EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016PC0683

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)

COM/2016/0683 final - 2016/0336 (CNS)

Straatsburg, 25.10.2016

COM(2016) 683 final

2016/0336(CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)

{SWD(2016) 341 final}
{SWD(2016) 342 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Op 16 maart 2011 heeft de Commissie een richtlijn betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (Common Consolidated Corporate Tax Base, CCCTB) voorgesteld. Het voorstel, dat nog steeds in behandeling is bij de Raad, is één van REFIT-initiatieven van de Commissie en heeft tot doel in één enkele reeks vennootschapsbelastingregels te voorzien op grond waarvan vennootschappen op de gehele interne markt activiteiten kunnen ontplooien. Het CCCTB-voorstel van 2011 zou het vennootschappen derhalve mogelijk maken de Unie voor de doeleinden van de vennootschapsbelasting als een eengemaakte markt te behandelen, waardoor hun grensoverschrijdende activiteiten worden vergemakkelijkt en de handel en investeringen worden bevorderd.

De laatste tijd is het de internationale gemeenschap duidelijk geworden dat de huidige regels voor de vennootschapsbelasting de voeling met de hedendaagse werkelijkheid hebben verloren. Over het algemeen wordt vennootschapsbelasting immers op nationaal niveau geheven, terwijl de economische context steeds mondialer, mobieler en digitaler is geworden. Bedrijfsmodellen en ondernemingsstructuren zijn complexer geworden, waardoor het makkelijker wordt om met winsten te schuiven 1 . Daarnaast hebben de verschillen tussen nationale vennootschapsbelastingstelsels ervoor gezorgd dat agressieve fiscale planning de afgelopen tien jaar heeft kunnen gedijen. Wanneer nationale voorschriften worden opgesteld zonder met de grensoverschrijdende dimensie van zakelijke activiteiten rekening te houden, is het immers niet verwonderlijk dat er incongruenties ontstaan in de wisselwerking tussen uiteenlopende nationale vennootschapsbelastingstelsels. Dergelijke incongruenties resulteren in een risico van dubbele belastingheffing en dubbele niet-belastingheffing, en verstoren aldus de werking van de interne markt. In deze omstandigheden is het voor lidstaten steeds moeilijker geworden om met behulp van eenzijdige maatregelen agressieve fiscale planningspraktijken 2 effectief te bestrijden en op die manier hun nationale heffingsgrondslagen tegen uitholling en het schuiven met winsten te beschermen.

Aangezien de huidige prioriteit van Europa erin bestaat om duurzame groei en investeringen binnen een eerlijke en beter geïntegreerde markt te bevorderen, is een nieuw kader vereist voor een rechtvaardige en efficiënte belastingheffing over vennootschapswinsten. In dit verband fungeert de CCCTB als een effectief instrument voor de toerekening van inkomsten aan de plaats waar de waarde wordt gecreëerd. Dat gebeurt door middel van een formule die gebaseerd is op drie factoren (nl. activa, arbeid en omzet) waaraan eenzelfde gewicht is toegekend. Aangezien deze factoren betrekking hebben op de plaats waar een vennootschap haar winsten maakt, zijn ze beter tegen agressieve fiscale planningspraktijken bestand dan de wijdverbreide verrekenprijzenmethoden die voor de toerekening van winst worden gehanteerd.

Naast de anti-ontgaansfunctie van de CCCTB zou het opnieuw gelanceerde project ook zijn functie behouden als een vennootschapsbelastingstelsel dat grensoverschrijdende handel en investeringen op de interne markt vergemakkelijkt. Momenteel moeten bedrijven met grensoverschrijdende activiteiten aan niet minder dan 28 uiteenlopende vennootschapsbelastingstelsels voldoen. Dit is een lastig proces, zowel qua timing als in economisch opzicht, en het leidt de aandacht af van de hoofdactiviteit, namelijk zaken doen. De opnieuw gelanceerde CCCTB zou nog steeds de voordelen van het voorstel van 2011 bieden: voor groepen vennootschappen met een belastbare aanwezigheid in ten minste één lidstaat zou één enkele reeks regels gelden voor de berekening van hun heffingsgrondslag in de hele Europese Unie (EU), waardoor zij maar aan één enkele belastingdienst ("one-stop-shop") verantwoording zouden moeten afleggen. Grensoverschrijdende verliesverrekening zou nog steeds een automatische uitkomst van consolidatie zijn, en verrekenprijzenregels zouden binnen een groep niet van toepassing zijn, omdat de verdeling van de groepsbrede inkomsten door middel van een evenredige toewijzing op grond van een formule zou plaatsvinden.

Het verschil in vergelijking met het voorstel van 2011 is dat het opnieuw gelanceerde initiatief verplichte regels zou vaststellen voor groepen boven een bepaalde omvang teneinde het stelsel beter bestand te maken tegen agressieve fiscale planningspraktijken. Dit gezegd zijnde, zou het ook belangrijk zijn dat de regels, optioneel, ook van toepassing zijn op entiteiten die onder het vennootschapsbelastingstelsel in de Unie vallen, maar die niet voldoen aan de criteria om onder het gemeenschappelijk kader te vallen.

Op weg naar een CCCTB

De besprekingen die sinds 2011 in de Raad zijn gevoerd, hebben aangetoond dat het CCCTB-voorstel, doordat het een zeer ambitieus project is, waarschijnlijk niet in zijn geheel, zonder een gefaseerde aanpak, zal goedgekeurd geraken. Verschillende elementen (met name belastingconsolidatie) hebben immers aanleiding gegeven tot een moeilijk debat en zouden hierdoor vooruitgang met betrekking tot andere fundamentele kenmerken van het stelsel kunnen tegenhouden. In een poging om deze hinderpalen voor het boeken van vooruitgang te omzeilen, heeft de Commissie in haar actieplan van juni 2015 voor een stapsgewijze benadering van de CCCTB gepleit. In dit actieplan wordt voorgesteld de werkzaamheden op het gebied van de consolidatie uit te stellen en eerst overeenstemming te bereiken over een bindende reeks regels voor de gemeenschappelijke grondslag, nl. de gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting. Dat neemt evenwel niet weg dat de Commissie de beide voorstellen, nl. het voorstel voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting en het CCCTB-voorstel, gelijktijdig en als onderdeel van één enkel initiatief zal indienen. Het van 2011 daterend CCCTB-voorstel, dat momenteel in behandeling is bij de Raad, zal worden ingetrokken op het moment waarop de Commissie de nieuwe voorstellen goedkeurt. Het is in dit verband van fundamenteel belang dat belastingconsolidatie een essentieel onderdeel van het CCCTB-initiatief blijft, aangezien de grote fiscale obstakels waarmee ondernemingen in de Unie worden geconfronteerd, het meest doeltreffend binnen een geconsolideerde groep kunnen worden aangepakt.

Dit voorstel voor een richtlijn heeft betrekking op de zogeheten "tweede stap" van de gefaseerde aanpak, dat wil zeggen nadat een politiek akkoord over de onderdelen van de gemeenschappelijke heffingsgrondslag is bereikt. Totdat een dergelijk akkoord wordt bereikt, zal het CCCTB-voorstel ter onderzoek bij de Raad in behandeling blijven. De CCCTB legt de voorwaarden vast voor het behoren tot een groep, beschrijft de mogelijke vormen die een groep kan aannemen, en bevat regels betreffende de technische aspecten van consolidatie. Naast de noodzakelijke correcties die bij het toetreden tot en het uittreden uit de groep moeten worden toegepast, behandelt de tekst ook bedrijfsreorganisaties, waarbij het accent wordt gelegd op de bijzondere kenmerken van grensoverschrijdende groepen en, meer in het bijzonder, de behandeling van verliezen en niet-gerealiseerde vermogenswinsten. Het voorstel bevat ook bepalingen betreffende transacties tussen de groep en andere entiteiten; deze hebben voornamelijk betrekking op de behandeling van bronbelastingen en de voorkoming van dubbele belastingheffing. Eén van de belangrijkste elementen van het voorstel is de evenredige toewijzing op grond van een formule, dat wil zeggen het mechanisme waarbij van factoren met eenzelfde gewicht wordt gebruikgemaakt voor de toerekening van de geconsolideerde heffingsgrondslag van de groep aan de in aanmerking komende lidstaten. Hoewel vennootschappen in beginsel uit hoofde van de voorschriften inzake de gemeenschappelijke heffingsgrondslag hun nationale regels voor het beheer van hun belastingplicht kunnen blijven toepassen, zou de CCCTB een speciaal administratief kader vereisen om met de structuren van grensoverschrijdende groepen rekening te kunnen houden.

Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied

De herlancering van het CCCTB-voorstel vormt de kern van de op 17 juni 2015 aangenomen mededeling van de Commissie over een actieplan voor een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de EU. In het actieplan zijn vijf belangrijke actiegebieden vastgesteld 3 . Het plan maakt een balans op van het bestaande vennootschapsbelastingbeleid in de Unie en is erop gericht een vennootschapsbelastingstelsel in de EU in te voeren waarbij bedrijfswinsten worden belast in het rechtsgebied waar daadwerkelijk waarde wordt gecreëerd. De CCCTB wordt gepresenteerd als een overkoepelend initiatief dat een uiterst doeltreffend instrument zou kunnen zijn voor de verwezenlijking van de doelstelling van een eerlijkere en doeltreffendere belastingheffing.

Bovendien zou het opnieuw gelanceerde CCCTB-voorstel regels bevatten die betrekking hebben op een aantal van de belangrijkste acties van het OESO-initiatief inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (Base Erosion and Profit Shifting, BEPS). Deze elementen zijn thans in de vorm van minimumnormen in de onlangs vastgestelde Richtlijn 2016/1164/EU van de Raad (ook wel aangeduid als de anti-ontgaansrichtlijn (Anti-Tax Avoidance Directive, ATAD)) 4 opgenomen. Het ligt dan ook in de lijn van de verwachtingen dat de CCCTB de anti-ontgaansonderdelen van de ATAD zal bevatten, maar binnen de nieuwe wettelijk context. De normen zouden immers deel moeten uitmaken van een gemeenschappelijk EU-breed vennootschapsbelastingstelsel en in plaats van minimumnormen absolute regels moeten vastleggen.

Het onderhavige initiatief van herlancering van de CCCTB neemt een belangrijke plaats in tussen de geplande projecten van de Commissie op het gebied van een eerlijkere belastingheffing. Het is de bedoeling het CCCTB-voorstel aan het publiek te presenteren op dezelfde dag als een voorstel voor een richtlijn betreffende hybride mismatches met derde landen (dat de ATAD zal wijzigen) en een voorstel voor een richtlijn inzake geschillenbeslechting. Bovendien bouwt het voorstel voort op onlangs goedgekeurde belastingprojecten. Naast de ATAD zijn dat de herzieningen van de moeder-dochterrichtlijn (MDR) (2014 en 2015) en het voorstel voor een herschikking van de rente- en royaltyrichtlijn (RRR) (2011). Het MDR-initiatief en sommige van de wijzigingen die in verband met de RRR zijn besproken, weerspiegelen de huidige politieke prioriteiten die erop gericht zijn de EU-belastingwetgeving beter bestand te maken tegen agressieve fiscale planningspraktijken.

Samenhang met andere beleidsgebieden van de Unie

De CCCTB valt binnen de werkingssfeer van de initiatieven van de Commissie voor een eerlijkere belastingheffing en zou bijdragen tot het wegnemen van obstakels die verstoringen creëren die de goede werking van de interne markt belemmeren. In die optiek is het CCCTB-voorstel grotendeels complementair met de EU-vennootschapswetgeving en past het algemeen genomen in het kader van projecten zoals de kapitaalmarktenunie en de talrijke initiatieven op het gebied van fiscale transparantie, uitwisseling van informatie en bestrijding van witwaspraktijken.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Dit voorstel valt binnen het toepassingsgebied van artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Daarin is bepaald dat de maatregelen voor de onderlinge aanpassing op grond van dit artikel rechtstreeks van invloed moeten zijn op de instelling of de werking van de interne markt.

De herlancering van het CCCTB-initiatief heeft tot doel om zaken doen binnen de EU te vergemakkelijken door belastingplichtigen te onderwerpen aan één enkel rulebook van vennootschapsbelastingwetgeving dat op de gehele interne markt van toepassing is, en tevens om het systeem steviger en beter bestand te maken tegen agressieve fiscale planning. Beide doelstellingen hebben een onmiskenbare en rechtstreekse invloed op de interne markt, juist omdat ze streven naar het terugdringen van verstoringen van de werking ervan.

Subsidiariteit (voor niet-exclusieve bevoegdheden)

Dit initiatief is in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.

Hoewel de problemen en de redenen om op te treden, zoals in de vorige afdelingen is uitgelegd, een uiteenlopende oorsprong hebben, lijkt het erop dat hun schadelijke gevolgen alleen door middel van een gemeenschappelijke oplossing effectief kunnen worden aangepakt: de onderlinge aanpassing van vennootschapsbelastingstelsels in de Unie zou de verstoringen van de markt verminderen doordat een eerlijker en coherenter belastingklimaat tot stand wordt gebracht waarin bedrijven kunnen opereren. Het is duidelijk dat dit doel niet met ongecoördineerde maatregelen van de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar in plaats daarvan met een optreden op Unieniveau moet worden gerealiseerd. Initiatieven die door elke lidstaat afzonderlijk gepland en ontplooid worden, zouden de huidige situatie alleen bestendigen, of zelfs verergeren, omdat belastingplichtigen nog steeds met achtentwintig uiteenlopende en soms tegenstrijdige belastingstelsels te maken zouden hebben.

Met de geplande herlancering van de CCCTB wordt beoogd in te spelen op de behoefte aan meer groei en werkgelegenheid op de interne markt, en tevens de strijd aan te gaan met agressieve fiscale planningspraktijken. Al deze doelstellingen zijn in wezen gericht op het aanpakken van problemen die het vermogen van een afzonderlijke lidstaat te boven gaan en wegens de aard ervan een gemeenschappelijke aanpak vereisen. In dit licht zouden alle maatregelen alleen resultaten kunnen opleveren als de regels op een uniforme wijze op de gehele interne markt worden toegepast. Is dat niet het geval, dan blijft het gebied van de vennootschapsbelasting gefragmenteerd, waardoor fiscale belemmeringen en oneerlijke fiscale concurrentiepraktijken hoogtij kunnen blijven vieren.

Bovendien worden praktijken om belasting te ontwijken tegenwoordig vooral in een grensoverschrijdende context opgezet. Het is immers de wisselwerking tussen verschillende belastingstelsels die kansen biedt voor het misbruiken van incongruenties in de wisselwerking tussen de nationale vennootschapsbelastingregels of die het profiteren daarvan vergemakkelijkt. Het feit dat de EU een sterk geïntegreerde interne markt is, houdt bovendien in dat er van uitgebreide grensoverschrijdende activiteiten sprake is, waardoor het des te belangrijker is dat overeenstemming over gecoördineerde oplossingen wordt bereikt.

Gezien de omvang en de gevolgen van de voorgenomen CCCTB-herlancering zouden de doelstellingen van het voorstel, nl. het terugdringen van de verstoringen die uit de huidige wisselwerking tussen achtentwintig nationale belastingstelsels voortvloeien, en het scheppen van gunstiger voorwaarden voor grensoverschrijdende investeringen op de interne markt, beter op EU-niveau kunnen worden bereikt.

De meeste hoofdkenmerken van het CCCTB-stelsel kunnen alleen door middel van een gemeenschappelijk optreden worden geregeld. In de betrekkingen tussen vennootschappen die de gemeenschappelijke vennootschapsbelastingregels toepassen, kunnen bijvoorbeeld tot dubbele belastingheffing of tot dubbele niet-belastingheffing leidende incongruenties in de juridische kwalificatie van entiteiten of betalingen worden uitgebannen. Afzonderlijke maatregelen door individuele lidstaten zouden in het gunstigste geval deze problemen alleen bilateraal oplossen. Grensoverschrijdende verliescompensatie zou per definitie het meest doeltreffend kunnen werken als alle betrokken lidstaten dit zouden bieden, ook al mag de bilaterale benadering als tweede beste optie niet worden uitgesloten. Bovendien zijn belastingvrije interne reorganisaties van groepen, de afschaffing van complexe onderlinge verrekenprijzen van groepen en de evenredige toewijzing van inkomsten op groepsniveau op grond van een formule grensoverschrijdende kwesties en kunnen zij alleen in het kader van gemeenschappelijke voorschriften worden geregeld.

Evenredigheid

De voorgenomen maatregelen zijn zowel geschikt als noodzakelijk voor het bereiken van het beoogde resultaat. Ze gaan niet verder dan de harmonisering van de heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, wat een voorwaarde is voor het terugdringen van vastgestelde belemmeringen die de interne markt verstoren. Bovendien houdt de opnieuw gelanceerde CCCTB geen beperking in van de soevereiniteit van de lidstaten bij het bepalen van de gewenste hoeveelheid belastinginkomsten om aan de doelstellingen van hun begrotingsbeleid te voldoen. In dit verband laat het plan het recht van de lidstaten onverlet om hun eigen vennootschapsbelastingtarieven te bepalen.

Hoewel de Commissie voortdurend op de noodzaak van een coördinatie van nationale fiscale praktijken heeft gewezen, is het duidelijk dat coördinatie alleen niet volstaat voor het uitbannen van belastinggerelateerde verstoringen van de interne markt. De ervaring heeft geleerd dat coördinatie een langzaam proces is, en de resultaten van de pogingen die daartoe in het verleden zijn ondernomen, zijn tot dusver bescheiden geweest. Bovendien heeft fiscale coördinatie doorgaans alleen betrekking op specifieke, gerichte vraagstukken en kan deze niet inspelen op de grote verscheidenheid aan problemen waarmee vennootschappen op de interne markt worden geconfronteerd en waarvoor een holistische oplossing is vereist.

Het is de bedoeling dat het verplichte toepassingsgebied van de opnieuw gelanceerde CCCTB op zodanige manier wordt afgebakend dat de CCCTB alleen op de noodzakelijke categorieën belastingplichtigen is gericht, nl. groepen van vennootschappen welke een bepaalde omvang overschrijden. Dat is nodig omdat groepen met hoge inkomsten meestal over voldoende middelen beschikken om agressieve fiscale planningsstrategieën te kunnen implementeren.

De voorgenomen regels zouden bijgevolg niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van het Verdrag voor een beter functioneren van de interne mark te bereiken.

Keuze van het instrument

Zoals gezegd, kunnen de verstoringen op de interne markt alleen worden aangepakt door middel van bindende rechtsregels en een gemeenschappelijk wetgevingskader. Zachte wetgeving zou een gewaagde keuze zijn, omdat lidstaten zouden kunnen besluiten deze helemaal niet toe te passen, of omdat dit zou kunnen leiden tot een gefragmenteerde aanpak. Een dergelijke uitkomst zou hoogst ongewenst zijn en zou niet alleen rechtsonzekerheid voor belastingplichtigen met zich meebrengen, maar ook het streven naar een gecoördineerd en coherent vennootschapsbelastingstelsel op de interne markt in het gedrang brengen. Daar de structuur van de gemeenschappelijke heffingsgrondslag naar verwachting bovendien de nationale begrotingen zal beïnvloeden, vooral omdat deze door middel van een formule over de betrokken lidstaten zou worden verdeeld, is het van essentieel belang dat de voorschriften die de samenstelling ervan definiëren, consistent en doeltreffend worden toegepast. De kans dat deze doelstelling wordt gerealiseerd, is veel groter als voor bindende wetgeving wordt gekozen.

Overeenkomstig artikel 115 VWEU "stelt de Raad (...) met eenparigheid van stemmen (...) richtlijnen vast voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de interne markt". Het Verdrag schrijft derhalve voor dat wetgeving op het gebied van directe belastingen uitsluitend de vorm van richtlijnen mag aannemen. Volgens artikel 288 VWEU is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen om dit resultaat te bereiken. In die optiek moet de richtlijn van algemene aard blijven omdat beslissingen over technische aspecten en de kleinste details aan de lidstaten moeten worden overgelaten.

3.RESULTATEN VAN DE RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Raadplegingen van belanghebbenden

De Commissie heeft een openbare raadpleging georganiseerd om alle belanghebbenden bij het proces te betrekken en belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden om hun bijdrage aan de herlancering van de CCTB te leveren. Aan deze raadplegingsprocedure hebben 175 belanghebbenden deelgenomen. Geregistreerde verenigingen leverden het grootste deel van de antwoorden (37 %), gevolgd door individuele vennootschappen (32 %), waarvan de meeste kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) waren. Dit onderstreept de belangstelling van kleinere bedrijven voor het voorstel.

Afhankelijk van het soort respondent waren er verschillende opvattingen over de vraag of de CCCTB het geschikte instrument is voor het aanpakken van winstverschuiving en het verminderen van de administratieve lasten. Hoewel het voorstel in het algemeen positief beoordeeld wordt, leggen ngo's en overheidsinstanties sterker de nadruk op het effect van de CCCTB op fiscale planningsactiviteiten. Bedrijven benadrukken veeleer het belang van het verminderen van de nalevingskosten en het scheppen van een ondernemingsvriendelijk klimaat voor investeringen. Ze wijzen echter ook op het risico op hogere administratieve lasten als het stelsel zou worden gedomineerd door regels om belastingontwijking tegen te gaan.

De tijdens de openbare raadpleging ontvangen bijdragen zijn in de effectbeoordeling verwerkt: er wordt in verschillende afdelingen ervan, alsook in een speciale bijlage naar verwezen.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

De effectbeoordeling bevat de resultaten van drie studies.

1. De CORTAX-studie uitgevoerd door het gemeenschappelijk centrum voor onderzoek van de Europese Commissie. Het CORTAX-model is een algemeen evenwichtsmodel dat voor het inschatten van de effecten van hervormingen van de vennootschapsbelasting in 28 EU-landen is ontworpen en waarin van gedetailleerde gegevens uit verschillende gegevensbronnen wordt gebruikgemaakt. 

2. Studie door het centrum voor Europees economisch onderzoek (ZEW) naar de gevolgen van op het aanpakken van de ongelijke behandeling van schuld- en eigenvermogensinstrumenten gerichte belastinghervormingen voor de kosten van kapitaal en voor de effectieve belastingtarieven. De studie heeft vooral betrekking op de mate waarin de belastingstelsels van de EU28-lidstaten thans bedrijfsschulden bevoordelen, en gaat na of de verschillende hervormingsopties in principe in staat zouden zijn de bevoordeling van schulden aan te pakken en investeringen te bevorderen.

3. Studie door het centrum voor Europees economisch onderzoek (ZEW) naar het effect van fiscale planning op de effectieve belastingtarieven. In deze studie worden de gemiddelde en marginale effectieve belastingtarieven bepaald waarin rekening is gehouden met de mogelijkheid dat multinationale ondernemingen geavanceerde fiscale planningsstrategieën, zoals onder meer het gebruik van preferentiële belastingregelingen, implementeren.

Effectbeoordeling

De belangrijkste onderzochte beleidsoptie is een voorstel voor een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting. Een belangrijke keuze die daarbij moet worden gemaakt, betreft het toepassingsgebied van een dergelijke heffingsgrondslag, dat wil zeggen voor wie deze zou gelden. De belangrijkste onderzochte opties zijn het verplicht stellen van de CCCTB voor alle ondernemingen of alleen voor een subgroep van ondernemingen. Er is een breed scala aan opties onderzocht voor het aanpakken van de bevoordeling van schulden waartoe de huidige belastingstelsels aanleiding geven. De voornaamste twee mogelijke opties zijn: het toestaan van de aftrekbaarheid van financieringskosten van zowel vreemd als eigen vermogen of het verbieden daarvan. Wat de stimuleringsmaatregelen voor O&O betreft, wordt in het kader van de belangrijkste opties gedacht aan een belastingaftrek voor uitgaven voor O&O-investeringen met een variërende mate van generositeit.

Het afwegen van de verschillende opties heeft tot een voorkeursoptie geleid: een CCCTB die verplicht is voor grote ondernemingen met een "aftrek voor groei en investeringen" en een aftrek voor O&O-kosten. De aftrek voor groei en investeringen bestaat uit aftrekposten voor financieringskosten van vreemd en eigen vermogen binnen bepaalde grenzen met de bedoeling misbruik en fiscale planning te voorkomen. De aftrek voor O&O-kosten is zodanig opgezet dat de bestaande fiscale stimuleringsmaatregelen voor O&O ten minste gehandhaafd blijven. Uit de analyse blijkt dat de CCCTB duidelijke voordelen biedt ten opzichte van het alternatief, namelijk niets doen.

Verwacht wordt dat een keuze voor de optie waarnaar de voorkeur uitgaat, tot eerlijker belastingstelsels zal leiden en een gelijk speelveld tot stand zal brengen doordat stimulansen voor agressieve fiscale planning in de EU effectief worden weggenomen. Aldus zou er gemakkelijker voor kunnen worden gezorgd dat vennootschappen hun eerlijk deel van de fiscale lasten betalen, en zou het moreel van de belastingplichtige worden opgekrikt. Bovendien zouden grensoverschrijdende fiscale belemmeringen binnen de EU effectief worden weggewerkt. De verstoringen van de financieringsbesluiten van vennootschappen zouden worden verminderd met behulp van een aftrek voor groei en investeringen, die ervoor zorgt dat financiering van eigen en vreemd vermogen op voet van gelijkheid komen te staan. De fiscale stimuleringsmaatregelen voor O&O worden niet alleen gehandhaafd, maar ook verbeterd en gestroomlijnd.

De verwachte economische voordelen van het voorstel zijn positief. De gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag met een aftrek voor groei en investeringen zou leiden tot een stijging van de investeringen en de werkgelegenheid met niet minder dan respectievelijk 3,4 % en 0,6 %. De gemiddelde groei zou met bijna 1,2 % toenemen. De nalevingskosten zullen naar verwachting een daling te zien geven (10 % minder nalevingstijd en 2,5 % minder nalevingskosten). De kosten van het opzetten van een dochteronderneming zouden tot wel 67 % dalen, waardoor het voor ondernemingen (waaronder kmo's) gemakkelijker wordt om in het buitenland actief te worden.

De optie die de voorkeur geniet, zal naar verwachting geen milieueffecten van betekenis sorteren. Ook de maatschappelijke gevolgen zullen beperkt uitvallen.

Gezonde regelgeving en vereenvoudiging

Fiscale nalevingskosten vormen een aanzienlijke last voor bedrijven en één van de grote voordelen van de invoering van de CCCTB zal de vermindering daarvan zijn. De geschatte nalevingskosten voor grote ondernemingen belopen ongeveer 2 % van de betaalde belastingen, terwijl deze kosten voor kmo's op 30 % van de betaalde belastingen worden geraamd. Aangenomen wordt dat de nalevingskosten stijgen naarmate de grensoverschrijdende activiteiten en het aantal dochterondernemingen toenemen. Uit gegevens over belastinghervormingen blijkt dat er na de crisis tal van hervormingen van de vennootschapsbelasting zijn doorgevoerd en dat veel van deze maatregelen waren gericht op het versterken van het internationale antimisbruikkader. In het licht hiervan blijft het terugdringen van de nalevingskosten bij het opzetten van een extra dochteronderneming een groot voordeel. Als gevolg van de invoering van de CCCTB zullen de kosten die verband houden met de tijd dat het oprichten van een nieuwe dochteronderneming in een lidstaat in beslag neemt, naar schatting met 62 à 67 % dalen. Wat de terugkerende kosten (eenmalige omschakelingskosten worden buiten beschouwing gelaten) betreft, zou volgens de effectbeoordeling de aan nalevingsactiviteiten bestede tijd na de invoering van de CCCTB met 8 % teruglopen. Aan de hand van deze tijdsbesparingen kan een ruwe berekening worden gemaakt van de omvang van de totale kostenbesparingen die de CCCTB met zich mee zou brengen. Als 5 % van de middelgrote ondernemingen hun activiteiten in het buitenland uitbreidt, kan een eenmalige kostenbesparing van circa 1 miljard EUR worden verwacht. Als alle multinationale ondernemingen de CCCTB toepassen, zouden de terugkerende nalevingskosten met ongeveer 0,8 miljard EUR kunnen teruglopen.

Het voordeel voor de belastingdiensten is dat zij met minder kwesties in verband met verrekenprijzen en met minder zaken te maken zullen worden krijgen, omdat de fiscale aangelegenheden van een groep vennootschappen voornamelijk worden behandeld door de dienst van de lidstaat waar de moedermaatschappij is gevestigd. Daartegenover staat dat zolang de CCCTB niet voor alle ondernemingen verplicht is gesteld, nationale diensten met extra nalevingskosten zullen worden geconfronteerd omdat twee parallelle systemen in stand moeten worden gehouden.

Om het streven naar een eerlijker belastingstelsel op evenredige wijze te realiseren, wordt in de voorkeursoptie voor de CCCTB voorgesteld om deze alleen voor een subgroep van ondernemingen verplicht te stellen, en dat op basis van hun omvang. Aldus zouden zowel micro-ondernemingen als kleine en middelgrote ondernemingen van de verplichte toepassing van de CCCTB vrijgesteld zijn. Het beperken van de verplichte toepassing tot groepen met een geconsolideerde omzet van meer dan 750 miljoen EUR zorgt ervoor dat de CCCTB op het overgrote deel (ongeveer 64 %) van de door groepen gegenereerde omzet van toepassing is, terwijl het risico dat de CCCTB ook voor zuiver binnenlandse groepen geldt, wordt beperkt. De drempel is in overeenstemming met de aanpak die in het kader van andere EU-initiatieven ter bestrijding van belastingontwijking wordt gevolgd. Tegelijkertijd biedt het voorstel vennootschappen waarvoor de toepassing van de CCCTB niet verplicht is, de mogelijkheid om voor het CCCTB-stelsel te kiezen. Dit biedt kmo's en micro-ondernemingen een maximum aan flexibiliteit, waarbij hun de voordelen van een CCCTB worden geboden zonder dat deze voor die groep vennootschappen verplicht wordt gesteld.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Dit voorstel voor een richtlijn heeft geen gevolgen voor de begroting van de Europese Unie.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De Commissie zal de toepassing van de richtlijn vijf jaar na de inwerkingtreding ervan beoordelen en aan de Raad verslag uitbrengen over de werking ervan. De lidstaten moeten aan de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht meedelen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Toelichtende stukken (voor richtlijnen)

Zie overweging 18.

Gedetailleerde toelichting bij de specifieke bepalingen van het voorstel

Dit voorstel is de "tweede stap" in een gefaseerde aanpak van een EU-breed vennootschapsbelastingstelsel met grensoverschrijdende consolidatie van de fiscale resultaten tussen onderdelen van dezelfde groep.

Toepassingsgebied: anders dan het voorstel van 2011, dat in een optioneel systeem voor alle vennootschappen voorzag, zal dit voorstel verplicht zijn voor groepen van vennootschappen die een bepaalde omvang overschrijden. Het criterium voor de vaststelling van de drempel voor de omvang zal betrekking hebben op de totale geconsolideerde omzet van de groep die de geconsolideerde jaarrekening deponeert en waartoe een vennootschap behoort. Bovendien zullen de gemeenschappelijke regels optioneel beschikbaar zijn voor een breed scala aan groepen die de drempelwaarde niet halen.

Definitie van groep: (ongewijzigd ten opzichte van het voorstel van 2011) Om na te gaan of vennootschappen voor de geconsolideerde heffingsgrondslag voor groepen in aanmerking komen, moet een dubbele toets worden verricht, namelijk van i) de zeggenschap (meer dan 50 procent van de stemrechten) en ii) het eigendom (meer dan 75 procent van het vermogen) of de rechten op de winst (meer dan 75 procent van de rechten die aanspraak geven op de winst). Gedurende het gehele belastingjaar moet aan de twee drempels voor zeggenschap en eigendom of rechten op de winst worden voldaan; anders moet de vennootschap die hieraan niet voldoet, de groep onmiddellijk verlaten. Tevens zal er een minimumvereiste van negen opeenvolgende maanden gelden om vast te stellen of een vennootschap een groepsonderdeel is.

Reorganisaties van bedrijven en belastingheffing over verliezen en niet-gerealiseerde kapitaalwinsten: (ongewijzigd ten opzichte van het voorstel van 2011) Het voorgestelde kader heeft hoofdzakelijk betrekking op de behandeling van verliezen en niet-gerealiseerde kapitaalwinsten bij het toetreden tot of het uittreden uit de groep.

Wanneer een vennootschap tot een groep toetreedt, moeten handelsverliezen van vóór de consolidatie worden voortgewenteld om te worden verrekend met het aan deze vennootschap toegewezen deel. Wanneer een vennootschap een groep verlaat, worden tijdens de consolidatieperiode ontstane verliezen aan deze vennootschap toegerekend. Dit voorstel voorziet in een verfijning van de regel van 2011: in geval van uitgebreidere reorganisaties waarbij meer dan één vennootschap een verliesgevende groep moet verlaten, wordt een drempel vastgesteld om te bepalen onder welke voorwaarden vennootschappen niet langer een groep zonder verliezen mogen verlaten; in plaats daarvan worden de verliezen over de gehele geconsolideerde groep verdeeld.

Er zijn voorschriften vastgesteld met betrekking tot uit vaste activa voortvloeiende, niet-gerealiseerde kapitaalwinsten indien deze activa worden afgestoten binnen een korte periode nadat deze deel zijn gaan uitmaken van of afgestoten zijn door de groep. Aan een lidstaat (in het geval van het toetreden tot een groep) of de groep (in het geval van het verlaten van een groep) wordt het recht verleend om belasting te heffen over onderliggende kapitaalwinsten, voor zover deze in zijn belastinggebied gerealiseerd zijn. Daarnaast is voor de fiscale behandeling van kapitaalwinsten die in zelfvoortgebrachte immateriële activa hun oorsprong vinden, een aanpak op maat vereist: de waarde van deze activa moet worden bepaald aan de hand van een passende vervangende indicator, namelijk de kosten van onderzoek en ontwikkeling, marketing en reclame gedurende een welomschreven periode.

Bronbelastingen: (ongewijzigd ten opzichte van het voorstel van 2011) De opbrengsten van bronbelastingen over door belastingplichtigen gedane rente- en royaltybetalingen zullen volgens de formule van het desbetreffende belastingjaar worden gedeeld. Bronbelastingen over dividenden worden niet gedeeld omdat dividenden, in tegenstelling tot rente en royalty's, uitgekeerd worden na belastingen en niet leiden tot een voorgaande aftrek die voor rekening van alle groepsonderdelen komt.

Voorkomen van de omzeiling van belastingvrijstellingen: (ongewijzigd ten opzichte van het voorstel van 2011) De belastingvrijstelling ten gunste van aandelenvervreemding wordt niet toegestaan als deze onrechtmatig wordt uitgebreid tot verkopen van andere activa dan aandelen. Deze situatie doet zich voor als de activa, zonder fiscale gevolgen, binnen de groep worden overgedragen aan een groepsonderdeel dat vervolgens door de groep wordt verkocht. De activa profiteren dan onder het mom van een verkoop van een vennootschap van de belastingvrijstelling die voor aandelenvervreemding geldt. Er is een soortgelijke behandeling voorzien voor overbrengingen binnen een groep van activa die vervolgens binnen het lopende of volgende belastingjaar door de groep worden verkocht. In dat geval wordt een correctie toegepast om het actief te behandelen alsof het de groep verlaten heeft vanuit de lidstaat waar het zich oorspronkelijk bevond, dat wil zeggen vóór de overbrenging binnen de groep.

Evenredige toewijzing op grond van een formule: (ongewijzigd ten opzichte van het voorstel van 2011) Deze formule bestaat uit drie factoren (arbeid, activa en omzet op basis van bestemming) waaraan eenzelfde gewicht is toegekend. Deze combinatie weerspiegelt een evenwichtige benadering van de verdeling van de belastbare winst over in aanmerking komende lidstaten. De factor arbeid wordt verdeeld in loonkosten en aantal werknemers (waarbij elk element voor de helft meetelt), zodat rekening wordt gehouden met loonverschillen in de Unie en aldus een eerlijkere verdeling mogelijk wordt gemaakt. De factor activa omvat alle materiële vaste activa. Immateriële en financiële activa worden buiten beschouwing gelaten in de formule vanwege de mobiele aard ervan en het daaruit voortvloeiende risico dat de regeling wordt omzeild. Deze factoren en gewichten moeten garanderen dat winsten worden belast waar zij werkelijk worden behaald. Bij wijze van uitzondering voorziet een vrijwaringsclausule in een alternatieve methode voor de toerekening van inkomsten ingeval het resultaat van de evenredige toewijzing geen billijke weerspiegeling vormt van de omvang van de bedrijfsactiviteiten.

Aangezien bepaalde sectoren specifieke kenmerken hebben die niet door de algemene regeling van de evenredige toewijzing op grond van een formule kunnen worden bestreken, zijn er voorschriften vastgesteld met betrekking tot aangepaste formules, zodat beter wordt ingespeeld op de behoeften van sectoren zoals financiële diensten en verzekeringen, olie en gas, alsook scheepvaart en luchtvaart.

Administratieve procedures: anders dan in het voorstel van 2011 zijn de gemeenschappelijke administratieve regels beperkt tot de geconsolideerde groep. In beginsel blijven afzonderlijk belastingplichtigen die ervoor kiezen om de regels op grond van de "eerste stap" toe te passen, onder hun nationale administratieve bepalingen vallen.

Groepen zullen hun zaken met één enkele belastingdienst ("hoofdbelastingautoriteit") in de EU kunnen regelen; dit wordt ook wel de "one-stop-shop" genoemd. Deze hoofdbelastingautoriteit zal zich bevinden in de lidstaat waar de moedermaatschappij van de groep ("hoofdbelastingplichtige") fiscaal inwoner is. Controles worden geïnitieerd en gecoördineerd door de hoofdbelastingautoriteit. Ook de nationale autoriteiten van een lidstaat waar de winsten van een groepsonderdeel worden belast, kunnen vragen om een controle in te stellen.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan een groepsonderdeel inwoner is of waar het is gevestigd, kan een beslissing van de hoofdbelastingautoriteit betreffende de kennisgeving van oprichting van een groep of een beslissing betreffende een gewijzigde belastingaanslag aanvechten. Hiertoe kan een procedure in rechte ingesteld worden in de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit. Geschillen tussen belastingplichtigen en belastingdiensten zullen worden geregeld door een bestuurlijk lichaam dat volgens de wetgeving van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit bevoegd is om beroep in eerste aanleg te horen.

2016/0336 (CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 115,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement 5 ,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 6 ,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Bedrijven die binnen de Unie over de grenzen heen actief willen zijn, worden geconfronteerd met grote obstakels en marktverstoringen die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van en de wisselwerking tussen 28 verschillende vennootschapsbelastingstelsels. Bovendien zijn fiscale planningstructuren in de loop der tijd steeds verfijnder geworden, omdat ze zich door meerdere rechtsgebieden heen ontwikkelen en effectief profiteren van de technische aspecten van een belastingstelsel of van mismatches tussen twee of meer nationale belastingstelsels met het oog op de vermindering van de belastingverplichting van bedrijven. Hoewel deze situaties tekortkomingen aan het licht brengen die volledig verschillend van aard zijn, creëren ze allebei obstakels die de goede werking van de interne markt belemmeren. Daarom moet actie om deze problemen te verhelpen, beide soorten marktfalen aanpakken.

(2)Ter ondersteuning van de goede werking van de interne markt moet het vennootschapsbelastingklimaat in de EU worden vormgegeven overeenkomstig het beginsel dat bedrijven hun eerlijk deel van de belasting betalen in het/de rechtsgebied(en) waar hun winsten tot stand komen. Daarom is het nodig om te voorzien in mechanismen die bedrijven ontmoedigen om te profiteren van mismatches tussen nationale belastingstelsels om hun belastingverplichting te verlagen. Het is even belangrijk om ook groei en economische ontwikkeling op de interne markt te stimuleren door grensoverschrijdende handel en zakelijke investeringen te bevorderen. Te dien einde is het noodzakelijk om de risico's van zowel dubbele belastingheffing als dubbele niet-belastingheffing in de Unie uit te sluiten door het uitbannen van incongruenties bij de wisselwerking tussen de nationale vennootschapsbelastingstelsels. Tegelijkertijd hebben bedrijven een eenvoudig werkbaar belasting- en rechtskader nodig waarbinnen zij hun commerciële activiteiten kunnen ontwikkelen en ook over de grenzen heen in de Unie kunnen ontplooien. In dit verband moeten ook resterende gevallen van discriminatie worden uitgebannen.

(3)Zoals aangegeven in het voorstel voor een richtlijn van de Raad van 16 maart 2011 betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) 7 , zou een vennootschapsbelastingstelsel waarbij de Unie als een eengemaakte markt wordt aangemerkt voor de berekening van de heffingsgrondslag van bedrijven voor de vennootschapsbelasting, het voor in de Unie gevestigde bedrijven gemakkelijker maken om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien en het concurrentievermogen van de Unie als internationale investeringsplaats helpen te versterken. Het CCCTB-voorstel uit 2011 had vooral tot doel het voor bedrijven gemakkelijker te maken om hun commerciële activiteiten binnen de Unie uit te breiden. Voorts moet er ook rekening mee worden gehouden dat een CCCTB de werking van de interne markt uiterst doeltreffend kan verbeteren door constructies voor belastingontwijking aan te pakken. In dit licht moet het CCCTB-initiatief nieuw leven worden ingeblazen om zowel de facilitering voor het bedrijfsleven als de beoogde aanpak van belastingontwijking op gelijke voet ter hand te nemen. Met een dergelijke benadering zou het beste tegemoet worden gekomen aan het doel om verstoringen in de werking van de interne markt uit te bannen.

(4)Aangezien er snel moet worden gehandeld om de goede werking van de interne markt te waarborgen, enerzijds door een gunstiger klimaat te scheppen voor handel en investeringen en anderzijds door deze markt beter te wapenen tegen constructies van belastingontwijking, moet het ambitieuze CCCTB-initiatief in twee afzonderlijke voorstellen worden opgesplitst. In een eerste fase moeten er regels voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting worden vastgesteld, voordat in een tweede fase de kwestie van consolidatie wordt geregeld.

(5)Agressieve fiscale planningstructuren zijn een fenomeen dat vooral in een grensoverschrijdende context speelt, hetgeen impliceert dat de deelnemende groepen van vennootschappen een minimum aan middelen bezitten. Om redenen van evenredigheid moeten de regels voor een CCCTB daarom alleen verplicht zijn voor groepen van vennootschappen met een aanzienlijke omvang. Te dien einde moet een aan de omvang gerelateerde drempel worden vastgesteld op basis van het totale geconsolideerde inkomen van een groep die een geconsolideerde jaarrekening opstelt. Om beter invulling te geven aan de beoogde facilitatie van handel en investeringen op de interne markt, moeten ook groepen die de aan de omvang gerelateerde drempel niet halen, de keuze krijgen of zij de regels voor een CCCTB al dan niet toepassen.

(6)Om na te gaan of vennootschappen voor de geconsolideerde heffingsgrondslag voor groepen in aanmerking komen, moet een dubbele toets worden verricht, namelijk van i) de zeggenschap (meer dan 50 procent van de stemrechten) en ii) het eigendom (meer dan 75 procent van het vermogen) of de rechten op de winst (meer dan 75 procent van de rechten die aanspraak geven op de winst). Een dergelijke toets garandeert een hoog niveau van economische integratie tussen groepsonderdelen. Om de integriteit van het stelsel te garanderen, moet gedurende het gehele belastingjaar aan beide drempels voor zeggenschap en eigendom of rechten op de winst zijn voldaan; anders moet de vennootschap die hieraan niet voldoet, de groep onmiddellijk verlaten. Om manipulatie van de fiscale resultaten door middel van het toetreden tot en uittreden uit de groep binnen een korte periode te voorkomen, moet er tevens een minimumvereiste van negen opeenvolgende maanden gelden om vast te stellen of een vennootschap een groepsonderdeel is.

(7)Regels inzake bedrijfsreorganisaties moeten ervoor zorgen dat het effect van dergelijke reorganisaties op de bestaande heffingsrechten van lidstaten tot een minimum wordt beperkt. Telkens als een vennootschap tot een groep toetreedt, mogen de extra kosten van verliezen die de vennootschap uit hoofde van de regels van een ander belastingstelsel die voor die vennootschap golden totdat de voorschriften van deze richtlijn van toepassing werden, niet voor rekening komen van de lidstaten waarvan de andere groepsonderdelen fiscaal inwoner zijn of waar deze gelegen zijn. Handelsverliezen van vóór de consolidatie worden voortgewenteld zodat deze kunnen worden verrekend met het aan die vennootschap toegewezen deel. Verliezen die tijdens de consolidatieperiode door een groepsonderdeel worden geleden, moeten dan ook niet uitsluitend aan dat groepsonderdeel worden toegerekend, maar in plaats daarvan over de groep worden verdeeld. In het geval van meer uitgebreide reorganisaties waarbij meer dan één vennootschap een verliesgevende groep verlaat, is het van essentieel belang om een drempel vast te stellen om te bepalen onder welke voorwaarden vennootschappen niet langer een verliesgevende groep mogen verlaten zonder dat voorwaartse compensatie van verliezen toegerekend wordt. Met betrekking tot kapitaalwinsten die voortvloeien uit de vervreemding van bepaalde activa binnen een korte periode nadat deze activa deel zijn gaan uitmaken van of afgestoten zijn door een groep, tegelijkertijd met een vennootschap die tot de groep toetreedt of de groep verlaat, moet een soortgelijke correctie worden toegepast. In deze gevallen zoud(en) de lidsta(a)t(en) waar deze winsten worden gerealiseerd, het recht moeten hebben om hierover belasting te heffen, ondanks het feit zij mogelijk geen heffingsbevoegdheid over deze activa meer hebben. Voor de fiscale behandeling van kapitaalwinsten die in zelfvoortgebrachte immateriële activa hun oorsprong vinden, is een aanpak op maat vereist, omdat deze activa vaak niet in de financiële rekeningen van een onderneming zijn opgenomen en omdat er geen manier lijkt te bestaan om hun waarde exact te berekenen. Opgebouwde kapitaalwinsten moeten derhalve worden gewaardeerd aan de hand van een passende vervangende indicator, namelijk de kosten van onderzoek en ontwikkeling, marketing en reclame gedurende een welomschreven periode.

(8)De inkomsten van bronbelastingen over rente- en royaltybetalingen moeten worden gedeeld volgens de formule voor de evenredige toewijzing van de geconsolideerde heffingsgrondslag van het belastingjaar waarin de bronbelasting verschuldigd is, ter compensatie van het feit dat rente- en royaltybetalingen eerder tot een aftrek zouden hebben geleid en dat het voordeel door de groep gedeeld zou zijn. De inkomsten van bronbelastingen op dividenden mogen echter niet worden verdeeld. In tegenstelling tot rente- en royaltybetalingen worden dividenden immers uitgekeerd uit winst waarop reeds vennootschapsbelasting is geheven, en daarom houdt een uitkering van dividenden voor groepsonderdelen geen voordeel in de vorm van een aftrek van bedrijfskosten in.

(9)Om te voorkomen dat de fiscale vrijstelling van de winsten uit de vervreemding van aandelen wordt omzeild, mag deze belastingvrije behandeling niet worden toegestaan wanneer deze onrechtmatig tot verkopen van andere activa dan aandelen wordt uitgebreid. Deze situatie zou zich voordoen als activa door middel van intragroepstransacties, zonder fiscale gevolgen, worden overgedragen aan een groepsonderdeel met het plan om de aandelen vervolgens in dat groepslid te vervreemden en de activa in die vervreemding op te nemen. In een dergelijk geval zouden de activa onder het mom van een verkoop van aandelen feitelijk profiteren van de fiscale vrijstelling die voor de vervreemding van aandelen geldt. Daarom moet ook aandacht worden besteed aan de overbrenging binnen de groep van activa die vervolgens binnen een periode van minder dan twee jaar door de groep worden verkocht. Er dient namelijk een correctie te worden toegepast om een actief te behandelen alsof het de groep verlaten heeft vanuit de lidstaat waar het zich in eerste instantie bevond, dat wil zeggen voorafgaand aan de overbrenging binnen de groep, zodat de kunstmatige overdracht van activa (die geen aandelen zijn) binnen de groep naar lidstaten met gunstige belastingregelingen voor kapitaalwinsten uit vervreemding van activa wordt ontmoedigd.

(10)De formule voor de evenredige toewijzing van de geconsolideerde heffingsgrondslag moet drie factoren met eenzelfde gewicht bevatten, namelijk arbeid, activa en omzet op basis van bestemming. Deze factoren met eenzelfde gewicht moeten een evenwichtige benadering van de verdeling van belastbare winsten over de betrokken lidstaten weerspiegelen en er tevens voor zorgen dat winsten worden belast waar ze werkelijk worden gemaakt. Arbeid en activa moeten daarom worden toegerekend aan de lidstaat waar de arbeid wordt verricht of waar de activa zich bevinden, waardoor voldoende rekening zou worden gehouden met de belangen van de lidstaat van herkomst, terwijl verkopen aan de lidstaat van bestemming van de goederen of diensten moeten worden toegerekend. Om met loonverschillen binnen de Unie rekening te houden en aldus voor een eerlijke verdeling van de geconsolideerde heffingsgrondslag te zorgen, moet de factor arbeid zowel loonkosten als het aantal werknemers omvatten (waarbij elk element voor de helft meetelt). De factor activa moet daarentegen alle vaste materiële activa omvatten, maar geen immateriële en financiële activa vanwege de mobiele aard ervan en het daaruit voortvloeiende risico dat de voorschriften van deze richtlijn omzeild zouden kunnen worden. Voor het geval dat het resultaat van de evenredige toewijzing wegens uitzonderlijke omstandigheden geen billijke weerspiegeling vormt van de omvang van de bedrijfsactiviteiten, moet een vrijwaringsclausule in een alternatieve methode voor de toerekening van inkomsten voorzien.

(11)Vanwege hun specifieke kenmerken is voor bepaalde sectoren, zoals de verzekerings- en financiële sector, de olie- en gassector en de scheepvaart en luchtvaart een aangepaste formule voor de evenredige toewijzing van de geconsolideerde heffingsgrondslag vereist.

(12)Om optimaal te kunnen profiteren van het feit dat in de EU één enkele reeks vennootschapsbelastingregels voor het bepalen van de geconsolideerde heffingsgrondslag bestaat, moeten groepen hun zaken met één enkele belastingdienst (de "hoofdbelastingautoriteit") kunnen regelen. In beginsel moet deze hoofdbelastingautoriteit zich bevinden in de lidstaat waar de moedermaatschappij van de groep fiscaal inwoner is (de "hoofdbelastingplichtige"). In dit verband is het van essentieel belang om procedureregels voor het beheer van de regeling vast te stellen.

(13)Controles moeten in principe door de hoofdbelastingautoriteit worden geïnitieerd en gecoördineerd, maar aangezien de eerste fase, namelijk de berekening van de heffingsgrondslag, lokaal wordt uitgevoerd, moeten ook de nationale autoriteiten van alle lidstaten waarin de winsten van een groepsonderdeel worden belast, om de initiatie van een controle kunnen verzoeken. Bijgevolg moet de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan een groepsonderdeel fiscaal inwoner is of waar het in de vorm van een vaste inrichting is gevestigd, een beslissing van die belastingautoriteit met betrekking tot de kennisgeving van oprichting van een groep of een beslissing met betrekking tot een gewijzigde belastingaanslag bij de rechterlijke instanties van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit kunnen aanvechten. Geschillen tussen belastingplichtigen en belastingautoriteiten moeten worden behandeld door een bestuurlijk lichaam dat bevoegd is om beroep in eerste aanleg te horen, teneinde het aantal zaken dat de rechtbanken bereikt, te verminderen. Dat lichaam moet georganiseerd en werkzaam zijn overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit en bevoegd zijn om beroep in eerste aanleg te horen.

(14)Deze richtlijn bouwt voort op Richtlijn 2016/xx/EU van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (die voorziet in een gemeenschappelijke reeks vennootschapsbelastingregels voor het berekenen van de heffingsgrondslag) en is in de eerste plaats gericht op de consolidatie van de fiscale resultaten van de gehele groep. Daarom moet de wisselwerking tussen beide wetgevingsinstrumenten worden aangepakt en moet tevens aandacht worden besteed aan de inpassing van bepaalde elementen van de heffingsgrondslag in het nieuwe kader van de groep. Deze elementen dienen met name de regel inzake de beperking van de aftrekbaarheid van rente, de switch-overregel en de wetgeving inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en hybride mismatches te omvatten.

(15)De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad 8 . De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn dient ook in overeenstemming te zijn met de toepasselijke nationale bepalingen inzake gegevensbescherming ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG 9 , die zal worden vervangen door Verordening (EU) 2016/679 10 , en van Verordening (EU) nr. 45/2001 11 .

(16)Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van i) het volgen van wetswijzigingen in de lidstaten met betrekking tot vennootschapsvormen en vennootschapsbelastingen en de overeenkomstige wijziging van de bijlagen I en II; ii) de vaststelling van extra definities; en iii) het aanvullen van de regel inzake de beperking van de aftrekbaarheid van rente met anti-fragmentatieregels om de risico's van belastingontwijking die binnen een groep kunnen ontstaan, beter te kunnen aanpakken. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(17)Teneinde uniforme voorwaarden te garanderen voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend ten behoeve van i) de jaarlijkse vaststelling van een lijst van vennootschapsvormen van derde landen die vergelijkbaar zijn met de in bijlage I genoemde vennootschapsvormen; ii) de vaststelling van nadere voorschriften voor de berekening van de factoren arbeid, activa en omzet, voor de toerekening van werknemers en loonkosten, activa en omzet aan de respectieve factor, en voor de waardering van activa; iii) de vaststelling van een handeling houdende een standaardformulier voor de kennisgeving van oprichting van een groep; en iv) de vaststelling van regels voor de elektronische indiening van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de aangifte van de afzonderlijk belastingplichtige en de vereiste bewijsstukken. Deze bevoegdheden dienen te worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 12 .

(18)Daar de doelstellingen van deze richtlijn, te weten het verbeteren van het functioneren van de interne markt door internationale ontwijkingspraktijken tegen te gaan en het voor bedrijven gemakkelijker te maken om over de grenzen heen activiteiten te ontplooien binnen de Unie, niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door individueel en ongecoördineerd optreden van de lidstaten en onderlinge afstemming noodzakelijk is om deze doelstellingen te verwezenlijken, en derhalve, vanwege het feit dat de richtlijn ziet op het tegengaan van inefficiënties op de interne markt als gevolg van de wisselwerking tussen uiteenlopende nationale belastingregels die hun weerslag hebben op de interne markt en grensoverschrijdende activiteit ontmoedigen, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken, met name gelet op het feit dat het verplichte toepassingsgebied beperkt is tot groepen die een bepaalde omvang te boven gaan.

(19)In overeenstemming met de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken 13 hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om, in verantwoorde gevallen, de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken verantwoord.

(20)De Commissie dient de toepassing van de richtlijn te evalueren vijf jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij de Raad over de werking ervan. De lidstaten dienen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee te delen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED
EN DEFINITIES

Artikel 1
Onderwerp

1.Bij deze richtlijn wordt een regeling voor de consolidatie van de in artikel 1 van Richtlijn 2016/xx/EU van de Raad 14 bedoelde heffingsgrondslagen ingesteld van vennootschappen die groepsonderdelen zijn; tevens worden voorschriften vastgesteld betreffende de wijze waarop een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting aan de lidstaten wordt toegerekend en door de nationale belastingautoriteiten wordt beheerd.

2.Een vennootschap die de voorschriften van deze richtlijn toepast, is niet langer onderworpen aan het nationale vennootschapsbelastingrecht ten aanzien van alle in deze richtlijn geregelde aangelegenheden, tenzij anders is bepaald.

Artikel 2
Toepassingsgebied

1.De voorschriften van deze richtlijn zijn van toepassing op een vennootschap die is opgericht naar het recht van een lidstaat, daaronder begrepen haar vaste inrichtingen in andere lidstaten, indien de vennootschap aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

(a)zij heeft één van de in bijlage I genoemde vennootschapsvormen;

(b)zij is onderworpen aan één van de in bijlage II genoemde vennootschapsbelastingen of aan een soortgelijke belasting die naderhand is ingevoerd;

(c)zij maakt deel uit van een voor de financiële boekhouding geconsolideerde groep met een totaal geconsolideerd groepsinkomen dat het bedrag van 750 000 000 EUR te boven gaat gedurende het boekjaar dat aan het betreffende boekjaar voorafgaat;

(d)zij kwalificeert als een moedermaatschappij of een kwalificerende dochteronderneming zoals bedoeld in artikel 5 van deze richtlijn en/of heeft een of meer vaste inrichtingen zoals bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 2016/xx/EU.

2.Deze richtlijn is ook van toepassing op een vennootschap die is opgericht naar het recht van een derde land met betrekking tot haar vaste inrichtingen gelegen in een of meer lidstaten, indien de vennootschap aan de in lid 1, onder b), c) en d), gestelde voorwaarden voldoet.

Om aan de in lid 1, onder a), gestelde voorwaarde te voldoen, volstaat het dat de vennootschap in een derde land een vorm heeft die vergelijkbaar is met één van de in bijlage I genoemde vennootschapsvormen. Voor de toepassing van lid 1, onder a), stelt de Commissie elk jaar een lijst van vennootschapsvormen van derde landen vast die worden geacht vergelijkbaar te zijn met de in bijlage I genoemde vennootschapsvormen. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 77, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Het feit dat een vennootschapsvorm van een derde land niet in die lijst is opgenomen, vormt geen beletsel voor de toepassing van deze richtlijn op die vorm.

3.Een vennootschap die aan de in lid 1, onder a), b) en d), gestelde voorwaarden maar niet aan de in lid 1, onder c), gestelde voorwaarde voldoet, kan ervoor kiezen om de voorschriften van deze richtlijn gedurende een periode van vijf belastingjaren toe te passen, ook voor haar vaste inrichtingen gelegen in andere lidstaten. Deze periode wordt automatisch met telkens vijf belastingjaren verlengd, tenzij er een kennisgeving van beëindiging wordt gedaan zoals bedoeld in artikel 47, tweede alinea. Aan de in lid 1, onder a), b) en d), gestelde voorwaarden moet zijn voldaan telkens wanneer de verlenging plaatsvindt.

4.De voorschriften van deze richtlijn zijn niet van toepassing op een scheepvaartmaatschappij die aan een bijzondere belastingregeling is onderworpen. Bij het bepalen van de vennootschappen die behoren tot dezelfde groep zoals bedoeld in de artikelen 5 en 6, worden ook scheepvaartmaatschappijen die aan een bijzonder belastingregeling zijn onderworpen, in aanmerking genomen.

5.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen I en II te wijzigen naar aanleiding van wetswijzigingen in de lidstaten met betrekking tot vennootschapsvormen en vennootschapsbelastingen.

Artikel 3
Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1)"belastingplichtige": een belastingplichtige als omschreven in artikel 4, punt 1), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(2)"afzonderlijk belastingplichtige": een belastingplichtige die niet aan de voorschriften van deze richtlijn is onderworpen, maar voor de toepassing van Richtlijn 2016/xx/EU heeft gekozen;

(3)"niet-belastingplichtige": een niet-belastingplichtige als omschreven in artikel 4, punt 2), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(4)"ingezeten belastingplichtige": een ingezeten belastingplichtige als omschreven in artikel 4, punt 3), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(5)"niet-ingezeten belastingplichtige": een niet-ingezeten belastingplichtige als omschreven in artikel 4, punt 4), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(6)"inkomsten": inkomsten als omschreven in artikel 4, punt 5), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(7)"kosten": kosten als omschreven in artikel 4, punt 6), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(8)"belastingjaar": belastingjaar als omschreven in artikel 4, punt 7), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(9)"winst": winst als omschreven in artikel 4, punt 8), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(10)"verlies": verlies als omschreven in artikel 4, punt 9), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(11)"hoofdbelastingplichtige":

(a)een ingezeten belastingplichtige die een groep vormt tezamen met zijn kwalificerende dochterondernemingen, met een of meer van zijn vaste inrichtingen in een andere lidstaat of lidstaten, of met een of meer vaste inrichtingen van een kwalificerende dochteronderneming die inwoner is van een derde land;

(b)een ingezeten belastingplichtige welke is aangewezen door de groep die slechts bestaat uit twee of meer ingezeten belastingplichtigen die directe kwalificerende dochterondernemingen zijn van dezelfde moedermaatschappij die inwoner is van een derde land;

(c)een ingezeten belastingplichtige die de kwalificerende dochteronderneming is van een moedermaatschappij die inwoner is van een derde land, wanneer die ingezeten belastingplichtige alleen met een of meer vaste inrichtingen van zijn moedermaatschappij een groep vormt; of

(d)een vaste inrichting welke is aangewezen door een niet-ingezeten belastingplichtige die alleen met zijn vaste inrichtingen in twee of meer lidstaten een groep vormt;

(12)"voor de financiële boekhouding geconsolideerde groep ": een voor de financiële boekhouding geconsolideerde groep als omschreven in artikel 4, punt 10), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(13)"onderzoek en ontwikkeling": onderzoek en ontwikkeling als omschreven in artikel 4, punt 11), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(14)"financieringskosten": financieringskosten als omschreven in artikel 4, punt 12), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(15)"financieringskostensurplus": financieringskostensurplus als omschreven in artikel 4, punt 13), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(16)"fiscale boekwaarde": fiscale boekwaarde als omschreven in artikel 4, punt 17), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(17)"marktwaarde": marktwaarde als omschreven in artikel 4, punt 18), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(18)"vaste activa": vaste activa als omschreven in artikel 4, punt 19), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(19)"financiële activa": financiële activa als omschreven in artikel 4, punt 20), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(20)"economisch eigenaar": een economisch eigenaar als omschreven in artikel 4, punt 28), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(21)"financiële onderneming": een financiële onderneming als omschreven in artikel 4, punt 29), van Richtlijn 2016/xx/EU;

(22)"groepsonderdeel": één van de belastingplichtigen die behoren tot dezelfde groep, als bedoeld in de artikelen 5 en 6. Wanneer een belastingplichtige een belastbare aanwezigheid heeft in één of meer andere lidstaten dan die waar hij fiscaal inwoner is, wordt elke belastbare aanwezigheid als een groepsonderdeel behandeld;

(23)"geconsolideerde heffingsgrondslag": de som van de heffingsgrondslagen van alle groepsonderdelen, zoals berekend in overeenstemming met Richtlijn 2016/xx/EU;

(24)"intragroepstransactie": een transactie tussen partijen die onderdelen zijn van dezelfde groep op het moment waarop de transactie wordt verricht en waarop de met die transactie samenhangende inkomsten en kosten moeten worden opgenomen;

(25)"toegewezen deel": het aandeel in de geconsolideerde heffingsgrondslag van een groep dat in overeenstemming met hoofdstuk VIII aan een groepsonderdeel wordt toegerekend;

(26)"bevoegde autoriteit": de autoriteit die door elke lidstaat is aangewezen voor het beheer van alle aangelegenheden in verband met de uitvoering van deze richtlijn;

(27)"hoofdbelastingautoriteit": de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de hoofdbelastingplichtige fiscaal inwoner is of, ingeval het een vaste inrichting van een niet-ingezeten belastingplichtige betreft, waar deze vaste inrichting is gelegen;

(28)"nationaal vennootschapsbelastingrecht": het nationale vennootschapsbelastingrecht als omschreven in artikel 4, punt 32), van Richtlijn 2016/xx/EU.

De Commissie kan overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vaststellen om meer begrippen te definiëren.

HOOFDSTUK II

INWONERSCHAP EN TERRITORIALITEITSREGELS

Artikel 4
Fiscale woonplaats

1.Een vennootschap die haar statutaire zetel, plaats van oprichting of plaats van werkelijke leiding in een lidstaat heeft en die volgens de bepalingen van een overeenkomst tussen die lidstaat en een derde land niet als fiscaal inwoner van dat derde land wordt beschouwd, wordt als fiscaal inwoner van die lidstaat aangemerkt.

2.Een vennootschap die fiscaal inwoner is van meer dan een lidstaat, wordt geacht inwoner te zijn van de lidstaat waar zij haar plaats van werkelijke leiding heeft.

3.Indien de plaats van werkelijke leiding van een groepsonderdeel dat in de zeescheepvaart of in de binnenscheepvaart actief is, zich aan boord van een vaartuig bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de lidstaat van de thuishaven van het vaartuig dan wel, indien er geen thuishaven is, in de lidstaat waarvan de exploitant van het vaartuig inwoner is.

4.Een ingezeten belastingplichtige is aan vennootschapsbelasting onderworpen ter zake van alle inkomsten verkregen uit gelijk welke bron, zowel in als buiten de lidstaat waarvan hij fiscaal inwoner is.

5.Een niet-ingezeten belastingplichtige is aan vennootschapsbelasting onderworpen ter zake van alle inkomsten uit een activiteit die door middel van een vaste inrichting in een lidstaat wordt uitgeoefend.

HOOFDSTUK III

CONSOLIDATIE

Artikel 5
Moedermaatschappij en kwalificerende dochterondernemingen

1.Kwalificerende dochterondernemingen zijn alle directe dochter- en kleindochterondernemingen waarin de moedermaatschappij de volgende rechten heeft:

(a)een recht om meer dan 50 % van de stemrechten uit te oefenen; en

(b)een eigendomsrecht van meer dan 75 % van het kapitaal van de dochteronderneming of meer dan 75 % van de rechten die aanspraak geven op winst.

2.Voor de berekening van de in lid 1 bedoelde drempels met betrekking tot kleindochterondernemingen gelden de volgende regels:

(a)zodra de stemrechtdrempel voor een dochteronderneming is bereikt, wordt de moedermaatschappij geacht 100 % van deze rechten te houden;

(b)aanspraak op winst en eigendom van kapitaal wordt berekend door vermenigvuldiging van de belangen die, rechtstreeks en middellijk, worden gehouden in dochterondernemingen op elk niveau. Eigendomsrechten ten belope van 75 % of minder die rechtstreeks of middellijk door de moedermaatschappij worden gehouden, daaronder begrepen rechten in vennootschappen die inwoner zijn van een derde land, worden bij de berekening ook in aanmerking genomen.

Artikel 6
Groepen

1.Een ingezeten belastingplichtige vormt een groep met:

(a)al zijn vaste inrichtingen die in een lidstaat zijn gelegen;

(b)alle in een lidstaat gelegen vaste inrichtingen van zijn kwalificerende dochterondernemingen die fiscaal inwoner zijn van een derde land;

(c)al zijn kwalificerende dochterondernemingen die fiscaal inwoner zijn van een lidstaat, met inbegrip van de vaste inrichtingen van die dochterondernemingen ingeval dergelijke inrichtingen in een lidstaat gelegen zijn;

(d)andere ingezeten belastingplichtigen, met inbegrip van hun in een lidstaat gelegen vaste inrichtingen, ingeval al deze ingezeten belastingplichtigen kwalificerende dochterondernemingen zijn van een niet-belastingplichtige die fiscaal inwoner is van een derde land, die een vorm heeft die vergelijkbaar is met één van de in bijlage I vermelde vennootschapsvormen en die voldoet aan de voorwaarde van artikel 2, lid 1, onder c).

2.Een niet-ingezeten belastingplichtige vormt een groep ter zake van al zijn in één of meer lidstaten gelegen vaste inrichtingen en met al zijn kwalificerende dochterondernemingen die fiscaal inwoner zijn van een of meer lidstaten, daaronder begrepen de vaste inrichtingen van deze dochterondernemingen ingeval deze vaste inrichtingen ook in één of meer lidstaten zijn gelegen.

3.    Een vennootschap die in insolventie of liquidatie verkeert, kan niet tot een groep toetreden. Een belastingplichtige die insolvent is verklaard of geliquideerd is, verlaat onmiddellijk de groep.

Artikel 7
Gevolgen van consolidatie

1.De heffingsgrondslagen van alle groepsonderdelen worden samengevoegd tot een geconsolideerde heffingsgrondslag.

2.Ingeval de geconsolideerde heffingsgrondslag negatief is, wordt het verlies voortgewenteld en verrekend met de volgende positieve geconsolideerde heffingsgrondslag. Ingeval de geconsolideerde heffingsgrondslag positief is, vindt een evenredige toewijzing ervan plaats in overeenstemming met hoofdstuk VIII.

Artikel 8
Timing

1.Een belastingplichtige die een groepsonderdeel is, voldoet gedurende het gehele belastingjaar, zonder onderbreking, aan de in artikel 5 genoemde drempels.

2.Een belastingplichtige treedt tot een groep toe op de datum waarop de drempels van artikel 5 worden bereikt. Aan de drempels wordt gedurende ten minste negen opeenvolgende maanden voldaan, anders wordt een belastingplichtige behandeld alsof hij nooit een groepsonderdeel is geweest.

3.Een belastingplichtige is niet langer een groepsonderdeel de dag nadat hij niet langer aan de drempels van artikel 5 voldoet.

Artikel 9
Uitvlakken van intragroepstransacties

1.Met uitzondering van de in artikel 42, tweede alinea, en in artikel 43 bedoelde gevallen, worden uit intragroepstransacties voortvloeiende winsten en verliezen niet meegeteld bij de berekening van de geconsolideerde heffingsgrondslag.

2.Groepen hanteren een consistente en voldoende gedocumenteerde methode om hun intragroepstransacties vast te leggen. Groepen mogen deze methode uitsluitend op grond van zakelijke overwegingen aanpassen, en dat uitsluitend aan het begin van een belastingjaar.

3.Met behulp van de methode voor de vastlegging van intragroepstransacties kunnen alle overbrengingen en verkopen binnen een groep worden geïdentificeerd tegen de laagste kostprijs voor niet-afschrijfbare activa, dan wel de fiscale boekwaarde voor af te schrijven activa.

4.Overbrengingen binnen een groep wijzigen de status van zelfvoortgebrachte immateriële activa niet.

Artikel 10
Bronbelastingen en andere heffingen aan de bron

Intragroepstransacties worden niet aan bronbelastingen of andere heffingen aan de bron onderworpen.

HOOFDSTUK IV

TOETREDING TOT EN UITTREDING UIT DE GROEP

Artikel 11
Vaste activa bij toetreding tot de groep

1.Wanneer een belastingplichtige de economisch eigenaar is van niet-afschrijfbare of afzonderlijk af te schrijven vaste activa op de datum waarop hij tot een groep toetreedt, en één van deze activa binnen vijf jaar na die datum door een groepsonderdeel wordt vervreemd, wordt een correctie toegepast op het toegewezen deel van het groepsonderdeel dat op de datum van toetreding de economisch eigenaar van deze activa was. Daarbij worden de opbrengsten van de vervreemding bij het toegewezen deel opgeteld en worden de kosten in verband met niet-afschrijfbare activa en de fiscale boekwaarde van af te schrijven activa ervan afgetrokken. De correctie vindt plaats in het belastingjaar waarin de vervreemding van de activa heeft plaatsgevonden.

2.De in lid 1 bedoelde correctie wordt eveneens verricht voor financiële activa, met uitzondering van eigen aandelen en van deelnemingen die tot van belasting vrijgestelde inkomsten aanleiding geven.

3.De in lid 1 bedoelde correctie wordt niet verricht ingeval de belastingplichtige die tot de groep toetreedt, afkomstig is van een andere groep die aan de voorschriften van deze richtlijn was onderworpen.

4.Wanneer de belastingplichtige, als gevolg van een bedrijfsreorganisatie, niet langer bestaat of niet langer een vaste inrichting aanhoudt in de lidstaat waarvan hij fiscaal inwoner was op de datum waarop hij tot de groep is toegetreden, wordt hij geacht aldaar een vaste inrichting aan te houden voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 12
Langlopende overeenkomsten bij toetreding tot de groep

1.Inkomsten en kosten die overeenkomstig artikel 22, leden 2 en 3, van Richtlijn 2016/xx/EU worden geacht te zijn genoten, respectievelijk gemaakt, voordat de voorschriften van deze richtlijn op de belastingplichtige toepasselijk zijn geworden, maar die volgens het voordien op de belastingplichtige toepasselijke nationale vennootschapsbelastingrecht nog niet in de belastinggrondslag waren begrepen, worden bij het toegewezen deel van het betrokken geroepsonderdeel geteld of ervan afgetrokken overeenkomstig de nationaalrechtelijke regels inzake timing.

2.Inkomsten die voordat de voorschriften van deze richtlijn op de belastingplichtige toepasselijk zijn geworden, volgens het toepasselijke nationale vennootschapsbelastingrecht werden belast voor een hoger bedrag dan het bedrag dat overeenkomstig artikel 22, lid 2, van Richtlijn 2016/xx/EU in de heffingsgrondslag zou zijn opgenomen, worden in het eerste belastingjaar waarin de voorschriften van deze richtlijn worden toegepast, van het toegewezen deel van het betrokken groepsonderdeel afgetrokken.

3.Ingeval het in een belastingjaar aan een groepsonderdeel toegewezen deel niet volstaat om de in de leden 1 en 2 bedoelde aftrekbare bedragen te compenseren, worden de niet-gecompenseerde bedragen voortgewenteld naar toekomstige jaren totdat ze verrekend zijn met het aan dat groepsonderdeel toegewezen deel.

Artikel 13
Voorzieningen, inkomsten en aftrekken bij toetreding tot de groep

1.Voorzieningen en aftrekken voor oninbare vorderingen als bedoeld in de artikelen 23 en 25 van Richtlijn 2016/xx/EU zijn slechts aftrekbaar voor zover zij voortvloeien uit activiteiten of transacties die zijn verricht nadat de voorschriften van deze richtlijn op de belastingplichtige toepasselijk zijn geworden.

2.Inkomsten die overeenkomstig artikel 16 van 2016/xx/EU worden geacht te zijn genoten voordat de voorschriften van deze richtlijn op de belastingplichtige toepasselijk zijn geworden, maar die volgens het voordien op de belastingplichtige toepasselijke nationale vennootschapsbelastingrecht nog niet in de heffingsgrondslag waren begrepen, worden bij het toegewezen deel van het betrokken groepsonderdeel geteld of ervan afgetrokken overeenkomstig de nationaalrechtelijke regels inzake timing.

3.Kosten die zijn gemaakt nadat de voorschriften van deze richtlijn op de belastingplichtige toepasselijk zijn geworden, maar die betrekking hadden op activiteiten of transacties die voordien zijn verricht en waarvoor volgens het toepasselijke nationale vennootschapsbelastingrecht geen aftrek werd verleend, zijn alleen aftrekbaar van het toegewezen deel van het betrokken groepsonderdeel, tenzij deze kosten zijn gemaakt meer dan vijf jaar nadat de belastingplichtige tot de groep is toegetreden.

Kosten die volgens het nationale vennootschapsbelastingrecht zijn gemaakt en die nog niet afgetrokken waren toen de voorschriften van deze richtlijn op de belastingplichtige toepasselijk werden, zijn alleen in gelijke bedragen verdeeld over vijf jaar aftrekbaar van het toegewezen deel van het betrokken groepsonderdeel, zoals berekend in overeenstemming met deze richtlijn. Kosten die op financieringskosten betrekking hebben, zijn aftrekbaar in overeenstemming met artikel 13 van Richtlijn 2016/xx/EU.

Ingeval het deel dat in een belastingjaar aan een groepsonderdeel is toegewezen, niet volstaat om de in de eerste en de tweede alinea bedoelde bedragen volledig af te trekken, worden de niet-gecompenseerde bedragen voortgewenteld naar toekomstige jaren totdat ze met het toegewezen deel van dat groepsonderdeel verrekend zijn.

4.Bedragen die zijn afgetrokken voordat de voorschriften van deze richtlijn op de belastingplichtige toepasselijk werden, mogen niet opnieuw worden afgetrokken.

Artikel 14
Timing voor afschrijving bij toetreding tot of uittreding uit de groep

De afschrijving van de activa van een belastingplichtige die in de loop van een belastingjaar toetreedt tot of uittreedt uit een groep, wordt berekend naar evenredigheid van het aantal kalendermaanden dat de belastingplichtige in het belastingjaar tot de groep behoorde.

Artikel 15
Verliezen vóór toetreding

Niet-gecompenseerde verliezen die overeenkomstig het nationale vennootschapsbelastingrecht of Richtlijn 2016/xx/EU door een groepsonderdeel zijn geleden voordat de voorschriften van deze richtlijn op het groepsonderdeel toepasselijk werden, kunnen met het toegewezen deel van dat groepsonderdeel worden verrekend, mits en voor zover het nationale vennootschapsbelastingrecht of Richtlijn 2016/xx/EU daarin voorzien.

Artikel 16
Beëindiging van een groep

Het belastingjaar van een groep eindigt wanneer de groep ontbonden wordt. De geconsolideerde heffingsgrondslag en alle niet-gecompenseerde verliezen van de groep worden overeenkomstig hoofdstuk VIII aan de verschillende groepsonderdelen toegerekend op basis van de waarde van de toewijzingsfactoren in het belastingjaar waarin de groep ophoudt te bestaan.

Artikel 17
Afschrijving bij beëindiging van een groep

Wanneer een groep ophoudt te bestaan, wordt de afschrijving van haar activa in het belastingjaar van beëindiging berekend naar evenredigheid van het aantal kalendermaanden dat de groep in dat belastingjaar actief was.

Artikel 18
Verliezen na de beëindiging van de groep

Na de beëindiging van een groep worden de verliezen van die groep als volgt behandeld:

(a)de verliezen van een belastingplichtige die voor de toepassing van de voorschriften van Richtlijn 2016/xx/EU kiest, worden voortgewenteld en overeenkomstig artikel 41 van genoemde richtlijn verrekend;

(b)de verliezen van een belastingplichtige die tot een andere groep toetreedt, worden voortgewenteld en met het toegewezen deel van het betrokken groepsonderdeel verrekend, behoudens de beperkingen van artikel 41, lid 3, van Richtlijn 2016/xx/EU;

(c)de verliezen van een belastingplichtige die wederom op het nationale vennootschapsbelastingrecht overstapt, worden voortgewenteld en verrekend volgens het nationale vennootschapsbelastingrecht dat op hem toepasselijk wordt, alsof die verliezen zijn ontstaan terwijl hij aan dat recht onderworpen was.

Artikel 19
Vaste activa bij uittreding uit de groep

De opbrengsten van niet-afschrijfbare of afzonderlijk af te schrijven vaste activa, met uitzondering van die welke aanleiding hebben gegeven tot een beperkte vrijstelling krachtens artikel 24, die worden vervreemd binnen drie jaar na de uittreding uit de groep van de belastingplichtige die de economisch eigenaar van deze activa is, worden opgeteld bij de geconsolideerde heffingsgrondslag van de groep in het jaar van vervreemding. De kosten in verband met niet-afschrijfbare activa en de fiscale boekwaarde van afzonderlijk af te schrijven activa worden van deze heffingsgrondslag afgetrokken.

Dezelfde regel geldt voor financiële activa, met uitzondering van eigen aandelen en deelnemingen die tot van belasting vrijgestelde inkomsten aanleiding geven.

De opbrengsten van deze vervreemdingen die bij de geconsolideerde heffingsgrondslag van de groep worden opgeteld, kunnen niet anderszins worden belast.

Artikel 20
Zelfvoortgebrachte immateriële activa

Wanneer een belastingplichtige die de economisch eigenaar van één of meer zelfvoortgebrachte immateriële activa is, de groep verlaat, wordt een bedrag dat gelijk is aan de in de voorgaande vijf jaar voor die activa gemaakte kosten van onderzoek, ontwikkeling, marketing en reclame opgeteld bij de geconsolideerde heffingsgrondslag als bepaald aan het einde van het belastingjaar. Het opgetelde bedrag mag evenwel de waarde van de activa op het tijdstip van uittreding van de belastingplichtige uit de groep niet te boven gaan. Deze kosten worden aan de uittredende belastingplichtige toegerekend en behandeld overeenkomstig het nationale vennootschapsbelastingrecht dat vervolgens op de belastingplichtige toepasselijk wordt; indien die belastingplichtige tot een andere groep toetreedt, worden deze kosten toegerekend in het belastingjaar waarin de belastingplichtige tot die andere groep is toegetreden.

Artikel 21
Verliezen bij uittreding uit de groep

Er worden geen verliezen toegerekend aan een groepsonderdeel dat een groep verlaat.

HOOFDSTUK V

BEDRIJFSREORGANISATIES

Artikel 22
Bedrijfsreorganisaties binnen een groep

1.Een bedrijfsreorganisatie binnen een groep of de verplaatsing van de statutaire zetel van een belastingplichtige geeft geen aanleiding tot winsten of verliezen ten behoeve van de vaststelling van de geconsolideerde heffingsgrondslag.

2.Indien, als gevolg van een bedrijfsreorganisatie of een reeks transacties tussen groepsonderdelen binnen een periode van twee jaar, vrijwel alle activa van een belastingplichtige naar een andere lidstaat worden overgebracht en de factor activa daardoor ingrijpend wijzigt, worden de overgebrachte activa in een periode van ten hoogste vijf jaar volgend op die overbrenging aan de factor activa van de overbrengende belastingplichtige toegerekend zolang een groepsonderdeel de economisch eigenaar van die activa blijft.

3.Wanneer de in lid 2 bedoelde belastingplichtige niet langer bestaat of niet langer een vaste inrichting aanhoudt in de lidstaat vanwaaruit de activa zijn overgebracht, wordt hij geacht aldaar een vaste inrichting aan te houden voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 23
Behandeling van verliezen in het geval van een

bedrijfsreorganisatie tussen twee of meer groepen

1.Wanneer één of meer groepen, of twee of meer groepsonderdelen, als gevolg van een bedrijfsreorganisatie deel gaan uitmaken van een andere groep, worden alle niet-gecompenseerde verliezen van de voordien bestaande groep(en) overeenkomstig hoofdstuk VIII aan elk van de verschillende groepsonderdelen van deze groep(en) toegerekend op basis van de factoren zoals bepaald aan het einde van het belastingjaar waarin de bedrijfsreorganisatie plaatsvindt. Niet-gecompenseerde verliezen van de voordien bestaande groep(en) worden voortgewenteld naar toekomstige jaren.

Wanneer twee of meer groepsonderdelen deel gaan uitmaken van een andere groep, worden alle niet-gecompenseerde verliezen van de eerste groep overeenkomstig lid 1 toegerekend, op voorwaarde dat de waarde van de factoren activa en arbeid van de uittredende groepsonderdelen tezamen minder dan 20 % van de waarde van deze twee factoren voor de volledige eerste groep bedraagt.

2.Wanneer twee of meer hoofdbelastingplichtigen fuseren in de zin van artikel 2, onder a), i) en ii), van Richtlijn 2009/133/EG van de Raad 15 , worden alle niet-gecompenseerde verliezen van een groep overeenkomstig hoofdstuk VIII aan de groepsonderdelen toegerekend op basis van de factoren zoals bepaald aan het einde van het belastingjaar waarin de fusie plaatsvindt. Niet-gecompenseerde verliezen worden voortgewenteld naar toekomstige jaren.

HOOFDSTUK VI

TRANSACTIES TUSSEN DE GROEP EN ANDERE ENTITEITEN

Artikel 24
Uitsluiting van vrijgestelde vervreemdingen van aandelen

1.Wanneer een belastingplichtige als gevolg van een aandelenvervreemding de groep verlaat en de belastingplichtige in het lopende of in het voorgaande belastingjaar in het kader van een intragroepstransactie een of meer vaste activa, andere dan in een pool afgeschreven activa, heeft verworven, wordt een met die vaste activa overeenstemmend bedrag van de in artikel 8, onder c), van Richtlijn 2016/xxx/EU vastgelegde belastingvrijstelling uitgesloten, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de intragroepstransactie op grond van zakelijke overwegingen heeft plaatsgevonden.

2.Het in lid 1 bedoelde, van de vrijstelling uitgesloten bedrag is de marktwaarde van het vaste actief of de vaste activa op het moment waarop de belastingplichtige de groep verlaat, minus de fiscale boekwaarde van de vaste activa of de in artikel 19 van Richtlijn 2016/xx/EU bedoelde kosten.

3.Wanneer de uiteindelijk gerechtigde van de vervreemde aandelen een niet-belastingplichtige of niet-ingezeten belastingplichtige is, waarbij deze aandelen aan zijn hoofdkantoor of vaste inrichting in een derde land worden toegerekend, wordt de marktwaarde van het actief, respectievelijk van de activa ten tijde van de vervreemding van de aandelen, minus de fiscale boekwaarde, geacht te zijn ontvangen door de belastingplichtige die de activa hield voorafgaand aan de in lid 1 bedoelde intragroepstransactie.

Artikel 25
Belastingaftrek

1.Een in artikel 55, lid 1, van Richtlijn 2016/xx/EU bedoelde belastingaftrek wordt overeenkomstig hoofdstuk VIII over de groepsonderdelen omgeslagen.

2.De in lid 1 bedoelde belastingaftrek wordt afzonderlijk berekend per lidstaat of derde land en per type inkomsten. Het bedrag van de aftrek is niet hoger dan het bedrag dat voortvloeit uit het belasten van de aan een belastingplichtige of aan een vaste inrichting toegerekende inkomsten tegen het vennootschapsbelastingtarief van de lidstaat waarvan de belastingplichtige fiscaal inwoner is of waar de vaste inrichting is gelegen.

Artikel 26
Bronbelasting

Rente en royalty's die door een groepsonderdeel aan een ontvanger buiten de groep zijn betaald, kunnen overeenkomstig de toepasselijke voorschriften van nationaal recht en een toepasselijk verdrag tot het vermijden van dubbele belasting worden onderworpen aan een bronbelasting in de lidstaat waarvan het groepsonderdeel fiscaal inwoner is of waar het is gelegen, al naargelang het geval. De bronbelasting wordt overeenkomstig hoofdstuk VIII over de lidstaten omgeslagen volgens de formule die van toepassing is in het belastingjaar waarin de belasting wordt geheven.

HOOFDSTUK VII

TRANSPARANTE ENTITEITEN

Artikel 27
Regels voor het als transparant aanmerken in het geval van entiteiten van derde landen

De behandeling van een in een derde land gelegen entiteit waarin ten minste twee groepsonderdelen een belang houden, wordt in onderlinge overeenstemming tussen de betrokken lidstaten bepaald. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de hoofdbelastingautoriteit.

HOOFDSTUK VIII

EVENREDIGE TOEWIJZING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE GECONSOLIDEERDE HEFFINGSGRONDSLAG
VOOR DE VENNOOTSCHAPSBELASTING

Artikel 28
Algemene beginselen

1.De geconsolideerde heffingsgrondslag wordt elk belastingjaar over de groepsonderdelen verdeeld op basis van een toewijzingsformule. Om het toegewezen deel van een groepsonderdeel A te berekenen, wordt onderstaande formule gebruikt, waarbij de factoren omzet, arbeid en activa eenzelfde gewicht hebben:

2.De geconsolideerde heffingsgrondslag van een groep wordt alleen verdeeld wanneer het resultaat positief is.

3.De berekeningen voor de verdeling van de geconsolideerde heffingsgrondslag worden aan het einde van het belastingjaar van de groep verricht.

4.Een periode van vijftien dagen of meer in een kalendermaand wordt als een volledige maand beschouwd.

5.Om het toegewezen deel van een groepsonderdeel te berekenen, wordt aan de factoren omzet, arbeid en activa eenzelfde gewicht toegekend.

Artikel 29
Vrijwaringsclausule

Wanneer de hoofdbelastingplichtige of een bevoegde autoriteit van mening is dat het resultaat van de toewijzing van de gemeenschappelijke heffingsgrondslag aan een groepsonderdeel geen billijke weerspiegeling vormt van de omvang van de bedrijfsactiviteiten van dat groepsonderdeel, kan de hoofdbelastingplichtige of de bevoegde autoriteit, als uitzondering op de algemene regel van artikel 28, een verzoek indienen om een alternatieve methode voor het berekenen van het belastingaandeel van elk groepsonderdeel te gebruiken. Een alternatieve methode kan alleen worden gebruikt indien, na overleg tussen de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, beraadslagingen overeenkomstig de artikelen 77 en 78, al deze autoriteiten met die alternatieve methode instemmen. De lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit stelt de Commissie in kennis van de gebruikte alternatieve methode.

Artikel 30
Toetreding tot en verlaten van de groep

Het toegewezen deel van een belastingplichtige die in de loop van een belastingjaar tot een groep toetreedt of deze verlaat, wordt berekend naar evenredigheid van het aantal kalendermaanden dat de belastingplichtige in het belastingjaar van de groep deel heeft uitgemaakt.

Artikel 31
Transparante entiteiten

De factoren die worden gebruikt bij de berekening van het toegewezen deel van een groepsonderdeel dat een belang in een transparante entiteit heeft, omvatten de omzet, arbeid en activa van de transparante entiteit, naar evenredigheid van de deelname van de belastingplichtige in de winsten en verliezen van die entiteit.

Artikel 32
Samenstelling van de factor arbeid

1.De factor arbeid bestaat, voor de ene helft, uit de totale loonkosten van een groepsonderdeel in de teller en de totale loonkosten van de groep in de noemer, en, voor de andere helft, uit het aantal werknemers van een groepsonderdeel in de teller en het aantal werknemers van de groep in de noemer. Wanneer een individuele werknemer in de factor arbeid van een groepsonderdeel is begrepen, worden de loonkosten met betrekking tot die werknemer aan de factor arbeid van hetzelfde groepsonderdeel toegerekend.

2.Het aantal werknemers wordt bepaald aan het einde van het belastingjaar.

3.De definitie van een werknemer wordt vastgesteld volgens de nationale wetgeving van de lidstaat waar het dienstverband wordt uitgeoefend.

Artikel 33
Toerekening van werknemers en loonkosten

1.Werknemers worden begrepen in de factor arbeid van het groepsonderdeel waarvan zij hun loon ontvangen.

2.In afwijking van lid 1 worden werknemers, wanneer zij hun werkzaamheden feitelijk verrichten onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van een ander groepsonderdeel dan dat waarvan zij hun loon ontvangen, tezamen met hun loonkosten begrepen in de factor arbeid van eerstgenoemd groepsonderdeel.

Deze regel is slechts van toepassing als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

(a)het dienstverband bestrijkt een ononderbroken periode van ten minste drie maanden;

(b)de betrokken werknemers vertegenwoordigen ten minste 5 % van het totale aantal werknemers van het groepsonderdeel waarvan zij loon ontvangen.

3.Werknemers omvatten ook personen die, ofschoon zij geen rechtstreeks dienstverband met een groepsonderdeel hebben, taken uitvoeren die vergelijkbaar zijn met die welke door werknemers worden uitgevoerd.

4.Loonkosten omvatten alle kosten van salarissen, bonussen en alle andere werknemersbeloningen, met inbegrip van zowel door de werkgever betaalde pensioen- en socialezekerheidsuitkeringen, als uitgaven van de werkgever die met de kosten van in lid 3 bedoelde personen overeenstemmen.

5.Loonkosten worden gewaardeerd tegen het bedrag van de overeenkomstige uitgaven die door de werkgever in een belastingjaar als aftrekbaar zijn aangemerkt.

Artikel 34
Samenstelling van de factor activa

1.De factor activa bestaat uit de gemiddelde waarde van alle materiële vaste activa in eigendom, huur of lease bij een groepsonderdeel in de teller en de gemiddelde waarde van alle materiële vaste activa in eigendom, huur of lease bij de groep in de noemer.

2.In de vijf jaar volgend op de toetreding van een belastingplichtige tot een bestaande of een nieuwe groep wordt in zijn factor arbeid ook begrepen het totale bedrag aan kosten van onderzoek, ontwikkeling, marketing en reclame die hij in de zes jaar voorafgaand aan zijn toetreding tot de groep heeft gemaakt.

Artikel 35
Toerekening van activa

1.Onverminderd artikel 22, leden 2 en 3, wordt een actief in de factor activa van de economisch eigenaar begrepen. Indien de economisch eigenaar niet kan worden geïdentificeerd, wordt het actief begrepen in de factor activa van de juridische eigenaar.

Een actief dat niet daadwerkelijk door de economisch eigenaar wordt gebruikt, wordt echter begrepen in de factor van het groepsonderdeel dat het actief daadwerkelijk gebruikt, op voorwaarde dat het actief meer dan 5 % van de fiscale boekwaarde vertegenwoordigt van alle materiële vaste activa van het groepsonderdeel dat het actief daadwerkelijk gebruikt.

2.Behalve in het geval van leasing tussen groepsonderdelen worden geleasede activa begrepen in de factor activa van het groepsonderdeel dat de lessor of de lessee van het actief is. Hetzelfde geldt voor gehuurde activa.

Artikel 36
Waardering

1.Grond en andere niet-afschrijfbare materiële vaste activa worden tegen de oorspronkelijke kostprijs gewaardeerd.

2.Een afzonderlijk af te schrijven materieel vast actief wordt gewaardeerd tegen het gemiddelde van de fiscale boekwaarde ervan aan het begin en aan het einde van een belastingjaar.

Wanneer een afzonderlijk af te schrijven materieel vast actief als gevolg van één of meer intragroepstransacties wordt begrepen in de factor activa van een groepsonderdeel voor een periode van minder dan één belastingjaar, wordt de in aanmerking te nemen waarde berekend naar evenredigheid van het aantal maanden dat het actief in de factor arbeid van dat groepsonderdeel was begrepen.

3.De in artikel 37 van Richtlijn 2016/xx/EU bedoelde pool van vaste activa wordt gewaardeerd tegen het gemiddelde van de fiscale boekwaarde ervan aan het begin en aan het einde van een belastingjaar.

4.De huurder of lessee van een actief waarvan hij niet de economisch eigenaar is, waardeert dat gehuurde of geleasede actief op achtmaal de netto jaarlijkse huur- of leaseprijs, verminderd met alle uit hoofde van onderverhuur of onderlease te ontvangen bedragen.

Een groepsonderdeel dat een actief verhuurt of leaset waarvan het niet de economisch eigenaar is, waardeert dat verhuurde of geleasede actief op achtmaal de netto jaarlijkse huur- of leaseprijs.

5.Een actief dat na een overbrenging binnen de groep in hetzelfde of het vorige belastingjaar door een groepsonderdeel aan een persoon buiten de groep wordt verkocht, wordt gedurende de periode tussen de overbrenging binnen de groep en de verkoop aan de persoon buiten de groep begrepen in de factor activa van het overbrengende groepsonderdeel, behalve wanneer de betrokken groepsonderdelen aantonen dat de overbrenging binnen de groep op grond van zakelijke overwegingen werd uitgevoerd.

Artikel 37
Samenstelling van de factor omzet

1.De factor omzet bestaat uit de totale omzet die toegerekend wordt aan een groepsonderdeel (met inbegrip van vaste inrichtingen die overeenkomstig artikel 22, lid 3, geacht worden te bestaan) in de teller en de totale omzet van de groep in de noemer.

2.Onder omzet wordt verstaan alle inkomsten uit de verkoop van goederen en diensten na kortingen en retouren, exclusief btw, overige belastingen en heffingen. Vrijgestelde inkomsten, rente, dividenden, royalty's en opbrengsten van de vervreemding van vaste activa worden niet begrepen in de factor omzet, tenzij deze uit de normale beroeps- of bedrijfsuitoefening voortkomen. De verkoop van goederen en diensten binnen de groep wordt niet begrepen in de factor omzet.

3.Omzet wordt gewaardeerd in overeenstemming met artikel 20 van Richtlijn 2016/xx/EU.

Artikel 38
Omzet op basis van bestemming

1.De verkoop van goederen wordt begrepen in de factor omzet van het groepsonderdeel dat is gelegen in de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen naar de verkrijger eindigt. Ingeval deze plaats niet kan worden bepaald, wordt de verkoop van goederen toegerekend aan het groepsonderdeel dat is gelegen in de lidstaat van de laatst identificeerbare locatie van de goederen.

2.De levering van diensten wordt begrepen in de factor omzet van het groepsonderdeel dat is gelegen in de lidstaat waar de diensten daadwerkelijk worden verricht of geleverd.

3.Vrijgestelde inkomsten, rente, dividenden en royalty's en de opbrengsten van de vervreemding van vaste activa die in de factor omzet worden begrepen, worden aan de begunstigde van deze inkomsten, rente, dividenden, royalty's en opbrengsten toegerekend.

4.Ingeval er geen groepsonderdeel is in de lidstaat waar de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht, of ingeval goederen worden geleverd of diensten worden verricht in een derde land, worden de verkoop van goederen en de levering van diensten begrepen in de factor omzet van alle groepsonderdelen naar evenredigheid van hun factor arbeid en hun factor activa.

5.Ingeval er meer dan één groepsonderdeel is in de lidstaat waar de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht, worden de verkoop van goederen en de levering van diensten begrepen in de factor omzet van alle in die lidstaat gelegen groepsonderdelen naar evenredigheid van hun factor arbeid en hun factor activa.

Artikel 39
Gedetailleerde regels voor de berekening van factoren

De Commissie kan handelingen vaststellen houdende nadere voorschriften voor de berekening van de factoren arbeid, activa en omzet, de toerekening van werknemers en loonkosten, activa en omzet aan de respectieve factor en de waardering van activa. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 77, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 40
Berekening van de factoren activa en omzet voor financiële instellingen

1.De factor activa van een in artikel 4, punt 29), onder a), d), e), f), g), h) en i), van Richtlijn 2016/xx/EU bedoelde financiële instelling bedraagt 10 % van de waarde van de financiële activa, met uitzondering van eigen aandelen en deelnemingen die tot van belasting vrijgestelde inkomsten aanleiding geven. Financiële activa omvatten voor handelsdoeleinden aangehouden activa als bedoeld in artikel 21 van Richtlijn 2016/xx/EU. Financiële activa worden begrepen in de factor activa van het groepsonderdeel in de boekhouding waarvan zij waren opgevoerd toen dat tot de groep toetrad.

2.De factor omzet van een in artikel 4, punt 29), onder a), d), e), f), g), h) en i), van Richtlijn 2016/xx/EU bedoelde financiële instelling bedraagt 10 % van haar inkomsten in de vorm van rente, vergoedingen, provisies en opbrengsten van waardepapieren, exclusief btw, overige belastingen en heffingen. Verkopen binnen de groep worden buiten beschouwing gelaten. Voor de toepassing van artikel 38, lid 2, worden financiële diensten in het geval van een gegarandeerde lening geacht te worden verricht in de lidstaat waar de zekerheid zich bevindt of, indien deze lidstaat niet kan worden geïdentificeerd, de lidstaat waar de zekerheid is geregistreerd. Andere financiële diensten worden geacht te worden verricht in de lidstaat van de kredietnemer of de persoon die vergoedingen, provisies of andere beloningen betaalt. Ingeval de kredietnemer of de persoon die vergoedingen, provisies of andere beloningen betaalt, niet kan worden geïdentificeerd of indien de lidstaat waar de zekerheid zich bevindt of is geregistreerd, niet kan worden geïdentificeerd, wordt de omzet toegerekend aan alle groepsonderdelen naar evenredigheid van hun factor arbeid en hun factor activa.

Artikel 41
Berekening van de factoren activa en omzet voor verzekeringsondernemingen

1.De factor activa van in artikel 4, punt 29), onder b) en c), van Richtlijn 2016/xx/EU bedoelde verzekeringsondernemingen bedraagt 10 % van de waarde van de in artikel 40, lid 1, bedoelde financiële activa.

2.De factor omzet van een in artikel 4, punt 29), onder b) en c), van Richtlijn 2016/xx/EU bedoelde verzekeringsonderneming bedraagt 10 % van alle verdiende premies onder aftrek van herverzekering, toegerekende inkomsten van beleggingen overgeboekt van de niet-technische rekening, overige technische baten onder aftrek van herverzekering, en beleggingsinkomsten, vergoedingen en provisies, exclusief btw, overige belastingen en heffingen. Voor de toepassing van artikel 38, lid 2, worden verzekeringsdiensten geacht te worden verricht in de lidstaat van de verzekeringnemer. Andere verkopen worden toegerekend aan alle groepsonderdelen naar evenredigheid van hun factor arbeid en hun factor activa.

Artikel 42
Olie en gas

In afwijking van artikel 38, leden 1, 2 en 3, wordt de omzet van een groepsonderdeel waarvan het hoofdbedrijf bestaat in de exploratie of productie van olie of gas, toegerekend aan het groepsonderdeel in de lidstaat waar de olie of het gas wordt gewonnen of geproduceerd.

In afwijking van artikel 38, leden 4 en 5, worden de verkopen, ingeval er geen groepsonderdeel is in de lidstaat van exploratie of productie van olie of gas, of ingeval de exploratie of productie geschiedt in een derde land waar het groepsonderdeel dat de exploratie of productie van olie of gas verricht, geen vaste inrichting aanhoudt, aan dat groepsonderdeel toegerekend.

Artikel 43
Zeescheepvaart, binnenscheepvaart en luchtvaart

De inkomsten, kosten en andere aftrekbare posten van een groepsonderdeel waarvan het hoofdbedrijf in de exploitatie van zeeschepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer, dan wel in de exploitatie van binnenschepen bestaat, worden van de geconsolideerde heffingsgrondslag uitgesloten en niet toegewezen in overeenstemming met de voorschriften van artikel 28. In plaats daarvan worden die inkomsten, kosten en andere aftrekbare posten per transactie aan dat groepsonderdeel toegerekend en worden zij overeenkomstig artikel 56 van Richtlijn 2016/xx/EU aan prijscorrecties onderworpen.

Deelnemingen in en van het groepsonderdeel worden in aanmerking genomen om te bepalen of er sprake is van een groep als bedoeld in de artikelen 5 en 6.

Artikel 44
Van het toegewezen deel aftrekbare posten

De volgende posten worden van het toegewezen deel afgetrokken:

(a)in artikel 15 bedoelde, niet-gecompenseerde verliezen die een belastingplichtige heeft geleden voordat hij onder de voorschriften van deze richtlijn viel;

(b)in artikel 15 in samenhang met artikel 18, onder b), en in artikel 23 bedoelde, niet-gecompenseerde verliezen die op het niveau van de groep zijn geleden;

(c)in artikel 11 bedoelde bedragen ter zake van de vervreemding van vaste activa, in artikel 12 bedoelde inkomsten en kosten die uit langlopende overeenkomsten voortvloeien, en in artikel 13, lid 3, bedoelde toekomstige kosten;

(d)in het geval van verzekeringsondernemingen, facultatieve technische voorzieningen als bedoeld in artikel 28 van Richtlijn 2016/xx/EU;

(e)in artikel 9, lid 4, van Richtlijn 2016/xx/EU bedoelde giften en schenkingen aan charitatieve instellingen die aftrekbaar zijn volgens de nationale wetgeving;

(f)in artikel 24 van Richtlijn 2016/xx/EU bedoelde pensioenvoorzieningen die aftrekbaar zijn volgens de nationale wetgeving.

Artikel 45
Belastingplicht

De belastingplicht van elk groepsonderdeel resulteert uit de toepassing van het nationale belastingtarief op het toegewezen deel, aangepast in overeenstemming met artikel 44 en verder verminderd met de in artikel 25 bedoelde aftrekken.

HOOFDSTUK IX

BEHEER EN PROCEDURES

Artikel 46
Kennisgeving van oprichting van een groep

1.De hoofdbelastingplichtige stelt de hoofdbelastingautoriteit ten minste drie maanden vóór de aanvang van het belastingjaar waarin de groep de voorschriften van deze richtlijn begint toe te passen, namens de overige onderdelen van de groep van de oprichting van een groep in kennis.

2.De in lid 1 bedoelde kennisgeving heeft betrekking op alle groepsonderdelen, met uitzondering van de in artikel 2, lid 4, bedoelde scheepvaartmaatschappijen.

3.De hoofdbelastingautoriteit zendt de kennisgeving onmiddellijk door aan de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten waarvan groepsonderdelen fiscaal inwoner zijn of waar groepsonderdelen in de vorm van een vaste inrichting zijn gelegen. Deze autoriteiten kunnen hun standpunten en alle relevante informatie over de geldigheid en reikwijdte van de kennisgeving binnen een maand na de toezending ervan aan de hoofdbelastingautoriteit doen toekomen.

4.Indien er geen kennisgeving is gedaan, legt de hoofdbelastingautoriteit binnen zes maanden na de ontdekking van het ontbreken van een kennisgeving aanslagen op voor de belastingjaren waarin de groep geacht wordt te hebben bestaan. Deze aanslagen mogen in geen geval verder terug gaan dan de voorgaande vijf belastingjaren.

Artikel 47
Termijn van een groep

1.Deze richtlijn wordt op een groep van toepassing een maand nadat de kennisgeving van oprichting van een groep overeenkomstig artikel 46, lid 3, is ontvangen door de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten waarvan groepsonderdelen fiscaal inwoner zijn of waar groepsonderdelen in de vorm van een vaste inrichting zijn gelegen. De hoofdbelastingautoriteit stelt de hoofdbelastingplichtige daarvan in kennis.

2.Een groep past de voorschriften van deze richtlijn toe zolang hij daartoe overeenkomstig artikel 2, leden 1 en 2, verplicht blijft. De hoofdbelastingplichtige stelt de hoofdbelastingautoriteit in kennis van de beëindiging van de groep wanneer de groep waartoe hij behoort als geheel niet langer aan de voorwaarden van artikel 2, leden 1 en 2, voor de toepassing van de voorschriften van deze richtlijn voldoet.

3.Een belastingplichtige die niet langer onder de voorschriften van deze richtlijn valt, kan ervoor kiezen deze voorschriften te blijven toepassen, mits hij aan de voorwaarden van artikel 2, lid 3, voldoet. De betrokken belastingplichtige kan er ook voor kiezen de voorschriften van Richtlijn 2016/xx/EU toe te passen indien hij niet aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder d), voldoet.

4.De hoofdbelastingplichtige die er overeenkomstig artikel 2, lid 3, voor heeft gekozen de voorschriften van deze richtlijn toe te passen en die besluit de toepassing ervan niet voort te zetten, stelt de hoofdbelastingautoriteit aan het einde van de termijn van vijf belastingjaren daarvan in kennis.

5.De hoofdbelastingplichtige van een groep die er overeenkomstig artikel 2, lid 3, voor heeft gekozen de voorschriften van deze richtlijn toe te passen en die aan het einde van de termijn van vijf belastingjaren besluit de toepassing ervan voort te zetten, verstrekt de hoofdbelastingautoriteit bewijsstukken waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder a), b) en d), is voldaan.

Artikel 48
In de kennisgeving van oprichting van een groep op te nemen informatie

De volgende informatie wordt in de kennisgeving van oprichting van een groep opgenomen:

(a)identificatie van de groepsonderdelen;

(b)het bewijs dat aan de criteria van de artikelen 5 en 6 is voldaan;

(c)informatie over alle gelieerde ondernemingen als bedoeld in artikel 56 van Richtlijn 2016/xx/EU;

(d)de rechtsvorm, statutaire zetel en plaats van werkelijke leiding van de belastingplichtigen;

(e)het belastingjaar van oprichting van de groep.

De Commissie kan een handeling vaststellen houdende een standaardformulier voor de kennisgeving van oprichting van een groep. Deze uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 77, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 49
Onderzoek van de kennisgeving van oprichting van een groep

1.De hoofdbelastingautoriteit waaraan de kennisgeving van oprichting van een groep op geldige wijze wordt voorgelegd, onderzoekt op basis van de in de kennisgeving opgenomen informatie of de groep aan de vereisten van deze richtlijn voldoet. Tenzij de kennisgeving binnen drie maanden na ontvangst door de hoofdbelastingautoriteit wordt afgewezen, wordt zij geacht te zijn aanvaard.

2.Mits de belastingplichtige alle krachtens artikel 48 te verstrekken informatie volledig heeft bekendgemaakt, leidt een latere vaststelling dat de bekendgemaakte lijst van groepsonderdelen onjuist is, niet tot ongeldigheid van de kennisgeving van oprichting van een groep. Een onjuiste kennisgeving wordt gecorrigeerd en met ingang van het belastingjaar waarin de fout werd ontdekt, worden alle andere noodzakelijke maatregelen genomen.

3.Wanneer geen volledige bekendmaking heeft plaatsgevonden, kan de hoofdbelastingautoriteit, in overeenstemming met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, de oorspronkelijke kennisgeving ongeldig verklaren, in welk geval in overeenstemming met de in artikel 56 vastgestelde termijnen aan de groep/groepsonderdelen gewijzigde belastingaanslagen worden opgelegd.

Artikel 50
Belastingjaar

1.Het belastingjaar loopt voor alle groepsonderdelen gelijk.

2.In het jaar waarin een belastingplichtige tot een groep toetreedt, brengt hij zijn belastingjaar in overeenstemming met dat van de groep waartoe hij toetreedt. Het toegewezen deel van de belastingplichtige wordt voor dat belastingjaar berekend naar evenredigheid van het aantal kalendermaanden dat de vennootschap tot de groep behoorde.

3.Voor het belastingjaar waarin een belastingplichtige een groep verlaat, wordt zijn toegewezen deel berekend naar evenredigheid van het aantal kalendermaanden dat de vennootschap tot de groep behoorde.

Artikel 51
Belastingaangiften en belastingaanslagen

1.De hoofdbelastingplichtige dient de geconsolideerde belastingaangifte van de groep in bij de hoofdbelastingautoriteit.

2.De geconsolideerde belastingaangifte wordt aangemerkt als een belastingaanslag van elk groepsonderdeel ("belastingaanslag"). Wanneer in een lidstaat bij wet is bepaald dat een belastingaangifte de wettelijke status van een belastingaanslag heeft en deze moet worden aangemerkt als een executoriale titel voor belastingschulden, heeft de geconsolideerde belastingaangifte hetzelfde effect ten aanzien van een groepsonderdeel dat in die lidstaat belastingplichtig is.

3.Wanneer de geconsolideerde belastingaangifte niet de wettelijke status van een belastingaanslag heeft met het oog op de invordering van een belastingschuld, kan de bevoegde autoriteit van een lidstaat ten aanzien van een groepsonderdeel dat aldaar fiscaal inwoner is of in de vorm van een vaste inrichting is gelegen, een krachtens de nationale wet voorgeschreven titel afgeven op grond waarvan invordering in die lidstaat mogelijk is. In deze titel worden de gegevens uit de geconsolideerde belastingaangifte met betrekking tot het groepsonderdeel opgenomen. Tegen de titel kan uitsluitend op formele gronden beroep worden ingesteld, maar niet tegen de onderliggende belastingaanslag. De procedure wordt bepaald door het nationale recht van de desbetreffende lidstaat.

4.De hoofdbelastingplichtige is verantwoordelijk voor alle procedurele verplichtingen in verband met de belastingheffing op vaste inrichtingen zoals bedoeld in artikel 11, lid 4, of artikel 22, lid 3.

5.De geconsolideerde belastingaangifte wordt binnen een termijn van negen maanden na afloop van het belastingjaar bij de hoofdbelastingautoriteit ingediend.

Artikel 52
Inhoud van de belastingaangifte

De geconsolideerde belastingaangifte bevat de volgende informatie:

(a)identificatie van de hoofdbelastingplichtige

(b)identificatie van alle groepsonderdelen;

(c)identificatie van eventuele gelieerde ondernemingen als bedoeld in artikel 56 van Richtlijn 2016/xx/EU;

(d)het belastingjaar waarop de belastingaangifte betrekking heeft;

(e)de berekening van de heffingsgrondslag van elk groepsonderdeel;

(f)de berekening van de geconsolideerde heffingsgrondslag;

(g)de berekening van het toegewezen deel van elk groepsonderdeel;

(h)de berekening van de belastingplicht van elk groepsonderdeel.

Artikel 53
Mededeling van fouten in de geconsolideerde belastingaangifte

De hoofdbelastingplichtige doet de hoofdbelastingautoriteit mededeling van fouten in de geconsolideerde belastingaangifte. In voorkomend geval legt de hoofdbelastingautoriteit een gewijzigde belastingaanslag op in overeenstemming met artikel 56, lid 3.

Artikel 54
Niet-indiening van een belastingaangifte

Ingeval de hoofdbelastingplichtige geen geconsolideerde belastingaangifte indient, legt de hoofdbelastingautoriteit een aanslag op basis van een schatting op waarbij zij met de beschikbare informatie rekening houdt. De hoofdbelastingplichtige kan beroep instellen tegen die aanslag.

Artikel 55
Elektronische indiening, belastingaangiften en bewijsstukken

De Commissie kan handelingen vaststellen houdende voorschriften betreffende elektronische indiening van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de geconsolideerde belastingaangifte, de vorm van de belastingaangifte van de afzonderlijk belastingplichtige en de vereiste bewijsstukken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 77, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 56
Gewijzigde belastingaanslagen

1.De hoofdbelastingautoriteit controleert of de geconsolideerde belastingaangifte aan de vereisten van artikel 52 voldoet.

2.Indien nodig legt de hoofdbelastingautoriteit uiterlijk drie jaar na de uiterste datum voor de indiening van de geconsolideerde belastingaangifte of, indien er voor die datum geen aangifte is ingediend, uiterlijk drie jaar na de oplegging van een aanslag overeenkomstig artikel 54, een gewijzigde aanslag op.

Binnen een periode van twaalf maanden kan niet meer dan eenmaal een gewijzigde belastingaanslag voor dezelfde groep worden opgelegd.

3.Lid 2 is niet van toepassing wanneer een gewijzigde belastingaanslag wordt opgelegd ten gevolge van een beslissing van de rechterlijke instanties van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit overeenkomstig artikel 65 of ten gevolge van een procedure voor onderling overleg of arbitrageprocedure met een derde land. Een dergelijke gewijzigde belastingaanslag wordt opgelegd binnen twaalf maanden na de beslissing van de rechterlijke instanties van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit of de voltooiing van de procedure voor onderling overleg of arbitrageprocedure.

4.In afwijking van lid 2 kan een gewijzigde aanslag worden opgelegd binnen zes jaar na de uiterste datum voor de indiening van de geconsolideerde belastingaangifte wanneer dat gerechtvaardigd is door een opzettelijke fout of grove nalatigheid in de aangifte van de belastingplichtige, dan wel binnen twaalf jaar na die datum wanneer de onjuiste aangifte het voorwerp van strafrechtelijke vervolging uitmaakt. Een dergelijke gewijzigde belastingaanslag wordt opgelegd binnen twaalf maanden na de vaststelling van de onjuiste aangifte, tenzij een langere termijn objectief gerechtvaardigd is om nader onderzoek te verrichten. Een dergelijke gewijzigde belastingaanslag heeft uitsluitend betrekking op het voorwerp van de onjuiste aangifte.

5.Voordat zij een gewijzigde belastingaanslag oplegt, raadpleegt de hoofdbelastingautoriteit de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarvan een groepsonderdeel fiscaal inwoner is of waar het in de vorm van een vaste inrichting is gelegen. Deze autoriteiten kunnen hun standpunt meedelen binnen één maand na deze raadpleging.

De bevoegde autoriteit van een lidstaat waarvan een groepsonderdeel fiscaal inwoner is of waar het in de vorm van een vaste inrichting is gelegen, kan de hoofdbelastingautoriteit verzoeken om een gewijzigde belastingaanslag op te leggen. Indien de hoofdbelastingautoriteit niet binnen drie maanden na dit verzoek kennisgeving doet aan de bevoegde autoriteit van haar voornemen om een dergelijke gewijzigde belastingaanslag op te leggen, wordt dit als een afwijzing aangemerkt.

6.Er wordt geen gewijzigde belastingaanslag opgelegd om de geconsolideerde heffingsgrondslag te corrigeren wanneer het verschil tussen de aangegeven geconsolideerde heffingsgrondslag en de gecorrigeerde grondslag 5 000 EUR of 1 % van de geconsolideerde heffingsgrondslag, naargelang welk van beide het laagst is, niet te boven gaat.

Er wordt geen gewijzigde belastingaanslag opgelegd om de berekening van de toegewezen delen te corrigeren wanneer de totale som van de toegewezen delen van de groepsonderdelen die inwoner van een lidstaat of in een lidstaat gevestigd zijn, met minder dan 0,5 % zou worden gecorrigeerd.

Artikel 57
Centrale databank

De geconsolideerde belastingaangifte en bijbehorende bewijsstukken die door de hoofdbelastingplichtige worden ingediend, worden bewaard in een centrale databank waartoe alle bevoegde autoriteiten toegang hebben. De centrale databank wordt regelmatig bijgewerkt met alle nieuwe gegevens en documenten, alsook met alle beslissingen en kennisgevingen van de hoofdbelastingautoriteit.

Artikel 58
Wijziging van de hoofdbelastingplichtige

De hoofdbelastingplichtige kan niet worden gewijzigd, tenzij deze niet langer aan de criteria van artikel 3, punt 11), voldoet. De groep wijst dan een nieuwe hoofdbelastingplichtige aan.

In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarvan de groepsonderdelen inwoner zijn of waar zij een vaste inrichting aanhouden, binnen zes maanden na de in artikel 46 bedoelde kennisgeving of binnen zes maanden na een reorganisatie waarbij de hoofdbelastingplichtige is betrokken, in onderlinge overeenstemming besluiten dat een andere belastingplichtige dan de door de groep aangewezen belastingplichtige de hoofdbelastingplichtige is.

Artikel 59
Bijhouden van gegevens

Alle groepsonderdelen houden voldoende gedetailleerde gegevens en bewijsstukken bij met het oog op de juiste tenuitvoerlegging van deze richtlijn en het mogelijk maken van in artikel 64, lid 2, bedoelde controles.

Artikel 60
Informatieverstrekking aan de bevoegde autoriteiten

Een belastingplichtige verstrekt op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan hij inwoner is of waar zijn vaste inrichting is gelegen, alle informatie die voorzienbaar van belang is voor de vaststelling van zijn belastingplicht. Daarnaast verstrekt de hoofdbelastingplichtige op verzoek van de hoofdbelastingautoriteit alle informatie die voorzienbaar van belang is voor de vaststelling van de geconsolideerde heffingsgrondslag of van de belastingplicht van een groepsonderdeel.

Artikel 61
Verzoek om een standpunt van de bevoegde autoriteit

1.Een belastingplichtige kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan hij inwoner is of waar hij een vaste inrichting aanhoudt, verzoeken om een standpunt over de tenuitvoerlegging van de voorschriften van deze richtlijn met betrekking tot een specifieke transactie of reeks van transacties die hij wil verrichten. Een belastingplichtige kan ook verzoeken om een standpunt over de voorgestelde samenstelling van een groep. De bevoegde autoriteit neemt alle mogelijke stappen om binnen een redelijke termijn op dit verzoek te antwoorden.

Op voorwaarde dat alle relevante informatie over de geplande transactie of reeks van transacties is bekendgemaakt, is de bevoegde autoriteit gebonden door het door haar meegedeelde standpunt, tenzij de rechterlijke instanties van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit nadien anders beslissen in overeenstemming met artikel 65. Een belastingplichtige die het niet met dit standpunt eens is, kan naar zijn eigen inzicht handelen maar moet in zijn geconsolideerde belastingaangifte de aandacht daarop vestigen.

2.Wanneer twee of meer groepsonderdelen in verschillende lidstaten rechtstreeks bij een specifieke transactie of reeks van transacties betrokken zijn, of wanneer het verzoek op de voorgestelde samenstelling van een groep betrekking heeft, bepalen de bevoegde autoriteiten van die lidstaten een gezamenlijk standpunt.

Artikel 62
Communicatie tussen bevoegde autoriteiten

1.Uit hoofde van de voorschriften van deze richtlijn verstrekte informatie wordt zoveel mogelijk via het gemeenschappelijk communicatienetwerk/de gemeenschappelijke systeeminterface (CCN/CSI) langs elektronische weg verzonden.

2.Een bevoegde autoriteit die overeenkomstig Richtlijn 2011/16/EU 16 van de Raad een verzoek om samenwerking of uitwisseling van inlichtingen betreffende een groepsonderdeel ontvangt, antwoordt daarop met inachtneming van de termijnen die in artikel 7 van genoemde richtlijn zijn vastgelegd.

Artikel 63
Geheimhouding

1.Alle inlichtingen waarover een lidstaat uit hoofde van de voorschriften van deze richtlijn beschikt, vallen in die lidstaat onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming die door de nationale wetgeving van die lidstaat aan dergelijke inlichtingen wordt geboden. Deze inlichtingen mogen:

(a)alleen aan die personen ter kennis worden gebracht die rechtstreeks bij de belastingaangifte of bij de administratieve controle in verband met die belastingaangifte betrokken zijn;

(b)bovendien alleen worden onthuld in gerechtelijke of administratieve procedures die met het oog op of in verband met de vaststelling of de controle van de belastingaangifte worden ingesteld en die tot boetes kunnen leiden, en alleen aan die personen die rechtstreeks bij deze procedures betrokken zijn; deze inlichtingen mogen echter tijdens openbare rechtszittingen of bij rechterlijke uitspraken worden bekendgemaakt indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, daartegen geen bezwaar maakt;

(c)in geen geval worden gebruikt voor andere dan fiscale doeleinden of in gerechtelijke of administratieve procedures die met het oog op of in verband met de vaststelling of de controle van de belastingaangifte worden ingesteld en die tot boetes kunnen leiden.

Bovendien kan door de lidstaten worden bepaald dat de in de eerste alinea bedoelde inlichtingen mogen worden gebruikt om andere heffingen, rechten en belastingen vast te stellen die onder artikel 2 van Richtlijn 2011/16/EU vallen.

2.Met toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die overeenkomstig Richtlijn 2011/16/EU inlichtingen verstrekt, en voor zover het in de lidstaat van de ontvangende bevoegde autoriteit wettelijk is toegestaan, kunnen de overeenkomstig Richtlijn 2011/16/EU ontvangen inlichtingen ook voor andere dan de in lid 1 bedoelde doeleinden worden gebruikt. De toestemming wordt verleend indien de inlichtingen, in de lidstaat van de bevoegde autoriteit die de inlichtingen verstrekt, voor soortgelijke doeleinden kunnen worden gebruikt.

Artikel 64
Controles

1.De hoofdbelastingautoriteit kan controles van groepsonderdelen initiëren en coördineren. Een controle kan ook op verzoek van een bevoegde autoriteit worden geïnitieerd.

De hoofdbelastingautoriteit en de andere betrokken bevoegde autoriteiten bepalen gezamenlijk de reikwijdte en de inhoud van een controle, alsook de te controleren groepsonderdelen.

2.Een controle wordt verricht in overeenstemming met de nationale wetgeving van de lidstaat waar zij plaatsvindt, behoudens de aanpassingen die nodig zijn met het oog op een juiste tenuitvoerlegging van de voorschriften van deze richtlijn. Deze controles kunnen toetsingen, inspecties of onderzoeken van welke aard dan ook omvatten ten behoeve van de verificatie van de naleving door een belastingplichtige van de voorschriften van deze richtlijn.

3.De hoofdbelastingautoriteit verzamelt de resultaten van alle controles.

Artikel 65
Geschillen tussen lidstaten

1.Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan een groepsonderdeel fiscaal inwoner is of waar het in de vorm van een vaste inrichting is gelegen, het niet eens is met een overeenkomstig artikel 49 of artikel 56, leden 2 of 4, of artikel 56, lid 5, tweede alinea, door de hoofdbelastingautoriteit genomen beslissing, kan zij die beslissing binnen een termijn van drie maanden bij de rechterlijke instanties van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit aanvechten.

2.De bevoegde autoriteit heeft ten minste dezelfde procedurele rechten als die welke een belastingplichtige krachtens de wetgeving van die lidstaat geniet in procedures tegen een beslissing van de hoofdbelastingautoriteit.

Artikel 66
Beroepsprocedures

1.Een hoofdbelastingplichtige kan onder meer tegen de volgende handelingen beroep instellen:

(a)een afwijzing van een kennisgeving van oprichting van een groep;

(b)een verzoek om verstrekking van documenten of informatie;

(c)een gewijzigde belastingaanslag;

(d)een aanslag wegens niet-indiening van een geconsolideerde belastingaangifte;

(e)een ongeldigverklaring van de in artikel 49, lid 2, bedoelde oorspronkelijke kennisgeving van oprichting van een groep door de hoofdbelastingautoriteit.

Het beroep wordt ingesteld binnen zestig dagen na ontvangst van de handeling waartegen in beroep wordt gegaan.

2.Een beroep heeft geen opschortend effect met betrekking tot de belastingplicht van een belastingplichtige.

3.In afwijking van artikel 56, lid 2, kan een gewijzigde belastingaanslag worden opgelegd om uitvoering te geven aan het resultaat van een beroepsprocedure.

Artikel 67
Administratief beroep

1.Beroep tegen gewijzigde belastingaanslagen of overeenkomstig artikel 54 opgelegde belastingaanslagen wordt behandeld door een bestuurlijk lichaam dat volgens de wetgeving van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit bevoegd is om beroep in eerste aanleg te horen. Het bestuurlijk lichaam is onafhankelijk van de belastingautoriteiten in de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit. Indien er in die lidstaat geen dergelijk bevoegd bestuurlijk lichaam bestaat, kan de hoofdbelastingplichtige rechtstreeks een beroep bij de rechter instellen.

2.De hoofdbelastingautoriteit bepaalt haar standpunten ten overstaan van het in lid 1 bedoeld bestuurlijk lichaam in nauw overleg met de andere bevoegde autoriteiten.

3.Het in lid 1 bedoeld bestuurlijk lichaam kan in voorkomend geval van de hoofdbelastingplichtige en de hoofdbelastingautoriteit de overlegging van bewijsmateriaal verlangen met betrekking tot de fiscale aangelegenheden van de groepsonderdelen en andere gelieerde ondernemingen, alsook met betrekking tot de wet- en regelgeving van de andere betrokken lidstaten. De bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten verlenen de hoofdbelastingautoriteit alle noodzakelijke bijstand.

4.Wanneer het in lid 1 bedoeld bestuurlijk lichaam wijzigingen aanbrengt in de beslissing van de hoofdbelastingautoriteit, vervangt de gewijzigde beslissing de oorspronkelijke beslissing van de hoofdbelastingautoriteit en wordt zij als de beslissing van die hoofdbelastingautoriteit aangemerkt.

5.Het in lid 1 bedoeld bestuurlijk lichaam beslist binnen zes maanden over het beroep. Indien de hoofdbelastingplichtige binnen die termijn geen beslissing ontvangt, wordt de beslissing van de hoofdbelastingautoriteit geacht te zijn bevestigd.

6.Wanneer de beslissing wordt bevestigd of wanneer er wijzigingen in zijn aangebracht, heeft de hoofdbelastingplichtige het recht om rechtstreeks beroep aan te tekenen bij de rechterlijke instanties van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit binnen zestig dagen na ontvangst van de door het in lid 1 bedoeld bestuurlijk lichaam genomen beslissing over het beroep.

7.Wanneer de beslissing wordt vernietigd, verwijst het in lid 1 bedoeld bestuurlijk lichaam de zaak naar de hoofdbelastingautoriteit. Deze hoofdbelastingautoriteit neemt een nieuwe beslissing binnen zestig dagen na de datum waarop zij van de beslissing van het bestuurlijk lichaam in kennis is gesteld. De hoofdbelastingplichtige kan tegen een dergelijke nieuwe beslissing beroep aantekenen overeenkomstig lid 1 of rechtstreeks bij de rechterlijke instanties van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit binnen zestig dagen na ontvangst van de beslissing. Indien de hoofdbelastingautoriteit binnen zestig dagen geen nieuwe beslissing neemt, kan de hoofdbelastingplichtige tegen de oorspronkelijke beslissing van de hoofdbelastingautoriteit beroep aantekenen bij de rechterlijke instanties van de lidstaat van de hoofdbelastingautoriteit.

Artikel 68
Beroep bij de rechter

1.Beroep bij de rechter tegen een beslissing van de hoofdbelastingautoriteit wordt geregeld door de wetgeving van de lidstaat van die hoofdbelastingautoriteit, behoudens lid 3.

2.De hoofdbelastingautoriteit bepaalt haar standpunten ten overstaan van de rechterlijke instanties in overleg met de andere bevoegde autoriteiten.

3.Een nationale rechter kan van de hoofdbelastingplichtige en de hoofdbelastingautoriteit de overlegging van bewijsmateriaal verlangen met betrekking tot de fiscale aangelegenheden van de groepsonderdelen en andere gelieerde ondernemingen, alsook met betrekking tot de wet- en regelgeving van de andere betrokken lidstaten. De bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten verlenen de hoofdbelastingautoriteit alle noodzakelijke bijstand.

HOOFDSTUK X

WISSELWERKING MET RICHTLIJN 2016/xx/EU

Artikel 69

Beperking van de aftrekbaarheid van rente

1.Voor de toepassing van deze richtlijn wordt een groep uit hoofde van artikel 13 van Richtlijn 2016/xx/EU als één enkele belastingplichtige aangemerkt. De groep wordt vertegenwoordigd door de hoofdbelastingplichtige.

2.Ingeval lid 1 van toepassing is, worden het financieringskostensurplus en de winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen (ebitda) op het niveau van de groep berekend en omvatten deze de resultaten van alle groepsonderdelen. Het in artikel 13 van Richtlijn 2016/xx/EU genoemde bedrag van 3 000 000 EUR wordt verhoogd tot 5 000 000 EUR.

3.De Commissie kan overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen aannemen om gedetailleerde anti-fragmentatieregels voor de aftrekbaarheid van het financieringskostensurplus vast te stellen.

Artikel 70
Waardering

Voor de toepassing van deze richtlijn geldt artikel 20, lid 2, van Richtlijn 2016/xx/EU niet voor een groep indien alle groepsonderdelen gelegen zijn in lidstaten die de euro (EUR) niet hebben ingevoerd, in welk geval de hoofdbelastingplichtige bepaalt welke valuta van toepassing is.

Artikel 71
Verminderen en inhalen van verliezen

1.Artikel 41 van Richtlijn 2016/xx/EU betreffende het verminderen en inhalen van verliezen is automatisch niet langer van toepassing zodra deze richtlijn in werking treedt.

2.Overgedragen verliezen die bij de inwerkingtreding van deze richtlijn nog niet zijn ingehaald, blijven bij de belastingplichtige aan wie ze overgedragen zijn.

Artikel 72
Switch-over

Voor de toepassing van deze richtlijn is de in artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2016/xx/EU voorkomende verwijzing naar het wettelijke vennootschapsbelastingtarief dat op de belastingplichtige van toepassing zou zijn geweest, niet van toepassing en wordt het vervangen door het gemiddelde wettelijke vennootschapsbelastingtarief van alle lidstaten.

Artikel 73
Wetgeving inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (cfc's)

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het toepassingsgebied van de wetgeving inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen uit hoofde van artikel 59 van Richtlijn 2016/xx/EU beperkt tot betrekkingen tussen groepsonderdelen en entiteiten die fiscaal inwoner van, of vaste inrichtingen gelegen in een derde land zijn.

Artikel 74
Hybride mismatches

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het toepassingsgebied van de regels inzake hybride mismatches uit hoofde van artikel 61 van Richtlijn 2016/xx/EU beperkt tot betrekkingen tussen groepsonderdelen en niet-groepsonderdelen die gelieerde ondernemingen zijn, zoals bedoeld in artikel 56 van Richtlijn 2016/xx/EU.

HOOFDSTUK XI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 75
Uitoefening van de delegatie

1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.De in de artikel 2, lid 5, artikel 3 en artikel 69, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

3.De in artikel 2, lid 5, artikel 3 en artikel 69, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan kennisgeving aan de Raad.

5.Een overeenkomstig artikel 2, lid 5, artikel 3 en artikel 69, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan de Raad geen bezwaar heeft gemaakt, of indien de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat hij daartegen geen bezwaar zal maken. Deze termijn wordt op initiatief van de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 76
Kennisgeving aan het Europees Parlement

De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, de mogelijke bezwaren die daartegen worden gemaakt en de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.

Artikel 77
Comitéprocedure

1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 78
Overleg in verband met artikel 29

Het bij artikel 77 ingestelde comité kan zich ook beraden over de toepassing van artikel 29 in een specifiek geval.

Artikel 79
Evaluatie

Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn verricht de Commissie een evaluatie van de toepassing ervan en brengt zij verslag uit bij de Raad over de werking ervan. Dit verslag bevat met name een analyse van het effect van het bij hoofdstuk VIII van deze richtlijn opgezette mechanisme voor de evenredige toewijzing van de heffingsgrondslagen aan de lidstaten.

Artikel 80
Omzetting

1.De lidstaten stellen uiterlijk op 31 december 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2021.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 81
Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 82
Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1) In het werkdocument van de diensten van de Commissie ( SWD(2015) 121 final ) wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de historische ontwikkeling en de actuele thema's en uitdagingen op het gebied van belastingheffing op multinationale winsten.
(2) "Agressieve fiscale planning houdt in dat wordt geprofiteerd van de technische details van een belastingsysteem of van incongruenties tussen twee of meer belastingsystemen met als doel de verschuldigdheid van belasting te verminderen" (aanbeveling van de Commissie van 6 december 2012 over agressieve fiscale planning, C(2012) 8806 final ).
(3) Mededeling COM(2015) 302 final van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2015 betreffende een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de Europese Unie: vijf belangrijke actiegebieden.
(4) Richtlijn 2016/1164/EU van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1).
(5) PB C van , blz. .
(6) PB C van , blz. .
(7) Voorstel voor een richtlijn van de raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), COM(2011) 121 definitief/2 van 3.10.2011.
(8) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(9) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.1.1995, blz. 31).
(10) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(11) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(12) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(13) Gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14).
(14) [Volledige benaming van richtlijn (PB L [ ] van [ ], blz. [ ])].
(15) Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PB L 310 van 25.11.2009, blz. 34).
(16) Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64/1 van 11.3.2011, blz. 1).
Top

Straatsburg, 25.10.2016

COM(2016) 683 final

BIJLAGEN

bij het

Voorstel voor een richtlijn van de Raad

betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)

{SWD(2016) 341 final}
{SWD(2016) 342 final}


BIJLAGE I

a)    De Europese vennootschap of Societas Europaea (SE), opgericht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2157/2001 1 van de Raad en Richtlijn 2001/86/EG 2 van de Raad;

b)    De Europese coöperatieve vennootschap (SE), opgericht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1435/2003 3 van de Raad en Richtlijn 2003/72/EG 4 van de Raad;

c)    De vennootschappen naar Belgisch recht, geheten "naamloze vennootschap"/"société anonyme", "commanditaire vennootschap op aandelen"/"société en commandite par actions", "besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid"/"société privée à responsabilité limitée", "coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid"/"société coopérative à responsabilité limitée", "coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid"/"société coopérative à responsabilité illimitée", "vennootschap onder firma"/"société en nom collectif", "gewone commanditaire vennootschap"/"société en commandite simple", de overheidsbedrijven die een van vorengenoemde rechtsvormen hebben aangenomen, alsmede andere vennootschappen die zijn opgericht naar Belgisch recht en die onder de Belgische vennootschapsbelasting vallen;

d)    De vennootschappen naar Bulgaars recht, geheten: "събирателното дружество", "командитното дружество", "дружеството с ограничена отговорност", "акционерното дружество", "командитното дружество с акции", "кооперации", "кооперативни съюзи", "държавни предприятия", die zijn opgericht naar Bulgaars recht en commerciële activiteiten uitoefenen;

e)    De vennootschappen naar Tsjechisch recht, geheten: "akciová společnost", "společnost s ručením omezeným", "veřejná obchodní společnost", "komanditní společnost", "družstvo";

f)    De vennootschappen naar Deens recht, geheten "aktieselskab" en "anpartsselskab", alsmede de overige overeenkomstig de wet op de vennootschapsbelasting belastingplichtige ondernemingen, voor zover hun belastbare inkomsten worden berekend en belast volgens de algemene fiscaalrechtelijke regels van toepassing op "aktieselskaber".

g)    De vennootschappen naar Duits recht, geheten "Aktiengesellschaft", "Kommanditgesellschaft auf Aktien", "Gesellschaft mit beschränkter Haftung", "Versicherungsverein auf Gegenseitigkeit", "Erwerbs- und Wirtschaftsgenossenschaft", "Betriebe gewerblicher Art von juristischen Personen des öffentlichen Rechts", alsmede andere vennootschappen die zijn opgericht naar Duits recht en die onder de Duitse vennootschapsbelasting vallen;

h)    De vennootschappen naar Ests recht, geheten: "täisühing", "usaldusühing", "osaühing", "aktsiaselts", "tulundusühistu";

i)    De vennootschappen die zijn opgericht naar of handelen onder Iers recht, de lichamen die zijn geregistreerd krachtens de Industrial and Provident Societies Act, de "building societies" die zijn opgericht onder de Building Societies Acts, en de "trustee savings banks" in de zin van de Trustee Savings Banks Act van 1989;

j)    De vennootschappen naar Grieks recht, geheten"αvώvυμη εταιρεία", "εταιρεία περιωρισμέvης ευθύvης (Ε.Π.Ε.)";

k)    De vennootschappen naar Spaans recht, geheten "sociedad anónima", "sociedad comanditaria por acciones", "sociedad de responsabilidad limitada", alsmede de publiekrechtelijke lichamen die privaatrechtelijk werkzaam zijn;

l)    De vennootschappen naar Frans recht, geheten "société anonyme", "société en commandite par actions", "société à responsabilité limitée", "sociétés par actions simplifiées", "sociétés d'assurances mutuelles", "caisses d'épargne et de prévoyance", "sociétés civiles" die automatisch aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, "coopératives", "unions de coopératives", de overheidsinstellingen en -bedrijven met een industrieel of commercieel karakter, alsmede andere vennootschappen die zijn opgericht naar Frans recht en die onder de Franse vennootschapsbelasting vallen;

m)    De vennootschappen naar Kroatisch recht, geheten "dioničko društvo", "društvo s ograničenom odgovornošću", alsmede andere vennootschappen die zijn opgericht naar Kroatisch recht en die onder de Kroatische winstbelasting vallen;

n)    De vennootschappen naar Italiaans recht, geheten "società per azioni", "società in accomandita per azioni", "società a responsabilità limitata", "società cooperative", "società di mutua assicurazione", alsook de particuliere en publieke lichamen met uitsluitend of hoofdzakelijk commerciële werkzaamheden;

o)    De vennootschappen naar Cyprisch recht: "εταιρείες", als omschreven in de wet op de inkomstenbelastingen;

p)    De vennootschappen naar Lets recht, geheten "akciju sabiedrība", "sabiedrība ar ierobežotu atbildību";

q)    De naar Litouws recht opgerichte vennootschappen;

r)    De vennootschappen naar Luxemburgs recht, geheten "société anonyme", "société en commandite par actions", "société à responsabilité limitée", "société coopérative", "société coopérative organisée comme une société anonyme", "association d'assurances mutuelles", "association d'épargne-pension", "entreprise de nature commerciale, industrielle ou minière de l'Etat, des communes, des syndicats de communes, des établissements publics et des autres personnes morales de droit public", alsmede andere vennootschappen die zijn opgericht naar Luxemburgs recht en die onder de Luxemburgse vennootschapsbelasting vallen;

s)    De vennootschappen naar Hongaars recht, geheten "közkereseti társaság", "betéti társaság", "közös vállalat", "korlátolt felelősségű társaság", "részvénytársaság", "egyesülés", "közhasznú társaság", "szövetkezet";

t)    De vennootschappen naar Maltees recht, geheten "Kumpaniji ta’ Responsabilita Limitata", "Soċjetajiet en commandite li l-kapital tagħhom maqsum f’azzjonijiet";

u)    De vennootschappen naar Nederlands recht, geheten "naamloze vennootschap", "besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid", "open commanditaire vennootschap", "coöperatie", "onderlinge waarborgmaatschappij", "fonds voor gemene rekening", "vereniging op coöperatieve grondslag" en "vereniging welke op onderlinge grondslag als verzekeraar of kredietinstelling optreedt", alsmede andere vennootschappen die zijn opgericht naar Nederlands recht en die onder de Nederlandse vennootschapsbelasting vallen;

v)    De vennootschappen naar Oostenrijks recht, geheten "Aktiengesellschaft", "Gesellschaft mit beschränkter Haftung", "Versicherungsvereine auf Gegenseitigkeit", "Erwerbs- und Wirtschaftsgenossenschaften", "Betriebe gewerblicher Art von Körperschaften des öffentlichen Rechts", "Sparkassen", alsmede andere vennootschappen die zijn opgericht naar Oostenrijks recht en die onder de Oostenrijkse vennootschapsbelasting vallen;

w)    De vennootschappen naar Pools recht, geheten "spółka akcyjna", "spółka z ograniczoną odpowiedzialnością", "spółdzielnia", "przedsiębiorstwo państwowe";

x)    De naar Portugees recht opgerichte handelsvennootschappen of burgerlijke vennootschappen met handelsvorm, coöperatieven en overheidsbedrijven;

y)    De vennootschappen naar Roemeens recht, geheten "societăţi pe acţiuni", "societăţi în comandită pe acţiuni", "societăţi cu răspundere limitată";

z)    De vennootschappen naar Sloveens recht, geheten "delniška družba", "komanditna delniška družba", "komanditna družba", "družba z omejeno odgovornostjo", "družba z neomejeno odgovornostjo";

aa)    De vennootschappen naar Slowaaks recht, geheten "akciová spoločnosť", "spoločnosť s ručením obmedzeným", "komanditná spoločnosť", "verejná obchodná spoločnosť", "družstvo";

bb)    De vennootschappen naar Fins recht, geheten "osakeyhtiö"/"aktiebolag", "osuuskunta"/"andelslag", "säästöpankki"/"sparbank" en "vakuutusyhtiö"/"försäkringsbolag";

cc)    De vennootschappen naar Zweeds recht, geheten "aktiebolag", "försäkringsaktiebolag", "ekonomiska föreningar", "sparbanker", "ömsesidiga försäkringsbolag";

dd)    De vennootschappen naar Brits recht.

BIJLAGE II

België/Belgique

Vennootschapsbelasting/Impôt des sociétés

България

корпоративен данък

Česká republika

Daň z příjmů právnických osob

Danmark

Selskabsskat

Deutschland

Körperschaftsteuer

Eesti

Tulumaks

Éire/Ireland

Cáin chorparáide/Corporation Tax

Ελλάδα

Φόρος εισοδήματος νομικών προσώπων κερδοσκοπικού χαρακτήρα

España

Impuesto sobre sociedades

France

Ιmpôt sur les sociétés

Republika Hrvatska

Porez na dobit

Italia

Imposta sul reddito delle società

Κύπρος

Φόρος Εισοδήματος

Latvija

Uzņēmumu ienākuma nodoklis

Lietuva

Pelno mokestis

Luxembourg

Impôt sur le revenu des collectivités

Magyarország

Társasági adó

Malta

Taxxa fuq l-income

Nederland

Vennootschapsbelasting

Österreich

Körperschaftsteuer

Polska

Podatek dochodowy od osób prawnych

Portugal

Imposto sobre o rendimento das pessoas colectivas

România

Impozit pe profit

Slovenija

Davek od dobička pravnih oseb

Slovensko

Daň z príjmov právnických osôb

Suomi/Finland

Yhteisöjen tulovero/inkomstskatten för samfund

Sverige

Statlig inkomstskatt

United Kingdom

Corporation Tax

(1) Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (PB L 294 van 10.11.2001, blz. 1).
(2) Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PB L 294 van 10.11.2001, blz. 22).
(3) Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese coöperatieve vennootschap (SCE) (PB L 207 van 18.8.2003, blz. 1).
(4) Richtlijn 2003/72/EG van de Raad van 22 juli 2003 tot aanvulling van het statuut van een Europese coöperatieve vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PB L 207 van 18.8.2003, blz. 25).
Top