EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52018PC0372

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

COM/2018/372 final - 2018/0197 (COD)

Straatsburg, 29.5.2018

COM(2018) 372 final

2018/0197(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

{SEC(2018) 268 final}
{SWD(2018) 282 final}
{SWD(2018) 283 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Op 2 mei 2018 heeft de Commissie een voorstel voor het volgende meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 vastgesteld 1 . Dit omvat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO") en het Cohesiefonds.

Administratieve vereenvoudiging is gedefinieerd als een kerndoelstelling in de discussienota over de financiën van de EU, evenals in de evaluatie achteraf en de raadpleging van het publiek. De ervaring leert dat de regels te complex en gefragmenteerd zijn, wat leidt tot een onnodige belasting van de programmabeheerders en de uiteindelijke begunstigden.

Ten behoeve van de consistentie 2 met ander EU-beleid onder gedeeld beheer worden de regels inzake levering en uitvoering van het EFRO en het Cohesiefonds voor zover mogelijk geregeld door de Verordening gemeenschappelijke bepalingen ("GB-verordening"). Deze bevat gemeenschappelijke bepalingen voor zeven fondsen onder gedeeld beheer op EU-niveau:

·CF:        Cohesiefonds

·EFMZV:    Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij 3

·EFRO:        Europees Fonds voor regionale ontwikkeling

·ESF+:        Europees Sociaal Fonds Plus 4

·AMIF:        Fonds voor asiel en migratie 5

·ISF:        Fonds voor interne veiligheid 6  

·BMVI:        Instrument voor grensbeheer en visa 7

Met het oog op de consistentie met Horizon Europa zal het laatstgenoemde fonds zich richten op "Europese excellentie" (het genereren en exploiteren van nieuwe kennis), terwijl het EFRO zich zal richten op "regionaal belang" (verspreiding van bestaande kennis en technologie op plaatsen waar daar behoefte aan is, plaatselijk verankerd via strategieën voor slimme specialisatie).

Met het oog op de consistentie met de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility, CEF), is er een grotere synergie en complementariteit waarbij de CEF vooral toegespitst zal zijn op het "kernnetwerk", terwijl het EFRO en het Cohesiefonds ook ondersteuning zullen bieden voor het "uitgebreide netwerk", met inbegrip van regionale en lokale toegang daartoe alsmede vervoersverbindingen binnen stedelijke gebieden.

Om de wetgeving te vereenvoudigen en te verduidelijken, definieert deze verordening bepalingen die zowel gelden voor het EFRO als voor het Cohesiefonds die worden ingezet voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en, wat het EFRO betreft, voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg).

Gezien echter de specifieke aard van de programma's in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) waarbij verschillende lidstaten en derde landen zijn betrokken, stelt een specifieke verordening betreffende de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) specifieke regels vast, in aanvulling op de GB-verordening en deze verordening.

Dit voorstel voorziet in toepassing vanaf 1 januari 2021 en heeft betrekking op een Unie met 27 lidstaten, in overeenstemming met de kennisgeving van het voornemen van het Verenigd Koninkrijk om zich uit de Europese Unie en Euratom terug te trekken overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat door de Europese Raad werd ontvangen op 29 maart 2017.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

EU-optreden is gerechtvaardigd door artikel 174 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie ("VWEU"): "[De Unie] ontwikkelt en vervolgt [...] haar optreden gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang. De Unie stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's te verkleinen".

De doelstellingen van het EFRO zijn opgenomen in artikel 176 VWEU: "Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling is bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie door deel te nemen aan de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio's met een ontwikkelingsachterstand en aan de omschakeling van industriegebieden met afnemende economische activiteit".

De doelstellingen van het Cohesiefonds zijn opgenomen in artikel 177 VWEU: "Een volgens dezelfde procedure opgericht Cohesiefonds levert een financiële bijdrage aan projecten op het gebied van milieu en trans-Europese netwerken in de sfeer van de vervoersinfrastructuur".

Bovendien wordt volgens artikel 174 VWEU bijzondere aandacht besteed aan de plattelandsgebieden, de regio’s die een industriële overgang doormaken en de regio’s die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio’s met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden.

Artikel 349 VWEU bepaalt dat specifieke maatregelen moeten worden getroffen om rekening te houden met de structurele economische en sociale situatie van de ultraperifere gebieden, die wordt bemoeilijkt door bepaalde specifieke kenmerken die de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden.

Subsidiariteit en evenredigheid

Bij de effectbeoordeling 8 zijn diverse redenen onderkend waarom maatregelen op EU-niveau meerwaarde bieden aan maatregelen op nationaal niveau. Daartoe behoren de volgende:

·In veel landen maken het EFRO en het Cohesiefonds ten minste 50 % van de overheidsinvesteringen uit – deze lidstaten zouden anders niet de nodige financiële draagkracht hebben om dergelijke investeringen te doen.

·Er zijn aanzienlijke potentiële overloopeffecten over de nationale en regionale grenzen heen, bijvoorbeeld voor investeringen in innovatie en kmo's. Het EU-niveau speelt een belangrijke rol bij het genereren van deze overloopeffecten en bij het voorkómen van een tekort aan investeringen. Bovendien moeten investeringen aldus worden geconcipieerd dat de overloopeffecten zo groot mogelijk zijn.

·In de meeste regio’s, met inbegrip van meer ontwikkelde regio’s, vormen strategieën voor slimme specialisatie (RIS3) een samenhangend strategisch kader voor investeringen en zorgen zij voor een hoge toegevoegde waarde. Deze strategieën zijn een uitvloeisel van het vereiste voor strategische programmering voor EFRO-ondersteuning en de desbetreffende randvoorwaarde. De voordelen van zulke strategieën zijn vaak het grootst in de meest ontwikkelde regio’s (en met name in de noordse landen, Oostenrijk, Duitsland, de Benelux en Frankrijk).

·Bevordering van de prioriteiten van de EU, waaronder structurele hervormingen van de arbeidsmarkt, vervoer, milieu, aanpassing aan en matiging van klimaatverandering, energie, onderwijs en sociale beleidsmaatregelen en programma’s, alsmede modernisering van de overheidsdiensten.

·Het EFRO en het Cohesiefonds leveren tastbare resultaten op gebieden die belangrijk zijn voor de Europese burgers - "De EU-begroting draagt bij tot het verwezenlijken van zaken die Europeanen belangrijk vinden" 9 . De regio’s bijstaan om zich aan te passen aan de globalisering, 420 000 banen scheppen en 1,1 miljoen kmo’s ondersteunen 10 , armoede in steden aanpakken – voor de Europeanen zijn dit allemaal prioriteiten. Vermeldenswaard is dat veel van deze resultaten met name zichtbaar zijn buiten de cohesielanden.

Bovendien zijn de beleidskeuzes in de verordening evenredig, onder meer om de volgende redenen:

·Gedeeld beheer: de programma’s worden niet rechtstreeks door de Europese Commissie beheerd, maar worden uitgevoerd in partnerschap met de lidstaten.

·Deze gecombineerde regels (de bijbehorende GB-verordening plus deze verordening), zijn aanzienlijk vereenvoudigd en geconsolideerd ten opzichte van de vorige periode.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie achteraf

Wat de strategie, prioriteiten en beleidseffecten betreft, bleek uit de evaluatie achteraf:

·Steun voor kmo's heeft een groot potentieel effect. De ondersteuning moet echter meer gericht zijn op hulp voor dynamische kmo's om te groeien, op slimme specialisatiestrategieën en op het bevorderen dat regio's opklimmen in de economische keten, in plaats van vast te houden aan de economie uit het verleden.

·Bepaalde activiteiten hebben weinig effecten, zoals steun aan grote ondernemingen (de meest doeltreffende strategie voor het aantrekken van grote ondernemingen is niet door middel van financiële stimulansen, maar door het verbeteren van de lokale omstandigheden zoals het lokale bedrijfsklimaat enz.). Ook investeringen in luchthavens leveren doorgaans weinig op – alleen in de ultraperifere regio’s kunnen deze doeltreffend zijn.

·Bijdragen met een hoge toegevoegde waarde bij doelstellingen zoals de koolstofarme economie, duurzame stedelijke ontwikkeling en regionale samenwerking.

Deze punten zijn overgenomen in de onderhavige verordening inzake het EFRO en het Cohesiefonds, dat:

·thematische concentratie handhaaft, met de volgende topprioriteiten: steun voor innovatie, digitale economie en kmo’s via een slimme specialisatiestrategie; de koolstofarme en circulaire economie in overeenstemming met de toegezegde uitstootvermindering van 25 % voor de klimaatdoelstelling;

·een lijst opstelt van de activiteiten die niet worden ondersteund, waaronder rechtstreekse steun aan grote ondernemingen, luchthaveninfrastructuur (buiten de ultraperifere gebieden) en sommige afvalbeheersactiviteiten (bv. stortplaatsen);

·regionale samenwerking en duurzame stedelijke ontwikkeling verder ontwikkelt.

Bovendien heeft de evaluatie achteraf verscheidene nuttige ervaringen voor het uitvoeringssysteem opgeleverd (met inbegrip van vereenvoudiging, flexibiliteit, financiële instrumenten). Deze worden in aanmerking worden genomen in de GB-verordening.

Raadpleging van belanghebbenden

Van 10 januari tot en met 9 maart 2018 is een online openbare raadpleging gehouden. De raadpleging betrof cohesiebeleid, d.w.z. het EFRO en het Cohesiefonds in combinatie met het ESF.

·Wat de belangrijkste uitdagingen betreft, achtte het grootste deel (94 % van de respondenten) "vermindering van regionale ongelijkheden" zeer belangrijk of belangrijk, gevolgd door "terugdringen van de werkloosheid, de kwaliteit van de werkgelegenheid en ondersteuning van de arbeidsmobiliteit" en "bevordering van sociale inclusie en bestrijding van armoede" (91 %).

·Van de uitdagingen was het "bevorderen van onderzoek en innovatie" het meest succesvol aangepakt (volgens 61 %), gevolgd door "territoriale samenwerking" (59 %).

·Ongeveer 76 % van de respondenten was van mening dat de fondsen een hoge of tamelijk hoge toegevoegde waarde hebben, terwijl 2 % vond dat zij totaal geen meerwaarde hebben.

·Voor de verwezenlijking van de doelstellingen werden de complexe procedures gezien als veruit het belangrijkste obstakel (86 %), gevolgd door audit- en controleprocedures (68 %), en een gebrek aan flexibiliteit om te kunnen reageren op onvoorziene omstandigheden (60 %).

·Voor vereenvoudiging was de meest voorkomende keuze "minder, duidelijkere en kortere regels" (90 %), gevolgd door "afstemming van de regels van de verschillende EU-fondsen" (79 %) en "meer flexibiliteit", in termen van toewijzing van middelen aan en binnen een programma (76-77 %).

Bij de beantwoording van de open vragen gaven de respondenten veel steun voor:

·cohesiebeleid voor alle regio’s (zij het met een blijvende aandacht voor de minder ontwikkelde regio’s);

·beleidsinnovatie, met inbegrip van strategieën voor slimme specialisatie en slimme investeringen in het algemeen;

·voortzetting en ontwikkeling van thematische concentratie;

·nadruk op lokale problemen (met name duurzame stedelijke ontwikkeling);

·interregionale samenwerking, zowel grensoverschrijdend als in heel Europa. Samenwerking op EU-niveau is van essentieel belang voor slimme specialisatie – innovatie in hoogtechnologische sectoren hangt vaak af van uitwisselingen en overloopeffecten van samenwerking tussen clusters of kenniscentra in heel Europa.

Deze punten zijn aangepakt in de onderhavige verordening inzake het EFRO en het Cohesiefonds, die:

·de nadruk blijft leggen op het aanpakken van de regionale verschillen en de problemen van de regio’s in heel Europa;

·de thematische concentratie op slimme groei via slimme specialisatiestrategieën en op de koolstofarme en circulaire economie voortzet en uitbreidt;

·steun handhaaft voor interregionale samenwerking, en deze uitbreidt tot slimme specialisatie;

·voorziet in bevordering van lokale ontwikkeling op basis van geïntegreerde territoriale en lokale strategieën en duurzame stedelijke ontwikkeling, en van capaciteitsopbouw op dit gebied.

Bovendien schept de GB-verordening een kader voor het EFRO en het Cohesiefonds met de volgende doelen:

·Vereenvoudiging van de complexe procedures in verband met het EFRO en het Cohesiefonds.

·Verhoging van de flexibiliteit om in te spelen op de nieuwe uitdagingen.

·Onderlinge afstemming van de regels van de verschillende EU-fondsen.

Effectbeoordeling

Dit voorstel wordt ondersteund door een effectbeoordeling. De belangrijkste opties en de voorkeursoptie kunnen echter pas definitief worden vastgesteld ,en de economische effecten beoordeeld, wanneer de financiële middelen en het toewijzingsmechanisme zijn vastgelegd.

De volgende opties zijn mogelijk om een verlaging met 7 % in de begroting te bewerkstelligen:

·Optie 1: Een verlaging over de hele linie.

·Optie 2: Verlaging van de bijdrage aan de meer ontwikkelde regio’s.

·Optie 3: Handhaving van de steun op de belangrijkste gebieden (thematische concentratie) en verlaging op andere gebieden.

De voorkeur gaat uit naar optie 3, onder meer om de volgende redenen:

·De nadruk blijft liggen op de thema’s met de grootste toegevoegde waarde voor de EU, waarvan bij de evaluatie is gebleken dat het beleid het grootste effect heeft gehad.

·Veel van de belangrijkste problemen (globalisering en economische transformatie, de overgang naar de koolstofarme en circulaire economie, milieuproblemen, migratie en armoede in steden) raken steeds meer regio’s in de hele EU, met inbegrip van de meer ontwikkelde regio’s. Investeringen van de EU zijn zowel noodzakelijk als een teken van solidariteit.

·Behoud van een kritische massa – per hoofd van de bevolking zijn de investeringen in de meer ontwikkelde regio’s nu al gering.

·Een overgrote meerderheid van de belanghebbenden bij de openbare raadpleging was voorstander van activiteiten van het EFRO in alle regio’s. Deze optie zorgt ook voor een betere zichtbaarheid van de fondsen in het kader van het cohesiebeleid in alle lidstaten.

Het verslag is tweemaal ingediend bij de Raad voor regelgevingstoetsing (RSB) en gaf aanleiding voor de volgende opmerkingen:

Advies RSB

Hoe opgelost

Ronde 1: Negatief advies

1.    Het rapport gaat niet in op de gevolgen van het verminderde financieringsvermogen van EFRO en CF.

2.    Het verslag vermeldt niet hoe veranderde doelstellingen en toewijzingscriteria zouden leiden tot een bijstelling van het programma.

3.    Het gaat niet in op de mogelijke (sub-)opties voor geografische dekking, regionale subsidiariteit en middelen voor financiële allocaties uit het EFRO/CF.

4.    Het verslag gaat onvoldoende in op de gevolgen van de veranderingen in de uitvoeringsmechanismen.

1. Een verlaging met 10% van de financiering is nu opgenomen in het model in paragraaf 3.2, met verschillende opties.

2. Uit de tekst en de grafieken in paragraaf 3.2 blijkt hoe het programma zal worden bijgesteld ingeval van de verschillende opties.

3. In paragraaf 3.2 zijn drie opties voor geografische en thematische toewijzingen vermeld, met een aanduiding van de wijze van bijstelling.

4. Het hoofdstuk over het uitvoeringsmechanisme is uitgewerkt volgens de aanwijzingen van de RSB (zie opmerking 8 hieronder).

Ronde 2: Positief advies, met de volgende kanttekeningen:

1. De inhoud en de implicaties van de optie van voorkeur (thematische concentratie) zijn niet voldoende duidelijk. Het herziene verslag levert niet voldoende bewijs dat thematische concentratie zal bijdragen aan vermindering van de regionale en nationale verschillen.

2. Het verslag vermeldt geen toekomstige modaliteiten voor de tenuitvoerlegging van de "Berlijnmethode" voor de financiële toewijzing en redenen om geen alternatieve opties te overwegen.

3. Het verslag geeft geen beschrijving van de reikwijdte en de potentiële effecten van een Europees grensoverschrijdend mechanisme.

4. Het verslag schept geen duidelijkheid over de consistentie/complementariteit tussen EFRO/CF en het nieuwe steunprogramma voor structurele hervormingen.

1. De inhoud van alle opties is nu uiteengezet op de bladzijden 28 en 29, en in tabelvorm vergeleken in tabel 7. Figuur 5 toont het thematische effect van de optie van voorkeur per lidstaat. De effecten van de verschillende opties op regionale en nationale groeicijfers zijn onderzocht en vergeleken met het macro-economische model QUEST in de tekst op de bladzijden 30-31en in de nummers in tabel 9 en de figuren 6 en 7.

2. De Berlijnmethode wordt nu beschreven in een vak op bladzijde 29, samen met de redenen om deze methode aan te houden en geen alternatieve opties te overwegen.

3. Het grensoverschrijdende mechanisme wordt beschreven op de bladzijden 41 en 42. Er is een verslag over de potentiële effecten geciteerd en de bron in een voetnoot gemeld.

4. De relatie met het steunprogramma voor structurele hervormingen wordt nu beschreven op bladzijde 60.

Vereenvoudiging

Aan het EFRO en het Cohesiefonds zijn aantoonbaar aanzienlijke administratieve kosten verbonden, die in een recente studie 11 worden geraamd op 3 % van de gemiddelde programmakosten voor het EFRO en op 2,2 % voor het Cohesiefonds. De administratieve lasten voor de begunstigden (met inbegrip van kmo's) zijn hoger.

De meeste maatregelen ter vereenvoudiging van het EFRO en het Cohesiefonds worden mogelijk gemaakt door de GB-verordening. Vele daarvan zijn moeilijk vooraf financieel te kwantificeren, maar in de studie worden de volgende inschattingen gemaakt:

·Doordat meer gebruik wordt gemaakt van vereenvoudigde kostenopties (of betalingen op basis van voorwaarden) voor het EFRO en het Cohesiefonds kunnen de totale administratieve kosten aanzienlijk worden verlaagd – met 20-25 % indien deze opties over de gehele linie worden toegepast.

·De meer evenredige benadering van controle en audits zou leiden tot een significante daling van het aantal controles en van de auditlast voor de programma's met een laag risico. Dit zou leiden tot een daling van de totale administratieve kosten van het EFRO en het Cohesiefonds met 2-3 % en van de kosten voor de betrokken programma’s met een veel hoger bedrag.

E-cohesie en gegevensuitwisseling

Voor de programma’s voor 2014-2020 was een systeem van elektronische gegevensuitwisseling tussen begunstigden en beheersautoriteiten, en tussen verschillende autoriteiten van het beheers- en controlesysteem nodig. Deze verordening bouwt hierop voort, en ontwikkelt bepaalde aspecten van het verzamelen van gegevens verder. Alle gegevens die nodig zijn voor de monitoring van de vooruitgang bij de uitvoering, met inbegrip van resultaten en prestaties van de programma’s, zullen nu elektronisch elke twee maanden worden doorgegeven; dit betekent dat het open gegevensplatform nagenoeg in realtime wordt bijgewerkt.

Evenzo zullen de gegevens over de begunstigden en de concrete acties in elektronische vorm openbaar worden gemaakt, op een website die door de beheersautoriteit wordt beheerd.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel van de Commissie voor een meerjarig financieel kader voorziet in een bedrag van 273 miljard euro voor het EFRO en het Cohesiefonds voor de periode 2021-2027.

Budget EFRO en CF voor 2021-2027 in miljoenen

Totaal EFRO en CF

241 978

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)

200 629

·Investeren in werkgelegenheid en groei

190 752

·Europese territoriale samenwerking

8 430

·Ultraperifere en dunbevolkte gebieden

1 447

Cohesiefonds (CF)

41 349

·waarvan bijdrage aan CEF - Vervoer

10 000

5.SAMENVATTING VAN DE INHOUD VAN DE VERORDENING

Veel aspecten van de totstandkoming en uitvoering van het EFRO en het Cohesiefonds worden geregeld in de GB-verordening. Deze verordening moet daarom in deze context worden gezien en de nadruk ligt op strategische kwesties, en met name:

·de nagestreefde hoofdprioriteiten en -thema's;

·het kader van indicatoren om deze te traceren;

·de aanpak voor specifieke territoria, met inbegrip van duurzame stedelijke ontwikkeling, en voor de ultraperifere gebieden.

Hoofdstuk I – Gemeenschappelijke bepalingen

Interventiestrategie

De verordening inzake het EFRO en het Cohesiefonds neemt de in de GB-verordening vastgelegde beleidsdoelstellingen over en werkt deze uit in specifieke, concrete doelstellingen die relevant zijn voor het EFRO en het Cohesiefonds, die kunnen worden opgevolgd met passende indicatoren.

Bovendien bevat deze verordening een beperkte lijst van niet in aanmerking komende activiteiten, die buiten het toepassingsgebied van de Fondsen vallen. Het toepassingsgebied van de Fondsen en de lijst van niet in aanmerking komende activiteiten hebben tot doel ervoor te zorgen dat de investeringssteun in overeenstemming is met het evaluatiemateriaal en met de duurzaamheidsdoelstellingen van de Europese Unie: stortplaatsen, luchthaveninfrastructuur, de tabaksindustrie, de ontmanteling van nucleaire faciliteiten worden niet ondersteund.

Thematische concentratie

Om ervoor te zorgen dat er, in de context van de verlaging van het budget, een kritische massa van investeringen overblijft, bevat de verordening inzake het EFRO en het Cohesiefonds vereisten voor thematische concentratie. Het merendeel (65 % tot 85 %) van de middelen wordt geconcentreerd op het bijdragen tot de beleidsdoelstellingen (BD) die op grond van het evaluatiemateriaal en de effectbeoordeling hebben bewezen dat zij de hoogste toegevoegde waarde hebben, en het meest aan de prioriteiten van de EU bedragen:

·BD 1: "Een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie";

·BD 2: "een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer".

Met het oog op meer flexibiliteit zijn de criteria voor thematische concentratie van toepassing op nationaal niveau.

Voor landen met:

minimumpercentage "BD 1"

minimumpercentage "BD 2"

BNI beneden 75 %

35 %

30 %

BNI 75-100 %

45 %

30 %

BNI boven 100 %

60 %

niet van toepassing

BD 1 en BD 2 min. 85%

Indicatoren

Om te zorgen voor een consistente monitoring van de verbetering van de prestaties, handhaaft en verfijnt de voorgestelde verordening ook de gemeenschappelijke reeks outputindicatoren, en bevat deze ook voor het eerst een gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren. Deze laatste maken rapportage van de resultaten in real time op het open gegevensplatform en vergelijking van de verschillende programma’s en lidstaten mogelijk. Zij dienen ook als input voor discussies over de prestaties en succesvolle evaluaties en maken het traceren van verplichtingen in verband met EU-wetgeving gemakkelijker.

Er zullen evaluaties worden verricht conform de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 12 , waarin de drie instellingen hebben bevestigd dat evaluaties van bestaande wetgeving en bestaand beleid de basis moeten vormen voor effectbeoordelingen van opties voor verdere acties. In de evaluaties zullen de programma-effecten in het veld worden beoordeeld op basis van de programma-indicatoren/-streefcijfers en een gedetailleerde analyse van de mate waarin het programma relevant, doeltreffend en doelmatig is, EU-meerwaarde oplevert en aansluit bij ander EU-beleid. In de evaluaties zal aandacht worden besteed aan opgedane ervaringen, geconstateerde problemen en mogelijkheden om de maatregelen en de effecten ervan te verbeteren.

Hoofdstuk II – Specifieke bepalingen over de behandeling van bijzondere territoriale kenmerken

De verordening legt ook meer nadruk op duurzame stedelijke ontwikkeling, door 6 % van de EFRO-middelen uit te trekken voor dit gebied, via territoriale instrumenten. Geïntegreerde territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën worden geacht te zorgen voor samenhang in de optredens. Om de capaciteitsopbouw van actoren, innovatieve acties, kennis, beleidsontwikkeling en communicatie op het gebied van duurzame stedelijke ontwikkeling te vergemakkelijken, voorziet de verordening ook in een Stedelijk Europa-initiatief, dat wordt beheerd door de Europese Commissie.

Alle instrumenten voor stedelijke ontwikkeling worden gecombineerd in één programma (het Stedelijk Europa-initiatief) dat ten uitvoer wordt gelegd onder direct of indirect beheer om steden een samenhangend product te bieden. Dit omvat uitwisselingen, capaciteitsopbouw, proefprojecten en communicatie.

De verordening bevat ook specifieke maatregelen om rekening te houden met de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden. Deze omvatten regelingen om vervoerskosten en investeringen te compenseren. Ook zijn vereisten van thematische concentratie minder strikt voor deze regio’s dan de op nationaal niveau toepasselijke tarieven zouden doen vermoeden.

2018/0197 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 177, tweede alinea, artikel 43, lid 178, en artikel 349,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 13 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 14 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Artikel 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) is bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie. Uit hoofde van dat artikel en de tweede en derde alinea van artikel 174 VWEU moet het EFRO een bijdrage leveren om de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's te verkleinen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden.

(2)Het Cohesiefonds is opgericht om bij te dragen aan de algemene doelstelling van versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie door het verstrekken van financiële bijdragen op het gebied van milieu en trans-Europese netwerken in de sfeer van de vervoersinfrastructuur (TEN-V) zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad. 15

(3)Verordening (EU) Nr. 2018/XXX van het Europees Parlement en de Raad [nieuwe GB-verordening] 16 stelt gemeenschappelijke regels vast die van toepassing zijn op verschillende fondsen, met inbegrip van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMV"), het Fonds voor asiel en migratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") , die functioneren binnen een gemeenschappelijk kader ("de Fondsen").

(4)Ter vereenvoudiging van de regels die van toepassing zijn op het EFRO en het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de toepasselijke regels voor beide fondsen worden vastgelegd in een enkele verordening.

(5)Horizontale beginselen zoals neergelegd in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ("VEU") en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals neergelegd in artikel 5 VEU, moeten worden geëerbiedigd bij de tenuitvoerlegging van het EFRO en het Cohesiefonds, met inachtneming van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van de het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. De lidstaten en de Commissie moeten gericht zijn op het opheffen van ongelijkheden en op het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief, alsmede op de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. De doelstellingen van de ESI-fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel "de vervuiler betaalt" wordt toegepast. Om de integriteit van de interne markt, waarvoor de ondernemingen voldoen aan de regels voor staatssteun zoals vastgelegd in de artikelen 107 en 108 VWEU.

(6)Er is ook behoefte aan bepalingen voor het EFRO voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) ("ETC/Interreg").

(7)Om de aard van de activiteiten die kunnen worden ondersteund door het EFRO en het Cohesiefonds te identificeren, moeten specifieke beleidsdoelstellingen voor het verlenen van steun uit die fondsen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat zij bijdragen tot één of meer gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe [nieuwe GB-verordening].

(8)In een wereld waarin alles steeds nauwer verweven is en in het licht van de demografische en migratiedynamieken, is het duidelijk dat het migratiebeleid van de Unie een gemeenschappelijke aanpak vergt, die is gebaseerd op de synergie en complementariteit van de verschillende financieringsinstrumenten. Om te zorgen voor een coherente, krachtige en consistente steun voor solidariteit en de verdeling van de inspanningen tussen de lidstaten bij het beheer van migratie, moet het EFRO steun verlenen om de duurzame integratie van migranten te vergemakkelijken.

(9)Om de inspanningen van de lidstaten en de regio’s bij het aangaan van nieuwe uitdagingen te ondersteunen en een hoog niveau van veiligheid voor de burgers en de voorkoming van radicalisering te garanderen, en tegelijkertijd van de synergieën en complementariteit met andere beleidsgebieden van de Unie te profiteren, moeten de investeringen uit het EFRO bijdragen tot de veiligheid in gebieden waar behoefte is aan veilige en beveiligde openbare ruimten en kritieke infrastructuur, zoals vervoer en energie.

(10)Bovendien moeten de investeringen uit het EFRO bijdragen aan de ontwikkeling van een uitgebreid snel digitaal infrastructuurnetwerk, en aan het bevorderen van schone en duurzame multimodale stedelijke mobiliteit.

(11)Als gevolg van het algemene doel van het Cohesiefonds zoals bepaald in het VWEU is het noodzakelijk de door het Cohesiefonds te ondersteunen specifieke doelstellingen te formuleren en te begrenzen.

(12)Ter verbetering van de algehele bestuurlijke capaciteit van instellingen en bestuur in de lidstaten die de programma’s in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" ten uitvoer brengen, moeten ondersteunende maatregelen worden toegestaan in het kader alle specifieke doelstellingen.

(13)Om samenwerkingsmaatregelen aan te moedigen en te stimuleren in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei", is er behoefte aan het bevorderen van samenwerkingsmaatregelen met partners binnen een bepaalde lidstaat en tussen verschillende lidstaten in verband met steun uit hoofde van alle specifieke doelstellingen. Deze versterkte samenwerking vormt een aanvulling op de samenwerking in het kader van ETS/Interreg en moet in het bijzonder de samenwerking tussen gestructureerde partnerschappen ondersteunen, met het oog op de uitvoering van regionale strategieën, zoals bedoeld in de mededeling van de Commissie "Versterking van de innovatie in de Europese regio’s: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei" 17 . Daarom mogen partners uit alle regio’s in de Unie komen, maar het kan ook gaan om grensoverschrijdende regio’s en regio’s waarop al een macroregionale of zeebekkenstrategie, of een combinatie van beide van toepassing is.

(14)Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zullen de Fondsen bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 25 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen. Naar verwachting zal 30 % van de totale financiële middelen uit het EFRO worden besteed aan maatregelen in het kader van het EFRO voor klimaatdoelstellingen. Naar verwachting zal 37 % van de totale financiële middelen uit het Cohesiefonds worden besteed aan maatregelen in het kader van het Cohesiefonds voor klimaatdoelstellingen.

(15)Om het EFRO in staat te stellen steun te verlenen in het kader van ETS/Interreg in termen van investeringen in infrastructuur en de daarmee gepaard gaande investeringen, opleidingen en integratieactiviteiten, is het noodzakelijk te bepalen dat het EFRO ook steun kan verlenen voor activiteiten in het kader van de specifieke doelstellingen van het ESF +, dat is ingesteld bij Verordening (EU) 2018/XXX van het Europees Parlement en de Raad [nieuwe ESF +] 18 .

(16)Om het gebruik van de beperkte middelen te concentreren op de meest efficiënte manier, moet de steun van het EFRO voor productieve investeringen in het kader van de relevante specifieke doelstelling worden beperkt tot uitsluitend micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie 19 , tenzij de investeringen samenwerking met kleine en middelgrote bedrijven aan onderzoeks- en innovatieactiviteiten betreffen.

(17)Het EFRO moet bijdragen aan het wegnemen van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie en het verminderen van de ongelijkheden tussen de ontwikkelingsniveaus van de verschillende regio’s en van de achterstand van de minst begunstigde regio’s, met inbegrip van de uitdagingen in verband met het koolstofarm maken van de energievoorziening. Steun van het EFRO in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" moet daarom worden toegespitst op de belangrijkste prioriteiten van de Unie, in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2018/xxx [nieuwe GB-verordening]. Daarom moet steun uit het EFRO worden gericht op de beleidsdoelstellingen "een slimmer Europa door het bevorderen van innovatieve en slimme economische transformatie" en "een groener, koolstofarm Europa door het bevorderen van schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering en risicopreventie en beheer". Deze thematische concentratie van de steun moet op nationaal niveau worden verwezenlijkt en tegelijkertijd flexibiliteit toelaten op het niveau van individuele programma’s en tussen de drie groepen lidstaten volgens het respectieve bruto nationaal inkomen. Bovendien moet de werkwijze voor de classificatie van lidstaten in detail worden uiteengezet, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de ultraperifere regio’s.

(18)Teneinde de steun te concentreren op de belangrijkste prioriteiten van de Unie, is het ook passend dat de vereisten van thematische concentratie worden nageleefd tijdens de programmeringsperiode, met inbegrip van overdracht tussen zwaartepunten van een programma of tussen de programma’s onderling.

(19)Deze verordening moet de verschillende soorten activiteiten uiteenzetten, waarvan de kosten mogen worden gedragen door investeringen uit het EFRO en het Cohesiefonds, in het kader van hun respectieve doelstellingen zoals omschreven in het VWEU. Het Cohesiefonds moet ondersteuning kunnen bieden voor investeringen in het milieu en in TEN-V. Wat het EFRO betreft, moet de lijst van activiteiten worden vereenvoudigd en moet het EFRO ondersteuning kunnen bieden aan investeringen in infrastructuur, investeringen in verband met toegang tot diensten, productieve investeringen in kmo's, apparatuur, software en immateriële activa, en in maatregelen met betrekking tot informatie, communicatie, studies, netwerken, samenwerking, uitwisseling van ervaringen en activiteiten waarbij clusters zijn betrokken. Met het oog op ondersteuning van de uitvoering van het programma moeten beide fondsen ook activiteiten op het gebied van technische bijstand kunnen ondersteunen. Tot slot moet, om ondersteuning van een breder spectrum aan maatregelen voor Interreg-programma's mogelijk te maken, het toepassingsgebied worden vergroot, door deze uit te breiden tot een breed spectrum aan voorzieningen en personele middelen en kosten die verband houden met maatregelen die binnen de werkingssfeer van het ESF+ vallen.

(20)Projecten van het trans-Europese vervoersnetwerk in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1316/2013 blijven gefinancierd worden uit het Cohesiefonds via gedeeld beheer en de rechtstreekse uitvoeringswijze in het kader van de Connecting Europe Facility ("CEF").

(21)Tegelijkertijd moet worden verduidelijkt welke activiteiten buiten het toepassingsgebied van het EFRO en het Cohesiefonds blijven, met inbegrip van investeringen in de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen uit de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 20 , teneinde overlapping te voorkomen van de beschikbare financiering die reeds bestaat op grond van die richtlijn. Bovendien moet uitdrukkelijk worden vermeld dat de overzeese landen en gebieden die zijn opgenomen in bijlage II bij het VWEU niet in aanmerking komen voor steun uit het EFRO en het Cohesiefonds.

(22)De lidstaten moeten de Commissie regelmatig informeren over de geboekte vooruitgang, met gebruikmaking van de gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren die zijn opgenomen in Bijlage I. Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren kunnen waar nodig worden aangevuld door programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren. De door de lidstaten verschafte informatie moet de basis zijn waarop de Commissie verslag moet uitbrengen over de voortgang in de richting van de verwezenlijking van specifieke doelstellingen over de gehele programmeringsperiode, hiertoe gebruikmakend van een kernreeks van indicatoren als vermeld in bijlage II.

(23)Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moeten de Fondsen worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor monitoring worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van de Fondsen in de praktijk worden verzameld.

(24)Om de bijdrage aan de territoriale ontwikkeling te maximaliseren, moeten maatregelen op dit gebied worden gebaseerd op geïntegreerde territoriale strategieën, waaronder in stedelijke gebieden. Daarom moet de EFRO-ondersteuning worden verleend op de wijze die is voorgeschreven in artikel 22 van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening], om ervoor te zorgen dat de lokale, regionale en stedelijke autoriteiten op een passende manier zijn betrokken.

(25)In het kader van de duurzame stedelijke ontwikkeling wordt het noodzakelijk geacht steun te verlenen aan geïntegreerde maatregelen om de economische, ecologische, klimatologische, demografische en sociale uitdagingen aan te pakken,waarmee stedelijke gebieden, inclusief functionele stedelijke gebieden, worden geconfronteerd, en moet ook rekening worden gehouden met de noodzaak om onderlinge banden tussen stedelijke en plattelandsgebieden te stimuleren. De beginselen voor de selectie van stedelijke gebieden waarin geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling moeten worden uitgevoerd, en de indicatieve bedragen voor dergelijke maatregelen, moeten worden vastgesteld in de partnerschapsovereenkomst, met een minimum van 6 % van de EFRO-middelen die op nationaal niveau voor dat doeleinde zijn toegekend. Ook moet worden vastgesteld dat dit percentage wordt nageleefd tijdens de programmeringsperiode in het geval van overdracht tussen zwaartepunten van een programma of tussen programma’s onderling, onder meer bij de tussentijdse evaluatie.

(26)Om oplossingen te identificeren of aan te bieden teneinde problemen aan te pakken die verband houden met duurzame stedelijke ontwikkeling op het niveau van de Unie, moeten de Stedelijke Innovatieve Acties worden vervangen door een Stedelijk Europa-initiatief, dat onder direct of indirect beheer moet worden uitgevoerd. Dit initiatief moet alle stedelijke gebieden omvatten en de stedelijke agenda van de Unie ondersteunen 21 .

(27)Specifieke aandacht moet worden besteed aan de ultraperifere regio’s, met name door maatregelen vast te stellen uit hoofde van artikel 349 VWEU, dat voorziet in een extra toewijzing voor ultraperifere gebieden ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer blijvende beperkingen als bedoeld in artikel 349 VWEU, met name de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat, en de economische afhankelijkheid van slechts enkele producten, die blijvend zijn en een combinatie vormen die hun ontwikkeling ernstig belemmert. Deze toewijzing kan betrekking hebben op investeringen, exploitatiekosten en openbare- dienstverplichtingen die als doel hebben de extra kosten als gevolg van dergelijke beperkingen te compenseren. Exploitatiesteun kan dienen ter dekking van uitgaven voor goederenvervoerdiensten en starterssteun voor vervoersdiensten, alsook voor uitgaven voor acties die verband houden met opslagproblemen, overdimensionering en onderhoud van productiemiddelen, en gebrek aan menselijk kapitaal op de lokale arbeidsmarkt. Om de integriteit van de interne markt te beschermen, zoals het geval is voor alle acties die worden gecofinancierd door het EFRO en het Cohesiefonds, moet elke vorm van EFRO-ondersteuning ter financiering van de exploitatie- en investeringssteun in de ultraperifere gebieden voldoen aan de regels voor staatssteun zoals vastgelegd in de artikelen 107 en 108 VWEU.

(28)Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU worden gedelegeerd aan de Commissie, wat betreft het aanbrengen van aanpassingen, in gemotiveerde gevallen, van bijlage II, die een lijst bevat van indicatoren die als basis dienen om informatie te verstrekken aan het Europees Parlement en aan de Raad over de uitvoering van de programma’s. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden, onder meer op deskundigenniveau, passende raadplegingen verricht overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 22 . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(29)Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de versterking van economische, sociale en territoriale cohesie door het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie, onvoldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, en die vanwege de grootte van de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's, de achterstand van de minst begunstigde regio's en de beperkte financiële middelen van de lidstaten en regio's, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat is vervat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I
Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 1
Doel

1.Deze verordening bepaalt de specifieke doelstellingen en het toepassingsgebied van de steun uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling ("EFRO") met betrekking tot de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) als bedoeld in artikel [4, lid 2,] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

2.Deze verordening bevat ook de specifieke doelstellingen en het toepassingsgebied van de steunverlening uit het Cohesiefonds met betrekking tot de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" waarnaar wordt verwezen in [artikel 4, lid 2, punt a)] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

Artikel 2
Specifieke doelstellingen voor het EFRO en het Cohesiefonds

1.In overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld in artikel [4, punt 1,] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuw GVB] ondersteunt het EFRO de volgende specifieke doelstellingen:

a)"een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie" ("BD 1") door:

i)het versterken van de onderzoeks- en innovatiecapaciteit en de invoering van geavanceerde technologieën;

ii)te profiteren van de voordelen van digitalisering voor burgers, bedrijven en overheden;

iii)het versterken van de groei en het concurrentievermogen van het kmo's;

iv)het ontwikkelen van vaardigheden voor slimme specialisatie, industriële overgang en ondernemerschap;

b)"een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer" ("BD 2") door:

i)het bevorderen van maatregelen voor energie-efficiëntie;

ii)het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen;

iii)het ontwikkelen van slimme energiesystemen, netwerken en opslag op lokaal niveau;

iv)het bevorderen van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en rampenbestendigheid;

v)het bevorderen van duurzaam waterbeheer;

vi)het bevorderen van de overgang naar een circulaire economie;

vii)het bevorderen van biodiversiteit, groene infrastructuur in de stedelijke omgeving en vermindering van verontreiniging;

c)"een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit" ("BD 3") door:

i)het verbeteren van de digitale connectiviteit;

ii)het ontwikkelen van een duurzame, klimaatbestendige, intelligente, veilige en intermodale TEN-V;

iii)het ontwikkelen van duurzame, klimaatbestendige, intelligente en intermodale nationale, regionale en lokale mobiliteit, met inbegrip van een verbeterde toegang tot TEN-V en grensoverschrijdende mobiliteit;

iv)het bevorderen van duurzame multimodale stedelijke mobiliteit;

d)"een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten" ("BD 4") door:

i)het verbeteren van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en de toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door de ontwikkeling van sociale innovatie infrastructuur;

ii)het verbeteren van de toegang tot inclusieve en hoogwaardige diensten op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren door het ontwikkelen van infrastructuur;

iii)het bespoedigen van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, migranten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten;

iv)te zorgen voor gelijke toegang tot gezondheidszorg door de ontwikkeling van infrastructuur, met inbegrip van eerstelijnszorg;

e)"Europa dichter bij de burgers brengen door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, en door lokale initiatieven te bevorderen" ("BD 5") door:

i)het bevorderen van een geïntegreerde sociale, economische en ecologische ontwikkeling, cultureel erfgoed en veiligheid in stedelijke gebieden;

ii)het bevorderen van geïntegreerde maatschappelijke, economische en ecologische lokale ontwikkeling, cultureel erfgoed en veiligheid, met inbegrip van plattelands- en kustgebieden, ook via vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling.

2.Het Cohesiefonds ondersteunt BD 2 en specifieke doelstellingen van BD 3 die zijn genoemd in lid 1, onder c), punten ii), iii) en iv).

3.Met betrekking tot de specifieke doelstellingen in de zin van lid 1 kunnen het EFRO of het Cohesiefonds, indien wenselijk, ook steun verlenen aan activiteiten in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei", indien deze een van de volgende doelen hebben:

a)verbetering van de capaciteit van programma-autoriteiten en -organen in verband met de tenuitvoerlegging van de Fondsen;

b)verbetering van de samenwerking met partners binnen en buiten een bepaalde lidstaat.

de in punt b) bedoelde samenwerking moet betrekking hebben op samenwerking met partners uit grensoverschrijdende regio’s, uit niet aan elkaar grenzende regio’s of uit regio’s die zich bevinden op een grondgebied dat valt onder een macroregionale of zeebekkenstrategie of een combinatie daarvan.

Artikel 3
Thematische concentratie van EFRO-ondersteuning

1.Wat de programma’s in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" betreft, wordt het totaal van de EFRO-middelen in elke lidstaat geconcentreerd op nationaal niveau overeenkomstig de leden 3 en 4.

2.Wat de thematische concentratie van de steun voor lidstaten met ultraperifere regio’s betreft, worden de EFRO-middelen die specifiek aan programma’s voor de ultraperifere gebieden zijn toegewezen en de middelen die aan alle overige gebieden zijn toegewezen, afzonderlijk behandeld.

3.De lidstaten worden in termen van hun bruto nationale inkomensratio als volgt ingedeeld:

a)lidstaten met een bruto nationale inkomensratio gelijk aan of groter dan 100 % van het EU-gemiddelde ("groep 1");

b)lidstaten met een bruto nationale inkomensratio groter dan 75% en kleiner dan 100 % van het EU-gemiddelde ("groep 2");

c)lidstaten met een bruto nationale inkomensratio kleiner dan 75 % van het EU-gemiddelde ("groep 3").

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de bruto nationale inkomensratio verstaan de verhouding tussen het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking van een lidstaat, gemeten in koopkrachtstandaard en berekend op basis van de cijfers van de Unie in de periode van 2014 tot en met 2016, en het gemiddelde bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking in koopkrachtstandaard van de 27 lidstaten in dezelfde referentieperiode.

De programma’s in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" voor de ultraperifere gebieden worden ingedeeld in groep 3.

4.De lidstaten moeten voldoen aan de volgende vereisten van thematische concentratie:

a)De lidstaten van groep 1 wijzen ten minste 85 % van hun totale EFRO-middelen in het kader van andere prioriteiten dan voor technische bijstand toe aan BD 1 en BD 2, en ten minste 60 % aan BD 1;

b)De lidstaten van groep 2 wijzen ten minste 45 % van hun totale EFRO-middelen in het kader van andere prioriteiten dan voor technische bijstand toe aan BD 1, en ten minste 30 % aan BD 2;

c)De lidstaten van groep 3 wijzen ten minste 35 % van hun totale EFRO-middelen in het kader van andere prioriteiten dan voor technische bijstand toe aan BD 1, en ten minste 30 % aan BD 2.

5.Aan de vereisten van thematische concentratie van lid 4 moet worden voldaan tijdens de gehele programmeringsperiode, ook wanneer EFRO-toewijzingen worden overgedragen tussen de prioriteiten van een programma of tussen programma’s onderling en bij de tussentijdse toetsing in overeenstemming met artikel [14] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

6.Wanneer de EFRO-toewijzing met betrekking tot BD 1 of BD 2 of beide van een bepaald programma wordt verlaagd na een vrijmaking op grond van artikel [99] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening], of als gevolg van financiële correcties door de Commissie overeenkomstig artikel [98] van die verordening, wordt de naleving van het in lid 4 vastgestelde vereiste van thematische concentratie niet opnieuw beoordeeld.

Artikel 4
Toepassingsgebied van de steunverlening uit het EFRO

1.Het EFRO ondersteunt:

a)investeringen in infrastructuur;

b)investeringen in toegang tot diensten;

c) productieve investeringen in kmo's;

d)apparatuur, software en immateriële activa;

e)informatie, communicatie, studies, netwerken, samenwerking, uitwisseling van ervaringen en activiteiten waarbij clusters zijn betrokken;

f)technische bijstand.

Bovendien kunnen productieve investeringen in andere bedrijven dan kmo’s worden ondersteund wanneer zij voorzien in samenwerking met kmo's in onderzoeks- en innovatieactiviteiten die worden ondersteund uit hoofde van artikel 2, lid 1, onder a) i).

Om bij te dragen aan de specifieke doelstelling in het kader van BD 1 als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a), iv), verleent het EFRO ook steun aan opleidingen, een leven lang leren en onderwijsactiviteiten.

2.In het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) verleent het EFRO ook steun voor:

a)gedeeld gebruik van faciliteiten en personele middelen;

b)het begeleiden van zachte investeringen en andere activiteiten in verband met BD 4 in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus als omschreven in Verordening (EU) nr. 2018/xxxx [nieuwe ESF +].

Artikel 5
Toepassingsgebied van de steunverlening uit het Cohesiefonds

1.Het Cohesiefonds ondersteunt:

a)investeringen in het milieu, met inbegrip van investeringen die verband houden met duurzame ontwikkeling en energie waaraan milieuvoordelen zijn verbonden;

b)investeringen in TEN-V;

c)technische bijstand.

De lidstaten zorgen voor een passend evenwicht tussen investeringen uit hoofde van de punten a) en b).

2.Het bedrag van het Cohesiefonds dat wordt overgemaakt naar de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen 23 moet worden gebruikt voor TEN-V-projecten.

Artikel 6
Uitsluiting uit het toepassingsgebied van het EFRO en het Cohesiefonds

1.Het EFRO en het Cohesiefonds verlenen geen steun aan:

a)de ontmanteling of de bouw van kerncentrales;

b)investeringen voor het realiseren van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen van activiteiten die vallen onder bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 24 ;

c)productie, verwerking en afzet van tabak en tabaksproducten;

d)ondernemingen in moeilijkheden als omschreven in artikel 2, lid 18, van Verordening (EU) nr. 651/2014 25 ;

e)investeringen in luchthaveninfrastructuur, met uitzondering van de ultraperifere regio’s;

f)investeringen in de lozing van afval op stortplaatsen;

g)investeringen in installaties voor de verwerking van restafval;

h)investeringen in verband met de productie, de verwerking, de distributie, de opslag of verbranding van fossiele brandstoffen, met uitzondering van investeringen in verband met schone voertuigen als gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad 26 ;

i)investeringen in breedbandinfrastructuur in gebieden waar zich ten minste twee breedbandnetwerken van een gelijkwaardige categorie bevinden.

j)financiering van de aankoop van rollend materieel voor vervoer per spoor, behalve indien dit vervoer verband houdt met:

i) het voldoen aan een openbaar uitbestede openbare-dienstverplichting op grond van de gewijzigde Verordening 1370/2007;

ii) verrichting van vervoersdiensten per spoor op lijnen die volledig open staan voor mededinging, en de begunstigde is een nieuwkomer die in aanmerking komt voor financiering op grond van de Verordening (EU) 2018/xxx [EU-investeringsverordening]

2.Bovendien verleent het Cohesiefonds geen steun aan investeringen in huisvesting, tenzij deze verband houden met het bevorderen van energie-efficiëntie of het gebruik van hernieuwbare energie.

3.Overzeese landen en gebieden komen niet in aanmerking voor steun uit het EFRO of het Cohesiefonds, maar kunnen deelnemen aan Interreg-programma’s overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) 2018/xxxx [ETC (Interreg)].

Artikel 7
Indicatoren

1.Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, als vervat in bijlage I wat het EFRO en het Cohesiefonds betreft, en, waar nodig, programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren worden gebruikt overeenkomstig artikel [12, lid 1], tweede alinea, onder a), artikel [17, lid 3,] onder d), ii), en artikel [37, lid 2,] onder b), van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

2.Voor de outputindicatoren bedragen de uitgangswaarden nul. De mijlpalen voor 2024 en de streefdoelen voor 2029 zijn cumulatief.

3.In overeenstemming met zijn rapportageverplichting op grond van artikel [38, lid 3, onder e), i)] van het Financieel Reglement legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad informatie over de prestaties voor overeenkomstig bijlage II.

4.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I te wijzigen teneinde de nodige aanpassingen te verrichten aan de door de lidstaten te gebruiken lijst van indicatoren en om bijlage II te wijzigen teneinde de nodige aanpassingen aan te brengen aan de informatie over de prestaties die aan het Europees Parlement en de Raad wordt verstrekt.

HOOFDSTUK II
Specifieke bepalingen inzake de behandeling van bijzondere territoriale kenmerken

Artikel 8
Geïntegreerde territoriale ontwikkeling

1.Het EFRO kan steun verlenen aan geïntegreerde territoriale ontwikkeling in het kader van programma’s voor beide doelstellingen waarnaar wordt verwezen in artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening] in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van titel III van die verordening [nieuwe GB-verordening].

2.De lidstaten passen de geïntegreerde territoriale ontwikkeling, ondersteund door het EFRO, uitsluitend toe door middel van de formulieren als bedoeld in artikel [22] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

Artikel 9
Duurzame stedelijke ontwikkeling

1.Het EFRO ondersteunt de geïntegreerde territoriale ontwikkeling op basis van territoriale strategieën in overeenstemming met artikel [23] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening] gericht op stedelijke gebieden ("duurzame stedelijke ontwikkeling") in het kader van programma’s voor beide doelen als bedoeld in artikel 4, lid 2, van die verordening.

2.Ten minste 6 % van de EFRO-middelen op nationaal niveau in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei", anders dan voor technische bijstand, wordt toegewezen aan duurzame stedelijke ontwikkeling in de vorm van vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, geïntegreerde territoriale investeringen of een ander territoriaal instrument in het kader van BD 5.

Het betrokken programma of de betrokken programma’s maken melding van de geplande bedragen voor dit doel als bedoeld in artikel [17, lid 3,] onder d), vii), van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

3.Aan het vereiste percentage dat moet worden uitgetrokken voor duurzame stedelijke ontwikkeling als bedoeld in lid 2 moet worden voldaan tijdens de gehele programmeringsperiode, ook wanneer EFRO-toewijzingen worden overgedragen tussen de prioriteiten van een programma of tussen programma’s onderling, en bij de tussentijdse toetsing in overeenstemming met artikel [14] van Verordening (EU) 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].

4.Wanneer de EFRO-toewijzing wordt verlaagd na een vrijmaking op grond van artikel [99] van Verordening (EU) nr. [new CPR], of als gevolg van financiële correcties door de Commissie overeenkomstig artikel [98] van die verordening, wordt de naleving van het in lid 2 vastgestelde vereiste niet opnieuw beoordeeld.

Artikel 10
Stedelijk Europa-initiatief

1.Het EFRO ondersteunt ook het "Stedelijk Europa"-initiatief, dat door de Commissie wordt uitgevoerd in directe en indirect beheer.

Dit initiatief omvat alle stedelijke gebieden en ondersteunt de stedelijke agenda van de Unie.

2.Het "Stedelijk Europa"-initiatief omvat de volgende drie onderdelen, die alle duurzame stadsontwikkeling betreffen:

a)ondersteuning van capaciteitsopbouw;

b)ondersteuning van innovatieve acties;

c)ondersteuning van kennis, ontwikkeling van beleid en communicatie.

Op verzoek van een of meer lidstaten kan het Stedelijk Europa-initiatief tevens steun verlenen aan intergouvernementele samenwerking in verband met stedelijke aangelegenheden.

Artikel 11
Ultraperifere gebieden

1.De specifieke extra toewijzing voor ultraperifere gebieden wordt gebruikt ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer van de permanente factoren die hun ontwikkeling schaden die worden genoemd in artikel 349 VWEU.

2.De in lid 1 bedoelde toewijzing verleent geen steun aan:

a)de activiteiten binnen het toepassingsgebied zoals beschreven in artikel 4;

b)in afwijking van artikel 4, maatregelen met het oog op het dekken van de exploitatiekosten ter compensatie van de extra kosten die in deze gebieden ontstaan als gevolg van één of meer van de permanente factoren die hun ontwikkeling schaden, zoals genoemd in artikel 349 VWEU.

De toewijzing bedoeld in lid 1 mag ook worden gebruikt voor uitgaven ter compensatie van de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en contracten in de ultraperifere gebieden.

3.De in lid 1 bedoelde toewijzing verleent geen steun aan:

a)acties voor producten opgesomd in bijlage I bij het VWEU;

b)steunmaatregelen voor het vervoer van personen dat is toegestaan uit hoofde van artikel 107, lid 2, onder a), VWEU;

c)belastingvrijstellingen en vrijstelling van sociale lasten;

d)openbaredienstverplichtingen die niet zijn nagekomen door ondernemingen, en waarbij de staat handelt door overheidsgezag uit te oefenen.

HOOFSTUK III
Slotbepalingen

Artikel 12
Overgangsbepalingen

De Verordeningen (EG) nr. 1300/2013 en (EG) nr. 1301/2013 of handelingen die op grond daarvan zijn vastgesteld, blijven van toepassing op programma’s en acties die worden ondersteund uit het EFRO of het Cohesiefonds in de programmeringsperiode 2014-2020.

Artikel 13
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.De bevoegdheid om de in artikel 7, lid 4, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt de Commissie met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening voor onbepaalde tijd verleend.

3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 27 .

5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.Een overeenkomstig artikel 7, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 14
Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1)    COM(2018) 322 definitief van 2.5.2018.
(2)    Voor een uitvoerigere bespreking van synergieën, coherentie en consistentie met ander EU-beleid, zie de effectbeoordeling.
(3)    [Referentie].
(4)    [Referentie]; behalve het "Programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie" en het "Gezondheidsprogramma van de Unie".
(5)    [Referentie]; alleen onderdelen onder gedeeld beheer.
(6)    [Referentie].
(7)    [Referentie], met uitzondering van het "Programma voor controleapparatuur voor de douane".
(8)    Zie voor nadere bijzonderheden de bijgevoegde effectbeoordeling SWD(2018) 282, hoofdstuk 3.1 over subsidiariteit en meerwaarde van het EFRO en het Cohesiefonds.
(9)    Zie de discussienota van de Commissie over de toekomst van de EU-financiën:    
https://ec.europa.eu/commission/publications/reflection-paper-future-eu-finances_en .
(10)    Doelstellingen voor 2014-20
(11)    Spatial Foresight & t33, New assessment of administrative costs and burden in ESI Funds, preliminary results.
(12)    Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(13)    PB C , , blz. .
(14)    PB C , , blz. .
(15)    Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).
(16)    [Volledige referentie - nieuwe GB-verordening].].
(17)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 8 juli 2017 (COM(2017)  376 final.
(18)    [Volledige referentie - nieuw ESF+].
(19)    Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
(20)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
(21)    Conclusies van de Raad over een stedelijke agenda voor de EU (24 juni 2016).
(22)    Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(23)    Referentie
(24)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad.
(25)    Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).
(26)    Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5).
(27)    PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.
Top

Straatsburg, 29.5.2018

COM(2018) 372 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

{SEC(2018) 268 final}
{SWD(2018) 282 final}
{SWD(2018) 283 final}


BIJLAGE I

Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds – Artikel 7, lid 1 1

Tabel 1: Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het EFRO (Investeren in werkgelegenheid en groei en Interreg) en het Cohesiefonds**

Beleidsdoelstelling

Output

Resultaten

1)

2)

3)

1. Een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie

RCO 2 01 - Ondersteunde ondernemingen (waarvan: micro-, klein, middelgroot, groot)*
RCO 02 - Ondernemingen ondersteund door subsidies*
RCO 03 - Ondernemingen ondersteund door financiële instrumenten*
RCO 04 - Ondernemingen met niet-financiële steun*
RCO 05 - Ondersteunde startende ondernemingen*
RCO 06 - Onderzoekers werkzaam in ondersteunde onderzoeksfaciliteiten
RCO 07 - Onderzoeksinstellingen die deelnemen aan gezamenlijke onderzoeksprojecten
RCO 08 - Nominale waarde van onderzoeks- en innovatieapparatuur
RCO 10 - Ondernemingen die samenwerken met onderzoeksinstellingen

RCO 96 – Interregionale investeringen in EU projecten*

RCR 3 01 - Banen gecreëerd in ondersteunde entiteiten* 
RCR 02 - Particuliere investeringen voor gelijke delen als overheidssteun (waarvan: subsidies, financiële instrumenten)*
RCR 03 – Kmo's die product- of procesinnovatie introduceren*
RCR 04 – Kmo's die innovatie op het gebied van marketing of bedrijfsorganisatie introduceren*
RCR 05 - Kmo's die intern innoveren*
RCR 06 - Octrooiaanvragen ingediend bij het Europees Octrooibureau*
RCR 07 - Handelsmerkaanvragen en modelaanvragen* 
RCR 08 - Publiek-private copublicaties

RCO 12 - Ondernemingen ondersteund om hun producten en diensten te digitaliseren
RCO 13 - Digitale diensten en producten ontwikkeld voor ondernemingen
RCO 14 - Openbare instellingen ondersteund om digitale diensten en toepassingen te ontwikkelen

RCR 11 - Gebruikers van nieuwe openbare digitale diensten en toepassingen*
RCR 12 - Gebruikers van nieuwe digitale producten, diensten en toepassingen die zijn ontwikkeld door ondernemingen*
RCR 13 - Ondernemingen die een hoge digitale intensiteit bereiken*
RCR 14 - Ondernemingen die openbare digitale diensten gebruiken*

RCO 15 - Gecreëerde opstartcapaciteit* 

RCR 16 - Ondersteunde sterk groeiende ondernemingen*
RCR 17 - Ondernemingen die drie jaar op de markt hebben overleefd*
RCR 18 - Kmo's die één jaar na de opstart de diensten van starterscentra gebruiken
RCR 19 - Ondernemingen met een hogere omzet

RCR 25 - Toegevoegde waarde per werknemer in ondersteunde kmo's*

RCO 16 - Belanghebbenden die deelnemen aan een ondernemingsgezind ontdekkingsproces
RCO 17 - Investeringen in regionale/lokale ecosystemen voor de ontwikkeling van vaardigheden

RCO 101 - Kmo's die investeren in de ontwikkeling van vaardigheden

RCO 102 - Kmo's die investeren in systemen voor het beheer van opleidingen* 

RCR 24 - Kmo's die profiteren van activiteiten voor de ontwikkeling van vaardigheden die worden geleverd door een lokaal/regionaal ecosysteem
RCR 97 – Ondersteunende leerplaatsen in kmo's

RCR 98 – Kmo-personeel dat voortgezette vormen van beroepsonderwijs en -opleiding (CVET) heeft voltooid (naar type vaardigheid: technisch, management, ondernemerschap, groen, overig)

RCR 99 – Kmo-personeel dat alternatieve opleiding voor kennisintensieve dienstenactiviteiten (KISA) heeft voltooid ((naar type vaardigheid: technisch, management, ondernemerschap, groen, overig)

RCR 100 – Kmo-personeel dat formele opleiding voor de ontwikkeling van vaardigheden (KISA) heeft voltooid (naar type vaardigheid: technisch, management, ondernemerschap, groen, overig)*

2. Een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer

RCO 18 - Huishoudens die ondersteund worden om de energieprestatie van de woning te verbeteren
RCO 19 - Openbare gebouwen die ondersteund worden om de energieprestatie te verbeteren
RCO 20 - Nieuw aangelegde of verbeterde stadsverwarmingnetwerklijnen

RCR 26 - Jaarlijks eindverbruik van energie (waarvan: residentieel, niet-residentieel, openbaar niet-residentieel)
RCR 27 - Huishoudens met verbeterde energieprestatie van de woning
RCR 28 - Gebouwen met verbeterde energieprestatie (waarvan: residentieel, niet-residentieel, openbaar niet-residentieel)
RCR 29 - Geraamde uitstoot van broeikasgassen*
RCR 30 - Ondernemingen met verbeterde energieprestatie

RCO 22 - Bijkomende productiecapaciteit voor hernieuwbare energie (waarvan: elektriciteit, thermisch)

RCO 97 – Aantal ondersteunde energiegemeenschappen en hernieuwbare-energiegemeenschappen*

RCR 31 - Totale geproduceerde hernieuwbare energie (waarvan: elektriciteit, thermisch)
RCR 32 - Hernieuwbare energie: met het netwerk verbonden capaciteit (operationeel)* 

RCO 23 - Digitale beheerssystemen voor slimme netwerken

RCO 98 - Huishoudens die ondersteund worden om slimme energienetwerken te gebruiken

RCR 33 - Verbruikers die zijn aangesloten op slimme netwerken
RCR 34 - Uitrol van projecten voor slimme netwerken

RCO 24 - Nieuwe of verbeterde systemen voor toezicht, paraatheid, waarschuwing en reactie bij rampen* 
RCO 25 - Nieuw aangelegde of geconsolideerde bescherming van kustgebieden, van rivier- en meeroevers en tegen aardverschuivingen om de bevolking, goederen en het milieu te beschermen
RCO 26 - Groene infrastructuur aangelegd ter aanpassing aan de klimaatverandering
RCO 27 - Nationale/regionale/lokale strategieën ter aanpassing aan de klimaatverandering
RCO 28 - Gebieden die vallen onder maatregelen ter bescherming tegen bosbranden

RCR 35 - Inwoners die profiteren van maatregelen ter bescherming tegen overstromingen
RCR 36 - Inwoners die profiteren van maatregelen ter bescherming tegen bosbranden
RCR 37 - Inwoners die profiteren van maatregelen ter bescherming tegen klimaatgerelateerde natuurrampen (andere dan overstromingen en bosbranden)

RCR 96 – Inwoners die profiteren van maatregelen ter bescherming tegen niet-klimaatgerelateerde natuurrampen en risico's in verband met menselijke activiteiten*
RCR 38 - Geraamde gemiddelde reactietijd bij rampsituaties*

RCO 30 - Lengte van nieuwe of geconsolideerde leidingen voor wateraansluitingen van huishoudens
RCO 31 - Lengte van nieuw aangelegde of geconsolideerde leidingen van afvalwateropvangnetwerken
RCO 32 - Nieuwe of verbeterde capaciteit voor de behandeling van afvalwater

RCR 41 - Inwoners aangesloten op verbeterde watertoevoer
RCR 42 - Inwoners aangesloten op ten minste secondaire behandeling van afvalwater
RCR 43 - Waterverliezen
RCR 44 - Naar behoren behandeld afvalwater

RCO 34 - Bijkomende capaciteit voor afvalrecycling

RCR 46 - Inwoners aangesloten op waterrecyclingvoorzieningen en beheerssystemen voor klein afval
RCR 47 - Gerecycleerd afval
RCR 48 - Gerecycleerd afval gebruikt als grondstof
RCR 49 - Teruggewonnen afval

RCO 36 - Oppervlakte van ondersteunde groene infrastructuur in stedelijke gebieden
RCO 37 - Oppervlakte van Natura 2000-gebieden die vallen onder beschermings- en restauratiemaatregelen overeenkomstig het prioritaire actiekader

RCO 99 - Oppervlakte van gebieden buiten Natura 2000-gebieden die vallen onder beschermings- en restauratiemaatregelen

RCO 38 - Oppervlakte van ondersteunde gesaneerde bodem
RCO 39 - Geïnstalleerde systemen voor bewaking van luchtverontreiniging

RCR 50 - Inwoners die profiteren van maatregelen voor luchtkwaliteit

RCR 95 - Inwoners die toegang hebben tot nieuwe of verbeterde groene infrastructuur in stedelijke gebieden
RCR 51 - Inwoners die profiteren van maatregelen om geluidshinder te verminderen
RCR 52 - Gesaneerde bodem gebruikt voor groengebieden, sociale huisvesting, economische of maatschappelijke activiteiten



3. Een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit

RCO 41 - Bijkomende huishoudens die toegang hebben tot breedband met zeer hoge capaciteit
RCO 42 - Bijkomende ondernemingen die toegang hebben tot breedband met zeer hoge capaciteit

RCR 53 - Huishoudens met breedbandaansluiting op een netwerk met zeer hoge capaciteit
RCR 54 - Ondernemingen met breedbandaansluiting op een netwerk met zeer hoge capaciteit

RCO 43 - Lengte van ondersteunde nieuwe wegen - TEN-V 4
RCO 44 - Lengte van ondersteunde nieuwe wegen - overig
RCO 45 - Lengte van opnieuw aangelegde of verbeterde wegen - TEN-V
RCO 46 - Lengte van opnieuw aangelegde of verbeterde wegen - overig

RCR 55 - Gebruikers van nieuw aangelegde, opnieuw aangelegde of verbeterde wegen

RCR 56 - Tijdwinst dankzij verbeterde wegeninfrastructuur

RCR 101 - Tijdwinst dankzij verbeterde spoorweginfrastructuur

RCO 47 - Lengte van ondersteunde nieuwe spoorwegen - TEN-V
RCO 48 - Lengte van ondersteunde nieuwe spoorwegen - overig
RCO 49 - Lengte van opnieuw aangelegde of verbeterde spoorwegen - TEN-V
RCO 50 - Lengte van opnieuw aangelegde of verbeterde spoorwegen - overig
RCO 51 - Lengte van ondersteunde nieuwe of verbeterde binnenwateren - TEN-V
RCO 52 - Lengte van ondersteunde nieuwe of verbeterde binnenwateren - overig
RCO 53 - Spoorwegstations en faciliteiten - nieuw of verbeterd
RCO 54 - Intermodale verbindingen - nieuw of verbeterd

RCO 100 - Aantal ondersteunde havens

RCR 57 - Lengte van spoorwegen uitgerust met Europees beheersysteem voor het spoorverkeer in werking
RCR 58 - Jaarlijks aantal passagiers op ondersteunde spoorwegen
RCR 59 - Vrachtvervoer per spoor
RCR 60 - Vrachtvervoer over binnenwateren

RCO 55 - Lengte van tram- en metrolijnen - nieuw
RCO 56 - Lengte van tram- en metrolijnen - opnieuw aangelegd/verbeterd
RCO 57 - Milieuvriendelijk rollend materieel voor openbaar vervoer
RCO 58 - Ondersteunde specifieke rijwielinfrastructuur
RCO 59 - Ondersteunde infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (tank- /herlaadstations)
RCO 60 - Steden en gemeenten met nieuwe of verbeterde gedigitaliseerde stadsvervoerssystemen

RCR 62 - Jaarlijks aantal passagiers van openbaar vervoer
RCR 63 - Jaarlijks aantal gebruikers van nieuwe/verbeterde tram- en metrolijnen
RCR 64 - Jaarlijks aantal gebruikers van specifieke rijwielinfrastructuur



4. Een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten

RCO 61 - Jaarlijks aantal werklozen bediend door verbeterde arbeidsvoorzieningsfaciliteiten

RCR 65 - Jaarlijks aantal werkzoekenden die gebruik maken van de ondersteunde arbeidsvoorzieningsdiensten

RCO 63 - Capaciteit van gecreëerde tijdelijke opvanginfrastructuur
RCO 64 - Capaciteit van gerenoveerde huisvesting – migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming ontvangen of hierom verzoeken

TRK 65 - Capaciteit van de gerenoveerde huisvesting - overige

RCO 66 - Bezetting van gebouwde of gerenoveerde tijdelijke opvanginfrastructuur
RCR 67 - Bezetting van gesaneerde huisvesting – migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming ontvangen of hierom verzoeken

RCR 68 - Bezetting van gerenoveerde huisvesting - overige

RCO 66 - Klaslokaalcapaciteit van ondersteunde kinderopvanginfrastructuur (nieuw of verbeterd)
RCO 67 - Klaslokaalcapaciteit van ondersteunde onderwijsinfrastructuur (nieuw of verbeterd)

RCR 70 - Jaarlijks aantal kinderen dat gebruikmaakt van ondersteunde kinderopvanginfrastructuur
RCR 71 - Jaarlijks aantal leerlingen dat gebruikmaakt van ondersteunde onderwijsinfrastructuur

RCO 69 - Capaciteit van ondersteunde gezondheidszorginfrastructuur
RCO 70 - Capaciteit van ondersteunde sociale infrastructuur (anders dan huisvesting)

RCR 72 - Personen met toegang tot verbeterde gezondheidszorgdiensten
RCR 73 - Jaarlijks aantal personen dat gebruikmaakt van ondersteunde gezondheidszorgfaciliteiten
RCR 74 - Jaarlijks aantal personen dat gebruikmaakt van ondersteunde socialezorgfaciliteiten
RCR 75 - Gemiddelde reactietijd voor medische nooddiensten in het ondersteunde gebied

5. Europa dichter bij de burgers brengen door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, alsook lokale initiatieven te bevorderen

CCO 74 - Aandeel bevolking dat valt onder strategieën voor geïntegreerde stedelijke ontwikkeling
RCO 75 - Geïntegreerde strategieën voor stedelijke ontwikkeling
RCO 76 - Samenwerkingsprojecten
RCO 77 - Capaciteit van ondersteunde culturele en toeristische infrastructuur

RCR 76 - Belanghebbenden die betrokken zijn bij de voorbereiding en uitvoering van strategieën voor stedelijke ontwikkeling
RCR 77 - Toeristen/bezoeken aan ondersteunde voorzieningen* 
RCR 78 - Gebruikers van ondersteunde culturele infrastructuur

TRK 80 - Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkelingstrategieën voor lokale ontwikkeling

 



Horizontaal — Uitvoering

RCO 95 - Personeel gefinancierd uit EFRO en Cohesiefonds

RCR 91 - Gemiddelde tijd voor het doen van oproepen, keuze van projecten en ondertekening van contracten*
RCR 92 - Gemiddelde tijd voor aanbesteding (vanaf de oproep tot de ondertekening van het contract) *
RCR 93 - Gemiddelde tijd voor de uitvoering van het project (vanaf ondertekening van het contract tot laatste betaling) *
RCR 94 - Enkele bieding voor optredens van EFRO en Cohesiefonds*

** Voor om presentatieredenen zijn indicatoren gegroepeerd onder, maar niet beperkt tot, een beleidsdoelstelling. Met name kunnen in het kader van doelstelling 5, specifieke doelstellingen uit de beleidsdoelstellingen 1- 4 worden gebruikt met de relevante indicatoren. Om een volledig beeld te geven van de verwachte en werkelijke prestaties van de programma’s, mogen de indicatoren aangeduid met (*) worden gebruikt door specifieke doelstellingen die vallen onder meer dan één van de doelstellingen 1 tot en met 4, indien van toepassing.

Tabel 2: Aanvullende gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor het EFRO voor Interreg

Voor Interreg specifieke indicatoren

RCO 81 - Deelnemers aan grensoverschrijdende mobiliteitsinitiatieven
RCO 82 - Deelnemers aan gemeenschappelijke acties ter bevordering van gendergelijkheid, gelijke kansen en sociale inclusie
RCO 83 - Gemeenschappelijke strategieën/ actieplannen die zijn ontwikkeld of uitgevoerd
RCO 84 - Gemeenschappelijke proefactiviteiten die worden uitgevoerd in projecten
RCO 85 - Deelnemers aan gemeenschappelijke opleidingsactiviteiten

RCO 96 - Geconstateerde juridische of administratieve belemmeringen
RCO 86 - Ondertekende gemeenschappelijke bestuurlijke of juridische overeenkomsten
RCO 87 - Organisaties die grensoverschrijdend samenwerken
RCO 88 - Grensoverschrijdende projecten voor intercollegiaal leren om samenwerkingsactiviteiten te bevorderen
RCO 89 - Grensoverschrijdende projecten om multilevel governance te verbeteren
RCO 90 - Grensoverschrijdende projecten die tot netwerken/clusters leiden

RCR 79 - Gemeenschappelijke strategieën/actieplannen ondernomen door organisaties bij of na voltooiing van het project
RCR 80 - Gemeenschappelijke proefactiviteiten ondernomen of opgeschaald door organisaties bij of na voltooiing van het project
RCO 81 - Deelnemers die gemeenschappelijke opleidingsactiviteiten hebben voltooid
RCO 82 - Juridische of administratieve belemmeringen die zijn opgelost of verminderd
RCR 83 - Personen die onder ondertekende gemeenschappelijke overeenkomsten vallen
RCR 84 - Organisaties die grensoverschrijdend samenwerken 6-12 maanden na voltooiing van het project
RCR 85 - Deelnemers aan gemeenschappelijke acties 6-12 maanden na voltooiing van het project
RCR 86 - Belanghebbenden/instellingen met toegenomen grensoverschrijdende samenwerkingsactiviteiten

(1)

     Om te worden gebruikt, wat Investeren in werkgelegenheid en groei en Interreg betreft, overeenkomstig artikel [12, lid 1], tweede alinea, onder a), en artikel [36, lid 2,] onder b), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en, wat Investeren in werkgelegenheid en groei betreft, overeenkomstig artikel [17, lid 3,] onder d), ii), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], en, wat Interreg betreft, overeenkomstig artikel [17, lid 4,] onder e), ii), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

(2)

   RCO: Regional Policy Common Output Indicator (Gemeenschappelijke outputindicator voor regionaal beleid).

(3)

   RCR: Regional Policy Common Output Indicator (Gemeenschappelijke resultaatindicator voor regionaal beleid).

(4)

   Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

Top

Straatsburg, 29.5.2018

COM(2018) 372 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds

{SEC(2018) 268 final}
{SWD(2018) 282 final}
{SWD(2018) 283 final}


BIJLAGE II

Kernreeks van prestatie-indicatoren voor het EFRO en het Cohesiefonds als bedoeld in artikel 7, lid 3 1  

Beleidsdoelstelling

Specifieke doelstelling

Output

Resultaten

1)

2)

3)

4)

1. Een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie

i) Versterking van de onderzoeks- en innovatiecapaciteit en invoering van geavanceerde technologieën

CCO 01 - Ondernemingen die worden ondersteund om te innoveren
CCO 02 - Onderzoekers werkzaam in ondersteunde onderzoeksfaciliteiten

CCR 01 – Kmo's die innovatie op het gebied van producten, processen, marketing of bedrijfsorganisatie introduceren

ii) Profiteren van de voordelen van digitalisering voor burgers, bedrijven en overheden

CCO 03 - Ondernemingen en openbare instellingen die worden ondersteund om digitale diensten en toepassingen te ontwikkelen

CCR 02 - Bijkomende gebruikers van nieuwe digitale producten, diensten en toepassingen die zijn ontwikkeld door ondernemingen en openbare instellingen

iii) Versterken van de groei en het concurrentievermogen van kmo's

CCO 04 - Kmo’s die worden ondersteund om banen en groei te creëren

CCR 03 - Banen gecreëerd in ondersteunde kmo's

iv) Ontwikkelen van vaardigheden voor slimme specialisatie, industriële overgang en ondernemerschap

CCO 05 - Kmo's die investeren in de ontwikkeling van vaardigheden

CCR 04 - Kmo-personeel dat opleiding voor de ontwikkeling van vaardigheden ontvangt



2. Een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer

i) Bevordering van maatregelen voor energie-efficiëntie

CCO 06 - Investeringen in maatregelen om de energie-efficiëntie te verbeteren

CCR 05 - Begunstigden met verbeterde energieclassificatie

ii) Bevordering van hernieuwbare energiebronnen

CCO 07 - Bijkomende productiecapaciteit voor hernieuwbare energie

CCR 06 - Volume van bijkomende geproduceerde hernieuwbare energie

iii) Ontwikkeling van slimme energiesystemen, netwerken en opslag op lokaal niveau

CCO 08 - Digitale beheerssystemen die zijn ontwikkeld voor slimme netwerken

CCR 07 - Bijkomende verbruikers die zijn aangesloten op slimme netwerken

iv) Bevordering van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en rampenbestendigheid

CCO 09 - Nieuwe of verbeterde systemen voor toezicht, waarschuwing en reactie bij rampen

CCR 08 - Bijkomende inwoners die profiteren van de beschermingsmaatregelen tegen overstromingen, bosbranden en andere klimaatgerelateerde natuurrampen

v) Bevordering van duurzaam waterbeheer

CCO 10 - Nieuwe of verbeterde capaciteit voor de behandeling van afvalwater

CCR 09 - Bijkomende inwoners aangesloten op ten minste secondaire behandeling van afvalwater

vi) Bevordering van de overgang naar een circulaire economie

CCO 11 - Nieuwe of verbeterde capaciteit voor afvalrecycling

CCR 10 - Bijkomend gerecycled afval

vii) Bevordering van biodiversiteit, groene infrastructuur in de stedelijke omgeving en vermindering van verontreiniging

CCO 12 - Oppervlakte van groene infrastructuur in stedelijke gebieden

CCR 11 - Inwoners die profiteren van maatregelen voor luchtkwaliteit



3. Een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit

i) Verbetering van de digitale connectiviteit

CCO 13 - Bijkomende huishoudens en ondernemingen met dekking van breedbandnetwerken met zeer hoge capaciteit

CCR 12 - Bijkomende huishoudens en ondernemingen die zijn geabonneerd op breedbandnetwerken met zeer hoge capaciteit

ii) Ontwikkeling van een duurzame, klimaatbestendige, intelligente, veilige en intermodale TEN-V

CCO 14 - Wegen TEN-V: Nieuwe en verbeterde wegen

CCR 13 - Tijdwinst dankzij betere wegeninfrastructuur

iii) Ontwikkeling van duurzame, klimaatbestendige, intelligente en intermodale nationale, regionale en lokale mobiliteit, met inbegrip van een verbeterde toegang tot TEN-V en grensoverschrijdende mobiliteit

CCO 15 - Spoorwegen TEN-V: Nieuwe en verbeterde spoorwegen

CCR 14 - Jaarlijks aantal passagiers bediend door verbeterd spoorvervoer

iv) Bevordering van duurzame multimodale stedelijke mobiliteit

CCO 16 - Uitbreiding en modernisering van tram- en metrolijnen

CCR 15 - Jaarlijks aantal gebruikers bediend door nieuwe en gemoderniseerde tram- en metrolijnen

4. Een socialer Europa dat de Europese pijler van sociale rechten uitvoert

i) Verbetering van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door de ontwikkeling van sociale innovatie en infrastructuur

CCO 17 - Jaarlijks aantal werklozen bediend door verbeterde arbeidsvoorzieningsfaciliteiten

CCR 16 - Jaarlijks aantal werkzoekenden die gebruikmaken van verbeterde arbeidsvoorzieningsfaciliteiten

ii) Verbetering van de toegang tot inclusieve en hoogwaardige diensten op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren door de ontwikkeling van infrastructuur

CCO 18 - Nieuwe of verbeterde capaciteit voor kinderopvang- en onderwijsinfrastructuur

CCR 17 - Jaarlijks aantal gebruikers bediend door nieuwe of verbeterde kinderopvang- en onderwijsinfrastructuur

iii) Bespoediging van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, migranten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten

CCO 19 - Bijkomende capaciteit van gecreëerde of verbeterde opvanginfrastructuren

CCR 18 - Jaarlijks aantal gebruikers bediend door nieuwe en betere opvang en huisvesting

iv) Zorgen voor gelijke toegang tot gezondheidszorg door de ontwikkeling van infrastructuur, met inbegrip van eerstelijnszorg

CCO 20 - Nieuwe of verbeterde capaciteit voor gezondheidszorginfrastructuur

CCR 19 - Inwoners met toegang tot verbeterde gezondheidsdiensten

5. Europa dichter bij de burgers brengen door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, en door lokale initiatieven te bevorderen

i) Bevordering van de geïntegreerde sociale, economische en ecologische ontwikkeling, cultureel erfgoed en veiligheid in stedelijke gebieden

CCO 21 - Inwoners die vallen onder strategieën voor geïntegreerde stedelijke ontwikkeling

 

(1)

Deze indicatoren zullen door de Commissie worden gebruikt in overeenstemming met haar rapportageverplichting op grond van artikel 38, lid 3, onder e), i), van het [toepasselijk] Financieel Reglement.

Top