2025), dat niet was opgenomen in het verslag van vorig jaar. Op eenzelfde wijze zullen de vrijmakingen in het kader van rubriek 2 voor 2014-2020 naar verwachting uiterlijk in 2025 plaatsvinden, aangezien de bijbehorende afsluitende betaling dan naar verwachting zal zijn afgerond.

Voor de programma’s in de rubrieken 1a, 3 en 4 voor 2014-2020 is de daling een gecombineerd effect van de bijgewerkte aannames voor komende jaren in overeenstemming met de ontwerpbegroting 2021 en van de verschuiving van de verslagperiode met een jaar. In 2019 werd 1,3 miljard EUR in het kader van die drie rubrieken vrijgemaakt met betrekking tot programma’s van vóór 2014; dit bedrag is niet langer opgenomen in deze raming.

2.3.2.Ontwikkeling van de omvang van de uitstaande vastleggingen

De toename van de uitstaande vastleggingen (of RAL voor reste à liquider) is een logisch gevolg van de uitvoering van de EU-begroting met gesplitste kredieten en het nominaal stijgende volume van de EU-begroting in de loop der jaren. De RAL zal aan het begin van de verslagperiode waarschijnlijk ongeveer 308 miljard EUR bedragen. Ter vergelijking: de geraamde RAL voor eind 2020 in het verslag van vorig jaar bedroeg 303 miljard EUR.

Aan deze wijziging van de RAL liggen verschillende factoren ten grondslag. Eind 2019 bedroeg de daadwerkelijke RAL 294 miljard EUR 7 . De vastleggingen uit de begroting 2020, met inbegrip van de versterkingen die zijn voorgesteld in het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6, bedragen momenteel 184 miljard EUR, tegenover 161,5 miljard EUR aan betalingen. Dit zou in 2020 leiden tot een extra RAL van 22 miljard EUR. Rekening houdend met de verwachte versnelde uitvoering van het cohesiebeleid als gevolg van de initiatieven CRII en CRII+, kan er in 2020 een extra betalingsbehoefte van 8-10 miljard EUR ontstaan. Voor de berekening van de RAL aan het eind van het jaar wordt aangenomen dat later in 2020 een aanvullend bedrag van ongeveer 8 miljard EUR aan betalingen wordt begroot. De daadwerkelijke behoefte aan aanvullende betalingen kan pas worden berekend zodra de lidstaten tegen 31 juli 2020 hun eigen ramingen met betrekking tot de uitvoering van hun operationele programma’s in het kader van de ESI-fondsen hebben ingediend.

Voor eind 2025 wordt de RAL geraamd op ongeveer 292 miljard EUR, wat neerkomt op een daling van 5 % van de nominale waarde in de vijf geanalyseerde jaren. De jaarlijkse ontwikkeling van de RAL-omvang verloopt niet gelijkmatig; de ontwikkeling ervan wordt bepaald door de verhouding tussen de jaarlijkse betalingen en de jaarlijkse vastleggingen. Op basis van het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader 2021-2027 zou het betalingsmaximum in 2021-2025 iets hoger liggen dan het vastleggingsmaximum. Dit houdt verband met de versnelde betalingen in de eerste jaren van de programmeringsperiode vanwege de steun uit de EU-begroting voor de COVID-19-respons. Er wordt geen vermindering van de betalingsbehoeften voor 2023-2025 verwacht, voornamelijk vanwege de combinatie van het eerste streefcijfer voor automatische vrijmakingen voor de nieuwe programma’s in het kader van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen en het n+3-streefcijfer voor vrijmakingen voor het laatste gedeelte van de ESI-fondsen 2014-2020 en de afsluiting van die programma’s. Over het geheel genomen zouden de betalingen voor de vijf verslagjaren ongeveer 6,6 miljard EUR hoger uitkomen dan de vastleggingen. In combinatie met de geraamde vrijmakingen voor diezelfde periode zou de stijgende trend van de RAL hierdoor worden gekeerd.

2.4. Ontvangsten

De EU-begroting wordt gefinancierd met eigen middelen en andere ontvangsten. Het totale bedrag van de vereiste eigen middelen om de begroting te financieren wordt bepaald door de totale uitgaven te verminderen met de overige ontvangsten. Hieruit volgt dat de raming van de begrotingsontvangsten van de EU in 2021-2025 gebaseerd is op het principe dat uitgaven gekoppeld moeten zijn aan ontvangsten; de totale ontvangsten moeten dus gelijkstaan aan de totale uitgaven.

Met ingang van 2021 zal het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig deel V van het terugtrekkingsakkoord een bijdrage aan de EU-begroting leveren met betrekking tot de uitstaande vastleggingen van het MFK 2014-2020 en eerdere financiële vooruitzichten (RAL aan het einde van 2020), alsook tot de pensioenverplichtingen en de andere onderdelen van de financiële afwikkeling. De bijdrage van het Verenigd Koninkrijk komt overeen met het aandeel van het VK in de financiering van die verplichtingen. De bijdrage wordt aangemerkt als “overige ontvangsten” van de EU-begroting, en niet als eigen middelen van de Unie.

De totale eigen middelen van de EU mogen jaarlijks niet meer bedragen dan het maximum van de eigen middelen. De Commissie heeft voorgesteld dit maximum met ingang van 1 januari 2021 te verhogen tot 1,40 % van het bruto nationaal inkomen van de EU-lidstaten ter compensatie van de vermindering van het nominale bedrag van de eigen middelen, dat overeenkomt met het huidige maximum van 1,20 % van het bni van de Unie, als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk en de economische neergang die wordt veroorzaakt door de COVID-19-pandemie. Het huidige maximum blijft van toepassing totdat het nieuwe eigenmiddelenbesluit in werking treedt.

In nominale termen staat 1,2 % van het bruto nationaal inkomen van de EU gelijk aan 168 miljard EUR in 2021. Daarbij zou de marge tussen het maximum van de eigen middelen en het voorgestelde betalingsmaximum slechts 2,4 miljard EUR bedragen. Het maximum voor de betalingskredieten van het meerjarig financieel kader mag om juridische redenen niet meer bedragen dan het maximum van de eigen middelen, en het beginsel van goed financieel beheer vereist daarnaast dat er een veiligheidsbuffer wordt aangehouden. De Commissie heeft voorgesteld het maximum van de eigen middelen voor de volgende periode te verhogen tot 1,40 % van het bruto nationaal inkomen van de EU, en het is van essentieel belang dat de lidstaten het nieuwe eigenmiddelenbesluit uiterlijk eind 2020 vaststellen en goedkeuren overeenkomstig de vereisten van hun grondwet. Totdat het nieuwe maximum van de eigen middelen formeel van kracht wordt, gelden de huidige beperkingen voor het betalingsmaximum met betrekking tot 2021.

De daadwerkelijke behoefte aan eigen middelen wordt echter bepaald aan de hand van de geplande betalingen na aftrek van de verwachte overige ontvangsten, en niet aan de hand van het betalingsmaximum van het meerjarig financieel kader. De benodigde eigen middelen om de begroting in 2021 te financieren worden geraamd op 155 miljard EUR. Hierbij zou in feite een marge van 13 miljard EUR resteren onder het huidige maximum van de eigen middelen van 1,2 % van het bruto nationaal inkomen, ter dekking van de voorwaardelijke verplichtingen en andere onvoorziene behoeften van de EU.

3.Aannames waarop de raming is gebaseerd

3.1. Specifieke aannames voor de belangrijkste uitgavenposten

3.1.1.ESI-fondsen 2014-2020 en fondsen voor het cohesiebeleid 2021-2027

De raming van de betalingen in het kader van de ESI-fondsen 2014-2020 is gebaseerd op de ervaring uit het verleden met ingediende tussentijdse betalingsverzoeken als percentage van het totaalbedrag. Voor elk fonds wordt een afzonderlijk betalingsprofiel gebruikt. Bovendien moet rekening worden gehouden met de effecten van de betalingen in verband met de coronaresponsvoorstellen (zie punt 2.2: Betalingen betreffende vastleggingen vóór 2021).

De geraamde betalingen voor de cohesiemiddelen 2021-2027 hangen af van de aannames met betrekking tot essentiële parameters voor de uitvoering van het cohesiebeleid, die momenteel aan de orde komen in de onderhandelingen over het volgende meerjarig financieel kader. De huidige raming is gebaseerd op de parameters van de laatste stand van de onderhandelingen (0,5 % voorfinanciering per jaar tussen 2021 en 2026, te verrekenen bij de sluiting van de programma’s, een inhoudingspercentage van 5 % en geen prestatiereserve). De profielen van de tussentijdse betalingsverzoeken zijn geschat overeenkomstig de geleidelijke invoering van de n+2-vrijmakingsregels, zoals gewijzigd om bepaalde afwijkingen voor de eerste vastleggingstranches mogelijk te maken. Verdere wijzigingen in die parameters tijdens de lopende onderhandelingen zouden gevolgen hebben voor de betalingen in verband met de cohesiemiddelen voor de periode 2021-2027.

3.1.2.Rechtstreekse betalingen en marktmaatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

De kredieten voor het Europees Landbouwgarantiefonds zijn hoofdzakelijk niet-gesplitst en van de kredieten in het kader van rechtstreekse betalingen aan boeren wordt het merendeel gewoonlijk in de eerste maanden van het volgende begrotingsjaar vergoed aan de lidstaten.

Op het gebied van plattelandsontwikkeling is rekening gehouden met het voorstel voor eenmalige inkomenssteun voor landbouwers in het kader van de EU-respons op COVID-19 door de betalingen te vervroegen naar 2021.

3.1.3.Andere programma’s en fondsen

Voor alle overige uitgavenposten (bijv. onderzoek en innovatie, grootschalige infrastructurele projecten, intern en extern beleid) geldt dat de ramingen van de betalingen voor goedgekeurde vastleggingen in het huidige financiële kader zijn gebaseerd op de ontwerpbegroting 2021 en de begeleidende betalingsschema’s voor de afzonderlijke begrotingsonderdelen.

De aannames om de betalingsbehoefte voor de nieuwe generatie van uitgavenprogramma’s te ramen, wijzigen niet ten opzichte van de raming van vorig jaar. De jaarlijkse betalingsbehoeften zijn berekend aan de hand van statistische gegevens over de daadwerkelijke uitvoering in tien jaar van de overeenkomstige huidige programma’s en hun voorlopers uit de periode 2007-2013. De ramingen van betalingen voor programma’s zonder voorloper zijn gebaseerd op de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van soortgelijke activiteiten, gecorrigeerd voor de specifieke elementen van de nieuwe programma’s. De vastleggingskredieten voor elk programma, op basis waarvan de betalingen worden geraamd, zijn in de raming voor dit jaar evenwel bijgewerkt om rekening te houden met het voorstel van de Commissie voor het volgende meerjarig financieel kader.

3.1.4.Overheid

Administratieve uitgaven (2021-2027, rubriek 7) zijn gebaseerd op niet-gesplitste kredieten; de voorgestelde maximumbedragen voor rubriek 7 in 2021-2025 zijn volledig omgezet in betalingen.

Hetzelfde geldt voor de subsidies voor gedecentraliseerde agentschappen, die niet uit de rubriek administratieve uitgaven worden gefinancierd.

3.2.Aannames voor de ontvangstenprognose

3.2.1.Toepasselijke wetgeving

De Commissie heeft met haar voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie van 2018 nieuwe regels voor de eigen middelen van de Unie voorgesteld 8 . De aanneming van het nieuwe besluit vereist de unanieme instemming van alle lidstaten en hun goedkeuring overeenkomstig de vereisten van hun nationale grondwet. Zodra het nieuwe besluit in werking treedt, is het per 1 januari 2021 van kracht. Indien het besluit na 1 januari 2021 in werking treedt, zal het met terugwerkende kracht worden toegepast. Om die reden zijn de geraamde ontvangsten in dit verslag gebaseerd op de parameters van het voorstel van de Commissie van 2020 voor een nieuw besluit van de raad betreffende het stelsel van eigen middelen voor alle jaren van de verslagperiode (2021-2025). De ontwerpbegroting voor 2021 is daarentegen gebaseerd op de parameters van het vigerende eigenmiddelenbesluit 9 van 2014.

3.2.2.Traditionele eigen middelen

De douanerechten zullen volgens de raming in 2022-2025 stijgen met hetzelfde percentage als het nominale bruto nationaal inkomen van de lidstaten, met de voor de begroting van 2021 geraamde bruto douanerechten als vertrekpunt 10 .

Voor de in dit verslag geraamde opbrengsten wordt aangenomen dat de lidstaten 10 % van de douanerechten inhouden bij wijze van inningskosten, overeenkomstig het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen 11 . Ter vergelijking: het huidige percentage is 20 %. Het nieuwe percentage is onderdeel van de onderhandelingen over het pakket van het meerjarig financieel kader 2021-2027. Een mogelijke ophoging van het inhoudingspercentage tot boven het voorstel van de Commissie leidt tot een vermindering van de traditionele eigen middelen, die moet worden gecompenseerd met hogere nationale bijdragen.

3.2.3.Nationale bijdragen en ontvangsten uit nieuwe eigen middelen

Het verschil tussen de ontvangsten en de geraamde uitgaven wordt aangezuiverd door de nationale bijdragen (in de vorm van op het bruto nationaal inkomen gebaseerde eigen middelen en de eigen middelen btw) en door potentiële nieuwe eigen middelen.

In mei 2018 stelde de Commissie voor de ontvangsten te diversifiëren met nieuwe eigen middelen die ook zouden bijdragen tot EU-prioriteiten zoals klimaatverandering, circulaire economie en eerlijke belastingheffing. Bedoeld werden onder meer ontvangsten uit het emissiehandelssysteem, een nationale bijdrage op basis van het aandeel niet-gerecycleerd plastic verpakkingsafval en een bedrag op basis van de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting. Bovendien kondigde de Commissie aan dat zij later in de periode 2021-2027 voorstellen zou doen voor aanvullende eigen middelen 12 .

De precieze omvang van de nationale bijdragen en de ontvangsten uit nieuwe eigen middelen wordt pas duidelijk zodra de lidstaten overeenstemming hebben bereikt over de nieuwe langetermijnbegroting en het stelsel van eigen middelen.

3.2.4.Andere ontvangsten

De overige ontvangsten van de EU-begroting omvatten gewoonlijk bijdragen van het personeel, ontvangsten voortvloeiende uit de administratieve werking van de instellingen, bijdragen en terugbetalingen in het kader van overeenkomsten en programma’s van de Unie, rente wegens laattijdige betaling en boetes, ontvangsten voor door de EU opgenomen en verstrekte leningen, en diverse ontvangsten, alsmede overschotten van vorige jaren. Gelet op hun fluctuerende aard zijn de meeste van deze onderdelen lastig te ramen. Daarom wordt ervan uitgegaan dat het in de begroting voor 2020 in aanmerking genomen bedrag (d.w.z. 2 miljard EUR) nominaal constant blijft gedurende de verslagperiode (2021-2025).

Naast de bovengenoemde posten omvatten de overige ontvangsten van de EU-begroting vanaf 2021 ook de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk die voortvloeit uit het terugtrekkingsakkoord met betrekking tot de uitstaande vastleggingen (RAL) en de pensioenverplichtingen, evenals in voorkomend geval andere onderdelen van de financiële afwikkeling 13 . Bij de voorgestelde financiering van de ontwerpbegroting 2021 is rekening gehouden met de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk.

De bijdrage van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de uitstaande vastleggingen in het kader van het MFK 2014-2020 en de eerdere financiële vooruitzichten 14 wordt vastgesteld door het voorlopige aandeel van het Verenigd Koninkrijk, dat wordt gedefinieerd 15 als de verhouding tussen de door het Verenigd Koninkrijk in de periode 2014-2020 ter beschikking te stellen eigen middelen en de middelen die in die periode door alle lidstaten en het Verenigd Koninkrijk beschikbaar zijn gesteld, toe te passen op het geraamde niveau van de betalingen ten opzichte van de RAL voor elk van de jaren 2021-2025. In de jaarlijkse bijdrage van het Verenigd Koninkrijk is rekening gehouden met de betaalwijzen als bedoeld in artikel 148 van het terugtrekkingsakkoord.

Er kan geen bedrag voor de betalingen met betrekking tot pensioenverplichtingen worden geraamd, aangezien de bijdrage jaarlijks wordt bepaald op basis van de daadwerkelijke begunstigden, de opgebouwde rechten na uitdiensttreding en andere specifieke elementen als bedoeld in artikel 142 van het ontwerpterugtrekkingsakkoord. De pensioenverplichtingen als bedoeld in artikel 142, lid 5, vormen een uitzondering. Deze worden voorlopig berekend en opgenomen in de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk voor 2021-2025.

4.Conclusies

Het verslag inzake de raming van dit jaar bestrijkt de eerste vijf jaar van het volgende meerjarig financieel kader, waarover nog wordt onderhandeld. De geraamde betalingen zijn derhalve gebaseerd op het herziene voorstel van de Commissie voor het volgende financieel kader van mei 2020 en op de versterking van de programma’s in 2020 waarin is voorzien bij de coronarespons-investeringsinitiatieven CRII en CRII+, de gewijzigde begrotingen nrs. 1 en 2 en het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6.

Op basis van deze voorstellen zullen de betalingen in de eerste jaren van de nieuwe programmeringsperiode stijgen ten opzichte van de ramingen van vorig jaar en uitkomen boven de voorgestelde vastleggingsmaxima. Zo kan de stijgende trend met betrekking tot de uitstaande vastleggingen (RAL) worden gekeerd. Op basis van de voorstellen van de Commissie zou de RAL tegen het einde van 2025 dalen met 5 %.

Naar de betalingen in 2021 moet bijzondere aandacht uitgaan. Een stijging van de voorfinancieringspercentages in het kader van het cohesiebeleid zou een direct effect hebben op de betalingsbehoeften. Totdat het huidige maximum van de eigen middelen van 1,20 % van het bruto nationaal inkomen formeel wordt vervangen door het nieuwe maximum, zou er echter geen ruimte zijn om het maximum voor de betalingen in 2021 tot boven het voorstel van de Commissie te verhogen, met een abnormale betalingsachterstand als rechtstreeks gevolg.



Bijlage 1

Tabel 1 – Langetermijnraming van toekomstige in- en uitstromen op de EU-begroting voor 2021-2025

In miljard EUR, lopende prijzen

Commissievoorstel MFK 2021-2027

 

DB2021

2022

2023

2024

2025

UITSTROMEN

 

 

 

 

 

Vastleggingsmaximum

164,9

167,1

171,8

176,1

181,4

Betalingsmaximum

165,6

170,1

174,5

178,0

181,6

Vastleggingskredieten

163,1

167,1

171,8

176,1

181,4

Betalingskredieten

161,8

170,1

174,5

178,0

181,6

waarvan betalingen voor vastleggingen vóór 2021

97,2

82,3

52,0

32,6

18,4

1. Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

13,4

8,8

6,4

4,6

3,8

2. Cohesie en waarden

57,5

49,9

28,7

22,4

10,7

waarvan 2a Economische sociale en territoriale samenhang

56,6

49,3

28,4

22,3

10,7

3. Natuurlijke hulpbronnen en milieu

15,9

14,2

9,0

1,0

1,0

Waarvan: Marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen

0,1

0,1

0,0

0,0

0,0

4. Migratie en grensbeheer

1,5

1,0

0,5

0,3

0,1

5. Weerbaarheid, veiligheid en defensie

1,3

0,7

0,6

0,2

0,1

6. Nabuurschap en internationaal beleid

7,6

7,7

6,7

4,2

2,6

7. Europees openbaar bestuur

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

waarvan betalingen voor vastleggingen voor 2021-2025*

64,7

87,8

122,5

145,4

163,2

1. Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

4,2

12,4

14,7

17,0

18,5

2. Cohesie en waarden

5,1

7,2

28,7

42,7

55,5

waarvan 2a Economische sociale en territoriale samenhang

2,1

2,5

22,8

35,0

46,8

3. Natuurlijke hulpbronnen en milieu

40,4

47,1

54,5

56,6

56,9

Waarvan: Marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen

40,1

41,1

41,5

41,9

41,7

4. Migratie en grensbeheer

1,2

2,8

3,4

3,7

4,2

5. Weerbaarheid, veiligheid en defensie

0,5

1,3

1,6

1,9

2,4

6. Nabuurschap en internationaal beleid

2,8

5,7

8,0

11,4

13,2

7. Europees openbaar bestuur

10,4

11,2

11,7

12,1

12,4

Andere speciale instrumenten**

1,7

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Totaal betalingskredieten inclusief speciale instrumenten

163,5

170,1

174,5

178,0

181,6

INSTROMEN

 

 

 

 

 

Maximum van de eigen middelen in % van het bruto nationaal inkomen van de EU

1,40 %

1,40 %

1,40 %

1,40 %

1,40 %

Maximum van de eigen middelen, uitgedrukt in miljard EUR***

196,0

202,9

210,1

217,8

223,9

Totaal eigen middelen ****:

154,6

157,4

164,8

171,2

176,6

waarvan netto-omvang traditionele eigen middelen

19,7

19,9

20,6

21,4

22,0

waarvan nationale bijdragen en nieuwe eigen middelen****

134,8

137,4

144,1

149,8

154,6

Overige ontvangsten (waaronder de voorlopige bijdrage van het VK)

8,9

12,7

9,7

6,8

4,9

Totale ontvangsten

163,5

170,1

174,5

178,0

181,6

* 2022-2025: Betalingen voor het eventueel benutten van marges zijn toegevoegd aan het totaal voor elke rubriek, voorlopig verdeeld in verhouding tot de betalingen van de rubrieken.

** De volgende bedragen komen overeen met de verwachte betalingen in de ontwerpbegroting 2021 voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds en de reserve voor noodhulp. Vanwege hun bijzondere aard kan het gebruik van deze instrumenten na 2021 niet worden voorspeld.
Voor de berekening van de overeenkomstige marges zijn de kredieten voor deze instrumenten niet meegenomen in de maxima van het meerjarig financieel kader. Dit geldt ook voor de kredieten voor het Flexibiliteitsinstrument.

*** Berekend op basis van de meest recente economische prognose voor het bruto nationaal inkomen van de EU-27 voor 2021-2025.

**** De traditionele eigen middelen worden geraamd op basis van een inhoudingspercentage van 10 % aan inningskosten. Nationale bijdragen omvatten de op het bruto nationaal inkomen gebaseerde eigen middelen, de hervormde eigen middelen btw en de nieuwe eigen middelen die zijn opgenomen in het Commissievoorstel voor het MFK 2021-2027.

Tabel 2 – Geraamde vrijmakingen voor 2021-2025

in miljard EUR, lopende prijzen

Vrijmakingen

2021-2025

1. Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

-1,0

2. Cohesie en waarden

-5,1

waarvan: Economische sociale en territoriale samenhang

-5,0

3. Natuurlijke hulpbronnen en milieu

-2,1

4. Migratie en grensbeheer

-0,6

5. Weerbaarheid, veiligheid en defensie

-0,1

6. Nabuurschap en internationaal beleid

-0,1

7. Europees openbaar bestuur

0,0

TOTAAL

-9,0

* Er zijn geen vrijmakingen voorzien met betrekking tot de voorgestelde vastleggingen voor het financieel kader 2021-2027.

Tabel 3 – Verandering in het totaal aan uitstaande vastleggingen van 2021 tot en met 2025

in miljard EUR, lopende prijzen

RAL eind 2020*

Vastleggingen 2021-2025

Betalingen 2021-2025

Vrijmakingen

RAL eind 2025

(a)

(b)

(c)

(d)

(a+b-c+d)

307,9

859,4

866,1

-9,0

292,3

Verdeeld over:

MFK 2014-2020

 

 

 

 

307,9

n.v.t.

282,6

-9,0

16,3

MFK 2021-2027

 

 

 

 

n.v.t.

859,4

583,5

-

275,9

* De RAL omvat geen uitstaande vastleggingen die afkomstig zijn van externe bestemmingsontvangsten.

               

(1)

Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (het “Financieel Reglement”).

(2)

PB C66 I van 19.2.2019, blz. 1.

(3)

COM(2020) 442 final van 27.5.2020.

(4)

COM(2019) 305 final van 26.6.2019.

(5)

 Nr. 1: 2020/536 (PB L 126 van 21.4.2020), nr. 2:  2020/537 (PB L 126 van 21.4.2020), nr. 3: COM(2020) 180 final van 15.4.2020, nr. 4: COM(2020) 190 final van 30.4.2020, nr. 5: COM(2020) 421 final van 3.6.2020, nr. 6: COM(2020) 423 final van 3.6.2020.

(6)

COM(2020) 300 van 24.6.2020.

(7)

Een bedrag van 3,5 miljard EUR aan RAL dat voorkomt uit de bijdragen van derde landen is niet in dit bedrag opgenomen, aangezien de bijbehorende betalingen al beschikbaar zijn gesteld voor de EU-begroting.

(8)

COM(2018) 325 final van 2.5.2018, zoals gewijzigd bij COM(2020) 445 final van 28.5.2020.

(9)

 Besluit van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, 2014/335/EU, Euratom: PB L 168 van 4.6.2014, blz. 105.

(10)

Hieronder zijn de in november en december 2020 door het Verenigd Koninkrijk vastgestelde douanerechten begrepen, die overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 (MAR) pas door het Verenigd Koninkrijk zijn verschuldigd op 20 januari respectievelijk 22 februari 2021. Op grond van artikel 136, lid 1, en lid 3, onder b), van het terugtrekkingsakkoord worden deze douanerechten nog beschouwd als eigen middelen voor 2021.

(11)

COM(2018) 325 final van 2.5.2018, zoals gewijzigd bij COM(2020) 445 final van 28.5.2020.

(12)

COM(2020) 442 final van 27.5.2020.

(13)

Alle onderdelen van de bijdrage van het VK zijn opgesomd in artikel 148 van het terugtrekkingsakkoord. De berekeningen omvatten alleen de componenten van de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk die in dit stadium kunnen worden gekwantificeerd, d.w.z. de voorlopige bijdrage van het VK aan de financiering van de betalingen voor de RAL vóór 2021 en de pensioenverplichtingen in het kader van artikel 142, lid 5, van het terugtrekkingsakkoord.

(14)

Met uitzondering van de uitstaande vastleggingen die voortvloeien uit het voorgestelde ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6 met betrekking tot de begroting van 2020.

(15)

Het aandeel van het Verenigd Koninkrijk is gedefinieerd in artikel 139 van het terugtrekkingsakkoord.

Top