Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52013PC0615

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake geldmarktfondsen

/* COM/2013/0615 final - 2013/0306 (COD) */

52013PC0615

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake geldmarktfondsen /* COM/2013/0615 final - 2013/0306 (COD) */


TOELICHTING

1.           ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Geldmarktfondsen (“money markt funds” of MMF’s) vormen een belangrijke bron van kortetermijnfinanciering voor financiële instellingen, ondernemingen en overheden. In Europa zijn ongeveer 22 % van de kortlopende schuldbewijzen die door overheden of door ondernemingen zijn uitgegeven, in handen van MMF’s. MMF’s bezitten 38 % van de kortlopende schuldbewijzen die door de banksector zijn uitgegeven.

Aan de vraagzijde bieden MMF’s een instrument voor beheer op korte termijn van geldmiddelen waarmee een hoge graad van liquiditeit, diversificatie, stabiliteit van waarde gecombineerd met marktopbrengsten wordt bereikt. MMF’s worden voornamelijk gebruikt door ondernemingen die hun overtollige kasmiddelen voor korte tijd wensen te beleggen, bijvoorbeeld totdat zij grote uitgaven, zoals lonen, moeten doen.

MMF’s vormen een cruciale verbinding waarin vraag en aanbod van kortetermijnmiddelen samenkomen. Met ongeveer 1 000 miljard EUR aan beheerde activa vertegenwoordigen MMF’s een categorie fondsen die verschillend is van alle andere beleggingsfondsen. Voor hun werking volgen de MMF’s voor het merendeel, 80% onder hen wat de activa en 60 % wat het aantal fondsen betreft, de regels van Richtlijn 2009/65/EG betreffende instellingen voor instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s). De overige MMF’s zouden vanaf juli 2013 moeten werken volgens de regels van Richtlijn 2011/61/EU inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (abi’s). Een MMF is qua omvang gemiddeld veel groter dan een icbe-fonds pleegt te zijn. Een individueel MMF kan bijvoorbeeld een omvang van 50 miljard EUR bereiken. MMF’s zijn gevestigd in een beperkt aantal lidstaten, waaronder Frankrijk, Ierland en Luxemburg, die meer dan 95 % van de markt vertegenwoordigen. De onderlinge marktconnecties met andere landen zijn niettemin zeer sterk gelet op de grote aantallen grensoverschrijdende beleggingen en beleggers en de grensoverschrijdende banden van besmetting tussen de MMF’s en hun sponsor, die in de meeste gevallen zijn standplaats in een ander land dan de plaats van vestiging van het MMF heeft.

Wegens de systemische verwevenheid van MMF’s met de banksector en met de financiën van ondernemingen en overheden hebben de activiteiten van MMF’s een centrale plaats ingenomen in de internationale werkzaamheden inzake schaduwbankieren. De Raad voor financiële stabiliteit (FSB) en andere instanties zoals de Internationale Organisatie van Effectentoezichthouders (IOSCO) en het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) hebben de financiële sector bestudeerd en zijn tot de conclusie gekomen dat een aantal activiteiten en entiteiten systemisch belang hebben maar niet voldoende door de regelgevende instanties zijn behandeld. In de sector van het vermogensbeheer hebben MMF’s bijzondere aandacht gekregen wegens hun systemische relevantie. Het Europees Parlement heeft in november 2012 een resolutie over schaduwbankieren aangenomen waarin de Commissie verzocht wordt een specifiek voorstel met betrekking tot MMF's in te dienen[1].

Het ESRB heeft een gedegen analyse gemaakt van de systeemrisico’s die aan de werking van MMF’s verbonden zijn. In het bijzonder hadden de gedane aanbevelingen betrekking op de stabiliteit en de liquiditeit van MMF’s en omvatten zij ook aanvullende regels inzake transparantie en rapportage. Deze aanbevelingen zijn voor een groot deel opgenomen in het voorstel van de Commissie en er is rekening gehouden met de mogelijke negatieve gevolgen voor de financiering van de Europese economie.

MMF’s vormen een handig instrument voor beleggers omdat de kenmerken die zij vertonen, analoog zijn aan die van bankdeposito's: ogenblikkelijke toegang tot liquiditeit en betrekkelijke stabiele waardering. Gelet op deze kenmerken zien beleggers in MMF’s een veilig en meer gediversifieerd alternatief voor bankdeposito's. In werkelijkheid zijn MMF’s klassieke beleggingsfondsen met de inherente marktrisico’s die aan elke belegging in een fonds verbonden zijn. Wanneer de prijzen van de activa waarin de MMF’s belegd worden, een neerwaartse trend vertonen, vooral in onzekere marktomstandigheden, kan een MMF niet altijd waarmaken waartoe het zich verbonden heeft, namelijk onmiddellijk terug te betalen en de waarde van het door het MMF aan de belegger uitgegeven aandeel of recht van deelneming veilig te stellen. Sommige sponsors van fondsen (meestal banken) kunnen in staat zijn de aandelenwaarden overeind te houden door sponsorsteun te verlenen, terwijl andere (meestal vermogensbeheerders) daartoe misschien niet het kapitaal hebben. Vanwege de looptijdverschillen tussen de dagelijkse liquiditeit die een MMF aan beleggers verschaft, en de liquiditeit van activa in een MMF-portefeuille kan het niet altijd mogelijk zijn onmiddellijk terug te betalen. De belofte van stabiele terugbetalingsprijzen wordt vaak duidelijk gemaakt door een AAA-rating. De keerzijde is dat beleggers zullen terugkopen zodra zij voelen dat er een risico bestaat dat het MMF mogelijk niet in staat zal zijn te allen tijde te voldoen aan de verbintenis van liquiditeit en stabiele terugbetaling, hetgeen kan leiden tot een zogenaamde “run” van beleggers.

Een “investor run” wordt gekenmerkt door massale en plotselinge verzoeken om terugbetaling door een grote groep beleggers die verliezen willen vermijden en terugbetaald willen worden tegen de hoogst mogelijke prijs. Runs van beleggers zijn systeemrelevant omdat zij MMF’s ertoe dwingen hun activa snel te verkopen om te voldoen aan uitstaande verzoeken om terugbetaling. De spiraal van terugbetalingen zelf versnelt de neergang in de intrinsieke waarde van het fonds (Net Asset Value of NAV) en voedt derhalve de verdere achteruitgang in de NAV en de angst dat de geldmarkt in haar geheel onstabiel is. Omdat MMF’s een centrale rol spelen in de kortetermijnfinanciering van entiteiten zoals banken, ondernemingen of overheden, kan een run van beleggers op MMF’s bredere macro-economische gevolgen hebben. Terwijl banken het grootste deel (85 %) van de 1000 miljard EUR aan MMF’s uitgegeven financiële instrumenten voor hun rekening nemen, vertegenwoordigen overheden een aandeel van ongeveer 10 % terwijl ondernemingen om en bij de 5 % bezitten. Overheden en zeer grote ondernemingen gebruiken de geldmarkt als een middel voor kortetermijnfinanciering, naast kredietlijnen van de bank.

De problemen in het geval van runs van beleggers zijn van systemische aard wegens: (1) de nauwe banden met de reële economie (de rol die MMF’s spelen om te voldoen aan de financieringsbehoeften op korte termijn van entiteiten die de geldmarkt gebruiken als financieringsinstrument), (2) hun band met sponsors. Daarnaast vervullen runs op MMF’s ook een functie van bescherming van beleggers aangezien degenen die laat terugkopen (gewoonlijk particuliere beleggers), intrinsiek nadeel ondervinden in vergelijking met vroege terugkopers.

In het voorstel van verordening worden deze problemen aangepakt. Het voorstel bevat gemeenschappelijke normen om de liquiditeit van MMF’s te verhogen en om de stabiliteit van hun structuur te verzekeren. Er worden eenvormige regels ingevoerd om te zorgen voor een minimumniveau van dagelijkse en wekelijkse liquiditeit van activa. Er wordt een gestandaardiseerde beleidslijn bepaald zodat de fondsbeheerder een beter begrip krijgt van zijn beleggerspubliek. Verder worden ook gemeenschappelijke regels ingevoerd om te waarborgen dat MMF’s beleggen in kwalitatief sterke activa en behoorlijk gediversifieerde activa met een goede kredietkwaliteit. Deze maatregelen moeten ervoor zorgen dat de liquiditeit van het fonds toereikend is om de terugbetalingsverzoeken van de belegger te honoreren.

De stabiliteit van het MMF wordt verzekerd door de invoering van duidelijke en geharmoniseerde waarderingsregels voor de activa waarin de MMF’s beleggen. Deze waarderingsregels zullen een vanzelfsprekendheid aan het licht brengen, namelijk dat MMF’s normale beleggingsfondsen zijn waarvan de activa aan prijsschommelingen onderhevig zijn.

Sommige MMF’s zullen een boekhoudkundige methode kunnen behouden waarbij een stabiele inschrijvings- en terugbetalingsprijs mogelijk zijn, op voorwaarde dat zij voldoende kasreserves opbouwen. Deze zogenoemde “NAV-buffer” zal dienen om de marktschommelingen op te vangen die inherent zijn aan kapitaalmarkten. Hiermee moet ook worden voorkomen dat sponsors onvoorbereid zouden zijn indien hun MMF’s externe steun nodig zouden hebben. Deze buffer zal 3 % van de onder het beheer van het MMF staande activa bedragen. Volgens de bekende gevallen van sponsorsteun tijdens de crisis (123 gevallen in Amerikaanse MMF's), liep de steun slechts 3 keer op tot meer dan 3 %. Toen het Reserve Primary Fund in 2008 in gebreke bleef, verloor het 3 % op zijn blootstelling van 1,5 % aan de activa van Lehman. De buffer zal geen volledige waarborg bieden aan de houders van aandelen van fondsen met constante NAV (CNAV) maar door zijn niveau zorgt hij voor een evenwicht tussen de behoefte aan een robuust en veilig CNAV-model en de financieringscapaciteiten van de beheerders. De kosten voor het MMF zullen afhankelijk zijn van de financieringskosten van elke beheerder. Deze kosten kunnen variëren tussen 3 % en 10 % jaarlijks. Toegepast op een buffer van 3 % zou dit leiden tot een stijging van de beheersvergoedingen met 0,09 % tot 0,30 % jaarlijks. Verwacht wordt dat een deel van deze kostenstijging door de beheerder zal worden betaald terwijl de rest zal worden afgewenteld op de beleggers. De stijging van de vergoeding zal een weerslag hebben op de opbrengst die beleggers uit hun belegging kunnen halen maar zij zullen anderzijds profijt hebben van een product dat een extra laag biedt voor isolatie tegen marktschommelingen in de onderliggende activa.

Naast deze regeling zal een gemeenschappelijke regel inzake ratings ervoor zorgen dat fondsbeheerders en beleggers ophouden te betrouwen op externe kredietratings die in geval van verlaging van kredietbeoordeling nadelig kunnen zijn voor de werking van de geldmarkt. Deze maatregelen zullen gepaard gaan met scherpere transparantieregels om ervoor te zorgen dat de belegger het risico-opbrengstprofiel van zijn belegging correct begrijpt.

De voorgestelde verordening zal steunen op de bestaande vergunningsprocedures voor icbe’s die bij de icbe-richtlijn zijn geharmoniseerd. Zij voert een geharmoniseerde vergunningsprocedure in voor abi-MMF’s aangezien de richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (abi's) het vergunnen van abi’s overlaat aan de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten. Deze geharmoniseerde procedure voor abi-MMF’s zal een afspiegeling zijn van de geharmoniseerde vergunningsprocedure voor icbe’s. Beheerders zullen onder de regelgeving van de icbe-richtlijn of de abi-richtlijn blijven vallen maar beheerders en fondsen die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, zullen moeten voldoen aan deze bijkomende laag van specifieke MMF-productregels.

Deze eenvormige regels hebben tot doel de integriteit van de interne markt te vrijwaren en versterken de robuustheid ervan om de gevolgen van een nieuwe crisis tot een minimum te beperken. Beleggers zullen zich beter bewust worden van de risico’s die aan deze gereguleerde producten verbonden zijn en zullen meer zekerheid verkrijgen over het homogene beleggingsvoorstel dat uitgaat van geldmarktfondsen in de Unie. Beheerders zullen baat vinden bij Europese geharmoniseerde productregels. Instellingen die geldmarktinstrumenten uitgeven, zullen profiteren van een stabielere omgeving waarin de rol van MMF’s als financieringsinstrument gevrijwaard blijft.

2.           RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

2.1.        Overleg met belanghebbende partijen

Vanaf begin 2012 heeft de Commissie een uitgebreide raadpleging gehouden met vertegenwoordigers van een breed gamma van organisaties. Het overleg bestond uit bilaterale en multilaterale bijeenkomsten, één openbare raadpleging over schaduwbankieren, één openbare raadpleging over vragen met betrekking tot beheer van activa waaronder MMF’s, en een openbare conferentie over schaduwbankieren. Uit dit proces heeft de Commissie een overvloed van informatie verkregen over de werking van de MMF-markt en de verschillende segmenten daarvan en heeft zij meningen gehoord over de op te lossen vragen en over mogelijke oplossingen.

2.1.1.     Groenboek over schaduwbankieren

Uit de antwoorden op het groenboek is een ruim beeld van het Europese schaduwbankieren naar voren gekomen. Dit heeft geleid tot de ontwikkeling van meer doelgerichte vragen die specifiek betrekking hebben op de werking van MMF's, in een openbare raadpleging over vermogensbeheer die in juli 2012 plaatsvond. In een openbare conferentie van april 2012, bijgewoond door belanghebbenden uit de EU en de VS, was er ook een onderdeel gewijd aan MMF’s. Vertegenwoordigers van regelgevende instanties en de bedrijfssector vormden het panel over MMF’s en gaven hun mening over de vraag hoe de Europese MMF-markt hervormd zou moeten worden.

2.1.2.     Raadpleging over vermogensbeheer

Een hoofdstuk over MMF’s maakte deel uit van een ruimere openbare raadpleging over diverse vragen betreffende vermogensbeheer, die op 26 juli 2012 werd geopend (en afgesloten op 18 oktober 2012). De diensten van de Commissie ontvingen 56 antwoorden op het deel over MMF’.

2.2.        Effectbeoordeling

Overeenkomstig haar beleid inzake “betere regelgeving” heeft de Commissie een effectbeoordeling van de diverse beleidsalternatieven verricht. Om de liquiditeit en stabiliteit van MMF’s te verzekeren werden in het totaal 16 opties onderzocht. Al deze opties werden geanalyseerd aan de hand van de algemene doelstellingen, namelijk de financiële stabiliteit in de interne markt verhogen en beleggers in MMF’s beter beschermen, alsmede op basis van de meer specifieke doelstellingen van dit initiatief, namelijk (i) gevaar voor besmetting in de reële economie tegengaan, (ii) gevaar voor besmetting van sponsors tegengaan, en (iii) de nadelen voor late terugkopers beperken, vooral wanneer de terugbetalingen in gespannen marktomstandigheden plaatsvinden.

De effecten, ook wat betreft kosten en baten voor de diverse belanghebbenden, beleggers, vermogensbeheerders, uitgevende instanties van kortlopende schuldbewijzen en sponsors, werden onderzocht. Op basis van deze analyse werd gekozen voor de invoering van een robuuster regelgevingskader voor MMF's: hogere niveaus van liquiditeit en een stabielere structuur. De gekozen opties zullen naar verwachting gunstige effecten hebben op MMF’s en de geldmarkt in het algemeen door een verbetering van het weerstandsvermogen tegen spanningen op de markt. Dit zal leiden tot een stabielere context voor geldmarkten in Europa, hetgeen ten goede zal komen aan beleggers, entiteiten die kortlopende schuldbewijzen uitgeven, en banken die MMF’s sponsoren.

De diensten van DG MARKT hadden op 16 januari 2013 een vergadering met de dienst voor effectbeoordelingen. Deze dienst analyseerde de effectbeoordeling en maakte op 18 januari 2013 zijn positief advies bekend. Tijdens deze vergadering hebben de leden van de dienst voor effectbeoordelingen de diensten van DG MARKT opmerkingen gegeven om de inhoud van de effectbeoordeling te verbeteren. Dit resulteerde in een aantal wijzigingen van de tekst. De probleemomschrijving is verbeterd om dieper in te gaan op de MMF-markten en de beschrijving daarvan werd verder verrijkt met voorbeelden uit de Unie die met name aangeven dat de problemen een grensoverschrijdende dimensie hebben. De doelstellingen en de opties waarin de problemen zijn aangewezen, zijn beter met elkaar verbonden en er zijn meer becijferde operationele doelstellingen gebruikt. De effecten op beleggers en de nalevingskosten die aan de voorgenomen maatregelen verbonden zijn, zijn nader toegelicht. De effecten op de lidstaten en op de internationale samenhang van de regelgeving zijn ook beter beschreven. Ten slotte is stelselmatig ruimte geschapen voor de standpunten van de belanghebbenden, met name in de onderdelen waarin de opties geanalyseerd en vergeleken worden.

3.           JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

3.1.        Rechtsgrond en keuze van de rechtsvorm

Artikel 114, lid 1, VWEU vormt de rechtsgrondslag voor een verordening tot vaststelling van uniforme bepalingen ten behoeve van de werking van de interne markt. Prudentiële productregels bepalen de grenzen van de risico’s die aan MMF’s verbonden zijn. Deze voorschriften regelen als dusdanig niet de toegang tot activiteiten op het gebied van vermogensbeheer maar regelen de manier waarop deze activiteiten worden uitgeoefend met het oog op bescherming van de beleggers en financiële stabiliteit. Deze regels ondersteunen een correcte en veilige werking van de interne markt.

Met het oog op de integriteit van de interne markt zal de voorgestelde wetgevingsmaatregel een regelgevingskader voor MMF’s tot stand brengen teneinde beleggers in MMF’s een betere bescherming te bieden en de financiële stabiliteit te verhogen door het gevaar voor besmetting tegen te gaan. De voorgestelde bepalingen zullen specifiek moeten bewerkstelligen dat het fonds over toereikende liquiditeit beschikt om terugbetalingsverzoeken van beleggers te kunnen beantwoorden, en dat de structuur van MMF’s voldoende wordt beveiligd om het fonds in staat te stellen het hoofd te bieden aan ongunstige marktomstandigheden. De verordening wordt geacht het meest passende rechtsinstrument te zijn voor de invoering van eenvormige voorschriften, die onder meer betrekking zullen hebben op het toepassingsgebied van de in aanmerking komende activa, met regels voor diversificatie, regels met betrekking tot de kredietblootstelling, rentevoet en liquiditeitsrisico’s alsmede regels betreffende de vergunning van fondsen die voornemens zijn beleggingen in geldmarkten te verrichten. Het gaat hoofdzakelijk om prudentiële productregels die Europese MMF’s veiliger en efficiënter moeten maken en de daarbij verband houdende systeemrisico’s moeten terugdringen.

Het verrichten van activiteiten als fondsbeheerder wordt geregeld door de icbe-richtlijn of door de abi-richtlijn. De activiteiten van de beheerders zullen onder de genoemde richtlijnen blijven vallen maar de productregels van het icbe-kader zullen worden aangevuld met de productregels waarin deze nieuwe verordening zal voorzien.

3.2.        Subsidiariteit en evenredigheid

Nationaal gehanteerde regelgeving blijft intrinsiek beperkt tot de betrokken lidstaat. Het product en het liquiditeitsprofiel van een MMF alleen op nationaal niveau reguleren houdt het gevaar in dat verschillende producten allemaal als MMF’s worden verkocht. Dit zou bij de beleggers verwarring veroorzaken en zou verhinderen dat er in de Unie gelijke concurrentievoorwaarden tot stand komen voor degenen die MMF’s aanbieden aan professionele of retailbeleggers. Tegelijkertijd zouden verschillen in de nationale aanpak met betrekking tot de hoofdkenmerken van een MMF het gevaar op grensoverschrijdende besmetting verhogen, vooral wanneer de uitgevende instanties en de MMF’s in verschillende lidstaten zijn gevestigd. Aangezien MMF’s in de EU in een breed gamma van financiële instrumenten beleggen, zou het in gebreke blijven van één MMF (ten gevolge van ontoereikende regulering op nationaal vlak) repercussies hebben op de financiering van overheidsdiensten en ondernemingen in heel de EU.

Verder zijn tal van entiteiten die in Europa MMF’s aanbieden, in een andere lidstaat gevestigd dan die waar de fondsen op de markt worden gebracht. Het is derhalve belangrijk dat er een robuust regelgevingskader tot stand komt waarmee grensoverschrijdende besmetting kan worden voorkomen. Ook moet besmetting worden voorkomen tussen een MMF en zijn sponsor die vaak een andere lidstaat is gevestigd. Dit is een bijzonder acute kwestie wanneer de sponsor gevestigd is in een lidstaat die mogelijk niet over de begrotingsmiddelen beschikt om een in gebreke blijvende sponsor te redden.

Wat de evenredigheid betreft, streeft het voorstel naar een passend evenwicht tussen de in het geding zijnde openbare belangen en de kostenefficiëntie van de maatregel. De eisen die aan de verschillende partijen worden gesteld, zijn nauwkeurig afgestemd. Waar mogelijk zijn de voorschriften       als minimumnorm ontworpen (bv. dagelijkse of wekelijkse liquiditeit, beperkingen in de concentratie van uitgevende instanties) en de regelgeving is zodanig afgesteld dat bestaande bedrijfsmodellen niet onnodig worden verstoord (en bijvoorbeeld voorzien in passende overgangsperioden voordat de NAV van een MMF vlottend moet worden of exploitanten de keuze laten tussen strenge kapitaalvoorschriften en het laten vlotten van de NAV van hun MMF). Bij het opstellen van deze voorschriften is met name gestreefd naar een evenwicht tussen bescherming van de beleggers, het voorkomen van grensoverschrijdende besmetting, de financiering van de Europese ondernemingen en de kosten voor de bedrijfswereld.

3.3.        Effect op grondrechten

Het voorstel kan een impact hebben op twee grondrechten van het Europees Handvest van de grondrechten, namelijk vrijheid van ondernemerschap (artikelen 16 en 22) en consumentenbescherming (artikel 38).

De doelstelling van algemeen belang die het voorstel beoogt, waardoor bepaalde beperkingen van de bovengenoemde grondrechten gerechtvaardigd zouden kunnen worden, betreft het verzekeren van integriteit van de markt en stabiliteit. Er kan sprake zijn van aantasting van de vrijheid van ondernemerschap door het nastreven van de specifieke doelstellingen wanneer het erop aankomt toereikende liquiditeit te waarborgen, het risico op besmetting te voorkomen en de belangen van de beleggers beter te verdedigen. Het voorstel is niettemin volledig in overeenstemming met de kern van dit grondrecht. De voorgestelde nieuwe regels zullen het recht op bescherming van de consument (artikel 38) in het algemeen versterken met inachtneming van de grondrechten en de beginselen die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3.4.        Nadere uitleg van het voorstel, per hoofdstuk of per artikel

Het voorstel voor een verordening inzake geldmarktfondsen (MMF's) is gestructureerd in negen hoofdstukken.

3.4.1.     Hoofdstuk V – Algemene bepalingen (artikelen 1 tot en met 6)

Hoofdstuk I bevat algemene regels, zoals het onderwerp en het toepassingsgebied van de voorgestelde regels, de definities, de vergunning van MMF’s en de interactie van de voorgestelde verordening met bestaande regels in Richtlijnen 2009/65/EG (icbe’s) en 2011/61/EU (beheerders van abi’s).

Artikel 1 omschrijft het onderwerp en het toepassingsgebied van de voorgestelde verordening, namelijk alle MMF’s die in de Unie gevestigd zijn, beheerd worden en/of in de handel worden gebracht, en verduidelijkt dat de in de verordening opgenomen voorschriften exhaustief beogen te zijn, dit wil zeggen dat zij zodanig zijn ontworpen dat zij geen ruimte laten voor verdere regulering op nationaal niveau. MMF’s zijn icbe’s of abi’s die in kortlopende financiële instrumenten beleggen en specifieke doelstellingen nastreven. Artikel 2 bevat belangrijke definities die noodzakelijk zijn voor de eenvormige toepassing van de voorgestelde verordening. Artikel 3 schrijft voor dat instellingen voor collectieve belegging uitdrukkelijk moeten worden vergund als MMF dan wel door middel van de geharmoniseerde vergunningsprocedure voor icbe’s of volgens de nieuwe bij artikel 4 ingevoerde geharmoniseerde procedure voor abi’s. Artikel 5 verleent de benaming "MMF" alleen aan fondsen die de verordening nakomen. Artikel 6 omschrijft de interacties tussen de bestaande regels voor icbe’s en beheerders van abi’s en de nieuwe MMF-verordening, hoofdzakelijk door te specifiëren dat de MMF-beheerder verantwoordelijk zal zijn voor de naleving van de verordening.

3.4.2.     Hoofdstuk II – Verplichtingen inzake het beleggingsbeleid van MMF's (artikelen 7‑20)

Hoofdstuk II bevat regels inzake het toegestane beleggingsbeleid dat door een MMF kan worden nagestreefd, zoals in aanmerking komende activa, diversificatie, concentratie en kredietkwaliteit van activa.

Artikel 7 omschrijft de betrekkingen tussen de icbe-regels inzake beleggingsbeleid en de voorgestelde regels inzake beleggingsbeleid van MMF's, rekening houdend met het feit dat de MMF-regeling een lex specialis vormt ten opzichte van de specifiek in artikel 7 omschreven regels inzake icbe’s. Artikel 8 beschrijft vier categorieën van financiële activa waarin een MMF kan beleggen: geldmarktinstrumenten, deposito’s bij kredietinstellingen, financiële derivaten en omgekeerde retrocessieovereenkomsten. Anderzijds mag een MMF niet beleggen in andere activa, baissetransacties van geldmarktinstrumenten verrichten, risico’s inzake aandelen of grondstoffen aangaan, effectenleningen opnemen of verstrekken, retrocessieovereenkomsten aangaan of geldleningen opnemen of verstrekken, omdat deze activaklassen en praktijken het liquiditeitsprofiel van een MMF zouden ondermijnen. De artikelen 9 tot en met 13 omschrijven onder welke voorwaarden de vier categorieën van activa voor belegging door een MMF in aanmerking kunnen komen. Met name artikel 13 bevat regels om ervoor te zorgen dat de zekerheid die in ruil voor een omgekeerde retrocessieovereenkomst is ontvangen, voldoende liquide is om deze indien nodig snel te kunnen verkopen.

Artikel 14 bevat nadere regels over de diversificatie van in aanmerking komende activa die elke MMF moet naleven, zoals het plafondbedrag dat één enkele uitgevende instantie kan vertegenwoordigen (als percentage van het door het MMF beheerde vermogen) en regels inzake de maximale blootstelling aan risico’s die een MMF kan aangaan ten aanzien van een enkele tegenpartij. Artikel 15 behandelt anderzijds de maximumbedragen die een MMF (belegger) kan bezitten in één enkele uitgevende instantie(beperking van concentratie). Om de automatische afhankelijkheid van externe ratings te beperken bevatten de artikelen 16 tot en met 19 nadere regels over de interne beoordeling van de kredietkwaliteit van MMF-beleggingsinstrumenten. Artikel 20 bevat de voorschriften inzake governance voor het proces van interne kredietwaardering, met name de rol van de hogere leiding.

3.4.3.     Hoofdstuk III – Verplichtingen inzake het risicobeheer van MMF's (artikelen 21-25)

Hoofdstuk III behandelt aspecten van risicobeheer, zoals het profiel van looptijd en liquiditeit van MMF-activa, het aanvragen van kredietbeoordelingen en het zogenoemde “ken uw cliënt”-beleid alsmede de stresstests die een MMF moet verrichten.

De nieuwe regels inzake gewogen gemiddelde looptijd (weighted average maturity of WAM) en gewogen gemiddelde duur (weighted average life of WAL), gecombineerd met voorschriften inzake bezit van dagelijks of wekelijkse aflopende activa, zijn belangrijke elementen die het liquiditeitsprofiel van een MMF en dus zijn capaciteit om terugbetalingsverzoeken van beleggers te voldoen, kunnen verbeteren. Artikel 21 bevat een belangrijke bepaling over het looptijdprofiel waaraan alle kortlopende MMF’s moeten voldoen. Artikel 22 bevat overeenkomstige regels voor standaard-MMF’s die in langer lopende instrumenten beleggen dan een kortlopende MMF. Standaard-MMF’s hebben verschillende looptijdlimieten, zoals WAL en WAM, en kunnen gebruik maken van een lagere drempel voor diversificatie voor beleggingen in geldmarktinstrumenten van een zelfde entiteit. Deze elementen stemmen overeen met de doelstellingen van standaard-MMF’s, namelijk dat lichtjes hogere opbrengsten dan geldmarkttarieven worden geboden. De kenmerken van deze categorie van MMF’s stroken ook met het feit dat standaard-MMF’s niet kunnen worden beheerd als CNAV MMF’s (artikel 22, lid 5) en derhalve minder vatbaar zijn voor massale uitstromen.

Artikel 23 verhindert dat een MMF een externe rating kan aanvragen of financieren en vormt dus een aanvulling op de in de artikelen 16 tot en met 19 omschreven regels over interne ratings. Artikel 24 bevat voorschriften inzake “ken-uw-cliënt”. Deze regels hebben tot doel MMF’s in staat stellen beter te anticiperen op de cycli van terugbetalingen. Artikel 25 bevat regels over stresstests.

3.4.4.     Hoofdstuk IV – Waarderingsregels (artikelen 26-28)

Hoofdstuk IV behandelt de waardering van activa van een MMF en de berekening van de intrinsieke waarde (NAV) per recht van deelneming of aandeel.

De artikelen 26 tot en met 28 bevatten regels over de wijze waarop een MMF zijn individuele beleggingsactiva moet waarderen en de NAV per eenheid of aandeel van het MMF moet worden berekend alsmede met welke frequentie beide reeksen van waarderingen moeten worden verricht. Hoewel als algemene regel de voorkeur wordt gegeven aan de waardering tegen marktwaarde, kan een MMF ook een waardering op basis van een modellenbenadering ("mark to model") gebruiken wanneer waardering tegen marktwaarde niet mogelijk is of er niet voldoende of geen kwalitatief goede gegevens voorhanden zijn. Alleen CNAV-MMF’s kunnen activa ook tegen geamortiseerde kostprijs waarderen. De methode voor de berekening van de NAV is van bijzonder belang wanneer aandelen of rechten van deelneming in een MMF worden uitgegeven of teruggekocht (artikel 26).

3.4.5.     Hoofdstuk V– Specifieke voorschriften voor CNAV MMF's (artikelen 29-34)

Hoofdstuk V bevat specifieke voorschriften voor MMF’s die hun activa tegen geamortiseerde kostprijs waarderen of een constante NAV adverteren of de constante NAV per recht van deelneming of aandeel afronden naar het dichtste percentagepunt – de zogenoemde MMF’s met constante NAV of CNAV MMF’s.

Artikel 29 bevat specifieke vergunningsvoorwaarden die alleen van toepassing zijn op MMF’s die de geamortiseerde kostprijs voor de waardering van hun activa gebruiken of een constante NAV per recht van deelneming of aandeel adverteren of de constante NAV afronden naar het dichtste percentagepunt. Deze CNAV MMF’s moeten een buffer invoeren en te allen tijde handhaven die ten minste 3 % van de totale waarde van hun activa bedraagt. Artikel 30 beschrijft de aanleg van de buffer (de "NAV-buffer”) terwijl artikel 31 de werking ervan regelt. Zeer belangrijk is het voorschrift van artikel 31 dat de NAV-buffer alleen kan worden gebruikt om het verschil tussen de constante NAV per recht van deelneming of aandeel en de “reële” waarde van een aandeel of recht van deelneming te compenseren. Daarnaast bevat artikel 31 regels over het tijdstip waarop de NAV-buffer moet worden gedebiteerd of kan worden gecrediteerd. Ten slotte bevatten de artikelen 32 tot en met 34 de verplichting de buffer aan te vullen en wordt omschreven welke gevolgen verbonden zijn aan de niet-aanvulling ervan.

3.4.6.     Hoofdstuk VI – Externe steun (artikelen 35-36)

Hoofdstuk VI bevat regels over externe steun. Het voorziet in een regel volgens welke CNAV MMF’s alleen externe steun kunnen ontvangen door middel van de NAV-buffer, terwijl het voor andere MMF’s in de regel verboden is externe steun te ontvangen.

Artikel 35 beschrijft wat begrepen moet worden onder externe steun en geeft een niet-exhaustieve opsomming van voorbeelden van externe steun. Dit artikel heeft een tweeledig doel: ervoor zorgen dat alle steun van “sponsors” aan CNAV MMF’s wordt verleend via het in artikel 31 omschreven transparante mechanisme waarbij gebruik wordt gemaakt van een vooraf opgerichte NAV-buffer of, indien sponsorsteun aan andere MMF’s wordt verleend, ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten deze steun alleen toestaan indien uitzonderlijke omstandigheden met betrekking tot de handhaving van de financiële stabiliteit de ad-hocverlening van sponsorsteun rechtvaardigen (artikel 36).

3.4.7.     Hoofdstuk VII – Transparantievereisten (artikelen 37-38)

Hoofdstuk VII bevat regels inzake transparantie wat het adverteren van MMF’s aan beleggers betreft, alsook regels inzake rapportage aan de bevoegde autoriteiten.

Artikel 37 bevat speciale transparantievereisten. Artikel 38 legt alle MMF’s rapportageverplichtingen op naast de krachtens de Richtlijnen 2009/65 en 2011/61 geldende verplichtingen.

3.4.8.     Hoofdstuk VIII – Toezicht (artikelen 39-42)

Hoofdstuk VIII bevat de toepasselijke regels inzake toezicht op MMF's: artikel 39 omschrijft de respectieve rollen van de bevoegde autoriteiten van het MMF en van de MMF-beheerder. Artikel 40 bepaalt dat de taken die de bevoegdheden die de desbetreffende autoriteiten overeenkomstig de icbe- en de abi-richtlijn bezitten, ook overeenkomstig de voorgestelde verordening moeten worden uitgeoefend. Artikel 41 heeft betrekking op de bevoegdheden van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en artikel 42 omschrijft de samenwerking tussen autoriteiten.

3.4.9.     Hoofdstuk IX — Slotbepalingen (artikelen 43-46)

Hoofdstuk IX bevat regels over de behandeling van bestaande als MMF optredende icbe’s en abi’s om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan de nieuwe regels inzake MMF's, en voorziet in een herzieningsbepaling voor de toepassing van NAV-buffers op bepaalde CNAV MMF's. Artikel 43 bepaalt met name hoe bestaande icbe’s en abi’s die aan de criteria van de definitie van een CNAV MMF voldoen, de NAV-buffer geleidelijk moeten opbouwen. Artikel 45 bepaalt dat de toepassing van NAV-buffers op CNAV MMF’s die hun portefeuille concentreren op door lidstaten uitgegeven of gewaarborgd schuldpapier, drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening moet worden herzien.

4.           GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De werkzaamheden voor de hervorming van MMF’s zijn nauw gecoördineerd met de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA). Deskundigen van de Commissie op het gebied van vermogensbeheer hebben regelmatig overlegd met hun ambtgenoten van de ESMA, zowel in het kader van de operationele werkgroep voor MMF’s als in de vaste commissie inzake diensten van vermogensbeheer, die bij de ESMA is ingesteld.

De ESMA heeft haar lopende werkzaamheden over MMF’s immers opgeschort omdat de Commissie haar voornemen bekendmaakte om wetgeving op dit gebied voor te stellen, waardoor een aantal beginselen die in bestaande richtsnoeren van het CESR (Comité van Europese effectenregelgevers) en de ESMA over MMF’s vervat lagen, in het primaire recht zouden worden opgenomen. Deze opschorting kwam er nadat de ESMA reeds van start was gegaan met een werkplan voor “alternatieve ratingmethodologieën”. De bedoeling van dit werkplan was te komen tot een vervanging van de kredietbeoordelingen over geldmarktinstrumenten door ratingbureaus. De ESMA heeft dit werkschema opgeschort in afwachting van het formele mandaat dat deze werkzaamheden zouden krijgen op basis van de voorgestelde wetgeving. Daarnaast is de ESMA in haar activiteiten ter bevordering van convergentie op het gebied van MMF’s reeds bezig met de invoering van een gegevensbank inzake toezichtpraktijken en naleving van haar bestaande richtsnoeren.

Derhalve is de ESMA reeds degelijk toegerust om het mandaat uit hoofde van de voorgestelde verordening op te nemen; de betrokken werkzaamheden waren reeds aangevangen voordat de Commissie haar voorstel inzake MMF’s indiende.

In deze omstandigheden heeft de Commissie geen gevolgen voor de EU-begroting kunnen aanwijzen. Derhalve zullen voor de ESMA geen bijkomende financiering en geen extra personeelsleden noodzakelijk zijn om de taken te vervullen waarmee zij bij de voorgestelde wetgeving zal worden belast, namelijk het ontwikkelen van een alternatieve ratingmethodologie en het invoeren van een database van goedgekeurde MMF's. Zoals hierboven aangehaald, maken deze taken reeds deel uit van gevestigde werkstromen binnen de ESMA.

De werkzaamheden om operationele regels op het gebied van MMF’s te bepalen, vallen bovendien al binnen het bestaande takenpakket van de ESMA. In het kader van haar algemene taak van toezicht op en bevordering van convergentie in de regelgeving op het gebied van icbe’s heeft de ESMA reeds personeelsleden ingezet om instrumenten te ontwikkelen voor beleid en toezicht inzake MMF’s als speciale categorie van fondsen die ofwel als icbe’s ofwel als abi’s worden gereguleerd.

In het kader van dit streven heeft de CESR, als voorganger van de ESMA, in mei 2010 omstandige richtsnoeren over MMF’s uitgebracht (CESR 10/049).

In 2012 heeft de ESMA met de inzet van omvangrijke middelen een peer review gehouden waarin is nagegaan hoe de lidstaten de richtsnoeren in de praktijk hebben toegepast (12 lidstaten pasten de richtsnoeren toe terwijl 8 deze niet in hun regelgevingspraktijk hadden omgezet).

In 2013 werden de MMF-richtsnoeren aangevuld met een uitgebreid vragenforum.

2013/0306 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake geldmarktfondsen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[2],

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)       Geldmarktfondsen (geldmarktfondsen of MMF's) verstrekken financiering op korte termijn aan financiële instellingen, ondernemingen of overheden. Door financiering aan deze entiteiten te verstrekken dragen geldmarktfondsen bij aan de financiering van de Europese economie.

(2)       Aan de vraagzijde zijn MMF’s instrumenten voor beheer op korte termijn van kasmiddelen waarmee een hoge graad van liquiditeit, diversificatie, stabiliteit van waarde van het belegde kapitaal gecombineerd met marktopbrengsten wordt geboden. MMF’s worden hoofdzakelijk gebruikt door ondernemingen die hun overschot aan kasmiddelen wensen te beleggen voor een korte termijn. MMF’s vormen derhalve een cruciale verbinding waarin vraag en aanbod van kortetermijnmiddelen samenkomen.

(3)       Uit de gebeurtenissen die tijdens de financiële crisis plaatsvonden, is gebleken dat MMF’s een aantal kenmerken bezitten die hen kwetsbaar maken wanneer de financiële markten in moeilijkheden zijn en die daardoor de risico’s in het financiële stelsel kunnen verspreiden of versterken. Wanneer de prijzen van de activa waarin de MMF’s belegd zijn, een neerwaartse trend vertonen, vooral in onzekere marktsituaties, kunnen MMF’s niet altijd de verbintenis nakomen dat zij onmiddellijk zullen terugbetalen en de waarde van het door het MMF aan de belegger afgegeven aandeel of recht van deelneming zullen veiligstellen. Deze situatie kan massale en plotselinge verzoeken om terugbetaling op gang brengen, hetgeen potentieel bredere macro-economische gevolgen kan hebben.

(4)       Massale terugbetalingsverzoeken dwingen MMF’s een deel van hun beleggingsactiva te verkopen op een krimpende markt, waardoor een liquiditeitscrisis wordt aangezwengeld. In deze omstandigheden kunnen instanties op de geldmarkt zware financieringsmoeilijkheden ondervinden indien de markt van commercial papers en andere geldmarktinstrumenten opdroogt. Besmetting van de markt voor kortetermijnfinanciering kan dan ook rechtstreekse en aanzienlijke moeilijkheden opleveren voor de financiering van financiële instellingen, ondernemingen en overheden en dus van de economie.

(5)       Vermogensbeheerders, die daarbij door sponsors worden geholpen, kunnen besluiten discretionaire steun te verlenen om de liquiditeit en de stabiliteit van hun MMF’s te vrijwaren. Sponsors zien zich vaak gedwongen hun gesponsorde MMF’s te ondersteunen wanneer zij waarde verliezen ten gevolge van het reputatierisico en zij zijn bang dat de paniek zich over de andere activiteiten van de sponsor zou kunnen verspreiden. Naargelang van de omvang van het fonds en de intensiteit van de druk ten gevolge van de terugbetalingen kan de sponsorsteun afmetingen aannemen die hun onmiddellijk beschikbare reserves te boven gaan. Het is dan ook belangrijk te voorzien in een kader van eenvormige regels om faling van de sponsor en het besmettingsgevaar voor andere sponsors van MMF's te voorkomen.

(6)       Om de integriteit en stabiliteit van de interne markt te bewaren door de veerkracht van MMF’s te bevorderen en door besmettingskanalen af te sluiten, moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de werking van MMF's en met name de samenstelling van de portefeuille van MMF's. Er zijn in heel de Unie eenvormige regels nodig die ervoor moeten zorgen dat MMF’s vooral in onzekere marktsituaties beleggers onmiddellijk kunnen terugbetalen. Er zijn ook eenvormige regels inzake de portefeuille van een geldmarktfonds nodig om ervoor te zorgen dat MMF’s het hoofd kunnen bieden aan massale en plotselinge terugbetalingsverzoeken van een grote groep beleggers.

(7)       Verder zijn er eenvormige regels nodig om te zorgen voor een vlotte werking van de markt voor kortetermijnfinanciering van financiële instellingen, ondernemingen die kortlopende schuldpapieren uitgeven, en overheden. Dergelijke regels zijn noodzakelijk om MMF-beleggers een gelijke behandeling te geven en te vermijden dat late terugkopers bijkomend ongemak moeten verdragen wanneer de terugbetalingen tijdelijk opgeschort zijn of wanneer het MMF geliquideerd wordt.

(8)       Er moet worden gezorgd voor een harmonisering van de prudentiële vereisten met betrekking tot MMF’s door middel van duidelijke voorschriften waardoor in heel de Unie directe verplichtingen worden opgelegd aan MMF’s en de beheerders daarvan. Hiermee wordt een stimulans gegeven aan MMF’s als bron van kortetermijnfinanciering voor de publieke en de particuliere sector in heel de Unie. Voorts wordt ervoor gezorgd dat MMF’s voor de ondernemingen van de Unie die behoefte hebben aan kasbeheer, een betrouwbaar instrument blijven.

(9)       De MMF-richtsnoeren die door het Comité van Europese effectenregelgevers (CEER) waren aangenomen om gelijke concurrentievoorwaarden voor MMF’s in de Unie tot stand te brengen, waren één jaar na de inwerkingtreding ervan slechts door 12 lidstaten ten uitvoer gelegd, wat erop wijst dat de diverse nationale regels hardnekkig blijven bestaan. Zoals de financiële crisis duidelijk heeft gemaakt, is het met onderling verschillende nationale regelingen niet mogelijk de kwetsbare punten van de geldmarkten van de Unie aan te pakken en de risico’s voor besmetting te beperken, hetgeen de werking en de stabiliteit van de interne markt in gevaar brengt. Deze gemeenschappelijke regels inzake MMF’s moeten beleggers daarom een hoog niveau van bescherming bieden en moeten elk potentieel gevaar voor besmetting ten gevolge van een mogelijke “run” van beleggers op het fonds voorkomen en beperken.

(10)     Indien er geen verordening met regels voor MMF’s zou bestaan, zouden op nationaal vlak verder nog uiteenlopende regelingen worden vastgesteld die de concurrentie aanzienlijk blijven verstoren door grote verschillen in de basisbescherming voor beleggers. Uiteenlopende voorschriften inzake samenstelling van de portefeuille, in aanmerking komende activa, looptijden, liquiditeit en diversificatie, alsmede inzake kredietwaardigheid van uitgevende instanties van geldmarktinstrumenten leiden tot verschillende niveaus van bescherming voor de belegger omdat er verschillen bestaan in het risiconiveau dat aan het op het geldmarktfonds gebaseerde beleggingsvoorstel verbonden is. Het gebrek aan strikte gemeenschappelijke regels voor MMF’s op de interne markt staat een eenvormige bescherming van beleggers in de weg waardoor deze beleggers zich ertoe aangespoord zullen voelen hun belegde vermogen terug te kopen en zo een “run” op het beleggingsfonds op gang brengen. Het is daarom belangrijk, door een eenvormige reeks regels vast te stellen, besmetting op de markt van kortlopende financiering en verder ook ten aanzien van de sponsors van het MMF te voorkomen, hetgeen de stabiliteit van de financiële markt van de Unie ernstig in gevaar zou brengen.

(11)     De nieuwe regels voor MMF’s zijn nauw verbonden met Richtlijn 2009/65/EG[3] en Richtlijn 2011/61/EU[4], aangezien hiermee het wettelijke kader voor de oprichting, het beheer en de verhandeling van MMF’s in de Unie wordt gevormd.

(12)     In de Unie kunnen instellingen voor collectieve belegging worden geëxploiteerd als instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) onder het beheer van icbe-beheerders of beleggingsinstellingen die krachtens Richtlijn 2009/65/EG een vergunning daartoe hebben gekregen, of als alternatieve beleggingsinstellingen (abi’s) welke onder het beheer staan van een beheerder van dergelijke instellingen, die krachtens Richtlijn 2011/61/EU een vergunning of een inschrijving daarvoor heeft gekregen. De nieuwe regels voor MMF’s moeten de bepalingen van deze richtlijnen aanvullen. De nieuwe eenvormige regels inzake MMF’s moeten bijgevolg gelden naast die welke in de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU zijn vastgesteld. Tegelijkertijd moet een aantal regels betreffende het beleggingsbeleid van icbe’s waarin hoofdstuk VII van Richtlijn 2009/65/EG heeft voorzien, uitdrukkelijk buiten toepassing worden gelaten en moeten in deze nieuwe eenvormige regels voor MMF's specifieke productregels worden vastgesteld.

(13)     Op instellingen voor collectieve belegging waarvan de kenmerken overeenstemmen met die van een MMF, moeten geharmoniseerde regels van toepassing zijn. Icbe’s en abi’s die in kortlopende activa zoals geldmarktinstrumenten of deposito’s beleggen, of omgekeerde retrocessieovereenkomsten of bepaalde derivatenovereenkomsten aangaan met als enig doel risico’s met betrekking tot andere beleggingen van het fonds af te dekken, en die het oogmerk hebben een rendement te bieden dat overeenstemt met geldmarkttarieven, of de waarde van het instrument te vrijwaren, zijn verplicht de nieuwe regels inzake MMF’s in acht te nemen.

(14)     Het specifieke karakter van MMF’s vloeit voort uit een combinatie van de activa waarin wordt belegd en de doelstellingen die hiermee worden nagestreefd. De doelstelling om een rendement in overeenstemming met geldmarkttarieven te bieden en de doelstelling om de waarde van de belegging te vrijwaren, hoeven elkaar niet uit te sluiten. Een MMF kan één van deze doelstellingen dan wel beide doelstellingen samen nastreven.

(15)     De doelstelling om rendement in overeenstemming met geldmarkttarieven te bieden dient in ruime zin te worden begrepen. De rendementsverwachting hoeft niet perfect overeen te stemmen met EONIA, Libor, Eurobor of andere relevante geldmarkttarieven. Wanneer als doelstelling geldt het geldmarkttarief met een kleine marge te overtreffen, mag daarbij niet worden aangenomen dat de icbe of de abi aan de toepassing van de nieuwe eenvormige regels wordt onttrokken.

(16)     Het doel van vrijwaring van de waarde van een belegging mag niet worden begrepen als een kapitaalgarantie waartoe het fonds zich zou verbinden. Het dient te wordt begrepen als een oogmerk dat de icbe of abi wenst na te streven. Een daling in waarde van de beleggingen mag niet betekenen dat de instelling voor collectieve belegging de doelstelling inzake vrijwaring van de waarde van een belegging heeft veranderd.

(17)     Het is belangrijk dat icbe’s en abi’s met de kenmerken van MMF’s als MMF worden aangemerkt en dat uitdrukkelijk wordt gecontroleerd of zij in staat zijn de nieuwe eenvormige regels permanent na te leven. Daarom moeten vergunningen aan MMF’s door bevoegde autoriteiten worden verleend. Voor icbe’s moet de vergunning als MMF deel uitmaken van de vergunning als icbe in overeenstemming met de in Richtlijn 2009/65/EG voorgeschreven geharmoniseerde procedures. Wat betreft abi’s, die niet aan geharmoniseerde procedures voor vergunning en toezicht uit hoofde van Richtlijn 2011/61/EU zijn onderworpen, moet worden gezorgd voor gemeenschappelijke basisregels inzake vergunning die nauw corresponderen met de bestaande geharmoniseerde regels voor icbe’s. Dergelijke procedures moeten ervoor zorgen dat een abi met een vergunning als MMF een beheerder van een abi heeft die over een vergunning beschikt uit hoofde van Richtlijn 2011/61/EU.

(18)     Om te verzekeren dat alle instellingen voor collectieve belegging die de kenmerken van een MMF vertonen, aan de nieuwe gemeenschappelijke regels inzake MMF’s zijn onderworpen, moet het gebruik van de benaming “MMF” of van elke andere term die suggereert dat een instelling voor collectieve belegging de kenmerken van een MMF zou bezitten, worden verboden tenzij aan deze verordening is voldaan. Om te voorkomen dat de MMF-regels worden omzeild, moeten de bevoegde autoriteiten toezicht houden op de marktpraktijken van instellingen voor collectieve belegging die in hun rechtsgebied zijn gevestigd of daar worden verhandeld, om na te gaan of zij de MMF-benaming niet misbruiken of de indruk wekken een MMF te zijn zonder dat zij aan het nieuwe regelgevingskader voldoen.

(19)     De nieuwe regels die op MMF's van toepassing zijn, moeten voortbouwen op het bestaande regelgevingskader dat is ingevoerd bij de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU en de uitvoeringshandelingen daarvan. De productregels betreffende MMF’s moeten derhalve van toepassing zijn naast die welke de in de bestaande Uniewetgeving zijn vastgesteld, tenzij deze uitdrukkelijk buiten toepassing worden gelaten. Voorts moeten de in het bestaande kader geldende regels inzake beheer en verhandeling van toepassing zijn op MMF’s en daarbij rekening houden met hun aard als icbe of abi. Op dezelfde manier moeten de in Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU neergelegde regels inzake grensoverschrijdende verlening van diensten en vrijheid van vestiging dienovereenkomstig van toepassing zijn op de grensoverschrijdende activiteiten van MMF's.

(20)     Aangezien icbe’s en abi’s verschillende rechtsvormen kunnen aannemen zonder dat zij hiermee rechtspersoonlijkheid verkrijgen, moeten de bepalingen die MMF’s verplichte handelingen opleggen, worden geacht betrekking te hebben op de MMF-beheerder in gevallen waarin het MMF is opgericht als een icbe of een abi die niet in staat is zelf te handelen omdat zij zelf geen rechtspersoonlijkheid heeft.

(21)     In de regels over de portefeuille van MMF’s moet duidelijk worden bepaald welke categorieën van activa voor belegging door MMF's in aanmerking kunnen komen en onder welke voorwaarden deze in aanmerking komen. Om de integriteit van MMF’s te verzekeren is het ook wenselijk een MMF te verbieden bepaalde financiële transacties aan te gaan die zijn beleggingsstrategie en ‑doelstellingen in gevaar zouden brengen.

(22)     Geldmarktinstrumenten zijn verhandelbare instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt verhandeld worden, zoals schatkistbiljetten, kortlopend papier van lokale overheden, depositocertificaten, commercial paper, bankaccepten of verhandelbaar papier over middellange of korte termijn. Deze kunnen voor belegging door MMF’s alleen in aanmerking komen indien zij voldoen aan beperkingen inzake looptijd en door het MMF beschouwd worden als activa met een hoge kredietwaardigheid.

(23)     Door activa gedekt commercial paper (ABCP) moet worden geacht in aanmerking te komen als geldmarktinstrument voor zover het voldoet aan aanvullende vereisten. Omdat bepaalde securitisaties tijdens de crisis bijzonder onstabiel waren, moeten aan de onderliggende activa begrenzingen van de looptijd en kwaliteitscriteria worden opgelegd. Niet alle categorieën van onderliggende activa mogen in aanmerking komen omdat sommige meer met instabiliteit werden geconfronteerd dan andere. Om die reden moeten de onderliggende activa uitsluitend samengesteld worden uit door ondernemingen in het kader van hun bedrijfsactiviteiten uitgegeven kortlopende schuldinstrumenten, zoals handelsvorderingen. Instrumenten zoals autoleningen en ‑leases, leases van uitrusting, consumentenleningen, woninghypotheken, creditcardvorderingen of enig ander soort instrumenten die betrekking hebben op de verkrijging of financiering van diensten of goederen door consumenten, mogen niet in aanmerking komen. De ESMA moet worden belast met het opstellen van ontwerpen van technische uitvoeringsnormen, die aan de Commissie zullen worden voorgelegd, met betrekking tot de voorwaarden en de omstandigheden waaronder de onderliggende vorderingen of pool van vorderingen geacht worden uitsluitend te bestaan uit bedrijfsschuldpapier, en tot de voorwaarden en benchmarks om vast te stellen wanneer bedrijfsschuldpapier een hoge kredietkwaliteit en liquiditeit heeft.

(24)     Een MMF mag alleen in deposito’s beleggen voor zover het fonds in staat is het geld te allen tijde terug te trekken. De daadwerkelijke mogelijkheid tot terugtrekking zou worden belemmerd indien de boeten die aan vroegtijdige terugtrekking verbonden zijn, zo hoog zijn dat zij meer bedragen dan de opgelopen rente vóór de intrekking. Om deze reden moet een MMF zich ervoor hoeden geen deposito’s te beleggen bij een kredietinstelling die een hoger dan gemiddelde boete oplegt, of te langdurige deposito’s aan te gaan die tot te hoge boetes zouden leiden.

(25)     Voor belegging door MMF’s in aanmerking komende derivaten mogen alleen dienen om rentevoetrisico’s en valutarisico’s af te dekken en mogen als onderliggend instrument alleen gebruik maken van rentevoeten, valutakoersen of indexen die deze categorieën vertegenwoordigen. Elk gebruik van derivaten voor andere doeleinden of op basis van andere onderliggende instrumenten moet worden verboden. Derivaten mogen alleen worden gebruikt als aanvulling van de strategie van het fonds en niet als belangrijkste instrument om de doelstellingen van het fonds te bereiken. Indien een MMF een belegging zou doen in activa die in een andere munteenheid dan de munteenheid van het fonds zijn uitgedrukt, wordt verwacht dat de MMF-beheerder de blootstelling aan het valutarisico volledig afdekt, onder meer via derivaten.

(26)     Omgekeerde retrocessieovereenkomsten kunnen door een MMF worden gebruikt als een manier om overtollige kasmiddelen op zeer korte termijn te lenen, op voorwaarde dat de positie volledig met onderpand is gedekt. Om de belangen van de beleggers te beschermen moet ervoor worden gezorgd dat het in het kader van een omgekeerde retrocessieovereenkomst verleende onderpand van hoge kwaliteit is. Alle andere efficiënte technieken voor portefeuillebeheer, met inbegrip van het opnemen en verstrekken van effectenleningen, mogen door het MMF niet worden gebruikt omdat zij inbreuk zouden kunnen maken op de beleggingsdoelstellingen van het MMF.

(27)     Om het nemen van risico’s door MMF’s in te dijken moet het tegenpartijrisico worden beperkt door MMF's duidelijke verplichtingen op te leggen met betrekking tot de diversificatie van hun portefeuille. Met dit doel voor ogen is hen dan ook noodzakelijk dat omgekeerde retrocessieovereenkomsten volledig door onderpand worden gedekt en dat ter beperking van het operationele risico één tegenpartij van een omgekeerde retrocessieovereenkomst niet meer dan 20 % van de activa van het MMF mag vertegenwoordigen. Op alle over-the-counterderivaten (otc-derivaten) moet Verordening (EU) nr. 648/2012[5] van toepassing zijn.

(28)     Om prudentiële redenen en om te vermijden dat een MMF invloed van betekenis kan uitoefenen op de bedrijfsvoering van een uitgevende instelling, moet een buitensporige concentratie van beleggingen van een MMF in één uitgevende instantie worden voorkomen.

(29)     Het MMF hoort te beleggen in activa van hoge kwaliteit die daartoe in aanmerking komen. Daarom moet een MMF over een zorgvuldige en strenge procedure van interne beoordeling beschikken om de kredietwaardigheid te bepalen van de geldmarktinstrumenten waarin het fonds voornemens is te beleggen. In overeenstemming met de wetgeving van de Unie om overmatig vertrouwen in kredietratings tegen te gaan, moeten MMF’s bij de beoordeling van de kwaliteit van in aanmerking komende activa vermijden mechanisch te vertrouwen op ratings van ratingbureaus. Daarom moet het MMF een intern ratingsysteem opzetten dat gebaseerd is op een geharmoniseerde ratingschaal en een interne beoordelingsprocedure.

(30)     Om te voorkomen dat MMF-beheerders voor de evaluatie van het kredietrisico van een geldmarktinstrument verschillende beoordelingscriteria gebruiken en derhalve verschillende risicokenmerken toeschrijven aan hetzelfde instrument, moet ervoor worden gezorgd dat beheerders op dezelfde criteria vertrouwen. Daarom moeten de ratingcriteria duidelijk gedefinieerd en geharmoniseerd zijn. Voorbeelden van interne ratingcriteria zijn kwantitatieve metingen met betrekking tot de uitgevende instelling, zoals de financiële ratio’s, de tendens in de balans, richtsnoeren met betrekking tot rentabiliteit, te beoordelen en te vergelijken met die van soortgelijke ondernemingen en groepen van ondernemingen; kwalitatieve metingen met betrekking tot de uitgevende instelling, zoals de effectiviteit van het beheer, de ondernemingsstrategie, die moeten worden geanalyseerd om te kunnen uitmaken of de algemene strategie van de uitgevende instantie geen afbreuk doet aan haar toekomstige kredietkwaliteit. De hoogste interne ratings moeten weergeven dat de kredietwaardigheid van de instantie die de instrumenten uitgeeft, te allen tijde op de hoogst mogelijke niveaus blijft.

(31)     Om een transparant en coherent intern ratingsysteem te ontwikkelen moet de beheerder de voor de interne beoordeling gebruikte procedures nader omschrijven. Op die manier wordt ervoor gezorgd dat de procedure een duidelijke reeks regels volgt die gecontroleerd kunnen worden en dat de gebruikte methoden op verzoek van de belangstellende partijen bekend worden gemaakt.

(32)     Om het portefeuillerisico van het MMF te beperken moeten beperkingen in de looptijd worden ingevoerd in de vorm van een maximaal toegelaten gewogen gemiddelde looptijd (“weighted average maturity” of WAM) en gewogen gemiddelde duur (“weighted average life” of WAL).

(33)     De WAM wordt gebruikt om de gevoeligheid van een MMF voor veranderende geldmarktrentevoeten te meten. Bij de vaststelling van de WAM moeten beheerders rekening houden met de impact van derivaten, deposito’s en omgekeerde retrocessieovereenkomsten en het effect daarvan weergeven op het renterisico van het MMF. Wanneer een MMF wordt opgenomen in een swapverrichting om blootgesteld te worden aan een vastrentend instrument in plaats van een instrument met vlottende rentevoet, moet daarmee rekening worden gehouden bij het vaststellen van de WAM.

(34)     De WAL wordt gebruikt om het kredietrisico te meten, aangezien het kredietrisico hoger wordt naarmate de terugbetaling van de hoofdsom langer wordt uitgesteld. WAL wordt ook gebruikt om het liquiditeitsrisico te beperken. In tegenstelling tot de berekening van de WAM staat de berekening van de WAL voor effecten met variabele rente en gestructureerde financiële instrumenten het niet toe renteherzieningsdata te gebruiken en wordt in plaats daarvan alleen de gestelde eindvervaldatum van een financieel instrument gebruikt. De looptijd die voor de berekening van de WAL wordt gebruikt, is de resterende looptijd tot de wettelijke terugbetaling aangezien dit de enige datum is waarvoor de beheersonderneming zeker kan zijn dat het instrument terugbetaald wordt. Specifieke eigenschappen van een instrument, zoals de mogelijkheid om terug te kopen op specifieke gegevens, de zogenoemde put-opties, kunnen niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de WAL.

(35)     Om MMF’s beter te wapenen in het geval van verzoeken om terugbetaling en om te voorkomen dat hun activa tegen sterk verminderde prijzen worden geliquideerd, moeten zij permanent een minimumbedrag aan liquide activa met looptijd van een dag of een week aanhouden. Om de hoeveelheid dagelijks en wekelijks vervallende activa te berekenen, moet de wettelijke dag van terugbetaling van het activum worden gebruikt. De mogelijkheid voor de beheerder om een contract op korte termijn op te zeggen, kan in aanmerking worden genomen. Indien een omgekeerde retrocessieovereenkomst bijvoorbeeld met een termijn van één dag kan worden opgezegd, moet deze worden gerekend als een dagelijks vervallende belegging. Indien de beheerder de mogelijkheid heeft geld van een depositorekening met een opzeggingstermijn van één dag op te nemen, geldt dit als een dagelijks vervallende belegging.

(36)     Aangezien MMF’s in activa met uiteenlopende looptijden kunnen beleggen, moeten beleggers een onderscheid kunnen maken tussen verschillende categorieën van MMF's. Daarom moeten MMF’s ingedeeld worden in kortlopende MMF’s of standaard-MMF's. Kortlopende MMF’s beogen een rendement aan geldmarkttarieven te bieden en verzekeren tegelijkertijd het hoogst mogelijke niveau van veiligheid voor de belegger. Met een korte WAM en WAL blijven het durationrisico en het kredietrisico van kortlopende MMF’s beperkt.

(37)     Standaard-MMF’s beogen een rendement te bieden dat lichtjes hoger is dan het rendement op de geldmarkt en beleggen om die reden in activa die een verlengde looptijd hebben. Om deze hogere prestatie te bereiken moet deze categorie van MMF’s verder gebruik kunnen maken van verhoogde grenzen voor het portefeuillerisico zoals de gewogen gemiddelde looptijd en de gewogen gemiddelde duur.

(38)     Volgens de regels van artikel 84 van Richtlijn 2009/65/EG kunnen beheerders van icbe-MMF’s in uitzonderlijke gevallen waarin de omstandigheden dit vereisen, tijdelijk terugbetalingen opschorten. Volgens de regels van artikel 16 van Richtlijn 2011/61/EU en artikel 47 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013[6], kunnen abi-beheerders bijzondere regelingen gebruiken om problemen inzake gebeurlijke illiquiditeit van de activa van het fonds aan te pakken.

(39)     Het is belangrijk dat het risicobeheer van MMF’s niet vertekend wordt door kortetermijnbeslissingen onder invloed van een mogelijke rating van het MMF. Derhalve moet het voor een MMF of de beheerder van het fonds verboden zijn ratingbureau te verzoeken om een rating van het MMF, om te vermijden dat deze externe rating gebruikt wordt voor marketingdoeleinden. Het MMF of de beheerder moet zich ook onthouden van het gebruik van andere methoden om een rating van het MMF te verkrijgen. Indien aan het MMF een externe rating wordt verleend, op eigen initiatief van het ratingbureau of op verzoek van een derde partij die onafhankelijk van het MMF of de beheerder staat en niet namens een van hen optreedt, mag de MMF-beheerder niet vertrouwen op criteria die aan deze externe rating verbonden zouden zijn. Om passend liquiditeitsbeheer te verzekeren moeten MMF’s degelijke beleidsmaatregelen en procedures invoeren waardoor zij hun beleggers leren kennen. De beleidsmaatregelen die de beheerder moet opstellen, moeten bijdragen tot een begrip van de beleggersbasis van het MMF zodat geanticipeerd kan worden op omvangrijke terugbetalingen. Om te voorkomen dat een MMF af te rekenen zou krijgen met plotselinge en massale terugbetalingen, moet bijzondere aandacht worden geschonken aan grote beleggers die een aanzienlijk deel van de activa van het MMF vertegenwoordigen, of ook wanneer er één belegger is die meer dan het aandeel van dagelijks vervallende activa vertegenwoordigt. In dat geval moet het MMF zijn hoeveelheid dagelijks vervallende activa verhogen naargelang van het gewicht dat deze belegger vertegenwoordigt. De beheerder dient wanneer die mogelijkheid bestaat, te kijken naar de identiteit van de beleggers, zelfs indien zij vertegenwoordigd worden door derdenrekeningen, portalen of andere indirecte kopers.

(40)     Als onderdeel van een zorgvuldig risicobeheer moeten MMF’s regelmatig stresstests verrichten. Wanneer de resultaten van de stresstest zwakke punten aan het licht brengen, worden MMF-beheerders geacht op te treden om de robuustheid van het MMF te versterken.

(41)     Om de reële waarde van activa weer te geven moet voor de waardering van de activa van een MMF bij voorkeur gebruik worden gemaakt van de methode van waardering tegen marktwaarde. Een beheerder mag geen gebruik maken van de waardering op basis van een modellenbenadering wanneer de waardering tegen marktwaarde een betrouwbare waarde van het activum oplevert, aangezien de modellenbenadering vatbaar is voor minder nauwkeurige waarderingen. Activa zoals schatkistcertificaten en kortlopend papier van lokale overheden alsmede verhandelbaar papier over middellange of korte termijn worden in het algemeen geacht een betrouwbare waardering tegen marktwaarde op te leveren. Om commercial paper of depositocertificaten te waarderen moet de beheerder nagaan of er op de secundaire markt nauwkeurige prijzen beschikbaar zijn. De door de uitgevende instantie aangeboden opkoopprijs moet eveneens worden geacht een goede raming te vertegenwoordigen van de waarde van het commercial paper. In alle andere gevallen moet de beheerder de waarde schatten, bijvoorbeeld door gebruik te maken van marktgegevens zoals de opbrengst van vergelijkbare uitgiften en vergelijkbare uitgevende instanties.

(42)     MMF’s met een constante intrinsieke waarde (CNAV of Constant Net Asset Value), hierna CNAV MMF's genoemd, hebben tot doel het kapitaal van de belegging te vrijwaren en tegelijkertijd een hoge graad van liquiditeit te verzekeren. De meeste CNAV MMF’s hebben een NAV per reeks deelnemingsrechten of aandelen, bijvoorbeeld tegen 1 EUR, 1 USD of 1 GBP, wanneer zij het inkomen onder de beleggers verdelen. De andere accumuleren inkomen in de NAV van het fonds en handhaven de intrinsieke waarde van het vermogen op een constant bedrag.

(43)     Om de specifieke eigenschappen van CNAV MMF’s aan bod te laten komen moet het mogelijk zijn dat CNAV MMF’s ook gebruik maken van de geamortiseerde kostprijs als boekhoudmethode om de constante intrinsieke waarde (NAV) per recht van deelneming of aandeel te bepalen. Om te allen tijde controle te houden op het verschil tussen de constante NAV per recht van deelneming of aandeel en de NAV per recht van deelneming of aandeel, moet niettemin voor een CNAV MMF de waarde van zijn activa ook worden berekend op basis van de waardering tegen marktwaarde of op basis van de modellenbenadering.

(44)     Aangezien een MMF een NAV moet bekendmaken die alle bewegingen in de waarde van zijn activa weergeeft, moet de bekendgemaakte NAV ten hoogste worden afgerond naar het dichtstbijzijnde basispunt of het equivalent daarvan. Wanneer de NAV in een specifieke munteenheid, bijvoorbeeld 1 EUR, wordt bekendgemaakt, moet de incrementele verandering in waarde om de 0,0001 EUR worden verricht. In het geval van een NAV tegen 100 EUR moet de incrementele verandering om de 0,01 EUR worden verricht. Alleen indien het om een CNAV MMF gaat, kan het MMF een prijs bekendmaken die de bewegingen in de waarde van zijn activa niet volledig volgt. In dit geval kan de NAV worden afgerond op de dichtstbijzijnde cent voor een NAV tegen 1 EUR (elke beweging van 0,01 EUR).

(45)     Om in staat te zijn de dagelijkse schommelingen in de waarde van de activa van een CNAV MMF op te vangen en het zo mogelijk te maken dat een constante NAV per recht van deelneming of aandeel wordt geboden, moet het CNAV MMF te allen tijde een buffer aanhouden die ten minste 3 % van zijn activa bedraagt. De NAV-buffer moet dienen als een schokdempermechanisme om de NAV constant te houden. Alle verschillen tussen de constante NAV per recht van deelneming of aandeel en de NAV per recht van deelneming of aandeel moeten worden geneutraliseerd door gebruik van de NAV-buffer. In gespannen marktsituaties waarin de verschillen snel kunnen oplopen, moet een procedure ervoor zorgen dat de hele beheersketen erbij betrokken wordt. Deze escalatieprocedure moet de leidinggevende organen in staat stellen snel remediërende actie te ondernemen.

(46)     Aangezien een CNAV MMF dat de NAV-buffer niet op het vereiste niveau houdt, niet in staat is een constante NAV per recht van deelneming of aandeel aan te houden, moet het de NAV laten vlotten en ophouden een CNAV MMF te zijn. Wanneer het bedrag van de NAV-buffer ondanks het gebruik van de escalatieprocedure gedurende één maand met 10 basispunten onder de vereiste 3 % blijft, moet het CNAV MMF zich derhalve automatisch omvormen tot een MMF dat geen gebruik mag maken van de geamortiseerde kostprijsberekening of niet mag afronden op het dichtstbijzijnde percentagepunt. Indien een autoriteit vóór het einde van de termijn van een maand waarin de middelen kunnen worden aangevuld, aanvaardbare redenen heeft om te kunnen aantonen dat het CNAV MMF niet in staat is de buffer aan te vullen, moet zij de bevoegdheid hebben het CNAV MMF om te vormen tot een ander MMF. De NAV-buffer is het enige vehikel waardoor externe steun aan een CNAV MMF kan worden verleend.

(47)     Externe steun aan een ander MMF dan een CNAV MMF met de bedoeling liquiditeit of stabiliteit van het MMF te verzekeren of die de facto dergelijke gevolgen heeft, verhoogt het risico op besmetting tussen de MMF-sector en de rest van de financiële wereld. Derden die deze steun verlenen, hebben een belang daarbij, ofwel omdat zij een economisch belang hebben in de beheersvennootschap die het MMF beheert, ofwel zij reputatieschade wensen te voorkomen ingeval hun naam geassocieerd wordt met het in gebreke blijvende MMF. Omdat deze derden er zich niet uitdrukkelijk toe verbinden de steun te verstrekken of te garanderen, bestaat onzekerheid of deze steun zal worden verleend wanneer het MMF daaraan behoefte heeft. In deze omstandigheden draagt de discretionaire aard van de sponsorsteun bij aan de onzekerheid onder marktdeelnemers over de vraag wie de verliezen van het MMF zal dragen wanneer deze zich voordoen. Deze onzekerheid kan een MMF zelfs nog kwetsbaarder maken voor een run op het fonds in tijden van financiële instabiliteit waarin de ruimere financiële risico's het meest uitgesproken zijn en er bezorgdheid ontstaat over de gezondheid van de sponsors en hun bekwaamheid om steun aan de aangesloten MMF’s te verlenen. Om deze redenen mogen MMF’s niet vertrouwen op externe steun om hun liquiditeit en de stabiliteit van hun NAV per recht van deelneming of aandeel te bewaren, tenzij de bevoegde autoriteit van het MMF de externe steun specifiek heeft toegestaan om de stabiliteit van de financiële markten te bewaren.

(48)     Beleggers moeten voordat zij in een MMF beleggen, duidelijk worden geïnformeerd over de aard van het MMF, of het om een kortlopende dan wel om een standaard-MMF gaat en of het al dan niet een CNAV MMF betreft. Om misplaatste verwachtingen van de belegger te vermijden moet in elke reclamemededeling ook duidelijk worden vermeld dat MMF’s geen gewaarborgd beleggingsvehikel zijn. CNAV MMF’s moeten beleggers duidelijk uitleggen hoe zij het buffermechanisme gebruiken om een constante NAV per recht van deelneming of aandeel te handhaven.

(49)     Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de risico’s op de MMF-markt op te sporen, te volgen en te beantwoorden, moeten de MMF’s hun een omstandige lijst van gegevens verstrekken, naast de krachtens Richtlijn 2009/65/EG of Richtlijn 2011/61/EU reeds verplicht gestelde rapportage. De bevoegde autoriteiten moeten deze gegevens in heel de Unie op consistente wijze verzamelen om zo een degelijke kennis van de voornaamste ontwikkelingen op de MMF-markt te verkrijgen. Om een collectieve analyse van mogelijke gevolgen voor de MMF-markt in de Unie te vergemakkelijken moeten deze gegevens worden doorgezonden naar de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), die een centrale gegevensbank voor MMF’s zal oprichten.

(50)     De bevoegde autoriteit van het MMF moet nagaan of een MMF in staat is deze verordening permanent na te leven. De bevoegde autoriteiten beschikken reeds over ruime bevoegdheden krachtens de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EG. Het is dan ook noodzakelijk dat deze bevoegdheden worden uitgebreid en uitgeoefend kunnen worden met betrekking tot de nieuwe gemeenschappelijke regels inzake MMF's. De bevoegde autoriteiten voor icbe’s en abi’s moeten ook nagaan of deze regels worden nageleefd door alle instellingen voor collectieve belegging met kenmerken van MMF’s die ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening bestonden.

(51)     De Commissie moet uit hoofde van artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gedelegeerde handelingen vaststellen op het gebied van de procedure voor interne beoordeling. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau.

(52)     De Commissie dient eveneens te worden gemachtigd om technische uitvoeringsnormen vast te stellen door middel van uitvoeringshandelingen uit hoofde van artikel 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in overeenstemming met artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010[7]. De ESMA moet worden belast met het opstellen van ontwerpen van technische uitvoeringsnormen, die aan de Commissie zullen worden voorgelegd, met betrekking tot het formulier voor de rapportage van informatie over MMF’s aan de bevoegde autoriteiten.

(53)     De ESMA moet alle bevoegdheden kunnen uitoefenen die uit hoofde van de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU met betrekking tot deze verordening zijn verleend. Zij is ook belast met het ontwikkelen van ontwerpen van technische regulerings- en uitvoeringsnormen.

(54)     Het is belangrijk dat deze verordening wordt geëvalueerd om na te gaan of het raadzaam is bepaalde CNAV MMF’s die hun beleggingsportefeuille concentreren op door lidstaten uitgegeven schuldpapier, vrij te stellen van de verplichte aanleg van een kapitaalbuffer van ten minste 3 % van de totale waarde van de activa van de CNAV MMF. Daarom moet de Commissie gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening de ervaring die bij de toepassing van deze verordening is opgedaan en de gevolgen voor de verschillende economische aspecten die aan MMF’s verbonden zijn, analyseren. Door lidstaten uitgegeven of gewaarborgd schuldpapier vormt een afzonderlijke categorie van beleggingen met specifieke krediet- en liquiditeitskenmerken. Bovendien speelt overheidsschuld een levensnoodzakelijke rol in de financiering van lidstaten. De Commissie moet de ontwikkelingen op de markt van door lidstaten uitgegeven of gewaarborgd schuldpapier onderzoeken en nagaan of het mogelijk is een speciaal kader op te stellen voor MMF’s die hun beleggingsbeleid op dit soort schuld concentreren.

(55)     De nieuwe eenvormige regels inzake MMF’s moeten voldoen aan het bepaalde in Richtlijn 95/46/EG[8] en Verordening (EG) nr. 45/2001[9].

(56)     Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk garanderen dat eenvormige prudentiële voorschriften van toepassing zijn op alle MMF’s in de Unie waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de noodzaak een evenwicht te bewerkstelligen tussen de veiligheid en betrouwbaarheid van MMF’s en de doeltreffende werking van de geldmarkten en de kostprijs voor de verschillende belanghebbenden, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde subsidiariteitsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(57)     De nieuwe eenvormige regels inzake MMF’s respecteren de grondrechten en leven de beginselen na die in het bijzonder erkend worden in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met inbegrip van consumentenbescherming, de vrijheid van ondernemerschap en de bescherming van persoonsgegevens. De nieuwe eenvormige regels voor MMF’s moeten worden toegepast in overeenstemming met deze rechten en beginselen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied

1.           Deze verordening stelt regels vast betreffende de financiële instrumenten die in aanmerking komen voor belegging door een geldmarktfonds (MMF), de portefeuille en de waardering ervan, en de rapportagevereisten met betrekking tot een in de Unie gevestigd, beheerd of verhandeld MMF.

Deze verordening is van toepassing op instellingen voor collectieve belegging die overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG een vergunning als instelling voor collectieve belegging (hierna icbe) moeten krijgen of overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU een alternatieve beleggingsinstelling (hierna abi) vormen, in kortlopende activa beleggen en als afzonderlijke of gezamenlijke doelstellingen beogen een rendement in overeenstemming met geldmarkttarieven te bieden of de waarde van de belegging te vrijwaren.

2.           De lidstaten leggen geen extra verplichtingen op binnen het toepassingsgebied van deze verordening.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1) “kortlopende activa”: financiële activa met een resterende looptijd die twee jaar niet overschrijdt;

(2) “geldmarktinstrumenten”: geldmarktinstrumenten in de zin van artikel 2, lid 1, onder o), van Richtlijn 2009/65/EG;

(3) “effecten”: effecten in de zin van artikel 2, lid 1, onder n), van Richtlijn 2009/65/EG

(4) “retrocessieovereenkomst”: een overeenkomst waarbij een partij effecten of rechten die aan deze titel verbonden zijn, aan een tegenpartij overdraagt onder de verbintenis deze terug te kopen tegen een vastgestelde prijs op een vastgesteld of vast te stellen tijdstip in de toekomst;

(5) “omgekeerde retrocessieovereenkomst”: een overeenkomst waarbij een partij effecten of rechten die aan een titel of effect zijn verbonden, van een tegenpartij ontvangt onder de verbintenis deze terug te verkopen tegen een vastgestelde prijs op een vastgesteld of vast te stellen tijdstip in de toekomst;

(6) "verstrekte effectenlening" en "opgenomen effectenlening": een transactie waarbij een instantie of haar tegenpartij effecten overdraagt onder de verbintenis dat de leningnemer op een tijdstip in de toekomst of wanneer de overdragende instantie daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten teruglevert, wordt aangemerkt als een "verstrekte effectenlening" voor de instantie die de effecten overdraagt, en een "opgenomen effectenlening" voor de instantie waaraan de effecten worden overgedragen;

(7) "securitisatie": securitisatie als omschreven in artikel 4, punt 61, van Verordening 575/2013[10];

(8) “bedrijfsschuldpapier”: schuldinstrumenten uitgegeven door een onderneming die zich daadwerkelijk toelegt op de productie of verhandeling van goederen of niet-financiële diensten;

(9) “waarderen tegen marktwaarde” („marking to market”): het bepalen van de waarde van posities op basis van direct beschikbare slotkoersen, afkomstig van onafhankelijke bronnen, waaronder beurskoersen, prijzen in de schermenhandel of noteringen van een aantal onafhankelijke gereputeerde effectenmakelaars;

(10) “waardering op basis van een modellenbenadering” ("marking to model"): het door middel van benchmarking, extrapolatie of een andere berekeningswijze bepalen van de waarde op basis van een of meerdere inputs uit de markt;

(11) “methode van de geamortiseerde kostprijs”: een waarderingsmethode die de kosten voor het verkrijgen van een activum in aanmerking neemt en deze waarde voor amortisatie van premies (of kortingen) aanpast tot de vervaldag;

(12) “geldmarktfonds met constante intrinsieke waarde” (constant Net Assets Value Money Market Fund”, hieronder CNAV MMF genoemd); een geldmarktfonds dat een onveranderde intrinsieke waarde (NAV) behoudt per recht van deelneming of aandeel; wanneer opbrengsten dagelijks in het fonds worden opgenomen of aan de belegger kunnen worden uitbetaald en wanneer activa in het algemeen volgens de methode van de geamortiseerde kostprijs worden gewaardeerd of de NAV tot het dichtstbijzijnde percentagepunt of het in nationale valuta uitgedrukte overeenstemmende bedrag worden afgerond;

(13) “kortlopend MMF”: een geldmarktfonds dat belegt in in aanmerking komende geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 9, lid 1;

(14) “standaard-MMF”: een geldmarktfonds dat belegt in in aanmerking komende geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2;

(15) „kredietinstellingen”: kredietinstellingen als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening 575/2013;

(16) “bevoegde autoriteit van het geldmarktfonds”:

(a) voor icbe’s, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de icbe aangewezen in overeenstemming met artikel 97 van Richtlijn 2009/65/EG;

(b) voor EU-abi’s, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de abi als omschreven in artikel 4, lid 1, onder p), van Richtlijn 2011/61/EU;

(c) voor niet-EU-abi’s:

i)        de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de niet-EU-abi in de Unie zonder paspoort wordt verhandeld;

ii)       de bevoegde autoriteit van de EU-abi-beheerder die de niet-EU-abi beheert, wanneer de niet-EU-abi in de Unie met een paspoort wordt verhandeld of niet in de Unie wordt verhandeld;

iii)      de bevoegde autoriteit van de referentielidstaten indien de niet-EU-abi niet door een EU-abi-beheerder wordt beheerd en in de Unie met een paspoort wordt verhandeld;

(17) “MMF-lidstaat van herkomst": de lidstaat waar een vergunning aan het MMF is verleend;

(18) “gewogen gemiddelde looptijd” (weighted average maturity, hierna WAM): de gemiddelde tijd tot de wettelijke vervaldag of, indien korter, tot de volgende aanpassing van de rentevoet aan de geldmarktrente, van alle onderliggende activa in het fonds, die de relatieve posities in elk activum weergeeft;

(19) “gewogen gemiddelde duur” (weighted average life, hierna WAL): de gemiddelde tijd tot aan de wettelijke vervaldatum van alle onderliggende activa in het fonds, die de relatieve posities in elk activum weergeeft;

(20) “wettelijke vervaldag”: het tijdstip waarop de hoofdsom van een effect volledig moet worden terugbetaald en waaraan geen enkele keuzemogelijkheid verbonden is;

(21) “resterende looptijd”: de tijd tot de wettelijke vervaldag;

(22) “short selling’: de ongedekte verkoop van geldmarktinstrumenten.

Artikel 3 Vergunning van MMF's

1.           In de Unie wordt geen instelling voor collectieve belegging als MMF gevestigd, verhandeld of beheerd tenzij hiervoor overeenkomstig deze verordening een vergunning is verleend.

Deze vergunning geldt voor alle lidstaten.

2.           Aan een instelling voor collectieve belegging waarvoor overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG een vergunning als icbe is vereist, wordt een vergunning als MMF verleend in het kader van de vergunningsprocedure overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG.

3.           Aan een instelling voor collectieve belegging die een abi is, wordt een vergunning als MMF verleend in overeenstemming met de in artikel 4 ingestelde vergunningsprocedure.

4.           Aan een instelling voor collectieve belegging wordt geen vergunning als MMF verleend tenzij de bevoegde autoriteit van het MMF genoegzaam heeft vastgesteld dat het MMF in staat zal zijn te voldoen aan alle voorschriften van deze verordening.

5.           Voor de vergunning legt het MMF zijn bevoegde autoriteit de volgende documenten over:

(a) het reglement van het fonds of de statuten van het fonds;

(b) de identificatie van de beheerder;

(c) de identificatie van de bewaarder;

(d) een beschrijving van het MMF of voor beleggers beschikbare informatie over het fonds;

(e) een beschrijving van of informatie over de regelingen en procedures die nodig zijn om te voldoen aan de vereisten bedoeld in de hoofdstukken II tot en met VII;

(f) elk ander gegeven of elk ander document dat de bevoegde autoriteit van het MMF verlangt om de naleving van de voorschriften van deze verordening te controleren.

6.           De bevoegde autoriteiten informeren de ESMA elk kwartaal over de krachtens deze verordening verleende of ingetrokken vergunningen.

7.           De ESMA houdt een centraal openbaar register bij met de identificatie van elk MMF waaraan overeenkomstig deze verordening een vergunning is verleend, een beschrijving van het type, zijn beheerder en de bevoegde autoriteit van het MMF. De ESMA houdt een centraal openbaar register bij met de identificatie van elk MMF waaraan overeenkomstig deze verordening een vergunning is verleend, een beschrijving van het type, zijn beheerder en de bevoegde autoriteit van het MMF.

Artikel 4 Procedure voor vergunning van abi-MMF's

1.           Aan een abi wordt een vergunning als MMF alleen verleend indien de bevoegde autoriteit het verzoek van een abi-beheerder die overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU een vergunning voor het beheer van de abi heeft gekregen, het fondsreglement en de keuze van de bewaarder heeft goedgekeurd.

2.           Bij de indiening van het verzoek tot het beheer van de abi verstrekt de abi-beheerder aan wie een vergunning is verleend, de bevoegde autoriteit van het MMF het volgende:

(a) de schriftelijke overeenkomst met de bewaarder;

(b) informatie over delegatieregelingen met betrekking tot portefeuille- en risicobeheer en de administratie betreffende de abi;

(c) informatie over de beleggingsstrategieën, het risicoprofiel en andere kenmerken van abi’s die de abi-beheerder mag beheren.

De bevoegde autoriteit van het MMF kan de bevoegde autoriteit van de abi-beheerder verzoeken om verduidelijking en informatie met betrekking tot de in de vorige alinea bedoelde documenten, of om een certificaat waaruit blijkt dat MMF’s binnen het toepassingsgebied van de beheersvergunning van de abi-beheerder valt. De bevoegde autoriteit van de abi-beheerder antwoordt binnen 10 werkdagen op het verzoek van de bevoegde autoriteit van het MMF.

3.           Elke latere wijziging in de in lid 2 bedoelde documenten wordt door de abi-beheerder onmiddellijk meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van het MMF.

4.           De bevoegde autoriteit van het MMF kan het verzoek van de abi-beheerder alleen weigeren indien:

(d) de abi-beheerder niet voldoet aan deze verordening;

(e) de abi-beheerder niet voldoet aan Richtlijn 2011/61/EU;

(f) de abi-beheerder van zijn bevoegde autoriteit geen vergunning voor het beheer van MMF’s heeft gekregen;

(g) de abi-beheerder de in lid 2 bedoelde documenten niet heeft verstrekt.

Voordat de vergunning wordt geweigerd, raadpleegt de bevoegde autoriteit van het MMF de bevoegde autoriteit van de abi-beheerder.

5.           De vergunning van de abi als MMF is niet gebonden aan de voorwaarde dat de abi wordt beheerd door een abi-beheerder aan wie een vergunning in de lidstaat van herkomst van de abi is verleend, of aan de voorwaarde dat de abi-beheerder activiteiten ontwikkelt of delegeert in de lidstaat van herkomst van de abi.

6.           De abi-beheerder wordt er binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag van in kennis gesteld of de vergunning van de abi als MMF al dan niet is verleend.

7.           De bevoegde autoriteit van het MMF verleent geen vergunning indien het voor de abi juridisch niet mogelijk is zijn rechten van deelneming of aandelen in zijn lidstaat van herkomst te verhandelen.

Artikel 5 Gebruik van de benaming MMF

1.           Een icbe of abi gebruikt de benaming "geldmarktfonds” of “MMF” met betrekking tot zichzelf of de door deze instelling uitgegeven rechten van deelneming of aandelen alleen indien aan de icbe of abi een vergunning krachtens deze verordening is verleend.

Een icbe of abi gebruikt een benaming waarmee een geldmarktfonds wordt gesuggereerd, of gebruikt bewoordingen zoals "kasmiddelen”, "liquide", “geld”, “beschikbare activa”, “depositoachtige” of soortgelijke benamingen alleen indien zij daarvoor een vergunning overeenkomstig deze verordening heeft gekregen.

2.           Het gebruik van de benaming “geldmarktfonds”, “MMF" of een benaming waarmee een MMF wordt gesuggereerd, of het gebruik van bewoordingen als bedoeld in lid 1, omvat het gebruik in externe of interne documenten, verslagen, verklaringen, reclameberichten, mededelingen, brieven of elk ander materiaal dat gericht is tot of bedoeld is voor verspreiding onder beleggers die daarom verzoeken, houders van rechten van deelneming, aandeelhouders of bevoegde autoriteiten in geschreven, mondelinge, elektronische of elke andere vorm.

Artikel 6 Toepasselijke regels

1.           Een MMF voldoet te allen tijde aan de bepalingen van deze verordening.

2.           Een MMF dat een icbe is, en de beheerder ervan voldoen te allen tijde aan de voorschriften van Richtlijn 2009/65/EG, tenzij anders is bepaald in deze verordening.

3.           Een MMF dat een aib is, en de beheerder ervan voldoen te allen tijde aan de voorschriften van Richtlijn 2011/61/EG, tenzij anders is bepaald in deze verordening.

4.           De MMF-beheerder heeft tot taak de naleving van deze verordening te verzekeren. De beheerder is aansprakelijk voor elk verlies of schade ten gevolge van de niet-naleving van deze verordening.

5.           Deze verordening sluit niet uit dat MMF’s beleggingslimieten kunnen toepassen die strenger zijn dan die waarin deze verordening voorziet.

Hoofdstuk II Verplichtingen betreffende het beleggingsbeleid van MMF's

Afdeling I Algemene regels en in aanmerking komende activa

Artikel 7 Algemene beginselen

1.           Wanneer een MMF meer dan een beleggingscompartiment omvat, wordt elk compartiment voor de toepassing van de hoofdstukken II tot en met VII als een afzonderlijk MMF beschouwd.

2.           MMF’s die een vergunning als icbe hebben, zijn niet onderworpen aan de verplichtingen met betrekking tot het beleggingsbeleid van icbe’s als vastgesteld in de artikelen 49, 50 en 50bis, artikel 51, lid 2, en de artikelen 52 tot en met 57 van Richtlijn 2009/65/EG, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 8 In aanmerking komende activa

1.           Een MMF belegt alleen in een of meer van de volgende categorieën van financiële activa en alleen volgens de voorwaarden waarin deze verordening voorziet:

(a) geldmarktinstrumenten;

(b) deposito's bij kredietinstellingen;

(c) financiële derivaten;

(d) omgekeerde retrocessieovereenkomsten.

2.           Een MMF onthoudt zich van de volgende activiteiten:

(a) beleggingen in andere activa dan bedoeld in lid 1;

(b) geldmarktinstrumenten voor baissetransacties (short selling);

(c) directe of indirecte blootstelling aan belangen in aandelen of grondstoffen, inclusief door middel van derivaten, certificaten die deze vertegenwoordigen, indexen die daarop gebaseerd zijn of elk ander middel of instrument dat een blootstelling daaraan verleent;

(d) effectenleningen opnemen of verstrekken en retrocessieovereenkomsten aangaan of elke andere overeenkomst die de activa van het MMF zou bezwaren;

(e) geldleningen opnemen en verstrekken.

Artikel 9 In aanmerking komende geldmarktinstrumenten

1.           Een geldmarktinstrument komt voor belegging door een MMF in aanmerking indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

(a) het valt in een van de categorieën van geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 50, lid 1, onder a), b), c) of h), van Richtlijn 2009/65/EG;

(b) het vertoont een van de volgende alternatieve kenmerken:

i)        het heeft bij uitgifte een wettelijke looptijd van 397 dagen of minder;

ii)       het heeft een residuele looptijd van 397 dagen of minder;

(c) aan de uitgevende instantie van het geldmarktinstrument zijn een van de twee hoogste interne ratings verleend volgens de regels bedoeld in de artikelen 16 tot en met 19 van deze verordening;

(d) wanneer het een blootstelling aan een securitisatie aangaat, moet het voldoen aan de aanvullende vereisten als bedoeld in artikel 10.

2.           Een standaard-MMF kan beleggen in een geldmarktinstrument waarvan het rendement in overeenstemming met de omstandigheden op de geldmarkt om de 397 dagen of met grotere regelmaat kan worden aangepast waarbij de residuele looptijd 2 jaar niet overschrijdt.

3.           Lid 1, onder c), is niet van toepassing op geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven of gewaarborgd door een centrale autoriteit of centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Unie, het Europees Stabiliteitsmechanisme of de Europese Investeringsbank.

Artikel 10 In aanmerking komende securitisaties

1.           Een securitisatie wordt geacht in aanmerking te komen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

(a) de onderliggende blootstelling of pool van vorderingen bestaat uitsluitend uit bedrijfsschuldpapier;

(b) het onderliggende bedrijfsschuldpapier is van hoge kredietkwaliteit en liquiditeit;

(c) het onderliggende bedrijfsschuldpapier heeft bij uitgifte een wettelijke looptijd van 397 dagen of minder of heeft een residuele looptijd van 397 dagen of minder.

2.           Met het oog op een consistente toepassing van lid 1 ontwikkelt de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

(a) de voorwaarden en omstandigheden waaronder de onderliggende blootstelling of pool van vorderingen wordt geacht uitsluitend te bestaan uit bedrijfsschuldpapier;

(b) de voorwaarden en de benchmarks die aangeven wanneer bedrijfsschuldpapier van hoge kredietkwaliteit en liquiditeit is.

De ESMA legt de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen voor aan de Commissie vóór […].

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

Artikel 11 In aanmerking komende deposito's bij kredietinstellingen

Een deposito bij een kredietinstelling komt voor belegging door een MMF in aanmerking indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

(a) het deposito is op verzoek terugbetaalbaar of kan te allen tijde worden ingetrokken;

(b) de depottermijn bedraagt niet meer dan 12 maanden;

(c) de kredietinstelling heeft haar statutaire zetel in een lidstaat of, wanneer zij haar statutaire zetel in een derde land heeft, is zij onderworpen aan prudentiële regels die gelijkwaardig worden geacht aan die welke in het recht van de Unie zijn vastgesteld overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 107, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 12 In aanmerking komende financiële derivaten

Een financieel derivaat komt voor belegging door een MMF in aanmerking indien het wordt verhandeld op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 50, lid 1, onder a), b) of c), van Richtlijn 2009/65/EG of over-the-counter (otc), op voorwaarde dat in elk geval aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

(a) het onderliggende instrument van het derivaat bestaat uit rentetarieven, wisselkoersen, valuta’s of indexen die een van deze categorieën vertegenwoordigen;

(b) het derivaat dient alleen voor afdekking van risico’s inzake duur en wisselkoersen die eigen zijn aan andere beleggingen van het MMF;

(c) tegenpartijen bij transacties in otc-derivaten zijn aan prudentiële regelgeving en prudentieel toezicht onderworpen instellingen en behoren tot de categorieën die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van het MMF zijn erkend;

(d) de otc-derivaten zijn onderworpen aan betrouwbare en verifieerbare dagelijkse waardering en kunnen op initiatief van het MMF te allen tijde tegen hun waarde in het economisch verkeer worden verkocht, te gelde gemaakt of afgesloten door een compenserende transactie.

Artikel 13 In aanmerking komende omgekeerde retrocessieovereenkomsten

1.           Een omgekeerde retrocessieovereenkomst komt in aanmerking om in een MMF te worden opgenomen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

(a) het MMF heeft het recht de overeenkomst te allen tijde met een opzeggingstermijn van ten hoogste twee werkdagen te beëindigen;

(b) de marktwaarde van de in het kader van de omgekeerde retrocessieovereenkomst verkregen activa is te allen tijde ten minste gelijk aan de waarde van het uitgegeven geld.

2.           De in het kader van een omgekeerde retrocessieovereenkomst door het MMF verkregen activa zijn geldmarktinstrumenten die voldoen aan artikel 9.

3.           Securitisaties als bedoeld in artikel 10 worden door het MMF niet verkregen in het kader van een omgekeerde retrocessieovereenkomst. De in het kader van een omgekeerde retrocessieovereenkomst door het MMF verkregen activa worden niet verkocht, herbelegd, verpand of op een andere wijze overgedragen.

4.           De in het kader van een omgekeerde retrocessieovereenkomst door het MMF verkregen activa worden in aanmerking genomen voor de berekening van de beperkingen inzake diversificatie en concentratie waarin deze verordening voorziet.

5.           In afwijking van lid 2 kan een MMF in het kader van een omgekeerde retrocessieovereenkomst andere liquide effecten of geldmarktinstrumenten verkrijgen dan die welke aan artikel 9 voldoen op voorwaarde dat deze activa een van de volgende voorwaarden vervullen:

(a) zij zijn van hoge kredietkwaliteit en zijn uitgegeven of gewaarborgd door een centrale autoriteit of centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Unie, het Europees Stabiliteitsmechanisme of de Europese Investeringsbank;

(b) zij zijn uitgegeven of gewaarborgd door een centrale autoriteit of centrale bank van een derde land, op voorwaarde dat aan de instantie van het derde land die het activum uitgeeft, een van de twee hoogste interne ratings is toegekend overeenkomstig de regels bedoeld in de artikelen 16 tot en met 19.

De activa die overeenkomstig de eerste alinea in het kader van een omgekeerde retrocessieovereenkomst zijn verkregen, worden aan de beleggers van het MMF bekendgemaakt.

De activa die overeenkomstig de eerste alinea in het kader van een omgekeerde retrocessieovereenkomst zijn verkregen, voldoen aan de regels als bedoeld in artikel 14, lid 6.

6.           De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere omschrijving van de kwantitatieve en kwalitatieve vereisten inzake liquiditeit die van toepassing zijn op de in lid 5 bedoelde activa, en de kwantitatieve en kwalitatieve vereisten inzake kredietkwaliteit die van toepassing zijn op de in lid 5, onder a), bedoelde activa.

Daartoe houdt de Commissie rekening met het verslag als bedoeld in artikel 509, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De Commissie stelt de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2014 vast.

Afdeling II Bepalingen inzake beleggingsbeleid

Artikel 14 Diversificatie

1.           Een MMF belegt niet meer dan 5 % van zijn activa in de volgende instrumenten:

(a) geldmarktinstrumenten die door dezelfde entiteit zijn uitgegeven;

(b) deposito’s die belegd zijn bij dezelfde kredietinstelling.

2.           De geaggregeerde waarde van alle blootstellingen aan securitisaties bedraagt niet meer dan 10 % van de activa van een MMF.

3.           De geaggregeerde vorderingswaarde bij dezelfde tegenpartij van het MMF ten gevolge van otc-derivatentransacties bedraagt niet meer dan 5 % van zijn activa.

4.           Het geaggregeerde bedrag van geldmiddelen die aan dezelfde tegenpartij van een MMF in omgekeerde retrocessieovereenkomsten zijn verstrekt, bedraagt niet meer dan 20 % van zijn activa.

5.           Onverminderd de in de leden 1 en 3 bepaalde individuele begrenzingen belegt een MMF met betrekking tot dezelfde instantie ten hoogste 10% van zijn activa in een combinatie met:

(a) geldmarktinstrumenten die door deze instantie zijn uitgegeven;

(b) deposito's bij deze instantie;

(c) otc-derivaten die voor deze instantie tegenpartijrisico opleveren.

6.           In afwijking van lid 1, onder a), kan een bevoegde autoriteit een MMF toestaan overeenkomstig het beginsel van risicospreiding tot 100 % van zijn activa te beleggen in verschillende geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven of gewaarborgd door een centraal, regionaal of lokaal bestuur of centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Unie, het Europees Stabiliteitsmechanisme of de Europese Investeringsbank, een centrale autoriteit of centrale bank van een derde land of een publiekrechtelijke internationale instantie waartoe een of meer lidstaten behoren.

De eerste alinea is alleen van toepassing wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

(a) het MMF heeft geldmarktinstrumenten van ten minste zes verschillende uitgiften van deze desbetreffende uitgevende instantie in portefeuille;

(b) het MMF beperkt de belegging in geldmarktinstrumenten van dezelfde uitgifte tot maximaal 30 % van zijn activa;

(c) het MMF maakt in het fondsreglement of de statuten uitdrukkelijk melding van het centraal, regionaal of lokaal bestuur of de centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Unie, het Europees Stabiliteitsmechanisme of de Europese Investeringsbank, een centrale autoriteit of centrale bank van een derde land of de internationale publiekrechtelijke instantie waartoe een of meer lidstaten behoren, die de geldmarktinstrumenten waarin het meer dan 5 % van zijn activa wil beleggen, uitgeven of waarborgen;

(d) het MMF neemt in zijn prospectus en publicitaire mededelingen een duidelijk herkenbare verklaring op waarin de aandacht op het gebruik van deze afwijking wordt gevestigd en melding wordt gemaakt van het centraal, regionaal of lokaal bestuur of de centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Unie, het Europees Stabiliteitsmechanisme of de Europese Investeringsbank, een centrale autoriteit of centrale bank van een derde land of de internationale publiekrechtelijke instantie waartoe een of meer lidstaten behoren, die de geldmarktinstrumenten waarin het meer dan 5 % van zijn activa wil beleggen, uitgeven of waarborgen;

7.           Voor de berekening van de in de leden 1 tot en met 5 bedoelde begrenzingen worden ondernemingen die tot één groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, als omschreven in Richtlijn 83/349/EEG[11] of volgens erkende internationale financiële verslagleggingsregels, als één en dezelfde instantie beschouwd.

Artikel 15 Concentratie

1.           Een MMF heeft ten hoogste 10 % van de door een zelfde instantie uitgegeven geldmarktinstrumenten in zijn portefeuille.

2.           De in lid 1 bedoelde begrenzing is niet van toepassing in geval van een portefeuille van geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven of gewaarborgd door een centraal, regionaal of lokaal bestuur van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Unie, het Europees Stabiliteitsmechanisme of de Europese Investeringsbank, een centrale autoriteit of centrale bank van een derde land of de internationale publiekrechtelijke instantie waartoe een of meer lidstaten behoren.

AFDELING III KREDIETKWALITEIT VAN GELDMARKTINSTRUMENTEN

Artikel 16 Interne beoordelingsprocedure

1.           Een beheerder van een MMF stelt een zorgvuldige en strikte interne procedure vast, en legt deze op samenhangende wijze ten uitvoer, om de kredietkwaliteit van geldmarktinstrumenten te beoordelen rekening houdend met de instantie die het instrument uitgeeft en met de kenmerken van het instrument.

2.           De interne beoordelingsprocedure wordt gebaseerd op een intern ratingsysteem en op methoden voor zorgvuldige, strikte, stelselmatige en permanente toekenning van ratings. De methoden voor toekenning van ratings worden door de beheerder gevalideerd op basis van historische ervaring en empirische feiten, waaronder backtests.

3.           De interne beoordelingsprocedure voldoet aan de volgende voorwaarden:

(a) een beheerder van een MMF zorgt ervoor dat de bij de toekenning van een interne kredietrating gebruikte informatie kwalitatief toereikend, actueel en van betrouwbare bronnen afkomstig is. De beheerder ontwikkelt en onderhoudt een doeltreffend proces om relevante informatie over kenmerken van uitgevende instanties te verkrijgen en te actualiseren;

(b) een beheerder van een MMF stelt passende besluiten en uitvoeringsmaatregelen vast om ervoor te zorgen dat de toekenning van zijn interne ratings op een diepgaande analyse van alle beschikbare en relevante informatie is gebaseerd en dat daarbij rekening wordt gehouden met alle relevante drijvende factoren die de kredietwaardigheid van de uitgevende instantie beïnvloeden;

(c) een beheerder van een MMF houdt permanent toezicht op de toekenning van interne ratings en onderzoekt ten minste eenmaal per jaar alle toegekende interne ratings. De beheerder onderzoekt de toegekende ratings telkens wanneer er zich feitelijke veranderingen voordoen die van invloed kunnen zijn op de interne kredietrating. De beheerder stelt interne regels op om na te gaan op welke wijze zijn interne kredietratings worden beïnvloed door veranderingen in de macro-economische context, de situatie op de financiële markten of met betrekking tot de uitgevende instantie in het bijzonder;

(d) wanneer een bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) ingeschreven ratingbureau een kredietrating toekent aan een instantie die geldmarktinstrumenten uitgeeft, wordt een ratingverlaging onder de twee hoogste door dit bureau gebruikte kortetermijnratings voor de toepassing van punt c) geacht een feitelijke verandering te zijn, en moet de beheerder een nieuwe toekenningsprocedure toepassen;

(e) de toekenningsmethoden worden ten minste eenmaal per jaar onderzocht om na te gaan of zij nog steeds geschikt zijn voor de aangehouden portefeuille en de geldende externe omstandigheden;

(f) in geval van verandering van de in de interne beoordelingsprocedures gebruikte methoden, modellen of belangrijke aannamen voor ratings herziet de beheerder van een MMF zo spoedig mogelijk en niet later dan een maand na de verandering alle betrokken interne kredietratings;

(g) toekenningen van interne ratings en de periodieke herziening ervan door de beheerder van een MMF worden niet verricht door personen die de portefeuille van het MMF beheren of daarvoor verantwoordelijkheid dragen.

Artikel 17 Intern ratingsysteem

1.           Aan elke instantie die geldmarktinstrumenten uitgeeft waarin een MMF voornemens is te beleggen, wordt overeenkomstig de interne beoordelingsprocedure een interne rating toegekend.

2.           De structuur van het interne ratingsysteem voldoet aan de volgende vereisten:

(a) het interne ratingsysteem wordt gebaseerd op één beoordelingsschaal die het kredietrisico van de uitgevende instantie uitsluitend in gekwantificeerde vorm weergeeft. De beoordelingsschaal omvat zes klassen voor niet in gebreke blijvende instanties en één voor in gebreke blijvende instanties.

(b) er bestaat een duidelijke relatie tussen de klassen van uitgevende instanties die het kredietrisico van een uitgevende instantie weergeven en de ter onderscheiding van dit niveau van kredietrisico gebruikte criteria;

(c) het interne ratingsysteem houdt rekening met de kortetermijndoelstellingen van geldmarktinstrumenten.

3.           De in lid 2, onder b), bedoelde criteria voldoen aan alle volgende voorwaarden:

(a) zij bevatten ten minste kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren over de instantie die het instrument uitgeeft en de macro-economische en financiële situatie van de markt;

(b) zij verwijzen naar de gemeenschappelijke benchmarks en kwalitatieve referentiewaarden die voor de beoordeling van de kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren worden gebruikt;

(c) zij zijn geschikt voor het bijzonder type uitgevende instantie. Ten minste de volgende soorten uitgevende instanties worden onderscheiden: centrale, regionale of plaatselijke besturen, financiële instellingen en niet-financiële instellingen;

(d) in geval van blootstelling aan securitisaties houden zij rekening met het kredietrisico van de uitgevende instantie, de structuur van de securitisatie en het kredietrisico van de onderliggende activa.

Artikel 18 Documentatie

1.           Een beheerder van een MMF legt zijn interne beoordelingsprocedure en het interne ratingsysteem schriftelijk vast. Deze documentatie omvat:

(a) een zodanige omschrijving van de opzet en de operationele werking van zijn interne beoordelingsprocedures en ratingsystemen dat de bevoegde autoriteiten de toekenning aan specifieke klassen kunnen begrijpen en de geschiktheid van de toewijzing aan een klasse kunnen beoordelen;

(b) de motivering, en het onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt, voor de keuze van de ratingcriteria door de beheerder en de frequentie waarmee deze worden herzien. Dit onderzoek omvat de parameters, het model en de beperkingen van het model dat bij de keuze van de ratingcriteria is gebruikt;

(c) alle grote veranderingen in de interne beoordelingsprocedure, met inbegrip van de redenen die aanleiding geven tot veranderingen;

(d) de organisatie van de interne beoordelingsprocedure, met inbegrip van het procedure voor toekenning van de rating en de interne controlestructuur;

(e) de volledige geschiedenis van interne ratings van uitgevende instanties en erkende garantiegevers;

(f) de data waarop de interne ratings zijn toegekend;

(g) de belangrijkste gegevens en methoden die zijn gebruikt om de interne rating te bepalen, met inbegrip van belangrijke aannamen die aan de ratings ten grondslag liggen;

(h) de voor de toekenning van de interne rating verantwoordelijke persoon of personen.

2.           De interne beoordelingsprocedure wordt nader omschreven in het fondsreglement of in de statuten van het MMF en alle documenten als bedoeld in lid 1 worden ter beschikking gesteld op verzoek van de bevoegde autoriteiten van het MMF en de bevoegde autoriteiten van de MMF-beheerder.

Artikel 19 Gedelegeerde handelingen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere omschrijving van:

(a) de omstandigheden waaronder de methoden voor toekenning van ratings kunnen worden geacht op zorgvuldige, nauwkeurige, stelselmatige en voortdurende basis te geschieden, en de omstandigheden waarin de validatie moet geschieden, als bedoeld in artikel 16, lid 2;

(b) de omschrijvingen van elke klasse met betrekking tot de kwantificatie van het kredietrisico van een uitgevende instantie, als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder a), en de criteria om dit kredietrisico te kwantificeren, als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder b);

(c) de nauwkeurige referentiewaarden voor elke kwalitatieve indicator en de becijferde referentiewaarden voor elke kwantitatieve indicator. Deze referentiewaarden van de indicatoren worden nader bepaald voor elke ratingklasse rekening houdend met de criteria van artikel 17, lid 3;

(d) de betekenis van feitelijke verandering als bedoeld in artikel 16, lid 3, onder c).

Artikel 20 Governance van de beoordeling van kredietkwaliteit

1.           De interne beoordelingsprocedures worden goedgekeurd door de hogere leiding, het besturend orgaan en wanneer dit bestaat, de toezichthoudende functie van de MMF-beheerder.

Deze partijen hebben een goed inzicht in de interne beoordelingsprocedures, de interne ratingsystemen en de toekenningsmethoden van de beheerder en een diepgaand begrip van de daarmee samenhangende managementverslagen.

2.           De op interne ratings gebaseerde analyse van het kredietrisicoprofiel van het MMF vormt een belangrijk onderdeel van de verslaglegging aan de in lid 1 bedoelde partijen. Bij de verslaglegging wordt ten minste melding gemaakt van het risicoprofiel per klasse, de migratie van de ene klasse naar de andere, de raming van de relevante parameters per klasse en een vergelijking tussen gerealiseerde wanbetalingsgraden. De verslaglegging is wat de frequenties ervan betreft afhankelijk van het belang van de informatie en het type informatie en geschiedt ten minste eenmaal per jaar.

3.           De hogere leiding ziet er permanent op toe dat de interne beoordelingsprocedure naar behoren functioneert.

De hogere leiding wordt regelmatig op de hoogte gehouden van de werking van de interne beoordelingsprocedure, de terreinen waarop gebreken zijn geconstateerd en de acties en maatregelen die zijn ondernomen om de eerder geconstateerde gebreken te verhelpen.

Hoofdstuk III Verplichtingen betreffende het risicobeheer van MMF's

Artikel 21 Regels inzake portefeuille voor kortlopende MMF’s

Een kortlopend MMF voldoet te allen tijde aan de volgende vereisten inzake portefeuille:

(a) de portefeuille heeft een gewogen gemiddelde looptijd (WAM) van niet meer dan 60 dagen;

(b) de portefeuille heeft een gewogen gemiddelde duur (WAL) van niet meer dan 120 dagen;

(c) ten minste 10 % van de activa bestaat uit dagelijks vervallende activa. Een kortlopend MMF verkrijgt geen andere activa dan dagelijks vervallende activa wanneer de verkrijging daarvan ertoe zou leiden dat het kortlopend MMF minder dan 10 % van zijn portefeuille in dagelijks vervallende activa belegt;

(d) ten minste 20% van de activa bestaan uit wekelijks vervallende activa. Een kortlopend MMF verkrijgt geen andere activa dan wekelijks vervallende activa wanneer de verkrijging daarvan ertoe zou leiden dat het kortlopend MMF minder dan 20% van zijn portefeuille in wekelijks vervallende activa belegt;

Artikel 22 Regels inzake portefeuille voor standaard-MMF’s

1.           Een standaard-MMF voldoet te allen tijde aan de volgende vereisten:

(a) de portefeuille heeft een gewogen gemiddelde duur (WAM) van niet meer dan 6 maanden;

(b) de portefeuille heeft een gewogen gemiddelde duur (WAL) van niet meer dan 12 maanden;

(c) ten minste 10 % van de activa bestaat uit dagelijks vervallende activa. Een standaard-MMF verkrijgt geen andere activa dan dagelijks vervallende activa wanneer de verkrijging daarvan ertoe zou leiden dat het standaard-MMF minder dan 10 % van zijn portefeuille in dagelijks vervallende activa belegt;

(d) ten minste 20 % van de activa bestaat uit wekelijks vervallende activa. Een standaard-MMF verkrijgt geen andere activa dan wekelijks vervallende activa wanneer de verkrijging daarvan ertoe zou leiden dat het standaard-MMF minder dan 20% van zijn portefeuille in wekelijks vervallende activa belegt.

2.           Een standaard-MMF kan ten hoogste 10 % van zijn activa beleggen in door één enkele instantie uitgegeven geldmarktinstrumenten.

3.           Onverminderd de in lid 2 bepaalde individuele begrenzing kan een standaard-MMF met betrekking tot één en dezelfde instantie ten hoogste 15% van zijn eigen activa beleggen in een combinatie met:

(a) geldmarktinstrumenten die door deze instantie zijn uitgegeven;

(b) deposito's bij deze instantie;

(c) otc-derivaten die voor deze instantie tegenpartijrisico opleveren.

4.           Alle activa in de portefeuille die een standaard-MMF overeenkomstig de leden 2 en 3 belegt, worden aan de beleggers van het MMF bekendgemaakt.

5.           Een standaard-MMF neemt niet de vorm van een CNAV MMF aan.

Artikel 23 Ratings van een MMF

Het MMF of de MMF-beheerder doet geen verzoeken of betalingen aan ratingbureaus voor een kredietbeoordeling van het MMF.

Artikel 24 “Ken uw cliënt”-beleid

1.           De MMF-beheerder stelt procedures vast en neem daartoe uitvoeringsmaatregelen en stelt alles in het werk om het aantal beleggers in een MMF, hun behoeften en gedragingen alsmede het bedrag van hun deelneming te onderzoeken teneinde het effect van samenlopende verzoeken om terugbetaling van verschillende beleggers correct te kunnen inschatten. Daartoe houdt de MMF-beheerder ten minste rekening met de volgende factoren:

(a) aanwijsbare patronen in geldbehoeften van beleggers;

(b) de kennisgraad van de verschillende beleggers;

(c) de afkeer van risico's van de verschillende beleggers;

(d) het bestaan van correlatie of nauwe banden tussen verschillende beleggers in het MMF.

2.           De MMF-beheerder zorgt ervoor dat:

(a) de waarde van de rechten van deelneming of aandelen die in het bezit zijn van een enkele belegger, nooit de waarde van dagelijkse vervallende activa overschrijdt;

(b) het verzoek om terugbetaling van een belegger geen materiële effecten heeft op het liquiditeitsprofiel van het MMF;

Artikel 25 Stresstests

1.           Voor elk MMF worden gedegen procedures voor stresstests ingevoerd waarmee mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische context met mogelijke ongunstige gevolgen voor het MMF kunnen worden opgespoord. De beheerder van een MMF verricht regelmatig stresstests en ontwikkelt actieplannen voor verschillende mogelijke scenario’s.

De stresstests worden gebaseerd op objectieve criteria en onderzoeken de effecten van ernstige aanneembare scenario's. De stresstestscenario’s houden ten minste rekening met referentieparameters, waaronder de volgende factoren:

(a) hypothetische veranderingen in het niveau van liquiditeit van de activa in de portefeuille van het MMF;

(b) hypothetische veranderingen in het niveau van kredietrisico van de activa in de portefeuille van het MMF, met inbegrip van kredietgebeurtenissen en ratinggebeurtenissen;

(c) hypothetische bewegingen van de rentevoeten;

(d) hypothetische niveaus van terugbetaling.

2.           In het geval van CNAV MMF’s wordt in stresstests voor verschillende scenario’s geraamd welk verschil er is tussen de constante NAV per recht van deelneming of aandeel en de NAV per recht van deelneming of aandeel, met inbegrip van de impact van het verschil op de NAV-buffer.

3.           Wanneer de stresstest wijst op kwetsbaarheid van het MMF, neemt de beheerder van een MMF maatregelen om de robuustheid van het MMF te versterken, onder meer door acties ter versterking van de liquiditeit of de kwaliteit van de activa van het MMF.

4.           Stresstests worden verricht volgens een regelmaat zoals vastgesteld door de raad van bestuur van de MMF-beheerder na een onderzoek van passende en redelijke termijnen in het licht van de marktomstandigheden en na een onderzoek van voorgenomen veranderingen in de portefeuille van het MMF. De tests worden ten minste eenmaal per jaar verricht.

5.           Een uitgebreid verslag met de resultaten van de stresstests wordt ter bespreking voorgelegd aan de raad van bestuur van de MMF-beheerder. De raad van bestuur wijzigt het voorgestelde actieplan indien nodig en keurt het definitieve actieplan goed.

Het verslag met de resultaten van de stresstests en het actieplan worden schriftelijk opgemaakt en wordt ten minste vijf jaar bijgehouden.

6.           Het verslag met de resultaten van de stresstests wordt aan de bevoegde autoriteiten van de MMF-beheerder voorgelegd. De bevoegde autoriteiten zenden het verslag aan de ESMA.

7.           De ESMA vaardigt richtsnoeren uit om in de stresstests gemeenschappelijke referentieparameters voor stresstestscenario’s op te nemen rekening houdend met de factoren als omschreven in lid 1. De richtsnoeren worden ten minste eenmaal per jaar bijgewerkt rekening houdend met de nieuwste marktontwikkelingen.

Hoofdstuk IV Waarderingsregels

Artikel 26 Waardering van activa van MMF's

1.           De waarde van de activa van een MMF wordt ten minste elke dag vastgesteld.

2.           De activa van een MMF worden gewaardeerd door wanneer mogelijk waardering tegen marktwaarde te gebruiken.

3.           Bij waardering tegen marktwaarde wordt de waarde tegen de bied- of de laatprijs vastgesteld, naargelang wat het voorzichtigst is, tenzij de instantie tegen de middenkoers kan afwikkelen.

Bij waardering tegen marktwaarde worden alleen kwalitatief toereikende marktgegevens gebruikt. De kwaliteit van de marktgegevens wordt beoordeeld op basis van de volgende factoren:

(a) het aantal en de kwaliteit van de tegenpartijen;

(b) het volume en de omzet op de markt van deze activa;

(c) de omvang van de uitgifte en het gedeelte van de uitgifte dat het MMF voornemens is te kopen of te verkopen.

4.           Indien waardering tegen marktwaarde niet mogelijk is of er zijn geen marktgegevens of marktgegevens van toereikende kwaliteit voorhanden, worden de activa van een MMF conservatief gewaardeerd door gebruik van een modellenbenadering.

Het model maakt een nauwkeurige raming van de intrinsieke waarde van de activa op basis van de volgende te actualiseren sleutelfactoren:

(a) het volume en de omzet op de markt van deze activa;

(b) de omvang van de uitgifte en het gedeelte van de uitgifte dat het MMF voornemens is te kopen of te verkopen;

(c) marktrisico, rentevoetrisico, kredietrisico in verband met de activa.

In geval van een modellenbenadering worden geen waarderingsmodellen op basis van de geamortiseerde kostprijs gebruikt.

5.           Naast de in de leden 2 en 3 bedoelde methode van waardering tegen marktwaarde en de in lid 4 bedoelde modellenbenadering kunnen de activa van een CNAV MMF ook worden gewaardeerd door gebruik van de methode van de geamortiseerde kostprijs.

Artikel 27 Berekening van de NAV per recht van deelneming of aandeel

1.           De “intrinsieke waarde per recht van deelneming of aandeel” (hierna NAV per recht van deelneming of aandeel) wordt berekend als het verschil tussen de som van alle activa van een MMF en de som van alle passiva van een MMF, gewaardeerd volgens de methode van waardering tegen marktwaarde en de modellenbenadering, gedeeld door het aantal uitstaande rechten van deelneming of aandelen van het MMF.

De NAV per recht van deelneming of aandeel wordt voor elke MMF berekend, ongeacht of het al dan niet om een CNAV MMF gaat.

2.           De NAV per recht van deelneming of aandeel wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde basispunt of het equivalent daarvan wanneer de NAV in een munteenheid wordt gepubliceerd.

3.           De NAV per recht van deelneming of aandeel wordt ten minste dagelijks berekend.

4.           De “vaste intrinsieke waarde per recht van deelneming of aandeel” (hierna vaste NAV per recht van deelneming of aandeel) wordt berekend als het verschil tussen de som van alle activa van een CNAV MMF en de som van alle passiva van een CNAV MMF, gewaardeerd volgens de methode van de geamortiseerde kostprijs, gedeeld door het aantal uitstaande rechten van deelneming of aandelen van het CNAV MMF.

5.           De vaste NAV per recht van deelneming of aandeel van een CNAV MMF wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde basispunt of het equivalent daarvan wanneer de NAV in een munteenheid wordt gepubliceerd.

6.           Op het verschil tussen de vaste NAV per recht van deelneming of aandeel en de NAV per recht van deelneming of aandeel wordt voortdurend toezicht gehouden.

Artikel 28 Uitgifte en terugbetalingsprijs

1.           De rechten van deelneming of aandelen van een MMF worden uitgegeven of terugbetaald tegen een prijs die gelijk is aan de NAV per recht van deelneming of aandeel van het MMF.

2.           In afwijking van lid 1 worden de rechten van deelneming of aandelen van een CNAV MMF uitgegeven of terugbetaald tegen een prijs die gelijk is aan de vaste NAV per recht van deelneming of aandeel van het MMF.

HOOFDSTUK V Specifieke voorschriften voor CNAV MMF's

Artikel 29 Aanvullende voorschriften voor CNAV MMF's

1.           Een MMF gebruikt de methode van de geamortiseerde kostprijs voor waardering of maakt een constante NAV per recht van deelneming of aandeel bekend of rondt de constante NAV daarvan in geval van publicatie van het MMF in een munteenheid op het dichtstbijzijnde percentagepunt of het equivalent af, alleen indien het uitdrukkelijk een vergunning als CNAV MMF heeft.

2.           Een CNAV MMF voldoet aan alle volgende voorwaarden:

(a) het heeft een NAV-buffer aangelegd in overeenstemming met de voorschriften van artikel 30;

(b) de bevoegde autoriteit van het CNAV MMF hecht zijn goedkeuring aan een omstandig plan van het CNAV MMF waarin de voorwaarden voor het gebruik van de buffer in overeenstemming met artikel 31 worden bepaald;

(c) de bevoegde autoriteit van het CNAV MMF hecht zijn goedkeuring aan de regeling van het CNAV MMF om de buffer aan te vullen en aan de financiële capaciteit van de entiteit die de aanvulling moet financieren;

(d) het reglement of de statuten van het CNAV MMF voorzien in duidelijke procedures voor de omvorming van het CNAV MMF in een MMF dat niet gemachtigd is gebruik te maken van de methoden voor berekening van de geamortiseerde kost of voor afronding;

(e) het CNAV MMF en de beheerder hebben duidelijke en transparante regels inzake governance waarin de verantwoordelijkheden voor de verschillende bestuursniveaus op ondubbelzinnige wijze worden omschreven en toegewezen;

(f) het CNAV MMF heeft instrumenten voor duidelijke en efficiënte communicatie met beleggers ingevoerd die onmiddellijke informatieverstrekking verzekeren met betrekking tot het gebruik of de aanvulling van de NAV-buffer en de omvorming van het CNAV MMF;

(g) het reglement en de statuten van het CNAV MMF bepalen duidelijk dat het CNAV MMF geen andere externe steun kan ontvangen dan door middel van de NAV-buffer.

Artikel 30 NAV-buffer

1.           Elk CNAV MMF legt een NAV-buffer aan en handhaaft deze buffer te allen tijde op ten minste 3 % van de totale waarde van de activa van het CNAV MMF. De totale waarde van de activa van het CNAV MMF wordt berekend als de som van de waarde van elk activum van het MMF vastgesteld in overeenstemming met artikel 26, leden 3 of 4.

De NAV-buffer wordt uitsluitend gebruikt voor de dekking van de verschillen tussen de constante NAV per recht van deelneming of aandeel van het CNAV MMF en de NAV per recht van deelneming of aandeel als vastgesteld in artikel 31.

2.           De bedragen in de NAV-buffer worden niet opgenomen in de berekening van de NAV of constante NAV van het CNAV MMF.

3.           De NAV-buffer bestaat uitsluitend uit geldmiddelen.

4.           De NAV-buffer wordt bijgehouden in een beschermde reserve die is geopend bij een kredietinstelling die voldoet aan de vereisten van artikel 11, onder c), in naam en voor rekening van het MMF.

De reserverekening wordt afgescheiden van elke andere rekening van het MMF, de rekeningen van de MMF-beheerder, de rekeningen van de andere cliënten van de kredietinstelling en de rekeningen van elke andere entiteit die de NAV-buffer financiert.

De reserverekening of enig bedrag op de reserverekening kan niet het voorwerp vormen van een pandgeving, een retentierecht of een zekerheidsovereenkomst. Bij insolventie van de MMF-beheerder of van de kredietinstelling waar de rekening is geopend of een entiteit die de NAV-buffer heeft gefinancierd, is de reserverekening niet beschikbaar voor uitkering onder of realisatie ten voordele van crediteuren van de insolvente instantie.

5.           De reserverekening wordt uitsluitend gebruikt ten behoeve van het MMF. De overdracht van middelen uit de reserverekening kan alleen plaatsvinden onder de voorwaarden bepaald in artikel 31, lid 2, onder b), en artikel 31, lid 3, onder a).

6.           De bewaarder van het CNAV MMF gaat na of overdachten uit de reserverekening plaatsvinden volgens de regels van dit hoofdstuk.

7.           Het CNAV MMF voorziet in een duidelijke en omstandige schriftelijke regeling met de entiteit die de aanvulling van de NAV-buffer moet financieren. De regeling bevat een uitdrukkelijke verbintenis tot financiering van de aanvulling en verplicht de entiteit ertoe de aanvulling te financieren door gebruik van eigen financiële middelen.

De regeling voor de aanvulling en de identiteit van de entiteit die de aanvulling moet verrichten, worden bekendgemaakt in het reglement van het fonds of in de statuten van het CNAV MMF.

Artikel 31 Gebruik van de NAV-buffer

1.           De NAV-buffer wordt alleen gebruikt in geval van inschrijvingen en terugbetalingen om het verschil gelijk te maken tussen de constante NAV per recht van deelneming of aandeel en de NAV per recht van deelneming of aandeel.

2.           Voor de toepassing van lid 1, in geval van inschrijvingen:

(a) wanneer de constante NAV waartegen op een recht van deelneming of aandeel wordt ingeschreven, hoger is dan de NAV per recht van deelneming of aandeel, wordt het positieve verschil gecrediteerd op de reserverekening;

(b) wanneer de constante NAV waartegen op een recht van deelneming of aandeel wordt ingeschreven, lager is dan de NAV, wordt het negatieve verschil gedebiteerd op de reserverekening.

3.           Voor de toepassing van lid 1, in geval van terugbetalingen:

(a) wanneer de constante NAV waartegen een recht van deelneming of aandeel wordt terugbetaald, hoger is dan de NAV per recht van deelneming of aandeel, wordt het negatieve verschil gedebiteerd op de reserverekening;

(b) wanneer de constante NAV waartegen een recht van deelneming of aandeel wordt terugbetaald, lager is dan de NAV per recht van deelneming of aandeel, wordt het positieve verschil gecrediteerd op de reserverekening.

Artikel 32 Escalatieprocedure

1.           Een CNAV MMF voert een escalatieprocedure in die ervoor zorgt dat het negatieve verschil tussen de constante NAV per recht van deelneming of aandeel en de NAV per recht van deelneming of aandeel tijdig aan een onderzoek wordt onderworpen door personen die bevoegd zijn om op te treden voor het fonds.

2.           De escalatieprocedure voldoet aan de volgende voorwaarden:

(a) wanneer het negatieve verschil 10 basispunten of het equivalent ervan bereikt in geval van publicatie van de NAV in een munteenheid, wordt de hogere leiding van de CNAV MMF-beheerder op de hoogte gebracht;

(b) wanneer het negatieve verschil 15 basispunten of het equivalent ervan bereikt in geval van publicatie van de NAV in een munteenheid, worden de raad van bestuur van de CNAV MMF-beheerder, de bevoegde autoriteiten van het CNAV MMF en de ESMA op de hoogte gebracht;

(c) de bevoegde personen beoordelen de oorzaak van het negatieve verschil en nemen passende maatregelen om de negatieve effecten te beperken.

Artikel 33 Aanvulling van de NAV-buffer

1.           Wanneer de NAV-buffer minder dan 3 % bedraagt, wordt hij aangevuld.

2.           Wanneer de NAV-buffer niet is aangevuld en de NAV-buffer gedurende één maand 10 basispunten onder de in artikel 30, lid 1, bedoelde 3 % blijft, houdt het MMF automatisch op een CNAV MMF te zijn en is het verboden de methode van de geamortiseerde kostprijs of een afrondingsmethode te gebruiken.

Het CNAV MMF deelt dit onmiddellijk schriftelijk en op duidelijke en begrijpelijke wijze mee aan elke belegger.

Artikel 34 Taken van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de NAV-buffer

1.           Elke daling van het bedrag van de NAV-buffer tot minder dan 3 % wordt onmiddellijk meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van het CNAV MMF.

2.           Wanneer het bedrag van de NAV-buffer met 10 basispunten onder de in artikel 30, lid 1, bedoelde 3 % zakt, wordt dit onmiddellijk meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van het CNAV MMF en aan de ESMA.

3.           Na de in lid 1 bedoelde mededeling houdt de bevoegde autoriteit nauwlettend toezicht op het CNAV MMF.

4.           Na de in lid 2 bedoelde mededeling gaat de bevoegde autoriteit na of de NAV-buffer is aangevuld dan wel of het MMF heeft opgehouden zichzelf als een CNAV MMF voor te stellen en zijn beleggers dienovereenkomstig heeft ingelicht.

Hoofdstuk VI Externe steun

Artikel 35 Externe steun

1.           Een CNAV MMF kan geen andere externe steun ontvangen dan in de vorm en onder de voorwaarden als bepaald in de artikelen 30 tot en met 34.

2.           Andere MMF’s dan CNAV MMF’s mogen geen externe steun ontvangen, tenzij onder de voorwaarden bepaald in artikel 36.

3.           Externe steun is directe of indirecte steun van een derde die tot doel heeft of in feite ertoe leidt dat de liquiditeit van het MMF wordt gewaarborgd of dat de NAV per recht van deelneming of aandeel van het MMF wordt gestabiliseerd.

Externe steun omvat:

(a) geldinjecties door een derde;

(b) de aankoop door een derde van activa van het MMF tegen een abnormaal hoge prijs;

(c) de aankoop door een derde van rechten van deelneming of aandelen om liquiditeit te verschaffen aan het fonds;

(d) de uitgifte door een derde van enigerlei expliciete of impliciete waarborg, garantie of aanbevelingsbrief ten behoeve van het MMF;

(e) elk optreden van een derde dat direct of indirect tot doel heeft het liquiditeitsprofiel en de NAV per recht van deelneming of aandeel van het MMF te bewaren.

Artikel 36 Uitzonderlijke omstandigheden

1.           In uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd door systeemgevolgen of ongunstige marktomstandigheden kan de bevoegde autoriteit een ander MMF dan een CNAV MMF toestaan externe steun als bedoeld in artikel 35 te ontvangen die tot doel heeft of in feite ertoe leidt dat de liquiditeit van het MMF wordt gewaarborgd of dat de NAV per recht van deelneming of aandeel van het MMF wordt gestabiliseerd, indien voldaan is aan alle volgende voorwaarden:

(a) het MMF motiveert naar behoren de noodzaak van externe steun en toont met afdoend bewijsmateriaal dat er een dringende behoefte bestaat aan externe steun;

(b) de externe steun is beperkt wat betreft het verstrekte bedrag en de termijn waarin de steun beschikbaar wordt gesteld;

(c) de bevoegde autoriteit stelt genoegzaam vast dat de externe steun financieel houdbaar is en toereikende financiële middelen omvat om zonder ongunstige effecten het hoofd te bieden aan mogelijke verliezen ten gevolge van de verleende externe steun.

2.           Voor de toepassing van lid 1, onder c), wordt ingeval de verstrekker van de externe steun een aan prudentieel toezicht onderworpen entiteit is, wordt de toezichthoudende autoriteit van deze entiteit verzocht om goedkeuring om te waarborgen dat de door de entiteit te verlenen steun uit passende eigen middelen van deze entiteit bestaat en in overeenstemming is met risicobeheersysteem van deze entiteit.

3.           Wanneer aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor de ontvangst van externe steun is voldaan, deelt het MMF dit onmiddellijk schriftelijk en op duidelijke en begrijpelijke wijze mee aan elke belegger.

Hoofdstuk VII Transparantievoorschriften

Artikel 37 Transparantie

1.           Een MMF vermeldt duidelijk of het een kortlopend MMF dan wel een standaard-MMF is in elk extern of intern document, verslag, verklaring, advertentie, brief of enig ander geschreven stuk dat het fonds of zijn beheerder heeft uitgegeven, dat gericht is tot of bedoeld is voor bekendmaking bij potentiële beleggers, houders van rechten van deelneming, aandeelhouders of bevoegde autoriteiten van het MMF of zijn beheerder.

Een CNAV MMF vermeldt duidelijk dat het om een CNAV MMF gaat in elk extern of intern document, verslag, verklaring, advertentie, brief of enig ander geschreven stuk dat het fonds of zijn beheerder heeft uitgegeven, dat gericht is tot of bedoeld is voor bekendmaking bij potentiële beleggers, houders van rechten van deelneming, aandeelhouders of bevoegde autoriteiten van het MMF of zijn beheerder.

2.           Elk document van het MMF dat voor marketingdoeleinden wordt gebruikt, vermeldt duidelijk alle volgende verklaringen:

(a) dat het MMF geen gewaarborgde belegging is;

(b) dat het MMF niet rekent op externe steun om de liquiditeit van het MMF te waarborgen of de NAV per recht van deelneming of aandeel te stabiliseren;

(c) dat het risico voor verlies van de hoofdsom door de beleggers moet worden gedragen.

3.           Geen enkele mededeling van het MMF of de beheerder ervan aan beleggers of potentiële beleggers mag doen blijken dat een belegging in rechten van deelneming of aandelen van een MMF gewaarborgd is.

4.           Beleggers in een MMF worden duidelijk ingelicht over de methode of methoden die door het MMF worden gebruikt om de waarde van de activa van het MMF te ramen en de NAV te berekenen.

5.           Naast de informatie die overeenkomstig de leden 1 tot en met 4 moet worden gegeven, verstrekt een CNAV MMF aan beleggers en potentiële beleggers duidelijke toelichting over het gebruik van de methode van de geamortiseerde kostprijs en/of afronding. Een CNAV MMF vermeldt het bedrag van zijn NAV-buffer, de procedure om de constante NAV per recht van deelneming of aandeel en de NAV per recht van deelneming of aandeel te egaliseren en verklaart duidelijk de rol van de buffer en de risico’s die daaraan verbonden zijn. Het CNAV MMF vermeldt duidelijk op welke wijze de NAV-buffer wordt aangevuld en welke entiteit naar verwachting de aanvulling zal verrichten. Het verstrekt beleggers alle informatie betreffende de naleving van de in artikel 29, lid 2, onder a) tot en met g), gestelde voorwaarden.

Artikel 38 Rapportage aan de bevoegde autoriteiten

1.           Voor elk beheerd MMF verstrekt de MMF-beheerder ten minste elk kwartaal informatie aan de bevoegde autoriteit van het MMF. De beheerder verstrekt de informatie op verzoek ook aan de bevoegde autoriteit van de beheerder indien deze verschilt van de bevoegde autoriteit van het MMF.

2.           De overeenkomstig lid 1 gerapporteerde informatie omvat de volgende punten:

(a) het type MMF en de kenmerken ervan;

(b) portefeuille-indicatoren zoals de totale waarde van de activa, NAV, WAM, WAL, indeling naargelang van looptijd, liquiditeit en rendement;

(c) de omvang en de evolutie van de NAV-buffer;

(d) de resultaten van stresstests;

(e) informatie over de activa in de portefeuille van het MMF;

(i) de kenmerken van elk activum, zoals naam, land, categorie uitgevende instantie, risico of looptijd en toegekende interne ratings;

(ii) het soort activum, met inbegrip van nadere gegevens over de tegenpartij in geval van derivaten of omgekeerde retrocessieovereenkomsten;

(f) informatie over de passiva van het MMF, die betrekking heeft op de volgende punten:

(i) het land waar de belegger is gevestigd;

(ii) de categorie van belegger;

(iii) activiteit inzake inschrijving en terugbetaling.

Indien nodig en naar behoren gemotiveerd kunnen de bevoegde autoriteiten verzoeken om aanvullende informatie.

3.           De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om een rapportagemodelformulier op te stellen dat de in lid 2 omschreven informatie bevat.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

4.           De bevoegde autoriteiten zenden alle krachtens dit artikel ontvangen informatie en andere mededelingen of inlichtingen die zij krachtens deze verordening met het MMF of de beheerder ervan hebben uitgewisseld, over aan de ESMA. Deze informatie wordt niet later dan 30 dagen na het einde van het verslagkwartaal aan de ESMA doorgezonden.

De ESMA verzamelt de informatie om een centrale gegevensbank van alle in de Unie gevestigde, beheerde of in de handel gebrachte MMF’s op te richten. De Europese Centrale Bank heeft alleen voor statistische doeleinden recht van toegang tot deze gegevensbank.

Hoofdstuk VIII Toezicht

Artikel 39 Toezicht door de bevoegde autoriteiten

1.           De bevoegde autoriteiten houden permanent toezicht op de naleving van deze verordening.

2.           De bevoegde autoriteit van het MMF is belast met het toezicht op de naleving van de in de hoofdstukken II tot en met VII vastgestelde regels.

3.           De bevoegde autoriteit van het MMF is belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen waarin het fondsreglement of de statuten voorzien, en van de verplichtingen waarin het prospectus voorziet in overeenstemming met deze verordening.

4.           De bevoegde autoriteit van de beheerder is belast met het toezicht op de toereikendheid van de regelingen en de organisatie van de beheerder, zodat de beheerder van het MMF in staat is te voldoen aan de verplichtingen en regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van alle MMF's die hij beheert.

5.           De bevoegde autoriteiten oefenen toezicht uit op de icbe’s of de abi's die op hun grondgebied zijn gevestigd of in de handel worden gebracht, om na te gaan of deze de benaming MMF niet gebruiken of niet doen blijken dat zij een MMF zijn, tenzij zij zich voegen naar deze verordening.

Artikel 40 Taken van bevoegde autoriteiten

1.           De bevoegde autoriteiten beschikken over alle toezichthoudende en onderzoeksbevoegdheden die nodig zijn voor de uitoefening van hun functie overeenkomstig deze verordening.

2.           De in overeenstemming met Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2011/61/EU aan de bevoegde autoriteiten verleende taken worden ook uitgeoefend met inachtneming van deze verordening.

Artikel 41 Taken en bevoegdheden van de ESMA

1.           De ESMA beschikt over de nodige bevoegdheden om de haar bij deze verordening verleende taken uit te oefenen.

2.           De bevoegdheden van de ESMA overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2011/61/EG wordt eveneens uitgeoefend met betrekking tot deze verordening en in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001.

3.           Voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1095/2010 maakt deze verordening deel uit van enigerlei juridisch bindende handeling van de Unie waarbij taken aan de in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde autoriteit worden toegewezen.

Artikel 42 Samenwerking tussen autoriteiten

1.           De bevoegde autoriteit van het MMF en de bevoegde autoriteit van de beheerder, indien zij van elkaar verschillen, werken onderling samen en wisselen informatie uit met het oog op de uitoefening van hun taken krachtens deze verordening.

2.           De bevoegde autoriteiten en de ESMA werken onderling samen met het oog op de uitoefening van hun respectieve taken krachtens deze verordening in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1095/2010.

3.           De bevoegde autoriteiten en de ESMA wisselen alle noodzakelijke informatie en documentatie uit om in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1095/2010 hun respectieve taken krachtens deze verordening uit te oefenen, met name om inbreuken op deze verordening op te sporen en te verhelpen.

Hoofdstuk IX Slotbepalingen

Artikel 43 Behandeling van bestaande icbe’s en abi’s

1.           Binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening dient een bestaande icbe of abi die in kortlopende activa belegt en die als afzonderlijke of cumulatieve doelstelling opbrengsten wil aanbieden welke overeenstemmen met geldmarkttarieven of de waarde van de belegging wil vrijwaren, bij haar bevoegde autoriteit een aanvraag in, samen met alle documenten en bewijsstukken die noodzakelijk zijn om de naleving van deze verordening aan te tonen.

2.           Uiterlijk twee maanden na ontvangst van de aanvraag beoordeelt de bevoegde autoriteit of de icbe of abi met betrekking tot de artikelen 3 en 4 in overeenstemming is met deze verordening. De bevoegde autoriteit neemt een besluit en deelt dit onmiddellijk mee aan de icbe of abi.

3.           In afwijking van de eerste zin van artikel 30, lid 1, legt een bestaande icbe of abi die aan de in artikel 2, punt 10, bedoelde criteria voor de definitie van een CNAV MMF voldoet, een NAV-buffer aan van ten minste

(a) 1 % van de totale waarde van de activa van het CNAV MMF, binnen één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening;

(b) 2% van de totale waarde van de activa van het CNAV MMF, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening;

(c) 3% van de totale waarde van de activa van het CNAV MMF, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.

4.           Voor de toepassing van lid 3 van dit artikel moet de vermelding van 3 % in de artikelen 33 en 34 worden geïnterpreteerd als een verwijzing naar de bedragen van de NAV-buffer als bedoeld in de punten a), b) en c), van lid 3.

Artikel 44 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.           De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.           De bevoegdheid om de in de artikelen 13 en 19 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt de Commissie met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening voor onbepaalde tijd verleend.

3.           Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 13 en 19 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.           Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.           De overeenkomstig de artikelen 13 en 19 vastgestelde gedelegeerde handelingen treden alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 45 Evaluatie

Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening evalueert de Commissie of deze verordening uit prudentieel en economisch oogpunt passend is. De evaluatie heeft in het bijzonder betrekking op de werking van de CNAV-buffer en de werking van de CNAV-buffer bij de CNAV MMF’s die in de toekomst hun portefeuille zouden concentreren op door de lidstaten uitgegeven of gewaarborgd schuldpapier. De evaluatie:

(a) analyseert de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van deze verordening, de gevolgen voor de beleggers, de MMF’s en de MMF-beheerders in de Unie;

(b) beoordeelt de rol die MMF’s spelen in de aankoop van door de lidstaten uitgegeven of gewaarborgd schuldpapier;

(c) houdt rekening met de specifieke kenmerken van door de lidstaten uitgegeven of gewaarborgd schuldpapier en de rol die dit schuldpapier speelt in de financiering van de lidstaten;

(d) houdt rekening met het verslag bedoeld in artikel 509, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(e) houdt rekening met de ontwikkelingen in de regelgeving op internationaal vlak.

De resultaten van de evaluatie worden aan het Europees Parlement en de Raad meegedeeld en worden indien nodig vergezeld van passende voorstellen voor wijzigingen.

Artikel 46 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement                       Voor de Raad

De voorzitter                                                  De voorzitter

[1]               Resolutie van het Europees Parlement van 20 november 2012 over schaduwbankieren (2012/2115(INI))

[2]               PB C , blz. .

[3]               Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

[4]               Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

[5]               Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

[6]               Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 van de Commissie van 19 december 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van vrijstellingen, algemene voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening, bewaarders, hefboomfinanciering, transparantie en toezicht (PB L 83 van 22.3.2013, blz. 1).

[7]               Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot    oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en            markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de        Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).

[8]               Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

[9]               Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

[10]             Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1-337.

[11]             Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening, PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1-17.

Top