Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52017PC0677

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

COM/2017/0677 final - 2017/0305 (NLE)

Brussel,22.11.2017

COM(2017) 677 final

2017/0305(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten


TOELICHTING

Volgens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moeten de lidstaten hun economisch beleid en de bevordering van de werkgelegenheid beschouwen als aangelegenheden van gemeenschappelijk belang en hun maatregelen op deze gebieden in het kader van de Raad coördineren. In het Verdrag is bepaald dat de Raad richtsnoeren inzake werkgelegenheid (artikel 148) moet opstellen; daarbij wordt erop gewezen dat deze verenigbaar moeten zijn met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (artikel 121).

De globale richtsnoeren voor het economisch beleid blijven langere tijd geldig, maar de richtsnoeren inzake werkgelegenheid moeten jaarlijks worden vastgesteld. De richtsnoeren werden in 2010 voor het eerst gezamenlijk aangenomen ("geïntegreerd pakket"), als basis voor de Europa 2020-strategie. De geïntegreerde richtsnoeren zijn tot 2014 stabiel gebleven. In 2015 zijn herziene geïntegreerde richtsnoeren aangenomen. In de richtsnoeren is, naast het kader voor de reikwijdte en richting van de beleidscoördinatie in de lidstaten, ook de basis vastgelegd voor de landspecifieke aanbevelingen op de respectieve beleidsgebieden.

De huidige reeks "geïntegreerde richtsnoeren" vormt de basis voor de Europa 2020-strategie in het kader van de aanpak voor het economische beleid die is opgebouwd rond investeringen, structurele hervormingen en budgettaire verantwoordelijkheid. Binnen dit kader moeten de geïntegreerde richtsnoeren de verwezenlijking van slimme, duurzame en inclusieve groei en de doelstellingen van het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid ondersteunen.

De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten worden gepresenteerd als een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten – Deel II van de geïntegreerde richtsnoeren. De herziene richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten zijn gewijzigd om de tekst af te stemmen op de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met het oog op het verbeteren van het concurrentievermogen van Europa en om Europa een betere plaats te maken om te investeren, om banen te scheppen en de sociale cohesie te bevorderen.

De herziene "geïntegreerde richtsnoeren" zijn:

Richtsnoer 5:    de vraag naar arbeid stimuleren

Richtsnoer 6:    het arbeidsaanbod verbeteren: toegang tot de arbeidsmarkt, vaardigheden en competenties

Richtsnoer 7:    de werking van de arbeidsmarkten en de doeltreffendheid van de sociale dialoog verbeteren

Richtsnoer 8:    gelijke kansen voor iedereen bevorderen, sociale inclusie stimuleren en armoede bestrijden

2017/0305 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 148, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Overwegende hetgeen volgt:

1)De lidstaten en de Unie moeten bouwen aan een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid, met name ter bevordering van een competente, geschoolde en flexibele beroepsbevolking, en van arbeidsmarkten die snel inspelen op economische veranderingen, teneinde de doelstellingen inzake volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang van artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie te bereiken. Rekening houdend met nationale gebruiken op het gebied van de verantwoordelijkheden van de sociale partners moeten de lidstaten het bevorderen van de werkgelegenheid als een aangelegenheid van gemeenschappelijke zorg beschouwen en hun maatregelen op dit gebied binnen de Raad coördineren.

2)De Unie moet sociale uitsluiting en discriminatie bestrijden, en sociale rechtvaardigheid en bescherming alsook de gelijkheid van vrouwen en mannen bevorderen. Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden moet de Unie rekening houden met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, alsmede een hoog niveau van onderwijs en opleiding.

3)Overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) heeft de Unie beleidscoördinatie-instrumenten ontwikkeld en ingevoerd voor het begrotingsbeleid, macro-economisch beleid en structureel beleid. Als onderdeel van deze instrumenten vormen de huidige richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten samen met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Unie, als bepaald in Aanbeveling (EU) 2015/1184 van de Raad, de geïntegreerde richtsnoeren voor de uitvoering van de Europa 2020-strategie. Zij moeten als leidraad dienen bij de beleidsuitvoering in de lidstaten en in de Unie, en brengen de onderlinge afhankelijkheid tussen de lidstaten tot uiting. De hieruit voortvloeiende reeks Europese en nationale gecoördineerde beleidslijnen en hervormingen moet een geschikte algehele mix van economisch en sociaal beleid vormen die positieve overloopeffecten moet teweegbrengen.

4)De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid zijn in overeenstemming met het stabiliteits- en groeipact, de bestaande wetgeving van de Europese Unie en verschillende EU-initiatieven, waaronder de aanbeveling van de Raad tot invoering van een jongerengarantie 1 , de aanbeveling van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt 2 , de aanbeveling van de Raad tot invoering van bijscholingstrajecten 3 en het voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen 4 .

5)In het Europees semester worden de verschillende instrumenten gecombineerd in een overkoepelend kader voor een geïntegreerd, multilateraal toezicht op het economisch, budgettair, werkgelegenheids- en sociaal beleid en wordt gestreefd naar de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen, onder andere op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en armoedebestrijding, als bepaald in Besluit 2010/707/EU van de Raad 5 . Sinds 2015 is het Europees semester voortdurend versterkt en gestroomlijnd, met name om de focus op werkgelegenheid en sociale aspecten te versterken en de dialoog met de lidstaten, de sociale partners en de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld te bevorderen.

6)De Europese Unie herstelt van de economische crisis en dat bevordert positieve arbeidsmarktontwikkelingen. Toch blijven binnen en tussen de lidstaten aanzienlijke uitdagingen en ongelijkheden bestaan op het vlak van economische en sociale prestaties. De crisis heeft laten zien dat de economieën en arbeidsmarkten van de lidstaten onderling nauw vervlochten zijn. De belangrijkste uitdaging van vandaag is ervoor te zorgen dat de Unie vooruitgang boekt in de richting van sterke, duurzame en inclusieve groei en het scheppen van banen. Dit vereist gecoördineerde, ambitieuze en doeltreffende beleidsmaatregelen op zowel Unie- als nationaal niveau, in overeenstemming met het VWEU en de bepalingen van de Unie betreffende economisch bestuur. Door zowel de vraag- als de aanbodkant te sturen, moeten deze beleidsmaatregelen ervoor zorgen dat investeringen worden gestimuleerd, dat opnieuw wordt ingezet op goed gefaseerde structurele hervormingen die de productiviteit, groeiprestaties, sociale cohesie en economische veerkracht bij schokken verbeteren en dat budgettaire verantwoordelijkheid wordt genomen, waarbij moet worden gekeken naar de effecten ervan op de werkgelegenheid en de samenleving.

7)Bij arbeidsmarkthervormingen, zoals de nationale loonvormingsmechanismen, moet de nationale praktijk inzake sociale dialoog worden gehanteerd en moet de noodzakelijke gelegenheid worden geboden om sociaaleconomische vraagstukken uitvoerig te bekijken: de verbetering van het concurrentievermogen, het scheppen van banen, het beleid inzake een leven lang leren en opleiding alsook het reële inkomen..

8)Daarnaast moeten de lidstaten en de Unie de sociale gevolgen van de economische en financiële crisis aanpakken en ernaar streven een inclusieve samenleving te ontwikkelen waarin mensen de kans krijgen om zich voor te bereiden op veranderingen en ermee om te gaan, en actief kunnen deelnemen aan de samenleving en de economie, zoals ook is uiteengezet in de aanbeveling van de Commissie over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten 6 . Ongelijkheid moet worden tegengegaan, iedereen moet kansen en mogelijkheden krijgen, en armoede en sociale uitsluiting (ook van kinderen) moeten worden verminderd, met name door ervoor te zorgen dat de arbeidsmarkten en de socialebeschermingsstelsels doeltreffend functioneren en door belemmeringen voor onderwijs of opleiding en arbeidsparticipatie weg te nemen. Met de opkomst van nieuwe economische en bedrijfsmodellen op de Europese werkplek veranderen ook de arbeidsverhoudingen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat nieuwe arbeidsverhoudingen het Europees sociaal model in stand houden en versterken.

9)Na een uitgebreide en brede openbare raadpleging hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 17 november 2017 de interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten ondertekend 7 . De pijler omvat twintig beginselen en rechten die moeten bijdragen tot goed werkende en billijke arbeidsmarkten en socialezekerheidsstelsels. Zij zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsomstandigheden, en sociale bescherming en inclusie. De pijler vormt een referentiekader om de prestaties op het vlak van werkgelegenheid en de sociale prestaties van de lidstaten te monitoren, hervormingen op nationaal niveau te stimuleren en als kompas te dienen voor een hernieuwd proces van convergentie in Europa. Gezien de relevantie van deze beginselen voor de coördinatie van het structureel beleid zijn de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid afgestemd op de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten.

10)De Europese pijler van sociale rechten gaat vergezeld van een sociaal scorebord om de uitvoering van en vooruitgang met de pijler te monitoren door trends en prestaties in alle EU-landen in kaart te brengen en de vooruitgang in de richting van sociaal-economische convergentie te beoordelen. De resultaten van deze analyse zullen verwerkt worden in het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid.

11)Deze geïntegreerde richtsnoeren moeten de basis vormen voor landspecifieke aanbevelingen die de Raad tot de lidstaten kan richten. De lidstaten moeten optimaal gebruikmaken van het Europees Sociaal Fonds en andere fondsen van de Unie om de werkgelegenheid, de sociale inclusie, onderwijs en een leven lang leren te stimuleren en overheidsdiensten te verbeteren. Hoewel de geïntegreerde richtsnoeren gericht zijn tot de lidstaten en de Unie, moeten zij worden uitgevoerd in partnerschap met alle nationale, regionale en lokale autoriteiten, in nauwe samenwerking met de parlementen, de sociale partners en de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.

12)Het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming moeten overeenkomstig hun respectieve, op het Verdrag gebaseerde mandaten, in het oog houden hoe de desbetreffende beleidsonderdelen worden uitgevoerd in het licht van de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid. Deze comités en andere voorbereidende instanties van de Raad die bij de coördinatie van het economisch en het sociaal beleid zijn betrokken, moeten nauw met elkaar samenwerken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage opgenomen richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten worden vastgesteld. Deze richtsnoeren maken deel uit van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020.

Artikel 2

De lidstaten houden in hun werkgelegenheidsbeleid en hervormingsprogramma's, waarover in overeenstemming met artikel 148, lid 3, VWEU verslag wordt gedaan, rekening met de richtsnoeren in de bijlage.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1. 
(2)    PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.
(3)    PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1.
(4)    COM(2017) 563 final - 2017/0244 (NLE).
(5)    PB L 308 van 24.11.2010, blz. 46.
(6)    COM(2008) 639 definitief.
(7)    Xxx.
Top

Brussel,22.11.2017

COM(2017) 677 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten


BIJLAGE

Richtsnoer 5: De vraag naar arbeid stimuleren

De lidstaten moeten de creatie van hoogwaardige banen bevorderen, onder meer door de belemmeringen voor bedrijven te verminderen bij het aanwerven van mensen, ondernemerschap en zelfstandige arbeid te bevorderen en, in het bijzonder, de oprichting en groei van kleine en micro-ondernemingen te ondersteunen. De lidstaten moeten de sociale economie en sociale innovatie actief bevorderen.

De lidstaten moeten innovatieve vormen van werk aanmoedigen waarmee op verantwoorde wijze arbeidskansen worden gecreëerd voor iedereen.

De belastingdruk moet minder op arbeid komen te liggen en meer op andere bronnen van belasting die minder nadelig zijn voor werkgelegenheid en groei, rekening houdend met het herverdelingseffect van het belastingstelsel, terwijl tegelijkertijd de inkomsten voor een adequate sociale bescherming en groeibevorderende uitgaven gewaarborgd worden.

De lidstaten moeten, op een manier die aansluit op de nationale handelwijzen en rekening houdt met de autonomie van de sociale partners, de ontwikkeling aanmoedigen van transparante en voorspelbare loonvormingsmechanismen waarmee lonen kunnen worden aangepast aan ontwikkelingen van de productiviteit; daarbij moet worden gezorgd voor billijke lonen die een behoorlijke levensstandaard waarborgen. Deze mechanismen moeten rekening houden met verschillen qua vaardigheden en economische prestaties tussen regio's, sectoren en ondernemingen. Aansluitend op de nationale handelwijzen moeten de lidstaten en de sociale partners adequate minimumlonen vaststellen en daarbij rekening houden met de gevolgen ervan voor het concurrentievermogen, het scheppen van werkgelegenheid en de armoede onder werkenden.

Richtsnoer 6: Het arbeidsaanbod verbeteren: toegang tot de arbeidsmarkt, vaardigheden en competenties

Tegen de achtergrond van technologische, demografische en milieuveranderingen moeten de lidstaten, in samenwerking met de sociale partners, de productiviteit en de inzetbaarheid bevorderen door ervoor te zorgen dat personen gedurende hun hele beroepsleven voldoende relevante kennis, vaardigheden en competenties verwerven zodat zij kunnen beantwoorden aan de huidige en toekomstige behoeften op de arbeidsmarkt. De lidstaten moeten de noodzakelijke investeringen doen in zowel initiële als voortgezette vormen van onderwijs en opleiding. Zij moeten samenwerken met de sociale partners, aanbieders van onderwijs en opleiding en andere belanghebbenden om structurele zwakke punten in de onderwijs- en opleidingsstelsels weg te werken en hoogwaardige en inclusieve vormen van onderwijs, opleiding en een leven lang leren aan te bieden. Zij moeten ervoor zorgen dat opleidingsrechten kunnen worden overgedragen wanneer iemand van baan verandert. Dit moet iedereen in staat stellen beter te anticiperen op en zich aan te passen aan de behoeften van de arbeidsmarkt en overgangen op de arbeidsmarkt met succes te kunnen opvangen, zodat de economie in het algemeen beter bestand wordt tegen schokken.

De lidstaten moeten gelijke kansen in onderwijs aanmoedigen en de algehele onderwijsniveaus verhogen, in het bijzonder voor de minst gekwalificeerden. Zij moeten zorgen voor hoogwaardige leerresultaten, basisvaardigheden versterken en tevens het aantal jongeren dat vroegtijdig de school verlaat terugdringen, diploma's van het hoger onderwijs beter afstemmen op de arbeidsmarkt, de opvolging en prognose van vaardigheden verbeteren en de deelname van volwassenen aan vervolgonderwijs of -opleiding verhogen. De lidstaten moeten werkplekleren in hun stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding versterken, onder meer aan de hand van hoogwaardige en effectieve leerlingplaatsen. Zij moeten vaardigheden zichtbaarder en beter vergelijkbaar maken en meer mogelijkheden bieden voor de erkenning en validering van vaardigheden en competenties die buiten formeel onderwijs en formele opleiding zijn verworven. Zij moeten het aanbod en het gebruik van flexibele vormen van vervolgonderwijs of -opleiding verbeteren en uitbreiden. De lidstaten moeten ook laaggeschoolde volwassenen ondersteunen om op lange termijn (beter) inzetbaar te blijven door hun toegang tot en gebruik van hoogwaardige leermogelijkheden te verbeteren. Dit kan door bijscholingstrajecten uit te stippelen, met onder andere een beoordeling van de vaardigheden, een aangepast aanbod van onderwijs en opleiding en de validering en erkenning van verworven vaardigheden.

Hoge niveaus van werkloosheid en inactiviteit moeten worden aangepakt, onder meer door tijdig bijstand op maat te verlenen die gebaseerd is op ondersteuning bij het zoeken naar een baan, opleiding en rekwalificatie. Er moeten brede strategieën worden ontwikkeld die een diepgaande individuele beoordeling na ten laatste 18 maanden werkloosheid omvatten om de structurele werkloosheid aanzienlijk te verminderen en ook te voorkomen. De jeugdwerkloosheid en het grote aantal jongeren die geen onderwijs of opleiding volgen en geen baan hebben (NEET's) moeten verder worden aangepakt en wel met een structurele verbetering van de overgang van school naar werk, onder andere door middel van de volledige uitvoering van de jongerengarantie 1 .

Belastinghervormingen om de belasting op arbeid te verlagen moeten gericht zijn op het wegnemen van belemmeringen en ontmoedigende factoren voor participatie op de arbeidsmarkt, met name voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan. De lidstaten moeten ondersteuning bieden voor aangepaste werkomgevingen met onder andere gerichte financiële ondersteuningsmaatregelen en diensten, zodat personen met een handicap kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt en aan het maatschappelijk leven.

Belemmeringen voor participatie en loopbaanontwikkeling moeten worden weggewerkt om te zorgen voor gendergelijkheid en betere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, onder meer door gelijke beloning voor gelijk werk. Het combineren van werk en gezin moet worden bevorderd, in het bijzonder door toegang te bieden tot langdurige zorg en tot hoogwaardig en onderwijs en opvang voor jonge kinderen die ook betaalbaar zijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat ouders en andere personen met zorgtaken toegang hebben tot gepaste verlofregelingen om gezinsredenen en flexibele werkregelingen, zodat een goede combinatie van werk en gezinsleven mogelijk is, en zij moeten een evenwichtig gebruik van verlofrechten tussen vrouwen en mannen bevorderen.

Richtsnoer 7: De werking van de arbeidsmarkten en de doeltreffendheid van de sociale dialoog verbeteren

De lidstaten moeten samenwerken met de sociale partners om de beginselen van flexibiliteit en zekerheid uit te voeren, zodat zij het beste kunnen halen uit een dynamische en productieve beroepsbevolking en nieuwe arbeidspatronen en bedrijfsmodellen. Zij moeten segmentatie op de arbeidsmarkt voorkomen en terugdringen, zwartwerk bestrijden en de overgang naar arbeidsrelaties voor onbepaalde tijd bevorderen. Regels voor bescherming van de werkgelegenheid, arbeidswetgeving en instellingen moeten allemaal bijdragen tot een gunstig wervingsklimaat. Werkgevers moeten de nodige flexibiliteit hebben om snel in te spelen op economische veranderingen, maar tegelijk moeten een passende bescherming van en gezonde, veilige en aangepaste werkomgevingen voor werknemers worden behouden. Arbeidsrelaties die leiden tot onzekere arbeidsvoorwaarden moeten worden voorkomen, onder meer door misbruik van atypische arbeidsovereenkomsten te verbieden. In het geval van onrechtmatig ontslag moet er toegang zijn tot effectieve en onpartijdige geschillenbeslechting en moet verhaalrecht bestaan, met inbegrip van gepaste compensatie.

Het beleid moet gericht zijn op verbetering en ondersteuning van de aansluiting met en overgangen op de arbeidsmarkt. De lidstaten moeten mensen die kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt daadwerkelijk activeren. De lidstaten moeten de doeltreffendheid van het actief arbeidsmarktbeleid versterken door de doelgerichtheid, de reikwijdte en het toepassingsgebied ervan te vergroten en door het beter te koppelen aan inkomenssteun op basis van de rechten en plichten van werklozen om actief werk te zoeken. De lidstaten moeten streven naar doeltreffendere openbare diensten voor arbeidsvoorziening die werkzoekenden ondersteunen met tijdige bijstand op maat, de vraag op de arbeidsmarkt ondersteunen en resultaatgericht beheer uitvoeren.

De lidstaten moeten voorzien in adequate werkloosheidsuitkeringen van redelijke duur, in overeenstemming met hun bijdragen en de nationale bepalingen om in aanmerking te komen. Deze uitkeringen mogen geen negatieve prikkel vormen voor een snelle terugkeer op de arbeidsmarkt.

Mobiliteit van lerenden en werknemers moet worden gestimuleerd zodat zij beter inzetbaar worden en het potentieel van de Europese arbeidsmarkt optimaal kan worden benut. Belemmeringen voor mobiliteit op het gebied van onderwijs en opleiding, bedrijfs- en individuele pensioenen en erkenning van kwalificaties moeten worden weggenomen. De lidstaten moeten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat administratieve procedures het werknemers uit andere lidstaten niet moeilijker of onmogelijk maken om actief aan de slag te gaan. Ook moeten de lidstaten misbruik van de geldende regels voorkomen en een oplossing vinden voor potentiële "braindrain" uit bepaalde regio's.

In overeenstemming met de nationale praktijken en met het oog op een effectievere sociale dialoog en betere sociaal-economische resultaten, moeten de lidstaten de sociale partners tijdig en zinvol betrekken bij het uitstippelen en uitvoeren van economische en sociale hervormingen en beleidslijnen, en hervormingen en beleidslijnen met betrekking tot werkgelegenheid, onder meer door een verbeterde capaciteit van de sociale partners te ondersteunen. De sociale partners moeten worden aangemoedigd te onderhandelen en collectieve overeenkomsten te sluiten op gebieden die voor hen van belang zijn, met inachtneming van hun autonomie en het recht op collectieve actie.

Richtsnoer 8: Bevorderen van gelijke kansen voor iedereen, stimuleren van sociale inclusie en bestrijden van armoede

De lidstaten moeten inclusieve arbeidsmarkten bevorderen die voor iedereen openstaan, door effectieve maatregelen te nemen waardoor ondervertegenwoordigde groepen op de arbeidsmarkt gelijke kansen krijgen. Zij moeten zorgen voor gelijke behandeling op het gebied van werkgelegenheid, sociale bescherming, onderwijs en de toegang tot goederen en diensten, ongeacht gender, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.

De lidstaten moeten de socialebeschermingsstelsels moderniseren om te voorzien in een doeltreffende, efficiënte en adequate sociale bescherming in alle levensfasen, om sociale inclusie en opwaartse sociale mobiliteit te stimuleren, arbeidsmarktparticipatie aantrekkelijker te maken en ongelijkheid aan te pakken, onder meer via de opzet van hun belasting- en uitkeringsstelsels. De modernisering van de socialebeschermingsstelsels moet ervoor zorgen dat zij beter toegankelijk worden, duurzamer, adequater en hoogwaardiger.

De lidstaten moeten preventiebeleid en geïntegreerde strategieën ontwikkelen en uitvoeren via de combinatie van de drie componenten van actieve inclusie: voldoende inkomenssteun, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten. In de socialebeschermingsstelsels moet het recht op adequate voorzieningen voor een minimuminkomen voor iedereen die over onvoldoende middelen beschikt worden gewaarborgd en moet sociale inclusie worden gestimuleerd door mensen aan te moedigen actief deel te nemen aan de arbeidsmarkt en de samenleving.

Betaalbare, toegankelijke en hoogwaardige diensten zoals kinderopvang, buitenschoolse opvang, onderwijs, opleiding, huisvesting, gezondheidszorg en langdurige zorg zijn essentieel om gelijke kansen te garanderen, ook voor kinderen en jongeren. Er moet specifiek aandacht gaan naar de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting en naar het terugdringen van armoede onder werkenden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat iedereen toegang heeft tot essentiële diensten, waaronder water, sanitaire voorzieningen, energie, vervoer, financiële diensten en digitale communicatie. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat mensen in nood en kwetsbare personen toegang hebben tot voldoende sociale bijstand voor huisvesting en tot het recht op gepaste bijstand en bescherming tegen gedwongen uitzetting. Voor dak- en thuisloosheid is een specifieke aanpak nodig. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap.

De lidstaten moeten het recht garanderen op tijdige toegang tot betaalbare gezondheidszorg en hoogwaardige langdurige zorg, en tegelijk de duurzaamheid ervan op lange termijn bewaken.

Door de stijgende levensverwachting en demografische veranderingen moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de pensioenstelsels voor vrouwen en mannen houdbaar en adequaat blijven; de stelsels moeten gelijke kansen bieden aan werknemers en zelfstandigen, zowel vrouwen als mannen, om pensioenrechten op te bouwen, onder meer via aanvullende stelsels die een waardig leven mogelijk maken. Pensioenhervormingen moeten gepaard gaan met maatregelen die het beroepsleven verlengen en de effectieve pensioenleeftijd verhogen, bijvoorbeeld door vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt terug te schroeven en de wettelijke pensioenleeftijd op te trekken om tegemoet te komen aan de stijging van de levensverwachting. De lidstaten moeten een constructieve dialoog opstarten met de relevante belanghebbenden en de hervormingen in een gepast tempo uitvoeren.

(1)    PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.
Top