Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52018PC0392

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad

COM/2018/392 final - 2018/0216 (COD)

Brussel, 1.6.2018

COM(2018) 392 final

2018/0216(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad

{SEC(2018) 305 final}
{SWD(2018) 301 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader 2021-2027 (het MFK-voorstel) 1 bevat het begrotingskader en de hoofdlijnen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Op basis daarvan komt de Commissie met een samenstel van verordeningen tot vaststelling van het wetgevingskader voor het GLB voor de periode 2021-2027 en met een beoordeling van de effecten van alternatieve scenario's voor de ontwikkeling van het beleid. Deze voorstellen voorzien in toepassing vanaf 1 januari 2021 en hebben betrekking op een Unie met 27 lidstaten, in overeenstemming met de kennisgeving van het voornemen van het Verenigd Koninkrijk om zich uit de Europese Unie en Euratom terug te trekken overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die door de Europese Raad werd ontvangen op 29 maart 2017.

De meest recente hervorming van het GLB is in 2013 goedgekeurd en in 2015 doorgevoerd. Sindsdien is de achtergrond waartegen die hervorming tot stand was gekomen, duidelijk veranderd:

de landbouwprijzen zijn door macro-economische factoren, geopolitieke spanningen en andere krachten fors gedaald;

bij de handelsbesprekingen is de nadruk duidelijk verschoven van multilaterale naar bilaterale akkoorden, en de EU staat meer open voor de mondiale markten;

de EU is nieuwe internationale verbintenissen aangegaan, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatverandering (COP 21) en internationale ontwikkeling in het algemeen (duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de VN), alsmede in het kader van andere geopolitieke ontwikkelingen, zoals migratie.

Deze verschuivingen hebben geleid tot een publiek debat over de vraag of de GLB-hervorming van 2013 wel ver genoeg gaat gelet op de aanhoudende uitdagingen op het gebied van de economische gezondheid van de landbouwsector, de zorg voor het milieu, klimaatbescherming en een sterk, economisch en sociaal weefsel in de EU-plattelandsgebieden, en met name gelet op de nieuwe kansen op het gebied van de handel, de bio-economie, hernieuwbare energie, de circulaire economie en de digitale economie.

Het GLB moet worden gemoderniseerd om in te kunnen spelen op deze uitdagingen, moet worden vereenvoudigd om dit met zo gering mogelijke administratieve lasten te doen, en moet nog coherenter worden met ander EU-beleid om het maximaal te laten bijdragen aan de tien prioriteiten van de Commissie en aan de SDG's. Zoals gememoreerd door de Commissie in haar recente mededeling over het MFK, zal een gemoderniseerd GLB de overgang naar een volledig duurzame landbouwsector en de ontwikkeling van vitale plattelandsgebieden moeten ondersteunen met het oog op een gewaarborgde voorziening van veilig en hoogwaardig voedsel voor meer dan 500 miljoen consumenten. Europa heeft behoefte aan een slimme, veerkrachtige, duurzame en concurrerende landbouwsector om veilig, hoogwaardig, betaalbaar, voedzaam en gevarieerd voedsel voor zijn burgers te kunnen produceren en voor een sterk sociaaleconomisch weefsel in de plattelandsgebieden te kunnen zorgen. Een gemoderniseerd GLB moet zijn Europese meerwaarde vergroten door meer ambitie te tonen op het gebied van milieu en klimaat en tegemoet te komen aan de verwachtingen van de burgers op het gebied van volksgezondheid, milieu en klimaat.

Overeenkomstig haar werkprogramma voor 2017 heeft de Commissie een brede raadpleging gehouden over de vereenvoudiging en modernisering van het GLB, dat zoveel mogelijk moet bijdragen aan de tien prioriteiten van de Commissie en aan de SDG's. De raadpleging was gericht op specifieke beleidsprioriteiten voor de toekomst zonder vooruit te lopen op de financiële toewijzingen voor het GLB in het volgende MFK. Daarnaast is een analyse van de beschikbare informatie over de prestaties van het GLB verricht. Ook is rekening gehouden met de adviezen van het Refit-platform.

De resultaten zijn gepresenteerd in de mededeling van 29 november 2017 met als titel "De toekomst van voeding en landbouw". Met de mededeling wordt een gestructureerde dialoog binnen de EU-instellingen en met belanghebbenden over het toekomstige GLB mogelijk. Dit beleidsdocument schetst de uitdagingen, doelstellingen en de pistes die kunnen worden gevolgd op weg naar een toekomstbestendig GLB dat eenvoudiger, slimmer en moderner moet worden en richting geeft aan de overgang naar een duurzamere landbouw.

De Commissie bestempelde een hoger ambitieniveau op het gebied van milieu en klimaat, een gerichtere ondersteuning en een versterking van de rol van de magische drie-eenheid onderzoek-innovatie-adviesverlening als topprioriteiten van het GLB na 2020. Ook is ter verbetering van de prestaties van het GLB een nieuw uitvoeringsmodel voorgesteld waarbij het beleidsaccent verschuift van naleving naar prestaties en waarbij een herbalancering van verantwoordelijkheden plaatsvindt tussen de EU en de lidstaten, met meer subsidiariteit. Met het nieuwe model moeten de EU-doelstellingen worden bereikt op basis van strategische planning, brede beleidsinterventies en gemeenschappelijke prestatie-indicatoren, zodat de beleidscoherentie tussen het toekomstige GLB en de andere EU-doelstellingen verbetert.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Krachtens artikel 39 VWEU heeft het GLB tot doel:

·de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren;

·aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn;

·de markten te stabiliseren;

·de voorziening veilig te stellen;

·redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.

Het onderhavige voorstel is volledig verenigbaar met de in het Verdrag vastgelegde GLB-doelstellingen. Het moderniseert en vereenvoudigt de wijze van uitvoering van de bepalingen van het Verdrag.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Landbouw en bosbouw beslaan samen 84 % van het grondgebied van de EU. Beide sectoren beïnvloeden het milieu en zijn ervan afhankelijk. Daarom zal een aantal voorgestelde specifieke GLB-doelstellingen de aanzet geven tot milieu- en klimaatactie overeenkomstig het EU-beleid ter zake.

Het is bekend dat consumptiepatronen van invloed zijn op de volksgezondheid. Landbouwbeleid is door de relatie ervan met voeding en soms ook de wijze waarop voedsel wordt geproduceerd, eveneens verbonden met het gezondheidsbeleid. In de voorstellen wordt de relatie met het gezondheidsbeleid versterkt, met name wat betreft gezonde voeding en de terugdringing van het gebruik van antimicrobiële stoffen.

Omdat de EU een grote importeur van grondstoffen en een exporteur van waardevolle landbouw- en voedselproducten is, drukt zij een stempel op de voedselsystemen buiten de EU. Het voorstel houdt conform artikel 208 VWEU rekening met de EU-doelstellingen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, namelijk duurzame ontwikkeling en uitbanning van armoede in ontwikkelingslanden, en zorgt er met name voor dat de EU-steun aan landbouwers geen of slechts minimale handelsverstorende effecten heeft.

Tot slot kunnen in de landbouw en plattelandsgebieden, evenals in andere sectoren, nieuwe technologie en kennis, en met name digitale technologieën, beter worden benut. In de voorstellen wordt de band met het onderzoeksbeleid versterkt doordat het organiseren van kennisuitwisseling een prominente plaats krijgt in het uitvoeringsmodel van het beleid. Evenzo wordt door de nadruk die op digitalisering wordt gelegd, een brug geslagen naar de digitale agenda van de EU.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Artikel 42 en artikel 43, lid 2, VWEU voor de verordening inzake GLB-plannen.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

In het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is bepaald dat de bevoegdheid voor landbouw wordt gedeeld door de Unie en de lidstaten, en wordt een GLB met gemeenschappelijke doelstellingen en een gemeenschappelijke uitvoering voorgeschreven. Het huidige uitvoeringssysteem van het GLB is gebaseerd op gedetailleerde vereisten op EU-niveau en omvat stringente controle-, sanctie- en auditregelingen. Deze regels zijn vaak heel prescriptief, tot op het niveau van het landbouwbedrijf. In de uiterst gediversifieerde landbouw- en klimaatcontext van de Unie zijn echter "top-down"-benaderingen noch "one-size-fits-all"-benaderingen geschikt om de gewenste resultaten te behalen en EU-meerwaarde op te leveren.

In het uitvoeringsmodel van dit voorstel stelt de Unie de fundamentele beleidsparameters vast (GLB-doelstellingen, brede interventietypes, basisvereisten), terwijl de lidstaten meer verantwoordelijkheid krijgen voor en meer verantwoording afleggen over de wijze waarop zij aan de doelstellingen voldoen en de afgesproken streefcijfers bereiken.

Door een grotere subsidiariteit wordt het mogelijk om, uitgaande van dergelijke doelstellingen en streefcijfers, beter rekening te houden met lokale omstandigheden en behoeften. De lidstaten worden verantwoordelijk voor het toesnijden van GLB-interventies op de eigen situatie zodat die maximaal bijdragen aan de EU-doelstellingen. Terwijl de huidige governancestructuren blijven bestaan – deze moeten blijven zorgen voor een doeltreffende monitoring en handhaving voor alle beleidsdoelstellingen – krijgen de lidstaten meer te zeggen over de opzet van het nalevings- en controlekader dat op de begunstigden wordt toegepast (met inbegrip van sancties).

Evenredigheid

De economische, ecologische en sociale uitdagingen die op de landbouwsector en plattelandsgebieden afkomen, vragen om een krachtige reactie die recht doet aan de EU-dimensie van die uitdagingen. Doordat de lidstaten in een resultaatgerichter model een grotere keuzevrijheid krijgen bij de selectie en aanpassing van de beleidsinstrumenten die binnen het GLB beschikbaar zijn om aan de doelstellingen te voldoen, zou het risico dat het GLB de grenzen van de evenredigheid overschrijdt, nog kleiner moeten worden.

Keuze van het instrument

Aangezien de oorspronkelijke handelingen allemaal verordeningen van het Europees Parlement en de Raad zijn, moeten de wijzigingen worden aangebracht bij een verordening van het Europees Parlement en de Raad.

3.EVALUATIE, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Het GLB is diep geworteld in de Europese Unie. Opgezet in het begin van de jaren zestig rond doelstellingen die in het Verdrag waren verankerd, is het sindsdien diverse malen hervormd om het concurrentievermogen van de landbouwsector te verbeteren, plattelandsontwikkeling te bevorderen, in te spelen op nieuwe uitdagingen en beter te beantwoorden aan de maatschappelijke vraag. De laatste grote hervorming dateert van 2013. Bij de hervorming van 2013 zijn de algemene doelstellingen van het GLB gestroomlijnd rond drie blokken:

i.    rendabele voedselproductie;

ii.    duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en klimaataanpak;

iii.    evenwichtige territoriale ontwikkeling.

Om te beoordelen in hoever de bovengenoemde doelstellingen zijn bereikt, en om de toekomstige uitdagingen in kaart te brengen, is in een breed raadplegingsproces een gestructureerd debat gevoerd met alle belanghebbenden, ook niet-agrarische spelers. Voorts is inzicht gekregen in de prestaties van het GLB dankzij een schat aan informatie over het GLB (hieronder kort samengevat) die als achtergrond heeft gediend voor de beoordeling van de successen en tekortkomingen van het GLB door de jaren heen, en in het bijzonder van de meest recente hervorming ervan. Het gaat met name om:

·informatie die is verzameld via het gemeenschappelijke monitoring- en evaluatiekader (GMEK) waarmee de prestaties van het GLB worden gemeten 2 ;

·een reeks in het lopende meerjarig financieel kader (2014-2020) geplande evaluatiestudies over de huidige GLB-doelstellingen, waarvan de eerste bevindingen in 2017/2018 beschikbaar zijn gekomen 3 ;

de voortgangsresultaten met de streefcijfers als ijkpunt en de bijbehorende financiële enveloppes, zoals te vinden in de jaarlijkse uitvoeringsverslagen over plattelandsontwikkeling;

·aanvullende achtergronddocumenten, gegevens, feiten en cijfers die van belang zijn voor de effectbeoordeling en gepubliceerd zijn op de website van DG AGRI 4 .

Raadpleging van belanghebbenden

Er heeft een open publieke raadpleging plaatsgevonden die meer dan 322 000 reacties heeft opgeleverd, er is een gestructureerde dialoog met belanghebbenden gevoerd, er zijn vijf workshops met deskundigen georganiseerd en er zijn adviezen van het Refit-platform en bijdragen van het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en van nationale parlementen ontvangen. Ook is rekening gehouden met de aanbevelingen van de Taskforce landbouwmarkten (AMTF) 5 en de conferentie over plattelandsontwikkeling in Cork (2016) 6 .

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

In de periode maart 2017 - februari 2018 is een aantal speciale workshops georganiseerd om informatie en kennis van deskundigen over GLB-gerelateerde zaken te vergaren. Tijdens deze workshops konden deskundigen en ambtenaren van de Commissie van gedachten wisselen en konden verdere stappen worden gezet in de formulering van de voornaamste conclusies en problemen waarmee rekening zou moeten worden gehouden in het moderniserings- en vereenvoudigingsproces.

De vijf thema's van de workshops zijn gekozen op basis van de meest relevante terreinen waarop kennislacunes en meningsverschillen over de beleidsaanpak waren geconstateerd. De workshops zijn opgezet volgens eenzelfde methodiek en op basis van de volgende elementen:

(1)verzameling van de meest recente informatie die voorhanden is bij deskundigen, academici, praktijkmensen en internationale instellingen;

(2)gerichte aandacht voor de ervaringen die in de praktijk zijn opgedaan;

(3)beoordeling van het potentieel van nieuwe technologieën/benaderingen met het oog op de verbetering van de toekomstige beleidsvorming op het betrokken terrein.

De samenvattingen van de workshops en presentaties zijn te vinden op:

https://ec.europa.eu/agriculture/events/cap-have-your-say/workshops_nl

Workshop 1 over de beste praktijken op milieu- en klimaatgebied (23/24 maart 2017)

Aan deze tweedaagse workshop hebben tal van milieu- en klimaatdeskundigen deelgenomen. De workshop stond in het teken van:

·instrumenten om de milieubehoeften te beoordelen;

·methoden om maatregelen beter ingang te doen vinden (met nadruk op de rol van gedragsbenaderingen).

Workshop 2 over risicobeheer (18/19 mei 2017)

Deze tweedaagse workshop was bedoeld om verdere informatie te vergaren in de discussie over de instrumenten waarmee de landbouwgemeenschap productie-, prijs- en inkomensrisico's beter kan opvangen. De workshop stond in het teken van:

·de uitdagingen van het vangnet voor de EU-markt en de recente ontwikkelingen in het risicobeheersysteem in de VS;

·de case van termijnmarkten in de EU, de landbouwverzekerings- en herverzekeringssector in de EU, de case van een publiek-privaat partnerschap en een gewasverzekeringsregeling;

·gedragsaspecten van risicobeheer.

Workshop 3 over voedsel en aanverwante kwesties (31 mei 2017)

Centraal stond de afstemming van het GLB op het gezondheidsbeleid en de wijze waarop het landbouwers kan helpen om zich aan te passen aan veranderingen in consumptiepatronen. Met name de resistentie tegen antimicrobiële stoffen vraagt om meer aandacht.

Workshop 4 over sociaaleconomische kwesties (9 juni 2017)

In deze workshop stond de analyse van de dynamiek van groei en banen in de EU-agrofoodsector centraal. Gekeken is naar de relaties tussen mondiale landbouw en voedselwaardeketens in de EU vanuit zowel conceptueel als praktisch perspectief, zulks op basis van casestudies.

Workshop 5 over de meting van de milieu- en klimaatprestaties van het GLB (26 februari 2018)

Gekeken is welke basisbeleidsdoelstellingen op EU-niveau kunnen worden vastgesteld, hoe deze op lidstaatniveau kunnen worden uitgevoerd en hoe ze kunnen worden gemonitord, gecontroleerd en geëvalueerd.

Effectbeoordeling

De effectbeoordeling van de wetgevingsvoorstellen en de adviezen van de Raad voor regelgevingstoetsing (RSB) zijn te vinden op de volgende website:

Lijst van effectbeoordelingen en bijbehorende adviezen van de Raad voor regelgevingstoetsing

In eerste instantie was het advies van de RSB negatief. Er werd weliswaar waardering uitgesproken voor de ambitie om het GLB te moderniseren en te vereenvoudigen, en voor de diepgaande analyse van de verschillende scenario's, die de afwegingen tussen de verschillende beleidsdoelstellingen goed belichten, maar de raad vond ook dat de in het verslag gegeven uitleg over de achterliggende redenen, de haalbaarheid en de werking van het voorgestelde nieuwe uitvoeringsmodel voor verbetering vatbaar was. Vervolgens zijn de vereiste aanvullingen opgenomen in het effectbeoordelingsverslag en ook in een speciale bijlage over de voorstellen voor het nieuwe uitvoeringsmodel. Op basis daarvan heeft de RSB een positief advies met punten van voorbehoud gegeven. De raad erkende dat het verslag op diverse punten was verbeterd, maar vroeg om een verder specificatie van de precieze waarborgen die de geconstateerde risico's zouden beperken. Bijlage 1 bij het effectbeoordelingsverslag (werkdocument van de diensten van de Commissie) bevat een nauwkeurige beschrijving van de aanpassingen die zijn gedaan om tegemoet te komen aan de eisen van de raad.

In het effectbeoordelingsverslag worden verschillende beleidsopties gepresenteerd en besproken. Er wordt in de effectbeoordeling geen voorkeur uitgesproken voor een bepaalde optie. In plaats daarvan zijn diverse combinaties van elementen van de voorstellen in de verschillende opties getoetst om te zien welke optimale mix daaruit kan worden gedestilleerd.

In de opties worden in hoofdzaak contrasterende benaderingen getoetst aan de vastgestelde doelen:

1.uiteenlopende ambitieniveaus op het gebied van milieu en klimaat, met aandacht voor de mogelijke effecten van verplichte en vrijwillige uitvoeringssystemen;

2.verschillende manieren om het landbouwbedrijfsinkomen te ondersteunen, en met name de verdeling ervan over de verschillende landbouwers, met aandacht voor de mogelijke effecten ervan op kleine en middelgrote landbouwbedrijven;

3.bredere sociaaleconomische interventies, met name in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid, en horizontale benaderingen voor de modernisatie.

In de eerste optie is getoetst welk potentieel een vrijwillige ecoregeling heeft om de milieu- en klimaatambitie te verhogen. Ook is de potentiële rol onderzocht van risicobeheerinstrumenten met lagere rechtstreekse betalingen ter ondersteuning van het inkomen van landbouwers. Er zijn twee subopties met uiteenlopende milieuambities en benaderingen voor rechtstreekse betalingen op lidstaatniveau in het kader van het nieuwe uitvoeringsmodel.

In een andere optie worden rechtstreekse betalingen gerichter ingezet en wordt uitgegaan van een ambitieuzere toepassing van conditionaliteit om de gezamenlijke economische en milieuprestaties van het GLB te verbeteren en in te spelen op klimaatuitdagingen. Er zijn ook subopties uitgewerkt met mogelijke verschillen in de ambitie van lidstaten op het gebied van milieu- en klimaatdoelstellingen.

In een laatste optie wordt sterke nadruk gelegd op milieuzorg en werkgelegenheid en verschuift het accent naar kleine en middelgrote landbouwbedrijven om banen in plattelandsgebieden te behouden. De lidstaten moeten 30 % van de betalingen van pijler I uittrekken voor de financiering van aanvullingen voor vier vrijwillige regelingen voor landbouwers: biologische landbouw, blijvend grasland, gebieden met natuurlijke beperkingen, en lineaire landschapselementen, om klimaatactie en een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen te bevorderen.

In de effectbeoordeling wordt erop gewezen dat bij significante wijzigingen van de basisparameters telkens lastige keuzes moeten worden gemaakt, waaraan niet te ontkomen valt bij een beleid met zoveel uiteenlopende doelstellingen.

Een essentiële basisparameter is de hoogte van de GLB-steun. De verlaging van 5 %, die de Commissie in haar mededeling van mei 2018 heeft voorgesteld voor het MFK 2021-2027, valt binnen de marge waarmee rekening is gehouden in de effectbeoordeling.

Wat het inkomen van landbouwbedrijven betreft, zijn zowel de hoogte als de verdeling van de steun van belang. Een adequaat steunniveau en dus landbouwbedrijfsinkomen blijven in de toekomst van essentieel belang voor de voedselzekerheid, de milieu- en klimaatambitie en de vitaliteit van het platteland. Door steun sterker te richten op kleine en middelgrote landbouwbedrijven en op gebieden met natuurlijke beperkingen kunnen landbouwactiviteiten en banen op landbouwbedrijven behouden blijven, waarmee het sociaaleconomische weefsel van de plattelandsgebieden wordt versterkt. Plafonnering en convergentie kunnen leiden tot een betere verdeling van de rechtstreekse betalingen. Duidelijk is dat elke optie waarin rechtstreekse betalingen fors worden herverdeeld ten gunste van landbouwbedrijven en regio's met een lagere productiviteit, op korte termijn ten koste gaat van het concurrentievermogen van de EU, maar de bescherming van het milieu ten goede komt. Minder zichtbaar is echter dat een juiste mix van maatregelen ervoor kan zorgen dat ongunstige inkomenseffecten worden gedempt en tegelijk beter wordt ingespeeld op uitdagingen die ook op de landbouw afkomen, zoals milieu en klimaat, en op maatschappelijke verwachtingen. Daartoe moeten aanpassingen worden gestimuleerd die leiden tot betere sociaaleconomische én milieuprestaties van de sector.

Uit de reacties van de belanghebbenden bij de raadpleging en uit analyses blijkt dat dit mogelijk is mits de nodige flankerende maatregelen ambitieuzer zijn op milieu- en klimaatgebied en de invoering van beste praktijken (in zowel de conventionele als andere vormen van landbouw) mogelijk maken op het gebied van kennis, innovatie, de modernste technologie en dergelijke.

Op basis van de aannames en keuzes in de analyse kunnen economische, ecologische en sociale doelstellingen van het GLB contrair ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de gewenste modernisering en vereenvoudiging van dit beleid bewegen. Kortom, herverdeling kan leiden tot beheersbare inkomenseffecten en bevorderlijk zijn voor de gewenste ambitie op milieu- en klimaatgebied en andere GLB-synergieën. Wel moeten de sector en het beleid de kansen aangrijpen die innovatie en technologieën thans al bieden als het gaat om modernisering en vereenvoudiging.

Andere aannames en keuzes leveren beslist andere resultaten op, maar de achterliggende hoofdboodschap blijft steeds dezelfde: de voorkeursoptie voor het toekomstige GLB moet een mix zijn van de beste elementen van de diverse opties, maar de zwakke punten in die opties vermijden door invoering van de nodige waarborgen voor een gelijk speelveld in de EU. Dit impliceert dat er duidelijke criteria nodig zijn voor de hoogte en de verdeling van inkomenssteun (bijv. plafonnering en/of degressiviteit), voor de klimaat- en milieuambitie, voor de conditionaliteit en voor de prikkels om modernisering en een passende subsidiariteit/vereenvoudiging tot stand te brengen.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

De complexiteit van de uitvoering van het huidige beleid is grotendeels toe te schrijven aan de nadruk op de naleving van gedetailleerde, op EU-niveau vastgelegde regels. In het voorgestelde nieuwe uitvoeringsmodel verdwijnt er een laag: de subsidiabiliteitscriteria op EU-niveau voor steun. Voortaan kunnen de lidstaten zelf de subsidiabiliteitsvoorwaarden bepalen en deze afstemmen op hun specifieke situatie. Verwacht wordt dat dit een substantiële vereenvoudiging oplevert.

In de loop der jaren zijn er bij de opeenvolgende hervormingen van het GLB diverse instrumenten ontstaan. Soms bleek het moeilijk om deze instrumenten goed te coördineren. In het huidige voorstel worden alle verschillende elementen van het GLB samengevoegd tot één coherent kader dat de administratieve uitvoeringslasten van het GLB zal terugdringen.

Grondrechten

Het voorstel eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend. 

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

In het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader voor 2021-2027 (COM(2018) 322 final) is vastgelegd dat een aanzienlijk deel van de EU-begroting bestemd moet blijven voor de landbouw, die van strategisch belang is. Daarom is voor de verwezenlijking van de GLB-kerndoelstellingen 286,2 miljard EUR uitgetrokken voor het ELGF en 78,8 miljard EUR voor het Elfpo (cijfers uitgedrukt in lopende prijzen).

Daarbovenop komt de financiering uit Horizon Europa: het budget dat voor dit programma wordt voorgesteld, bevat ook 10 miljard EUR voor onderzoek en innovatie op het gebied van voeding, landbouw, plattelandsontwikkeling en de bio-economie. Binnen het ELGF wordt een nieuwe landbouwreserve aangelegd voor de financiering van aanvullende steun aan de landbouwsector. De niet-bestede middelen in de reserve worden telkens overgeschreven naar het volgende jaar.

Wat de verdeling van de rechtstreekse betalingen over de lidstaten betreft, wordt voorgesteld om voor alle lidstaten met rechtstreekse betalingen van minder dan 90 % van het EU-gemiddelde de bestaande kloof tussen het desbetreffende percentage en die grens van 90 % te dichten met 50 %, waarmee de lijn van 2014-2020 wordt doorgetrokken. Alle lidstaten zullen bijdragen in de financiering van deze externe convergentie. De nationale toewijzingen voor de rechtstreekse betalingen in de verordening inzake de strategische GLB-plannen worden op die basis berekend.

Bij plattelandsontwikkeling wordt een herbalancering van de financiering tussen de begroting van de EU en die van de lidstaten voorgesteld. In lijn met de plannen voor de Europese structuur- en investeringsfondsen zal dankzij een verhoging van nationale medefinancieringspercentages de publieke steun aan Europese plattelandsgebieden min of meer op hetzelfde niveau kunnen blijven. De verdeling van de Elfpo-steun berust op objectieve criteria die gekoppeld zijn aan de beleidsdoelstellingen en rekening houden met de huidige verdeling. Minder ontwikkelde regio's moeten, zoals nu ook het geval is, kunnen profiteren van hogere medefinancieringsniveaus, die tevens zullen gelden voor interventies als Leader en de betalingen voor beheersverbintenissen.

Lidstaten wordt ten aanzien van de toewijzingen een zekere flexibiliteit geboden: maximaal 15 % van de rechtstreekse betalingen mag worden overgeheveld naar het Elfpo en omgekeerd. Bij klimaat- en milieu-interventies en bij vestigingssubsidies voor jonge landbouwers mag een hoger percentage van de rechtstreekse betalingen worden overgeheveld naar het Elfpo.

Nadere gegevens over de financiële gevolgen van het GLB-voorstel staan in het financieel memorandum dat bij het voorstel is gevoegd.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende monitoring, evaluatie en rapportage

Voor een verschuiving naar een prestatiegerichter beleid is het nodig dat een solide prestatiekader wordt opgezet dat berust op een samenstel van gemeenschappelijke indicatoren aan de hand waarvan de Commissie de prestaties van het beleid kan beoordelen en volgen. Het huidige gemeenschappelijk toezicht- en evaluatiekader (GTEK) en het huidige monitoringsysteem voor rechtstreekse betalingen en plattelandsontwikkeling worden in het voorstel gebruikt als basis voor de monitoring en beoordeling van de beleidsprestaties, maar ze zullen worden gestroomlijnd en verder worden ontwikkeld (waarbij ook rekening wordt gehouden met de consistentie tussen de twee pijlers). Er zijn verdere investeringen nodig in de ontwikkeling van passende indicatoren en om te zorgen voor voldoende gegevensstromen.

Een nieuw prestatie-, monitoring- en evaluatiekader (PMEK) zal alle instrumenten van het toekomstige GLB omvatten: de strategische GLB-plannen en ook de elementen van het GLB die niet onder die plannen vallen (sommige delen van de gemeenschappelijke marktordening, specifieke regelingen). De prestaties worden voor de specifieke doelstellingen van het beleid gemeten aan de hand van een samenstel van gemeenschappelijke indicatoren.

Het nieuwe model wordt georganiseerd rond de volgende principes:

·contextindicatoren blijven van belang omdat ze relevante aspecten van de algemene trends in economie, milieu en samenleving weergeven waarvan aangenomen mag worden dat die van invloed zijn op de prestaties;

·een beperkter, maar gerichter samenstel van indicatoren moet primair zo worden gekozen dat ze zo nauwkeurig mogelijk aangeven of de gesteunde interventie bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen ten opzichte van de uitgangssituatie, zulks op basis van duidelijke definities;

·de algehele beleidsprestaties worden meerjarig beoordeeld op basis van impactindicatoren. De jaarlijkse follow-up van de beleidsprestaties vindt plaats aan de hand van de volledige lijst van resultaatindicatoren;

·outputindicatoren koppelen jaarlijks de uitgaven aan hetgeen is gepresteerd bij de uitvoering van beleid. Het gaat om een jaarlijkse exercitie op basis van een lijst van (hoofdzakelijk al beschikbare) outputindicatoren;

·de betrouwbaarheid van de relevante prestatie-indicatoren kan worden vergroot door synergieën tussen statistische en administratieve gegevens. Daarvoor moet echter wel een systeem van kwaliteitscontroles aanwezig zijn.

Wat in hoofdzaak wordt voorgesteld is een verschuiving van verantwoordelijkheden en kansen binnen een gemeenschappelijk, duidelijk omschreven en gehandhaafd kader waarbinnen meerdere kerndoelstellingen tegelijkertijd worden gerealiseerd, namelijk vereenvoudiging, gerichtheid op resultaat (dus niet op naleving) en doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid.

Het is de bedoeling dat er een jaarlijkse prestatie-evaluatie plaatsvindt die de kern vormt van de permanente monitoring en sturing van de beleidsuitvoering. In het kader van de jaarlijkse prestatie-evaluatie moeten adequate outputindicatoren en resultaatindicatoren gezamenlijk worden ingediend in een jaarverslag over de uitvoering van het strategisch GLB-plan, het zogeheten jaarlijkse prestatieverslag. De lidstaten brengen daarin jaarlijks verslag uit over de gerealiseerde output en verrichte uitgaven en over hoever zij nog verwijderd zijn van de voor de periode als geheel vastgestelde streefcijfers, die zijn uitgedrukt in resultaatindicatoren.

Er zullen evaluaties worden verricht conform de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016, waarin de drie instellingen hebben bevestigd dat evaluaties van bestaande wetgeving en bestaand beleid de basis moeten vormen voor effectbeoordelingen van opties voor verdere acties. In de evaluaties zullen de programma-effecten in het veld worden beoordeeld op basis van de programma-indicatoren/-streefcijfers en een gedetailleerde analyse van de mate waarin het programma relevant, doeltreffend en doelmatig kan worden geacht, genoeg EU-meerwaarde oplevert en aansluit bij ander EU-beleid. Ook zullen daarin lessen worden getrokken: wat zijn de gebreken en problemen, in hoeverre zijn de acties of resultaten ervan voor verbetering vatbaar en hoe kan een maximaal profijt/effect worden gesorteerd.

Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Niet van toepassing.

Toelichting bij de bepalingen van het voorstel

Het voorstel betreft drie verordeningen:

·Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (hierna "verordening inzake de strategische GLB-plannen" genoemd);

·Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (hierna "horizontale GLB-verordening" genoemd);

·Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten, (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, (EU) nr. 251/2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten, (EU) nr. 228/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en (EU) nr. 229/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (hierna "wijzigingsverordening" genoemd).

Met de combinatie van deze verordeningen wordt het GLB aangepast: de doelstellingen ervan worden afgestemd op de Juncker-prioriteiten en de SDG's terwijl tegelijk de beleidsuitvoering wordt vereenvoudigd. Het GLB wordt meer aangepast aan de lokale situatie door de subsidiabiliteitsvoorwaarde voor steun op EU-niveau te schrappen. De lidstaten kunnen de meeste subsidiabiliteitsvoorwaarden op nationaal niveau bepalen en daarmee afstemmen op hun eigen situatie. Tegelijk wordt de administratieve controledruk verminderd door de rechtstreekse link tussen subsidiabiliteitsvoorwaarden op EU-niveau en de eindbegunstigden losser te maken.

Met het oog op een verdere verduurzaming van de landbouw, de voedselvoorziening en plattelandsgebieden zijn de algemene GLB-doelstellingen gericht op de economische levensvatbaarheid, de veerkracht en het inkomen van landbouwbedrijven, op betere prestaties op milieu- en klimaatgebied en op een versterking van het sociaaleconomische weefsel van plattelandsgebieden. Bovendien is de bevordering van kennis, innovatie en digitalisering in de landbouw en in plattelandsgebieden een horizontale doelstelling.

Het nieuwe GLB heeft de volgende specifieke doelstellingen:

(a)bieden van steun met het oog op een leefbaar landbouwbedrijfsinkomen en veerkracht op het gehele grondgebied van de Unie (ter ondersteuning van de voedselzekerheid);

(b)vergroten van de marktgerichtheid en van het concurrentievermogen, onder meer door sterker te focussen op onderzoek, technologie en digitalisering;

(c)verbeteren van de positie van de landbouwers in de waardeketen;

(d)bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en tot duurzame energie;

(e)bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen, zoals water, bodem en lucht;

(f)bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen;

(g)aantrekken van jonge landbouwers en vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden;

(h)bevorderen van de werkgelegenheid, groei, sociale inclusie en lokale ontwikkeling in plattelandsgebieden, met inbegrip van bio-economie en duurzame bosbouw;

(i)beter inspelen op de maatschappelijke vraag op het gebied van voedsel en gezondheid, waaronder veilig, voedzaam en duurzaam voedsel, en op het gebied van dierenwelzijn.

Om die doelen te bereiken, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat GLB-steun eenvoudiger wordt en goede prestaties levert. Op basis van de in de verordening genoemde interventietypes zullen zij interventies ontwerpen die aansluiten bij hun situatie. De aandacht van de lidstaten moet vooral uitgaan naar de specifieke milieu- en klimaatdoelstellingen, naar generatievernieuwing en naar de modernisering van de beleidsuitvoering door te focussen op een betere benutting van kennis en advies en nieuwe (digitale) technologieën.

De lidstaten dienen de door hen voorgestelde interventies om de specifieke EU-doelstellingen te bereiken, in een strategisch GLB-plan in. De wetgeving schrijft voor waaraan zo'n strategisch GLB-plan inhoudelijk moet voldoen, en de Commissie controleert de plannen en keurt deze goed. De strategische GLB-plannen combineren de meeste GLB-steuninstrumenten die worden gefinancierd uit het ELGF (inclusief de sectorale programma's die nu nog in het kader van de GMO-verordening worden opgesteld) en uit het Elfpo. Aldus wordt per lidstaat en door elke lidstaat één coherente interventiestrategie opgesteld. In de strategische GLB-plannen stellen de lidstaten aan de hand van gemeenschappelijke resultaatindicatoren streefcijfers vast voor hetgeen zij in de programmeringsperiode willen bereiken.

Na vaststelling van de strategische GLB-plannen brengen de lidstaten op basis van een systeem van gemeenschappelijke indicatoren jaarlijks verslag uit over de vorderingen die zijn gemaakt bij de uitvoering van het plan. De lidstaten en de Commissie monitoren de voortgang en evalueren de doeltreffendheid van de interventies.

Hieronder volgt informatie over de inhoud van de drie verordeningen.

Verordening inzake de strategisch GLB-plannen

Titel I legt het toepassingsgebied van de verordening vast en bevat definities.

Titel II bevat de algemene en specifieke GLB-doelstellingen van de interventies die de lidstaten moeten ontwerpen in hun strategische GLB-plannen. Titel III voert een aantal gemeenschappelijke vereisten in waaraan de strategische GLB-plannen moeten voldoen, alsmede elementen die voor diverse interventies gelden. De gemeenschappelijke vereisten hebben betrekking op de naleving van algemene beginselen en grondrechten, zoals de voorkoming van concurrentieverstoring, niet-tornen aan de interne markt, niet-discriminatie, alsmede eerbiediging van de WTO-regels voor binnenlandse steun. Ook bevatten deze gemeenschappelijke vereisten voorschriften voor de in de GLB-plannen te definiëren specifieke elementen, bijvoorbeeld definities van een landbouwareaal, een landbouwactiviteit, een echte landbouwer en een jonge landbouwer. Deze titel bevat daarnaast de zogeheten conditionaliteitsverplichtingen (de door elke begunstigde van areaalgebonden betalingen na te leven vereisten op het gebied van goede landbouwpraktijken, maar ook de verplichtingen die voortvloeien uit EU-wetgeving) en de verplichting om over een goed werkend systeem van bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw te beschikken.

Tot slot is in deze titel vastgelegd voor welke interventietypes de lidstaten kunnen kiezen bij de uitvoering van hun strategische GLB-plannen. De interventietypes zijn brede categorieën.

Titel IV bevat financiële bepalingen, met name voor de financiële toewijzingen per lidstaat en per fonds, en regels voor de overheveling van toewijzingen tussen de fondsen. Daarnaast zijn in deze titel de percentages die het Elfpo bijdraagt in de publieke uitgaven in de lidstaten, en een aantal onder- en bovengrenzen voor de financiële toewijzingen voor specifieke doeleinden vastgelegd.

Titel V bevat de voorschriften voor de strategische GLB-plannen. In deze titel is vastgelegd met welke elementen de lidstaten rekening moeten houden bij de opstelling van een strategisch GLB-plan en welke informatie dit plan in elk geval moet bevatten, zoals de streefcijfers en de financiële planning. Ook is vastgelegd wat de regels zijn voor de goedkeuring van de strategische GLB-plannen door de Commissie en hoe deze plannen kunnen worden gewijzigd.

Titel VI bevat de nodige coördinatie- en governance-elementen. De autoriteiten van de lidstaten krijgen de verantwoordelijkheid voor specifieke taken die verband houden met de strategische GLB-plannen. Er wordt een monitoringcomité ingesteld waarin alle belanghebbenden zijn vertegenwoordigd. Ook worden netwerken opgezet die moeten bijdragen tot het welslagen van de strategische GLB-plannen. Deze netwerken worden op zowel nationaal als EU-niveau opgezet. Tot slot wordt het Europees Innovatiepartnerschap ingesteld, dat de uitwisseling van kennis en innovatie moet bevorderen.

Titel VII voert een kader voor de monitoring en evaluatie van prestaties in. Dat kader bevat regels die bepalen wanneer en waarover de lidstaten een voortgangsverslag over hun strategische GLB-plannen moeten indienen, en regels over de wijze waarop deze voortgang wordt gemonitord en geëvalueerd. Ook bevat de titel regels over een prestatiebonus voor goede milieu- en klimaatprestaties.

Tot slot bevatten de titels VIII en IX mededingingsvoorschriften waarin is vastgelegd hoe met name de staatssteunregelgeving moet worden toegepast, en daarnaast de slotbepalingen die aangeven welke verordeningen worden ingetrokken en wanneer de nieuwe verordening van toepassing wordt.

Horizontale GLB-verordening

Voorgesteld wordt de bestaande tweepijlerstructuur van het GLB te handhaven, met algemene jaarlijkse maatregelen in de eerste pijler en op de specifieke nationale en regionale kenmerken afgestemde meerjarige maatregelen in de tweede pijler. Wel wijst de nieuwe opzet van het GLB voor de periode na 2020 in de richting van meer subsidiariteit zodat de lidstaten uitvoeringsmaatregelen in beide pijlers beter kunnen toesnijden op hun concrete situatie en die van de landbouwers. Meer subsidiariteit houdt in dat er een herbalancering van verantwoordelijkheden in het beheer van het GLB plaatsvindt en de relatie tussen de Europese Unie, de lidstaten en de landbouwers een nieuwe invulling krijgt.

Op basis daarvan wordt de huidige horizontale GLB-verordening aangepast aan het nieuwe uitvoeringsmodel, met meer vrijheid voor de lidstaten bij de uitvoering van het beleid (dat mag worden afgestemd op hun lokale behoeften), met minder rompslomp voor de begunstigden en met een verschuiving naar een prestatiegericht beleid.

De accentverschuiving op EU-niveau van naleving naar prestaties vraagt om doelstellingen die duidelijk aangeven wat met het beleid moet worden bereikt. Nogmaals, deze worden op EU-niveau vastgesteld. Met de overgang naar een meer resultaatgestuurd beleidsmechanisme vindt er een verschuiving plaats van zekerheid over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende transacties naar zekerheid over prestaties en de naleving van EU-basisvereisten, bijvoorbeeld met betrekking tot het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) en de governance-instanties (betaalorganen, coördinerende instanties, bevoegde autoriteiten en certificerende instanties). De robuuste, betrouwbare governancestructuren die kenmerkend zijn voor het GLB, worden gehandhaafd.

Naast de financieringsbepalingen behoudt de horizontale GLB-verordening bepalingen inzake de algemene principes van controles en sancties, inzake conditionaliteitscontroles en inzake het GBCS. Bijgevolg bevat de verordening voorschriften voor de financiering, de beheers- en controlesystemen, de goedkeuringsprocedures (jaarlijkse financiële goedkeuring en jaarlijkse prestatiegoedkeuring) en de conformiteitsprocedure.

De verordening bevat diverse vereenvoudigingen. Vooral de nieuwe jaarlijkse prestatiegoedkeuring markeert de verschuiving van naleving door de individuele begunstigde naar beleidsprestaties in de lidstaten.

Voorts is het de bedoeling om het aantal betaalorganen te verminderen en de rol van de coördinerende instantie en de certificerende instantie in lijn met het nieuwe uitvoeringsmodel te versterken. Daardoor wordt het systeem transparanter en brengt het minder rompslomp mee voor zowel de nationale overheden als de Commissie. Ook wordt, in aansluiting op het Financieel Reglement, het concept van de single audit-benadering ingevoerd en kan het aantal audits van de Commissie worden teruggeschroefd.

Wijzigingsverordening

In de mededeling over de toekomst van voeding en landbouw wordt aangegeven dat marktgerichtheid een centraal element van het GLB blijft, maar wordt ook gewezen op de uitdagingen op het gebied van ecologische duurzaamheid en klimaatverandering. Daarnaast wordt de landbouwsector in de mededeling ten volle betrokken in het debat over voeding en de bezorgdheid van de burgers dienaangaande, door eraan te herinneren dat de "belangrijkste rol voor het beleid is (...) landbouwers te helpen om te anticiperen op ontwikkelingen in eetgewoonten en hun productie aan te passen aan de marktsignalen en de wensen van de consument". Aangezien er op EU-niveau gedetailleerde regels bestaan die de nodige aanpassingen in de weg kunnen staan, biedt de hervorming een kans om de nodige wijzigingen aan te brengen. Voorts moet het GLB tegemoetkomen aan de zorgen en wensen van burgers inzake een duurzame landbouwproductie.

Daarom is het de bedoeling om de structuur en de voornaamste kenmerken van Verordening (EU) nr. 1308/2013 te behouden, en tegelijkertijd een beperkt aantal bepalingen te wijzigen in het licht van de economische, ecologische en sociale ontwikkelingen die zich sinds de inwerkingtreding van de verordening in 2014 hebben voorgedaan.

In de eerste plaats is het de bedoeling om de bepalingen met betrekking tot sectorale steunmaatregelen die voordien waren vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1308/2013 te schrappen, aangezien deze interventies in het toekomstige GLB onder de [verordening inzake de strategische GLB-plannen] vallen en deel gaan uitmaken van de strategische plannen van de lidstaten om te zorgen voor een betere samenhang tussen de interventies.

In de tweede plaats hebben de achtereenvolgende hervormingen van het wijnbeleid van 2008 en 2013 over het geheel genomen hun doelstellingen bereikt en geresulteerd in een bloeiende wijnsector, maar zijn er nieuwe economische, ecologische en klimatologische problemen opgedoemd. Om daaraan het hoofd te bieden, bevat de verordening een aantal specifieke wijzigingen van de bestaande regels.

In de derde plaats wordt in de mededeling over de toekomst van voeding en landbouw ervoor gepleit om geografische aanduidingen (GA's) aantrekkelijker te maken voor landbouwers en consumenten en om het beheer van het systeem te vergemakkelijken. Daarom wordt voorgesteld de huidige, over vier basishandelingen gespreide GA-regels te wijzigen en te komen tot een eenvoudiger GA-systeem, een snellere registratie van GA's en een efficiëntere goedkeuring van wijzigingen van productdossiers. Deze wijzigingen hebben ten doel het GA-systeem zodanig te vereenvoudigen dat het begrijpelijker wordt voor de consument, gemakkelijker kan worden gepromoot en tegen lagere administratieve kosten kan worden beheerd.

Wat de regels voor GA's van wijnen betreft, wordt het onderzoek van aanvragen op EU-niveau beperkt tot een controle op kennelijke fouten, worden de regels inzake intellectuele eigendom losgekoppeld van andere eisen in het productdossier en worden de lidstaten bevoegd om besluiten te nemen over wijzigingen die geen gevolgen op EU-niveau hebben. Dat zal zorgen voor een stroomlijning van de goedkeuringen, kortere termijnen en een rationalisatie van de middelen, in overeenstemming met de bij elkaar horende beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. In dezelfde geest wordt beoogd bepaalde specifieke procedures, bijvoorbeeld de bezwaarprocedure, te vereenvoudigen om het goedkeuringsproces efficiënter te laten verlopen.

Dankzij een duidelijkere definitie van "beschermde oorsprongsbenaming" voor wijnen zullen producentengroeperingen nieuwe soorten kunnen gebruiken, wat ook noodzakelijk is in het licht van de klimaatverandering, en zullen aanvragen beter kunnen worden gemotiveerd in overeenstemming met de oenologische en de wijnbouwomstandigheden. Er wordt een betere bescherming voorgesteld van GA's tegen namaak op het internet, alsook van goederen in doorvoer.

De vereenvoudiging die voor GA's van wijnen wordt voorgesteld, moet ook worden toegepast op landbouwproducten en levensmiddelen om een redelijke mate van samenhang tussen de regelingen te garanderen en om ervoor te zorgen dat ook producenten van GA's in deze sector van de genoemde voordelen kunnen profiteren. De GA-regeling voor gearomatiseerde wijnen, in het kader waarvan slechts 5 van de 3 350 GA's zijn geregistreerd, kan niet operationeel blijven en moet worden samengevoegd met een andere regeling. De regeling voor landbouwproducten en levensmiddelen is daarvoor geschikt omdat andere alcoholhoudende dranken daar ook al onder vallen.

Voorts zijn in de verordening bepalingen opgenomen die louter ten doel hebben verbintenissen die de EU en de lidstaten zijn aangegaan in het kader van recente ministeriële besluiten van de Wereldhandelsorganisatie, met name inzake exportsubsidies, om te zetten in interne wetgeving.

Tot slot wordt voorgesteld om een aantal achterhaalde bepalingen te schrappen, waaronder het systeem voor de regulering van de productie en de voor de suikersector geldende eisen die aan het einde van het verkoopseizoen 2016/2017 zijn vervallen.

2018/0216 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42 en artikel 43, lid 2,

Gezien de Akte van Toetreding van 1979, en met name punt 6 van het daaraan gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 7 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 8 ,

Gezien het advies van de Rekenkamer,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Commissie heeft in haar mededeling aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 29 november 2017, getiteld "De toekomst van voeding en landbouw", de uitdagingen, de doelstellingen en de koers van het toekomstig gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in de periode na 2020 uiteengezet. Tot deze doelstellingen behoort onder meer dat het GLB meer resultaatgericht moet zijn, moet aanzetten tot modernisering en duurzaamheid, inclusief economische, maatschappelijke, ecologische en klimatologische duurzaamheid van de landbouw-, bosbouw- en plattelandsgebieden, en de administratieve lasten voor de begunstigden die uit de wetgeving van de Unie voortvloeien, moet helpen verminderen.

(2)Aangezien het GLB betere antwoorden moet bieden op de uitdagingen en mogelijkheden die zich op Unie-, internationaal, nationaal, regionaal en lokaal niveau en binnen landbouwbedrijven voordoen, moet het GLB worden gestroomlijnd qua governance, moet het beter presteren ten aanzien van de doelstellingen van de Unie en moeten de administratieve lasten aanzienlijk worden verminderd. In een GLB dat gebaseerd is op prestaties (het "uitvoeringsmodel"), moet de Unie de fundamentele beleidsparameters vaststellen, zoals de GLB-doelstellingen en de basisvereisten, terwijl de lidstaten meer verantwoordelijkheid moeten dragen voor de wijze waarop zij aan de doelstellingen voldoen en de streefcijfers halen. Door een grotere subsidiariteit wordt het mogelijk om beter rekening te houden met lokale omstandigheden en behoeften. De steun wordt beter toegesneden om maximaal aan de doelstellingen van de Unie bij te dragen.

(3)Het hanteren van gemeenschappelijke, volledig op het niveau van de Unie vastgestelde definities heeft het voor de lidstaten op sommige punten moeilijk gemaakt om rekening houden met hun eigen specifieke kenmerken op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Daarom moeten de lidstaten de flexibiliteit krijgen om bepaalde definities te specificeren in hun strategisch GLB-plan. Om evenwel een gemeenschappelijk gelijk speelveld te garanderen, moet op het niveau van de Unie een kader worden vastgesteld met de vereiste essentiële elementen die in die definities moeten worden opgenomen (hierna "kaderdefinities" genoemd).

(4)Om ervoor te zorgen dat de Unie kan voldoen aan haar internationale verplichtingen op het gebied van binnenlandse steun die in de WTO-overeenkomst inzake de landbouw zijn vastgesteld, en met name dat de basisinkomenssteun voor duurzaamheid en de daaraan gerelateerde interventietypes verder aangemeld blijven als steun uit de "groene doos", die geen of hoogstens minimale handelsverstorende effecten of effecten op de productie heeft, moet de kaderdefinitie voor "landbouwactiviteit" zowel de productie van landbouwproducten als de instandhouding van landbouwareaal omvatten. Om een en ander aan de lokale omstandigheden aan te passen, moeten de lidstaten de concrete definitie van "landbouwactiviteit" in hun strategische GLB-plannen vaststellen.

(5)Om de essentiële Unie-brede elementen te behouden en er zo voor te zorgen dat de lidstaten vergelijkbare besluiten nemen, evenwel zonder hen te beperken bij het bereiken van de doelstellingen van de Unie, moet een kaderdefinitie voor het begrip "landbouwareaal" worden vastgesteld. De daarmee samenhangende kaderdefinities voor "landbouwgrond", "blijvende teelten" en "blijvend grasland" moeten in ruime zin worden geformuleerd om het de lidstaten mogelijk te maken nadere definities te omschrijven volgens hun lokale omstandigheden. De kaderdefinitie voor "bouwgrond" moet zo worden vastgesteld dat de lidstaten daarin verschillende productievormen kunnen onderbrengen, waaronder systemen als landbosbouw en bouwareaal met struiken en bomen, en dat vereist de opname van braaklandareaal om te garanderen dat het om ontkoppelde interventies gaat. De kaderdefinitie voor "blijvende teelten" moet zowel voor de productie gebruikte als niet voor de productie gebruikte arealen omvatten alsmede producten van kwekerijen en hakhout met korte omlooptijd, die door de lidstaten moeten worden gedefinieerd. De kaderdefinitie voor "blijvend grasland" moet zo worden vastgesteld dat de lidstaten nadere criteria kunnen omschrijven en andere begraasbare of diervoederproducerende soorten kunnen opnemen dan grassen of andere kruidachtige voedergewassen, ongeacht of die soorten voor de feitelijke productie worden gebruikt of niet.

(6)Synergieën tussen het Elfpo en Horizon Europa moeten het Elfpo ertoe aanzetten optimaal gebruik te maken van onderzoeks- en innovatieresultaten, met name die welke voortvloeien uit projecten die worden gefinancierd in het kader van Horizon Europa en het Europees Innovatiepartnerschap (EIP) voor "productiviteit en duurzaamheid in de landbouw", wat moet leiden tot de invoering van innovaties in de landbouwsector en de plattelandsgebieden.

(7)Om de rechtszekerheid te bieden dat de steun wordt betaald voor landbouwareaal dat ter beschikking van de landbouwer staat en waarop een landbouwactiviteit wordt uitgeoefend, moet een kaderdefinitie voor "subsidiabele hectare" worden vastgesteld waarin de essentiële elementen worden opgenomen. Met name moeten de lidstaten, om dubbele claims te voorkomen, de voorwaarden vaststellen voor het bepalen of de grond al dan niet ter beschikking van de landbouwer staat. Aangezien de kans groot is dat landbouwgrond occasioneel en tijdelijk wordt gebruikt voor activiteiten die geen landbouwactiviteiten in de strikte zin van het woord zijn en sommige niet-landbouwactiviteiten kunnen bijdragen aan inkomensdiversificatie op landbouwbedrijven, moeten de lidstaten passende voorwaarden vaststellen om areaal dat ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, op te nemen als subsidiabele hectaren.

(8)Met betrekking tot arealen die voor de productie van hennep worden gebruikt, moet, met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en de samenhang met andere wetgevingsstelsels, in de definitie van "subsidiabele hectare" worden bepaald dat hennepzaadrassen moeten worden gebruikt waarvan het gehalte aan tetrahydrocannabinol hoogstens 0,2 % bedraagt.

(9)Om het GLB nog performanter te maken, moet de inkomenssteun op echte landbouwers worden toegespitst. Om ervoor te zorgen dat voor die toespitsing van de steun een gemeenschappelijke benadering op het niveau van de Unie wordt gevolgd, moet een kaderdefinitie voor "echte landbouwer" worden vastgesteld die de essentiële elementen omvat. Uitgaande van dit kader moeten de lidstaten in hun strategische GLB-plannen bepalen welke landbouwers niet als echte landbouwers worden beschouwd, gebaseerd op voorwaarden zoals een inkomenstoets, de arbeidsinput op het landbouwbedrijf, het ondernemingsdoel en de opname in registers. Een dergelijke definitie mag er ook niet toe leiden dat pluri-actieve landbouwers die actief landbouw bedrijven, maar ook niet-agrarische activiteiten buiten hun landbouwbedrijf verrichten, van de steun worden uitgesloten, aangezien het vaak zo is dat hun uiteenlopende activiteiten het sociaaleconomische weefsel van de plattelandsgebieden versterken.

(10)Om bij het nastreven van het doel van de generatievernieuwing te zorgen voor consistentie tussen de interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen en de interventietypes voor plattelandsontwikkeling, moet op het niveau van de Unie een kaderdefinitie voor "jonge landbouwer" worden vastgesteld die de essentiële elementen omvat.

(11)Om invulling te geven aan de doelstellingen van het GLB zoals vastgelegd in artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en om ervoor te zorgen dat de Unie adequaat reageert op haar meest recente uitdagingen, is het passend een reeks algemene doelstellingen vast te stellen die een weerspiegeling zijn van de oriëntaties die in de mededeling "De toekomst van voeding en landbouw" zijn gegeven. Daarnaast moet op het niveau van de Unie een reeks specifieke doelstellingen worden omschreven, die de lidstaten moeten omzetten in hun strategische GLB-plannen. Aan de hand van deze specifieke doelstellingen, waarmee naar een evenwicht tussen de verschillende dimensies van duurzame ontwikkeling wordt gestreefd, in lijn met de effectbeoordeling, moeten de algemene GLB-doelstellingen worden vertaald naar concretere prioriteiten, waarbij rekening wordt gehouden met de betrokken wetgeving van de Unie, met name op het gebied van klimaat, energie en milieu.

(12)Een slimmer, moderner en duurzamer GLB moet onderzoek en innovatie in de armen sluiten om van nut te zijn voor de talrijke functies die de landbouw-, bosbouw- en voedingssystemen van de Unie vervullen; daarbij moet worden geïnvesteerd in technologische ontwikkeling en digitalisering en moet de toegang tot onpartijdige, degelijke, relevante en nieuwe kennis worden verbeterd.

(13)Terwijl het in het kader van het uitvoeringsmodel van het GLB aan de Unie is om zowel de doelstellingen van de Unie vast te stellen als de interventietypes en de voor de lidstaten geldende basisvereisten van de Unie te omschrijven, moet het aan de lidstaten zijn om dat kader van de Unie om te zetten in voor de begunstigden geldende steunregelingen. In die context moeten de lidstaten handelen in overeenstemming met het Handvest van de grondrechten en de algemene beginselen van het Unierecht en ervoor zorgen dat het rechtskader voor de toekenning van de steun van de Unie aan de begunstigden wordt gebaseerd op hun strategische GLB-plannen en strookt met de beginselen en de voorschriften van deze verordening en de [horizontale verordening].

(14)Om een slimme en veerkrachtige landbouwsector te bevorderen blijven rechtstreekse betalingen essentieel om de landbouwers een billijk inkomen te garanderen. Tegelijk moet, met het oog op een betere beloning van de landbouwers op de markt, worden geïnvesteerd in herstructurering van landbouwbedrijven, modernisering, innovatie, diversificatie en benutting van nieuwe technologieën.

(15)In het kader van de grotere marktgerichtheid van het GLB, zoals beschreven in de mededeling "De toekomst van voeding en landbouw", kunnen blootstelling aan de markt, klimaatverandering en de daarmee gepaard gaande toename van de frequentie en de ernst van extreme weersverschijnselen, alsmede sanitaire en fytosanitaire crises leiden tot risico's van prijsvolatiliteit en een toenemende druk op de inkomens. Hoewel de landbouwers de eindverantwoordelijkheid dragen voor het uittekenen van hun eigen bedrijfsstrategie, moet een robuust kader worden opgezet om te zorgen voor een adequaat risicobeheer. Daartoe zouden de lidstaten en de landbouwers, met het oog op capaciteitsopbouw, een beroep kunnen doen op een platform voor risicobeheer op het niveau van de Unie, dat de landbouwers adequate financiële instrumenten voor investeringen aanreikt en hun toegang geeft tot werkkapitaal, opleiding, kennisoverdracht en adviesverlening.

(16)Intensiveren van milieuzorg en klimaatactie en bijdragen aan de verwezenlijking van de milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen van de Unie is een zeer hoge prioriteit voor de toekomst van de land- en bosbouw van de Unie. Het GLB moet in zijn architectuur dan ook meer ambitie tonen ten aanzien van deze doelstellingen. Krachtens het uitvoeringsmodel moeten de acties om de aantasting van het milieu tegen te gaan en de klimaatverandering aan te pakken, resultaatgericht zijn. Daartoe moet artikel 11 VWEU als een resultaatsverplichting worden gezien.

Aangezien veel plattelandsgebieden in de Unie te lijden hebben onder structurele problemen, zoals een gebrek aan aantrekkelijke arbeidskansen, tekorten aan vaardigheden, onvoldoende investeringen in connectiviteit, infrastructuur en essentiële diensten, en een groot aantal wegtrekkende jongeren, is het van cruciaal belang om, overeenkomstig de verklaring van Cork 2.0, het sociaaleconomische weefsel in die gebieden te versterken, in het bijzonder door het scheppen van banen en generatievernieuwing. Daartoe moeten de banen en de groei, waartoe de Commissie aanzet, naar het platteland worden gebracht en moeten sociale inclusie, generatievernieuwing en de ontwikkeling van "slimme dorpen" op het hele Europese platteland worden bevorderd. Zoals aangegeven in de mededeling "De toekomst van voeding en landbouw" kunnen nieuwe waardeketens op het platteland, zoals hernieuwbare energie, de opkomende bio-economie, de circulaire economie en ecotoerisme een gunstig groei- en werkgelegenheidspotentieel bieden voor plattelandsgebieden. In deze context kunnen financiële instrumenten en het gebruik van de InvestEU-garantie een essentiële rol spelen bij het garanderen van toegang tot financiering en bij het ondersteunen van de groeicapaciteit van landbouwbedrijven en ondernemingen. De plattelandsgebieden kunnen arbeidskansen bieden voor onderdanen van derde landen met een legale verblijfsstatus, waardoor hun sociale en economische integratie wordt bevorderd, vooral in het kader van strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling.

(17)Het GLB moet blijven zorgen voor voedselzekerheid, waaronder dient te worden verstaan dat iedereen op elk ogenblik toegang moet hebben tot voldoende, veilige en voedzame levensmiddelen. Voorts moet dit beleid de landbouw van de Unie helpen beter in te spelen op nieuwe maatschappelijke verwachtingen op het gebied van voedsel en gezondheid, waaronder die inzake duurzame landbouwproductie, gezondere voeding, voedselverspilling en dierenwelzijn. Het GLB moet producties met specifieke en waardevolle kenmerken blijven bevorderen en tegelijk de landbouwers helpen om hun productie proactief aan te passen aan de marktsignalen en de vraag van de consument.

(18)Gezien de reikwijdte van de hervorming die nodig is om de doelstellingen te verwezenlijken en aan de bezorgdheden tegemoet te komen, is het passend te voorzien in een nieuw rechtskader in één enkele verordening die betrekking heeft op de steun van de Unie die wordt gefinancierd uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en die in de plaats komt van de regelingen die momenteel zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad 9 en Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad 10 .

(19)Deze verordening moet de voorschriften omvatten die van toepassing zijn op de steun van de Unie die uit het ELGF en het Elfpo wordt gefinancierd en wordt toegekend in de vorm van interventietypes die nader zijn omschreven in een door de lidstaten opgesteld en door de Commissie goedgekeurd strategisch GLB-plan.

(20)Om ervoor te zorgen dat de Unie kan voldoen aan haar internationale verplichtingen op het gebied van binnenlandse steun die in de WTO-overeenkomst inzake de landbouw zijn vastgesteld, is het noodzakelijk dat bepaalde interventietypes waarin deze verordening voorziet, verder aangemeld blijven als steun uit de "groene doos", die geen of hoogstens minimale handelsverstorende effecten of effecten op de productie heeft, of als steun uit de "blauwe doos" in het kader van productiebeperkende programma's, waardoor die steun is vrijgesteld van verlagingsverbintenissen. Hoewel de in deze verordening vastgestelde bepalingen voor die interventietypes reeds in overeenstemming zijn met de voorschriften inzake de "groene doos" van bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw of met de voorschriften inzake de "blauwe doos" van artikel 6, lid 5, van die overeenkomst, moet ervoor worden gezorgd dat de interventies die de lidstaten voor die interventietypes plannen in hun strategische GLB-plannen, aan die voorschriften blijven voldoen.

(21)Voortbouwend op het tot en met 2020 toegepaste systeem van de randvoorwaarden wordt in het nieuwe conditionaliteitssysteem gesteld dat de begunstigden de volledige GLB-steun slechts kunnen ontvangen als zij voldoen aan basisnormen op het gebied van milieu, klimaatverandering, volksgezondheid, gezondheid van dieren en planten en dierenwelzijn. De basisnormen omvatten een lijst, in gestroomlijnde vorm, van uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RBE's) en normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van de grond (GLMC's). Deze basisnormen moeten beter rekening houden met de milieu- en klimaatproblemen en de nieuwe milieu-architectuur van het GLB, om zo de ambitie op het gebied van milieu en klimaat op een hoger niveau te brengen, zoals de Commissie heeft aangekondigd in haar mededelingen over "De toekomst van voeding en landbouw" en het meerjarig financieel kader (MFK). De conditionaliteit is erop gericht de ontwikkeling van duurzame landbouw te bevorderen door de begunstigden er beter van bewust te maken dat het noodzakelijk is deze basisnormen in acht te nemen. Zij heeft ook tot doel het GLB beter bij de verwachtingen van de maatschappij te laten aansluiten door middel van een sterkere samenhang van dit beleid met de doelstellingen op het gebied van milieu, volksgezondheid, gezondheid van dieren en planten en dierenwelzijn. De conditionaliteit moet integraal deel uitmaken van de milieu-architectuur van het GLB, als onderdeel van de basislijn voor het aangaan van meer ambitieuze milieu- en klimaatverbintenissen, en moet in de hele Unie breed worden toegepast. Voor landbouwers die niet aan die voorschriften voldoen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat evenredige, doeltreffende en afschrikkende sancties worden opgelegd overeenkomstig de [horizontale verordening].

(22)Het normenkader van de GLMC's beoogt bij te dragen aan de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering, de aanpak van de waterproblematiek, de bescherming en kwaliteit van de bodem en de bescherming en kwaliteit van de biodiversiteit. Het kader moet worden versterkt om met name rekening te houden met de tot en met 2020 in het kader van de vergroening van de rechtstreekse betalingen vastgestelde praktijken, de matiging van de klimaatverandering en de noodzaak om de duurzaamheid van de landbouwbedrijven te verbeteren, met name wat het nutriëntenbeheer betreft. Het is een vaststaand feit dat elke GLMC aan meerdere doelstellingen bijdraagt. Om het kader te implementeren moeten de lidstaten voor elke op het niveau van de Unie vastgestelde norm een nationale norm omschrijven, rekening houdend met de specifieke kenmerken van het betrokken areaal, inclusief bodem- en klimaatgesteldheid, bestaande landbouwcondities, landgebruik, vruchtwisseling, landbouwpraktijken en de structuur van de landbouwbedrijven. Daarnaast kunnen de lidstaten, om de milieu- en klimaatresultaten van het GLMC-kader te verbeteren, nog andere nationale normen vaststellen die gerelateerd zijn aan de in bijlage III opgenomen hoofddoelstellingen. Als onderdeel van het GLMC-kader moeten, ter ondersteuning van zowel de agronomische als de milieuprestaties van de landbouwbedrijven, beheersplannen voor nutriënten worden opgesteld met behulp van een specifiek elektronisch bedrijfsduurzaamheidsinstrument, dat door de lidstaten ter beschikking van de individuele landbouwers wordt gesteld. Dat instrument moet, op basis van minimale functionaliteiten op het gebied van nutriëntenbeheer, ondersteuning bieden voor de besluitvorming op het landbouwbedrijf. Een grote interoperabiliteit en modulariteit moeten ook de mogelijkheid bieden om andere elektronische landbouwbedrijfs- en e-governancetoepassingen toe te voegen. Om te zorgen voor een gelijk speelveld tussen de landbouwers in de hele Unie, kan de Commissie de lidstaten ondersteunen bij de ontwikkeling van het instrument en de vereiste diensten voor gegevensopslag en -verwerking.

(23)De RBE's moeten door de lidstaten volledig worden uitgevoerd om op het niveau van het landbouwbedrijf operationeel te worden en een gelijke behandeling van de landbouwers te waarborgen. Met het oog op de samenhang van de voorschriften inzake conditionaliteit bij het verbeteren van de duurzaamheid van het beleid, moeten de RBE's de belangrijkste wetgeving van de Unie op het gebied van milieu, volksgezondheid, gezondheid van dieren en planten en dierenwelzijn omvatten waarvan de implementatie op nationaal niveau concrete verplichtingen voor individuele landbouwers inhoudt, met inbegrip van de verplichtingen op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad 11 en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad 12 of Richtlijn 91/676/EEG van de Raad 13 . Om gevolg te geven aan de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die gehecht is aan Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad 14 , worden de desbetreffende bepalingen van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad 15 en Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad 16 als RBE's opgenomen in het toepassingsgebied van de conditionaliteit en wordt de lijst van de GLMC-normen dienovereenkomstig aangepast.

(24)De lidstaten moeten bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw opzetten die het duurzame beheer en de algehele prestaties van de landbouw- en plattelandsbedrijven moeten verbeteren en daarbij de economische, ecologische en sociale dimensies bestrijken, en die moeten nagaan welke verbeteringen noodzakelijk zijn ten aanzien van de maatregelen op het niveau van het landbouwbedrijf die in de strategische GLB-plannen zijn opgenomen. Deze bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw moeten landbouwers en andere begunstigden van de GLB-steun helpen om zich beter bewust te worden van het verband tussen bedrijfsbeheer en grondbeheer enerzijds en bepaalde normen, vereisten en informatie, onder meer op het vlak van milieu en klimaat, anderzijds. Tot dat laatste behoren zowel de in het strategisch GLB-plan opgenomen normen die van toepassing zijn op of noodzakelijk zijn voor landbouwers en andere begunstigden van het GLB, als die welke voortvloeien uit de wetgeving inzake water en duurzaam gebruik van pesticiden, uit de initiatieven ter bestrijding van antimicrobiële resistentie en uit het risicobeheer. Om het advies kwaliteitsvoller en doeltreffender te maken, moeten de lidstaten in de kennis- en innovatiesystemen voor de landbouw (AKIS) adviseurs inschakelen om actuele technologische en wetenschappelijke informatie ter beschikking te kunnen stellen die in het kader van onderzoek en innovatie is ontwikkeld.

(25)Met het oog op een eerlijker verdeling van de inkomenssteun moeten de bedragen van de rechtstreekse betalingen die een bepaald maximum overschrijden, worden verlaagd en moet de opbrengst daarvan worden gebruikt voor ontkoppelde rechtstreekse betalingen en in de eerste plaats voor de aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid, of worden overgeheveld naar het Elfpo. Om negatieve effecten op de werkgelegenheid te voorkomen moet bij de toepassing van het mechanisme rekening worden gehouden met de factor arbeid.

(26)In de wetgeving van de Unie moet worden bepaald dat de lidstaten in hun strategisch GLB-plan voorschriften moeten vaststellen inzake een minimumareaal voor het ontvangen van ontkoppelde betalingen. Bij die voorschriften moet voor ogen worden gehouden dat buitensporige administratieve lasten als gevolg van het beheer van een groot aantal betalingen van kleine bedragen moeten worden voorkomen en dat erop moet worden toegezien dat de steun een effectieve bijdrage levert aan de verwezenlijking van de GLB-doelstellingen waaraan de ontkoppelde rechtstreekse betalingen bijdragen. Om alle echte landbouwers een minimumniveau van agrarische inkomenssteun te garanderen en te voldoen aan de doelstelling van het Verdrag dat de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard moet worden verzekerd, moet een jaarlijkse areaalgebonden ontkoppelde betaling worden ingesteld in de vorm van het interventietype "basisinkomenssteun voor duurzaamheid". Om de steun gerichter te maken, mogen de betalingsbedragen worden gedifferentieerd naar groepen gebieden op basis van sociaaleconomische en/of agronomische omstandigheden. Om verstorende gevolgen voor het inkomen van de landbouwers te voorkomen, kunnen de lidstaten ervoor kiezen de basisinkomenssteun voor duurzaamheid te implementeren op basis van de betalingsrechten. In dat geval moet de waarde van de betalingsrechten vóór verdere convergentie in verhouding staan tot hun waarde zoals vastgesteld in het kader van de basisbetalingsregeling op grond van Verordening (EU) nr. 1307/2013, waarbij ook rekening wordt gehouden met de betalingen voor landbouwpraktijken die gunstig zijn voor klimaat en milieu. De lidstaten moeten ook verder convergeren om geleidelijk los te komen van de historische waarden.

(27)Als de lidstaten ontkoppelde rechtstreekse steun verstrekken op basis van het stelsel van betalingsrechten, moeten zij een nationale reserve blijven beheren, dan wel nationale reserves per groep gebieden. Die reserves moeten prioritair worden gebruikt voor jonge landbouwers of landbouwers die hun landbouwactiviteit opstarten. Om te zorgen voor een soepele werking van het systeem zijn ook regels voor het gebruik en de overdracht van betalingsrechten nodig.

(28)Kleine landbouwbedrijven blijven een hoeksteen van de landbouw van de Unie aangezien zij een cruciale rol spelen bij de ondersteuning van de werkgelegenheid op het platteland en bijdragen aan de territoriale ontwikkeling. Om een evenwichtiger verdeling van de steun te bevorderen en de administratieve lasten voor de begunstigden van kleine bedragen te verminderen, moet aan de lidstaten de keuze worden gelaten om kleine landbouwers de mogelijkheid te geven om in plaats van de andere rechtstreekse betalingen een forfaitaire betaling voor kleine landbouwers te ontvangen.

(29)Aangezien algemeen wordt erkend dat een evenwichtiger verdeling van de steun ten behoeve van kleine en/of middelgrote landbouwers op zichtbare en meetbare wijze moet worden bevorderd, moet op het niveau van de Unie een specifieke ontkoppelde betaling per hectare, de aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid, worden ingesteld. Om deze aanvullende steun gerichter te maken en rekening te houden met de verschillen in de structuren van de landbouwbedrijven in de hele Unie, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om verschillende bedragen aan aanvullende steun te verstrekken voor verschillende reeksen hectaren.

(30)Voor jonge landbouwers is het financieel problematisch om nieuwe economische activiteiten in de landbouwsector op te zetten en tot ontwikkeling te brengen; daarmee dient rekening te worden gehouden bij de toewijzing en verdeling van de rechtstreekse betalingen. Deze ontwikkeling van nieuwe economische activiteiten is van wezenlijk belang voor het concurrentievermogen van de landbouwsector van de Unie en daarom kunnen lidstaten een aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers instellen. Dit interventietype moet worden ingesteld om jonge landbouwers aanvullende inkomenssteun te geven na de initiële oprichting van hun bedrijf.

(31)Het GLB moet ertoe leiden dat de lidstaten tot betere milieuresultaten komen door rekening te houden met de lokale behoeften en de feitelijke omstandigheden van de landbouwers. De lidstaten moeten bij de rechtstreekse betalingen in de strategische GLB-plannen ecoregelingen instellen die vrijwillig zijn voor de landbouwers en volledig moeten worden gecoördineerd met de andere betrokken interventies. Die regelingen moeten door de lidstaten worden omschreven als een betaling die wordt toegekend hetzij als stimulans en vergoeding voor het leveren van collectieve goederen door middel van landbouwpraktijken die gunstig zijn voor milieu en klimaat, hetzij als een compensatie voor de invoering van die praktijken. In beide gevallen moeten zij gericht zijn op de verbetering van de milieu- en klimaatprestaties van het GLB en daarom moeten zij zo worden opgezet dat zij verder gaan dan de verplichte vereisten waarin het conditionaliteitssysteem reeds voorziet. De lidstaten kunnen besluiten ecoregelingen in te stellen voor landbouwpraktijken zoals een beter beheer van blijvend grasland en landschapselementen, en biologische landbouw. Tot deze regelingen kunnen ook "instapregelingen" behoren die een voorwaarde kunnen zijn voor het aangaan van meer ambitieuze verbintenissen in het kader van de plattelandsontwikkeling.

(32)De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om een deel van hun financiële maximum voor rechtstreekse betalingen te gebruiken voor gekoppelde inkomenssteun om in bepaalde sectoren en producties die van bijzonder belang zijn om sociale, economische of ecologische redenen en bepaalde moeilijkheden ondervinden, het concurrentievermogen, de duurzaamheid en/of de kwaliteit te verbeteren. Voorts moet het de lidstaten ook worden toegestaan om een aanvullend deel van hun financiële maximum voor rechtstreekse betalingen te gebruiken voor de toekenning van gekoppelde inkomenssteun die specifiek bedoeld is om de productie van eiwithoudende gewassen te ondersteunen teneinde het tekort op dit gebied in de Unie te verminderen.

(33)Er moet worden gewaarborgd dat de gekoppelde inkomenssteun strookt met de internationale verbintenissen van de Unie. Daartoe behoren met name de voorschriften van het Memorandum van Overeenstemming betreffende bepaalde oliehoudende zaden tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika in het kader van de GATT 17 , zoals van toepassing na de wijzigingen in het afzonderlijke basisareaal van de EU voor oliehoudende zaden als gevolg van de wijzigingen in de samenstelling van de EU. De Commissie moet de bevoegdheid hebben om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde in dit verband uitvoeringsbepalingen vast te leggen.

(34)Overeenkomstig de doelstellingen die zijn opgenomen in het aan de Akte van Toetreding van 1979 gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen, moet worden doorgegaan met de "gewasspecifieke betaling" per subsidiabele hectare voor de katoenteelt en met de steun voor brancheorganisaties in de katoenproducerende regio's. Aangezien de begrotingstoewijzing voor katoen evenwel een vast bedrag is en niet voor andere doeleinden kan worden gebruikt, en de uitvoering van dit programma een verdragsrechtelijke basis heeft, mag de betaling voor katoen geen deel uitmaken van de interventies die in het kader van de strategische GLB-plannen worden goedgekeurd. Om te zorgen voor een efficiënte toepassing en een efficiënt beheer van de gewasspecifieke betaling voor katoen, moet de bevoegdheid om bepaalde handelingen vast te stellen worden gedelegeerd aan de Commissie.

(35)Sectorale interventietypes zijn nodig om aan de GLB-doelstellingen bij te dragen en de synergie met andere GLB-instrumenten te versterken. Overeenkomstig het uitvoeringsmodel moeten de minimumeisen ten aanzien van de inhoud en de doelstellingen van deze sectorale interventietypes op het niveau van de Unie worden vastgesteld om te zorgen voor een gelijk speelveld op de interne markt en om ongelijke en oneerlijke concurrentie te voorkomen. De lidstaten moeten de opneming ervan in hun strategische GLB-plannen onderbouwen en voor consistentie met de andere interventies op sectoraal niveau zorgen. De op het niveau van de Unie vast te stellen brede interventietypes moeten betrekking hebben op de sectoren groenten en fruit, wijn, producten van de bijenteelt, olijfolie en tafelolijven, hop en andere nog te omschrijven producten, waarvoor de vaststelling van sectorale programma's wordt geacht een gunstig effect te hebben op de verwezenlijking van alle of van een deel van de algemene en specifieke doelstellingen van het GLB die in het kader van deze verordening worden nagestreefd.

(36)Nationale financiële enveloppes of andere beperkingen in de vorm van plafonneringen zijn nodig om ervoor te zorgen dat de specificiteit van de interventie wordt behouden en om de programmering van de sectorale interventies voor wijn, olijfolie en tafelolijven, hop en andere in deze verordening te omschrijven landbouwproducten te vergemakkelijken. In de sector groenten en fruit en de sector van de bijenteelt moet evenwel worden doorgegaan met het toekennen van financiële steun van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad 18 , zodat niet wordt geraakt aan de verwezenlijking van de aanvullende doelstellingen die specifiek zijn voor deze interventietypes. Als lidstaten in hun strategische GLB-plannen steun voor "andere sectorale interventies" opnemen, moet de desbetreffende financiële toewijzing, om financieel neutraal te blijven, in mindering worden gebracht op de toewijzing voor de interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen van de betrokken lidstaat. Als een lidstaat ervoor kiest om geen sectorale interventies voor hop en olijfolie te implementeren, moeten de desbetreffende toewijzingen voor die lidstaat ter beschikking worden gesteld als aanvullende toewijzingen voor de interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen.

(37)Voor de interventies voor plattelandsontwikkeling worden de beginselen op het niveau van de Unie vastgesteld, met name wat betreft de basisvereisten voor de toepassing van selectiecriteria door de lidstaten. De lidstaten moeten evenwel over een ruime beslissingsbevoegdheid beschikken om de specifieke voorwaarden te omschrijven naargelang van hun eigen behoeften. De interventietypes voor plattelandsontwikkeling omvatten betalingen voor milieu-, klimaat- en andere beheersverbintenissen die de lidstaten op hun gehele grondgebied moeten ondersteunen volgens hun specifieke nationale, regionale of lokale behoeften. De lidstaten moeten betalingen toekennen aan landbouwers en andere grondbeheerders die op vrijwillige basis beheersverbintenissen aangaan die bijdragen aan de matiging van en de aanpassing aan klimaatverandering en aan de bescherming en verbetering van het milieu, met inbegrip van waterkwaliteit en -kwantiteit, luchtkwaliteit, bodem, biodiversiteit en ecosysteemdiensten, inclusief vrijwillige verbintenissen in het kader van Natura 2000 en steun voor genetische diversiteit. Steun in het kader van de betalingen voor beheersverbintenissen kan ook worden verleend in de vorm van lokaal gestuurde geïntegreerde of coöperatieve benaderingen en resultaatgerichte interventies.

(38)De steun voor beheersverbintenissen kan het volgende omvatten: premies in het kader van de biologische landbouw voor het onderhoud van en de omschakeling naar biologische grond; betalingen voor andere interventietypes ter ondersteuning van milieuvriendelijke productiesystemen zoals agro-ecologie, conserveringslandbouw en geïntegreerde productie; bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding; premies voor bossen en de invoering van boslandbouwsystemen; dierenwelzijn; instandhouding, duurzaam gebruik en ontwikkeling van genetische hulpbronnen. De lidstaten kunnen in het kader van dit interventietype andere regelingen opstellen naargelang van hun behoeften. Dit type betalingen mag slechts worden verricht voor extra kosten en gederfde inkomsten die het gevolg zijn van verbintenissen die verder gaan dan de basislijn die wordt gevormd door de dwingende normen en voorschriften van zowel het Unierecht als het nationale recht en door de in het strategisch GLB-plan vastgestelde conditionaliteit. Verbintenissen in verband met dit interventietype kunnen worden aangegaan voor een vooraf bepaalde jaarlijkse of meerjarige periode en kunnen, indien naar behoren gemotiveerd, langer lopen dan zeven jaar.

(39)De bosbouwmaatregelen moeten bijdragen tot de uitvoering van de bosbouwstrategie van de Unie en moeten gebaseerd zijn op nationale of subnationale bosbouwprogramma's of gelijkwaardige instrumenten van de lidstaten, waarmee moet worden voortgebouwd op de verbintenissen die voortvloeien uit de verordening inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 [LULUCF-verordening] en uit de verbintenissen die zijn aangegaan tijdens de ministeriële conferenties over de bescherming van de bossen in Europa. De interventies moeten op bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten gebaseerd zijn en kunnen het volgende omvatten: ontwikkeling van bosareaal en duurzaam bosbeheer, met inbegrip van bebossing van grond en aanleg en vernieuwing van boslandbouwsystemen; bescherming, herstel en verbetering van bosrijkdommen, rekening houdend met de adaptatiebehoeften; investeringen om de instandhouding en de veerkracht van de bossen te waarborgen en te versterken en verlening van bosecosysteem- en klimaatdiensten, en maatregelen en investeringen ter ondersteuning van hernieuwbare energie en de bio-economie.

(40)Om te zorgen voor een billijk inkomen en een veerkrachtige landbouwsector in de hele Unie, mogen de lidstaten steun toekennen aan landbouwers in gebieden met natuurlijke en andere gebiedsspecifieke beperkingen. Wat betreft de betalingen voor gebieden met natuurlijke beperkingen, moet de aanwijzing daarvan in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid 2014-2020 blijven gelden. Het GLB zal slechts een grotere meerwaarde van de Unie voor het milieu kunnen opleveren en zijn synergieën met de financiering van investeringen in natuur en biodiversiteit kunnen versterken, als een afzonderlijke maatregel wordt gehandhaafd die erop gericht is de begunstigden te vergoeden voor de nadelen die worden ondervonden door de uitvoering van de Natura 2000-richtlijn en de kaderrichtlijn water. Daarom moet verder steun aan landbouwers en bosbezitters worden toegekend om de specifieke nadelen te helpen compenseren die voortvloeien uit de toepassing van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG en om bij te dragen aan een doeltreffend beheer van de Natura 2000-gebieden. Daarnaast moet ook steun voor landbouwers beschikbaar worden gesteld om in stroomgebieden van rivieren de nadelen te helpen compenseren van de toepassing van de kaderrichtlijn water. De steun moet worden gekoppeld aan specifieke vereisten die in de strategische GLB-plannen worden beschreven en verder gaan dan de desbetreffende dwingende normen en eisen. De lidstaten moeten er ook op toezien dat de betalingen aan landbouwers niet leiden tot dubbele financiering met de ecoregelingen. Voorts moeten de lidstaten in het algemene ontwerp van hun strategische GLB-plannen rekening houden met de specifieke behoeften van de Natura 2000-gebieden.

(41)De doelstellingen van het GLB moeten ook worden nagestreefd door middel van steun voor zowel productieve als niet-productieve investeringen op en buiten het landbouwbedrijf. Die investeringen kunnen onder meer betrekking hebben op infrastructuur in verband met de ontwikkeling, modernisering en aanpassing aan de klimaatverandering van de land- en bosbouw, inclusief op het gebied van de toegankelijkheid van landbouw- en bosgrond, ruilverkaveling en grondverbetering, boslandbouwpraktijken en de voorziening en besparing van energie en water. Om beter de samenhang van de strategische GLB-plannen met de doelstellingen van de Unie te garanderen en een gelijk speelveld tussen de lidstaten tot stand te brengen, wordt in deze verordening een negatieve lijst van investeringsitems opgenomen.

(42)Aangezien het noodzakelijk is de investeringskloof in de landbouwsector van de Unie te dichten en de toegang tot financiële instrumenten te verbeteren voor prioritaire groepen, met name jonge landbouwers en nieuwkomers met een hoger risicoprofiel, moet het gebruik van de InvestEU-garantie en de combinatie van subsidies en financiële instrumenten worden aangemoedigd. Aangezien het gebruik van de financiële instrumenten in de lidstaten sterk uiteenloopt als gevolg van verschillen in toegang tot de financiering, ontwikkeling van de banksector, aanwezigheid van risicokapitaal, vertrouwdheid van de overheidsdiensten en potentiële begunstigden, moeten de lidstaten in hun strategisch GLB-plan passende streefcijfers, begunstigden en preferentiële voorwaarden, alsook andere mogelijke subsidiabiliteitsregels vaststellen.

(43)Jonge landbouwers en nieuwkomers ondervinden nog steeds aanzienlijke belemmeringen wat betreft toegang tot land, hoge prijzen en toegang tot krediet. Hun bedrijven worden meer bedreigd door prijsschommelingen (zowel voor productiemiddelen als voor producten) en hun behoeften aan opleiding in ondernemersvaardigheden en vaardigheden op het gebied van risicobeheer zijn hoog. Het is dan ook van belang de steun voor het opzetten van nieuwe ondernemingen en nieuwe landbouwbedrijven voort te zetten. De lidstaten moeten in een strategische aanpak voorzien en een duidelijk en coherent samenstel van interventies voor generatievernieuwing vaststellen in het kader van de desbetreffende specifieke doelstelling. Daartoe kunnen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen preferentiële voorwaarden voor financiële instrumenten voor jonge landbouwers en nieuwkomers opnemen, en moeten zij in hun strategische GLB-plannen ten minste 2 % van de jaarlijkse enveloppe voor rechtstreekse betalingen voor dat doel reserveren. Het maximumbedrag van de steun voor de vestiging van jonge landbouwers en het opstarten van plattelandsbedrijven moet tot maximaal 100 000 EUR worden verhoogd en moet ook via of in combinatie met steun in de vorm van een financieel instrument toegankelijk zijn.

(44)Omdat passende instrumenten voor risicobeheer een noodzaak zijn, moeten de verzekeringspremies en onderlinge fondsen worden gehandhaafd en uit het Elfpo worden gefinancierd. De categorie onderlinge fondsen omvat zowel die in verband met productieverliezen als de algemene en sectorspecifieke inkomensstabiliseringsinstrumenten die met inkomensverliezen verband houden.

(45)De steun moet het mogelijk maken dat minstens twee entiteiten een samenwerking tot stand brengen en daaraan uitvoering geven met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van het GLB. De steun kan alle aspecten van een dergelijke samenwerking behelzen, zoals het opzetten van kwaliteitsregelingen; collectieve milieu- en klimaatacties; bevordering van korte voorzieningsketens en lokale markten; proefprojecten; projecten van operationele groepen in het kader van het EIP voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw, lokale ontwikkelingsprojecten, slimme dorpen, kopersverenigingen en machinecoöperaties; partnerschappen tussen landbouwbedrijven; bosbeheerplannen; netwerken en clusters; sociale landbouw; gemeenschapslandbouw; acties die onder Leader vallen; en de oprichting van producentengroeperingen en producentenorganisaties, alsmede andere vormen van samenwerking die noodzakelijk worden geacht voor het bereiken van de specifieke doelstellingen van het GLB.

(46)Volgens de mededeling "De toekomst van voeding en landbouw" zijn kennisuitwisseling en de focus op innovatie een transversale doelstelling van het nieuwe GLB. Het GLB moet steun blijven verlenen voor het interactieve innovatiemodel, dat de samenwerking tussen actoren versterkt met het oog op een optimaal gebruik van complementaire vormen van kennis, wat leidt tot de verspreiding van praktische oplossingen. Binnen de kennis- en innovatiesystemen voor de landbouw (AKIS) moeten de bedrijfsadviesdiensten worden versterkt. Het strategisch GLB-plan moet informatie verstrekken over hoe bedrijfsadviesdiensten, onderzoek en plattelandsnetwerken zullen samenwerken. Elke lidstaat of, naargelang van het geval, elke regio kan een aantal acties financieren die op kennisuitwisseling en innovatie gericht zijn en kan daarbij gebruikmaken van de interventietypes die in deze verordening zijn opgenomen.

(47)Het ELGF moet interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen en sectorale interventietypes blijven financieren, terwijl het Elfpo de in deze verordening omschreven interventietypes voor plattelandsontwikkeling moet blijven financieren. De regels voor het financiële beheer van het GLB moeten afzonderlijk worden vastgesteld voor de twee fondsen en voor de door elk van hen ondersteunde activiteiten, ermee rekening houdend dat het nieuwe uitvoeringsmodel de lidstaten meer flexibiliteit en subsidiariteit voor het bereiken van hun doelstellingen biedt. De interventietypes uit hoofde van deze verordening moeten de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027 bestrijken.

(48)De steun voor de rechtstreekse betalingen in het kader van de strategische GLB-plannen moet worden toegekend binnen de bij deze verordening vast te stellen nationale toewijzingen. Deze nationale toewijzingen moeten de lijn doortrekken van de wijzigingen waarbij de toewijzingen aan de lidstaten met de laagste hectaresteun geleidelijk worden verhoogd om de kloof in de richting van 90 % van het gemiddelde van de Unie te dichten met 50 %. Om rekening te houden met het mechanisme ter verlaging van de betalingen en het gebruik van de opbrengst daarvan in de lidstaat, moet worden toegestaan dat de totale indicatieve financiële toewijzingen per jaar in het GLB-plan van een lidstaat groter zijn dan de nationale toewijzing.

(49)Om het beheer van de Elfpo-middelen te vergemakkelijken moet een enkel bijdragepercentage voor steun uit het Elfpo worden vastgesteld voor de overheidsuitgaven in de lidstaten. Om rekening te houden met het bijzondere belang of de bijzondere aard van bepaalde soorten verrichtingen, moeten voor die verrichtingen specifieke bijdragepercentages worden vastgesteld. Voor de minder ontwikkelde regio's, de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee moet een passend percentage voor de bijdrage uit het Elfpo worden vastgesteld om de gevolgen te matigen van de specifieke beperkingen die de ontwikkelingsgraad, de verafgelegen ligging of het insulaire karakter met zich brengen.

(50)Uit het Elfpo mag geen steun worden verleend voor investeringen die schadelijk zouden zijn voor het milieu. Daarom moet deze verordening in een aantal uitsluitingsregels voorzien en de mogelijkheid bieden om deze garanties verder uit te werken in gedelegeerde handelingen. Met name mag het Elfpo geen investeringen in irrigatie financieren die niet bijdragen tot het bereiken of behouden van een goede toestand van het betrokken waterlichaam of de betrokken waterlichamen, of investeringen in bebossing die niet stroken met de klimaat- en milieudoelstellingen overeenkomstig de beginselen van duurzaam bosbeheer.

(51)Om een adequate financiering voor bepaalde prioriteiten te garanderen, moeten voor de steun in het kader van het Elfpo regels inzake de minimale financiële toewijzingen voor die prioriteiten worden vastgesteld. Om te zorgen voor een gelijk speelveld tussen de landbouwers, moet ook een maximale toewijzing voor de gekoppelde steun in het kader van de rechtstreekse betalingen worden vastgesteld. Voorts moet het de lidstaten ook worden toegestaan om een extra deel van hun financiële maximum voor rechtstreekse betalingen te gebruiken om gekoppelde inkomenssteun toe te kennen die specifiek moet dienen voor de verbetering van het concurrentievermogen, de duurzaamheid en/of de kwaliteit van de productie van eiwithoudende gewassen.

(52)Dit programma weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de door de Unie aangegane verbintenissen om de Overeenkomst van Parijs en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties uit te voeren, en zal ertoe bijdragen dat klimaatactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat het algemene streefcijfer - 25 % van de EU-begrotingsuitgaven voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen - wordt gehaald. Naar verwachting zullen de acties in het kader van het GLB voor 40 % van de totale financiële middelen van het GLB bijdragen aan de klimaatdoelstellingen. De betrokken acties zullen tijdens de voorbereiding en de uitvoering van het programma worden vastgesteld en zullen opnieuw worden beoordeeld in het kader van de betrokken evaluatie- en herzieningsprocedures.

(53)Het overdragen aan de lidstaten van de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de behoeften en het halen van de streefcijfers gaat hand in hand met een grotere flexibiliteit om te bepalen hoe de interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen, de sectorale interventietypes en de interventietypes voor plattelandsontwikkeling met elkaar worden gecombineerd. Dit moet worden ondersteund door enige flexibiliteit om de betrokken nationale toewijzingen van de middelen aan te passen. Bijgevolg is, wanneer lidstaten van mening zijn dat de vooraf toegewezen enveloppe te laag is om ruimte te hebben voor alle beoogde maatregelen, een zekere mate van flexibiliteit gerechtvaardigd, terwijl tegelijk moet worden voorkomen dat zich aanzienlijke schommelingen voordoen in het niveau van de jaarlijkse rechtstreekse inkomenssteun ten opzichte van de bedragen die beschikbaar zijn voor meerjareninterventies in het kader van het Elfpo.

(54)Om de meerwaarde van de Unie te vergroten, een goed functionerende interne landbouwmarkt te handhaven en ook de bovengenoemde algemene en specifieke doelstellingen te verwezenlijken, dienen de lidstaten de besluiten uit hoofde van deze verordening niet geïsoleerd te nemen, maar in het kader van een gestructureerd proces dat moet uitmonden in een strategisch GLB-plan. In de van bovenaf door de Unie opgelegde regels moeten de specifieke EU-brede doelstellingen van het GLB, de voornaamste interventietypes, het prestatiekader en de governancestructuur worden omschreven. Die taakverdeling moet ervoor zorgen dat de ingezette financiële middelen en de bereikte resultaten volledig met elkaar in overeenstemming zijn.

(55)Om ervoor te zorgen dat deze strategische GLB-plannen een duidelijk strategisch karakter hebben en om het gemakkelijker te maken om terug te koppelen naar andere beleidsdomeinen van de Unie, en met name naar de bestaande nationale langetermijnstreefcijfers die voortvloeien uit wetgeving van de Unie of internationale overeenkomsten, zoals die in verband met klimaatverandering, bossen, biodiversiteit en water, is het passend dat er één enkel strategisch GLB-plan per lidstaat wordt opgesteld.

(56)Bij de opstelling van hun strategische GLB-plannen moeten de lidstaten hun specifieke situatie en behoeften analyseren, streefcijfers vaststellen voor de verwezenlijking van de GLB-doelstellingen en interventies ontwerpen die het mogelijk maken de streefcijfers te bereiken en die tegelijk aangepast zijn aan de specifieke nationale en regionale context, waaronder die van de ultraperifere gebieden als bedoeld in artikel 349 VWEU. Dit proces moet aanzetten tot meer subsidiariteit binnen een gezamenlijk kader van de Unie, terwijl moet worden gegarandeerd dat de algemene beginselen van het recht van de Unie en de GLB-doelstellingen in acht worden genomen. Het is dan ook passend om regels vast te stellen betreffende de structuur en de inhoud van de strategische GLB-plannen.

(57)Om ervoor te zorgen dat de door de lidstaten vastgestelde streefcijfers en het ontwerp van de interventies passend zijn en tot een zo groot mogelijke bijdrage aan de GLB-doelstellingen leiden, moet de strategie van de strategische GLB-plannen worden gebaseerd op een voorafgaande analyse van de lokale contexten en op een evaluatie van de behoeften in verband met de GLB-doelstellingen.

(58)De strategische GLB-plannen moeten erop gericht zijn meer samenhang tussen de verschillende instrumenten van het GLB tot stand te brengen, aangezien zij interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen, sectorale interventietypes en interventietypes voor plattelandsontwikkeling moeten omvatten. Zij moeten ook garanderen en aantonen dat de keuzen van de lidstaten aansluiten op de prioriteiten en doelstellingen van de Unie en daarvoor geschikt zijn. Het is daarom passend dat zij een resultaatgerichte interventiestrategie omvatten die is opgezet rond de specifieke GLB-doelstellingen, met inbegrip van de streefcijfers die op deze doelstellingen betrekking hebben. Om ervoor te zorgen dat de streefcijfers jaarlijks kunnen worden gemonitord, is het passend dat zij op resultaatindicatoren worden gebaseerd.

(59)Voorts moet in de strategie de nadruk worden gelegd op de complementariteit, zowel tussen de GLB-instrumenten onderling als met de andere beleidsdomeinen van de Unie. Met name moet in elk strategisch GLB-plan rekening worden gehouden met, indien van toepassing, de milieu- en klimaatwetgeving en moeten de uit deze wetgeving voortvloeiende nationale plannen worden beschreven als onderdeel van de analyse van de huidige situatie (SWOT-analyse). Het is passend een lijst op te stellen van de wetgevingsinstrumenten die specifiek moeten worden vermeld in het strategisch GLB-plan.

(60)Aangezien aan de lidstaten flexibiliteit moet worden geboden wat betreft de keuze om een deel van de uitvoering van het strategisch GLB-plan naar het regionale niveau te delegeren op basis van een nationaal kader, is het passend dat in de strategische GLB-plannen een beschrijving wordt gegeven van de wisselwerking tussen de nationale en de regionale interventies, om bij de aanpak van natiewijde uitdagingen de coördinatie tussen de regio's te vergemakkelijken.

(61)Aangezien de strategische GLB-plannen de Commissie in staat moeten stellen om haar verantwoordelijkheid voor het beheer van de begroting van de Unie op te nemen en de lidstaten rechtszekerheid moeten verschaffen over bepaalde elementen van het plan, is het passend dat de plannen een specifieke beschrijving bevatten van de afzonderlijke interventies, met inbegrip van de subsidiabiliteitsvoorwaarden, de toewijzing van de middelen, de geplande outputs en de kosten per eenheid. Naast een plan met streefcijfers is een financieel plan vereist dat voor elke interventie een overzicht van alle begrotingsaspecten biedt.

(62)Om ervoor te zorgen dat de strategische GLB-plannen onverwijld van start gaan en efficiënt worden uitgevoerd, moet de steun uit het ELGF en het Elfpo berusten op een solide administratief kader. In elk strategisch GLB-plan moeten daarom alle governance- en coördinatiestructuren van het strategisch GLB-plan worden geïdentificeerd, met inbegrip van de controlesystemen, de sancties en de monitoring- en verslagleggingsstructuur.

(63)Gezien het belang van de algemene doelstelling van de modernisering van de landbouwsector en het horizontale karakter van die doelstelling, is het dienstig dat de lidstaten in hun strategisch GLB-plan een specifieke beschrijving geven van de bijdrage van dat plan aan die doelstelling.

(64)Gezien de bezorgdheden met betrekking tot de administratieve lasten onder gedeeld beheer moet in het strategisch GLB-plan ook specifiek aandacht worden besteed aan vereenvoudiging.

(65)Aangezien het niet betaamt dat de Commissie haar goedkeuring hecht aan informatie die als achtergrondinformatie of historische informatie kan worden beschouwd of die onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt, moet bepaalde informatie worden verstrekt in de vorm van bijlagen bij het strategisch GLB-plan.

(66)Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moeten de fondsen worden geëvalueerd op basis van informatie die wordt verzameld door middel van specifieke voorschriften inzake monitoring, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan de effecten van de fondsen op het terrein worden geëvalueerd.

(67)De goedkeuring van het strategisch GLB-plan door de Commissie is een cruciale stap om ervoor te zorgen dat het beleid wordt uitgevoerd overeenkomstig de gemeenschappelijke doelstellingen. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moet de Commissie de lidstaten de nodige richtsnoeren geven met betrekking tot het presenteren van een samenhangende en ambitieuze interventielogica.

(68)De mogelijkheid moet worden geboden om de strategische GLB-plannen te programmeren en te herzien overeenkomstig de in deze verordening vastgelegde voorwaarden.

(69)De verantwoordelijkheid voor het beheer en de uitvoering van elk strategisch GLB-plan moet bij een beheersautoriteit worden gelegd. De taken van deze autoriteit moeten in deze verordening worden gespecificeerd. De beheersautoriteit moet haar taken deels kunnen delegeren, met dien verstande dat zij verantwoordelijk blijft voor de doeltreffendheid en correctheid van het beheer. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat bij het beheer en de uitvoering van de strategische GLB-plannen de financiële belangen van de Unie worden beschermd overeenkomstig [Verordening (EU, Euratom) X] van het Europees Parlement en de Raad [het nieuwe Financieel Reglement] en Verordening (EU) nr. X van het Europees Parlement en de Raad [de nieuwe horizontale verordening].

(70)Overeenkomstig het beginsel van gedeeld beheer wordt de Commissie bij de uitvoering van het GLB bijgestaan door comités die bestaan uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Met het oog op de vereenvoudiging van het systeem en op de stroomlijning van het standpunt van de lidstaten wordt voor de uitvoering van deze verordening slechts één monitoringcomité opgericht, met dien verstande dat het Comité voor plattelandsontwikkeling en het Comité voor rechtstreekse betalingen, die werden opgericht in het kader van de programmeringsperiode 2014-2020, worden samengevoegd. De verantwoordelijkheid om de lidstaten te helpen bij de uitvoering van de strategische GLB-plannen wordt gedeeld door de beheersautoriteit en dit monitoringcomité. Voorts moet de Commissie overeenkomstig de bepalingen van deze verordening worden bijgestaan door het Comité voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

(71)Het Elfpo moet via technische bijstand, op initiatief van de Commissie, ondersteuning bieden voor acties in verband met de uitvoering van de taken als bedoeld in [artikel 7 HzV]. Daarnaast mag, op initiatief van de lidstaten, technische bijstand worden verleend voor de uitvoering van taken die noodzakelijk zijn voor het effectieve beheer en de effectieve uitvoering van de steun met betrekking tot het strategisch GLB-plan. Een verhoging van de technische bijstand op initiatief van lidstaten is alleen beschikbaar voor Malta.

(72)In een context waar de lidstaten bij het ontwerpen van de interventies over veel meer flexibiliteit en subsidiariteit zullen beschikken, zijn netwerken een essentieel instrument om het beleid te stimuleren en aan te sturen en om ervoor te zorgen dat er in de lidstaten voldoende aandacht en capaciteit voor is. Eén enkel netwerk moet zorgen voor betere coördinatie tussen de netwerkactiviteiten op het niveau van de Unie en op nationaal en regionaal niveau. De Europese en nationale GLB-netwerken zijn een vervanging voor het huidige Europese netwerk voor plattelandsontwikkeling, de huidige netwerken in het kader van het EIP voor "productiviteit en duurzaamheid in de landbouw" en de nationale netwerken voor het platteland, in de vorm van een platform voor meer kennisuitwisseling dat het mogelijk maakt de resultaten en de meerwaarde van het beleid op Europees niveau, in het bijzonder van het beleid inzake Horizon Europa, te benutten. Ook met het oog op de verbetering van de kennisuitwisseling en de innovatie wordt een EIP voor "productiviteit en duurzaamheid in de landbouw" opgericht waarbij het interactief innovatiemodel wordt toegepast volgens de in deze verordening uiteengezette methode.

(73)Elk strategisch GLB-plan moet regelmatig worden gemonitord wat betreft de uitvoering en de voortgang in de richting van de vastgestelde streefcijfers. Een dergelijk prestatie, monitoring- en evaluatiekader van het GLB moet worden opgezet om de vooruitgang aan te tonen en het effect en de doelmatigheid van de uitvoering van het beleid te beoordelen.

(74)De resultaatgerichtheid waartoe het uitvoeringsmodel noopt, vereist een sterk prestatiekader, te meer omdat het de bedoeling is dat de strategische GLB-plannen bijdragen tot brede, algemene doelstellingen voor de andere beleidsdomeinen onder gedeeld beheer. Een prestatiegericht beleid impliceert zowel een jaarlijkse als een meerjarige beoordeling op basis van geselecteerde output-, resultaat- en impactindicatoren, zoals omschreven in het prestatie-, monitoring- en evaluatiekader. Daartoe moet een beperkte, gerichte reeks indicatoren worden geselecteerd die zo getrouw mogelijk aangeeft of de ondersteunde interventie bijdraagt tot de verwezenlijking van de beoogde doelstellingen. De resultaat- en outputindicatoren voor klimaat- en milieugerelateerde doelstellingen kunnen ook betrekking hebben op interventies die zijn opgenomen in de nationale milieu- en klimaatplanningsinstrumenten die voortvloeien uit de wetgeving van de Unie.

(75)Als onderdeel van het prestatie-, monitoring- en evaluatiekader kunnen de lidstaten de gemaakte vorderingen monitoren en daarover bij de Commissie jaarlijks verslag uitbrengen. Op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie moet de Commissie gedurende de hele programmeringsperiode verslag uitbrengen over de voortgang in de richting van de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen en daartoe moet zij gebruikmaken van een kernreeks van indicatoren.

(76)Er moeten mechanismen voorhanden zijn om de financiële belangen van de Unie te beschermen wanneer de uitvoering van het strategisch GLB-plan aanzienlijk afwijkt van de vastgestelde streefcijfers. Zo kunnen de lidstaten worden verzocht actieplannen in te dienen in het geval van aanzienlijke en ongerechtvaardigde ondermaatse prestaties. Een en ander zou kunnen leiden tot een schorsing of zelfs een verlaging van de middelen van de Unie indien de beoogde resultaten niet worden behaald. Daarnaast wordt, om goede prestaties op het gebied van milieu en klimaat aan te moedigen, een bonus voor de algehele prestatie ingesteld als onderdeel van het stimuleringsmechanisme waarbij prestatiebonussen worden toegekend.

(77)Overeenkomstig het beginsel van gedeeld beheer moeten de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de evaluatie van hun strategische GLB-plannen, terwijl de Commissie verantwoordelijk moet zijn voor de samenvattingen op het niveau van de Unie van de ex-ante-evaluaties van de lidstaten en voor de ex-post-evaluaties op het niveau van de Unie.

(78)Voor de toepassing van deze verordening en voor de monitoring, de analyse en het beheer van de financiële rechten zijn kennisgevingen van de lidstaten noodzakelijk. Teneinde ervoor te zorgen dat de voorschriften van deze verordening correct worden toegepast en de kennisgevingen snel, efficiënt, nauwkeurig, kosteneffectief en compatibel met de bescherming van persoonsgegevens zijn, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen waaronder kennisgevingseisen in het kader van deze overeenkomsten, en met betrekking tot verdere voorschriften inzake de soort en de aard van de te melden informatie, de categorieën van te verwerken gegevens en de maximale bewaartermijn, de toegangsrechten tot de informatie of informatiesystemen en de voorwaarden voor bekendmaking van de informatie.

(79)De artikelen 107, 108 en 109 VWEU moeten van toepassing zijn op de interventietypes in de vorm van steun uit hoofde van deze verordening. Gezien de specifieke kenmerken van de landbouwsector dienen die VWEU-bepalingen evenwel niet te worden toegepast op interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen en interventietypes voor plattelandsontwikkeling betreffende verrichtingen die onder artikel 42 VWEU vallen en in het kader van en in overeenstemming met deze verordening worden uitgevoerd, of op betalingen door de lidstaten die bedoeld zijn om aanvullende nationale financiering voor de door de Unie gesteunde interventietypes voor plattelandsontwikkeling te verlenen, en die binnen de werkingssfeer van artikel 42 VWEU vallen.

(80)Landbouwers worden steeds meer geconfronteerd met het risico van inkomensvolatiliteit, deels als gevolg van blootstelling aan de markt, deels als gevolg van extreme weersomstandigheden en frequente sanitaire en fytosanitaire crises die de veestapel en de agronomische activa in de Unie treffen. Om de effecten van de inkomensvolatiliteit te verzachten door de landbouwers ertoe aan te zetten in goede jaren te sparen om het hoofd te kunnen bieden aan slechte jaren, moeten nationale belastingmaatregelen op grond waarvan de voor de landbouwers geldende heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting wordt berekend op basis van een meerjarige periode, worden vrijgesteld van de toepassing van de staatssteunregels.

(81)Persoonsgegevens die worden verzameld voor doeleinden die verband houden met de toepassing van de bepalingen van deze verordening, moeten worden verwerkt op een manier die verenigbaar is met die doeleinden. Zij moeten ook worden geanonimiseerd, worden geaggregeerd wanneer zij worden verwerkt voor monitoring- of evaluatiedoeleinden en worden beschermd overeenkomstig de Uniewetgeving betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, met name Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad 19 en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad 20 . De personen van wie de gegevens worden verwerkt, moeten op de hoogte worden gesteld van die verwerking en van hun rechten op het gebied van gegevensbescherming.

(82)Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 21 . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(83)Om rechtszekerheid te garanderen, de rechten van de landbouwers te beschermen en te zorgen voor een soepele, coherente en efficiënte werking van de interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen ten aanzien van voorschriften waarbij de toekenning van de betalingen afhankelijk wordt gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde henneprassen en inzake de procedure voor de bepaling van henneprassen en voor de verificatie van het tetrahydrocannabinolgehalte van die rassen; regels voor een goede landbouw- en milieuconditie en bepaalde daarmee gepaard gaande elementen betreffende subsidiabiliteitsvereisten; voorschriften over de inhoud van de aangifte en vereisten betreffende de activering van betalingsrechten; nadere voorschriften inzake ecoregelingen; maatregelen om te voorkomen dat begunstigden van gekoppelde inkomenssteun in een bepaalde sector nadeel ondervinden van structurele onevenwichtigheden op de markt, met inbegrip van het besluit dat die steun verder mag worden betaald tot 2027 op basis van de productie-eenheden waarvoor die steun in een eerdere referentieperiode werd toegekend; voorschriften en voorwaarden voor de vergunningverlening voor grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen en voorschriften inzake de voorwaarden voor de toekenning van die betaling.

(84)Om ervoor te zorgen dat de sectorale interventietypes aan de GLB-doelstellingen bijdragen en de synergieën met de andere instrumenten van het GLB versterken en om op de interne markt een gelijk speelveld te creëren en ongelijke of oneerlijke concurrentie te voorkomen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen ten aanzien van criteria voor de erkenning van brancheorganisaties, voorschriften voor de situatie waarin de erkende brancheorganisatie niet aan die criteria voldoet, en verplichtingen waaraan de producenten moeten voldoen; regels voor de goede werking van de sectorale interventietypes, de grondslag voor de berekening van de financiële steun van de Unie, met inbegrip van de referentieperioden en de berekening van de waarde van de op de markt gebrachte productie, en het maximumniveau van de financiële steun van de Unie voor uitdemarktnemingen; regels voor de vaststelling van een maximum voor de uitgaven voor de herbeplanting van wijngaarden; en regels op grond waarvan producenten bijproducten van de wijnbereiding aan de markt moeten onttrekken, en met betrekking tot uitzonderingen op die verplichting ter voorkoming van bijkomende administratieve lasten, alsmede regels voor de vrijwillige certificering van distilleerders. Met name om te zorgen voor een doeltreffend en efficiënt gebruik van de middelen van de Unie voor interventies in de bijenteeltsector moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen ten aanzien van aanvullende voorschriften betreffende de kennisgevingsverplichting en de vaststelling van een minimale bijdrage van de Unie in de uitgaven voor de uitvoering van die interventietypes.

(85)Om de rechtszekerheid te waarborgen en te garanderen dat de interventies voor plattelandsontwikkeling hun doel bereiken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om bepaalde handelingen vast te stellen ten aanzien van de steun voor beheersverbintenissen, voor investeringen en voor samenwerking.

(86)Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de toewijzingen van de lidstaten voor de interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen en ten aanzien van regels betreffende de inhoud van het strategisch GLB-plan.

(87)Om ervoor te zorgen dat deze verordening volgens eenvormige voorwaarden wordt uitgevoerd en om oneerlijke concurrentie of discriminatie tussen landbouwers te vermijden, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend wat betreft de vaststelling van de referentiearealen voor de steun voor oliehoudende zaden, regels voor de vergunningverlening voor grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen en de desbetreffende kennisgevingen, de berekening van de verlaging indien het subsidiabele katoenareaal groter is dan het basisareaal, de financiële steun van de Unie voor de distillatie van bijproducten van de wijnbereiding, de jaarlijkse verdeling per lidstaat van de totale som van de steun van de Unie voor de interventietypes voor plattelandsontwikkeling, de voorschriften betreffende de presentatie van de elementen die moeten worden opgenomen in het strategisch GLB-plan, de voorschriften inzake de procedures en termijnen voor de goedkeuring van de strategische GLB-plannen en de indiening en goedkeuring van verzoeken tot wijziging van de strategische GLB-plannen, uniforme voorwaarden voor de toepassing van de vereisten inzake voorlichting en publiciteit met betrekking tot de door de strategische GLB-plannen geboden mogelijkheden, de regels met betrekking tot het prestatie-, monitoring- en evaluatiekader, de regels voor de presentatie van de inhoud van het jaarlijks voortgangsverslag, de regels betreffende de informatie die de lidstaten moeten indienen voor de prestatiebeoordeling door de Commissie, de regels inzake gegevensbehoeften en synergieën tussen potentiële gegevensbronnen en regelingen om te zorgen voor een consistente aanpak voor het bepalen of aan de lidstaten een prestatiebonus wordt toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 22 .

(88)De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dwingende redenen van urgentie dit vereisen in naar behoren gemotiveerde gevallen waar specifieke problemen moeten worden opgelost en de continuïteit van het systeem van de rechtstreekse betalingen moet worden gewaarborgd. Voorts moet de Commissie, om dringende problemen in een of meer lidstaten op te lossen en daarbij de continuïteit van het systeem van de rechtstreekse betalingen te waarborgen, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien, in naar behoren gemotiveerde gevallen, buitengewone omstandigheden het verlenen van de steun beïnvloeden en de doeltreffende uitvoering van de betalingen op grond van de in deze verordening genoemde steunregelingen in het gedrang brengen.

(89)Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad 23 en Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad 24 moeten buiten het toepassingsgebied van deze verordening blijven, tenzij uitdrukkelijk naar bepalingen daarvan wordt verwezen.

(90)Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar, wegens de verschillen tussen de diverse plattelandsgebieden en de beperkte financiële middelen van de lidstaten, beter op Unieniveau kunnen worden verwezenlijkt via de meerjarige garantie van financiering door de Unie en door concentratie op duidelijk omschreven prioriteiten, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat is neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(91)Bijgevolg moeten de Verordeningen (EG) nr. 1305/2013 en (EG) nr. 1307/2013 worden ingetrokken.

(92)Om een vlotte overgang van de bij de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 ingestelde regelingen naar die van de onderhavige verordening te vergemakkelijken, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn om verworven rechten en het gewettigd vertrouwen van de begunstigden te beschermen.

(93)Met het oog op rechtszekerheid en continuïteit moeten de bijzondere bepalingen voor Kroatië met betrekking tot de geleidelijke invoering van de rechtstreekse betalingen en de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen in het kader van het mechanisme voor geleidelijke integratie tot 1 januari 2021 van toepassing blijven,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I
ONDERWERP EN TOEPASSINGSGEBIED, TOEPASSELIJKE BEPALINGEN EN DEFINITIES

Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied

1.Bij deze verordening worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot:

(a)de algemene en specifieke doelstellingen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) moeten worden verwezenlijkt door middel van steun van de Unie die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) wordt gefinancierd, en de daarmee verband houdende indicatoren;

(b)de interventietypes en de gemeenschappelijke vereisten voor de lidstaten voor het verwezenlijken van deze doelstellingen, en de bijbehorende financiële regelingen;

(c)de door de lidstaten op te stellen strategische GLB-plannen, waarin streefcijfers worden vastgesteld, interventies worden omschreven en financiële middelen worden toegewezen in aansluiting op de specifieke doelstellingen en de vastgestelde behoeften;

(d)coördinatie en governance, alsmede monitoring, rapportage en evaluatie.

2.Deze verordening is van toepassing op steun van de Unie die uit het ELGF en het Elfpo wordt gefinancierd voor interventies die zijn omschreven in een door de lidstaten opgesteld en door de Commissie goedgekeurd strategisch GLB-plan voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.

Artikel 2
Toepasselijke bepalingen

1.Verordening (EU) nr. [HzV] van het Europees Parlement en de Raad 25 en de op grond van die verordening vastgestelde bepalingen zijn van toepassing op de steun uit hoofde van deze verordening.

2.Hoofdstuk III van titel II, hoofdstuk II van titel III en de artikelen 41 en 43 van Verordening (EU) nr. [verordening gemeenschappelijke bepalingen] van het Europees Parlement en de Raad 26 zijn van toepassing op de steun die op grond van deze verordening uit het Elfpo wordt gefinancierd.

Artikel 3
Definities

Met het oog op de toekenning van steun van de Unie op grond van deze verordening gelden de volgende definities:

(a)"landbouwer": een natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale toepassingsgebied van de Verdragen als omschreven in artikel 52 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) in samenhang met de artikelen 349 en 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en die een landbouwactiviteit uitoefent als gedefinieerd door de lidstaten;

(b)"bedrijf": alle eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door een landbouwer worden beheerd;

(c)"interventie": een steuninstrument met een reeks subsidiabiliteitsvoorwaarden dat door de lidstaten in de strategische GLB-plannen nader is omschreven op basis van een interventietype waarin deze verordening voorziet;

(d)"steunpercentage": het percentage van de overheidsbijdrage aan een verrichting. In het geval van financiële instrumenten wordt hiermee het brutosubsidie-equivalent van de steun bedoeld zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 20, van Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie 27 ;

(e)"onderling fonds": een door de lidstaat overeenkomstig zijn nationale wetgeving geaccrediteerd systeem dat de aangesloten landbouwers in de gelegenheid stelt zich te verzekeren en hun compensatiebetalingen uitkeert voor economische verliezen;

(f)"verrichting":

i)een project, contract, actie of groep projecten dat/die in het kader van de betrokken programma's is geselecteerd;

ii)in de context van financiële instrumenten, een programmabijdrage aan een financieel instrument en de financiële steun die vervolgens uit dat financieel instrument aan de eindontvangers wordt verleend;

(g)"intermediaire instantie": elke publiek- of privaatrechtelijke instantie die handelt onder de verantwoordelijkheid van een beheersautoriteit of namens die autoriteit taken verricht;

(h)"begunstigde", bij interventietypes voor plattelandsontwikkeling:

i)een publiek- of privaatrechtelijke instantie, een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid of een natuurlijke persoon die belast is met het opzetten of het opzetten en uitvoeren van verrichtingen;

ii)in de context van staatssteunregelingen, de instantie die de steun ontvangt;

iii)in de context van financiële instrumenten, de instantie die het holdingfonds uitvoert of, wanneer er geen holdingfondsstructuur is, de instantie die het specifieke fonds uitvoert of, indien de beheersautoriteit het financieel instrument beheert, de beheersautoriteit;

(i)"streefcijfers": vooraf vastgestelde waarden die aan het einde van de periode moeten zijn bereikt ten opzichte van de voor een specifieke doelstelling opgenomen resultaatindicatoren;

(j)"mijlpalen": tussentijdse streefcijfers die op een bepaald tijdstip tijdens de periode die door het strategisch GLB-plan wordt bestreken, moeten zijn bereikt ten opzichte van de voor een specifieke doelstelling opgenomen indicatoren.

Artikel 4
In de strategische GLB-plannen te formuleren definities

1.De lidstaten nemen in hun strategisch GLB-plan een definitie op van landbouwactiviteit, landbouwareaal, subsidiabele hectare, echte landbouwer en jonge landbouwer.

(a)"landbouwactiviteit” wordt zodanig gedefinieerd dat daaronder zowel de productie wordt verstaan van landbouwproducten die zijn vermeld in bijlage I bij het VWEU, met inbegrip van katoen en hakhout met korte omlooptijd, als de instandhouding van het landbouwareaal in een staat die begrazing of teelt mogelijk maakt zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines;

(b)"landbouwareaal" wordt zodanig gedefinieerd dat dit begrip bouwland, blijvende teelten en blijvend grasland omvat. De begrippen "bouwland", "blijvende teelten" en "blijvend grasland" worden door de lidstaten nader gespecificeerd binnen het volgende kader:

i)"bouwland" is grond die voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is, maar braak ligt, en omvat areaal dat is braakgelegd overeenkomstig de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad 28 , artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad 29 , artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of artikel 65 van de onderhavige verordening;

ii)"blijvende teelten" zijn niet in de vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, andere dan blijvend grasland en blijvend weiland, die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en die geregeld een oogst opleveren, met inbegrip van producten van kwekerijen en hakhout met korte omlooptijd;

iii)"blijvend grasland en blijvend weiland" (samen "blijvend grasland") is grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen. Dit begrip kan ook andere soorten omvatten zoals struiken en/of bomen die kunnen worden begraasd of die diervoeder produceren;

(c)voor de toepassing van interventies in de vorm van rechtstreekse betalingen wordt "subsidiabele hectare" zodanig gedefinieerd dat hieronder om het even welk landbouwareaal van het bedrijf wordt verstaan dat:

i)in de loop van het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt, en ter beschikking van de landbouwer staat. Wanneer dit om milieuredenen terdege gerechtvaardigd is, kunnen ook bepaalde arealen die slechts om de twee jaar voor landbouwactiviteiten worden gebruikt, subsidiabele hectaren zijn;

ii)recht gaf op betalingen op grond van titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 2, van de onderhavige verordening of op grond van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling als vastgesteld in titel III van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en dat:

als gevolg van de uitvoering van de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG of Richtlijn 2000/60/EG niet langer voldoet aan de definitie van "subsidiabele hectare" onder punt a) van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

voor de looptijd van de betrokken verbintenis van de individuele landbouwer is bebost uit hoofde van artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1257/1999, artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of op grond van een nationale regeling waarvan de voorwaarden stroken met artikel 43, leden 1, 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of de artikelen 65 en 67 van de onderhavige verordening;

voor de looptijd van de betrokken verbintenis van de individuele landbouwer is braakgelegd uit hoofde van de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999, artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005, artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of artikel 65 van de onderhavige verordening.

Voor de productie van hennep gebruikte arealen vormen slechts subsidiabele hectaren indien het gehalte aan tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,2 % bedraagt;

(d)"echte landbouwers" wordt zodanig gedefinieerd dat geen steun wordt verleend aan personen van wie de landbouwactiviteit slechts een onaanzienlijk deel van hun totale economische activiteiten vormt of van wie de hoofdactiviteit geen landbouwactiviteit is, maar dat pluri-actieve landbouwers niet van de steun worden uitgesloten. De definitie maakt het mogelijk om op basis van voorwaarden, zoals een inkomenstoets, de arbeidsinput op het landbouwbedrijf, het ondernemingsdoel en/of de opname in registers, te bepalen welke landbouwers niet als echte landbouwers worden beschouwd;

(e) "jonge landbouwer" wordt zodanig gedefinieerd dat de definitie het volgende omvat:

i)een maximumleeftijd van ten hoogste veertig jaar;

ii)de voorwaarden om "bedrijfshoofd" te zijn;

iii)de vereiste passende opleiding en/of vaardigheden.

2.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met voorschriften waarbij de toekenning van de betalingen afhankelijk wordt gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde henneprassen en inzake de procedure voor de bepaling van henneprassen en voor de verificatie van het in lid 1, onder c), genoemde tetrahydrocannabinolgehalte van die rassen met het oog op de volksgezondheid.

TITEL II
DOELSTELLINGEN EN INDICATOREN

Artikel 5
Algemene doelstellingen

De steun uit het ELGF en het Elfpo dient om de duurzame ontwikkeling van landbouw, voeding en plattelandsgebieden verder te verbeteren en draagt bij aan de verwezenlijking van de volgende algemene doelstellingen:

(a)bevorderen van een slimme, veerkrachtige en gediversifieerde landbouwsector om voedselzekerheid te garanderen;

(b)intensiveren van milieuzorg en klimaatactie en bijdragen aan de verwezenlijking van de milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen van de Unie;

(c)versterken van het sociaaleconomische weefsel van de plattelandsgebieden.

Deze doelstellingen worden aangevuld met de horizontale doelstelling die erin bestaat de sector te moderniseren door kennisstimulering en -deling, innovatie en digitalisering in de landbouw en de plattelandsgebieden en door bevordering van de benutting daarvan.

Artikel 6
Specifieke doelstellingen

1.De algemene doelstellingen worden verwezenlijkt aan de hand van de volgende specifieke doelstellingen:

(a)bieden van steun met het oog op een leefbaar landbouwinkomen en veerkracht in de hele Unie om de voedselzekerheid te vergroten;

(b)vergroten van de marktgerichtheid en van het concurrentievermogen, onder meer door beter te focussen op onderzoek, technologie en digitalisering;

(c)verbeteren van de positie van de landbouwers in de waardeketen;

(d)bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en tot duurzame energie;

(e)bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht;

(f)bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen;

(g)aantrekken van jonge landbouwers en vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden;

(h)bevorderen van de werkgelegenheid, groei, sociale inclusie en lokale ontwikkeling in plattelandsgebieden, met inbegrip van bio-economie en duurzame bosbouw;

(i)beter inspelen door de EU-landbouw op de maatschappelijke verwachtingen inzake voedsel en gezondheid, onder meer wat betreft veilig, voedzaam en duurzaam voedsel, voedselverspilling en dierenwelzijn.

2.Bij het nastreven van de specifieke doelstellingen zorgen de lidstaten ervoor dat de GLB-steun eenvoudiger wordt en prestaties levert.

Artikel 7
Indicatoren

1.De verwezenlijking van de in artikel 5 en artikel 6, lid 1, bedoelde doelstellingen wordt beoordeeld aan de hand van gemeenschappelijke indicatoren op het gebied van output, resultaten en impact. De reeks gemeenschappelijke indicatoren omvat:

(a)outputindicatoren met betrekking tot de gerealiseerde output van de ondersteunde interventies;

(b)resultaatindicatoren die op de desbetreffende specifieke doelstellingen betrekking hebben en worden gebruikt om gekwantificeerde mijlpalen en streefcijfers voor die specifieke doelstellingen in de strategische GLB-plannen vast te stellen en om de voortgang in de richting van de streefcijfers te beoordelen. De indicatoren voor de milieu- en klimaatspecifieke doelstellingen kunnen betrekking hebben op interventies die zijn opgenomen in de desbetreffende nationale milieu- en klimaatplanningsinstrumenten die voortvloeien uit de in bijlage XI vermelde wetgeving van de Unie;

(c)impactindicatoren die op de in artikel 5 en artikel 6, lid 1, vastgestelde doelstellingen betrekking hebben en worden gebruikt in het kader van de strategische GLB-plannen en in het kader van het GLB.

De gemeenschappelijke output-, resultaat- en impactindicatoren zijn vastgesteld in bijlage I.

2.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I teneinde de gemeenschappelijke output-, resultaat- en impactindicatoren aan te passen om rekening te houden met de ervaring die bij de toepassing daarvan is opgedaan, en teneinde zo nodig nieuwe indicatoren toe te voegen.

TITEL III
GEMEENSCHAPPELIJKE VEREISTEN EN INTERVENTIETYPES

HOOFDSTUK I
GEMEENSCHAPPELIJKE VEREISTEN

Afdeling 1
Algemene beginselen

Artikel 8
Selectie van de interventies

De lidstaten streven de doelstellingen van titel II na door overeenkomstig de in dit hoofdstuk vastgestelde gemeenschappelijke vereisten interventies te omschrijven op basis van de in de hoofdstukken II, III en IV, van deze titel vastgestelde interventietypes.

Artikel 9
Algemene beginselen

De lidstaten ontwerpen de interventies in hun strategische GLB-plannen in overeenstemming met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene beginselen van het recht van de Unie.

De lidstaten zorgen ervoor dat de interventies worden vastgesteld op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, verenigbaar zijn met de interne markt en de mededinging niet verstoren.

De lidstaten stellen het rechtskader voor de toekenning van de steun van de Unie aan de begunstigden vast op basis van het strategisch GLB-plan en overeenkomstig de beginselen en vereisten van de onderhavige verordening en Verordening (EU) [HzV].

Artikel 10
Binnenlandse steun in het kader van de WTO

1.De lidstaten zorgen ervoor dat bij de interventies op basis van de interventietypes die in bijlage II bij deze verordening zijn vermeld, met inbegrip van de in artikel 3 vastgestelde definities en van de in artikel 4 vastgestelde en in de strategische GLB-plannen te formuleren definities, de bepalingen in acht worden genomen van punt 1 van bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw.

Die interventies zijn ook in overeenstemming met de bepalingen van het andere, in bijlage II bij deze verordening aangegeven punt van bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw. Interventies die behoren tot andere interventietypes dan de basisinkomenssteun voor duurzaamheid, de aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid, de aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers en de regelingen voor klimaat en milieu, mogen in plaats daarvan aan een ander punt van bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw voldoen wanneer dat in het strategisch GLB-plan wordt gerechtvaardigd.

2.De lidstaten zien erop toe dat de interventies op basis van de gewasspecifieke betaling voor katoen als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 3, onderafdeling 2, van deze titel, voldoen aan artikel 6, lid 5, van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw.

Afdeling 2
Conditionaliteit

Artikel 11
Beginsel en toepassingsgebied

1.De lidstaten nemen in hun strategische GLB-plannen een conditionaliteitsregeling op op grond waarvan aan begunstigden die rechtstreekse betalingen krachtens hoofdstuk II van deze titel of jaarlijkse premies krachtens de artikelen 65, 66 en 67 ontvangen, een administratieve sanctie wordt opgelegd wanneer zij niet voldoen aan de uit het recht van de Unie voortvloeiende beheerseisen en de in het strategisch GLB-plan vastgestelde normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van grond die zijn vermeld in bijlage III en betrekking hebben op de volgende specifieke gebieden:

(a)klimaat en milieu;

(b)volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten;

(c)dierenwelzijn.

2.De in het strategisch GLB-plan op te nemen voorschriften inzake administratieve sancties voldoen aan de vereisten van titel IV, hoofdstuk IV, van Verordening (EU) [HzV].

3.De in bijlage III bedoelde rechtshandelingen betreffende de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen gelden in de versie waarin zij van toepassing zijn en, in het geval van richtlijnen, zoals geïmplementeerd door de lidstaten.

4.Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder "uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis" verstaan elke in een bepaalde rechtshandeling vastgestelde afzonderlijke beheerseis die voortvloeit uit het recht van de Unie als bedoeld in bijlage III die inhoudelijk verschilt van de andere in diezelfde handeling gestelde eisen.

Artikel 12
Verplichtingen van de lidstaten op het gebied van een goede landbouw- en milieuconditie

1.De lidstaten zien erop toe dat alle landbouwarealen, met inbegrip van grond die niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt, in een goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden. De lidstaten stellen op nationaal of regionaal niveau de door de begunstigden na te leven minimumnormen voor een goede landbouw- en milieuconditie van de grond vast overeenkomstig de in bijlage III bedoelde hoofddoelstelling van de normen, en houden daarbij rekening met de specifieke kenmerken van de betrokken arealen, met inbegrip van de bodem- en klimaatgesteldheid, de bestaande landbouwsystemen, het landgebruik, de vruchtwisseling, de landbouwpraktijken en de structuur van de landbouwbedrijven.

2.Ten aanzien van de in bijlage III vastgestelde hoofddoelstellingen kunnen de lidstaten normen voorschrijven die een aanvulling zijn op die welke in die bijlage voor die hoofddoelstellingen zijn vastgesteld. De lidstaten stellen evenwel geen minimumnormen vast voor andere hoofddoelstellingen dan de hoofddoelstellingen die in bijlage III zijn vastgesteld.

3.De lidstaten zetten een systeem op om het in bijlage III bedoelde landbouwbedrijfsduurzaamheidsintrument voor nutriënten, met de in die bijlage omschreven minimale elementen en functionaliteiten, ter beschikking te stellen van de begunstigden, die van dat instrument moeten gebruikmaken.

De Commissie kan de lidstaten ondersteunen bij de ontwikkeling van dat instrument en de vereiste diensten voor gegevensopslag en -verwerking.

4.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met regels inzake een goede landbouw- en milieuconditie, waarbij onder meer de elementen van het systeem van het aandeel blijvend grasland, het referentiejaar en het omschakelingspercentage in het kader van GLMC 1 als bedoeld in bijlage III, en de format en de aanvullende minimale elementen en functionaliteiten van het landbouwbedrijfsduurzaamheidsinstrument voor nutriënten worden vastgesteld.

Afdeling 3
Bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw

Artikel 13
Bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw

1.De lidstaten nemen in het strategisch GLB-plan een systeem op voor het verstrekken van diensten die landbouwers en andere begunstigden van de GLB-steun adviseren over grondbeheer en landbouwbedrijfsbeheer (hierna "bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw" genoemd).

2.De bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw bestrijken de economische, ecologische en sociale dimensies en verstrekken actuele technologische en wetenschappelijke informatie die is ontwikkeld in het kader van onderzoek en innovatie. Zij zijn geïntegreerd in de onderling samenhangende diensten van bedrijfsadviseurs voor de landbouw, onderzoekers, landbouwersorganisaties en andere belanghebbenden, die samen de kennis- en innovatiesystemen voor de landbouw (Agricultural Knowledge and Innovation Systems - AKIS) vormen.

3.De lidstaten zien erop toe dat het aan de landbouwbedrijven verstrekte advies onpartijdig is en dat de adviseurs geen belangenconflicten hebben.

4.De bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw bestrijken ten minste het volgende:

(a)alle in het strategisch GLB-plan vastgestelde vereisten, voorwaarden en beheersverbintenissen die van toepassing zijn op landbouwers en andere begunstigden, met inbegrip van de vereisten en normen in het kader van de conditionaliteit en de voorwaarden voor de steunregelingen alsmede informatie over de financiële instrumenten en bedrijfsplannen die op grond van het strategisch GLB-plan zijn vastgesteld;

(b)de door de lidstaten vastgestelde voorschriften voor de uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG, Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2009/147/EG, Richtlijn 2008/50/EG, Richtlijn (EU) 2016/2284, Verordening (EU) 2016/2031, Verordening (EU) 2016/429, artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad 30 en Richtlijn 2009/128/EG;

(c)de landbouwpraktijken ter voorkoming van de ontwikkeling van antimicrobiële resistentie als vastgesteld in de mededeling "Een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie" 31 ;

(d)risicobeheer als bedoeld in artikel 70;

(e)steun voor innovatie, met name voor de voorbereiding en uitvoering van projecten van operationele groepen in het kader van het Europees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 114;

(f)de ontwikkeling van digitale technologieën in de landbouw en de plattelandsgebieden als bedoeld in artikel 102, onder b).

HOOFDSTUK II
INTERVENTIETYPES IN DE VORM VAN RECHTSTREEKSE BETALINGEN

Afdeling 1
Interventietypes en verlaging

Artikel 14
Interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen

5.De interventietypes uit hoofde van dit hoofdstuk kunnen de vorm aannemen van ontkoppelde en gekoppelde rechtstreekse betalingen.

6.Bij de ontkoppelde rechtstreekse betalingen gaat het om:

(a)basisinkomenssteun voor duurzaamheid;

(b)aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid;

(c)aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers;

(d)regelingen voor klimaat en milieu.

7.Bij de gekoppelde rechtstreekse betalingen gaat het om:

(a)gekoppelde inkomenssteun;

(b)de gewasspecifieke betaling voor katoen.

Artikel 15
Verlaging van betalingen

1.De lidstaten verlagen het bedrag aan rechtstreekse betalingen dat op grond van dit hoofdstuk voor een bepaald kalenderjaar aan een landbouwer wordt toegekend en hoger is dan 60 000 EUR, als volgt:

(a)met ten minste 25 % voor de tranche tussen 60 000 EUR en 75 000 EUR;

(b)met ten minste 50 % voor de tranche tussen 75 000 EUR en 90 000 EUR;

(c)met ten minste 75 % voor de tranche tussen 90 000 EUR en 100 000 EUR;

(d)met 100 % voor het bedrag boven 100 000 EUR.

2.Voordat de lidstaten lid 1 toepassen, brengen zij op het bedrag aan rechtstreekse betalingen dat op grond van dit hoofdstuk voor een bepaald kalenderjaar aan een landbouwer wordt toegekend, de volgende bedragen in mindering:

(a)de aan een landbouwactiviteit gekoppelde lonen die door de landbouwer zijn aangegeven, met inbegrip van belastingen en sociale bijdragen op de arbeid, en

(b)de equivalente kosten van regelmatige en onbetaalde arbeid die gekoppeld zijn aan een landbouwactiviteit die wordt uitgeoefend door op het betrokken landbouwbedrijf werkende personen die geen loon ontvangen of minder loon ontvangen dan het bedrag dat gewoonlijk voor de geleverde diensten wordt betaald, maar worden beloond uit de economische opbrengsten van het landbouwbedrijf.

Voor de berekening van de onder a) en b) bedoelde bedragen passen de lidstaten de gemiddelde standaardlonen toe die op nationaal of regionaal niveau gekoppeld zijn aan de betrokken landbouwactiviteit, vermenigvuldigd met het aantal arbeidsjaareenheden dat de betrokken landbouwer heeft aangegeven.

3.De geraamde opbrengst van de verlaging van de betalingen wordt in de eerste plaats gebruikt om bij te dragen in de financiering van de aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid en vervolgens in de financiering van andere interventies die tot de ontkoppelde rechtstreekse betalingen behoren.

De lidstaten kunnen de opbrengst ook geheel of gedeeltelijk, door middel van een overheveling, gebruiken voor de financiering van interventietypes in het kader van het Elfpo als omschreven in hoofdstuk IV. Een dergelijke overheveling naar het Elfpo wordt opgenomen in de financiële tabellen van het strategisch GLB-plan en kan overeenkomstig artikel 90 in 2023 worden herzien. De op grond van artikel 90 vastgestelde maxima voor overhevelingen van middelen uit het ELGF naar het Elfpo zijn hierop niet van toepassing.

4.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met voorschriften waarbij een geharmoniseerde grondslag voor de berekening van de in lid 1 bedoelde verlaging van de betalingen wordt vastgesteld met het oog op een correcte verdeling van de middelen onder de gerechtigde begunstigden.

Afdeling 2
Ontkoppelde rechtstreekse betalingen

Onderafdeling 1
Algemene bepalingen

 Artikel 16
Minimumvereisten voor het ontvangen van ontkoppelde rechtstreekse betalingen

1.De lidstaten kennen ontkoppelde rechtstreekse betalingen toe onder de voorwaarden die in deze afdeling zijn vastgesteld en door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.De lidstaten stellen een areaaldrempel vast en kennen slechts ontkoppelde rechtstreekse betalingen toe aan echte landbouwers van wie het subsidiabele areaal van het bedrijf waarvoor de ontkoppelde rechtstreekse betalingen worden aangevraagd, groter is dan deze drempel.

Bij de vaststelling van de areaaldrempel zorgen de lidstaten ervoor dat de ontkoppelde rechtstreekse betalingen uitsluitend kunnen worden toegekend aan echte landbouwers indien:

(a)het beheer van de desbetreffende betalingen niet leidt tot buitensporige administratieve lasten, en

(b)de desbetreffende bedragen een effectieve bijdrage leveren aan de in artikel 6, lid 1, vastgestelde doelstellingen waaraan de ontkoppelde rechtstreekse betalingen bijdragen.

3.De betrokken lidstaten kunnen besluiten om lid 1 niet toe te passen op de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee.

Onderafdeling 2
Basisinkomenssteun voor duurzaamheid

Artikel 17
Algemene regels

1.De lidstaten verstrekken basisinkomenssteun voor duurzaamheid (hierna "basisinkomenssteun" genoemd) onder de voorwaarden die in deze onderafdeling zijn vastgesteld en door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.De lidstaten verstrekken de basisinkomenssteun in de vorm van een jaarlijkse ontkoppelde betaling per subsidiabele hectare.

3.Onverminderd de artikelen 19 tot en met 24 wordt de basisinkomenssteun toegekend voor elke subsidiabele hectare die door een echte landbouwer wordt aangegeven.

Artikel 18
Steunbedrag per hectare

1.Tenzij de lidstaten besluiten de basisinkomenssteun toe te kennen op basis van de in artikel 19 bedoelde betalingsrechten, wordt de steun in de vorm van een uniform bedrag per hectare betaald.

2.De lidstaten kunnen besluiten om het bedrag van de basisinkomenssteun per hectare te differentiëren naar groepen gebieden met vergelijkbare sociaaleconomische of agronomische omstandigheden.

Artikel 19
Betalingsrechten

1.Lidstaten die de in titel III, hoofdstuk I, afdeling 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde basisbetalingsregeling hebben toegepast, kunnen besluiten de basisinkomenssteun op basis van betalingsrechten toe te kennen overeenkomstig de artikelen 20 tot en met 24 van de onderhavige verordening.

2.Als lidstaten die de in titel III, hoofdstuk I, afdeling 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde basisbetalingsregeling hebben toegepast, besluiten de basisinkomenssteun niet op basis van betalingsrechten toe te kennen, vervallen de op grond van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toegewezen betalingsrechten op 31 december 2020.

Artikel 20
Waarde van betalingsrechten en convergentie

1.De lidstaten stellen de waarde per eenheid van de betalingsrechten vóór convergentie overeenkomstig dit artikel vast door de waarde van de betalingsrechten proportioneel aan te passen aan hun overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 voor het claimjaar 2020 vastgestelde waarde en de daarmee samenhangende betaling voor het claimjaar 2020 voor landbouwpraktijken die gunstig zijn voor klimaat en milieu als vastgesteld in titel III, hoofdstuk III, van die verordening.

2.De lidstaten kunnen besluiten om de waarde van de betalingsrechten te differentiëren overeenkomstig artikel 18, lid 2.

3.De lidstaten stellen uiterlijk voor het claimjaar 2026 de maximumwaarde van de betalingsrechten vast voor de lidstaat of voor elke overeenkomstig artikel 18, lid 2, omschreven groep gebieden.

4.Als de overeenkomstig lid 1 bepaalde waarde van de betalingsrechten binnen een lidstaat of een overeenkomstig artikel 18, lid 2, omschreven groep gebieden niet uniform is, zorgen de lidstaten ervoor dat de waarde van de betalingsrechten uiterlijk in het claimjaar 2026 naar een uniforme eenheidswaarde convergeert.

5.Met het oog op de toepassing van lid 4 zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk voor het claimjaar 2026 alle betalingsrechten een waarde hebben van ten minste 75 % van het voor het claimjaar 2026 geplande gemiddelde eenheidsbedrag voor de basisinkomenssteun dat in het overeenkomstig artikel 106, lid 1, overgelegde strategisch GLB-plan is vastgesteld voor de lidstaat of de overeenkomstig artikel 18, lid 2, omschreven gebieden.

6.De lidstaten financieren de verhogingen van de waarde van de betalingsrechten die nodig zijn om aan de leden 4 en 5 te voldoen, door gebruik te maken van eventuele opbrengsten die uit de toepassing van lid 3 voortvloeien en, indien nodig, door het verschil te verkleinen tussen de overeenkomstig lid 1 bepaalde waarde per eenheid van de betalingsrechten en het voor het claimjaar 2026 geplande gemiddelde eenheidsbedrag voor de basisinkomenssteun dat in het overeenkomstig artikel 106, lid 1, overgelegde strategisch GLB-plan is vastgesteld voor de lidstaat of de overeenkomstig artikel 18, lid 2, omschreven gebieden.

De lidstaten kunnen besluiten om de verlaging toe te passen op alle betalingsrechten of een deel daarvan waarvan de overeenkomstig lid 1 bepaalde waarde hoger is dan het voor het claimjaar 2026 geplande gemiddelde eenheidsbedrag voor de basisinkomenssteun dat in het overeenkomstig artikel 106, lid 1, overgelegde strategisch GLB-plan is vastgesteld voor de lidstaat of de overeenkomstig artikel 18, lid 2, omschreven gebieden.

7.De in lid 6 bedoelde verlagingen worden gebaseerd op objectieve en niet-discriminerende criteria. Onverminderd het overeenkomstig lid 5 vastgestelde minimum kunnen die criteria de vaststelling inhouden van een maximale daling die niet kleiner mag zijn dan 30 %.

Artikel 21
Activering van de betalingsrechten

1.De lidstaten verlenen aan echte landbouwers die beschikken over betalingsrechten, in eigendom of gehuurd, een basisinkomenssteun na activering van die betalingsrechten. De lidstaten zien erop toe dat echte landbouwers, met het oog op de activering van de betalingsrechten, aangifte doen van de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de betalingsrechten, ook in het geval van feitelijke of verwachte vererving, uitsluitend worden geactiveerd in de lidstaat of de overeenkomstig artikel 18, lid 2, omschreven groep gebieden waar zij zijn toegewezen.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat geactiveerde betalingsrechten recht geven op betaling op basis van het daarin vastgestelde bedrag.

Artikel 22
Reserves van betalingsrechten

1.Elke lidstaat die besluit de basisinkomenssteun op basis van betalingsrechten te verlenen, beheert een nationale reserve.

2.In afwijking van lid 1 kunnen lidstaten, wanneer zij besluiten de basisinkomenssteun te differentiëren overeenkomstig artikel 18, lid 2, besluiten om voor elke overeenkomstig dat artikel omschreven groep gebieden een reserve aan te leggen.

3.De lidstaten zien erop toe dat betalingsrechten uit de reserve uitsluitend aan echte landbouwers worden toegewezen.

4.De lidstaten gebruiken hun reserve om bij voorrang betalingsrechten toe te wijzen aan de volgende landbouwers:

(a)jonge landbouwers die onlangs voor het eerst een bedrijf hebben opgericht;

(b)landbouwers die onlangs voor het eerst als bedrijfshoofd een bedrijf hebben opgericht en een passende opleiding hebben genoten of over de nodige vaardigheden beschikken zoals die door de lidstaten voor jonge landbouwers zijn omschreven.

5.De lidstaten wijzen betalingsrechten toe aan of verhogen de waarde van de bestaande betalingsrechten van echte landbouwers die daarop recht hebben op grond van een definitieve gerechtelijke uitspraak of een definitief bestuursrechtelijk besluit van de bevoegde autoriteit van een lidstaat. De lidstaten zien erop toe dat die echte landbouwers op een door de lidstaat vast te stellen datum het aantal betalingsrechten en de waarde daarvan ontvangen zoals die in die uitspraak of dat besluit zijn vastgesteld.

6.De lidstaten zorgen ervoor dat de reserve door middel van een lineaire verlaging van de waarde van alle betalingsrechten wordt aangevuld wanneer de reserve niet volstaat voor de toewijzing van betalingsrechten overeenkomstig de leden 4 en 5.

7.De lidstaten kunnen aanvullende voorschriften inzake het gebruik van de reserve vaststellen en bepalen in welke gevallen wordt overgegaan tot het aanvullen van de reserve door middel van een lineaire verlaging van de waarde van alle betalingsrechten.

8.De lidstaten stellen de waarde van de uit de reserve toegewezen nieuwe betalingsrechten vast op de gemiddelde nationale waarde van de betalingsrechten in het jaar van toewijzing of op de gemiddelde waarde van de betalingsrechten voor elke overeenkomstig artikel 18, lid 2, omschreven groep gebieden in het jaar van toewijzing.

9.De lidstaten kunnen besluiten de waarde van de bestaande betalingsrechten te verhogen tot de gemiddelde nationale waarde in het jaar van toewijzing of tot de gemiddelde waarde voor elke overeenkomstig artikel 18, lid 2, omschreven groep gebieden in het jaar van toewijzing.

Artikel 23
Gedelegeerde bevoegdheden

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met voorschriften betreffende:

(a)het aanleggen van de reserve;

(b)de toegang tot de reserve;

(c)de inhoud van de aangifte en de vereisten inzake de activering van de betalingsrechten.

Artikel 24
Overdrachten van betalingsrechten

1.Behalve in het geval van overdracht door feitelijke of verwachte vererving worden betalingsrechten uitsluitend overgedragen aan een echte landbouwer.

2.Wanneer de lidstaten besluiten om de basisinkomenssteun te differentiëren overeenkomstig artikel 18, lid 2, worden de betalingsrechten uitsluitend overgedragen binnen de groep gebieden waar zij zijn toegewezen.

Artikel 25
Forfaitaire betaling voor kleine landbouwers

De lidstaten kunnen aan kleine landbouwers zoals gedefinieerd door de lidstaten, betalingen in de vorm van een forfaitaire som toekennen ter vervanging van de rechtstreekse betalingen in het kader van deze afdeling en afdeling 3 van dit hoofdstuk. De lidstaten ontwerpen de overeenkomstige interventie in het strategisch GLB-plan op zodanige wijze dat zij facultatief is voor de landbouwers.

Onderafdeling 3
Aanvullende inkomenssteun

Artikel 26
Aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid

1.De lidstaten verstrekken aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid (hierna "herverdelende inkomenssteun" genoemd) onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.De lidstaten zorgen voor een herverdeling van de steun van grotere naar kleinere of middelgrote landbouwbedrijven door aan de landbouwers die recht hebben op een betaling in het kader van de in artikel 17 bedoelde basisinkomenssteun, herverdelende inkomenssteun te verstrekken in de vorm van een jaarlijkse ontkoppelde betaling per subsidiabele hectare.

3.De lidstaten stellen een bedrag per hectare of verschillende bedragen voor verschillende reeksen hectaren vast, alsmede het maximale aantal hectaren per landbouwer aan wie de herverdelende inkomstensteun wordt betaald.

4.Het voor een bepaald claimjaar geplande bedrag per hectare mag niet hoger zijn dan het nationale gemiddelde bedrag van de rechtstreekse betalingen per hectare voor dat claimjaar.

5.Het nationale gemiddelde bedrag van de rechtstreekse betalingen per hectare wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het nationale maximum voor rechtstreekse betalingen voor een bepaald claimjaar als vastgesteld in bijlage IV, en de totale geplande outputs voor de basisinkomenssteun voor dat claimjaar, uitgedrukt in aantal hectaren.

Artikel 27
Aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers

1.De lidstaten kunnen aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers verstrekken onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en door de lidstaten nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.Als onderdeel van hun verplichting om aan de in artikel 6, lid 1, onder g), vastgestelde specifieke doelstelling "aantrekken van jonge landbouwers en vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden" bij te dragen en om overeenkomstig artikel 86, lid 4, ten minste 2 % van hun toewijzingen voor rechtstreekse betalingen aan deze doelstelling te besteden, kunnen de lidstaten aanvullende inkomenssteun verstrekken aan jonge landbouwers die zich onlangs voor het eerst hebben gevestigd en die recht hebben op een betaling in het kader van de in artikel 17 bedoelde basisinkomenssteun.

3.De aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers wordt verleend in de vorm van een jaarlijkse ontkoppelde betaling per subsidiabele hectare.

Onderafdeling 4
Regelingen voor klimaat en milieu

Artikel 28
Regelingen voor klimaat en milieu

1.De lidstaten verstrekken steun voor vrijwillige regelingen voor klimaat en milieu ("ecoregelingen") onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.De lidstaten steunen in het kader van dit interventietype echte landbouwers die verbintenissen aangaan om op subsidiabele hectaren landbouwpraktijken toe te passen die gunstig zijn voor het klimaat en het milieu.

3.De lidstaten stellen de lijst op van landbouwpraktijken die gunstig zijn voor het klimaat en het milieu.

4.Die praktijken zijn van dien aard dat zij voldoen aan een of meer van de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen die zijn vastgesteld in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f).

5.In het kader van dit type interventies verrichten de lidstaten uitsluitend betalingen voor verbintenissen die:

(a)verder gaan dan de desbetreffende uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de desbetreffende normen voor een goede landbouw- en milieuconditie die op grond van deze titel, hoofdstuk I, afdeling 2, zijn vastgesteld;

(b)verder gaan dan de minimumvoorschriften voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, dierenwelzijn en andere dwingende voorschriften die zijn vastgesteld in de nationale wetgeving en de wetgeving van de Unie;

(c)verder gaan dan de voorwaarden voor de instandhouding van het landbouwareaal overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a);

(d)verschillend zijn van de verbintenissen waarvoor betalingen worden toegekend op grond van artikel 65.

6.De steun voor ecoregelingen neemt de vorm aan van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare en wordt verleend:

(a)hetzij als aanvullende betaling bij de basisinkomenssteun als vastgesteld in deze afdeling, onderafdeling 2,

(b)hetzij als betaling om de begunstigden geheel of gedeeltelijk te vergoeden voor de extra kosten en de gederfde inkomsten als gevolg van de aangegane verbintenissen als vastgesteld op grond van artikel 65.

7.De lidstaten zorgen ervoor dat de interventies op grond van dit artikel in overeenstemming zijn met die op grond van artikel 65.

8.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met nadere regels betreffende ecoregelingen.

Afdeling 3
Gekoppelde rechtstreekse betalingen

Onderafdeling 1
Gekoppelde inkomenssteun

Artikel 29
Algemene regels

1.De lidstaten kunnen echte landbouwers gekoppelde inkomenssteun verlenen onder de voorwaarden die in deze onderafdeling zijn vastgesteld en door de lidstaten nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.De interventies van de lidstaten helpen de in artikel 30 vermelde ondersteunde sectoren en producties of specifieke soorten landbouw binnen die sectoren of producties door de problemen die daar worden ondervonden, aan te pakken via het verbeteren van het concurrentievermogen, de duurzaamheid of de kwaliteit ervan.

3.De gekoppelde inkomenssteun wordt verleend in de vorm van een jaarlijkse betaling per hectare of per dier.

Artikel 30
Toepassingsgebied

Gekoppelde inkomenssteun mag uitsluitend voor de volgende sectoren en producties of specifieke soorten landbouw binnen die sectoren of producties worden toegekend voor zover die van belang zijn om economische, sociale of ecologische redenen: granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen, zaaddragende leguminosen, vlas, hennep, rijst, noten, zetmeelaardappelen, melk en zuivelproducten, zaaizaad, schapen- en geitenvlees, rundvlees, olijfolie, zijderupsen, gedroogde voedergewassen, hop, suikerbieten, suikerriet en cichorei, groenten en fruit, hakhout met korte omlooptijd en andere niet-voedingsgewassen, met uitzondering van bomen, die worden gebruikt om er producten van te maken die mogelijk fossiele materialen kunnen vervangen.

Artikel 31
Subsidiabiliteit

1.De lidstaten mogen de gekoppelde inkomenssteun in de vorm van een betaling per hectare uitsluitend toekennen voor arealen die door hen als subsidiabele hectaren zijn omschreven.

2.Wanneer de gekoppelde inkomenssteun betrekking heeft op runderen dan wel op schapen of geiten, bepalen de lidstaten dat de eisen inzake identificatie en registratie van dieren die in Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad 32 , respectievelijk Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad 33 zijn vastgesteld, subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de steun zijn. Onverminderd de overige toepasselijke subsidiabiliteitsvoorwaarden worden runderen, schapen of geiten evenwel geacht voor steun in aanmerking te komen voor zover uiterlijk op een door de lidstaten te bepalen datum in het betrokken claimjaar wordt voldaan aan de identificatie- en registratievoorschriften.

Artikel 32
Maatregelen om te voorkomen dat begunstigden van gekoppelde inkomenssteun in een bepaalde sector nadeel ondervinden van structurele onevenwichtigheden op de markt

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met maatregelen die moeten voorkomen dat begunstigden van gekoppelde inkomenssteun in een bepaalde sector nadeel ondervinden van structurele onevenwichtigheden op de markt. Bij die gedelegeerde handelingen kan het de lidstaten worden toegestaan te besluiten dat de gekoppelde inkomenssteun verder mag worden betaald tot 2027 op basis van de productie-eenheden waarvoor die steun in een eerdere referentieperiode werd toegekend.

Artikel 33
Uitvoering van het Memorandum van Overeenstemming betreffende bepaalde oliehoudende zaden tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika

1.Wanneer de interventie in de vorm van gekoppelde inkomenssteun betrekking heeft op enkele of alle oliehoudende zaden als genoemd in de bijlage bij het Memorandum van Overeenstemming betreffende bepaalde oliehoudende zaden tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika 34 , is het totale steunareaal op basis van de in de strategische GLB-plannen van de betrokken lidstaten opgenomen geplande outputs, met het oog op de naleving van de internationale verplichtingen van de Unie, niet groter dan het maximale steunareaal voor de hele Unie.

Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarbij voor elke lidstaat een indicatief referentiesteunareaal wordt vastgesteld, berekend op basis van het aandeel van elke lidstaat in het gemiddelde teeltareaal van de Unie gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het jaar van inwerkingtreding van deze verordening. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.Elke lidstaat die voornemens is gekoppelde inkomenssteun toe te kennen voor oliehoudende zaden die onder het in lid 1 bedoelde Memorandum van Overeenstemming vallen, vermeldt in zijn voorstel voor een strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 106, lid 1, de desbetreffende geplande outputs, uitgedrukt in hectaren.

Als na de kennisgeving door de lidstaten van alle geplande outputs het maximale steunareaal voor de hele Unie wordt overschreden, berekent de Commissie voor elke lidstaat die een surplus ten opzichte van zijn referentieareaal heeft gemeld, een verlagingscoëfficiënt die in verhouding staat tot het surplus bij zijn geplande output. Dit moet resulteren in een aanpassing van het in lid 1 bedoelde maximale steunareaal voor de hele Unie. Elke betrokken lidstaat wordt van deze verlagingscoëfficiënt in kennis gesteld in de opmerkingen die de Commissie overeenkomstig artikel 106, lid 3, op het strategisch GLB-plan maakt. De verlagingscoëfficiënt voor elke lidstaat wordt vastgesteld in de uitvoeringshandeling waarmee de Commissie het strategisch GLB-plan van de lidstaat goedkeurt, als bedoeld in artikel 106, lid 6.

Na de in artikel 106, lid 1, bedoelde datum wijzigen de lidstaten hun steunareaal niet meer op eigen initiatief.

3.Wanneer lidstaten voornemens zijn hun in lid 1 bedoelde geplande outputs, die door de Commissie in de strategische GLB-plannen zijn goedgekeurd, te verhogen, stellen zij de Commissie vóór 1 januari van het jaar dat aan het betrokken claimjaar voorafgaat, van de herziene geplande outputs in kennis door middel van een verzoek tot wijziging van de strategische GLB-plannen overeenkomstig artikel 107.

Om te voorkomen dat het in de eerste alinea van lid 1 bedoelde maximale steunareaal voor de hele Unie wordt overschreden, herziet de Commissie zo nodig de in dat lid bedoelde verlagingscoëfficiënten voor alle lidstaten die hun in hun strategische GLB-plannen vastgestelde referentieareaal hebben overschreden.

De Commissie stelt de betrokken lidstaten vóór 1 februari van het jaar dat aan het betrokken claimjaar voorafgaat, in kennis van de herziening van de verlagingscoëfficiënt.

Elke betrokken lidstaat dient vóór 1 april van het jaar dat aan het betrokken claimjaar voorafgaat, een overeenkomstig verzoek tot wijziging van zijn strategisch GLB-plan in met de in de tweede alinea bedoelde herziene verlagingscoëfficiënt. De herziene verlagingscoëfficiënt wordt vastgesteld in de uitvoeringshandeling tot goedkeuring van de wijziging van het strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 107, lid 8.

4.Met betrekking tot de oliehoudende zaden die onder het in de eerste alinea van lid 1 bedoelde Memorandum van Overeenstemming vallen, stellen de lidstaten de Commissie in de in artikel 121 bedoelde jaarlijkse prestatieverslagen in kennis van het totale aantal hectaren waarvoor de steun daadwerkelijk is betaald.

Onderafdeling 2
Gewasspecifieke betaling voor katoen

Artikel 34
Toepassingsgebied

De lidstaten verlenen onder de in deze onderafdeling vastgestelde voorwaarden een gewasspecifieke betaling voor katoen aan echte landbouwers die katoen van GN-code 5201 00 produceren.

Artikel 35
Algemene regels

1.De gewasspecifieke betaling voor katoen wordt toegekend per hectare subsidiabel katoenareaal. Het areaal is enkel subsidiabel wanneer het bestaat uit landbouwgrond waarvoor de lidstaat een vergunning voor de katoenproductie heeft verleend, die is ingezaaid met door de lidstaat toegestane rassen en die daadwerkelijk is geoogst in normale teeltomstandigheden.

2.De gewasspecifieke betaling voor katoen wordt uitgekeerd voor katoen van gezonde handelskwaliteit.

3.De lidstaten verlenen de vergunning voor de in lid 1 bedoelde grond en rassen overeenkomstig de uit hoofde van lid 4 vast te stellen regels en voorwaarden.

4.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met regels en voorwaarden voor de vergunningverlening voor grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen.

5.De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast die voorzien in regels inzake de procedure voor de vergunningverlening voor grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen en inzake de kennisgevingen aan producenten betreffende die vergunningverlening. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 36
Basisarealen, vaste opbrengsten en referentiebedragen

1.De volgende nationale basisarealen worden vastgesteld:

Bulgarije: 3 342 ha,

Griekenland: 250 000 ha,

Spanje: 48 000 ha,

Portugal: 360 ha.

2.Voor de referentieperiode worden de volgende vaste opbrengsten vastgesteld:

Bulgarije: 1,2 ton/ha,

Griekenland: 3,2 ton/ha,

Spanje: 3,5 ton/ha,

Portugal: 2,2 ton/ha.

3.Het bedrag van de gewasspecifieke betaling voor katoen per hectare subsidiabel areaal wordt berekend door de in lid 2 vastgestelde opbrengsten te vermenigvuldigen met de volgende referentiebedragen:

Bulgarije: 624,11 EUR,

Griekenland: 225,04 EUR,

Spanje: 348,03 EUR,

Portugal: 219,09 EUR.

4.Indien het subsidiabele katoenareaal in een bepaalde lidstaat het in lid 1 vastgestelde basisareaal in een bepaald jaar overschrijdt, wordt het in lid 3 voor die lidstaat vastgestelde bedrag verlaagd in verhouding tot de overschrijding van het basisareaal.

5.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met regels inzake de voorwaarden voor de toekenning van de gewasspecifieke betaling voor katoen, inzake de subsidiabiliteitseisen en inzake de agronomische praktijken.

6.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met voorschriften voor de berekening van de in lid 4 bedoelde verlaging. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 37
Erkende brancheorganisaties

1.Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder "erkende brancheorganisatie" verstaan een juridische entiteit die uit katoenproducerende landbouwers en ten minste één egreneringsbedrijf bestaat en die activiteiten verricht zoals:

(a)het bijdragen tot een betere coördinatie van de wijze waarop katoen op de markt wordt gebracht, met name door middel van onderzoeks- en marktstudies;

(b)het opstellen van standaardformulieren voor contracten die verenigbaar zijn met de voorschriften van de Unie;

(c)het sturen van de productie in de richting van producten die beter zijn afgestemd op de behoeften van de markt en op de vraag van de consument, met name op het gebied van kwaliteit en consumentenbescherming;

(d)het actualiseren van methoden en middelen ter verbetering van de productkwaliteit;

(e)het ontwikkelen van marketingstrategieën om de afzet van katoen te bevorderen door middel van kwaliteitscertificeringsregelingen.

2.De lidstaat waar de egreneringsbedrijven zijn gevestigd, erkent de brancheorganisaties die voldoen aan de uit hoofde van lid 3 vast te stellen criteria.

3.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met voorschriften betreffende:

(a)de criteria voor de erkenning van brancheorganisaties;

(b)de verplichtingen waaraan de producenten moeten voldoen;

(c)de situatie waarin de erkende brancheorganisatie niet voldoet aan de onder a) bedoelde criteria.

Artikel 38
Toekenning van de betaling

1.De gewasspecifieke betaling voor katoen wordt aan de landbouwers toegekend per subsidiabele hectare zoals vastgesteld in artikel 36.

2.Voor de bij een erkende brancheorganisatie aangesloten landbouwers wordt de toe te kennen gewasspecifieke betaling voor katoen per subsidiabele hectare die binnen het in artikel 36, lid 1, vastgestelde basisareaal valt, verhoogd met 2 EUR.

HOOFSTUK III
SECTORALE INTERVENTIETYPES

Afdeling 1
Algemene bepalingen

Artikel 39
Toepassingsgebied

In dit hoofdstuk worden regels vastgesteld inzake de sectorale interventietypes in de volgende sectoren:

(a)de sector groenten en fruit, als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder i), van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

(b)de sector producten van de bijenteelt, als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder v), van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

(c)de wijnsector, als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder l), van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

(d)de hopsector, als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder f), van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

(e)de sector olijfolie en tafelolijven, als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder g), van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

(f)andere sectoren als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a) tot en met h), k), m), o) tot en met t), en w), van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

Artikel 40
Verplichte en facultatieve sectorale interventietypes

1.De sectorale interventietypes in de sector groenten en fruit als bedoeld in artikel 39, onder a), en in de sector van de bijenteelt als bedoeld in artikel 39, onder b), zijn verplicht voor elke lidstaat.

2.Het sectorale interventietype in de wijnsector als bedoeld in artikel 39, onder c), is verplicht voor de lidstaten die zijn opgenomen in de lijst in bijlage V.

3.De lidstaten kunnen ervoor kiezen om in hun strategisch GLB-plan de in artikel 39, onder d), e) en f), bedoelde sectorale interventietypes toe te passen.

4.De in artikel 82, lid 3, bedoelde lidstaat kan het in artikel 39, onder f), bedoelde sectorale interventietype slechts uitvoeren in de hopsector als die lidstaat in zijn strategisch GLB-plan besluit het in artikel 39, onder d), bedoelde sectorale interventietype niet uit te voeren.

5.De in artikel 82, lid 4, bedoelde lidstaten kunnen het in artikel 39, onder f), bedoelde sectorale interventietype slechts uitvoeren in de sector olijfolie en tafelolijven als die lidstaten in hun strategische GLB-plannen besluiten het in artikel 39, onder e), bedoelde sectorale interventietype niet uit te voeren.

Artikel 41
Gedelegeerde bevoegdheden voor de vaststelling van aanvullende voorschriften voor de sectorale interventietypes

De Commissie is gemachtigd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met voorschriften ter aanvulling van de voorschriften van dit hoofdstuk, met name wat betreft:

(a)het garanderen van de goede werking van de in dit hoofdstuk vastgestelde interventietypes;

(b)de grondslag voor de berekening van de in dit hoofdstuk bedoelde financiële steun van de Unie, met inbegrip van de referentieperioden en de berekening van de waarde van de op de markt gebrachte productie;

(c)het maximumniveau van de financiële steun van de Unie voor uitdemarktnemingen als bedoeld in artikel 46, lid 4, onder a), en voor de interventietypes als bedoeld in artikel 52, lid 3;

(d)regels voor de vaststelling van een maximum voor de uitgaven voor herbeplanting van wijngaarden als bedoeld in artikel 52, lid 1, onder a);

(e)regels op grond waarvan producenten bijproducten van de wijnbereiding aan de markt moeten onttrekken, en met betrekking tot uitzonderingen op die verplichting ter voorkoming van bijkomende administratieve lasten, alsmede regels voor de vrijwillige certificering van distilleerders.

Afdeling 2
Sector groenten en fruit

Artikel 42
Doelstellingen in de sector groenten en fruit

In de sector groenten en fruit worden de volgende doelstellingen nagestreefd:

(a)productieplanning, aanpassing van de productie aan de vraag, met name wat kwaliteit en hoeveelheid betreft, optimalisatie van de productiekosten en van het rendement op investeringen en stabilisatie van de producentenprijzen; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a), b), c) en i);

(b)concentratie van het aanbod en op de markt brengen van de producten van de groenten- en fruitsector, onder meer door middel van direct marketing; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a) en c);

(c)onderzoek en ontwikkeling op het gebied van duurzame productiemethoden, onder meer met betrekking tot weerstand tegen plagen, en innovatieve praktijken die het economisch concurrentievermogen vergroten en de marktontwikkelingen versterken; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a), c) en i);

(d)ontwikkeling, uitvoering en bevordering van milieuvriendelijke productiemethoden, ecologisch verantwoorde teeltmethoden en productietechnieken, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name water, bodem, lucht, biodiversiteit en overige natuurlijke hulpbronnen; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder e) en f);

(e)bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, als vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d);

(f)verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten, met inbegrip van de verbetering van de productkwaliteit en de ontwikkeling van producten met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding of van producten die onder een nationale kwaliteitsregeling vallen; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstelling die is vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder b);

(g)promotie en marketing van de producten van de sector groenten en fruit, in verse dan wel verwerkte vorm; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder b) en c);

(h)verhoging van de consumptie van producten van de sector groenten en fruit, in verse dan wel verwerkte vorm; deze doelstelling houdt verband met de specifieke doelstelling die is vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder i);

(i)crisispreventie en risicobeheer, gericht op het voorkomen van en het omgaan met crises op de groenten- en fruitmarkten; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a), b) en c).

Artikel 43
Interventietypes in de sector groenten en fruit

1.Ten aanzien van de in artikel 42, onder a) tot en met h), bedoelde doelstellingen kiezen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen een of meer van de volgende interventietypes:

(a)investeringen in materiële en immateriële activa, met name gericht op waterbesparing, energiebesparing, milieuvriendelijke verpakking en afvalvermindering;

(b)onderzoek en experimentele productie, met name gericht op waterbesparing, energiebesparing, milieuvriendelijke verpakking, afvalvermindering, weerstand tegen plagen, vermindering van de risico's en de effecten van het gebruik van pesticiden, voorkoming van schade veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden en stimulering van het gebruik van variëteiten groenten en fruit die aan de veranderende klimaatomstandigheden zijn aangepast;

(c)biologische productie;

(d)geïntegreerde productie;

(e)acties voor bodembehoud en verhoging van het koolstofgehalte in de bodem;

(f)acties voor de aanleg en het behoud van habitats die gunstig zijn voor de biodiversiteit of acties voor het behoud van het landschap, met inbegrip van de instandhouding van de historische elementen ervan;

(g)acties om energie te besparen, de energie-efficiëntie te verbeteren en het gebruik van hernieuwbare energie te doen toenemen;

(h)acties om de weerstand tegen plagen te verhogen;

(i)acties om het watergebruik en -beheer te verbeteren, met inbegrip van waterbesparing en drainage;

(j)acties en maatregelen om de afvalproductie te verminderen en het afvalbeheer te verbeteren;

(k)acties om de duurzaamheid en de efficiëntie van het vervoer en de opslag van producten van de sector groenten en fruit te verbeteren;

(l)acties om de klimaatverandering te matigen, zich aan de klimaatverandering aan te passen en het gebruik van hernieuwbare energie te doen toenemen;

(m)uitvoering van op het niveau van de Unie en op nationaal niveau ingestelde kwaliteitsregelingen;

(n)afzetbevordering en communicatie, met inbegrip van acties en activiteiten die erop gericht zijn de groenten- en fruitmarkten te diversifiëren en te consolideren en informatie te verstrekken over de voordelen van de consumptie van groenten en fruit voor de gezondheid;

(o)adviesdiensten en technische bijstand, met name op het gebied van duurzame plaagbestrijdingstechnieken, duurzaam gebruik van pesticiden en aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering;

(p)opleiding en uitwisseling van beste praktijken die met name betrekking hebben op duurzame plaagbestrijdingstechnieken en duurzaam gebruik van pesticiden en bijdragen tot de aanpassing aan en de matiging van de klimaatverandering.

2.Ten aanzien van de in artikel 42, onder i), bedoelde doelstelling kiezen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen een of meer van de volgende interventietypes:

(a)het opzetten en/of aanvullen van onderlinge fondsen door producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

(b)investeringen in materiële en immateriële activa met het oog op een efficiënter beheer van de op de markt gebrachte hoeveelheden;

(c)herbeplanting van boomgaarden waar dat nodig is na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat;

(d)uitdemarktneming voor gratis verstrekking of andere bestemmingen;

(e)groen oogsten, waaronder wordt verstaan het oogsten op een bepaald areaal van de totale hoeveelheid onrijpe, niet-afzetbare producten die vóór het groen oogsten niet beschadigd zijn als gevolg van weersomstandigheden, ziekte of andere oorzaken;

(f)niet oogsten van groenten en fruit, waaronder wordt verstaan de beëindiging van de aan de gang zijnde productiecyclus op het betrokken areaal wanneer het product goed ontwikkeld en van gezonde handelskwaliteit is, met uitzondering van de vernietiging van producten wegens weersomstandigheden of ziekte;

(g)oogstverzekeringen die de inkomsten van de producenten helpen veiligstellen bij verliezen als gevolg van natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, ziekten of plagen en er tegelijk voor zorgen dat de begunstigden de nodige risicopreventiemaatregelen nemen;

(h)coaching van andere producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013, of van individuele producenten;

(i)uitvoering en beheer van fytosanitaire protocollen van derde landen op het grondgebied van de Unie om de toegang tot de markten van derde landen te vergemakkelijken;

(j)uitvoering van op het niveau van de Unie en op nationaal niveau ingestelde kwaliteitsregelingen;

(k)adviesdiensten en technische bijstand, met name op het gebied van duurzame plaagbestrijdingstechnieken en duurzaam gebruik van pesticiden.

3.De lidstaten omschrijven in hun strategische GLB-plannen de interventies die beantwoorden aan de door hen overeenkomstig de leden 1 en 2 gekozen interventietypes.

Artikel 44
Operationele programma's

1.De in artikel 42 bedoelde doelstellingen en de interventies in de sector groenten en fruit die door de lidstaten in hun strategische GLB-plannen zijn vastgesteld, worden onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden uitgevoerd door middel van goedgekeurde operationele programma's van producentenorganisaties en/of unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

2.De operationele programma's hebben een looptijd van ten minste drie jaar en ten hoogste zeven jaar. Zij streven de in artikel 42, onder d) en e) bedoelde doelstellingen en ten minste twee andere in dat artikel bedoelde doelstellingen na.

3.Voor elke gekozen doelstelling worden in de operationele programma's de interventies opgenomen die zijn gekozen uit de interventies die de lidstaten in hun strategische GLB-plannen hebben vastgesteld.

4.De operationele programma's worden ter goedkeuring aan de lidstaten overgelegd door producentenorganisaties en/of unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

5.De operationele programma's mogen uitsluitend worden uitgevoerd door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

6.De operationele programma's van unies van producentenorganisaties behelzen niet dezelfde interventies als de operationele programma's van de aangesloten organisaties. De lidstaten beoordelen de operationele programma's van unies van producentenorganisaties samen met de operationele programma's van de aangesloten organisaties.

Met het oog daarop zien de lidstaten erop toe dat:

(a)de interventies in het kader van de operationele programma's van een unie van producentenorganisaties volledig gefinancierd worden uit bijdragen van de bij die unie aangesloten organisaties en dat die financiering wordt bijeengebracht door de actiefondsen van die aangesloten organisaties;

(b)de interventies en de overeenkomstige financiële bijdrage vermeld worden in het operationele programma van elke aangesloten organisatie.

7.De lidstaten zorgen ervoor dat:

(a)ten minste 20 % van de uitgaven in het kader van de operationele programma's betrekking heeft op interventies in verband met de in artikel 42, onder d) en e), bedoelde doelstellingen;

(b)ten minste 5 % van de uitgaven in het kader van de operationele programma's betrekking heeft op interventies in verband met de in artikel 42, onder c), bedoelde doelstelling;

(c)de interventies in het kader van interventietypes als bedoeld in artikel 43, lid 2, onder d), e) en f), niet meer dan één derde uitmaken van de totale uitgaven in het kader van de operationele programma's.

Artikel 45
Actiefondsen

1.Producentenorganisaties in de sector groenten en fruit en/of unies daarvan kunnen een actiefonds oprichten. Dit fonds wordt gefinancierd met:

(a)financiële bijdragen van:

i)    de leden van de producentenorganisatie en/of de producentenorganisatie zelf, of

ii)    unies van producentenorganisaties via de leden van deze unies;

(b)financiële steun van de Unie, die aan producentenorganisaties of unies daarvan kan worden verleend indien die unies een operationeel programma indienen.

2.De actiefondsen worden slechts gebruikt voor de financiering van operationele programma's die door de lidstaten zijn goedgekeurd.

Artikel 46
Financiële steun van de Unie voor de sector groenten en fruit

1.De financiële steun van de Unie is gelijk aan het bedrag van de in artikel 45, lid 1, onder a), bedoelde financiële bijdragen die daadwerkelijk betaald zijn, en is beperkt tot 50 % van de daadwerkelijk gedane uitgaven.

2.De financiële steun van de Unie is beperkt tot:

(a)4,1 % van de waarde van de door elke producentenorganisatie op de markt gebrachte productie;

(b)4,5 % van de waarde van de door elke unie van producentenorganisaties op de markt gebrachte productie;

(c)5 % van de waarde van de door elke transnationale producentenorganisatie of transnationale unie van producentenorganisaties op de markt gebrachte productie.

In afwijking van de eerste alinea kan de financiële steun van de Unie als volgt worden verhoogd:

(a)in het geval van producentenorganisaties kan het percentage worden verhoogd tot 4,6 % van de waarde van de op de markt gebrachte productie mits het bedrag dat 4,1 % van de waarde van de op de markt gebrachte productie overschrijdt, uitsluitend wordt gebruikt voor één of meer interventies die verband houden met de in artikel 42, onder c), d), e), g), h) en i), bedoelde doelstellingen;

(b)in het geval van unies van producentenorganisaties kan het percentage worden verhoogd tot 5 % van de waarde van de op de markt gebrachte productie mits het bedrag dat 4,5 % van de waarde van de op de markt gebrachte productie overschrijdt, uitsluitend wordt gebruikt voor één of meer interventies die met de in artikel 42, onder c), d), e), g), h) en i), bedoelde doelstellingen verband houden en door de unie van producentenorganisaties namens haar leden worden uitgevoerd;

(c)in het geval van een transnationale producentenorganisatie of een transnationale unie van producentenorganisaties kan het percentage worden verhoogd tot 5,5 % van de waarde van de op de markt gebrachte productie mits het bedrag dat 5 % van de waarde van de op de markt gebrachte productie overschrijdt, uitsluitend wordt gebruikt voor één of meer interventies die met de in artikel 42, onder c), d), e), g), h) en i), bedoelde doelstellingen verband houden en door de transnationale producentenorganisatie of transnationale unie van producentenorganisaties namens haar leden worden uitgevoerd.

3.Op verzoek van een producentenorganisatie wordt het in lid 1 vastgestelde maximum van 50 % verhoogd tot 60 % voor een operationeel programma of een gedeelte daarvan dat voldoet aan ten minste een van de volgende voorwaarden:

(a)het gaat om producentenorganisaties die in verschillende lidstaten werkzaam zijn en de interventies in verband met de in artikel 42, onder b) en e), bedoelde doelstellingen transnationaal uitvoeren;

(b)één of meer producentenorganisaties zijn betrokken bij interventies die door samenwerkende branches in een bedrijfskolom worden uitgevoerd;

(c)het operationele programma heeft uitsluitend betrekking op specifieke steun voor de productie van onder Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad 35 vallende biologische producten;

(d)het operationele programma wordt voor het eerst uitgevoerd door een unie van producentenorganisaties die op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013 is erkend;

(e)de producentenorganisaties vertegenwoordigen minder dan 20 % van de groenten- en fruitproductie in een lidstaat;

(f)de producentenorganisatie is werkzaam in een van de ultraperifere gebieden als bedoeld in artikel 349 VWEU;

(g)het operationele programma omvat interventies die verband houden met de in artikel 42, onder c), d), e), h) en i), bedoelde doelstellingen.

4.Het in lid 1 genoemde maximum van 50 % wordt tot 100 % verhoogd in de volgende gevallen:

(a)de hoeveelheden uit de markt genomen groenten en fruit bedragen niet meer dan 5 % van het volume van de op de markt gebrachte productie van elke producentenorganisatie en worden als volgt afgezet:

i)    gratis verstrekking aan daartoe door de lidstaten erkende liefdadigheidsinstellingen of -organisaties voor hun activiteiten ten behoeve van personen die op grond van de nationale wetgeving recht hebben op overheidsbijstand, met name omdat zij over onvoldoende middelen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien;

ii)    gratis verstrekking aan door de lidstaten aangewezen strafinrichtingen, scholen en openbare onderwijsinstellingen, instellingen als bedoeld in artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en kindervakantiekampen, alsmede ziekenhuizen en bejaardentehuizen, waarbij de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat de in dit kader verstrekte hoeveelheden boven de hoeveelheden komen die deze instellingen normaal aankopen;

(b)acties in verband met het coachen van andere producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013 mits die producentenorganisaties uit de in artikel 47, lid 2, van deze verordening bedoelde regio's van lidstaten komen, of van individuele producenten.

Artikel 47
Nationale financiële steun

1.In regio's van de lidstaten waar de producenten in de sector groenten en fruit in aanzienlijk mindere mate georganiseerd zijn dan het gemiddelde van de Unie, mogen de lidstaten producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013, nationale financiële steun toekennen voor een bedrag van ten hoogste 80 % van de in artikel 45, lid 1, onder a) genoemde financiële bijdragen en van ten hoogste 10 % van de waarde van de op de markt gebrachte productie van een dergelijke producentenorganisatie. De nationale financiële steun komt bovenop het actiefonds.

2.De mate waarin producenten in een regio van een lidstaat georganiseerd zijn, wordt als aanzienlijk onder het gemiddelde van de Unie beschouwd wanneer de gemiddelde organisatiegraad minder dan 20 % is in drie opeenvolgende jaren voorafgaand aan de uitvoering van het operationele programma. De organisatiegraad wordt berekend als de waarde van de in de desbetreffende regio verkregen groenten- en fruitproductie die op de markt is gebracht door producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013, gedeeld door de totale waarde van de in die regio verkregen groenten- en fruitproductie.

De lidstaten die overeenkomstig lid 1 nationale financiële steun toekennen, stellen de Commissie in kennis van de regio's die aan de in lid 2 bedoelde criteria voldoen, en van de nationale financiële steun die aan producentenorganisaties in die regio's is toegekend.

Afdeling 3
Bijenteeltsector

Artikel 48
Doelstellingen in de bijenteeltsector

De lidstaten streven ten minste één van de in artikel 6, lid 1, genoemde specifieke doelstellingen in de bijenteeltsector na.

Artikel 49
Interventietypes in de bijenteeltsector en financiële steun van de Unie

1.In hun strategische GLB-plannen kiezen de lidstaten voor elke in artikel 6, lid 1, vastgestelde specifieke doelstelling een of meer van de volgende interventietypes in de bijenteeltsector:

(a)technische bijstand voor bijenhouders en bijenhoudersorganisaties;

(b)acties ter bestrijding van vijanden van de bijenvolken en ziekten in de bijenteelt, in het bijzonder de varroamijtziekte;

(c)acties voor de rationalisatie van de transhumance;

(d)acties om laboratoria te ondersteunen bij de analyse van producten van de bijenteelt;

(e)herstel van het bijenbestand in de Unie;

(f)samenwerking met instanties die gespecialiseerd zijn in de uitvoering van onderzoeksprogramma's op het gebied van de bijenteelt en de producten van de bijenteelt;

(g)acties op het gebied van marktmonitoring;

(h)acties om de kwaliteit van de producten te verbeteren.

2.De lidstaten onderbouwen in hun strategische GLB-plannen de door hen gekozen specifieke doelstellingen en interventietypes. De lidstaten omschrijven interventies binnen de gekozen interventietypes.

3.De lidstaten stellen in hun strategische GLB-plannen de financiering vast die zij voor de in hun strategische GLB-plannen gekozen interventietypes verstrekken.

4.De financiële steun van de Unie voor de in lid 2 bedoelde interventies bedraagt ten hoogste 50 % van de uitgaven. Het resterende gedeelte van de uitgaven is ten laste van de lidstaten.

5.Bij het opstellen van hun strategische GLB-plannen winnen de lidstaten het advies in van vertegenwoordigers van organisaties op het gebied van de bijenhouderij.

6.De lidstaten stellen de Commissie jaarlijks in kennis van het aantal bijenkasten op hun grondgebied.

Artikel 50
Gedelegeerde bevoegdheden

De Commissie is gemachtigd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met voorschriften ter aanvulling van de voorschriften van deze afdeling betreffende:

(a)de in artikel 49, lid 6, vastgestelde verplichting voor de lidstaten om de Commissie jaarlijks in kennis te stellen van het aantal bijenkasten op hun grondgebied;

(b)een definitie van het begrip "bijenkast" en methoden voor de berekening van het aantal bijenkasten;

(c)de minimumbijdrage van de Unie in de uitgaven voor de uitvoering van de in artikel 49 bedoelde interventietypes en interventies.

Afdeling 4
Wijnsector

Artikel 51
Doelstellingen in de wijnsector

De lidstaten streven een of meer van de volgende doelstellingen in de wijnsector na:

(a)het concurrentievermogen van de wijnproducenten van de Unie verbeteren, en onder meer bijdragen aan de verbetering van duurzame productiesystemen en aan de verkleining van de ecologische impact van de wijnsector van de Unie; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder b) tot en met f) en h);

(b)de prestaties van de wijnondernemingen van de Unie en hun aanpassing aan de markteisen verbeteren, alsmede hun concurrentievermogen op het vlak van productie en afzet van wijnbouwproducten vergroten, met inbegrip van energiebesparingen, algemene energie-efficiëntie en duurzame procedés; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met e), g) en h);

(c)bijdragen aan het herstel van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de wijnmarkt van de Unie om marktcrises te voorkomen; deze doelstelling houdt verband met de specifieke doelstelling die is vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a);

(d)bijdragen aan het veiligstellen van de inkomsten van de wijnproducenten van de Unie bij verliezen als gevolg van natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, dieren, ziekten of plagen; deze doelstelling houdt verband met de doelstelling die is vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a);

(e)de verhandelbaarheid en het concurrentievermogen van de wijnbouwproducten van de Unie vergroten, met name door de ontwikkeling van innovatieve producten, procedés en technologieën en door het toevoegen van waarde in elk stadium van de toeleveringsketen, met inbegrip van een element van kennisoverdracht; deze doelstelling houdt verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a), b), c), e) en i);

(f)bijproducten van de wijnbereiding gebruiken voor industriële en energiedoeleinden om de kwaliteit van wijn uit de Unie te garanderen en tegelijk het milieu te beschermen; deze doelstelling houdt verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d) en e);

(g)bijdragen tot het vergroten van het consumentenbewustzijn met betrekking tot verantwoord wijngebruik en tot de kwaliteitsregelingen van de Unie voor wijn; deze doelstelling houdt verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder b) en i);

(h)het concurrentievermogen van wijnbouwproducten van de Unie in derde landen verbeteren; deze doelstelling houdt verband met de doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder b) en h);

(i)bijdragen tot het beter bestand maken van de producenten tegen schommelingen op de markt; deze doelstelling houdt verband met de doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a).

Artikel 52
Interventietypes in de wijnsector

1.Voor elke doelstelling die wordt gekozen uit de in artikel 51 vastgestelde doelstellingen, kiezen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen één of meer van de volgende interventietypes:

(a)herstructurering en omschakeling van wijngaarden, met inbegrip van herbeplanting van wijngaarden waar dat nodig is na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat, met uitzondering van de gewone vernieuwing van wijngaarden waarbij hetzelfde perceel wordt herbeplant met hetzelfde druivenras en volgens dezelfde teeltmethode van de wijnstokken wanneer wijnstokken aan het eind van hun natuurlijke levenscyclus zijn gekomen;

(b)materiële en immateriële investeringen in verwerkingsinstallaties en de infrastructuur van wijnhuizen, alsmede afzetstructuren en -instrumenten;

(c)groen oogsten, waaronder wordt verstaan de volledige vernietiging of verwijdering van de nog onrijpe druiventrossen waardoor de opbrengst van het betrokken areaal tot nul wordt herleid, met uitzondering van het niet-oogsten, waarbij verhandelbare druiven aan het einde van de normale productiecyclus aan de wijnstokken worden gelaten;

(d)oogstverzekeringen tegen inkomensverlies als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met natuurrampen worden gelijkgesteld, ongunstige weeromstandigheden, dieren, plantenziekten of plagen;

(e)materiële en immateriële investeringen in innovatie waarbij innovatieve producten en bijproducten van de wijnbereiding en innovatieve procedés en technologieën worden ontwikkeld, alsmede andere investeringen die in elk stadium van de toeleveringsketen waarde toevoegen en onder meer gericht zijn op kennisuitwisseling;

(f)distillatie van bijproducten van de wijnbereiding die wordt uitgevoerd overeenkomstig de beperkingen die zijn vastgesteld in deel II, afdeling D, van bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013;

(g)voorlichtingsacties over wijnen van de Unie die in de lidstaten worden uitgevoerd en verantwoord wijngebruik aanmoedigen of kwaliteitsregelingen van de Unie betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen bevorderen;

(h)afzetbevordering in derde landen, bestaande uit één of meer van het onderstaande:

i)    acties op het gebied van public relations, afzetbevordering of reclame die met name de hoge normen voor producten van de Unie belichten, vooral wat kwaliteit, voedselveiligheid en milieu betreft;

ii)    deelname aan evenementen, beurzen of tentoonstellingen van internationaal belang;

iii)    voorlichtingscampagnes, met name betreffende de kwaliteitsregelingen van de Unie met betrekking tot oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en biologische productie;

iv)    onderzoek naar nieuwe markten die noodzakelijk zijn voor de verruiming van de afzetmogelijkheden;

v)    studies om de resultaten van de voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen te evalueren;

vi)    opstelling van technische dossiers, met inbegrip van laboratoriumtests en beoordelingen inzake oenologische procedés, fytosanitaire en hygiënevoorschriften en andere voorschriften van derde landen voor de invoer van producten van de wijnsector, om de toegang tot de markten van derde landen te vergemakkelijken;

(i)tijdelijke en degressieve steun voor de financiering van de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen.

2.De lidstaten onderbouwen in hun strategische GLB-plannen de door hen voor de wijnsector gekozen doelstellingen en interventietypes. Zij omschrijven interventies binnen de gekozen interventietypes.

3.In aanvulling op de vereisten van titel V stellen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen het volgende vast: een uitvoeringsschema voor de geselecteerde interventietypes, interventies en een algemene financiële tabel met de in te zetten middelen en de beoogde verdeling daarvan over de gekozen interventietypes en interventies overeenkomstig de financiële toewijzingen van bijlage V.

Artikel 53
Financiële steun van de Unie voor de wijnsector

1.De financiële steun van de Unie voor de in artikel 52, lid 1, onder a), bedoelde herstructurering en omschakeling van wijngaarden bedraagt hoogstens 50 % van de werkelijke kosten van de herstructurering en omschakeling van de wijngaarden, dan wel 75 % van de werkelijke kosten van de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in minder ontwikkelde regio's.

De steun mag alleen worden verleend in de vorm van een vergoeding die de producenten krijgen voor het verlies aan inkomsten als gevolg van de uitvoering van de interventie, en in de vorm van een bijdrage in de herstructurerings- en omschakelingskosten. De vergoeding van de producenten voor het verlies aan inkomsten als gevolg van de uitvoering van de interventie mag hoogstens 100 % van het betrokken verlies bedragen.

2.De financiële steun van de Unie voor de in artikel 52, lid 1, onder b), bedoelde investeringen blijft beperkt tot de volgende maxima:

(a)50 % van de subsidiabele investeringskosten in de minder ontwikkelde regio's;

(b)40 % van de subsidiabele investeringskosten in andere dan de minder ontwikkelde regio's;

(c)75 % van de subsidiabele investeringskosten in de ultraperifere gebieden als bedoeld in artikel 349 VWEU;

(d)65 % van de subsidiabele investeringskosten in de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013.

De in de eerste alinea bedoelde financiële steun van de Unie ten belope van het maximumpercentage wordt enkel verleend aan kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie 36 ; hij kan evenwel aan alle ondernemingen worden toegekend in de ultraperifere gebieden als bedoeld in artikel 349 VWEU en de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013.

Voor ondernemingen die niet onder artikel 2, lid 1, van titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG vallen en minder dan 750 werknemers of een omzet van minder dan 200 miljoen EUR hebben, worden de in de eerste alinea bedoelde maxima gehalveerd.

De financiële steun van de Unie wordt niet verleend aan ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de richtsnoeren van de Unie voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden 37 .

3.De financiële steun van de Unie voor groen oogsten als bedoeld in artikel 52, lid 1, onder c), bedraagt ten hoogste 50 % van de som van de rechtstreekse kosten van de vernietiging of verwijdering van de druiventrossen en van het inkomstenverlies als gevolg van die vernietiging of verwijdering.

4.De financiële steun van de Unie voor de in artikel 52, lid 1, onder d), bedoelde oogstverzekeringen bedraagt ten hoogste:

(a)80 % van de verzekeringspremies die de producenten betalen om zich in te dekken tegen verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die kunnen worden gelijkgesteld met natuurrampen;

(b)50 % van de verzekeringspremies die de producenten betalen om zich in te dekken tegen:

i)onder a) bedoelde verliezen en door ongunstige weersomstandigheden veroorzaakte verliezen;

ii)verliezen die zijn veroorzaakt door dieren, plantenziekten of plagen.

De financiële steun van de Unie voor oogstverzekeringen mag worden verleend indien de verzekeringsuitkeringen, inclusief vergoedingen die de producent ontvangt op grond van andere steunregelingen voor het verzekerde risico, niet meer dan 100 % van het door de producent geleden inkomstenverlies dekken. In de verzekeringscontracten wordt bepaald dat de begunstigden de nodige risicopreventiemaatregelen moeten nemen.

5.De financiële steun van de Unie voor de in artikel 52, lid 1, onder e), bedoelde innovatie bedraagt ten hoogste:

(a)50 % van de subsidiabele investeringskosten in de minder ontwikkelde regio's;

(b)40 % van de subsidiabele investeringskosten in andere dan de minder ontwikkelde regio's;

(c)75 % van de subsidiabele investeringskosten in de ultraperifere gebieden als bedoeld in artikel 349 VWEU;

(d)65 % van de subsidiabele investeringskosten in de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013.

De in de eerste alinea bedoelde financiële steun van de Unie ten belope van het maximumpercentage wordt enkel verleend aan kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG; hij kan evenwel aan alle ondernemingen worden toegekend in de ultraperifere gebieden als bedoeld in artikel 349 VWEU en de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013.

Voor ondernemingen die niet onder artikel 2, lid 1, van titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG vallen en minder dan 750 werknemers of een omzet van minder dan 200 miljoen EUR hebben, worden de in de eerste alinea bedoelde maxima gehalveerd.

6.De financiële steun van de Unie voor voorlichtingsacties en afzetbevordering als bedoeld in artikel 52, lid 1, onder g) en h), bedraagt hoogstens 50 % van de subsidiabele uitgaven.

7.De financiële steun van de Unie voor de distillatie van bijproducten van de wijnbereiding als bedoeld in artikel 52, lid 1, onder f), wordt door de Commissie overeenkomstig de specifieke voorschriften van artikel 54, lid 3, bepaald door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 54
Specifieke voorschriften inzake de financiële steun van de Unie voor de wijnsector

1.De betrokken lidstaten zien erop toe dat de financiële steun van de Unie voor oogstverzekeringen de mededinging op de verzekeringsmarkt niet verstoort.

2.De betrokken lidstaten zetten op basis van objectieve criteria een systeem op om te voorkomen dat individuele wijnproducenten dankzij groen oogsten een vergoeding krijgen die het in artikel 53, lid 3, bepaalde maximum overschrijdt.

3.Het bedrag van de steun van de Unie voor de distillatie van bijproducten van de wijnbereiding wordt vastgesteld per % vol en per hectoliter geproduceerde alcohol. Er wordt geen financiële steun van de Unie betaald voor het alcoholvolume in de te distilleren bijproducten dat 10 % hoger ligt dan het alcoholvolume in de geproduceerde wijn.

De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat de financiële steun van de Unie voor de distillatie van bijproducten van de wijnbereiding wordt betaald aan distilleerders die de voor distillatie geleverde bijproducten van de wijnbereiding verwerken tot ruwe alcohol met een alcoholgehalte van ten minste 92 % vol.

De financiële steun van de Unie omvat een forfaitair bedrag ter compensatie van de kosten van de inzameling van de bijproducten van de wijnbereiding. Dat bedrag wordt van de distilleerder naar de producent overgedragen indien die kosten door de producent worden gedragen.

De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat de alcohol die wordt verkregen uit de distillatie van bijproducten van de wijnbereiding als bedoeld in artikel 52, lid 1, onder f), waarvoor financiële steun van de Unie is verleend, uitsluitend wordt gebruikt voor industriële of energiedoeleinden die de mededinging niet verstoren.

4.De betrokken lidstaten stellen in hun strategische GLB-plannen een minimumpercentage aan uitgaven vast voor acties die gericht zijn op milieubescherming, aanpassing aan de klimaatverandering, verbetering van de duurzaamheid van de productiesystemen en -processen, verkleining van de ecologische impact van de wijnsector van de Unie, energiebesparing en verbetering van de algemene energie-efficiëntie in de wijnsector. 

Afdeling 5
De hopsector

Artikel 55
Doelstellingen en interventietypes in de hopsector

1.De in artikel 82, lid 3, bedoelde lidstaat streeft een of meer van de volgende doelstellingen in de hopsector na:

(a)productieplanning, aanpassing van de productie aan de vraag, met name wat kwaliteit en hoeveelheid betreft; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a), b) en c);

(a)concentratie van het aanbod en op de markt brengen van de producten van de hopsector, onder meer door middel van direct marketing; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a) en c);

(b)optimalisatie van de productiekosten en van het rendement op investeringen om de milieunormen te halen, en stabilisatie van de producentenprijzen; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a) en c);

(c)onderzoek en ontwikkeling op het gebied van duurzame productiemethoden, waaronder de weerstand tegen plagen, innovatieve praktijken die het economisch concurrentievermogen vergroten en de marktontwikkelingen versterken; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a), c) en i);

(d)ontwikkeling, uitvoering en bevordering van milieuvriendelijke productiemethoden, milieuvriendelijke teeltmethoden en productietechnieken, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name van water, bodem en overige natuurlijke hulpbronnen; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder e) en f);

(e)bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, als vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d).

2.De in artikel 82, lid 3, bedoelde lidstaat omschrijft in zijn strategisch GLB-plan een of meer van de in artikel 60 bedoelde interventietypes waarmee de door hem gekozen en in lid 1 vastgestelde doelstellingen worden nagestreefd. Hij omschrijft de interventies binnen de gekozen interventietypes. De in artikel 82, lid 3, bedoelde lidstaat motiveert in zijn strategisch GLB-plan de keuze van de doelstellingen, interventietypes en interventies om aan die doelstellingen te voldoen.

Afdeling 6
De sector olijfolie en tafelolijven

Artikel 56
Doelstellingen in de sector olijfolie en tafelolijven

De in artikel 82, lid 4, bedoelde lidstaten streven een of meer van de volgende doelstellingen in de sector olijfolie en tafelolijven na:

(a)versterking van de organisatie en het beheer van de productie van olijfolie en tafelolijven; deze doelstelling houdt verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a) en b);

verbetering van het concurrentievermogen van de sector olijfolie en tafelolijven op middellange en lange termijn, met name door modernisering; deze doelstelling houdt verband met de specifieke doelstelling die is vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder c);

vermindering van de milieueffecten van de olijventeelt en bijdrage van de olijventeelt aan klimaatactie; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d) en e);

verbetering van de kwaliteit van olijfolie en tafelolijven; deze doelstelling houdt verband met de specifieke doelstelling die is vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder f);

onderzoek en ontwikkeling op het gebied van duurzame productiemethoden, waaronder de weerstand tegen plagen, innovatieve praktijken die het economisch concurrentievermogen vergroten en de marktontwikkelingen versterken; deze doelstelling houdt verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a), c) en i);

crisispreventie en -beheer, gericht op de verbetering van de weerstand tegen plagen en het voorkomen van en het omgaan met crises op de markten voor olijfolie en tafelolijven; deze doelstelling houdt verband met de specifieke doelstelling die is vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder h).

Artikel 57
Interventietypes en de uitvoering ervan in de sector olijfolie en tafelolijven

1.Om de in artikel 56 genoemde doelstellingen na te streven, kiezen de in artikel 82, lid 4, genoemde lidstaten in hun strategische GLB-plannen een of meer van de in artikel 60 genoemde interventietypes. Zij omschrijven de interventies binnen de gekozen interventietypes.

2.De door de lidstaten omschreven interventies als bedoeld in artikel 82, lid 4, worden uitgevoerd door middel van goedgekeurde operationele programma's van producentenorganisaties en/of unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013. Hiertoe zijn de artikelen 61 en 62 van deze verordening van toepassing.

Artikel 58
Financiële steun van de Unie

1.De financiële steun van de Unie voor de subsidiabele kosten bedraagt niet meer dan:

(a)75 % van de werkelijk gedane uitgaven voor interventies die verband houden met de in artikel 56, onder a), b), c) en e), bedoelde doelstellingen;

(b)75 % van de werkelijk gedane uitgaven voor investeringen in vaste activa en 50 % voor andere interventies die verband houden met de in artikel 56, onder d), bedoelde doelstelling;

(c)50 % van de werkelijk gedane uitgaven voor interventies die verband houden met de in artikel 56, onder f), bedoelde doelstelling;

(d)75 % van de werkelijk gedane uitgaven voor de interventietypes als bedoeld in artikel 60, lid 1, onder f) en h), wanneer het operationeel programma wordt uitgevoerd in ten minste drie derde landen of niet-producerende lidstaten door producentenorganisaties uit ten minste twee producerende lidstaten; 50 % van de werkelijk gedane uitgaven wanneer deze voorwaarde niet vervuld is voor dit interventietype.

2.De financiële steun van de Unie is beperkt tot 5 % van de waarde van de door elke producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties op de markt gebrachte productie.

3.De lidstaten waarborgen aanvullende financiering van ten hoogste 50 % van de kosten die niet door de financiële steun van de Unie worden gedekt.

Afdeling 7
Andere sectoren

Artikel 59
Doelstellingen in andere sectoren

De lidstaten streven een of meer van de volgende doelstellingen in de in artikel 39, onder f), bedoelde andere sectoren na:

(a)productieplanning, aanpassing van de productie aan de vraag, met name wat kwaliteit en hoeveelheid betreft, optimalisatie van de productiekosten en van het rendement op investeringen en stabilisatie van de producentenprijzen; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a), b), c) en i);

concentratie van het aanbod en op de markt brengen van de betrokken producten; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a) en c);

onderzoek en ontwikkeling op het gebied van duurzame productiemethoden, waaronder de weerstand tegen plagen, innovatieve praktijken en productietechnieken die het economisch concurrentievermogen vergroten en de marktontwikkelingen versterken; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a), c) en i);

ontwikkeling, uitvoering en bevordering van milieuvriendelijke productiemethoden en van normen inzake dierenwelzijn, milieuvriendelijke en plaagbestendige teeltmethoden, productietechnieken en productiemethoden, vanuit milieuoogpunt verantwoord gebruik en beheer van bijproducten en afvalstoffen, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bescherming van water, bodem en overige natuurlijke hulpbronnen; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder e) en f);

bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, als vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d);

verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten, met inbegrip van de verbetering van de productkwaliteit en de ontwikkeling van producten met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding of van producten die onder nationale kwaliteitsregelingen vallen; deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstelling die is vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder b);

afzetbevordering en afzet van de producten van een of meer sectoren als bedoeld in artikel 40, onder f); deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder b) en c);

crisispreventie en risicobeheer, gericht op het voorkomen van en het omgaan met crises op de markten van een of meer sectoren als bedoeld in artikel 39, onder f); deze doelstellingen houden verband met de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a), b) en c);

Artikel 60
Interventietypes

1.Ten aanzien van de in artikel 59, onder a) tot en met g), bedoelde doelstellingen kiezen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen een of meer van de volgende interventietypes:

(a)investeringen in materiële en immateriële activa; onderzoek en experimentele productie, alsmede andere acties, met inbegrip van acties voor:

i)    bodembehoud, met inbegrip van verbetering van het koolstofgehalte in de bodem;

ii)    verbetering van het watergebruik en -beheer, met inbegrip van waterbesparing en drainage;

iii)    voorkoming van schade veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden en stimulering van het gebruik van variëteiten en beheerspraktijken die aan de veranderende klimaatomstandigheden zijn aangepast;

iv)    energiebesparing en verhoging van de energie-efficiëntie;

v)    milieuvriendelijke verpakking;

vi)    gezondheid en welzijn van dieren;

vii)    afvalvermindering en verbetering van het gebruik en beheer van bijproducten en afvalstoffen;

viii)    verbetering van de weerstand tegen plagen;

ix)    vermindering van de risico’s en de effecten van het gebruik van pesticiden;

x)    aanleg en behoud van habitats die gunstig zijn voor de biodiversiteit;

(b)adviesdiensten en technische bijstand, met name op het gebied van de aanpassing aan en de matiging van de klimaatverandering,

(c)opleiding, met inbegrip van coaching en uitwisseling van beste praktijken;

(d)biologische productie;

(e)acties om de duurzaamheid en efficiëntie van het vervoer en de opslag te verbeteren van producten van een of meer sectoren als bedoeld in artikel 40, onder f),

(f)afzetbevordering, communicatie en afzet, waaronder acties en activiteiten die in het bijzonder zijn gericht op het vergroten van het consumentenbewustzijn inzake kwaliteitsregelingen van de Unie en het belang van gezonde eetgewoonten, en op de diversificatie van afzetmarkten;

(g)uitvoering van op nationaal niveau en op het niveau van de Unie ingestelde kwaliteitsregelingen;

(h)invoering van traceerbaarheids- en certificeringssystemen, met name monitoring van de kwaliteit van de aan de eindverbruikers verkochte producten.

2.Ten aanzien van de in artikel 59, onder h), bedoelde doelstelling kiezen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen een of meer van de volgende interventietypes:

(a)het opzetten en/of aanvullen van onderlinge fondsen door producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013; 

(b)investeringen in materiële en immateriële activa om de op de markt gebrachte hoeveelheden efficiënter te beheren;

(c)collectieve opslag van producten die zijn geproduceerd door een producentenorganisatie of door leden van een producentenorganisatie;

(d)herbeplanting van boomgaarden waar dat nodig is na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat of ter aanpassing aan de klimaatverandering;

(e)uitdemarktneming voor gratis verstrekking of andere bestemmingen;

(f)groen oogsten, waaronder wordt verstaan het oogsten op een bepaald areaal van de totale hoeveelheid onrijpe, niet-afzetbare producten die vóór het groen oogsten niet beschadigd zijn als gevolg van weersomstandigheden, ziekte of andere oorzaken;

(g)niet oogsten, waaronder wordt verstaan de beëindiging van de aan de gang zijnde productiecyclus op het betrokken areaal wanneer het product goed ontwikkeld en van gezonde handelskwaliteit is, met uitzondering van de vernietiging van producten wegens weersomstandigheden of ziekte;

(h)oogst- en productieverzekering die de inkomsten van de producenten helpt veiligstellen bij verliezen als gevolg van natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, ziekten of plagen, en er tegelijk voor zorgt dat de begunstigden de nodige risicopreventiemaatregelen nemen.

3.In hun strategische GLB-plannen kiezen de lidstaten de sectoren waarin zij de in dit artikel vastgelegde interventietypes implementeren. Voor elke sector kiezen zij een of meer doelstellingen uit de in artikel 59 vastgestelde doelstellingen, en interventietypes als vastgesteld in de leden 1 en 2 van dit artikel. De lidstaten omschrijven de interventies binnen elk interventietype. De lidstaten motiveren hun keuze van sectoren, doelstellingen, interventietypes en interventies.

Artikel 61
Operationele programma's

1.In elke betrokken sector worden de doelstellingen en interventies die de lidstaten in hun strategische GLB-plannen hebben vastgesteld, onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden uitgevoerd door middel van goedgekeurde operationele programma's van producentenorganisaties en/of unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

2.De operationele programma's als bedoeld in artikel 39, onder f), hebben een looptijd van ten minste drie jaar en ten hoogste zeven jaar.

3.In de operationele programma's worden de interventies beschreven die zijn gekozen uit de interventies die de lidstaten in hun strategische GLB-plannen hebben vastgesteld.

4.De operationele programma's worden ter goedkeuring bij de lidstaten ingediend door producentenorganisaties en/of unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

5.De operationele programma's mogen uitsluitend worden uitgevoerd door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

6.De operationele programma's van unies van producentenorganisaties betreffen niet dezelfde interventies als de operationele programma's van de aangesloten organisaties. De lidstaten beoordelen de operationele programma's van unies van producentenorganisaties samen met de operationele programma's van de aangesloten organisaties.

Met het oog daarop zien de lidstaten erop toe dat:

(a)de interventies in het kader van de operationele programma's van een unie van producentenorganisaties volledig gefinancierd worden uit bijdragen van de bij die unie aangesloten organisaties en dat die financiering wordt bijeengebracht door de actiefondsen van die aangesloten organisaties;

(b)de interventies en de overeenkomstige financiële bijdrage vermeld worden in het operationele programma van elke aangesloten organisatie; en

(c)er geen dubbele financiering plaatsvindt.

7.De lidstaten zien erop toe dat de interventies die verband houden met de doelstelling als bedoeld in artikel 59, onder h), niet meer dan één derde uitmaken van de totale uitgaven in het kader van de operationele programma's van producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties.

Artikel 62
Actiefondsen

1.De producentenorganisaties en/of hun unies in de sectoren als bedoeld in artikel 39, onder f), kunnen een actiefonds oprichten. Dit fonds wordt gefinancierd met:

(a)financiële bijdragen van:

i)    de leden van de producentenorganisatie en/of de producentenorganisatie zelf; of

ii)    unies van producentenorganisaties via de leden van deze unies;

(b)financiële steun van de Unie, die aan producentenorganisaties of unies daarvan kan worden verleend indien die unies een operationeel programma indienen.

2.De actiefondsen worden slechts gebruikt voor de financiering van operationele programma's die door de lidstaten zijn goedgekeurd.

Artikel 63
Financiële steun van de Unie

1.De financiële steun van de Unie is gelijk aan het bedrag van de in artikel 62, lid 1, onder a), bedoelde financiële bijdragen die daadwerkelijk betaald zijn en is beperkt tot 50 % van de daadwerkelijk gedane uitgaven.

2.De financiële steun van de Unie is beperkt tot 5 % van de waarde van de door elke producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties in de handel gebrachte productie.

HOOFDSTUK IV
INTERVENTIETYPES VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING

Afdeling 1
Interventietypes

Artikel 64
Interventietypes voor plattelandsontwikkeling

De interventietypes in het kader van dit hoofdstuk zijn de volgende:

(a)milieu-, klimaat- en andere beheersverbintenissen;

(b)natuurlijke beperkingen of andere gebiedsspecifieke beperkingen;

(c)gebiedsspecifieke nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten;

(d)investeringen;

(e)vestiging van jonge landbouwers en het opstarten van plattelandsbedrijven;

(f)risicobeheersinstrumenten;

(g)samenwerking;

(h)kennisuitwisseling en informatie.

Artikel 65
Milieu-, klimaat- en andere beheersverbintenissen

1.De lidstaten kunnen betalingen toekennen voor milieu-, klimaat- en andere beheersverbintenissen onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.In hun strategisch GLB-plannen nemen de lidstaten agromilieuklimaatverbintenissen op.

3.De lidstaten kunnen steun in het kader van dit interventietype beschikbaar stellen op hun gehele grondgebied in overeenstemming met hun specifieke nationale, regionale of plaatselijke behoeften.

4.De lidstaten kennen alleen betalingen toe aan landbouwers en andere begunstigden die op vrijwillige basis beheersverbintenissen aangaan die geacht worden bevorderlijk te zijn voor het bereiken van de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1.

5.In het kader van dit type interventies verrichten de lidstaten uitsluitend betalingen voor verbintenissen die:

(a)verder gaan dan de desbetreffende uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de desbetreffende normen voor een goede landbouw- en milieuconditie die op grond van hoofdstuk I, afdeling 2, van deze titel zijn vastgesteld;

(b)verder gaan dan de minimumvoorschriften voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, dierenwelzijn en andere verplichte vereisten die zijn vastgesteld in het nationale recht en het recht van de Unie;

(c)verder gaan dan de voorwaarden voor de instandhouding van het landbouwareaal overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a);

(d)verschillend zijn van de verbintenissen waarvoor betalingen worden toegekend op grond van artikel 28.

6.De lidstaten vergoeden de begunstigden voor de gemaakte kosten en gederfde inkomsten als gevolg van de aangegane verbintenissen. Waar nodig kunnen zij ook transactiekosten dekken. In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten steun toekennen in de vorm van een forfaitair bedrag of een eenmalige betaling per eenheid. De betalingen worden jaarlijks toegekend.

7.De lidstaten kunnen collectieve regelingen en resultaatgerichte betalingsregelingen stimuleren en ondersteunen die landbouwers moeten aansporen om op grotere schaal en op meetbare wijze te zorgen voor een aanzienlijke kwalitatieve verbetering van het milieu.

8.De verbintenissen worden aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar. Als dat nodig is om de nagestreefde milieuvoordelen te bereiken of te behouden, kunnen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen evenwel voor bepaalde soorten verbintenissen een langere periode vaststellen, onder meer door te voorzien in een jaarlijkse verlenging ervan na afloop van de eerste periode. In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten voor nieuwe verbintenissen die onmiddellijk op de periode van de eerste verbintenis aansluiten een kortere periode vaststellen in hun strategische GLB-plannen.

9.Indien in het kader van dit type interventies steun wordt verleend voor agromilieuklimaatverbintenissen, verbintenissen tot omschakeling naar of voortzetting van biologische landbouwpraktijken en -methoden als bedoeld in Verordening (EG) nr. 834/2007, en bosmilieu- en klimaatdiensten, stellen de lidstaten een betaling per hectare vast.

10.De lidstaten zorgen ervoor dat personen die in het kader van dit type interventies verrichtingen uitvoeren, toegang hebben tot de kennis en informatie die nodig zijn bij de uitvoering van zulke verrichtingen.

11.De lidstaten zorgen ervoor dat de interventies uit hoofde van dit artikel in overeenstemming zijn met die welke worden verleend op grond van artikel 28.

Artikel 66
Natuurlijke beperkingen of andere gebiedsspecifieke beperkingen

1.De lidstaten kunnen betalingen toekennen voor natuurlijke beperkingen of andere gebiedsspecifieke beperkingen onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen, met als doel bij te dragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1.

2.Deze betalingen worden verleend aan echte landbouwers voor gebieden die overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn aangewezen.

3.De lidstaten kunnen betalingen in het kader van dit interventietype alleen verstrekken om begunstigden geheel of gedeeltelijk te vergoeden voor de extra kosten en gederfde inkomsten met betrekking tot de natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen in het betrokken gebied.

4.Voor de berekening van de in lid 3 bedoelde extra kosten en gederfde inkomsten met betrekking tot natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen wordt een vergelijking gemaakt met gebieden die niet met natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen worden geconfronteerd.

5.De betalingen worden jaarlijks toegekend per hectare areaal.

Artikel 67
Gebiedsspecifieke nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten

1.De lidstaten kunnen betalingen toekennen voor gebiedsspecifieke nadelen als gevolg van vereisten die voorvloeien uit de uitvoering van de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG of Richtlijn 2000/60/EG onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen, met als doel bij te dragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1.

2.Deze betalingen kunnen worden verleend aan landbouwers, bosbezitters en andere grondbeheerders met betrekking tot de in lid 1 bedoelde gebieden met nadelen.

3.Bij de afbakening van gebieden met nadelen kunnen de lidstaten de volgende gebieden opnemen:

(a)overeenkomstig de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG aangewezen Natura 2000-landbouwgebieden en Natura 2000-bosbouwgebieden;

(b)andere afgebakende natuurbeschermingsgebieden met specifieke beperkingen op milieugebied voor landbouw of bossen, die bijdragen tot de uitvoering van artikel 10 van Richtlijn 92/43/EEG, op voorwaarde dat deze gebieden niet groter zijn dan 5 % van de oppervlakte van de aangewezen Natura 2000-gebieden die onder de territoriale reikwijdte van elk strategisch GLB-plan vallen;

(c)landbouwgebieden die zijn opgenomen in stroomgebiedsbeheersplannen op grond van Richtlijn 2000/60/EG;

4.De lidstaten kunnen betalingen in het kader van dit interventietype alleen verstrekken om begunstigden geheel of gedeeltelijk te vergoeden voor de extra kosten en de gederfde inkomsten met betrekking tot de gebiedsspecifieke nadelen in het betrokken gebied.

5.De in lid 4 bedoelde extra kosten en gederfde inkomsten worden berekend:

(a)ten aanzien van de beperkingen als gevolg van de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG, in verband met nadelen die voortvloeien uit voorschriften die verder gaan dan de relevante in hoofdstuk I, afdeling 2, van deze titel van deze verordening vastgestelde normen voor een goede landbouw- en milieuconditie en de overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van deze verordening vastgestelde voorwaarden voor de instandhouding van het landbouwareaal;

(b)ten aanzien van de beperkingen als gevolg van Richtlijn 2000/60/EG, in verband met nadelen die voortvloeien uit voorschriften die verder gaan dan de relevante uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, met uitzondering van RBE 2 als bedoeld in bijlage III, en normen voor een goede landbouw- en milieuconditie die zijn vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk I, afdeling 2, van deze titel, en de overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van deze verordening vastgestelde voorwaarden voor de instandhouding van het landbouwareaal.

6.De betalingen worden jaarlijks toegekend per hectare land.

Artikel 68
Investeringen

1.De lidstaten kunnen steun voor investeringen verstrekken onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.De lidstaten kunnen steun in het kader van dit type interventies alleen verstrekken voor materiële en/of immateriële investeringen, die bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 6. Steun voor de bosbouwsector wordt gebaseerd op een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument.

3.De lidstaten stellen een lijst op van niet-subsidiabele investeringen en uitgavencategorieën, waaronder ten minste de volgende:

(a)aankoop van landbouwproductierechten;

(b)aankoop van betalingsrechten;

(c)aankoop van grond, met uitzondering van aankoop van grond ten behoeve van milieubehoud of grond die door jonge landbouwers wordt aangekocht met behulp van financiële instrumenten;

(d)aankoop van dieren en zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen alsook het planten daarvan, anders dan ten behoeve van het herstel van het landbouw- of bosbouwpotentieel na natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen;

(e)rente op schulden, behalve met betrekking tot subsidies verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen;

(f)investeringen in irrigatie die niet verenigbaar zijn met het bereiken van een goede toestand van waterlichamen, als vastgesteld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG, met inbegrip van uitbreiding van irrigatiegebieden met betrekking tot waterlichamen waarvan de toestand als minder dan goed is aangemerkt in het betrokken stroomgebiedsbeheersplan;

(g)investeringen in grote infrastructuurprojecten die geen deel uitmaken van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën;

(h)investeringen in bebossing die niet verenigbaar zijn met de klimaat- en milieudoelstellingen overeenkomstig de beginselen van duurzaam bosbeheer, zoals ontwikkeld in het kader van de pan-Europese richtsnoeren voor bebossing en herbebossing.

De bepalingen onder a), b), d) en g), van de eerste alinea zijn niet van toepassing wanneer steun wordt verleend in de vorm van financiële instrumenten.

4.De lidstaten beperken de steun tot maximaal 75 % van de subsidiabele kosten.

Het maximale steunpercentage kan worden verhoogd voor de volgende investeringen:

a)bebossing en niet-productieve investeringen die verband houden met de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f);

b)investeringen in basisdiensten in plattelandsgebieden;

c)investeringen in het herstel van het landbouw- of bosbouwpotentieel na natuurrampen of rampzalige gebeurtenissen en investeringen in passende preventieve acties in bossen en op het platteland.

Artikel 69
Vestiging van jonge landbouwers en het opstarten van plattelandsbedrijven

1.De lidstaten kunnen steun toekennen voor de vestiging van jonge landbouwers en het opstarten van plattelandsbedrijven onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen, met als doel bij te dragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6.

2.De lidstaten kunnen steun in het kader van dit type interventies alleen verstrekken voor de bevordering van:

(a)de vestiging van jonge landbouwers die voldoen aan de voorwaarden van de definitie in artikel 4, lid 1, onder e);

(b)het opstarten van plattelandsbedrijven die verband houden met land- en bosbouw of inkomensdiversificatie voor landbouwhuishoudens;

(c)het opstarten van niet-landbouwactiviteiten in plattelandsgebieden, als onderdeel van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën.

3.De lidstaten stellen voorwaarden vast voor de indiening en de inhoud van bedrijfsplannen.

4.De lidstaten verstrekken de steun in de vorm van vaste bedragen. De steun bedraagt maximaal 100 000 EUR en kan worden gecombineerd met financiële instrumenten.

Artikel 70
Risicobeheersinstrumenten

1.De lidstaten verstrekken steun voor risicobeheersinstrumenten onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.De lidstaten verstrekken steun in het kader van dit interventietype met het oog op de bevordering van risicobeheersinstrumenten, die echte landbouwers helpen bij het beheer van de met hun landbouwactiviteiten verband houdende productie- en inkomensrisico's waarover zij geen controle hebben en die bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6.

3.De lidstaten kunnen in het bijzonder de volgende steun verstrekken:

(a)financiële bijdragen aan premies voor verzekeringen;

(b)financiële bijdragen aan onderlinge fondsen, met inbegrip van de administratieve kosten voor het opzetten ervan;

4.De lidstaten bepalen de volgende subsidiabiliteitsvoorwaarden:

(a)de soorten subsidiabele verzekeringen en onderlinge fondsen en de dekking ervan;

(b)de methode voor de berekening van verliezen en factoren die aanleiding geven tot compensatie;

(c)de regels voor de oprichting en het beheer van de onderlinge fondsen.

5.De lidstaten zorgen ervoor dat alleen steun wordt verstrekt voor verliezen van ten minste 20 % van de gemiddelde jaarproductie of het gemiddelde jaarinkomen van de landbouwer in de laatste drie jaar of de gemiddelde jaarproductie of het gemiddelde inkomen van drie van de laatste vijf jaar, het hoogste en het laagste inkomen niet meegerekend.

6.De lidstaten beperken de steun tot maximaal 70 % van de subsidiabele kosten.

7.De lidstaten zorgen ervoor dat overcompensatie als gevolg van de combinatie van de in dit artikel bedoelde interventies met andere publieke en particuliere risicobeheerregelingen, wordt vermeden.

Artikel 71
Samenwerking

1.De lidstaten kunnen steun verstrekken voor samenwerking onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen ter voorbereiding en uitvoering van projecten van operationele groepen van het Europees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 114 en van Leader, in artikel 25 van Verordening (EU) [CPR] vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling genoemd, evenals ter bevordering van kwaliteitsregelingen, producentenorganisaties of andere vormen van samenwerking.

2.De lidstaten kunnen steun in het kader van dit type interventies alleen verstrekken om vormen van samenwerking te bevorderen waarbij ten minste twee entiteiten betrokken zijn en die bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6.

3.De lidstaten kunnen in het kader van dit interventietype de kosten dekken die verband houden met alle aspecten van de samenwerking.

4.De lidstaten kunnen de steun verlenen als een totaalbedrag dat de kosten dekt van de samenwerking en van de uitgevoerde projecten en verrichtingen, of kunnen alleen de kosten voor de samenwerking dekken en voor de projectuitvoering middelen uit andere interventietypes, nationale of uniale steuninstrumenten gebruiken.

5.Indien de steun als totaalbedrag wordt uitgekeerd, zorgen de lidstaten ervoor dat de Unieregels en -vereisten met betrekking tot soortgelijke acties die onder andere interventietypes vallen, in acht worden genomen. Dit lid is niet van toepassing op Leader, in artikel 25 van Verordening (EU) [CPR] vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling genoemd.

6.De lidstaten verlenen in het kader van dit type interventies geen steun voor samenwerking waarbij alleen onderzoeksinstanties betrokken zijn.

7.In het geval van samenwerking in het kader van de opvolging van een landbouwbedrijf kunnen lidstaten alleen steun verlenen aan landbouwers die de pensioenleeftijd hebben bereikt, zoals die is vastgesteld in de nationale wetgeving.

8.De lidstaten beperken de steun tot maximaal zeven jaar, uitgezonderd voor collectieve milieu- en klimaatacties in naar behoren gemotiveerde gevallen, om de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen te bereiken die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f).

Artikel 72
Kennisuitwisseling en informatie

1.De lidstaten kunnen steun toekennen voor kennisuitwisseling en informatie in landbouw-, bosbouw- en plattelandsbedrijven onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen.

2.In het kader van dit type interventies kunnen de lidstaten de kosten dekken voor alle relevante acties die gericht zijn op de bevordering van innovatie, de toegang tot opleiding en advies, en de uitwisseling en verspreiding van kennis en informatie die bijdraagt tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6.

3.De lidstaten beperken de steun tot maximaal 75 % van de subsidiabele kosten.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten, in het geval van de oprichting van bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw, steun verstrekken in de vorm van een vast bedrag van maximaal 200 000 EUR.

4.In afwijking van lid 3 kunnen de lidstaten, in ultraperifere gebieden en in andere naar behoren gemotiveerde gevallen, een hoger percentage of een hoger bedrag toepassen dan is vastgelegd in dat lid, om de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6 te verwezenlijken.

5.In het geval van steun voor de oprichting van bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw zien de lidstaten erop toe dat de steun in de tijd beperkt is.

6.De lidstaten waarborgen dat acties uit hoofde van dit type interventies gebaseerd zijn op en in overeenstemming zijn met de beschrijving van het AKIS in het strategisch GLB-plan overeenkomstig artikel 102, onder a), i).

Afdeling 2
Elementen die voor verscheidene interventietypes gelden

Artikel 73
Selectie van verrichtingen

1.De beheersautoriteit van het strategisch GLB-plan of andere aangewezen intermediaire instanties stellen na raadpleging van het in artikel 111 bedoelde monitoringcomité selectiecriteria vast voor interventies die betrekking hebben op een of meer van de volgende interventietypes: investeringen, vestiging van jonge landbouwers en het opstarten van plattelandsbedrijven, samenwerking, kennisuitwisseling en informatie. Deze selectiecriteria staan borg voor de gelijke behandeling van de aanvragers, voor een beter gebruik van de financiële middelen en voor het afstemmen van de steun overeenkomstig het doel van de interventies.

De lidstaten kunnen besluiten geen selectiecriteria toe te passen voor investeringsinterventies die duidelijk zijn gericht op milieudoelen of worden uitgevoerd in verband met herstelactiviteiten.

2.De verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit als vastgesteld in lid 1 doet geen afbreuk aan de taken van de plaatselijke actiegroepen als vastgesteld in artikel 27 van Verordening (EU) [CPR].

3.Lid 1 is niet van toepassing wanneer steun wordt verleend in de vorm van financiële instrumenten.

4.Er worden geen selectiecriteria vastgesteld voor verrichtingen die een certificaat "Excellentiekeur" hebben ontvangen in het kader van Horizon 2020 of Horizon Europa, of die zijn geselecteerd in het kader van LIFE+, op voorwaarde dat zulke verrichtingen in overeenstemming zijn met het strategisch GLB-plan.

5.Verrichtingen die fysiek zijn afgerond of volledig zijn uitgevoerd vóór de financieringsaanvraag in het kader van het strategisch GLB-plan is ingediend, worden niet geselecteerd voor steun, ongeacht of alle betrokken betalingen zijn verricht.

Artikel 74
Algemene regels voor financiële instrumenten

1.Indien steun in het kader van de interventietypes uit dit hoofdstuk wordt verleend in de vorm van financiële instrumenten als vastgelegd in artikel 52 van Verordening (EU) [CPR], zijn de definities van "financieel instrument", "financieel product", "eindontvanger", "holdingfonds", "specifiek fonds", "hefboomeffect", "multiplicatorratio", beheerskosten" en "beheersvergoedingen" als vastgelegd in artikel 2 van Verordening (EU) [CPR] en de bepalingen van titel V, hoofdstuk II, afdeling 2, van die verordening van toepassing.

Ook zijn de in de leden 2 tot en met 5 vastgelegde bepalingen van toepassing.

2.Indien steun in het kader van de interventietypes uit dit hoofdstuk wordt verleend in de vorm van financiële instrumenten als vastgelegd in artikel 52 van Verordening (EU) [CPR], leven de lidstaten de in de volgende leden vastgestelde vereisten na.

3.Overeenkomstig artikel 52, lid 2, van Verordening (EU) [CPR] en in afwijking van artikel 62, lid 2, van deze verordening, kan werkkapitaal, op zichzelf staand of als onderdeel van een verrichting, als een subsidiabele uitgave worden beschouwd.

Voor activiteiten die binnen de werkingssfeer van artikel 42 VWEU vallen, kan werkkapitaal als een subsidiabele uitgave worden beschouwd met een brutosubsidie-equivalent van ten hoogste 200 000 EUR over een periode van drie begrotingsjaren, onverminderd de steunpercentages die in deze verordening zijn vastgesteld.

4.Wanneer een verrichting een combinatie van steun krijgt in de vorm van financiële instrumenten en subsidies, is het toepasselijke maximale steunpercentage van toepassing op de gecombineerde steun verleend voor de verrichting en bedragen de door de lidstaat gedeclareerde subsidiabele uitgaven niet meer dan 100 % van de subsidiabele kosten van de verrichting.

5.De subsidiabele uitgaven voor een financieel instrument zijn het totaalbedrag aan bijdragen van het strategisch GLB-plan die door het financiële instrument binnen de subsidiabiliteitsperiode zijn betaald, of in het geval van garanties, zijn gereserveerd zoals overeengekomen in garantiecontracten, waarbij dat bedrag overeenkomt met:

(a)betalingen aan, of ten voordele van eindontvangers, in geval van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen;

(b)middelen die gereserveerd zijn zoals overeengekomen in garantiecontracten, ongeacht of ze nog uitstaan of reeds verlopen zijn, om aan mogelijke aanspraken op garanties voor verliezen te kunnen voldoen, berekend op grond van een multiplicatorratio dat een meervoudig bedrag dekt van onderliggende uitgekeerde nieuwe leningen of investeringen in eigen vermogen van eindontvangers;

(c)betalingen aan, of ten voordele van eindontvangers, wanneer financiële instrumenten worden gecombineerd met een andere bijdrage van de Unie in één enkel financieel instrument overeenkomstig artikel 52, lid 5, van Verordening (EU) [CPR];

(d)betalingen van beheersvergoedingen en vergoedingen van de beheerskosten betaald door de instanties die het financiële instrument implementeren.

Voor de toepassing van dit lid, onder b), wordt de multiplicatorratio vastgesteld in een prudente voorafgaande risicobeoordeling en overeengekomen in de betrokken financieringsovereenkomst. De multiplicatorratio kan worden herzien indien latere veranderingen van de marktomstandigheden dat rechtvaardigen. Zulke herziening heeft geen terugwerkende kracht.

Voor de toepassing van dit lid, onder d), zijn de beheersvergoedingen prestatiegericht. Indien een instantie die een holdingfonds en/of specifieke fondsen uitvoert, overeenkomstig artikel 53, lid 3, van Verordening (EU) [CPR], wordt geselecteerd door middel van een rechtstreekse gunning van een opdracht, is het bedrag van de aan deze instantie betaalde beheerskosten en -vergoedingen dat kan worden gedeclareerd als subsidiabele uitgave onderworpen aan een drempel van [5 %] van het totaalbedrag van bijdragen van het strategisch GLB-plan die zijn uitbetaald aan eindontvangers in de vorm van leningen, investeringen in eigen vermogen, investeringen in quasi-eigenvermogen of in garantiecontracten overeengekomen gereserveerde bedragen.

Deze drempel is niet van toepassing wanneer de instanties die de financiële instrumenten uitvoeren door middel van een openbare aanbesteding zijn geselecteerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, en de concurrerende aanbesteding de noodzaak van hogere beheerskosten en -vergoedingen aantoont.

Afsluitprovisies die geheel of gedeeltelijk aan de eindontvangers worden berekend, gelden niet als subsidiabele uitgave.

Artikel 75
Gebruik van het Elfpo via of gecombineerd met InvestEU

1.Overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) [CPR] en de vereisten in dit artikel mogen de lidstaten in het strategisch GLB-plan het bedrag toewijzen dat wordt verstrekt uit hoofde van InvestEU. Het uit hoofde van InvestEU te verstrekken bedrag bedraagt niet meer dan 5 % van de totale Elfpo-toewijzing, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen. Het strategisch GLB-plan vermeldt de motivering voor het gebruik van de begrotingsgaranties van InvestEU.

In aanvulling op de in de eerste alinea bedoelde toewijzingen kunnen de lidstaten een deel van de in artikel 112 vermelde technische bijstand toewijzen aan InvestEU voor de overeenkomstige InvestEU-bijstand voor activiteiten die zijn vermeld in de bijdrageovereenkomst als bedoeld in artikel 9 van de [InvestEU-Verordening].

2.De verzoeken tot wijziging van een strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 107 mogen alleen betrekking hebben op middelen voor toekomstige jaren worden.

Middelen van 2026 en 2027 worden niet gebruikt voor toewijzingen uit hoofde van lid 1.

3.Het in lid 1, eerste alinea, bedoelde bedrag wordt gebruikt voor de voorziening van het deel van de EU-garantie in het compartiment van de lidstaat.

4.Indien uiterlijk op 31 december 2021 geen bijdrageovereenkomst, als vermeld in artikel [9] van de [InvestEU-verordening] is gesloten voor een in lid 1 bedoeld bedrag, dient de lidstaat een verzoek tot wijziging van het strategisch GLB-plan in overeenkomstig artikel 107, teneinde gebruik te maken van het desbetreffende bedrag.

De bijdrageovereenkomst voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in het verzoek tot wijziging van een strategisch GLB-plan, wordt gelijktijdig met de goedkeuring van het besluit tot wijziging van het GLB-plan gesloten.

5.Indien binnen [negen] maanden na de goedkeuring van de bijdrageovereenkomst geen garantieovereenkomst, als omschreven in artikel [9] van de [InvestEU-verordening], is gesloten voor een in lid 1 bedoeld bedrag, worden de respectieve bedragen die naar het gemeenschappelijk voorzieningsfonds zijn overgemaakt als voorziening, terug overgedragen naar het strategisch GLB-plan, en dient de lidstaat een overeenkomstig verzoek tot wijziging van zijn strategisch GLB-plan in.

6.Indien een garantieovereenkomst binnen [vier jaar] na de ondertekening ervan, als omschreven in artikel [9] van de [InvestEU-verordening], niet volledig is geïmplementeerd, kunnen de lidstaten verzoeken dat bedragen die zijn vastgelegd in de garantieovereenkomst maar geen onderliggende leningen of andere risicodragende instrumenten dekken, worden behandeld overeenkomstig lid 5.

7.De middelen die worden gegenereerd door of toe te rekenen zijn aan de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU en verstrekt door middel van begrotingsgaranties, worden ter beschikking gesteld aan de lidstaat en gebruikt voor terugbetaalbare vormen van steun overeenkomstig het strategisch GLB-plan.

Artikel 76
Deugdelijkheid en nauwkeurigheid van de betalingsberekening

Indien steun wordt verleend op basis van extra kosten en gederfde inkomsten overeenkomstig de artikelen 65, 66 en 67, zorgen de lidstaten ervoor dat de betrokken berekeningen deugdelijk en nauwkeurig zijn en op voorhand zijn vastgesteld op basis van een eerlijke, evenwichtige en verifieerbare berekeningsmethode. Hiertoe voert een instantie die functioneel onafhankelijk is van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het strategisch GLB-plan en die over de nodige deskundigheid beschikt, de berekeningen uit of bevestigt ze de deugdelijkheid en de nauwkeurigheid ervan.

Artikel 77
Vereenvoudigde kostenopties

1.Onverminderd de artikelen 65, 66, 67 en 69, kan de in het kader van dit hoofdstuk verleende steun de volgende vormen aannemen:

(a)vergoeding van de subsidiabele kosten die een begunstigde daadwerkelijk heeft gemaakt;

(b)eenheidskosten;

(c)vaste bedragen;

(d)financiering volgens een vast percentage.

2.De bedragen voor de in lid 1, onder b), c) en d), genoemde vormen van subsidies worden vastgesteld op één van de hierna genoemde manieren:

(a)een eerlijke, billijke en verifieerbare berekeningsmethode op basis van:

i) statistische gegevens, andere objectieve informatie of een deskundig oordeel; of

ii) de geverifieerde historische gegevens van individuele begunstigden; of

iii) de toepassing van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van individuele begunstigden;

(b)ontwerpbegrotingen;

(c)conform de voorschriften voor de toepassing van overeenkomstige eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages die van toepassing zijn voor beleidsmaatregelen van de Unie voor soortgelijke soorten verrichtingen;

(d) conform de voorschriften voor de toepassing van overeenkomstige eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages die worden toegepast op grond van regelingen voor volledig door de lidstaat gefinancierde subsidies voor een soortgelijke soort verrichtingen.

Artikel 78
Gedelegeerde bevoegdheden voor de vaststelling van aanvullende vereisten voor interventietypes voor plattelandsontwikkeling

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening met voorschriften die een aanvulling vormen op die welke in dit hoofdstuk zijn vastgesteld betreffende de voorwaarden voor het verlenen van steun voor de volgende interventietypes voor plattelandsontwikkeling:

(a)beheersverbintenissen als bedoeld in artikel 65;

investeringen als bedoeld in artikel 68;

samenwerking als bedoeld in artikel 71.

TITEL IV
FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 79
ELGF- en Elfpo-uitgaven

1.Het ELGF financiert de interventietypes met betrekking tot:

(a)de in artikel 14 vervatte rechtstreekse betalingen;

(b)de in titel III, hoofdstuk III vervatte sectorale interventies.

2.Het Elfpo financiert de interventietypes als bedoeld in titel III, hoofdstuk IV.

Artikel 80
Subsidiabiliteit van de uitgaven

1.Uitgaven komen in aanmerking voor een bijdrage uit het ELGF en het Elfpo vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het strategisch GLB-plan door de Commissie is goedgekeurd.

2.Als uitgaven subsidiabel worden doordat een strategisch GLB-plan wordt gewijzigd, komen zij pas in aanmerking voor een bijdrage uit het Elfpo vanaf de datum waarop het verzoek tot wijziging bij de Commissie is ingediend.

In afwijking van artikel 73, lid 5, en de eerste alinea van dit lid, kan in het geval van noodmaatregelen wegens natuurrampen, rampzalige gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden of een plotse, ingrijpende wijziging van de sociaaleconomische omstandigheden in de lidstaat of regio, in het strategisch GLB-plan worden bepaald dat uit het Elfpo gefinancierde uitgaven in verband met wijzigingen van het plan subsidiabel zijn vanaf de datum waarop de gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

3.Uitgaven komen in aanmerking voor een bijdrage uit het Elfpo als zij zijn gedaan door een begunstigde en uiterlijk op 31 december [2029] zijn betaald. Uitgaven komen bovendien alleen voor een bijdrage uit het Elfpo in aanmerking als de desbetreffende steun uiterlijk op 31 december [2029] werkelijk door het betaalorgaan is betaald.

Artikel 81
Financiële toewijzingen voor interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen

1.Onverminderd artikel 15 van Verordening (EU) [HzR], mag het totale bedrag voor interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen dat met betrekking tot een kalenderjaar in een lidstaat kan worden toegekend uit hoofde van titel III, hoofdstuk II, van deze verordening, de in bijlage IV vastgelegde financiële toewijzing van die lidstaat niet overschrijden.

Onverminderd artikel 15 van Verordening (EU) [HzR], mag het maximumbedrag dat met betrekking tot een kalenderjaar in een lidstaat kan worden toegekend uit hoofde van titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 2, van deze verordening, voorafgaand aan de uitvoering van artikel 15 van deze verordening, de in bijlage VI vastgelegde financiële toewijzing van die lidstaat niet overschrijden.

Voor de toepassing van artikel 86, lid 5, is de in de eerste alinea bedoelde financiële toewijzing van een lidstaat na aftrek van de in bijlage VI vastgelegde bedragen en vóór overdrachten overeenkomstig artikel 15, vastgelegd in bijlage VII.

2.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in de bijlagen IV en VII vastgelegde toewijzingen van de lidstaten om rekening te houden met het totale maximumbedrag aan rechtstreekse betalingen dat mag worden toegekend, met inbegrip van de overdrachten als bedoeld in de artikelen 15 en 90, de overdrachten van financiële toewijzingen als bedoeld in artikel 82, lid 5, en de verlagingen die nodig zijn voor de financiering van interventietypes in andere sectoren als bedoeld in artikel 82, lid 6.

In afwijking van de eerste alinea worden overdrachten overeenkomstig artikel 15 buiten beschouwing worden gelaten bij de aanpassing van bijlage VII.

3.Het bedrag van de indicatieve financiële toewijzingen per interventie als bedoeld in artikel 88 voor de interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen als vastgelegd in artikel 14, dat in een lidstaat zal worden toegekend met betrekking tot een kalenderjaar, mag de in bijlage IV vastgelegde toewijzing van die lidstaat overschrijden met het in het strategisch GLB-plan opgenomen geraamde bedrag van de verlaging van betalingen als bedoeld in artikel 100, lid 2, onder d), tweede alinea.

Artikel 82
Financiële toewijzingen voor bepaalde sectorale interventietypes

1.De financiële steun van de Unie voor interventietypes in de wijnsector wordt aan de lidstaten toegewezen overeenkomstig bijlage V.

2.De financiële steun van de Unie voor interventietypes in de bijenteeltsector wordt aan de lidstaten toegewezen overeenkomstig bijlage VIII.

3.De financiële steun van de Unie die aan Duitsland wordt toegewezen voor interventietypes in de hopsector bedraagt 2 188 000 EUR per jaar.

4.De financiële steun van de Unie voor interventietypes in de sector olijfolie en tafelolijven wordt als volgt toegewezen:

(a)10 666 000 EUR per jaar voor Griekenland;

(b)554 000 EUR per jaar voor Frankrijk; en

(c)34 590 000 EUR per jaar voor Italië.

5.De betrokken lidstaten kunnen in hun strategische GLB-plannen besluiten de totale financiële toewijzingen als bedoeld in de leden 3 en 4 over te dragen naar hun toewijzingen voor rechtstreekse betalingen. Dat besluit kan niet worden herzien.

De financiële toewijzingen van de lidstaten die zijn overgedragen aan de toewijzingen voor rechtstreekse betalingen zijn niet meer beschikbaar voor de interventietypes als bedoeld in de leden 3 en 4.

6.De lidstaten kunnen in hun strategische GLB-plannen beslissen om ten hoogste 3 % van de toewijzingen voor rechtstreekse betalingen van de lidstaten in bijlage IV, na aftrek van de voor katoen beschikbare bedragen in bijlage VI, te gebruiken voor interventietypes in andere sectoren als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, afdeling 7.

7.De lidstaten kunnen in 2023 hun in lid 6 bedoelde beslissing herzien als onderdeel van een verzoek tot wijziging van hun strategische GLB-plannen, als bedoeld in artikel 107.

8.De in het goedgekeurde strategisch GLB-plan vastgelegde bedragen die voortvloeien uit de toepassing van de leden 6 en 7 zijn bindend in de betrokken lidstaat.

Artikel 83
Financiële toewijzingen voor interventietypes voor plattelandsontwikkeling

1.Het totale bedrag van de steun van de Unie voor interventietypes voor plattelandsontwikkeling in het kader van deze verordening voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027 bedraagt 78 811 miljoen EUR in lopende prijzen, overeenkomstig het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021 tot en met 2027 38 .

2.0,25 % van de in lid 1 bedoelde middelen worden besteed aan de financiering van de op initiatief van de Commissie uitgevoerde activiteiten in verband met technische bijstand als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EU) [HzR], waaronder het Europees netwerk voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid als bedoeld in artikel 113, lid 2, van deze verordening en het Europees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 114 van deze verordening. Zulke activiteiten kunnen betrekking hebben op voorgaande en volgende perioden van het strategisch GLB-plan.

3.De jaarlijkse uitsplitsing per lidstaat van de in lid 1 genoemde bedragen, na aftrek van het in lid 2 genoemde bedrag, is vastgesteld in bijlage IX.

4.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage IX om de jaarlijkse uitsplitsing per lidstaat te herzien en daarbij rekening te houden met relevante ontwikkelingen, waaronder de in de artikelen 15 en 90 bedoelde overdrachten, om technische aanpassingen te doen zonder de algemene toewijzingen te veranderen, of teneinde rekening te houden met elke andere verandering uit hoofde van een wetgevingshandeling na vaststelling van deze verordening.

Artikel 84
Bijdrage uit het Elfpo

In de uitvoeringshandeling van de Commissie tot goedkeuring van het strategisch GLB-plan op grond van artikel 106, lid 6, wordt de maximumbijdrage uit het Elfpo aan het plan vastgesteld. De bijdrage uit het Elfpo wordt berekend op basis van het bedrag aan subsidiabele overheidsuitgaven.

Artikel 85
Elfpo-bijdragepercentages

1.In de strategische GLB-plannen wordt één Elfpo-bijdragepercentage vastgesteld dat op alle interventies van toepassing is.

2.Het maximale Elfpo-bijdragepercentage bedraagt:

(a)70 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EU) nr. 229/2013;

(b)70 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de minder ontwikkelde regio's;

(c)65 % van de subsidiabele uitgaven voor betalingen in het kader van artikel 66;

(d)43 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de overige regio's.

Het minimale Elfpo-bijdragepercentage bedraagt 20 %.

3.In afwijking van lid 2 bedraagt het maximale Elfpo-bijdragepercentage:

(a)80% voor de in artikel 65 van deze verordening bedoelde beheersverbintenissen, voor betalingen in het kader van artikel 67 van deze verordening, voor de in de artikel 68 bedoelde niet-productieve investeringen, voor de steun voor het Europees Innovatiepartnerschap in het kader van artikel 71 van deze verordening en voor Leader, in artikel 25 van Verordening (EU) [CPR] vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling genoemd;

(b)100 % voor verrichtingen die worden gefinancierd met middelen die aan het Elfpo zijn overgedragen op grond van de artikelen 15 en 90 van deze verordening.

Artikel 86
Minimale en maximale financiële toewijzingen
 

1.Ten minste 5 % van de totale Elfpo-bijdrage aan het strategisch GLB-plan, als vastgesteld in bijlage IX, wordt voorbehouden voor Leader, in artikel 25 van Verordening (EU) [CPR] vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling genoemd.

2.Ten minste 30 % van de totale Elfpo-bijdrage aan het strategisch GLB-plan, als vastgesteld in bijlage IX, wordt voorbehouden voor interventies die zijn gericht op de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f), van deze verordening, uitgezonderd interventies op basis van artikel 66.

De eerste alinea geldt niet voor de ultraperifere gebieden.

3.Maximaal 4 % van de totale Elfpo-bijdrage aan het strategisch GLB-plan, als vastgesteld in bijlage IX, kan worden gebruikt voor de financiering van de acties in verband met technische bijstand op initiatief van de lidstaten als bedoeld in artikel 112.

De Elfpo-bijdrage voor strategische GLB-plannen kan worden verhoogd tot 6 % indien het totale bedrag van de steun van de Unie voor plattelandsontwikkeling niet meer dan 90 miljoen EUR bedraagt.

Technische bijstand wordt vergoed volgens een vast percentage overeenkomstig artikel 125, lid 1, onder e), van Verordening (EU/Euratom …/…[nieuw Financieel Reglement] in het kader van tussentijdse betalingen op grond van artikel 30 van Verordening (EU) [HZR]. Dit vaste percentage vertegenwoordigt het in het strategisch GLB-plan vastgestelde percentage voor technische bijstand van de totale gedeclareerde uitgaven.

4.Voor elke lidstaat wordt het minimumbedrag als vastgesteld in bijlage X voorbehouden om bij te dragen aan de in artikel 6, lid 1, onder g), vastgestelde specifieke doelstelling "aantrekken van jonge landbouwers en vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling". Op basis van de analyse van de situatie wat betreft de sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen (de "SWOT"-analyse) en de identificatie van de behoeften waarin moet worden voorzien, wordt het bedrag gebruikt voor de volgende interventietypes:

(a)de aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers als vastgesteld in artikel 27;

(b)de vestiging van jonge landbouwers als bedoeld in artikel 69.

5.De indicatieve financiële toewijzingen voor de interventies in de vorm van gekoppelde inkomenssteun als bedoeld in titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 1, mogen niet meer bedragen dan 10 % van de in bijlage VII vastgestelde bedragen.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten die in overeenstemming met artikel 53, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 meer dan 13 % van hun in bijlage II van die verordening vastgelegde jaarlijkse nationale maximum hebben gebruikt als vrijwillige gekoppelde steun, besluiten om meer dan 10 % van het in bijlage VII vastgelegde bedrag te gebruiken als gekoppelde inkomenssteun. Het resulterende percentage bedraagt niet meer dan het door de Commissie goedgekeurde percentage voor vrijwillige gekoppelde steun voor het claimjaar 2018.

Het in de eerste alinea bedoelde percentage mag worden verhoogd met maximaal 2 %, mits het bedrag dat overeenstemt met het percentage dat 10 % overschrijdt, wordt toegewezen voor de steun voor eiwithoudende gewassen op grond van titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 1.

Het in het goedgekeurde strategisch GLB-plan opgenomen bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de eerste en tweede alinea is bindend.

6.Onverminderd artikel 15 van Verordening (EU) [HzR], mag het maximumbedrag dat met betrekking tot een kalenderjaar in een lidstaat kan worden toegekend uit hoofde van titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 1, van deze verordening, voorafgaand aan de uitvoering van artikel 15 van deze verordening, de in het strategisch GLB-plan vastgestelde bedragen niet overschrijden overeenkomstig lid 6.

7.De lidstaten kunnen in hun strategische GLB-plannen besluiten om een bepaald deel van de Elfpo-toewijzing te gebruiken om steun te mobiliseren en geïntegreerde strategische natuurprojecten zoals gedefinieerd in de [LIFE-Verordening] op te schalen en om acties te financieren met betrekking tot transnationale leermobiliteit voor mensen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling, waarbij de nadruk ligt op jonge landbouwers, overeenkomstig de [Erasmusverordening].

Artikel 87
Tracering van klimaatgerelateerde uitgaven

1.Op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie evalueert de Commissie de bijdrage van het beleid aan de klimaatveranderingsdoelstellingen aan de hand van een eenvoudige en gemeenschappelijke methodiek.

2.De bijdrage aan het uitgavenstreefdoel wordt geraamd door de toekenning van specifieke gewichten die verschillen naargelang de bijdrage die de steun aan de verwezenlijking van de klimaatveranderingsdoelstellingen levert aanzienlijk of matig is. Deze weging is als volgt:

(a)40 % voor de uitgaven in het kader van de basisinkomenssteun voor duurzaamheid en de aanvullende inkomenssteun als bedoeld in titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdelingen 2 en 3;

(b)100 % voor uitgaven in het kader van de regelingen voor klimaat en milieu als bedoeld in titel III, hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 4;

(c)100 % voor uitgaven voor de interventies als bedoeld in artikel 86, lid 2, eerste alinea;

(d)40 % voor uitgaven voor natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen als bedoeld in artikel 66.

Artikel 88
Indicatieve financiële toewijzingen

1.De lidstaten stellen in hun strategische GLB-plannen voor elke interventie een indicatieve financiële toewijzing vast. Voor elke interventie is de vermenigvuldiging van het geplande eenheidsbedrag, zonder toepassing van het variatiepercentage als bedoeld in artikel 89, met de geplande outputs, gelijk aan deze indicatieve financiële toewijzing.

2.Indien binnen een interventie verschillende eenheidsbedragen worden gepland, is de som van de vermenigvuldigingen van de geplande eenheidsbedragen, zonder toepassing van het variatiepercentage als bedoeld in artikel 89, met de overeenkomstige geplande outputs, gelijk aan de indicatieve financiële toewijzing als bedoeld in lid 1.

Artikel 89
Variatie van het eenheidsbedrag

1.Onverminderd de toepassing van artikel 15, bepalen de lidstaten een maximaal steunbedrag per eenheid of een variatiepercentage voor elke interventie van de volgende interventietypes:

(a)ontkoppelde rechtstreekse betalingen en gekoppelde inkomenssteun als bedoeld in titel III, hoofdstuk II;

(b)betalingen voor beheersverbintenissen als bedoeld in artikel 65;

(c)betalingen voor natuurlijke beperkingen of andere gebiedsspecifieke nadelen als bedoeld in de artikelen 66 en 67.

Het variatiepercentage is het percentage waarmee het gerealiseerde gemiddelde of uniforme eenheidsbedrag het geplande gemiddelde of uniforme eenheidsbedrag als bedoeld in het strategisch GLB-plan mag overschrijden.

Voor elke interventie in de vorm van rechtstreekse betalingen mag het gerealiseerde gemiddelde of uniforme eenheidsbedrag nooit lager zijn dan het geplande eenheidsbedrag, tenzij de gerealiseerde output de in het strategisch GLB-plan vastgestelde geplande output overschrijdt.

Indien verschillende eenheidsbedragen binnen een interventie zijn vastgesteld, is deze alinea van toepassing op elk uniform of gemiddeld eenheidsbedrag van die interventie.

2.Voor de toepassing van dit artikel wordt het gerealiseerde of uniforme eenheidsbedrag berekend door per interventie de verrichte jaarlijkse uitgaven te delen door de corresponderende gerealiseerde output.

Artikel 90
Flexibiliteit tussen toewijzingen voor rechtstreekse betalingen en Elfpo-toewijzingen

1.Als onderdeel van hun voorstel voor een strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 106, lid 1, kunnen de lidstaten besluiten de volgende percentages over te hevelen:

(a)maximaal 15 % van de toewijzing van de lidstaat voor rechtstreekse betalingen in bijlage IV, na aftrek van de toewijzingen voor katoen in bijlage VI voor de kalenderjaren 2021 – 2026, naar de Elfpo-toewijzing van de lidstaat in de begrotingsjaren 2022 – 2027; of

(b)maximaal 15 % van de Elfpo-toewijzing van de lidstaat in de begrotingsjaren 2022 – 2027, naar de toewijzing van de lidstaat voor rechtstreekse betalingen in bijlage IV voor de kalenderjaren 2021 – 2026.

Het percentage van de toewijzing van de lidstaat voor rechtstreekse betalingen dat wordt overgedragen naar de Elfpo-toewijzing als bedoeld in de eerste alinea kan worden verhoogd met:

(c)maximaal 15 procentpunten, mits de lidstaten de corresponderende verhoging gebruiken voor uit het Elfpo gefinancierde interventies gericht op de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f);

(d)maximaal 2 procentpunten, mits de lidstaten de corresponderende verhoging gebruiken overeenkomstig artikel 86, lid 4, onder b).

2.De in lid 1 bedoelde besluiten vermelden het in lid 1 bedoelde percentage, dat per kalenderjaar kan variëren.

3.De lidstaten kunnen in 2023 hun in lid 1 bedoelde beslissing herzien als onderdeel van een verzoek tot wijziging van hun strategische GLB-plannen, als bedoeld in artikel 107.

TITEL V
STRATEGISCH GLB-PLAN

HOOFDSTUK 1
ALGEMENE VEREISTEN

Artikel 91
Strategische GLB-plannen

De lidstaten stellen overeenkomstig deze verordening strategische GLB-plannen op om de uit het ELGF en het Elfpo gefinancierde steun van de Unie te implementeren en de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6 te verwezenlijken.

Op basis van de SWOT-analyse als bedoeld in artikel 103, lid 2, en een beoordeling van de behoeften als bedoeld in artikel 96, bepaalt de lidstaat in de strategische GLB-plannen een interventiestrategie als bedoeld in artikel 97, waarbij de streefcijfers en mijlpalen worden bepaald teneinde de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6 te verwezenlijken. De streefcijfers worden bepaald aan de hand van een gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren, als vastgelegd in bijlage I.

Om deze streefcijfers te halen, stellen de lidstaten interventies vast op basis van de interventietypes in titel III.

Elk strategisch GLB-plan beslaat de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.

Artikel 92
Meer ambitie met betrekking tot de milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen

1.De lidstaten zetten zich in om door middel van hun strategische GLB-plannen en in het bijzonder de elementen van de interventiestrategie die zijn bedoeld in artikel 97, lid 2, onder a), een grotere algehele bijdrage te leveren tot de verwezenlijking van de milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f), dan de totale bijdrage die in de periode 2014 tot en met 2020 is geleverd tot de verwezenlijking van de doelstelling in artikel 110, lid 2, eerste alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 door middel van steun in het kader van het ELGF en het Elfpo.

2.De lidstaten leggen in hun strategische GLB-plannen op basis van de beschikbare informatie uit op welke manier ze de in lid 1 vermelde grotere algehele bijdrage willen bereiken. Die uitleg wordt gebaseerd op relevante informatie, waaronder de elementen die zijn genoemd in artikel 95, lid 1, onder a) tot en met f), en artikel 95, lid 2, onder b).

Artikel 93
Architectuur van het strategisch GLB-plan

Elke lidstaat stelt één strategisch GLB-plan voor zijn gehele grondgebied op.

Wanneer elementen van het strategisch GLB-plan op regionaal niveau worden vastgesteld, zorgt de lidstaat ervoor dat die consistent zijn met de op nationaal niveau vastgestelde elementen van het strategisch GLB-plan.

Artikel 94
Procedurevereisten

1.De lidstaten ontwerpen de strategische GLB-plannen op basis van transparante procedures, in overeenstemming met hun institutionele en wettelijke kader.

2.De instantie die in de lidstaat verantwoordelijk is voor het ontwerp van het strategisch GLB-plan waarborgt dat de bevoegde autoriteiten voor milieu en klimaat naar behoren worden betrokken bij de milieu- en klimaatgerelateerde aspecten van het plan.

3.Elke lidstaat organiseert een partnerschap met de bevoegde regionale en lokale autoriteiten. Bij dit partnerschap zijn ten minste de volgende partners betrokken:

(a)relevante overheidsinstanties;

(b)economische en sociale partners;

(c)de desbetreffende instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen en, waar van toepassing, de instanties die tot taak hebben sociale inclusie, grondrechten, gendergelijkheid en non-discriminatie te bevorderen.

De lidstaten betrekken deze partners bij de voorbereiding van de strategische GLB-plannen.

4.De lidstaten en de Commissie werken samen om te zorgen voor doeltreffende coördinatie bij de uitvoering van de strategische GLB-plannen, en houden daarbij rekening met de beginselen van evenredigheid en gedeeld beheer.

HOOFDSTUK II
INHOUD VAN HET STRATEGISCH GLB-PLAN

Artikel 95
Inhoud van de strategische GLB-plannen

1.Elk strategisch GLB-plan bevat de volgende delen:

(a)een beoordeling van de behoeften;

(b)een interventiestrategie;

(c)een beschrijving van de elementen die gemeenschappelijk zijn voor verschillende interventies;

(d)een beschrijving van de in de strategie gespecificeerde rechtstreekse betalingen, en sectorale en plattelandsontwikkelingsinterventies;

(e)streefcijfer- en financiële plannen;

(f)een beschrijving van het governance- en coördinatiesysteem;

(g)een beschrijving van de elementen die zorgen voor modernisering van het GLB;

(h)een beschrijving van de elementen met betrekking tot vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten voor eindbegunstigden;

2.Elk strategisch GLB-plan bevat de volgende bijlagen:

(a)bijlage I over de ex-ante-evaluatie en de strategische milieueffectbeoordeling (SMEB);

(b)bijlage II over de SWOT-analyse;

(c)bijlage III over de raadpleging van de partners;

(d)bijlage IV over de gewasspecifieke betaling voor katoen;

(e)bijlage V over de aanvullende nationale financiering die wordt verstrekt in het kader van het strategisch GLB-plan.

3.De gedetailleerde regels voor de inhoud van de delen van en de bijlagen bij het strategisch GLB-plan als bedoeld in de leden 1 en 2 worden vastgesteld in de artikelen 96 tot en met 103.

Artikel 96
Beoordeling van de behoeften

De in artikel 95, lid 1, onder a), bedoelde beoordeling van de behoeften omvat het volgende:

(a)een samenvatting van de in artikel 103, lid 2, bedoelde SWOT-analyse;

(b)een identificatie van de behoeften voor elke in artikel 6 bedoelde specifieke doelstelling, op basis van de uit de SWOT-analyse verkregen elementen. Alle behoeften moeten worden beschreven, ongeacht of zij in het strategisch GLB-plan worden aangepakt of niet;

(c)wat betreft de specifieke doelstelling van het bieden van steun met het oog op een levensvatbaar landbouwinkomen en veerkracht als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a), een beoordeling van de behoeften inzake risicobeheer;

indien van toepassing, een analyse van de specifieke behoeften van kwetsbare geografische gebieden, zoals de ultraperifere gebieden;

(d)een prioritering en rangschikking van de behoeften, waaronder een solide motivering van de gemaakte keuzes en indien relevant, de reden waarom bepaalde geïdentificeerde behoeften niet of slechts deels worden aangepakt in het strategisch GLB-plan.

Wat betreft de specifieke milieu- en klimaatdoelstellingen als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f), wordt in de beoordeling rekening gehouden met de nationale milieu- en klimaatplannen die voortvloeien uit de in bijlage XI bedoelde wetgevingsinstrumenten.

De lidstaten maken bij deze beoordeling gebruik van de meest recente en meest betrouwbare gegevens.

Artikel 97
Interventiestrategie

1.De in artikel 95, lid 1, onder b), bedoelde interventiestrategie omvat voor elke in artikel 6, lid 1, vermelde specifieke doelstelling die in het strategisch GLB-plan wordt aangepakt:

(a)streefcijfers voor elke relevante gemeenschappelijke en, waar van toepassing, elke voor het strategisch GLB-plan specifieke resultaatindicator, en gerelateerde mijlpalen. De waarde van deze streefcijfers wordt gemotiveerd in het licht van de beoordeling van behoeften als bedoeld in artikel 96. Wat betreft de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f), worden streefcijfers afgeleid van de toelichtende elementen in lid 2, onder a) en b), van dit artikel;

(b)er worden interventies ontwikkeld op basis van de interventietypes als bedoeld in titel III, met uitzondering van de gewasspecifieke betaling voor katoen als vastgelegd in titel III, hoofdstuk II, afdeling 3, onderafdeling 2, om de specifieke situatie in het betrokken gebied aan te pakken, volgens een adequate interventielogica, en ondersteund door de in artikel 125 bedoelde ex-ante-evaluatie, de in artikel 103, lid 2, bedoelde SWOT-analyse en de in artikel 96 bedoelde beoordeling van de behoeften;

(c)elementen die aantonen hoe de interventies ervoor zorgen dat de streefcijfers kunnen worden gehaald en hoe zij onderling samenhangend en verenigbaar zijn;

(d)elementen die aantonen dat de toewijzing van de financiële middelen aan de interventies van het strategisch GLB-plan gerechtvaardigd is en volstaat om de gestelde streefcijfers te halen, en in overstemming is met het financieel plan als bedoeld in artikel 100.

2.De interventiestrategie moet ook de volgende elementen omvatten die aantonen dat de strategie, met het oog op de specifieke doelstellingen in artikel 6, lid 1, samenhangend is en de interventies complementair zijn:

(a)een overzicht van de architectuur van het strategisch GLB-plan op het gebied van milieu en klimaat, met een beschrijving van de basisvoorwaarden van en de complementariteit tussen de conditionaliteit en de verschillende interventies die zijn gericht op de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen als vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f), evenals de manier waarop de in artikel 92 bedoelde grotere algehele bijdrage moet worden bereikt;

(b)een toelichting over de manier waarop de architectuur van het strategisch GLB-plan op het gebied van milieu en klimaat moet bijdragen aan de reeds vastgestelde nationale langetermijnstreefcijfers die zijn opgenomen in of voortvloeien uit de in bijlage XI bedoelde wetgevingsinstrumenten;

(c)met betrekking tot de in artikel 6, lid 1, onder g), vastgestelde specifieke doelstelling "aantrekken van jonge landbouwers en vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling", wordt een overzicht gegeven van de in het strategisch GLB-plan opgenomen relevante interventies en specifieke voorwaarden, zoals die genoemd in artikel 22, lid 4, de artikelen 27 en 69, en artikel 71, lid 7. Bij de presentatie van het financieel plan met betrekking tot de interventietypes als bedoeld in de artikelen 27 en 69, verwijzen de lidstaten in het bijzonder naar artikel 86, lid 5. Het overzicht moet eveneens de interactie met nationale instrumenten toelichten met het oog op de verbetering van de samenhang tussen de uniale en de nationale acties op dit gebied;

(d)een overzicht van de sectorgerelateerde interventies, met inbegrip van gekoppelde inkomenssteun als bedoeld in titel III, hoofdstuk II, afdeling 3, onderafdeling 1, en de sectorale interventies als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, met een motivering van de keuze voor de betrokken sectoren, de lijst van interventies per sector, hun complementariteit en de eventuele aanvullende specifieke streefcijfers in verband met de sectorale interventietypes als bedoeld in titel III, hoofdstuk III;

(e)een toelichting over welke interventies zullen bijdragen aan een samenhangende en geïntegreerde aanpak voor risicobeheer;

(f)een beschrijving van de interactie tussen nationale en regionale interventies, met inbegrip van de verdeling van de financiële toewijzingen per interventie en per fonds.

Artikel 98
Elementen die gemeenschappelijk zijn voor verschillende interventies

De beschrijving van de elementen die gemeenschappelijk zijn voor verschillende interventies als bedoeld in artikel 95, lid 1, onder c), omvat:

(a)de definities die de lidstaten hebben geformuleerd overeenkomstig artikel 4, lid 1, alsook de minimumvereisten voor interventies in de vorm van ontkoppelde rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 16;

(b)een beschrijving van het conditionaliteitssysteem, met:

i)voor elke GLMC-norm als bedoeld in bijlage III een beschrijving van de wijze waarop de Unienorm wordt geïmplementeerd, waaronder de volgende elementen: een samenvatting van de praktijk op het landbouwbedrijf, het territoriaal toepassingsgebied, het betrokken type landbouwers, en een motivering van de bijdrage aan de hoofddoelstelling van de praktijk;

ii)een beschrijving van de algehele bijdrage aan de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f);

(c)een beschrijving van het gebruik van "technische bijstand" als bedoeld in artikel 83, lid 2, artikel 86, lid 3, en artikel 112 en van de GLB-netwerken als bedoeld in artikel 113;

(d)andere informatie over de implementatie, met name:

i)een korte beschrijving van de vaststelling van de waarde van betalingsrechten en van de werking van de reserve, in voorkomend geval;

ii)het gebruik van de geraamde opbrengst van de verlaging van de rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 15;

iii)een overzicht van de coördinatie, afbakening en complementariteit tussen het Elfpo-fonds en andere Uniefondsen die actief zijn in plattelandsgebieden;

Artikel 99
Interventies

De beschrijving van elke interventie die wordt vermeld in de strategie als bedoeld in artikel 95, lid 1, onder d), omvat:

(a)het interventietype waartoe de interventie behoort;

(b)het territoriaal toepassingsgebied;

(c)het specifieke ontwerp of de vereisten van die interventie die waarborgen dat een effectieve bijdrage wordt geleverd aan de specifieke doelstelling(en) als vastgesteld in artikel 6, lid 1. Voor milieu- en klimaatinterventies toont de koppeling met de conditionaliteitsvereisten aan dat de praktijken elkaar niet overlappen;

(d)de subsidiabiliteitsvoorwaarden;

(e)voor elke interventie die is gebaseerd op de interventietypes in bijlage II bij deze verordening, de wijze waarop de interventie voldoet aan de relevante bepalingen van bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw, als omschreven in artikel 10 van en bijlage II bij deze verordening, en voor elke interventie die niet is gebaseerd op de interventietypes in bijlage II bij deze verordening, of, en zo ja, op welke wijze de interventie voldoet aan de relevante bepalingen van artikel 6.5 van of bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw;

(f)de jaarlijkse geplande outputs voor de interventie, en in voorkomend geval, een uitsplitsing per uniform of gemiddeld steunbedrag per eenheid;

(g)het jaarlijkse geplande steunbedrag per eenheid, de motivering daarvoor, en een gemotiveerde maximale variatie van dat bedrag per eenheid als bedoeld in artikel 89. Indien van toepassing wordt ook de volgende informatie verstrekt:

i)de vorm van de steun en het steunpercentage;

ii)de berekening van het steunbedrag per eenheid en de certificering als bedoeld in artikel 76;

iii)de verschillende uniforme steunbedragen per eenheid binnen die interventie, met name voor in artikel 18, lid 2, omschreven groepen gebieden;

iv) wanneer de lidstaten besluiten het bedrag van de basisinkomenssteun per hectare te differentiëren overeenkomstig artikel 18, lid 2, voor elke groep gebieden;

(h)de resulterende jaarlijkse financiële toewijzing voor de interventie, als bedoeld in artikel 88. Indien van toepassing, wordt een uitsplitsing verstrekt van de bedragen die voor subsidies zijn gepland en de bedragen die voor financiële instrumenten zijn gepland;

(i)een vermelding of de interventie buiten het toepassingsgebied van artikel 42 VWEU valt en afhankelijk is van een staatssteunbeoordeling.

Artikel 100
Streefcijfer- en financiële plannen

1.Het in artikel 95, lid 1, onder e), bedoelde plan met streefcijfers bestaat uit een overzichtstabel met de streefcijfers als bedoeld in artikel 97, lid 1, onder a), die de uitsplitsing in jaarlijkse mijlpalen weergeeft.

2.Het in artikel 95, lid 1, onder e), bedoelde financiële plan bestaat uit tabellen die in overeenstemming zijn met artikel 99, onder f) en h), met inbegrip van:

(a)de in artikel 81, lid 1, bedoelde toewijzingen van de lidstaten voor interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen, de in artikel 82, lid 1, bedoelde sectorale interventietypes voor wijn, de in artikel 82, lid 2, bedoelde interventietypes voor de bijenteelt, en de in artikel 83, lid 3, bedoelde interventietypes voor plattelandsontwikkeling;

(b)de overdrachten van bedragen tussen interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen en interventietypes voor plattelandsontwikkeling en de verlagingen van de toewijzingen van de lidstaten voor interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen met het oog op het beschikbaar maken van bedragen voor interventietypes in andere sectoren als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, afdeling 7, overeenkomstig artikel 82, lid 6;

(c)de in artikel 82, lid 4, bedoelde toewijzingen van de lidstaat voor de sectorale interventietypes voor olijfolie en de in artikel 82, lid 3, bedoelde toewijzingen van de lidstaat voor de sectorale interventietypes voor hop, en indien de desbetreffende interventietypes niet worden geïmplementeerd, het besluit om de desbetreffende toewijzingen op te nemen in de toewijzing van de lidstaat voor rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 82, lid 5;

(d)een uitsplitsing van de toewijzingen van de lidstaten voor interventies in de vorm van rechtstreekse betalingen na overdrachten als bedoeld onder b) en c), gebaseerd op indicatieve financiële toewijzingen per interventietype en per interventie, met vermelding van de geplande outputs, het gemiddelde of uniforme eenheidsbedrag en de maximale variatie als bedoeld in artikel 89. Waar van toepassing omvat de uitsplitsing het bedrag van de reserve aan betalingsrechten.

De totale geraamde opbrengst van de verlaging van de betalingen wordt vermeld.

Rekening houdend met het gebruik van de opbrengst van de verlaging van de betalingen als bedoeld in artikel 15 en artikel 81, lid 3, worden deze indicatieve financiële toewijzingen, de bijbehorende geplande outputs en de desbetreffende gemiddelde of uniforme eenheidsbedragen vastgesteld vóór de verlaging van de betalingen;

(e)een uitsplitsing van de toewijzingen voor de in titel III, hoofdstuk III, afdeling 7, bedoelde sectorale interventietypes per interventie, met vermelding van de geplande outputs en het gemiddelde eenheidsbedrag;

(f)een uitsplitsing van de toewijzingen van de lidstaten voor plattelandsontwikkeling na overdrachten naar en van rechtstreekse betalingen als bedoeld onder b), per interventietype en per interventie, met inbegrip van de totalen voor de periode en met vermelding van het toepasselijke Elfpo-bijdragepercentage, waar van toepassing uitgesplitst naar interventie en naar regiotype. In het geval van overdrachten van middelen van rechtstreekse betalingen, wordt vermeld welke interventie(s) of onderdelen van interventies met de overdrachten wordt (worden) gefinancierd. De tabel vermeldt ook de geplande outputs per interventie en de gemiddelde of uniforme eenheidsbedragen, alsmede een uitsplitsing van de bedragen die voor subsidies zijn gepland en de bedragen die voor financiële instrumenten zijn gepland. De bedragen voor technische bijstand worden eveneens vermeld;

(g)opgaven van de interventies die bijdragen aan de minimumfinancieringsvereisten van artikel 86.

De in dit lid bedoelde elementen worden vastgesteld per jaar.

Artikel 101
Governance- en coördinatiesystemen

De in artikel 95, lid 1, onder f), bedoelde beschrijving van de governance- en coördinatiesystemen omvat:

(a)de identificatie van alle in titel II, hoofdstuk II, van Verordening (EU) [HzR] bedoelde governance-instanties;

(b)de identificatie en de rol van gedelegeerde en intermediaire instanties die niet in Verordening (EU) [HzR] worden vermeld;

(c)informatie over de in titel IV van Verordening (EU) [HzR] bedoelde controlesystemen en sancties, met inbegrip van:

i)het in titel IV, hoofdstuk II, van Verordening (EU) [HzR] bedoelde geïntegreerd beheers- en controlesysteem;

ii)het in titel IV, hoofdstuk IV, van Verordening (EU) [HzR] bedoelde controle- en sanctiesysteem;

iii)de bevoegde controle-instanties die verantwoordelijk zijn voor de controles;

(d)een beschrijving van de monitoring- en rapportagestructuur.

Artikel 102
Modernisering

De in artikel 95, lid 1, onder g), bedoelde beschrijving van de elementen die zorgen voor modernisering van het GLB benadrukt de elementen van het strategisch GLB-plan die de modernisering van de landbouwsector en het GLB ondersteunen en omvat in het bijzonder:

(a)een overzicht van de manier waarop het strategisch GLB-plan bijdraagt aan de algemene horizontale doelstelling inzake het stimuleren en delen van kennis, innovatie en digitalisering en het bevorderen van het gebruik daarvan als vastgesteld in artikel 5, tweede alinea, met name via:

i)een beschrijving van de organisatiestructuur van het AKIS, dat wordt opgevat als de combinatie van de organisatie van en de kennisstromen tussen personen, organisaties en instellingen die kennis voor de landbouw en aanverwante gebieden gebruiken en produceren;

ii)een beschrijving van de manier waarop de artikel 13 bedoelde adviesdiensten, onderzoeks- en GLB-netwerken samenwerken binnen het AKIS-kader en hoe advies- en innovatieondersteuningsdiensten worden verstrekt;

een beschrijving van de strategie voor de ontwikkeling van digitale technologieën in de landbouw en in plattelandsgebieden en voor het gebruik van deze technologieën met het oog op de verbetering van de doeltreffendheid en de efficiëntie van de interventies uit het strategisch GLB-plan.

Artikel 103
Bijlagen

1.Bijlage I bij het strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 95, lid 2, onder a), bevat een samenvatting van de belangrijkste resultaten van de ex-ante-evaluatie als bedoeld in artikel 125 en van de SMEB als bedoeld in Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad 39 , en de manier waarop die zijn aangepakt of de reden waarom er geen rekening mee is gehouden, alsmede een link naar de volledige verslagen van de ex-ante-evaluatie en de SMEB.

2.Bijlage II bij het strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 95, lid 2, onder b), bevat een SWOT-analyse van de huidige situatie van het gebied dat onder het strategisch GLB-plan valt.

De SWOT-analyse wordt gebaseerd op de huidige situatie in het gebied dat onder het strategisch GLB-plan valt en omvat voor elke specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 6, lid 1, een alomvattende beschrijving van de huidige situatie in het voorgenoemde gebied, op basis van gemeenschappelijke contextindicatoren en andere kwantitatieve en kwalitatieve actuele informatie zoals studies, eerdere evaluatieverslagen, sectorale analyse, en lessen die uit eerdere ervaringen zijn getrokken.

In deze beschrijving wordt daarnaast met betrekking tot elke algemene en specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 5 en artikel 6, lid 1, met name het volgende benadrukt:

(a)geïdentificeerde sterke punten in het gebied waarop het strategisch GLB-plan betrekking heeft;

(b)geïdentificeerde zwakke punten in het gebied waarop het strategisch GLB-plan betrekking heeft;

(c)geïdentificeerde kansen in het gebied waarop het strategisch GLB-plan betrekking heeft;

(d)geïdentificeerde bedreigingen in het gebied waarop het strategisch GLB-plan betrekking heeft;

(e)indien van toepassing, een analyse van territoriale aspecten, met nadruk op de gebieden waarop interventies zijn gericht;

(f)indien van toepassing, een analyse van de sectorale aspecten, met name voor de sectoren waarop specifieke interventies en/of sectorale programma's zijn gericht.

Wat betreft de in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f), vastgestelde specifieke doelstellingen, wordt in de SWOT-analyse verwezen naar de nationale plannen die voortvloeien uit de in bijlage XI bedoelde wetgevingsinstrumenten.

Wat betreft de in artikel 6, lid 1, onder g), vastgestelde specifieke doelstelling om jonge landbouwers aan te trekken, bevat de SWOT-analyse een korte analyse van toegang tot land, mobiliteit en herverkaveling van het land, toegang tot financiering en krediet, en toegang tot kennis en advies.    

Wat betreft de algemene horizontale doelstelling inzake het stimuleren en delen van kennis, innovatie en digitalisering en het bevorderen van het gebruik daarvan als vastgesteld in artikel 5, tweede alinea, geeft de SWOT-analyse ook relevante informatie over de werking van het AKIS en gerelateerde structuren.

3.Bijlage III bij het strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 95, lid 2, onder c), bevat de resultaten van de raadpleging van de partners en een korte beschrijving van de manier waarop de raadpleging is gehouden.

4.Bijlage IV bij het strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 95, lid 2, onder d), bevat een korte beschrijving van de gewasspecifieke betaling voor katoen en de complementariteit daarvan met de andere interventies in het kader van het strategisch GLB-plan.

5.Bijlage V bij het strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 95, lid 2, onder e), omdat het volgende:

(a)een korte beschrijving van de aanvullende nationale financiering die wordt verstrekt in het kader van het strategisch GLB-plan, met inbegrip van de bedragen per maatregel en vermelding van de naleving van de vereisten van deze verordening;

(b)een toelichting van de complementariteit met de interventies in het kader van het strategisch GLB-plan; en

(c)een vermelding of de aanvullende nationale financiering buiten het toepassingsgebied van artikel 42 VWEU valt en afhankelijk is van een staatssteunbeoordeling.

Artikel 104
Gedelegeerde bevoegdheden voor de inhoud van het strategisch GLB-plan

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van dit hoofdstuk wat betreft de inhoud van het strategisch GLB-plan en de bijlagen erbij.

Artikel 105
Uitvoeringsbevoegdheden voor de inhoud van het strategisch GLB-plan

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin voorschriften worden vastgelegd voor de presentatie van de in de artikelen 96 tot en met 103 beschreven elementen in strategische GLB-plannen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK III
GOEDKEURING EN WIJZIGING VAN HET STRATEGISCH GLB-PLAN

Artikel 106
Goedkeuring van het strategisch GLB-plan

1.Elke lidstaat dient uiterlijk op 1 januari 2020 bij de Commissie een voorstel voor een strategisch GLB-plan in dat de in artikel 95 bedoelde informatie bevat.

2.De Commissie beoordeelt de voorgestelde strategische GLB-plannen op basis van de volledigheid van de plannen, de consistentie en samenhang ervan met de algemene beginselen van het recht van de Unie, met deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde bepalingen, en met de horizontale verordening, alsmede op basis van hun daadwerkelijke bijdrage aan de specifieke doelstellingen als vastgesteld in artikel 6, lid 1, de gevolgen voor de goede werking van de interne markt en concurrentieverstoring, en de omvang van de administratieve lasten voor begunstigden en overheidsdiensten. In de beoordeling wordt in het bijzonder gelet op de toereikendheid van de strategie van het strategisch GLB-plan, de desbetreffende specifieke doelstellingen, streefcijfers en interventies en de toewijzing van begrotingsmiddelen om de specifieke doelstellingen van het strategisch GLB-plan te halen door middel van de voorgestelde reeks interventies die zijn gebaseerd op de SWOT-analyse en de ex-ante-evaluatie.

3.Afhankelijk van de resultaten van de in lid 2 bedoelde beoordeling kan de Commissie binnen drie maanden na de datum van indiening van het strategisch GLB-plan opmerkingen meedelen aan de lidstaten.

De lidstaat verstrekt de Commissie alle noodzakelijke aanvullende informatie en past zo nodig het voorgestelde plan aan.

4.De Commissie keurt het voorgestelde strategisch GLB-plan goed mits de vereiste informatie is ingediend en de Commissie heeft geconstateerd dat het plan verenigbaar is met de algemene beginselen van het recht van de Unie, de in deze verordening vastgestelde vereisten, en de bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze verordening en in Verordening (EU) [HzR].

5.Elk strategisch GLB-plan wordt uiterlijk acht maanden na de indiening ervan door de betrokken lidstaat goedgekeurd.

De goedkeuring heeft geen betrekking op de informatie als bedoeld in artikel 101, onder c), en in de bijlagen I tot en met IV bij het strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 95, lid 2, onder a) tot en met d).

In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de lidstaat de Commissie verzoeken een strategisch GLB-plan goed te keuren dat niet alle elementen bevat. In dat geval geeft de betrokken lidstaat aan welke elementen ontbreken en verstrekt hij met betrekking tot het gehele strategische GLB-plan indicatieve streefcijfers en financiële plannen als bedoeld in artikel 100, teneinde de algehele consistentie en samenhang ervan aan te tonen. De ontbrekende elementen van het strategisch GLB-plan worden bij de Commissie ingediend als een wijziging van het plan in overeenstemming met artikel 107.

6.Elk strategisch GLB-plan wordt door de Commissie goedgekeurd door middel van een uitvoeringsbesluit, zonder toepassing van de in artikel 139 bedoelde comitéprocedure.

7.De strategische GLB-plannen hebben alleen rechtsgevolgen na de goedkeuring ervan door de Commissie.

Artikel 107
Wijziging van het strategisch GLB-plan

1.De lidstaten kunnen bij de Commissie een verzoek indienen om hun strategische GLB-plannen te wijzigen.

2.Verzoeken tot wijziging van strategische GLB-plannen worden naar behoren gemotiveerd en vermelden met name het verwachte effect van de wijzigingen aan het plan op het bereiken van de doelstellingen als bedoeld in artikel 6, lid 1. De verzoeken gaan vergezeld van het gewijzigde plan, inclusief de bijgewerkte bijlagen, naargelang van het geval.

3.De Commissie beoordeelt de samenhang van de wijziging met deze verordening en de bepalingen die op grond ervan zijn vastgesteld, alsmede met Verordening (EU) [HzR] en de werkelijke bijdrage van de wijziging aan de specifieke doelstellingen.

4.De Commissie keurt het verzoek tot wijziging van het strategisch GLB-plan goed mits de vereiste informatie is ingediend en de Commissie heeft geconstateerd dat het gewijzigde plan verenigbaar is met de algemene beginselen van het recht van de Unie, de in deze verordening vastgestelde vereisten, en de bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze verordening en in Verordening (EU) [HzR].

5.De Commissie kan binnen dertig werkdagen na de datum waarop het verzoek tot wijziging van het strategisch GLB-plan is ingediend, opmerkingen formuleren. De lidstaat verstrekt de Commissie alle noodzakelijke aanvullende informatie.

6.De Commissie keurt het verzoek tot wijziging van een strategisch GLB-plan goed uiterlijk drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, mits naar behoren rekening is gehouden met eventuele opmerkingen van de Commissie.

7.Per kalenderjaar wordt niet meer dan één verzoek tot wijziging van een strategisch GLB-plan ingediend, onder voorbehoud van eventuele door de Commissie overeenkomstig artikel 109 bepaalde uitzonderingen.

8.Elke wijziging van het strategisch GLB-plan wordt door de Commissie goedgekeurd door middel van een uitvoeringsbesluit, zonder toepassing van de in artikel 139 bedoelde comitéprocedure.

9.Onverminderd artikel 80 hebben wijzigingen van strategische GLB-plannen alleen rechtsgevolgen na de goedkeuring ervan door de Commissie.

10.Correcties van tikfouten of van louter redactionele aard of van kennelijke fouten die de uitvoering van het beleid en de interventie niet beïnvloeden, worden niet beschouwd als een verzoek tot wijziging. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke correcties.

Artikel 108
Berekening van termijnen voor acties van de Commissie

Indien een termijn wordt vastgesteld waarbinnen de Commissie actie moet ondernemen, begint die termijn voor de toepassing van dit hoofdstuk wanneer alle informatie is ingediend overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde vereisten en de op grond van deze verordening vastgestelde bepalingen.

De periode tussen de datum volgend op de datum waarop de Commissie haar opmerkingen aan de lidstaat heeft toegezonden en de datum waarop de lidstaat op deze opmerkingen heeft gereageerd, is niet in deze termijn inbegrepen.

Artikel 109
Gedelegeerde bevoegdheden

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van dit hoofdstuk wat betreft:

(a)de procedures en uiterste termijnen voor de goedkeuring van strategische GLB-plannen;

(b)de procedures en uiterste termijnen voor de indiening en de goedkeuring van verzoeken tot wijziging van strategische GLB-plannen;

(c)de frequentie waarmee de strategische GLB-plannen worden ingediend tijdens de programmeringsperiode, met inbegrip van het bepalen van uitzonderlijke gevallen waarvoor het in artikel 107, lid 7, bedoelde maximumaantal wijzigingen niet geldt.

TITEL VI
COÖRDINATIE EN GOVERNANCE

Artikel 110
Beheersautoriteit

1.De lidstaten wijzen voor hun strategische GLB-plannen een beheersautoriteit aan.

De lidstaten zorgen ervoor dat de nodige beheers- en controlesystemen zijn opgezet zodat een duidelijke verdeling en scheiding van de taken van de beheersautoriteit en de andere instanties wordt gewaarborgd. De lidstaten zijn ervoor verantwoordelijk dat het systeem doeltreffend functioneeert gedurende de gehele periode die door het strategisch GLB-plan wordt bestreken.

2.De beheersautoriteit is ervoor verantwoordelijk dat het strategisch GLB-plan op efficiënte, doeltreffende en correcte wijze wordt beheerd en uitgevoerd. Met name zorgt zij ervoor dat:

(a)er een voldoende veilig elektronisch systeem is voor het registreren, bijhouden, beheren en rapporteren van statistische informatie over het plan en de uitvoering ervan met het oog op monitoring en evaluatie, en in het bijzonder informatie die nodig is om de voortgang in de richting van de vastgestelde doelstellingen en streefcijfers te monitoren;

(b)de begunstigden en de andere bij de uitvoering van interventies betrokken instanties:

i)worden geïnformeerd over hun verplichtingen die uit de toegekende steun voortvloeien, en gebruiken voor alle transacties betreffende een verrichting hetzij een afzonderlijk boekhoudsysteem, hetzij een passende boekhoudkundige code;

ii)zijn op de hoogte van de voorschriften inzake de verstrekking van gegevens aan de beheersautoriteit en inzake de registratie van de output en de resultaten;

(c)de betrokken begunstigden, in voorkomend geval langs elektronische weg, een lijst krijgen met de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de minimumnormen voor een goede landbouw- en milieuconditie die zijn vastgesteld op grond van titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, en die op landbouwbedrijfsniveau moeten worden toegepast, met duidelijke en nauwkeurige informatie ter zake;

(d)de in artikel 125 bedoelde ex-ante-evaluatie strookt met het evaluatie- en monitoringsysteem en wordt aanvaard en ingediend bij de Commissie;

(e)het in artikel 126 bedoelde evaluatieplan voorhanden is, dat de in datzelfde artikel bedoelde ex-postevaluatie wordt uitgevoerd binnen de in deze verordening vastgestelde termijnen, dat die evaluaties in overeenstemming zijn met het monitoring- en evaluatiesysteem en dat ze worden ingediend bij het in artikel 111 bedoelde monitoringcomité en de Commissie;

(f)het monitoringcomité de nodige informatie en documenten ontvangt om de uitvoering van het strategisch GLB-plan te kunnen monitoren in het licht van de specifieke doelstellingen en prioriteiten ervan;

(g)het jaarlijkse prestatieverslag wordt opgesteld, met inbegrip van geaggregeerde monitoringtabellen, en dat dit verslag, na raadpleging van het monitoringcomité, wordt ingediend bij de Commissie;

(h)relevante follow-upacties worden ondernomen naar aanleiding van de opmerkingen van de Commissie over de jaarlijkse prestatieverslagen;

(i)het betaalorgaan in het bijzonder met betrekking tot de voor financiering geselecteerde verrichtingen alle nodige informatie over de toegepaste procedures en de verrichte controles ontvangt, voordat de betalingsopdrachten worden gegeven;

(j)begunstigden van uit het Elfpo gefinancierde interventies, uitgezonderd gebieds- en diergerelateerde interventies, de ontvangen financiële steun erkennen, onder meer door passend gebruik te maken van het embleem van de Unie volgens de door de Commissie overeenkomstig lid 5 vastgestelde regels;

(k)bekendheid wordt gegeven aan het strategisch GLB-plan, onder meer via het nationale GLB-netwerk, door potentiële begunstigden, beroepsorganisaties, de economische en sociale partners, organisaties voor de bevordering van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de betrokken niet-gouvernementele organisaties, met inbegrip van milieuorganisaties, te informeren over de door het strategisch GLB-plan geboden mogelijkheden en over de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot de financiering in het kader van het strategisch GLB-plan, alsook door de begunstigden en het brede publiek te informeren over de steun van de Unie voor landbouw en plattelandsontwikkeling via het strategisch GLB-plan.

3.De lidstaat of de beheersautoriteit mag een of meer intermediaire instanties aanwijzen, met inbegrip van plaatselijke autoriteiten, instanties voor regionale ontwikkeling of niet-gouvernementele organisaties, voor het beheer en de uitvoering van de interventies van het strategisch GLB-plan.

4.Indien een deel van de taken van de beheersautoriteit wordt gedelegeerd aan een andere instantie, behoudt de beheersautoriteit er de volledige verantwoordelijkheid voor dat de gedelegeerde taken efficiënt en correct worden beheerd en uitgevoerd. De beheersautoriteit zorgt ervoor dat er passende bepalingen zijn om de andere instantie in staat te stellen alle nodige gegevens en informatie voor de uitvoering van die taken te verkrijgen.

5.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met uitvoeringsbepalingen voor de in lid 2, onder j) en k), vermelde vereisten inzake informatie, bekendheid en zichtbaarheid.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 111
Monitoringcomité

1.De lidstaat richt voorafgaand aan de indiening van het strategisch GLB-plan een comité op om de uitvoering van het strategisch GLB-plan te monitoren ("monitoringcomité").

Elk monitoringcomité stelt zijn reglement van orde vast.

Het monitoringcomité vergadert ten minste een keer per jaar en evalueert alle vraagstukken die invloed hebben op de vooruitgang die wordt geboekt ten aanzien van het bereiken van de streefcijfers van het strategisch GLB-plan.

De lidstaat publiceert het reglement van orde van het monitoringcomité en alle gegevens en informatie die met het comité worden gedeeld online.

2.De lidstaat bepaalt de samenstelling van het monitoringcomité en zorgt voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de bevoegde overheidsinstanties, intermediaire instanties en van vertegenwoordigers van de in artikel 94, lid 3, bedoelde partners.

Elk lid van het monitoringcomité heeft een stem.

De lidstaat publiceert de ledenlijst van het monitoringcomité online.

Vertegenwoordigers van de Commissie nemen met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het monitoringcomité deel.

3.Het monitoringcomité onderzoekt in het bijzonder:

(a)de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van de tenuitvoerlegging van het strategisch GLB-plan en het bereiken van de mijlpalen en streefcijfers;

(b)vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het strategisch GLB-plan en de acties die zijn ondernomen om die vraagstukken aan te pakken;

(c)de in artikel 52, lid 3, van Verordening (EU) [CPR] opgesomde elementen van de ex-antebeoordeling en het in artikel 53, lid 1, van Verordening (EU) [CPR] bedoelde strategiedocument;

(d)de vorderingen met de uitvoering van de evaluaties, de samenvattingen van evaluaties en het vervolg dat aan de bevindingen is gegeven;

(e)de uitvoering van acties op het gebied van communicatie en zichtbaarheid;

(f)de capaciteitsopbouw voor overheidsinstanties en begunstigden, indien van toepassing.

4.Het monitoringcomité brengt advies uit over:

(a)het ontwerp van het strategisch GLB-plan;

(b)de methoden en criteria gebruikt voor de selectie van verrichtingen;

(c)de jaarlijkse prestatieverslagen:

(d)het evaluatieplan en eventuele wijzigingen daarvan;

(e)voorstellen van de beheersautoriteit voor wijzigingen van het strategisch GLB-plan.

Artikel 112
Technische bijstand op initiatief van de lidstaten

1.Op initiatief van een lidstaat kan het Elfpo acties ondersteunen die noodzakelijk zijn voor het effectieve beheer en de effectieve uitvoering van de steun met betrekking tot het strategisch GLB-plan, met inbegrip van het opzetten en het functioneren van de nationale GLB-netwerken als bedoeld in artikel 113, lid 1. De in dit lid bedoelde acties kunnen betrekking hebben op voorgaande en volgende perioden van het strategisch GLB-plan.

2.Ook acties van de autoriteit van het hoofdfonds overeenkomstig artikel 25, leden 4, 5 en 6 van Verordening (EU) [CPR] kunnen worden ondersteund.

3.Technische bijstand op initiatief van de lidstaten is niet bestemd voor de financiering van certificerende instanties in de zin van artikel 11 van Verordening (EU) [HzR].

Artikel 113
Europese en nationale GLB-netwerken
 

1.Elke lidstaat zet uiterlijk twaalf maanden na de goedkeuring van het strategisch GLB-plan door de Commissie een nationaal GLB-netwerk op om een netwerk te vormen tussen organisaties en overheidsdiensten, adviseurs, onderzoekers en andere actoren op het vlak van innovatie op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling op nationaal niveau.

2.Er wordt een Europees GLB-netwerk opgezet om op Unieniveau een netwerk te vormen tussen nationale netwerken, organisaties en overheidsdiensten die op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling werkzaam zijn.

3.Netwerking via de GLB-netwerken heeft de volgende doelstellingen:

(a)de betrokkenheid van belanghebbenden bij het ontwerp en de uitvoering van de strategische GLB-plannen vergroten;

(b)de overheidsdiensten van de lidstaten begeleiden bij de uitvoering van de strategische GLB-plannen en de overgang naar een prestatiegericht uitvoeringsmodel;

(c)peerlearning en interactie tussen alle agrarische en rurale belanghebbenden faciliteren;

(d)innovatie bevorderen en alle belanghebbenden bij de kennisuitwisseling en kennisopbouw betrekken;

(e)de monitoring- en evaluatiecapaciteit van alle belanghebbenden ondersteunen;

(f)bijdragen aan de verspreiding van de resultaten van het strategisch GLB-plan.

4.De taken van de GLB-netwerken voor de verwezenlijking van de doelstellingen in lid 3 zijn de volgende:

(a)verzameling, analyse en verspreiding van informatie over acties die in het kader van strategische GLB-plannen worden ondersteund;

(b)bijdragen aan capaciteitsopbouw voor overheidsdiensten van de lidstaten en voor andere actoren die bij de uitvoering van de strategische GLB-plannen betrokken zijn, onder meer met betrekking tot monitoring- en evaluatieprocedures;

(c)verzameling en verspreiding van goede praktijken;

(d)verzameling van informatie, met inbegrip van statistische en administratieve informatie, en analyse van ontwikkelingen in de landbouw en in plattelandsgebieden die relevant zijn voor de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1;

(e)oprichting van platformen, fora en evenementen waar belanghebbenden ervaringen kunnen uitwisselen en peerlearning wordt bevorderd, met inbegrip van uitwisselingen met netwerken in derde landen, indien van toepassing;

(f)verzameling van informatie en facilitering van netwerking tussen gefinancierde structuren en projecten, zoals in artikel 27 van Verordening (EU) [CPR] bedoelde plaatselijke actiegroepen, in artikel 114, lid 4, bedoelde operationele groepen van het Europees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw, en equivalente structuren en projecten;

(g)ondersteuning voor samenwerkingsprojecten tussen plaatselijke actiegroepen of soortgelijke plaatselijke ontwikkelingsstructuren, met inbegrip van transnationale samenwerking;

(h)banden vormen met andere door de Unie gefinancierde strategieën of netwerken;

(i)bijdragen aan de verdere ontwikkeling van het GLB en voorbereiden van volgende perioden van het strategisch GLB-plan;

(j)in het geval van nationale GLB-netwerken, deelnemen aan en bijdragen aan de activiteiten van het Europees GLB-netwerk.

Artikel 114
Europees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw

1.De Commissie richt een Europees Innovatiepartnerschap (EIP) voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw op.

2.Het doel van het EIP bestaat erin innovatie te stimuleren en kennisuitwisseling te verbeteren.

3.Het EIP draagt bij aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1.

4.Het EIP ondersteunt het AKIS als bedoeld in artikel 13, lid 2, door beleidsmaatregelen en instrumenten te koppelen teneinde innovatie te versnellen. In het bijzonder door:

(a)meerwaarde te creëren door het onderzoek en de landbouwpraktijk beter op elkaar af te stemmen, en het op bredere schaal gebruiken van beschikbare innovatiemaatregelen aan te moedigen;

(b)actoren en projecten op het vlak van innovatie met elkaar te verbinden;

(c)het sneller en ruimer in praktijk brengen van innovatieve oplossingen te bevorderen; en

(d)de wetenschappelijke gemeenschap te informeren over de onderzoeksbehoeften van de landbouwpraktijk.

De operationele groepen van het EIP maken deel uit van het EIP. Ze stellen een plan voor innovatieve projecten die worden ontwikkeld, getest, aangepast of uitgevoerd volgens het interactief innovatiemodel op, dat uitgaat van de volgende leidende beginselen:

(a)het ontwikkelen van innovatieve oplossingen die gericht zijn op de behoeften van land- of bosbouwers en die waar nuttig tegelijk de interacties in de gehele toeleveringsketen aanpakken;

(b)het samenbrengen van partners met complementaire kennis zoals landbouwers, adviseurs, onderzoekers, ondernemingen of niet-gouvernementele organisaties in de configuratie die het meest geschikt is om de doelstellingen van het project te verwezenlijken; en

(c)medebeslissing en co-creatie gedurende het gehele project.

De beoogde innovatie kan gebaseerd zijn op nieuwe praktijken maar ook op traditionele praktijken in een nieuwe geografische of milieucontext.

De operationele groepen verspreiden hun plannen en de resultaten van hun projecten, in het bijzonder via de GLB-netwerken.

TITEL VII
MONITORING, RAPPORTAGE EN EVALUATIE

HOOFDSTUK I
PRESTATIEKADER

Artikel 115
Vaststelling van het prestatiekader

1.De lidstaten stellen een prestatiekader vast dat het mogelijk maakt de prestaties van het strategisch GLB-plan tijdens de uitvoering ervan te monitoren, rapporteren en evalueren.

2.Het prestatiekader omvat de volgende elementen:

(a)een reeks gemeenschappelijke context-, output-, resultaat- en impactindicatoren, met inbegrip van de in artikel 7 bedoelde indicatoren, op basis waarvan de monitoring, evaluatie en het jaarlijkse prestatieverslag worden uitgevoerd;

(b)streefcijfers en jaarlijkse mijlpalen die zijn vastgesteld voor de betrokken specifieke doelstelling met gebruik van resultaatindicatoren;

(c)gegevensverzameling, -opslag, en -transmissie;

(d)regelmatige verslaglegging over prestaties, monitoring- en evaluatieactiviteiten;

(e)mechanismen voor het belonen van goede prestaties en het aanpakken van slechte prestaties;

(f)de ex-ante-, tussentijdse en ex-postevaluaties en alle andere evaluatieactiviteiten in verband met het strategisch GLB-plan;

3.Het prestatiekader bestrijkt:

(a)de inhoud van strategische GLB-plannen;

(b)de marktmaatregelen en andere interventies waarin Verordening (EU) nr. 1308/2013 voorziet.

Artikel 116
Doelstellingen van het prestatiekader

Het prestatiekader beoogt:

(a)de impact, doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van het GLB te boordelen;

(b)mijlpalen en streefcijfers te bepalen voor de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6;

(c)de vooruitgang in de richting van de verwezenlijking van de streefcijfers van de strategische GLB-plannen te monitoren;

(d)de impact, doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie en samenhang van de interventies in de strategische GLB-plannen te beoordelen;

(e)een gemeenschappelijk leerproces met betrekking tot monitoring en evaluatie te ondersteunen.

Artikel 117
Elektronisch informatiesysteem

De lidstaten zetten een elektronisch informatiesysteem op waarin zij belangrijke informatie over de uitvoering van het strategisch GLB-plan registreren en bijhouden die nodig is voor monitoring en evaluatie, in het bijzonder over elke voor financiering geselecteerde interventie alsook over voltooide interventies, met inbegrip van informatie over elke begunstigde en elke verrichting.

Artikel 118
Informatieverstrekking

De lidstaten zorgen ervoor dat begunstigden van steun in het kader van interventies in het strategisch GLB-plan en plaatselijke actiegroepen zich ertoe verbinden de beheersautoriteit of andere instanties die zijn aangewezen om namens haar functies uit te oefenen, alle nodige informatie te verstrekken om monitoring en evaluatie van het strategisch GLB-plan mogelijk te maken.

De lidstaten zorgen ervoor dat brede, volledige, actuele en betrouwbare gegevensbronnen worden opgezet om het mogelijk te maken de vooruitgang in de richting van de doelstellingen doeltreffend te volgen aan de hand van output-, resultaat- en impactindicatoren.

Artikel 119
Monitoringprocedures

De beheersautoriteit en het monitoringcomité monitoren de uitvoering van het strategisch GLB-plan en de vooruitgang in de richting van de verwezenlijking van de doelstellingen van het strategisch GLB-plan op basis van de output- en resultaatindicatoren.

Artikel 120
Uitvoeringsbevoegdheden voor het prestatiekader

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast over de inhoud van het prestatiekader. Die handelingen bevatten een lijst van contextindicatoren, andere voor de passende monitoring en evaluatie van het beleid nodige indicatoren, berekeningsmethoden voor indicatoren en de bepalingen die nodig zijn om de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van de door de lidstaten verzamelde gegevens te garanderen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK II
JAARLIJKSE PRESTATIEVERSLAGEN

Artikel 121
Jaarlijkse prestatieverslagen

1.Uiterlijk op 15 februari 2023 en 15 februari van elk daaropvolgend jaar tot en met 2030 dienen de lidstaten bij de Commissie een jaarlijkse prestatieverslag over de uitvoering van het strategisch GLB-plan in het voorbije begrotingsjaar in. Het in 2023 ingediende verslag heeft betrekking op de begrotingsjaren 2021 en 2022. Voor rechtstreekse betalingen als bedoeld in titel III, hoofdstuk II, betreft het verslag alleen begrotingsjaar 2022.

2.Het laatste jaarlijks prestatieverslag, dat uiterlijk op 15 februari 2030 moet worden ingediend, bevat een samenvatting van de tijdens de implementatieperiode uitgevoerde evaluaties.

3.Om ontvankelijk te worden geacht, moet het jaarlijks prestatieverslag alle in de leden 4, 5 en 6 vereiste informatie bevatten. Als de Commissie een jaarlijks prestatieverslag over de uitvoering ontvangt dat niet ontvankelijk is, deelt zij dit binnen 15 werkdagen na de datum van ontvangst aan de lidstaat mee; zo niet, dan wordt het verslag ontvankelijk geacht.

4.In de jaarlijkse prestatieverslagen wordt de voornaamste kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de uitvoering van het strategisch GLB-plan gepresenteerd onder verwijzing naar financiële gegevens, output- en resultaatindicatoren en in overeenstemming met artikel 118, tweede alinea. Deze verslagen bevatten tevens informatie over gerealiseerde outputs, gerealiseerde uitgaven, gerealiseerde resultaten en de afstand tot de respectieve streefdoelen.

Voor de interventietypes die niet onderworpen zijn aan artikel 89 van deze verordening, en waar de gerealiseerde output en verrichte uitgavenquote met 50 % afwijkt van de jaarlijkse geplande output en uitgavenquote, dient de lidstaat een motivering in voor deze afwijking.

5.De toegezonden gegevens hebben betrekking op bereikte waarden voor indicatoren voor gedeeltelijk en volledig uitgevoerde interventies. Ook wordt in de verslagen een synthese gegeven van de gedurende het voorbije begrotingsjaar gerealiseerde stand van uitvoering van het strategisch GLB-plan en eventuele kwesties die van invloed zijn op de prestaties van het strategisch GLB-plan, met name wat betreft afwijkingen van de mijlpalen, met een vermelding van achterliggende redenen en, indien van toepassing, een beschrijving van de genomen maatregelen.

6.Voor financiële instrumenten wordt aanvullend op de krachtens lid 4 te verstrekken gegevens, informatie verstrekt over:

(a)subsidiabele uitgaven per type financieel product;

(b)het bedrag van als subsidiabele uitgaven gedeclareerde beheerskosten en -vergoedingen;

(c)het bedrag, per type financieel product, van particuliere en overheidsmiddelen die bovenop het Elfpo zijn gemobiliseerd;

(d)rente en andere voordelen die voortvloeien uit de steun van Elfpo-bijdragen aan de in artikel 54 van Verordening (EU) [CPR] bedoelde financiële instrumenten en de middelen die aan steun uit het Elfpo toe te rekenen zijn als bedoeld in artikel 56 van die verordening.

7.De Commissie verricht een jaarlijkse prestatie-evaluatie en een jaarlijkse prestatiegoedkeuring als bedoeld in artikel [52] van Verordening (EU) [CPR] op basis van de in de jaarlijkse prestatieverslagen verstrekte informatie.

8.In de jaarlijkse prestatie-evaluatie kan de Commissie opmerkingen formuleren over de jaarlijkse prestatieverslagen binnen één maand na de indiening ervan. Als de Commissie binnen deze termijn geen opmerkingen maakt, worden de verslagen geacht te zijn aanvaard.

Artikel 108 over de berekening van termijnen voor acties van de Commissie is van overeenkomstige toepassing.

9.Waar de gerapporteerde waarde van een of meer resultaatindicatoren een kloof laat zien van meer dan 25 % van de desbetreffende mijlpalen voor het betrokken verslagjaar, kan de Commissie de lidstaat vragen een actieplan in te dienen in overeenstemming met artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) [HzR], waarin de beoogde corrigerende acties en het verwachte tijdschema zijn beschreven.

10.De jaarlijkse prestatieverslagen over de uitvoering, alsmede een publiekssamenvatting van de inhoud hiervan, worden voor het publiek beschikbaar gemaakt.

11.De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voorschriften worden vastgelegd voor de inhoud van het jaarlijkse prestatieverslag. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 122
Jaarlijkse evaluatievergaderingen

1.De lidstaten organiseren elk jaar een evaluatievergadering met de Commissie, die gezamenlijk of door de Commissie wordt voorgezeten en op zijn vroegst twee maanden na de indiening van het jaarlijks prestatieverslag plaatsvindt.

2.De jaarlijkse evaluatievergadering is erop gericht de prestaties van elk plan te onderzoeken, met inbegrip van de vooruitgang in de richting van de verwezenlijking van de bestaande streefcijfers, kwesties die van invloed zijn op de prestaties, en reeds ondernomen of te ondernemen acties die die kwesties moeten aanpakken.

HOOFDSTUK III
STIMULERINGSMECHANISME VOOR GOEDE MILIEU- EN KLIMAATPRESTATIES

Artikel 123
Prestatiebonus

1.In 2026 kan aan de lidstaten een prestatiebonus worden toegekend om goede prestaties met betrekking tot de milieu- en klimaatdoelstellingen te belonen, mits de betrokken lidstaat voldoet aan de voorwaarde in artikel 124, lid 1.

2.De prestatiebonus is gelijk aan 5 % van het in bijlage IX voor begrotingsjaar 2027 vastgestelde bedrag per lidstaat.

Middelen die krachtens de artikelen 15 en 90 tussen het ELGF en het Elfpo zijn overgedragen, worden bij de berekening van de prestatiebonus niet meegerekend.

Artikel 124
Toekenning van de prestatiebonus

1.Op basis van de prestatie-evaluatie voor het jaar 2026 wordt de overeenkomstig artikel 123, lid 2, van de toewijzing voor een lidstaat afgehouden prestatiebonus toegekend aan deze lidstaat als de resultaatindicatoren die zijn toegepast op de in artikel 6, lid 1, onder d), e) en f), vastgelegde specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen in het strategisch GLB-plan ten minste 90 % van hun streefwaarde voor het jaar 2025 hebben bereikt.

2.De Commissie keurt binnen twee maanden na de ontvangst van het jaarlijks prestatieverslag voor het jaar 2026 een uitvoeringshandeling goed zonder toepassing van de in artikel 139 bedoelde comitéprocedure, om voor elke lidstaat te beslissen of de desbetreffende strategische GLB-plannen de in lid 1 van dit artikel bedoelde streefwaarden hebben bereikt.

3.Als de in lid 1 bedoelde streefwaarden zijn bereikt, verstrekt de Commissie het bedrag van de prestatiebonus aan de betrokken lidstaten en wordt dat bedrag beschouwd als zijnde definitief toegewezen voor begrotingsjaar 2027 op basis van het in lid 2 bedoelde besluit.

4.Als de in lid 1 bedoelde streefwaarden niet zijn bereikt, worden de vastleggingen voor begrotingsjaar 2027 met betrekking tot het bedrag van de prestatiebonus van de betrokken lidstaten niet door de Commissie verstrekt.

5.Bij de toekenning van de prestatiebonus kan de Commissie rekening houden met gevallen van overmacht en ernstige sociaaleconomische crises die verhinderen dat de betrokken mijlpalen worden bereikt.

6.De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met gedetailleerde regelingen die moeten waarborgen dat een consistente aanpak wordt toegepast bij het bepalen van de toekenning van de prestatiebonus aan de lidstaten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK IV
EVALUATIE VAN HET STRATEGISCH GLB-PLAN

Artikel 125
Ex-ante-evaluaties

1.De lidstaten verrichten ex-ante-evaluaties om de kwaliteit van het ontwerp van hun strategisch GLB-plan te verbeteren.

2.De ex-ante-evaluatie wordt verricht onder verantwoordelijkheid van de autoriteit die verantwoordelijk is voor het opstellen van het strategisch GLB-plan.

3.De ex-ante-evaluatie omvat een beoordeling van:

(a)de bijdrage van het strategisch GLB-plan aan de specifieke doelstellingen van het GLB, waarbij rekening wordt gehouden met de nationale en regionale behoeften, met het ontwikkelingspotentieel en met de ervaring met de uitvoering van het GLB in eerdere programmeringsperioden;

(b)de interne samenhang van het voorgestelde strategisch GLB-plan en de relatie met andere relevante instrumenten;

(c)de verenigbaarheid van de toewijzing van begrotingsmiddelen met de specifieke doelstellingen van het strategisch GLB-plan;

(d)op welke wijze de verwachte outputs zullen bijdragen tot resultaten;

(e)of de gekwantificeerde streefwaarden voor resultaten realistisch zijn, gezien de beoogde steun uit het ELGF en het Elfpo;

(f)de toereikendheid van de personele middelen en de administratieve capaciteit voor het beheer van het strategisch GLB-plan;

(g)de geschiktheid van de procedures voor het monitoren van het strategisch GLB-plan en voor het verzamelen van de gegevens die vereist zijn voor het verrichten van de evaluaties;

(h)de geschiktheid van de gekozen mijlpalen voor het prestatiekader;

(i)de maatregelen die zijn gepland om de administratieve lasten voor begunstigden te verlichten;

(j)de redenen voor het gebruik van financiële instrumenten gefinancierd uit het Elfpo.

4.De ex-ante-evaluatie omvat de voorschriften voor strategische milieubeoordeling die zijn vastgesteld in Richtlijn 2001/42/EG, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften ten aanzien van de matiging van klimaatverandering.

Artikel 126
Evaluatie van strategische GLB-plannen tijdens en na de uitvoeringsperiode

1.De lidstaten evalueren de strategische GLB-plannen ter verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van de plannen alsook ter beoordeling van de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang, EU-meerwaarde en impact in verband met de bijdrage ervan aan de algemene en specifieke doelstellingen van het GLB als vastgelegd in artikel 5 en artikel 6, lid 1.

2.De lidstaten laten de evaluaties uitvoeren door functioneel onafhankelijke deskundigen.

3.De lidstaten zorgen voor procedures voor het opstellen en verzamelen van de voor evaluaties vereiste gegevens.

4.De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het evalueren of interventies in het strategisch GLB-plan toereikend zijn om de specifieke doelstellingen als vastgelegd in artikel 6, lid 1, te bereiken.

5.De lidstaten stellen een evaluatieplan op met informatie over de tijdens de uitvoeringsperiode beoogde evaluatieactiviteiten.

6.De lidstaten dienen het evaluatieplan uiterlijk een jaar na de goedkeuring van het strategisch GLB-plan in bij het monitoringcomité.

7.Uiterlijk op 31 december 2031 voltooit de beheersautoriteit een uitgebreide evaluatie van het strategisch GLB-plan.

8.De lidstaten maken alle evaluaties voor het publiek beschikbaar.

HOOFDSTUK V
PRESTATIEBEOORDELING DOOR DE COMMISSIE

Artikel 127
Beoordeling en evaluatie van de prestaties

1.De Commissie stelt een meerjarig plan voor de evaluatie van het GLB op dat onder haar verantwoordelijkheid moet worden uitgevoerd.

2.De Commissie verricht vóór de afloop van het derde jaar van uitvoering van de strategische GLB-plannen een tussentijdse evaluatie om de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van het ELGF en het Elfpo te onderzoeken, rekening houdend met de in bijlage I vastgestelde indicatoren. De Commissie kan gebruikmaken van alle relevante informatie die al beschikbaar is overeenkomstig artikel [128] van het [nieuwe Financieel Reglement].

3.De Commissie verricht een ex-post-evaluatie om de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van het ELGF en het Elfpo te onderzoeken.

4.Op basis van elementen verstrekt in de evaluaties van het GLB, met inbegrip van evaluaties van de strategische GLB-plannen, alsook andere relevante informatiebronnen, presenteert de Commissie na de voltooiing van de tussentijdse evaluatie aan het Europees Parlement en de Raad een initieel verslag over de tenuitvoerlegging van dit artikel, met inbegrip van eerste resultaten over de prestaties van het GLB. Uiterlijk op 31 december 2031 wordt een tweede verslag met een beoordeling van de prestaties van het GLB gepresenteerd.

Artikel 128
Verslaglegging op basis van een kernreeks van indicatoren

Overeenkomstig haar verslagleggingsverplichting uit hoofde van artikel [38, lid 3, onder e) i),] van het [nieuwe Financieel Reglement] presenteert de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad de in dat artikel bedoelde informatie over de prestaties gemeten aan de hand van de in bijlage XII vastgestelde kernreeks van indicatoren.

Artikel 129
Algemene bepalingen

1.De lidstaten verstrekken de Commissie alle informatie die nodig is voor de monitoring en evaluatie van het GLB.

2.De gegevens die nodig zijn voor de context- en impactindicatoren zijn hoofdzakelijk afkomstig van bestaande gegevensbronnen, zoals het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen en Eurostat. Als de gegevens voor deze indicatoren niet beschikbaar of niet volledig zijn, worden de lacunes verholpen in de context van het Europees statistisch programma dat krachtens Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad 40 is opgericht, het rechtskader voor het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen of via formele overeenkomsten met andere gegevensverstrekkers zoals het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en het Europees Milieuagentschap.

3.Bestaande administratieve registers zoals het GBCS, het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) en de dier- en wijnbouwregisters worden gehandhaafd. Het GBCS en het LPIS worden verder ontwikkeld om beter aan te sluiten op de statistische behoeften van het GLB. Gegevens uit administratieve registers worden zoveel mogelijk gebruikt voor statistische doeleinden, in samenwerking met statistische instanties van de lidstaten en Eurostat.

4.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen, waarin de regels aangaande de door de lidstaten te verstrekken informatie worden opgenomen, waarbij zij rekening houdt met de noodzaak overbodige administratieve lasten te voorkomen, alsmede aangaande de gegevensbehoeften en de synergieën tussen potentiële gegevensbronnen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

TITEL VIII
BEPALINGEN INZAKE CONCURRENTIE

Artikel 130
Regels voor ondernemingen

Steun die in het kader van titel III van deze verordening voor vormen van samenwerking tussen ondernemingen wordt verleend, wordt enkel verleend aan samenwerkingsvormen die voldoen aan de concurrentieregels zoals die gelden krachtens de artikelen 206 tot en met 209 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

Artikel 131
Staatssteun

1.Tenzij in deze titel anders is bepaald, zijn de artikelen 107, 108 en 109 VWEU van toepassing op steun uit hoofde van deze verordening.

2.De artikelen 107, 108 en 109 VWEU zijn niet van toepassing op betalingen die door de lidstaten worden gedaan op grond van en in overeenstemming met deze verordening, of op in artikel 132 van deze verordening bedoelde aanvullende nationale financiering die binnen de werkingssfeer van artikel 42 VWEU valt.

3.In afwijking van lid 2 zijn de artikelen 107, 108 en 109 VWEU ook van toepassing op de steun die wordt verleend voor verrichtingen die wel en verrichtingen die niet binnen de werkingssfeer van artikel 42 VWEU vallen, uitgezonderd wanneer via een financieel instrument steun wordt verleend voor werkkapitaal.

Artikel 132
Aanvullende nationale financiering

Betalingen door de lidstaten met betrekking tot binnen de werkingssfeer van artikel 42 VWEU vallende verrichtingen die tot doel hebben te voorzien in aanvullende financiering voor interventies waarvoor op enig moment tijdens de periode van het strategisch GLB-plan Uniesteun wordt verleend, worden alleen verricht als zij aan de criteria van deze verordening voldoen, overeenkomstig artikel 103, lid 5, zijn opgenomen in bijlage V bij de strategische GLB-plannen , en door de Commissie zijn goedgekeurd.

Artikel 133
Nationale begrotingsmaatregelen

De artikelen 107, 108 en 109 VWEU zijn niet van toepassing op nationale begrotingsmaatregelen waarmee de lidstaten besluiten om van de algemene belastingregels af te wijken door de voor landbouwers geldende heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting te berekenen op basis van een meerjarige periode.

TITEL IX
ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 134
Maatregelen om specifieke problemen op te lossen

1.Om specifieke problemen op te lossen, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast die in een spoedeisende situatie noodzakelijk en te rechtvaardigen zijn. Die uitvoeringshandelingen mogen afwijken van de bepalingen van deze verordening, doch slechts voor zover en zolang dat strikt noodzakelijk is. De uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.Indien naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie dit vereisen, en om zulke in lid 1 genoemde specifieke problemen op te lossen en daarbij de continuïteit van het systeem van rechtstreekse betalingen te waarborgen, stelt de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast overeenkomstig de in artikel 139, lid 3, bedoelde procedure.

3.Maatregelen die krachtens de leden 1 of 2 zijn vastgesteld, blijven van kracht voor een periode van maximaal twaalf maanden. Als de in die leden bedoelde specifieke problemen na deze periode blijven bestaan, kan de Commissie met het oog op een definitieve oplossing een passend wetgevingsvoorstel indienen.

4.De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad binnen twee werkdagen na vaststelling van krachtens de leden 1 of 2 vastgestelde maatregelen in kennis van die maatregelen.

Artikel 135
Toepassing op de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

1.Voor rechtstreekse betalingen die worden toegekend in de ultraperifere gebieden van de Unie overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 228/2013 zijn alleen artikel 3, lid 2, onder a) en b), artikel 4, lid 1, onder a), b) en d), titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, en artikel 16 en titel IX van deze verordening van toepassing. Artikel 4, lid 1, onder a), b) en d), titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, en artikel 16 en titel IX zijn van toepassing zonder verplichtingen met betrekking tot het strategisch GLB-plan.

2.Voor rechtstreekse betalingen die worden toegekend in de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 229/2013 zijn alleen artikel 3, lid 2, onder a) en b), artikel 4, titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, titel III, hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, en titel IX van deze verordening van toepassing. Artikel 4, titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, titel III, hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, en titel IX zijn van toepassing zonder verplichtingen met betrekking tot het strategisch GLB-plan.

HOOFDSTUK II
INFORMATIESYSTEEM EN BESCHERMING VAN PERSOONSGEGEVENS

Artikel 136
Uitwisseling van informatie en documenten

1.In samenwerking met de lidstaten zet de Commissie een informatiesysteem op om de veilige uitwisseling van gegevens van gemeenschappelijk belang tussen de Commissie en elke lidstaat mogelijk te maken.

2.De Commissie zorgt ervoor dat er een geschikt beveiligd elektronisch systeem is waarin belangrijke informatie en verslagen over monitoring en evaluatie kunnen worden geregistreerd, bijgehouden en beheerd.

3.De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met voorschriften voor de werking van het in lid 1 bedoelde systeem. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 139, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 137
Verwerking en bescherming van persoonsgegevens

1.Onverminderd de artikelen [96, 97 en 98] van Verordening (EU) [HzR], verzamelen de lidstaten en de Commissie persoonsgegevens met het oog op het vervullen van hun respectieve verplichtingen inzake beheer, controle, monitoring en evaluatie uit hoofde van deze Verordening, en in het bijzonder die waarin is voorzien in titel VI en titel VII, en verwerken zij die gegevens niet op een wijze die niet strookt met dat doel.

2.Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van monitoring en evaluatie uit hoofde van titel VII met gebruikmaking van het in artikel 136 bedoelde beveiligd elektronisch systeem, worden ze geanonimiseerd en uitsluitend in geaggregeerde vorm verwerkt.

3.Persoonsgegevens worden verwerkt overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 45/2001 en (EU) 2016/679. Met name worden die gegevens niet langer bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, rekening houdend met de minimumbewaartermijnen die in het toepasselijke nationale recht en het Unierecht zijn vastgesteld.

4.De lidstaten stellen de betrokkenen ervan in kennis dat hun persoonsgegevens door nationale instanties en instanties van de Unie overeenkomstig lid 1 kunnen worden verwerkt en dat zij in dit verband de gegevensbeschermingsrechten genieten waarin de Verordeningen (EG) nr. 45/2001 en (EU) 2016/679 voorzien.

HOOFDSTUK III
DELEGATIE VAN BEVOEGDHEID EN UITVOERINGSBEPALINGEN

Artikel 138
Uitoefening van de delegatie

1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de voorwaarden van dit artikel.

2.De in de artikelen 4, 7, 12, 15, 23, 28, 32, 35, 36, 37, 41, 50,78, 81, 104 en 141 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een termijn van zeven jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend voor termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van elke termijn bezwaar maakt tegen een dergelijke verlenging.

3.De bevoegdheidsdelegatie als bedoeld in de artikelen 4, 7, 12, 15, 23, 28, 32, 35, 36, 37, 41, 50, 78, 81, 104 en 141, kan te allen tijde door het Europees Parlement of door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheden. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.Een krachtens de artikelen 4, 7, 12, 15, 23, 28, 32, 35, 36, 37, 41, 50, 78, 81, 104 en 141 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie vóór het verstrijken van deze termijn hebben meegedeeld niet voornemens te zijn bezwaar te maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 139
Comitéprocedure

1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité, genaamd het "Comité voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid". Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing, in samenhang met artikel 5 daarvan.

HOOFDSTUK IV
SLOTBEPALINGEN

Artikel 140
Intrekkingen

1.Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Zij blijft evenwel van toepassing op verrichtingen die worden uitgevoerd krachtens plattelandsontwikkelingsprogramma's die de Commissie vóór 1 januari 2021 op grond van die verordening heeft goedgekeurd.

Artikel 32 en bijlage III bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 blijven van toepassing op de aanwijzing van gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen. Verwijzingen naar de plattelandsontwikkelingsprogramma's gelden als verwijzingen naar de strategische GLB-plannen.

2.Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Zij blijft evenwel van toepassing op steunaanvragen met betrekking tot de aanvraagjaren die vóór 1 januari 2021 ingaan.

De artikelen 17 en 19 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en bijlage I bij die verordening voor zover relevant voor Kroatië, blijven van toepassing tot en met 31 december 2021.

Artikel 141
Overgangsmaatregelen

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 138 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen met maatregelen die nodig zijn om verworven rechten en het gewettigd vertrouwen van begunstigden te beschermen, voor zover dat nodig is om een vlotte overgang van de bij de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 ingestelde regelingen naar die van de onderhavige verordening te vergemakkelijken. Die overgangsregels stellen meer in het bijzonder de voorwaarden vast waaronder door de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013 goedgekeurde steun kan worden geïntegreerd in steun uit hoofde van deze verordening, waaronder voor technische bijstand en voor de ex-post-evaluaties.

Artikel 142
Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de [...] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

1.2.Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur

1.3.Aard van het voorstel/initiatief

1.4.Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.Duur en financiële gevolgen

1.6.Beheersvorm(en)

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen

2.2.Beheers- en controlesysteem

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

3.2.2.Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

3.2.3.Bijdragen van derden

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

1.KADER VAN HET VOORSTEL

1.1.Benaming van het voorstel

a) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013;

b) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad;

c) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten, (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, (EU) nr. 251/2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten, (EU) nr. 228/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en (EU) nr. 229/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee.

1.2.Betrokken beleidsterrein(en) (programmacluster)

Programmacluster 8 – Landbouw- en maritiem beleid onder rubriek 3 van het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 – Natuurlijke hulpbronnen en milieu

1.3.Het voorstel/initiatief betreft:

 een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie 41 ; 

 de verlenging van een bestaande actie; 

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie. 

1.4.Motivering van het voorstel/initiatief

1.4.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

Zoals is vastgesteld in artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft het gemeenschappelijk landbouwbeleid ten doel:

a) de productiviteit van de landbouw te doen toenemen (onder meer door technische vooruitgang en een optimaal gebruik van de productiefactoren);

b) aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren (onder meer door de verhoging van het inkomen);

c) de markten te stabiliseren;

d) de voorziening veilig te stellen; en

e) ervoor te zorgen dat de producten tegen redelijke prijzen bij de consumenten terechtkomen.

Deze doelstellingen zijn aangepast en geformuleerd in het licht van de in afdeling 1.4.2 hieronder vermelde uitdagingen om de nadruk te leggen op de tien prioriteiten van de Commissie voor 2015-2019 en de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en om uitvoering te geven aan de hierboven genoemde zaken, zijn de voorstellen gericht op de vaststelling van het wetgevend kader voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2021-2027 – Een eenvoudiger, slimmer, modern en duurzamer GLB.

1.4.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de Unie (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder "toegevoegde waarde van de deelname van de Unie" verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die door een optreden van alleen de lidstaat zou zijn gecreëerd.

Gezien het grensoverschrijdende en mondiale karakter van de belangrijkste uitdagingen waarmee de landbouw en de plattelandsgebieden in de EU worden geconfronteerd, is een gemeenschappelijk beleid op EU-niveau noodzakelijk. Het GLB pakt deze uitdagingen aan door:

● te zorgen voor een eengemaakte markt en een gelijk speelveld via een steunregeling met een gemeenschappelijk inkomensvangnet die voedselzekerheid ondersteunt en mogelijke concurrentieverstoringen vermijdt;

● de veerkracht van de landbouwsector in de EU te versterken om de mondialisering te benutten; en

● resultaten te boeken ten aanzien van belangrijke aspecten van duurzaamheidsuitdagingen zoals klimaatverandering, watergebruik, luchtkwaliteit en biodiversiteit via de milieuarchitectuur van het GLB.

In andere gebieden moet een sterke EU-brede dimensie worden gecombineerd met meer subsidiariteit. Die gebieden zijn onder meer voedselveiligheid (bijvoorbeeld door harmonisatie van normen), uitdagingen op het platteland (met grote verschillen qua werkloosheid op het platteland tussen de lidstaten), gebrekkige infrastructuur en diensten op het platteland, zwakke punten op het gebied van onderzoek en innovatie, en problemen met betrekking tot voedselkwaliteit, volksgezondheid en voeding. Er kan doeltreffender en efficiënter worden opgetreden door een passende reactie op EU-niveau op deze uitdagingen te combineren met meer flexibiliteit op het niveau van de lidstaten.

1.4.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

Op basis van de evaluatie van het huidige beleidskader, van uitvoerig overleg met belanghebbenden en van een analyse van de toekomstige uitdagingen en behoeften is een uitgebreide effectbeoordeling verricht. Gedetailleerde informatie hierover is te vinden in de effectbeoordeling en de toelichting die bij de wetgevingsvoorstellen zijn gevoegd.

1.4.4.Verenigbaarheid en eventuele synergie met andere passende instrumenten

Vooral wat het GLB betreft, zullen aanzienlijke synergieën en vereenvoudigingseffecten worden verkregen door de uitvoering van uit het ELGF en het Elfpo gefinancierde interventies binnen één strategisch kader van het strategisch GLB-plan onder te brengen. De reeds in de lidstaten bestaande structuren zullen worden behouden terwijl de beheers- en controleregels zullen worden vereenvoudigd en zullen worden toegesneden op de specifieke interventies die door de lidstaten worden verricht.

Het GLB behoudt sterke synergieën met klimaat- en milieubeleid, voedselveiligheid en gezondheidsgerelateerde kwesties, de digitale agenda in plattelandsgebieden en de bio-economie, kennis en innovatie, uitbreidings- en nabuurschapsbeleid, handels- en ontwikkelingsbeleid en Erasmus+.

Het GLB zal op synergetische en complementaire wijze samenwerken met andere EU-beleidsmaatregelen en -fondsen, zoals acties in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen, het InvestEU-fonds, het negende kaderprogramma voor onderzoek, en milieu- en klimaatgerelateerd beleid. Waar passend zullen gemeenschappelijke regels worden vastgesteld om de samenhang en de complementariteit van de fondsen te maximaliseren, zonder de eigenheid van deze beleidsterreinen uit het oog te verliezen.

Synergieën met het kaderprogramma voor onderzoek (KP) zullen worden gewaarborgd in de KP9-cluster inzake voedsel en natuurlijke hulpbronnen, waarvan het doel erin bestaat de landbouw- en voedselsystemen volledig veilig, duurzaam, veerkrachtig, circulair, divers en innovatief te maken. Het GLB zal nog sterkere banden met het onderzoeks- en innovatiebeleid van de EU tot stand brengen door bio-economie als een prioriteit voor het GLB aan te merken. Binnen de cluster inzake voedsel en natuurlijke hulpbronnen zal ook nadruk worden gelegd op het plukken van de vruchten van de digitale revolutie, zodat onderzoeks- en innovatieactiviteiten zullen bijdragen aan de digitale transformatie van de landbouw en de plattelandsgebieden.

De wetgevingsvoorstellen waarop dit financieel memorandum betrekking heeft, moeten worden beschouwd in de bredere context van het voorstel voor de verordening gemeenschappelijke bepalingen tot vaststelling van een enkel kader van gemeenschappelijke regels voor fondsen zoals het Elfpo, het Europees fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en andere. Die kaderverordening zal een belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen van de administratieve lasten, aan de doeltreffende besteding van de EU-fondsen en aan het in praktijk brengen van vereenvoudiging.

1.5.Duur en financiële gevolgen

beperkte geldigheidsduur

   van kracht vanaf 1.1.2021 tot en met 31.12.2027

   financiële gevolgen vanaf 2021 tot en met 2027 voor vastleggingskredieten en vanaf 2021 tot na 2027 voor betalingskredieten

 onbeperkte duur voor het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten, (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, (EU) nr. 251/2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten, (EU) nr. 228/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en (EU) nr. 229/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

uitvoering vanaf 2021 (begrotingsjaar)

1.6.Beheersvorm(en) 42  

 Direct beheer door de Commissie

   door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;

   door de uitvoerende agentschappen

 Gedeeld beheer met de lidstaten

 indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:

derde landen of de door hen aangewezen organen;

internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);

de EIB en het Europees Investeringsfonds;

de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;

publiekrechtelijke organen;

privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;

privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;

personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen".

Opmerkingen

Geen ingrijpende wijziging ten opzichte van de huidige situatie, d.w.z. de uitgaven die verband houden met de wetgevingsvoorstellen inzake de hervorming van het GLB worden grotendeels beheerd in de vorm van gedeeld beheer met de lidstaten. Een zeer gering deel zal evenwel nog steeds onder direct gecentraliseerd beheer door de Commissie vallen.

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen

Vermeld frequentie en voorwaarden.

Er zal een prestatie-, monitoring- en evaluatiekader worden opgezet met het oog op:

a)    het beoordelen van de impact, doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van het GLB;

b)    het vaststellen van mijlpalen en streefcijfers voor specifieke doelstellingen van de strategische GLB-plannen;

c)    het monitoren van de voortgang in de richting van de streefcijfers in het strategisch GLB-plan;

d)    het beoordelen van de impact, doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie en samenhang van de interventies in de strategische GLB-plannen;

e)    het ondersteunen van een gemeenschappelijk leerproces met betrekking tot monitoring en evaluatie.

De beheersautoriteit en het monitoringcomité zullen de uitvoering van het strategisch GLB-plan en de vooruitgang in de richting van de verwezenlijking van de streefcijfers van het strategisch GLB-plan monitoren.

Jaarlijkse prestatieverslagen

Uiterlijk op 15 februari 2023 en 15 februari van elk daaropvolgend jaar tot en met 2030 dienen de lidstaten bij de Commissie jaarlijkse prestatieverslagen over de uitvoering van het strategisch GLB-plan in het voorbije begrotingsjaar in. In deze verslagen wordt de voornaamste kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de uitvoering van het strategisch GLB-plan gepresenteerd onder verwijzing naar financiële gegevens, output- en resultaatindicatoren. Deze verslagen bevatten tevens informatie over gerealiseerde outputs, gerealiseerde uitgaven, gerealiseerde resultaten en de afstand tot de respectieve streefcijfers.

De toegezonden gegevens hebben betrekking op bereikte waarden voor indicatoren voor gedeeltelijk en volledig uitgevoerde interventies. Ook wordt in de verslagen een synthese gegeven van de gedurende het voorbije begrotingsjaar gerealiseerde stand van uitvoering van het strategisch GLB-plan, eventuele kwesties die van invloed zijn op de prestaties van het strategisch GLB-plan, met name wat betreft afwijkingen van de mijlpalen, achterliggende redenen en, indien van toepassing, de genomen maatregelen.

De Commissie verricht een jaarlijkse prestatie-evaluatie en een jaarlijkse prestatiegoedkeuring op basis van de in de jaarlijkse prestatieverslagen verstrekte informatie.

Evaluatie van het strategisch GLB-plan

De lidstaten voeren ex-ante-evaluaties uit, waaronder een analyse van de sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen die relevant zijn voor het betrokken strategisch GLB-plan, teneinde de behoeften te bepalen waaraan door het strategisch GLB-plan moet worden tegemoetgekomen.

De evaluaties van de strategische GLB-plannen worden door de lidstaten verricht ter verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van de plannen alsook ter beoordeling van de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang, EU-meerwaarde en impact in verband met de bijdrage ervan aan de algemene en specifieke doelstellingen van het GLB.

Prestatiebeoordeling door de Commissie

De Commissie stelt een meerjarig plan voor de evaluatie van het GLB vast dat onder de verantwoordelijkheid van de Commissie moet worden uitgevoerd.

De Commissie verricht een tussentijdse evaluatie om de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van de fondsen te onderzoeken, rekening houdend met de in bijlage VII vastgestelde indicatoren. De Commissie kan gebruikmaken van alle relevante informatie die al beschikbaar is overeenkomstig artikel 128 van het Financieel Reglement.

De Commissie verricht een retrospectieve evaluatie om de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van de fondsen te onderzoeken.

Op basis van elementen verstrekt in de evaluaties van het GLB, met inbegrip van evaluaties van de strategische GLB-plannen, alsook andere relevante informatiebronnen, presenteert de Commissie uiterlijk op 31 december 2025 aan het Europees Parlement en de Raad een initieel verslag over de tenuitvoerlegging van dit artikel, met inbegrip van eerste resultaten over de prestaties van het GLB. Uiterlijk op 31 december 2031 wordt een tweede verslag met een beoordeling van de prestaties van het GLB gepresenteerd.

Verslaglegging op basis van een kernreeks van indicatoren

De Commissie maakt gebruik van een kernreeks van indicatoren om op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie verslag uit te brengen over de voortgang in de richting van de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen over de gehele programmeringsperiode.

Overeenkomstig haar verslagleggingsverplichting uit hoofde van artikel 38, lid 3, onder e) i), van het Financieel Reglement presenteert de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad de in dat artikel bedoelde informatie over de prestaties gemeten aan de hand van de kernreeks van indicatoren.

2.2.Beheers- en controlesyste(e)m(en)

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

Het GLB wordt voornamelijk uitgevoerd in gedeeld beheer met de lidstaten. De bestaande governance-instanties die in de lidstaten zijn opgericht, met name de betaalorganen en de certificerende instanties, hebben hun doeltreffendheid bewezen op het gebied van het beschermen van de EU-begroting en het waarborgen van deugdelijk financieel beheer. Het stabiel lage foutenpercentage in het kader van het GLB de jongste jaren toont aan dat de door de lidstaten opgezette beheers- en controlesystemen naar behoren functioneren en redelijke zekerheid bieden.

Het nieuwe uitvoeringsmodel in het kader van het GLB erkent deze situatie door de lidstaten meer subsidiariteit te bieden met betrekking tot het bepalen en het beheer van de bestaande controlesystemen, binnen een meer algemene reeks regels op het niveau van de Unie. Bovendien zal het GLB, door de strategie inzake een resultaatgerichte begroting en prestatiegerichte betalingen te volgen, de subsidiabiliteit van de betalingen koppelen aan de werkelijke prestaties in de praktijk. Prestaties staan dan ook centraal in het model voor financieel beheer en zekerheid in de wetgevingsvoorstellen voor het GLB na 2020.

De controlestrategie voor de nieuwe periode zal volledig in overeenstemming zijn met de "single audit"-benadering, door te waarborgen dat geaccrediteerde betaalorganen en certificerende instanties de nodige zekerheid bieden. De Commissie zal bijzondere aandacht besteden aan de doeltreffende werking van de ingevoerde governancesystemen en de betrouwbaarheid van de verslaglegging over prestaties. Zoals thans het geval is, zullen aan het begin van de periode een auditstrategie en een meerjarig werkprogramma worden opgesteld.

Samengevat: de Commissie zal ervoor zorgen dat de in de lidstaten opgezette governancesystemen doeltreffend functioneren, zal de door de geaccrediteerde betaalorganen gedane betalingen terugbetalen en zal een jaarlijkse prestatiegoedkeuring verrichten in het kader waarvan een beoordeling wordt gemaakt van de gegenereerde outputs die door de lidstaten zijn gerapporteerd.

2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico's en het (de) syste(e)(men) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico's te beperken

Het GLB telt meer dan zeven miljoen begunstigden, die steun ontvangen in het kader van een van de vele verschillende steunregelingen. Uit de neerwaartse trend van het foutenpercentage op het gebied van het GLB blijkt dat de beheers- en controlesystemen van de betaalorganen robuust en betrouwbaar zijn.

Het GLB is tot dusver uitgevoerd door middel van gedetailleerde subsidiabiliteitsregels op het niveau van de begunstigde, wat de complexiteit, de administratieve last en het foutenrisico verhoogde. De kosten van het beheers- en controlesysteem, dat dit risico moet beperken, worden als enigszins buitenproportioneel beschouwd.

Het wetgevingspakket voor het GLB na 2020 reduceert het nalevingsaspect aanzienlijk en legt meer nadruk op prestaties. Uit EU-regels voortvloeiende verplichtingen moeten door de lidstaten worden vervuld, die vervolgens het passende beheers- en controlesysteem moeten opzetten. De lidstaten zullen over meer flexibiliteit beschikken voor het ontwerpen van regelingen en maatregelen die beter aansluiten bij hun concrete realiteit. Daarom zal de GLB-financiering worden gericht op een strategische uitvoering van het beleid met het oog op gemeenschappelijke doelstellingen vastgesteld op EU-niveau. Het GLB-plan is de overeenkomst tussen de lidstaten en de Commissie waarbij de zevenjarige strategie, streefcijfers, interventies en geplande uitgaven worden vastgesteld en goedgekeurd.

Het voorstel voor de verordening inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid past de huidige structuur aan dit nieuwe uitvoeringsmodel aan, met behoud van de goed functionerende governance-instanties (betaalorganen en certificerende instanties). Zoals nu al het geval is, moet het hoofd van elk betaalorgaan jaarlijks een beheersverklaring verstrekken die betrekking heeft op de volledigheid, nauwkeurigheid en waarheidsgetrouwheid van de rekeningen, op de goede werking van de governancestructuren, met inbegrip van de vervulling van de basisvereisten van de EU, en op de betrouwbaarheid van de verslaglegging over prestaties. Een onafhankelijk auditorgaan (certificerende instantie) moet een oordeel geven over deze elementen.

De uitgaven zullen worden verlaagd als de lidstaat de outputs niet volgens de overeengekomen normen heeft gegenereerd. Er zullen nalevingsaudits worden verricht om de werking van de governancestructuren te beoordelen. De Commissie zal de landbouwuitgaven blijven controleren middels een op risicoanalyse gebaseerde aanpak om te garanderen dat de controles worden gericht op de gebieden met het grootste risico, overeenkomstig het "single audit"-beginsel. Voorts zijn er duidelijke mechanismen voor schorsingen van betalingen in geval van ernstige tekortkomingen in de governancestructuren of trends van aanzienlijke ondermaatse prestaties.

Het grootste risico dat voor de nieuwe periode valt te voorzien, is dat de versoepeling van de concrete en gedetailleerde regels voor de wijze waarop het beheers- en controlesysteem in de lidstaat moet worden vastgesteld op het niveau van de betaalorganen reputatieschade voor de Commissie kan opleveren in gevallen waarin de door de lidstaten vastgestelde subsidiabiliteitsregels niet in acht worden genomen. Benadrukt moet worden dat de Commissie zal waarborgen dat er governancesystemen worden ingevoerd en outputs en resultaten worden gehaald. In de geest van een resultaatgerichte begroting zal de Commissie de nadruk leggen op de uitkomsten van het beleid.

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)

Verwacht wordt dat het nieuwe uitvoeringsmodel voor het GLB de kosten van controles aanzienlijk zal verminderen, zowel voor de lidstaten als voor de begunstigden.

De vereisten op EU-niveau zijn aanzienlijk verminderd en ze worden ingevuld op het niveau van de lidstaten, die zouden moeten gebruikmaken van deze gelegenheid om de door de begunstigden te vervullen verplichtingen aan de concrete nationale of regionale omstandigheden aan te passen.

De lidstaten zullen het beheers- en controlesysteem vaststellen binnen het vereenvoudigde EU-kader dat in de wetgevingsvoorstellen is bepaald. Het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS), dat ruwweg 88 % van de GLB-betalingen bestrijkt, wordt behouden, hoewel bepaalde elementen die tot dusver op EU-niveau werden vastgesteld, aan de lidstaten zullen worden overgelaten. De intensiteit en reikwijdte van de controles, wat de voornaamste kostenaanjager is, zullen dus niet meer op EU-niveau worden bepaald.

De focus op prestaties vergt een robuust en betrouwbaar verslagleggingssysteem, dat, zoals in vorige delen is vermeld, aan onafhankelijke audits zal worden onderworpen. Er wordt echter niet verwacht dat dit een grote impact op de administratieve lasten van de lidstaten zal hebben, aangezien de meeste outputindicatoren al beschikbaar zijn in de geaccrediteerde betaalorganen.

De lidstaten hebben de mogelijkheid om de administratieve lasten die met het beheer en de controle van het GLB gepaard gaan, te vereenvoudigen en te verlichten, aangezien zij in staat zullen zijn om subsidiabiliteitsregels op het niveau van de begunstigden af te stemmen en de meest geschikte wijze van controle kunnen bepalen (geen "one size fits all"). Zoals is vermeld in het hoofdstuk inzake vereenvoudiging in de effectbeoordeling bij de GLB-wetgevingsvoorstellen, zullen de uitvoeringskosten voor het nieuwe GLB naar verwachting niet toenemen (momenteel bedragen ze 3,6 %), zelfs niet als rekening wordt gehouden met de sterkere nadruk op verslaglegging over prestaties.

Wat het verwachte foutenpercentage betreft: volgens het nieuwe uitvoeringsmodel wordt de subsidiabiliteit van de uitgaven beoordeeld in termen van bereikte outputs. Fouten zouden dus niet worden berekend met betrekking tot de wettigheid en de regelmatigheid van individuele transacties, maar op het niveau van de bereikte outputs ten opzichte van de terugbetaalde uitgaven. De uitgaven die geen corresponderende output hebben, zullen worden verlaagd in het kader van de jaarlijkse prestatiegoedkeuring, zodat de EU-begroting wordt gevrijwaard.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen, bijv. in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie.

In het wetgevingspakket is bepaald dat de lidstaten zorgen voor een doeltreffende fraudepreventie, met name in de gebieden met een hoger risiconiveau, door onregelmatigheden en fraude te voorkomen, op te sporen en te corrigeren. De lidstaten moeten doeltreffende, ontradende en proportionele straffen opleggen zoals vastgesteld in wetgeving van de Unie of nationaal recht, en moeten onregelmatige betalingen met rente terugvorderen.

Deze EU-basisvereisten maken deel uit van de governancestructuren die zullen worden geauditeerd door de certificerende instanties en, volgens een risicogebaseerde benadering, ook door de Commissie overeenkomstig het "single audit"-beginsel.

Bijzonderheden zullen, waar passend, worden geregeld in een door DG AGRI herziene antifraudestrategie. Er wordt echter niet verwacht dat de typologie van fraude en andere ernstige onregelmatigheden in de toekomst aanzienlijk zal veranderen ten opzichte van de huidige stand van zaken.

De huidige lijn, waarbij aan de lidstaten gerichte opleiding wordt aangeboden inzake de preventie, opsporing en correctie van fraude en andere ernstige onregelmatigheden, zal waarschijnlijk worden doorgetrokken naar het toekomstige GLB. Hetzelfde geldt voor de thematische richtsnoeren voor de lidstaten inzake specifieke gebieden met een hoog risico.

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL

De in dit financieel memorandum vermelde bedragen zijn uitgedrukt in lopende prijzen.

Naast de in de onderstaande tabellen opgenomen wijzigingen die voortvloeien uit de wetgevingsvoorstellen, impliceren de wetgevingsvoorstellen ook andere wijzigingen die geen financiële gevolgen hebben.

Met betrekking tot de marktgerelateerde uitgaven moet worden benadrukt dat voor de bedragen van de marktgerelateerde uitgaven is uitgegaan van een situatie zonder openbare-interventieaankopen en andere crisismaatregelen in om het even welke sector.

Er zal een nieuwe landbouwreserve in het ELGF worden aangelegd om aanvullende steun voor de landbouwsector te verstrekken voor vangnetmaatregelen in de context van het beheer of de stabilisatie van de markt en/of in geval van crises die de landbouwproductie of -distributie treffen. Het bedrag van de reserve is minstens 400 miljoen EUR aan het begin van elk begrotingsjaar. De ongebruikte bedragen van de landbouwcrisisreserve in begrotingsjaar 2020 zullen worden overgedragen naar begrotingsjaar 2021 om de reserve aan te leggen; in de periode 2021-2027 zullen de ongebruikte bedragen elk jaar worden doorgerold. Wanneer de reserve wordt gebruikt, wordt ze aangevuld met bestaande beschikbare begrotingsmiddelen of met nieuwe kredieten. Bij overschrijding van het in het MFK 2021-2027 vastgestelde specifieke ELGF-submaximum is de financiële discipline van toepassing ter dekking van alle behoeften boven het submaximum, met inbegrip van die voor het aanvullen van de reserve. Daarom wordt in de periode 2021-2027 niet voorzien in de herhaalde toepassing van financiële discipline om de reserve aan te leggen. Het mechanisme van financiële discipline blijft behouden om de inachtneming van het ELGF-submaximum te waarborgen.

Wat interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen betreft, zijn de bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 voor begrotingsjaar 2021 (kalenderjaar 2020) vastgestelde nettomaxima hoger dan de bedragen die zijn toegewezen aan de interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen die zijn opgenomen in de bijgaande tabellen en bijgevolg zullen zij moeten worden aangepast overeenkomstig de definitieve overeenkomst inzake de financiële enveloppe voor het GLB binnen de termijnen die nodig zijn voor de tijdige uitvoering in de lidstaten.

Het voorstel houdt een voortzetting van het proces van externe convergentie van rechtstreekse betalingen in: lidstaten met een gemiddeld steunniveau van minder dan 90 % van het EU-gemiddelde zullen 50 % van de kloof ten opzichte van 90 % van het EU-gemiddelde geleidelijk dichten in zes stappen vanaf 2022. Alle lidstaten zullen bijdragen aan de financiering van deze convergentie. Hiermee is rekening gehouden in de toewijzingen aan de lidstaten voor rechtstreekse betalingen in bijlage IV bij de verordening inzake de strategische GLB-plannen.

Het effect van de vermindering van betalingen voor rechtstreekse steun aan landbouwers is begrotingsneutraal voor de toewijzing van rechtstreekse betalingen aangezien de opbrengst van de vermindering van de betalingen zal worden gebruikt om herverdelingsbetalingen binnen dezelfde lidstaat te financieren. In het geval dat de opbrengst van de verlaging van de betalingen niet kan worden ingepast in de financiering van interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen, wordt ze overgedragen naar de Elfpo-toewijzing van de betrokken lidstaat. De bedragen van zulk een mogelijke overdracht kunnen in dit stadium niet worden gekwantificeerd.

Wat de bestemmingsontvangsten voor het ELGF betreft, weerspiegelt de raming het effect van het uitstel en de termijnen die in het kader van voorbije goedkeuringsbesluiten zijn verleend en waarvoor de betalingen na 2020 zullen worden ontvangen, en de geraamde te innen bestemmingsontvangsten uit de goedkeuring van de rekeningen en uit terugvorderingen wegens onregelmatigheden. Verondersteld wordt dat dit laatste element zal afnemen vergeleken met de huidige niveaus als gevolg van de invoering van het nieuwe uitvoeringsmodel.

Wat het Elfpo betreft, voorziet het voorstel in een afname van de medefinancieringspercentages van de EU vergelijkbaar met die in de andere Europese structuur- en investeringsfondsen. Samen met de toewijzing voor de Elfpo-interventietypes zal dit het mogelijk maken de overheidssteun aan Europese plattelandsgebieden grotendeels ongewijzigd te laten. De verdeling tussen de lidstaten is gebaseerd op objectieve criteria en prestaties in het verleden.

De hervormingsvoorstellen bevatten bepalingen die de lidstaten een mate van flexibiliteit bieden met betrekking tot hun toewijzing voor interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen en die voor interventietypes voor plattelandsontwikkeling, alsook tussen de toewijzing voor interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen en die voor bepaalde sectorale interventietypes. Indien lidstaten besluiten gebruik te maken van die flexibiliteit, dan heeft dat financiële gevolgen binnen de bestaande financiële bedragen, die in dit stadium niet kunnen worden gekwantificeerd.

3.1.Rubriek van het meerjarig financieel kader en voorlopige lijst van voorgestelde nieuwe begrotingsonderdelen 43  

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort
krediet

Bijdrage

Rubriek 3:

Natuurlijke hulpbronnen en milieu

GK/NGK 44 .

van EVA-landen 45

van kandidaat-lidstaten 46

van derde landen

in de zin van artikel [21, lid 2, onder b),] van het Financieel Reglement

3

[08.01.YY] Niet-operationele technische bijstand (ELGF)

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

3

[08.01.YY] Niet-operationele technische bijstand (Elfpo)

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

3

[08.01.YY] Uitvoerende agentschappen

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

3

[08.02.YY] Landbouwreserve

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

3

[08.02.YY] Sectorale interventietypes in het kader van het GLB-plan

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

3

[08.02.YY] Marktgerelateerde uitgaven buiten het GLB-plan

GK en NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

3

[08.02.YY] Interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen in het kader van het GLB-plan

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

3

[08.02.YY] Rechtstreekse betalingen buiten het GLB-plan

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

3

[08.02.YY] Operationele technische bijstand (ELGF)

GK en NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

3

[08.03.YY] Interventietypes voor plattelandsontwikkeling in kader van het GLB-plan in de periode 2021-2027

GK

NEE

NEE

NEE

NEE

3

[08.03.YY] Operationele technische bijstand (Elfpo)

GK

NEE

NEE

NEE

NEE

7

[08.01.YY] Uitgaven in verband met ambtenaren en tijdelijke functionarissen in het beleidsterrein "Landbouw en plattelandsontwikkeling"

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

7

[08.01.YY] Extern personeel en overige beheersuitgaven ter ondersteuning van het beleidsterrein "Landbouw en plattelandsontwikkeling"

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

7

[08.01.YY] Uitgaven in verband met uitrusting en diensten voor informatie- en communicatietechnologie op het beleidsterrein "Landbouw en plattelandsontwikkeling"

NGK

NEE

NEE

NEE

NEE

De lijst van begrotingsonderdelen in de tabel hierboven is voorlopig en prejudicieert niet op de concrete begrotingsnomenclatuur die de Commissie zal voorstellen in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

in miljoen EUR (met drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel
kader

3

Natuurlijke hulpbronnen en milieu

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Na 2027

TOTAAL

08 02 YY – Landbouwreserve

Vastleggingen = betalingen

(1)

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

08 02 YY – Sectorale interventietypes in het kader van het GLB-plan  47

Vastleggingen = betalingen

(2)

2 044,116

2 066,584

2 091,060

2 115,010

2 139,737

2 165,443

2 192,347

14 814,294

08 02 YY - Marktgerelateerde uitgaven buiten het GLB-plan

Vastleggingen

(3)

638,309

638,309

638,309

638,309

638,309

638,309

638,309

4 468,163

Betalingen

(4)

605,136

611,601

623,808

627,643

629,770

630,334

630,314

109,558

4 468,164

08 02 YY – Interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen

Vastleggingen = betalingen

(5)

37 392,689

37 547,129

37 686,679

37 802,859

37 919,038

38 035,217

38 151,396

 

264 535,007

08 02 YY – Rechtstreekse betalingen buiten het GLB-plan

Vastleggingen = betalingen

(6)

421,321

421,321

421,321

421,321

421,321

421,321

421,321

 

2 949,249

08 02 YY – Operationele technische bijstand (ELGF) 48

Vastleggingen = betalingen 49

(7)

71,000

71,000

71,000

71,000

71,000

71,000

71,000

497,000

08 01 YY – Uit het ELGF gefinancierde administratieve kredieten 50

Vastleggingen = betalingen

(8)

13,000

13,000

13,000

13,000

13,000

13,000

13,000

91,000

67 01 en 67 02 – Bestemmingsontvangsten voor het ELGF

Vastleggingen = betalingen

(9)

280,000

230,000

130,000

130,000

130,000

130,000

130,000

1 160,000

SUBTOTAAL – ELGF

Vastleggingen

(10)=(1+2+3+5+6+7+8-9)

40 300,435

40 527,343

40 791,369

40 931,499

41 072,405

41 214,290

41 357,373

 

286 194,715

Betalingen

11)=(1+2+4+5+6+7+8-9)

40 267,262

40 500,635

40 776,868

40 920,833

41 063,866

41 206,315

41 349,378

109,558

286 194,715

08 03 YY – Interventietypes voor plattelandsontwikkeling

Vastleggingen

(12)

11 230,561

11 230,561

11 230,561

11 230,561

11 230,561

11 230,561

11 230,561

 

78 613,927

Betalingen

(13)

786,139

3 703,699

6 314,312

7 860,977

9 356,414

10 331,700

11 025,236

29 235,450

78 613,927

08 03 YY – Operationele technische bijstand (Elfpo) EU

Vastleggingen = betalingen 51

(14)

22,147

22,147

22,147

22,147

22,147

22,147

22,147

 

155,029

08 01 YY - Uit het Elfpo gefinancierde administratieve kredieten

Vastleggingen = betalingen

(15)

6,000

6,000

6,000

6,000

6,000

6,000

6,000

 

42,000

SUBTOTAAL – ELFPO

Vastleggingen

(16)=(12+14+15)

11 258,708

11 258,708

11 258,708

11 258,708

11 258,708

11 258,708

11 258,708

 

78 810,955

Betalingen

(17)=(13+14+15)

814,286

3 731,846

6 342,459

7 889,124

9 384,561

10 359,847

11 053,383

29 235,450

78 810,955

TOTAAL kredieten voor het GLB

Vastleggingen

=10+16

51 559,143

51 786,051

52 050,077

52 190,207

52 331,113

52 472,998

52 616,081

 

365 005,670

Betalingen

=11+17

41 081,548

44 232,481

47 119,327

48 809,957

50 448,427

51 566,162

52 402,761

29 345,008

365 005,670

Door afronding kloppen de totalen niet exact.



Rubriek van het meerjarig financieel
kader

7

"Administratieve uitgaven"

in miljoen EUR (met drie decimalen)

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Na 2027

TOTAAL

Personele middelen

125,678

125,678

125,678

125,678

125,678

125,678

125,678

879,746

Andere administratieve uitgaven

6,008

6,008

6,008

6,008

6,008

6,008

6,008

42,056

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

Vastleggingen = betalingen

131,686

131,686

131,686

131,686

131,686

131,686

131,686

921,802

in miljoen EUR (met drie decimalen)

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Na 2027

TOTAAL

TOTAAL kredieten
voor alle RUBRIEKEN
van het meerjarig financieel kader
 

Vastleggingen

51 690,829

51 917,737

52 181,763

52 321,893

52 462,799

52 604,684

52 747,767

 

365 927,472

Betalingen

41 213,234

44 364,167

47 251,013

48 941,643

50 580,113

51 697,848

52 534,447

29 345,008

365 927,472

Door afronding kloppen de totalen niet exact.

3.2.2.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig.

   Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Jaren

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

TOTAAL

RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

Personele middelen

125,678

125,678

125,678

125,678

125,678

125,678

125,678

879,746

Andere administratieve uitgaven

6,008

6,008

6,008

6,008

6,008

6,008

6,008

42,056

Subtotaal RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

131,686

131,686

131,686

131,686

131,686

131,686

131,686

921,802

Buiten RUBRIEK 7 52
van het meerjarig financieel kader

Personele middelen

1,850

1,850

1,850

1,850

1,850

1,850

1,850

12,950

Andere administratieve
uitgaven

17,150

17,150

17,150

17,150

17,150

17,150

17,150

120,050

Subtotaal
buiten RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

19,000

19,000

19,000

19,000

19,000

19,000

19,000

133,000

Door afronding kloppen de totalen niet exact.

TOTAAL

150,686

150,686

150,686

150,686

150,686

150,686

150,686

1 054,802

De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

3.2.2.1.Geraamde personeelsbehoeften

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.

   Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Raming in voltijdequivalenten

Jaren

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

• Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

Zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie

845

845

845

845

845

845

845

Delegaties

3

3

3

3

3

3

3

Onderzoek

Extern personeel (in voltijdequivalenten VTE) – AC, AL, END, INT en JPD  53

Rubriek 7

Gefinancierd uit RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader 

- zetel

57,75

57,75

57,75

57,75

57,75

57,75

57,75

- delegaties

1

1

1

1

1

1

1

Gefinancierd uit het budget van het programma  54

- zetel

29

29

29

29

29

29

29

- delegaties

Onderzoek

Andere (geef aan welke)

TOTAAL

935,75

935,75

935,75

935,75

935,75

935,75

935,75

Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

3.2.3.Bijdragen van derden

Het voorstel/initiatief:

   voorziet niet in medefinanciering door derden;

   voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Jaren

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

TOTAAL

Medefinancieringsbron 

TOTAAL medegefinancierde kredieten

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

   Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

   Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

   voor de eigen middelen

   voor de overige ontvangsten

Geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven    

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Gevolgen van het voorstel

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

67 01 en 67 02

280

230

130

130

130

130

130

Vermeld voor de toegewezen ontvangsten het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.

08 02 YY – Sectorale Interventietypes

08 02 YY – Interventietypes in de vorm van rechtstreekse betalingen

Andere opmerkingen (bijv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

Zie de opmerkingen onder punt 3.

(1)    [COM(2018) 322 final - MFK-verordening].
(2)    Ingesteld bij artikel 110 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen  (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad, en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 834/2014 van de Commissie van 22 juli 2014 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
(3)    Europese Commissie (2017) Evaluation and studies plan 2017-2021, directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling .
(4)    Zie: https://ec.europa.eu/agriculture/statistics/facts-and-figures_en https://ec.europa.eu/agriculture/sites/agriculture/files/consultations/cap-modernising/eco_background_final_en.pdf https://ec.europa.eu/agriculture/sites/agriculture/files/consultations/cap-modernising/env_background_final_en.pdf https://ec.europa.eu/agriculture/sites/agriculture/files/consultations/cap-modernising/soc_background_final_en.pdf
(5)    Het verslag (in het Engels) van de Taskforce landbouwmarkten (AMTF) uit 2016 is te vinden op: Improving Market Outcomes Enhancing the Position of Farmers in the supply chain .
(6)    Europese Commissie (2016) Cork 2.0: Europese conferentie over plattelandsontwikkeling, zie   https://ec.europa.eu/agriculture/events/rural-development-2016nl   .
(7)    PB C van , blz. .
(8)    PB C van , blz. .
(9)    Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).
(10)    Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).
(11)    Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(12)    Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(13)    Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).
(14)    Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).
(15)    Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(16)    Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).
(17)    Memorandum van Overeenstemming betreffende bepaalde oliehoudende zaden tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika in het kader van de GATT (PB L 147 van 18.6.1993).
(18)    Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).  
(19)    Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(20)    Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(21)    PB L 123 van 20.12.1999, blz. 1.
(22)    Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(23)    Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 23).
(24)    Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 41).
(25)    Verordening (EU) […/...] van het Europees Parlement en de Raad van [datum] [volledige titel] (PB L ).
(26)    Verordening (EU) […/...] van het Europees Parlement en de Raad van [datum] [volledige titel] (PB L ).
(27)    Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 193 van 1.7.2014, blz. 1).
(28)    Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80).
(29)    Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).
(30)    Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).
(31)    "Een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)" (COM(2017) 339 final).
(32)    Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1).
(33)    Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8).
(34)    Memorandum van Overeenstemming betreffende bepaalde oliehoudende zaden tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika in het kader van de GATT (PB L 147 van 18.6.1993).
(35)    Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).
(36)    Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
(37)    Mededeling van de Commissie – Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).
(38)    Voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027; Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, COM(2018) 322 final.
(39)    Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
(40)    Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
(41)    In de zin van artikel 58, lid 2, onder a) of b), van het Financieel Reglement.
(42)    Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: https://myintracomm.ec.europa.eu/budgweb/EN/man/budgmanag/Pages/budgmanag.aspx  
(43)    Een aantal van de bestaande begrotingsonderdelen moet worden behouden en de nummering moet worden aangepast aan de nieuwe begrotingsnomenclatuur (bijvoorbeeld de huidige hoofdstukken 05 07 en 05 08). Naar aanleiding van de ontwikkeling van het GLB-voorstel zou de nomenclatuur kunnen worden aangepast.
(44)    GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.
(45)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(46)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaat-lidstaten van de Westelijke Balkan
(47)    Een toename van de sectorale interventietypes in het kader van het GLB-plan is te verklaren door de voor de steun aan de bijensector voorgestelde toewijzing ten belope van 60 miljoen EUR, alsook door de ontwikkeling van de uitgaven in de sector groenten en fruit, die niet worden begrensd door een enveloppe op EU-niveau, na het in het verleden waargenomen bestedingsniveau.
(48)    Met inbegrip van de thans uit de hoofdstukken 05 07 (Audit van de landbouwuitgaven) en 05 08 (Beleidsstrategie en -coördinatie voor het beleidsterrein Landbouw en plattelandsontwikkeling) gefinancierde bedragen.
(49)    Ter vereenvoudiging worden de kredieten voor technische bijstand in het kader van het ELGF hier als niet-gesplitst beschouwd. Het bedrag van de RAL ("reste à liquider") is doorgaans verwaarloosbaar in vergelijking met de totale bedragen waarop dit financieel memorandum betrekking heeft.
(50)    Met inbegrip van de bedragen die thans worden gefinancierd uit hoofde van onderdeel 05 01 04 01 – Ondersteunende uitgaven voor het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) – Niet-operationele technische bijstand en onderdeel 05 01 06 01 – Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding – Bijdrage van het programma ter bevordering van de afzet van landbouwproducten.
(51)    Ter vereenvoudiging worden de kredieten voor technische bijstand in het kader van het Elfpo hier als niet-gesplitst beschouwd. Het bedrag van de RAL ("reste à liquider") is doorgaans verwaarloosbaar in vergelijking met de totale bedragen waarop dit financieel memorandum betrekking heeft.
(52)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.
(53)    AC = Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL = Agent Local (plaatselijk functionaris); END = Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige); INT= Intérimaire (uitzendkracht); JPD = Jeune Professionnel en Délégation (jonge professional in delegaties).
(54)    Subplafond voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere "BA"-onderdelen).
Top

Brussel,1.6.2018

COM(2018) 392 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad

{SEC(2018) 305 final}
{SWD(2018) 301 final}


BIJLAGE I

IMPACT-, RESULTAAT- EN OUTPUTINDICATOREN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 7

Beoordeling van de prestaties van het beleid (meerjarig) – IMPACT

Jaarlijkse prestatie-evaluatie – RESULTAAT*

Jaarlijkse prestatiegoedkeuring – OUTPUT

Doelstellingen en hun respectieve impactindicatoren.*

Brede interventietypes en hun outputindicatoren.*

Horizontale doelstelling van de EU: Modernisering

Indicator

Resultaatindicatoren

(enkel gebaseerd op door het GLB gesteunde interventies)

Kennis- en innovatiesystemen voor de landbouw (AKIS)

Outputindicatoren

Bevorderen van kennis, innovatie en digitalisering in de landbouw en plattelandsgebieden en aanmoedigen van het gebruik ervan

I.1 Kennisdeling en innovatie: Aandeel van de GLB-begroting voor kennisdeling en innovatie

R.1 Verbetering van prestaties door kennis en innovatie: Aandeel landbouwers dat steun ontvangt voor advies, opleiding, kennisuitwisseling, of deelname aan operationele groepen ter verbetering van economische, milieu-, klimaat- en hulpbronnenefficiëntieprestaties.

Europees Innovatiepartnerschap voor landbouwkennis en innovatie (EIP)**

O.1 Aantal operationele groepen in het kader van het EIP

R.2 Koppeling van advies- en kennissystemen: aantal in het AKIS geïntegreerde adviseurs (ten opzichte van het totale aantal landbouwers)

O.2 Aantal adviseurs dat operationele groepen in het kader van het EIP opzet of eraan deelneemt

R.3 Digitalisering van de landbouw: Aandeel landbouwers dat steun voor precisielandbouwtechnologie in het kader van het GLB ontvangt





Specifieke doelstellingen van de EU

Impactindicatoren

Resultaatindicatoren

(enkel gebaseerd op door het GLB gesteunde interventies)

Brede interventietypes

Outputindicatoren(per interventie)

Bieden van steun met het oog op een levensvatbaar landbouwinkomen en veerkracht in de hele Unie om de voedselzekerheid te vergroten

I.2 Verkleinen van inkomensverschillen: Ontwikkeling van het landbouwinkomen ten opzichte van de algemene economie

R.4 Koppeling van inkomenssteun aan normen en goede praktijken: Aandeel onder inkomenssteun vallende en aan conditionaliteit onderworpen OCG

GLB-steun

O.3 Aantal begunstigden van GLB-steun

I.3 Verlagen van de  variabiliteit van de landbouwinkomens: Ontwikkeling van het landbouwinkomen

R.5 Risicobeheer: Aandeel landbouwbedrijven met instrumenten voor risicobeheer in het kader van het GLB

Ontkoppelde rechtstreekse steun

O.4 Aantal ha voor ontkoppelde RB

I.4 Ondersteunen van een levensvatbaar landbouwinkomen: Ontwikkeling van het landbouwinkomensniveau per sector (ten opzichte van het gemiddelde in de landbouw)

R.6 Herverdeling naar kleinere landbouwbedrijven: Percentage aanvullende steun per hectare voor in aanmerking komende landbouwbedrijven onder de gemiddelde bedrijfsomvang (ten opzichte van het gemiddelde)

 

O.5 Aantal begunstigden van ontkoppelde RB

I.5 Bijdragen aan territoriaal evenwicht: Ontwikkeling van het landbouwinkomen in gebieden met natuurlijke beperkingen (ten opzichte van het gemiddelde)

R.7 Verbetering van steun aan landbouwbedrijven in gebieden met specifieke behoeften: Percentage aanvullende steun per hectare in gebieden met hogere behoeften (ten opzichte van het gemiddelde)

O.6 Onder hogere inkomenssteun voor jonge landbouwers vallend aantal ha

O.7 Onder hogere inkomenssteun voor jonge landbouwers vallend aantal begunstigden

Vergroten van de marktgerichtheid en van het concurrentievermogen, onder meer door sterker te focussen op onderzoek, technologie en digitalisering

I.6 Verhogen van de productiviteit van landbouwbedrijven: Totale factorproductiviteit

R.8 Steunverlening gericht op landbouwbedrijven in sectoren in moeilijkheden:

Aandeel landbouwers dat gekoppelde steun ter verbetering van het concurrentievermogen, de duurzaamheid of de kwaliteit ontvangt

Risicobeheersinstrumenten

O.8 Aantal landbouwers vallend onder ondersteunde risicobeheersinstrumenten

I.7 Benutten van agrovoedingshandel: Invoer en uitvoer in het kader van agrovoedingshandel

R.9 Modernisering van landbouwbedrijven: Aandeel landbouwers dat investeringssteun ontvangt voor herstructurering en modernisering, waaronder ter verbetering van de hulpbronnenefficiëntie

Gekoppelde steun

O.9 Aantal ha waarvoor gekoppelde steun wordt ontvangen

Verbeteren van de positie van de landbouwers in de waardeketen

I.8 Verbeteren van de positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen: Toegevoegde waarde voor primaire producenten in de voedselvoorzieningsketen

R.10 Betere organisatie van de voorzieningsketen: Aandeel landbouwers dat deelneemt aan ondersteunde producentengroeperingen, producentenorganisaties, lokale markten, korte toeleveringsketens en kwaliteitsregelingen

O.10 Aantal dieren waarvoor gekoppelde steun wordt ontvangen

R.11 Concentratie van de voorziening: Aandeel van de waarde van de productie afgezet door producentengroeperingen met operationele programma’s

Betalingen voor natuurlijke beperkingen en andere regiogebonden beperkingen

O.11 Aantal ha waarvoor GNB-aanvulling wordt ontvangen (3 categorieën)

Bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en tot duurzame energie

 

I.9 Verbeteren van de veerkracht van landbouwbedrijven: Index

R.12 Aanpassing aan klimaatverandering: Aandeel landbouwgrond vallend onder verbintenissen om de aanpassing aan de klimaatverandering te verbeteren

O.12 Aantal ha waarvoor steun in het kader van Natura 2000 of de kaderrichtlijn water wordt ontvangen

I.10 Bijdragen aan de matiging van de klimaatverandering: Verminderen van BKG-emissies door de landbouw

I.11 Verbeteren van de koolstofvastlegging: Verhogen van de hoeveelheid organische koolstof in de bodem

I.12 Verhogen van duurzame energie in de landbouw: Productie van hernieuwbare energie door de land- en bosbouw

R.13 Verlaging van emissies in de veehouderijsector: Aandeel grootvee-eenheden waarvoor steun wordt ontvangen voor de reductie van emissies van BKG en/of ammoniak, met inbegrip van mestbeheer

R.14 Koolstofopslag in bodems en biomassa: Aandeel landbouwgrond vallend onder verbintenissen om emissies te beperken, koolstofopslag te behouden en/of te verbeteren (blijvend grasland, landbouwgrond in veengebied, bos enz.)

R.15 Groene energie uit land- en bosbouw: Investeringen in productiecapaciteit voor hernieuwbare energie, waaronder uit biologische bronnen (MW)

R.16 Verbetering van de energie-efficiëntie: Energiebesparing in de landbouw

R 17 Bebost land: Areaal met steun voor bebossing en de aanleg van beboste gronden, met inbegrip van boslandbouw

Betalingen voor beheersverbintenissen (milieu-klimaat, genetische hulpbronnen, dierenwelzijn)

O.13 Aantal ha (landbouw) vallend onder milieu/klimaatverbintenissen die verder gaan dan de verplichte vereisten





Specifieke doelstellingen van de EU

Impactindicatoren

Resultaatindicatoren

(enkel gebaseerd op door het GLB gesteunde interventies)

Brede interventietypes

Outputindicatoren (per interventie)

Bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht

I.13 Beperken van bodemerosie: Percentage grond onderhevig aan matige tot ernstige bodemerosie op landbouwgrond

R.18 Verbetering van bodems: Percentage landbouwgrond vallend onder beheersverbintenissen gunstig voor bodembeheer

O.14 Aantal ha (bosbouw) vallend onder milieu/klimaatverbintenissen die verder gaan dan de verplichte vereisten

I.14 Verbeteren van de luchtkwaliteit: Verminderen van ammoniakemissies door de landbouw

R.19 Verbetering van de luchtkwaliteit: Aandeel landbouwgrond vallend onder verbintenissen om de emissie van ammoniak te verminderen

O.15 Aantal ha met steun voor biologische landbouw

I.15 Verbeteren van de waterkwaliteit: Bruto nutriëntenbalans op landbouwgrond

R.20 Bescherming van de waterkwaliteit: Percentage landbouwgrond vallend onder beheersverbintenissen voor waterkwaliteit

O.16 Aantal grootvee-eenheden waarvoor steun voor dierenwelzijn, diergezondheid of verhoogde bioveiligheidsmaatregelen wordt ontvangen

I.16 Beperken van nutriëntenlekkage: Nitraten in grondwater – Percentage grondwaterstations met een N-gehalte van meer dan 50 mg/l volgens de nitraatrichtlijn

R.21 Duurzaam nutriëntenbeheer: Aandeel landbouwgrond vallend onder verbintenissen in verband met verbeterd nutriëntenbeheer

O.17 Aantal projecten ter ondersteuning van genetische hulpbronnen

I.17 Verlichten van de druk op de watervoorraad: Wateronttrekkingsindex-plus (WEI+)

R.22 Duurzaam watergebruik: Aandeel geïrrigeerd land vallend onder verbintenissen om de waterbalans te verbeteren

Investeringen

O.18 Aantal gesteunde productieve investeringen op landbouwbedrijven

R.23 Milieu-/klimaatgerelateerde prestaties door investering: Aandeel landbouwers met steun voor investeringen in verband met zorg voor het milieu of het klimaat

O.19 Aantal gesteunde lokale infrastructuurvoorzieningen

R.24 Milieu/klimaatprestaties door kennis: Aandeel landbouwers dat steun ontvangt voor advies/opleiding in verband met milieu- en klimaatprestaties

O.20 Aantal gesteunde niet-productieve investeringen

O.21 Aantal gesteunde productieve investeringen buiten landbouwbedrijven





Specifieke doelstellingen van de EU

Impactindicatoren

Resultaatindicatoren

(enkel gebaseerd op door het GLB gesteunde interventies)

Brede interventietypes

Outputindicatoren (per interventie)

Bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen

I.18 Vergoten van de populaties akker- en weidelandvogels: Farmland Bird Index

R.25 Ondersteuning van duurzaam bosbeheer: Percentage bos vallend onder beheersverbintenissen ter ondersteuning van bosbescherming en -beheer.

Vestigingssubsidies

O.22 Aantal landbouwers dat vestigingssubsidies ontvangt

I.19 Betere biodiversiteitsbescherming: Percentage soorten en habitats van communautair belang met betrekking tot landbouw met stabiele of stijgende trends

R.26 Bescherming van bosecosystemen: Aandeel bos vallend onder beheersverbintenissen ter ondersteuning landschap, biodiversiteit en ecosysteemdiensten

O.23 Aantal plattelandsondernemers dat vestigingssubsidies ontvangt

I.20 Betere verlening van ecosysteemdiensten: aandeel OCG met landschapselementen

R.27 Instandhouding van habitats en soorten: Aandeel landbouwgrond vallend onder beheersverbintenissen ter ondersteuning van biodiversiteitsbehoud en -herstel

Samenwerking

O.24 Aantal gesteunde producentengroeperingen/organisaties

O.25 Aantal landbouwers dat steun ontvangt om deel te nemen aan kwaliteitsregelingen van de EU

R.28 Ondersteuning van Natura 2000: Gebied in Natura 2000-gebieden vallend onder verbintenissen voor bescherming, onderhoud en herstel

O.26 Aantal projecten voor generatievernieuwing (jonge/niet-jonge landbouwers)

R.29 Behoud van landschapselementen: Aandeel landbouwgrond vallend onder verbintenissen voor het beheer van landschapselementen, met inbegrip van hagen

O.27 Aantal plaatselijke-ontwikkelingsstrategieën (Leader)

O.28 Aantal andere samenwerkingsgroepen (met uitzondering van EIP gerapporteerd O.1 onder O.1)

Aantrekken van jonge landbouwers en vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden

1.21 Aantrekken van jonge landbouwers: Ontwikkeling van het aantal nieuwe landbouwers

R.30 Generatievernieuwing: Aantal jonge landbouwers dat een landbouwbedrijf start met steun van het GLB

Kennisuitwisseling en informatie

O.29 Aantal opgeleide/geadviseerde landbouwers





Specifieke doelstellingen van de EU

Impactindicatoren

Resultaatindicatoren

(enkel gebaseerd op door het GLB gesteunde interventies)

Brede interventietypes

Outputindicatoren (per interventie)

Bevorderen van de werkgelegenheid, groei, sociale inclusie en lokale ontwikkeling in plattelandsgebieden, met inbegrip van bio-economie en duurzame bosbouw

I.22 Bijdragen aan banen in plattelandsgebieden: Ontwikkeling van de arbeidsparticipatie in overwegend rurale gebieden

R.31 Groei en banen in plattelandsgebieden: Nieuwe banen in ondersteunde projecten 

O.30 Aantal opgeleide/geadviseerde niet-landbouwers

I.23 Bijdragen aan groei in plattelandsgebieden: Ontwikkeling van het bbp in overwegend rurale gebieden

R.32 Ontwikkeling van de rurale bio-economie: Aantal met steun ontwikkelde bio-economiebedrijven

Horizontale indicatoren

O.31 Aantal ha met milieupraktijken (synthese-indicator inzake fysieke oppervlakte vallend onder conditionaliteit, ecoregeling, AMKM, bosbouwmaatregelen, biologische landbouw)

1.24 Een eerlijker GLB: Verbeteren van de verdeling van GLB-steun

R.33 Digitalisering van de plattelandseconomie: Plattelandsbevolking vallend onder een ondersteunde "slimme dorpen"-strategie

O.32 Aantal ha vallend onder conditionaliteit (uitgesplitst per GLMC-praktijk)

I.25 Bevorderen van plattelandsinclusie: Ontwikkeling van de armoede-index in plattelandsgebieden

R.34 Aansluiting van het platteland van Europa: Aandeel van de plattelandsbevolking dat betere toegang tot diensten en infrastructuur door GLB steun geniet

Sectorale programma's

O.33 Aantal producentenorganisaties dat een actiefonds/programma opzet

R.35 Bevordering van sociale inclusie: Tot een minderheid en/of kwetsbare groep behorend aantal personen dat voordeelt trekt van ondersteunde projecten voor sociale inclusie

O.34 Aantal afzetbevorderings- en voorlichtingsacties, en marktmonitoring

Verbeteren van de reactie van de EU-landbouw op maatschappelijke eisen inzake voedsel en gezondheid, waaronder veilig, voedzaam en duurzaam voedsel, en inzake dierenwelzijn

 

I.26 Beperken van het gebruik van antibiotica in de landbouw: verkoop/gebruik bij voedselproducerende dieren

R.36 Beperking van het gebruik van antibiotica: Aandeel grootvee-eenheden vallend onder ondersteunde acties ter beperking van het gebruik van antibiotica (preventie/reductie)

O.35 Aantal instandhoudings/verbeteringsmaatregelen in de bijenteelt

I.27 Duurzaam gebruik van pesticiden: Verminderen van de risico's en effecten van pesticiden**

R.37 Duurzaam pesticidengebruik: Aandeel landbouwgrond vallend onder ondersteunde specifieke maatregelen die leiden tot een duurzaam gebruik van pesticiden ter vermindering van de risico's en effecten van pesticiden

1.28 Inspelen op de vraag van de consument naar hoogwaardige levensmiddelen: Waarde van de onder EU-kwaliteitsregelingen vallende productie (met inbegrip van biologische productie)

R.38 Verbetering van dierenwelzijn: Aandeel grootvee-eenheden vallend onder een ondersteunde actie ter verbetering van dierenwelzijn

* De meeste impactindicatoren zijn al verzameld via andere kanalen (Europese statistieken, JRC, EEA...) en gebruikt in het kader van andere EU-wetgeving of de SDG's. De frequentie van de gegevensverzameling is niet altijd jaarlijks en er kan sprake zijn van 2 à 3 jaar vertraging. ** Richtlijn betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden

* Proxy's voor resultaten. Jaarlijks door de LS meegedeelde gegevens voor het monitoren van de voortgang in de richting van de streefdoelen die zij in de GLB-plannen hebben vastgesteld.

*Jaarlijks meegedeelde gegevens voor hun gedeclareerde uitgaven.

**Steun voor operationele groepen in het kader van het EIP valt onder de bepalingen inzake samenwerking.

BIJLAGE II

BINNENLANDSE STEUN IN HET KADER VAN DE WTO KRACHTENS ARTIKEL 10

Interventietype

Referentie in deze verordening

Punt van bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw ("groene doos")

Basisinkomenssteun voor duurzaamheid

Titel III, hoofdstuk 2, afdeling 1, onderafdeling 2

5 (als de uitvoering niet op betalingsrechten is gebaseerd)

6 (als de uitvoering op betalingsrechten is gebaseerd)

Aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid

Titel III, hoofdstuk 2, afdeling 1, onderafdeling 3

5 (als de uitvoering van de gerelateerde basisinkomenssteun voor duurzaamheid niet op betalingsrechten is gebaseerd)

6 (als de uitvoering van de gerelateerde basisinkomenssteun voor duurzaamheid op betalingsrechten is gebaseerd)

Aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers

Artikel 27

5 (als de uitvoering van de gerelateerde basisinkomenssteun voor duurzaamheid niet op betalingsrechten is gebaseerd)

6 (als de uitvoering van de gerelateerde basisinkomenssteun voor duurzaamheid op betalingsrechten is gebaseerd)

Regelingen voor klimaat en milieu ("eco-regelingen")

Artikel 28

5 (indien enkel verleend aan landbouwers die recht hebben op basisinkomenssteun voor duurzaamheid en de uitvoering van de gerelateerde basisinkomenssteun voor duurzaamheid niet op betalingsrechten is gebaseerd)

6 (indien enkel verleend aan landbouwers die recht hebben op basisinkomenssteun voor duurzaamheid en de uitvoering van de gerelateerde basisinkomenssteun voor duurzaamheid op betalingsrechten is gebaseerd)

12 (indien niet verleend aan landbouwers die recht hebben op basisinkomenssteun voor duurzaamheid)

Groenten en fruit – investeringen

Artikel 43, lid 1, onder a)

2, 11 of 12

Groenten en fruit – onderzoek en experimentele productie

Artikel 43, lid 1, onder b)

2

Groenten en fruit – biologische productie

Artikel 43, lid 1, onder c)

12

Groenten en fruit – geïntegreerde productie

Artikel 43, lid 1, onder d)

12

Groenten en fruit – bodembehoud en verhoging van het koolstofgehalte in de bodem

Artikel 43, lid 1, onder e)

12

Groenten en fruit – aanleg en behoud van habitats of behoud van landschap

Artikel 43, lid 1, onder f)

12

Groenten en fruit – energiebesparing en energie-efficiëntie, hernieuwbare energie

Artikel 43, lid 1, onder g)

11 of 12

Groenten en fruit – weerstand tegen plagen

Artikel 43, lid 1, onder h)

2, 11 of 12

Groenten en fruit – watergebruik en -beheer

Artikel 43, lid 1, onder i)

2 of 11

Groenten en fruit – afvalproductie verminderen en afvalbeheer

Artikel 43, lid 1, onder j)

11 of 12

Groenten en fruit – vervoer en opslag

Artikel 43, lid 1, onder k)

11

Groenten en fruit – aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering;

Artikel 43, lid 1, onder l)

11 of 12

Groenten en fruit – kwaliteitsregelingen

Artikel 43, lid 1, onder m), en artikel 43, lid 2, onder j)

2

Groenten en fruit – afzetbevordering en communicatie

Artikel 43, lid 1, onder n)

2

Groenten en fruit – adviesdiensten en technische bijstand

Artikel 43, lid 1, onder o)

2

Groenten en fruit – opleiding en uitwisseling van beste praktijken

Artikel 43, lid 1, onder p)

2

Groenten en fruit – onderlinge fondsen

Artikel 43, lid 2, onder a)

8

Groenten en fruit – investeringen

Artikel 43, lid 2, onder b)

11

Groenten en fruit — herbeplanting van boomgaarden

Artikel 43, lid 2, onder c)

8

Groenten en fruit – Coaching

Artikel 43, lid 2, onder h)

2

Groenten en fruit – uitvoering en beheer van fytosanitaire protocollen van derde landen

Artikel 43, lid 2, onder i)

2

Groenten en fruit – adviesdiensten en technische bijstand

Artikel 43, lid 2, onder k)

2

Bijenteelt – technische bijstand

Artikel 49, lid 1, onder a)

2

Bijenteelt – Bestrijding van vijanden van de bijenvolken en ziekten in de bijenteelt

Artikel 49, lid 1, onder b)

2

Bijenteelt – ondersteuning van laboratoria

Artikel 49, lid 1, onder d)

2

Bijenteelt – onderzoeksprogramma’s

Artikel 49, lid 1, onder f)

2

Bijenteelt – marktmonitoring

Artikel 49, lid 1, onder g)

2

Bijenteelt – verbetering van de productkwaliteit

Artikel 49, lid 1, onder h)

2

Wijn – herstructurering en omschakeling

Artikel 52, lid 1, onder a)

8

Wijn – investeringen in verwerkingsinstallaties en de infrastructuur van wijnhuizen

Artikel 52, lid 1, onder b)

11

Wijn – investeringen in innovatie

Artikel 52, lid 1, onder e)

11

Wijn – voorlichtingsacties

Artikel 52, lid 1, onder g)

2

Wijn – afzetbevordering

Artikel 52, lid 1, onder h)

2

Wijn – administratieve kosten van onderlinge fondsen

Artikel 52, lid 1, onder i)

2

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – investeringen, onderzoek en experimentele productie

Artikel 60, lid 1, onder a)

2, 11 of 12

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – adviesdiensten en technische bijstand

Artikel 60, lid 1, onder b)

2

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – opleiding en uitwisseling van beste praktijken

Artikel 60, lid 1, onder c)

2

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – biologische productie

Artikel 60, lid 1, onder d)

12

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – duurzaam vervoer en duurzame opslag

Artikel 60, lid 1, onder e)

2 of 12

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – afzetbevordering en communicatie

Artikel 60, lid 1, onder f)

2

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – kwaliteitsregelingen

Artikel 60, lid 1, onder g)

2

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – traceerbaarheids- en certificeringssystemen

Artikel 60, lid 1, onder h)

2

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – onderlinge fondsen

Artikel 60, lid 2, onder a)

2 of 8

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – investeringen in volumebeheer

Artikel 60, lid 2, onder b)

11

Andere sectoren (en hop en olijfolie en tafelolijven indien gebruikt voor die sectoren) – herbeplanting van boomgaarden

Artikel 60, lid 2, onder d)

8

Milieu-, klimaat- en andere beheersverbintenissen

Artikel 65

12

Natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen; gebiedsspecifieke nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten

Artikelen 66 en 67

13

Investeringen

Artikel 68

11

Samenwerking

Artikel 71

2

Kennisuitwisseling en innovatie

Artikel 72

2

BIJLAGE III

REGELS INZAKE CONDITIONALITEIT KRACHTENS ARTIKEL 11

RBE: uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis

GLMC: normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van grond

Gebieden

Belangrijkste punt

Eisen en normen

Belangrijkste doelstelling van de norm

Klimaat en milieu

Klimaatverandering

(matiging van en aanpassing aan)

GLMC 1

Instandhouding van blijvend grasland op basis van een verhouding blijvend grasland ten opzichte van het landbouwareaal

Algemene waarborg tegen omschakeling naar andere landbouwtoepassingen met het oog op het behoud van de koolstofvoorraad

GLMC 2

Passende bescherming van wetlands en veengebieden

Bescherming van koolstofrijke bodems

GLMC 3

Verbod op het verbranden van stoppels, behalve om fytosanitaire redenen 

Handhaving van organisch bodemmateriaal

Water

RBE 1

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid:

Artikel 11, lid 3, onder e), en artikel 11, lid 3, onder h), met betrekking tot verplichte vereisten ter beheersing van diffuse bronnen van vervuiling door fosfaten

RBE 2

Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1):

Artikelen 4 en 5

GLMC 4

Aanleg van bufferstroken langs waterlopen 1  

Bescherming van waterlopen tegen vervuiling en afvloeiing

GLMC 5

Gebruik van het landbouwbedrijfsduurzaamheidsinstrument voor nutriënten 2

Duurzaam beheer van nutriënten

Bodem

(bescherming en kwaliteit)

GLMC 6

Bodembewerkingsbeheer ter vermindering van het risico van bodemdegradatie, waaronder door rekening te houden met hellingen

Minimaal grondbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse om erosie tegen te gaan

GLMC 7

Geen kale grond in de meest gevoelige periode(n)

Bescherming van bodems in de winter

GLMC 8

Gewasrotatie

Behoud van het bodempotentieel

Biodiversiteit en landschap

(bescherming en kwaliteit)

RBE 3

Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7):

Artikel 3, lid 1, artikel 3, lid 2, onder b), en artikel 4, leden 1, 2 en 4

RBE 4

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7):

Artikel 6, leden 1 en 2

GLMC 9

·Minimumaandeel landbouwareaal gewijd aan niet-productieve elementen of oppervlakten

·Behoud van landschapselementen

·Verbod op het snoeien van heggen en bomen in de vogelbroedperiode

·Facultatief, maatregelen om invasieve plantensoorten te voorkomen

Instandhouding van niet-productieve kenmerken en oppervlakte ter verbetering van de biodiversiteit op landbouwbedrijven

GLMC 10

Verbod op het omzetten en ploegen van blijvend grasland in Natura 2000-gebieden

Bescherming van habitats en soorten

Volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten

Voedselveiligheid

RBE 5

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1):

Artikelen 14 en 15, artikel 17, lid 1 3 , en artikelen 18, 19 en 20

RBE 6

Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van beta-agonisten, en tot intrekking van Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PB L 125 van 23.5.1996, blz. 3):

Artikel 3, onder a), b), d) en e), artikelen 4, 5 en 7

Identificatie en registratie van dieren

RBE 7

Richtlijn 2008/71/EG van de Raad van 15 juli 2008 met betrekking tot de identificatie en de registratie van varkens (PB L 213 van 8.8.2005, blz. 31):

Artikelen 3, 4 en 5

RBE 8

Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1):

Artikelen 4 en 7

RBE 9

Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8):

Artikelen 3, 4 en 5

Dierziekten

RBE 10

Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1):

Artikelen 7, 11, 12, 13 en 15

RBE 11

Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1)

Artikel 18, lid 1, beperkt tot mond-en-klauwzeer, vesiculaire varkensziekte en blauwtong.

Gewasbeschermingsmiddelen

RBE 12

Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1):

Artikel 55, eerste en tweede zin

RBE 13

Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71):

Artikel 5, lid 2 en artikel 8, leden 1 tot en 5

Artikel 12 met betrekking tot beperkingen op het gebruik van pesticiden in op basis van de kaderrichtlijn water en Natura 2000-wetgeving omschreven gebieden.

Artikel 13, leden 1 en 3, inzake de hantering en opslag van pesticiden en de verwijdering van resten. 

Dierenwelzijn

Dierenwelzijn

RBE 14

Richtlijn 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (PB L 10 van 15.1.2009, blz. 7):

Artikelen 3 en 4

RBE 15

Richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PB L 47 van 18.2.2009, blz. 5):

Artikelen 3 en 4

RBE 16

Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23):

Artikel 4

BIJLAGE IV

IN ARTIKEL 81, LID 1, EERSTE ALINEA, BEDOELDE TOEWIJZINGEN AAN DE LIDSTATEN VOOR RECHTSTREEKSE BETALINGEN

(lopende prijzen in EUR)

Kalenderjaar

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027 en de daaropvolgende jaren

België

485 603 954

485 603 954

485 603 954

485 603 954

485 603 954

485 603 954

485 603 954

Bulgarije

776 281 570

784 748 620

793 215 670

801 682 719

810 149 769

818 616 819

818 616 819

Tsjechië

838 844 295

838 844 295

838 844 295

838 844 295

838 844 295

838 844 295

838 844 295

Denemarken

846 124 520

846 124 520

846 124 520

846 124 520

846 124 520

846 124 520

846 124 520

Duitsland

4 823 107 939

4 823 107 939

4 823 107 939

4 823 107 939

4 823 107939

4 823 107 939

4 823 107 939

Estland

167 721 513

172 667 776

177 614 039

182 560 302

187 506 565

192 452 828

192 452 828

Ierland

1 163 938 279

1 163 938 279

1 163 938 279

1 163 938 279

1 163 938 279

1 163 938 279

1 163 938 279

Griekenland

2 036 560 894

2 036 560 894

2 036 560 894

2 036 560 894

2 036 560 894

2 036 560 894

2 036 560 894

Spanje

4 768 736 743

4 775 898 870

4 783 060 997

4 790 223 124

4 797 385 252

4 804 547 379

4 804 547 379

Frankrijk

7 147 786 964

7 147 786 964

7 147 786 964

7 147 786 964

7 147 786 964

7 147 786 964

7 147 786 964

Kroatië

344 340 000

367 711 409

367 711 409

367 711 409

367 711 409

367 711 409

367 711 409

Italië

3 560 185 516

3 560 185 516

3 560 185 516

3 560 185 516

3 560 185 516

3 560 185 516

3 560 185 516

Cyprus

46 750 094

46 750 094

46 750 094

46 750 094

46 750 094

46 750 094

46 750 094

Letland

299 633 591

308 294 625

316 955 660

325 616 694

334 277 729

342 938 763

342 938 763

Litouwen

510 820 241

524 732 238

538 644 234

552 556 230

566 468 227

580 380 223

580 380 223

Luxemburg

32 131 019

32 131 019

32 131 019

32 131 019

32 131 019

32 131 019

32 131 019

Hongarije

1 219 769 672

1 219 769 672

1 219 769 672

1 219 769 672

1 219 769 672

1 219 769 672

1 219 769 672

Malta

4 507 492

4 507 492

4 507 492

4 507 492

4 507 492

4 507 492

4 507 492

Nederland

703 870 373

703 870 373

703 870 373

703 870 373

703 870 373

703 870 373

703 870 373

Oostenrijk

664 819 537

664 819 537

664 819 537

664 819 537

664 819 537

664 819 537

664 819 537

Polen

2 972 977 807

3 003 574 280

3 034 170 753

3 064 767 227

3 095 363 700

3 125 960 174

3 125 960 174

Portugal

584 824 383

593 442 972

602 061 562

610 680 152

619 298 742

627 917 332

627 917 332

Roemenië

1 856 172 601

1 883 211 603

1 910 250 604

1 937 289 605

1 964 328 606

1 991 367 607

1 991 367 607

Slovenië

129 052 673

129 052 673

129 052 673

129 052 673

129 052 673

129 052 673

129 052 673

Slowakije

383 806 378

388 574 951

393 343 524

398 112 097

402 880 670

407 649 243

407 649 243

Finland

505 999 667

507 783 955

509 568 242

511 352 530

513 136 817

514 921 104

514 921 104

Zweden

672 760 909

672 984 762

673 208 615

673 432 468

673 656 321

673 880 175

673 880 175

BIJLAGE V

IN ARTIKEL 82, LID 1, BEDOELDE JAARLIJKSE TOEWIJZINGEN AAN DE LIDSTATEN VOOR INTERVENTIETYPES IN DE WIJNSECTOR

EUR

(lopende prijzen)

Bulgarije

25 721 000

Tsjechië

4 954 000

Duitsland

37 381 000

Griekenland

23 030 000

Spanje

202 147 000

Frankrijk

269 628 000

Kroatië

10 410 000

Italië

323 883 000

Cyprus

4 465 000

Litouwen

43 000

Hongarije

27 970 000

Oostenrijk

13 155 000

Portugal

62 670 000

Roemenië

45 844 000

Slovenië

4 849 000

Slowakije

4 887 000

BIJLAGE VI

 

IN ARTIKEL 81, LID 1, TWEEDE ALINEA, BEDOELDE TOEWIJZINGEN AAN DE LIDSTATEN VOOR KATOEN

(lopende prijzen in EUR)

Kalenderjaar

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027 en de daaropvolgende jaren

Bulgarije

2 509 615

2 509 615

2 509 615

2 509 615

2 509 615