EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52019PC0457

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD over het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de voorgenomen vaststelling van een besluit inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie

COM/2019/457 final

Brussel, 11.10.2019

COM(2019) 457 final

2019/0217(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

over het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de voorgenomen vaststelling van een besluit inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot bepaling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de voorgenomen vaststelling van een besluit inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie.

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.De Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds

De Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (“de overeenkomst”) heeft tot doel de handel en investeringen te liberaliseren en te vergemakkelijken, en de economische banden tussen de Europese Unie en Canada (“de partijen”) aan te halen. De overeenkomst is op 30 oktober 2016 ondertekend en wordt sinds 21 september 2017 voorlopig toegepast.

2.2.Het Gemengd Comité voor de CETA

Het Gemengd Comité voor de CETA is opgericht krachtens artikel 26.1 van de overeenkomst, waarin is bepaald dat het Gemengd Comité voor de CETA bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese Unie en vertegenwoordigers van Canada en dat het medevoorzitterschap ervan wordt bekleed door de Minister van Internationale Handel van Canada en het lid van de Europese Commissie dat verantwoordelijk is voor handel, of door hun respectieve vertegenwoordigers. Het Gemengd Comité voor de CETA vergadert eenmaal per jaar of op verzoek van een partij, en stelt zelf zijn vergaderrooster en -agenda vast. Het Gemengd Comité voor de CETA is verantwoordelijk voor alle vragen betreffende handel en investeringen tussen de partijen en voor de uitvoering en toepassing van deze overeenkomst. Elke partij mag iedere kwestie die verband houdt met de uitvoering en de uitlegging van deze overeenkomst, of enige andere kwestie die verband houdt met de handel en investeringen tussen de partijen, aan het Gemengd Comité voor de CETA voorleggen.

Overeenkomstig artikel 26.3 van de overeenkomst is het Gemengd Comité voor de CETA bevoegd om in onderlinge overeenstemming besluiten te nemen ten aanzien van alle in de overeenkomst daartoe aangewezen aangelegenheden. De besluiten van het Gemengd Comité voor de CETA zijn bindend voor de partijen, onder voorbehoud dat aan de nodige interne voorschriften en procedures wordt voldaan, en zij moeten door de partijen worden uitgevoerd.

Overeenkomstig artikel 26.2, lid 4, van de overeenkomst kunnen de gespecialiseerde comités, waaronder het Comité voor diensten en investeringen, ontwerpbesluiten voorstellen ter vaststelling door het Gemengd Comité voor de CETA.

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van het reglement van orde van het Gemengd Comité voor de CETA en van de gespecialiseerde comités 1 kan het Gemengd Comité voor de CETA in de periode tussen twee vergaderingen besluiten of aanbevelingen vaststellen volgens een schriftelijke procedure indien de partijen bij de overeenkomst daartoe met wederzijdse instemming besluiten. Te dien einde wordt de tekst van het voorstel overeenkomstig artikel 7 schriftelijk door de medevoorzitters meegedeeld aan de leden van het Gemengd Comité voor de CETA, waarbij een termijn wordt gesteld waarbinnen de leden eventuele bezwaren of amendementen ter kennis kunnen brengen. Aangenomen voorstellen worden meegedeeld overeenkomstig artikel 7 zodra de termijn is verstreken, en vermeld in de notulen van de volgende vergadering.

2.3.De beoogde handeling van het Gemengd Comité voor de CETA

Overeenkomstig artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst moet het Gemengd Comité voor de CETA een besluit nemen inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie: (“de beoogde handeling”).

De beoogde handeling strekt derhalve tot uitvoering van artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst.

De beoogde handeling zal voor de partijen bindend zijn. In artikel 26.3, lid 2, van de overeenkomst is het volgende bepaald: “De besluiten van het Gemengd Comité voor de CETA zijn bindend voor de partijen, onder voorbehoud dat aan de nodige interne voorschriften en procedures wordt voldaan, en zij worden door de partijen uitgevoerd.”.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

Zoals is bepaald in punt 6, onder f), van het Gezamenlijk uitleggingsinstrument betreffende de overeenkomst zijn de Europese Unie en haar lidstaten en Canada overeengekomen onmiddellijk een begin te maken met de verdere uitvoering van de bepalingen inzake de beslechting van investeringsgeschillen van de overeenkomst, het zogenoemde “stelsel van investeringsgerechten” 2 .

Overeenkomstig artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst “[neemt h]et Gemengd Comité voor de CETA […] onverwijld een besluit inzake de volgende administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie: a) de administratieve ondersteuning; b) de inleiding en het verloop van beroepsprocedures alsmede, waar nodig, de verwijzing van een zaak naar het Gerecht met het oog op aanpassing van de uitspraak; c) de voorziening in vacatures bij de Beroepsinstantie en bij de formatie van de Beroepsinstantie die een zaak behandelt; d) de bezoldiging van de leden van de Beroepsinstantie; e) de voorschriften inzake de kosten van beroepsprocedures; f) het aantal leden van de Beroepsinstantie, en g) alle andere aspecten die het noodzakelijk acht voor de doeltreffende werking van de Beroepsinstantie”.

Punt 6, onder g), van het Gezamenlijk uitleggingsinstrument betreffende de overeenkomst luidt als volgt: “De CETA is de eerste overeenkomst die een beroepsmechanisme omvat, waardoor fouten kunnen worden rechtgezet en wordt gezorgd voor samenhang van de beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg.”. Daarnaast bevat verklaring 36 van de Commissie en de Raad, die in de Raadsnotulen is opgenomen naar aanleiding van de vaststelling door de Raad van het besluit tot ondertekening van de CETA namens de Unie, het volgende: “Het beroepsmechanisme waarin artikel 8.28 van de CETA voorziet, zal concreet worden uitgewerkt en verbeterd opdat het volledig kan zorgen voor samenhang tussen in eerste aanleg gewezen beslissingen en aldus bij te dragen tot de rechtszekerheid. Dit houdt met name het volgende in: de Beroepsinstantie wordt op zodanige wijze georganiseerd dat een permanente bezetting zoveel mogelijk wordt gegarandeerd; elk lid van de Beroepsinstantie wordt ertoe verplicht kennis te nemen van beslissingen die worden gewezen door afdelingen van het Gerecht waarvan hij geen deel uitmaakt; de Beroepsinstantie moet in “Grote Kamer” zitting kunnen houden in zaken betreffende belangrijke principekwesties of waarover de afdelingen van de Beroepsinstantie verdeeld zijn.” 3 .

De beoogde handeling geeft uitvoering aan deze verbintenissen doordat zij gedetailleerde regels bevat over de samenstelling van de Beroepsinstantie en over administratieve regelingen (artikel 2 van de beoogde handeling); het verloop van beroepsprocedures (artikel 3). De beoogde handeling treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst (artikel 4).

Dit voorstel sluit aan bij andere initiatieven voor de uitvoering van het stelsel van investeringsgerechten van de CETA. Meer in het bijzonder werkt de Commissie sinds juni 2018 samen met de lidstaten in het Comité handelspolitiek inzake diensten en investeringen van de Raad en met Canada aan een pakket van vier ontwerpbesluiten betreffende:

regels betreffende administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie overeenkomstig artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst;

een gedragscode voor de leden van het Gerecht, de leden van de Beroepsinstantie en de bemiddelaars overeenkomstig artikel 8.44, lid 2, van de overeenkomst;

regels voor bemiddeling bestemd voor de partijen bij het geschil overeenkomstig artikel 8.44, lid 3, onder c), van de overeenkomst, en

regels inzake de procedure voor het geven van uitleggingen overeenkomstig artikel 8.31, lid 3, en artikel 8.44, lid 3, onder a), van de overeenkomst.

Ook aan andere aspecten van de uitvoering van het stelsel van investeringsgerechten wordt verder gewerkt, onder meer wat betreft de selectie, aanwijzing en bezoldiging van de leden van het Gerecht en de Beroepsinstantie. Hoewel de hoogte van de bezoldiging van de leden van het Gerecht en de Beroepsinstantie afhankelijk is van besprekingen met de lidstaten en Canada, heeft de Commissie de jaarlijkse vaste kosten van het stelsel van investeringsgerechten van de CETA eerder geraamd op ongeveer 800 000 EUR, gelijkelijk verdeeld over Canada en de EU 4 . De gevolgen van deze vaste kosten voor de EU-begroting zouden dus ongeveer 400 000 EUR per jaar bedragen. Die kosten zullen in de EU-begroting voor 2021 worden meegenomen.

Het is derhalve wenselijk het standpunt te bepalen dat met het oog op de doeltreffende uitvoering van de overeenkomst namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 5 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Gemengd Comité voor de CETA is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (“de overeenkomst”).

De door het Gemengd Comité voor de CETA vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig artikel 26.3, lid 2, van de overeenkomst voor de partijen bindend zijn krachtens internationaal recht.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op de gemeenschappelijke handelspolitiek.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207, lid 3, en artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 3, en artikel 207, lid 4, eerste alinea, in combinatie met artikel 218, lid 9, VWEU.

5.Authentieke talen en bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien het besluit van het Gemengd Comité voor de CETA uitvoering zal geven aan de overeenkomst met betrekking tot de beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten, is het passend het vast te stellen in alle authentieke talen van de overeenkomst 6 en het na de vaststelling ervan bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2019/0217 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

over het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de voorgenomen vaststelling van een besluit inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 3, en artikel 207, lid 4, eerste alinea, in combinatie met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Besluit (EU) 2017/37 van de Raad 7 voorziet in de ondertekening namens de Europese Unie van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (“de overeenkomst”). De overeenkomst is op 30 oktober 2016 ondertekend.

(2)Besluit (EU) 2017/38 van de Raad 8 voorziet in de voorlopige toepassing van delen van de overeenkomst, met inbegrip van de oprichting van het Gemengd Comité voor de CETA. De overeenkomst wordt sinds 21 september 2017 voorlopig toegepast.

(3)Krachtens artikel 26.3, lid 1, van de overeenkomst is het Gemengd Comité voor de CETA bevoegd om met het oog op het bereiken van de doelstellingen van deze overeenkomst besluiten te nemen ten aanzien van alle in de overeenkomst daartoe aangewezen aangelegenheden.

(4)Krachtens artikel 26.3, lid 2, van de overeenkomst zijn de besluiten van het Gemengd Comité voor de CETA bindend voor de partijen, onder voorbehoud dat aan de nodige interne voorschriften en procedures wordt voldaan, en worden zij door de partijen uitgevoerd.

(5)Overeenkomstig artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst moet het Gemengd Comité voor de CETA een besluit nemen inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie.

(6)Het is derhalve wenselijk het standpunt te bepalen dat op basis van het aangehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité voor de CETA over de Beroepsinstantie namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA met het oog op de doeltreffende uitvoering van de overeenkomst,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité voor de CETA in te nemen standpunt met betrekking tot de vaststelling van een besluit inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie is gebaseerd op het aan dit besluit van de Raad gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité voor de CETA.

Artikel 2

1.Het besluit van het Gemengd Comité voor de CETA wordt vastgesteld in alle authentieke talen van de overeenkomst.

2.Het besluit van het Gemengd Comité voor de CETA wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Besluit 001/2018 van het Gemengd Comité voor de CETA van 26 september 2018 tot vaststelling van zijn reglement van orde en van de gespecialiseerde comités (PB L 190 van 27.7.2018, blz. 13), beschikbaar op de website van DG Handel    
(
http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2019/february/tradoc_157677.pdf ).
(2)    Gezamenlijk uitleggingsinstrument betreffende de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada en de Europese Unie en haar lidstaten (PB L 11 van 14.1.2017, blz. 3).
(3)    Verklaringen voor de Raadsnotulen (PB L 11 van 14.1.2017, blz. 9).
(4)    Dit is de raming van de vaste jaarlijkse kosten voor het stelsel van investeringsgerechten van de CETA (als er geen geschillen zijn), d.w.z. de basisbezoldiging van de leden van het Gerecht en de Beroepsinstantie.
(5)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(6)    Overeenkomstig artikel 30.11 (Authentieke teksten) van de overeenkomst is de overeenkomst opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle versies gelijkelijk authentiek.
(7)    Besluit (EU) 2017/37 van de Raad van 28 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (PB L 11 van 14.1.2017, blz. 1).
(8)    Besluit (EU) 2017/38 van de Raad van 28 oktober 2016 betreffende de voorlopige toepassing van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (PB L 11 van 14.1.2017, blz. 1080).
Top

Brussel, 11.10.2019

COM(2019) 457 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

over het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité voor de CETA dat is ingesteld in het kader van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de voorgenomen vaststelling van een besluit inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie


AANHANGSEL

ONTWERP

BESLUIT Nr. […/2019] VAN HET GEMENGD COMITÉ VOOR DE CETA

van …

inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie

HET GEMENGD COMITÉ VOOR DE CETA,

Gezien artikel 26.1 van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (de “overeenkomst”),

Overwegende dat in artikel 8.28, lid 7, van de overeenkomst is bepaald dat het Gemengd Comité voor de CETA een besluit zal nemen inzake de administratieve en organisatorische aangelegenheden met betrekking tot de werking van de Beroepsinstantie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit besluit gelden de volgende definities:

a)de definities in artikel 1.1 (Algemeen toepasselijke definities) van hoofdstuk één (Algemene definities en inleidende bepalingen) van de overeenkomst;

b)de definities in artikel 8.1 (Definities) van hoofdstuk acht (Investeringen) van de overeenkomst, en

c)onder “lid” wordt verstaan: een lid van de Beroepsinstantie die is ingesteld krachtens afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) van hoofdstuk acht (Investeringen) van de overeenkomst.

Artikel 2

Samenstelling en administratieve regelingen

1.De Beroepsinstantie bestaat uit zes leden, die door het Gemengd Comité voor de CETA worden aangewezen met inachtneming van de beginselen van diversiteit en gendergelijkheid. Met het oog op die aanwijzing:

a)worden twee leden gekozen uit de door Canada voorgedragen kandidaten;

b)worden twee leden gekozen uit de door de Europese Unie voorgedragen kandidaten, en

c)worden twee leden gekozen uit de door Canada of de Europese Unie voorgedragen kandidaten die geen onderdaan zijn van Canada of van een van de lidstaten van de Europese Unie.

2.Het Gemengd Comité voor de CETA kan besluiten het aantal leden met een veelvoud van drie te verhogen. Voor de aanwijzing van extra leden geldt het bepaalde in lid 1.

3.De leden worden benoemd voor een niet-verlengbare ambtstermijn van negen jaar. De termijn van drie van de eerste zes personen die op grond van artikel 8.28, lid 3, van de overeenkomst worden aangewezen, is evenwel beperkt tot zes jaar. Deze drie personen worden door loting bepaald, waarbij uit elk van de overeenkomstig lid 1, onder a), b), en c) aangewezen groepen telkens één lid afkomstig is. In beginsel kan een lid dat zitting heeft in een formatie van de Beroepsinstantie bij het verstrijken van zijn mandaat aanblijven als lid van die formatie totdat de werkzaamheden van de formatie zijn afgerond, tenzij de voorzitter van de Beroepsinstantie na overleg met de andere leden van de formatie anders beslist, en wordt uitsluitend met het oog daarop geacht lid te blijven. Vacatures in de Beroepsinstantie worden opgevuld zodra zij ontstaan.

4.De Beroepsinstantie heeft een voorzitter en een vicevoorzitter die verantwoordelijk zijn voor organisatorische aangelegenheden; zij worden door de voorzitter van het Gemengd Comité voor de CETA door middel van loting voor een termijn van twee jaar aangewezen uit de leden die onderdaan van derde landen zijn. Zij oefenen hun functie beurtelings uit. De vicevoorzitter vervangt de voorzitter bij diens verhindering.

5.De formatie van de Beroepsinstantie die overeenkomstig artikel 8.28, lid 5, van de overeenkomst elke zaak behandelt, bestaat uit drie leden, van wie één lid is aangewezen overeenkomstig lid 1, onder a), één lid overeenkomstig lid 1, onder b), en één lid overeenkomstig lid 1, onder c). De formatie wordt voorgezeten door het lid dat is aangewezen overeenkomstig lid 1, onder c).

6.De voorzitter van de Beroepsinstantie wijst per geval en beurtelings de leden aan die deel uitmaken van de formatie van de Beroepsinstantie die het beroep behandelt, waarbij hij erop toeziet dat de samenstelling van de formaties willekeurig en niet voorspelbaar is, en dat alle leden gelijke kansen hebben om als lid van een formatie te fungeren.

7.De Beroepsinstantie kan zitting houden in een formatie van zes leden wanneer een zaak die bij een formatie aanhangig is een belangrijke vraag opwerpt die van invloed is op de uitlegging of de toepassing van hoofdstuk acht van de overeenkomst. De Beroepsinstantie houdt zitting in een formatie van zes leden wanneer beide partijen bij het geschil hierom verzoeken of wanneer een meerderheid van de leden besluit dat dit wenselijk is. De voorzitter van de Beroepsinstantie zit de formatie van zes leden voor.

8.De beroepsinstantie kan zijn eigen werkmethoden vaststellen.

9.De leden zorgen ervoor dat zij beschikbaar zijn en in staat zijn de in dit besluit en in afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) van hoofdstuk acht (Investeringen) van de overeenkomst beschreven taken uit te voeren.

10.Om hun beschikbaarheid te waarborgen, ontvangen de leden een maandelijks voorschot, waarvan de hoogte door het Gemengd Comité voor de CETA wordt vastgesteld.

11.Het in lid 10 bedoelde voorschot wordt door beide partijen bij de overeenkomst voor gelijke delen gestort op een rekening die wordt beheerd door het secretariaat van het Icsid. Betaalt één van de partijen bij de overeenkomst het voorschot niet, dan kan de andere partij bij de overeenkomst ervoor kiezen het voorschot te betalen. Dergelijke achterstallige betalingen door een partij bij de overeenkomst blijven verschuldigd, met passende rentevergoeding.

12.De honoraria en de kostenvergoedingen van de leden die zitting hebben in een formatie die een zaak behandelt, anders dan het in lid 10 bedoelde voorschot, worden door het Gemengd Comité voor de CETA vastgesteld en over de partijen bij het geschil verdeeld op dezelfde basis als artikel 8.39, lid 5, van de overeenkomst.

13.Bij besluit van het Gemengd Comité voor de CETA kunnen het voorschot en de dagvergoeding worden omgezet in een reguliere bezoldiging. In een dergelijk geval fungeren de leden voltijds en stelt het Gemengd Comité voor de CETA hun salaris en daarmee verband houdende organisatorische maatregelen vast. In dat geval mogen de leden geen beroepswerkzaamheid al dan niet tegen beloning verrichten, tenzij van deze bepaling door de voorzitter van de Beroepsinstantie bij uitzondering afwijking is toegestaan.

14.Het secretariaat van het Icsid treedt op als secretariaat voor de Beroepsinstantie en verleent haar passende ondersteuning. De kosten voor die ondersteuning worden gelijkelijk door de partijen gedragen.

Artikel 3

Verloop van beroepsprocedures

1.Elke partij bij het geschil kan binnen de in artikel 8.28, lid 9, onder a), van de overeenkomst vastgestelde termijn en op de in artikel 8.28, lid 2, van de overeenkomst genoemde gronden bij de Beroepsinstantie beroep instellen tegen een uitspraak van het Gerecht krachtens afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) van hoofdstuk acht (Investeringen) van de overeenkomst.

2.Indien de Beroepsinstantie het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, wijzigt of vernietigt zij de juridische bevindingen en conclusies van het Gerecht geheel of gedeeltelijk. De Beroepsinstantie preciseert hoe zij de desbetreffende bevindingen en conclusies van het Gerecht heeft gewijzigd of vernietigd.

3.Indien de door het Gerecht vastgestelde feiten zulks toelaten, past de Beroepsinstantie haar eigen juridische bevindingen en conclusies op die feiten toe en doet zij een definitieve uitspraak. Als dit niet mogelijk is, maakt zij een beslissing bekend waarbij de zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht om een uitspraak te doen overeenkomstig de bevindingen en conclusies van de Beroepsinstantie. Indien mogelijk verwijst de Beroepsinstantie de zaak terug naar dezelfde formatie van het Gerecht die eerder de zaak had behandeld.

4.De Beroepsinstantie wijst het beroep af wanneer zij het ongegrond acht. Zij kan het beroep ook versneld afwijzen wanneer duidelijk is dat het kennelijk ongegrond is. Als de Beroepsinstantie het beroep afwijst, wordt de uitspraak van het Gerecht de definitieve uitspraak.

5.In de regel duurt de beroepsprocedure niet langer dan 180 dagen, gerekend vanaf de datum waarop een partij bij het geschil formeel kennis geeft van haar besluit om beroep in te stellen tot de datum waarop de Beroepsinstantie haar beslissing bekendmaakt of uitspraak doet. Als de Beroepsinstantie van oordeel is dat zij niet binnen 180 dagen een beslissing kan nemen of uitspraak kan doen, deelt zij de partijen bij het geschil schriftelijk de redenen voor de vertraging mee en verstrekt zij een raming van de termijn waarbinnen zij haar beslissing zal nemen of uitspraak zal doen. Alles moet in het werk worden gesteld om ervoor te zorgen dat de beroepsprocedure niet langer duurt dan 270 dagen.

6.Een partij bij het geschil die een beroep instelt, stelt zekerheid voor de kosten van het beroep zoals bepaald door de formatie van de Beroepsinstantie die de zaak behandelt. Die partij stelt ook enige andere zekerheid die de Beroepsinstantie gelast.

7.De bepalingen van de artikelen 8.20 (Bemiddeling), 8.24 (Procedure in kader van andere internationale overeenkomst), 8.26 (Financiering door derden), 8.31 (Toepasselijk recht en uitlegging), 8.34 (Voorlopige beschermingsmaatregelen), 8.35 (Afstand van instantie), 8.36 (Transparantie van procedure) 1 , 8.38 (Niet bij geschil betrokken partij bij overeenkomst), 8.39 (Definitieve uitspraak) en 8.40 (Schadevergoeding of andere vorm van schadeloosstelling) van de overeenkomst zijn van overeenkomstige toepassing op de beroepsprocedure.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Dit besluit wordt bekendgemaakt en treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) van hoofdstuk acht (Investeringen) van de overeenkomst, onder voorbehoud van de uitwisseling, langs diplomatieke weg, van schriftelijke kennisgevingen tussen de partijen waarin zij verklaren dat aan hun respectieve interne vereisten is voldaan en dat hun respectieve interne procedures zijn voltooid.

Gedaan te … (plaats), … (datum)

(1)    Voor alle duidelijkheid: het beroepschrift, het bericht van het voornemen om een lid te wraken en het besluit inzake de wraking van een lid worden opgenomen in de lijst van documenten die overeenkomstig artikel 3, lid 1, van de Uncitral-transparantievoorschriften ter beschikking van het publiek moeten worden gesteld.
Top