EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52010IG0318(01)

Initiatief van het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures

OJ C 69, 18.3.2010, p. 1–4 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

18.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 69/1


Initiatief van het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures

(2010/C 69/01)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 82, lid 2, onder b),

Gezien de Resolutie van de Raad van 30 november 2009 over een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures (1), en met name op Maatregel A in de bijlage daarbij,

Gezien het initiatief van het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie stelt zich ten doel een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en ontwikkelen. Volgens de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 33, zou het beginsel van wederzijdse erkenning de hoeksteen van de justitiële samenwerking in burgerlijke en in strafzaken binnen de Europese Unie moeten worden.

(2)

Op 29 november 2000 heeft de Raad, in overeenstemming met de conclusies van Tampere, een programma van maatregelen goedgekeurd om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen (3). In de inleiding van dit programma werd verklaard dat wederzijdse erkenning „de samenwerking tussen de lidstaten en de bescherming van de rechten van het individu moet versterken”.

(3)

De toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen veronderstelt wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafstelsels. De omvang van die wederzijdse erkenning hangt nauw samen met het bestaan en de inhoud van bepaalde parameters, waaronder regelingen voor de bescherming van de rechten van verdachten en gemeenschappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken.

(4)

Wederzijdse erkenning kan alleen effectief functioneren in een geest van vertrouwen, waarbij niet alleen de gerechtelijke autoriteiten, maar alle bij de strafprocedure betrokken actoren beslissingen van de gerechtelijke autoriteiten van de andere lidstaten als gelijkwaardig aan hun eigen beslissingen beschouwen; daarbij gaat het niet alleen om het vertrouwen dat de regels van de partners adequaat zijn, maar ook om het vertrouwen dat die regels correct worden toegepast.

(5)

Hoewel alle lidstaten partij zijn bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft de ervaring geleerd dat dit gegeven op zichzelf niet altijd zorgt voor voldoende vertrouwen in de strafrechtstelsels van andere lidstaten.

(6)

Artikel 82, lid 2, van het Verdrag voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten toepasselijk zijn ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie. Punt b) van artikel 82, lid 2, verwijst naar „de rechten van personen in de strafvordering” als een van de gebieden waarop minimumvoorschriften kunnen worden vastgesteld.

(7)

Gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten leiden tot meer vertrouwen in de strafvorderingsstelsels van alle lidstaten, dat weer zou moeten leiden tot efficiëntere justitiële samenwerking in een klimaat van wederzijds vertrouwen. Dergelijke gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten van toepassing zijn op het gebied van vertolking en vertaling in strafprocedures.

(8)

Het recht op tolk- en vertaaldiensten ten behoeve van personen die de proceduretaal niet verstaan, is vastgelegd in artikel 6 van het EVRM, zoals uitgewerkt in de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens. De bepalingen van deze richtlijn vergemakkelijken de toepassing van die rechten in de praktijk. Te dien einde strekt de richtlijn tot bescherming van het recht van een beklaagde of verdachte op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures, opdat zijn rechten op een eerlijk verloop van de procedure worden gewaarborgd.

(9)

De rechten waarin in deze richtlijn is voorzien, moeten tevens gelden voor procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel binnen de bij deze richtlijn gestelde grenzen. De lidstaten van tenuitvoerlegging dienen vertolking en vertaling te verstrekken ten behoeve van de gezochte persoon die de proceduretaal niet verstaat of spreekt, en de kosten daarvoor te dragen.

(10)

De bepalingen van deze richtlijn moeten ervoor zorgen dat het recht van de verdachte of beklaagde die de proceduretaal niet spreekt of verstaat, om de tegen hem ingebrachte verdenkingen of beschuldigingen en het verloop van de procedure te begrijpen zodat hij zijn rechten kan uitoefenen, beschermd wordt door de kosteloze verlening van toereikende taalkundige bijstand. De verdachte of beklaagde moet onder meer in staat zijn om zijn raadsman zijn versie van de feiten te geven, te wijzen op verklaringen waar hij het mee oneens is, en zijn raadsman te attenderen op feiten die te zijner verdediging naar voren moeten worden gebracht. Gememoreerd zij in dit verband dat de regels van deze richtlijn minimumnormen zijn. De lidstaten kunnen de in deze richtlijn vervatte rechten uitbreiden om ook in situaties die niet uitdrukkelijk onder deze richtlijn vallen, een hoger beschermingsniveau te bieden. Het beschermingsniveau mag nooit lager zijn dan dat van de normen van het EVRM, zoals uitgelegd in de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens.

(11)

De lidstaten mogen niet worden verplicht vertolking te verstrekken van communicatie tussen de verdachte of beklaagde en zijn raadsman, wanneer zij doeltreffend in dezelfde taal kunnen communiceren. De lidstaten mogen ook niet worden verplicht vertolking van communicatie te verstrekken wanneer het recht op vertolking duidelijk gebruikt wordt voor andere doeleinden dan de uitoefening van het recht op een eerlijk proces in de betrokken zaak.

(12)

De constatering dat er geen vertolking of vertaling nodig is, moet kunnen worden getoetst overeenkomstig het nationale recht. Een dergelijke toetsing kan bijvoorbeeld plaatsvinden door middel van een specifieke klachtenprocedure of in het kader van een normale procedure van beroep tegen beslissingen ten principale.

(13)

Ook moet passende bijstand worden verleend aan verdachten of beklaagden met gehoor- of spraakstoornissen.

(14)

De zorgplicht ten aanzien van verdachten of beklaagden die mogelijk in een zwakke positie verkeren, met name vanwege lichamelijke handicaps waardoor hun vermogen tot communiceren effectief is aangepast, ligt ten grondslag aan een eerlijke rechtsbedeling. Het parket, de rechtshandhavingsautoriteiten en de gerechtelijke autoriteiten moeten daarom garanderen dat die personen de rechten waarin deze richtlijn voorziet, daadwerkelijk kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld door aandacht te hebben voor elke mogelijke kwetsbaarheid waardoor zij de procedure niet goed kunnen volgen en zich niet goed verstaanbaar kunnen maken, en door passende maatregelen te nemen om die rechten te beschermen.

(15)

De waarborging van een eerlijk verloop van de procedure vereist dat essentiële processtukken, of ten minste belangrijke passages daaruit, ten behoeve van de verdachten of beklaagden vertaald worden. Het is aan de autoriteiten van de lidstaten om, overeenkomstig het nationale recht, te bepalen welke processtukken vertaald moeten worden. Sommige stukken moeten altijd worden beschouwd als essentiële documenten die vertaald moeten worden, zoals het aanhoudingsbesluit, de tenlastelegging en eventuele vonnissen.

(16)

Afwijkingen van het recht op schriftelijke vertaling van processtukken, moeten ondubbelzinnig zijn gesteld en met minimumwaarborgen omgeven zijn, en mogen niet indruisen tegen zwaarwegend openbaar belang.

(17)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht. Zij beoogt met name het recht op vrijheid, het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging te beschermen.

(18)

De lidstaten dienen erop toe te zien dat de bepalingen van deze richtlijn, voor zover zij met door het EVRM gewaarborgde rechten overeenkomen, worden toegepast conform de bepalingen van het EVRM, zoals die zijn uitgewerkt in de desbetreffende vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens.

(19)

Daar het doel van deze richtlijn, te weten het vaststellen van gemeenschappelijke minimumnormen, niet op voldoende wijze kan worden verwezenlijkt door de lidstaten en daarom, vanwege de omvang van het voorgestelde optreden, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde en gedefinieerde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in eerstgenoemd artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN AANGENOMEN:

Artikel 1

Werkingssfeer

1.   Deze richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures en procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel.

2.   Deze rechten gelden voor eenieder, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hem ervan in kennis stellen dat hij ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de uiteindelijke vaststelling dat de verdachte of beklaagde al dan niet het strafbare feit heeft gepleegd.

3.   Deze richtlijn is niet van toepassing op procedures die kunnen leiden tot het opleggen van straffen door andere autoriteiten dan strafrechtbanken, voor zover die procedures niet aanhangig zijn bij een gerecht met bevoegdheid in strafzaken.

Artikel 2

Recht op vertolking

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beschuldigde die de taal van de strafprocedure niet verstaat of spreekt, door een tolk in zijn moedertaal of een andere taal die hij begrijpt, wordt bijgestaan, om zijn rechten op een eerlijke procedure te waarborgen. Het recht op bijstand door een tolk, mede bij de communicatie tussen de verdachte of beklaagde en zijn raadsman, geldt tijdens de strafprocedure voor onderzoeks- en gerechtelijke autoriteiten, onder meer tijdens politieverhoren, tijdens alle zittingen van het gerecht en tijdens alle noodzakelijke tussenzittingen, en kan ook in andere situaties gelden. Deze bepaling laat nationale rechtsregels betreffende de aanwezigheid van een raadsman tijdens eender welke fase van de strafprocedure onverlet.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat personen met een gehoorstoornis worden bijgestaan door een tolk, indien zulks passend is voor die persoon.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat op passende wijze, mede door raadpleging van de verdachte of beklaagde, wordt nagegaan of hij de taal van de strafprocedure verstaat en spreekt en of hij de bijstand van een tolk nodig heeft.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat in enigerlei fase van de procedure, overeenkomstig het nationale recht, een vaststelling dat er geen vertolking nodig is, kan worden herzien. Een dergelijke herziening brengt voor de lidstaten niet de verplichting met zich mee te voorzien in een afzonderlijke regeling waarbij de enige grond voor herziening de betwisting van een ontbreken van vertolking is.

5.   In een procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel zorgt de lidstaat van tenuitvoerlegging ervoor dat door zijn bevoegde autoriteiten aan eenieder tegen wie die procedure wordt gevoerd en die de proceduretaal niet verstaat of spreekt, tijdens die procedure de bijstand van een tolk wordt verleend overeenkomstig dit artikel.

Artikel 3

Recht op vertaling van essentiële processtukken

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beschuldigde die de taal van de strafprocedure niet verstaat of spreekt, een vertaling, in zijn moedertaal of een andere taal die hij begrijpt, ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn voor de waarborging van zijn rechten op een eerlijk verloop van de procedure, of ten minste van de belangrijke passages uit die stukken, mits die persoon recht op toegang tot de betrokken processtukken heeft krachtens het nationale recht.

2.   De bevoegde autoriteiten bepalen wat de uit hoofde van lid 1 te vertalen essentiële processtukken zijn. De essentiële processtukken die in hun geheel of waarvan de belangrijke passages vertaald moeten worden, omvatten ten minste aanhoudingsbevelen of gelijkwaardige besluiten tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging en eventuele vonnissen.

3.   De verdachte of beschuldigde of zijn raadsman kan een met redenen omkleed verzoek indienen tot vertaling van andere stukken die noodzakelijk zijn voor de daadwerkelijke uitoefening van het recht van verdediging.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat in enige fase van de procedure, overeenkomstig het nationale recht, de mogelijkheid tot herziening bestaat indien niet wordt voorzien in de vertaling van een processtuk als bedoeld in de leden 2 en 3. Een dergelijke herziening brengt voor de lidstaten niet de verplichting met zich mee te voorzien in een afzonderlijke regeling waarbij de enige grond voor herziening de betwisting van een ontbreken van een vertaling is.

5.   In een procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel zorgt de lidstaat van tenuitvoerlegging ervoor dat zijn bevoegde autoriteiten aan eenieder tegen wie die procedure wordt gevoerd en die de taal niet verstaat waarin het Europees aanhoudingsbevel is gesteld of waarin het door de uitvaardigende lidstaat is vertaald, een vertaling van dat stuk verstrekken.

6.   Mits dat het eerlijke verloop van de procedure onverlet laat, kan, in voorkomend geval, in plaats van een schriftelijke vertaling een mondelinge vertaling of een mondelinge samenvatting van de in dit artikel bedoelde processtukken worden verstrekt.

7.   Een persoon die uit hoofde van dit artikel een recht op vertaling van processtukken heeft, kan te allen tijde afzien van dat recht.

Artikel 4

Kosten van de tolk- en vertaaldiensten

De lidstaten nemen de kosten van de tolk- en vertaaldiensten die uit de toepassing van de artikelen 2 en 3 voortvloeien, voor hun rekening, ongeacht de uitkomst van de procedure.

Artikel 5

Kwaliteit van de tolk- en vertaaldiensten

De lidstaten nemen concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat de verstrekte tolk- en vertaaldiensten van adequate kwaliteit zijn, zodat de verdachte of beklaagde alsmede de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer wordt gelegd, zijn rechten onverkort kan uitoefenen.

Artikel 6

Non-regressieclausule

Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die voortvloeien uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit andere relevante bepalingen van het internationale recht of uit de wetten van de lidstaten die een hoger beschermingsniveau bieden.

Artikel 7

Uitvoering

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om uiterlijk op … (4) aan deze richtlijn te voldoen.

De lidstaten delen de Raad en de Commissie uiterlijk op dezelfde datum de tekst mee van de voorschriften waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn in nationaal recht omzetten.

Artikel 8

Verslag

De Commissie dient uiterlijk op … (5) een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 295 van 4.12.2009, blz. 1.

(2)  Advies van … (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB C 12 van 15.1.2001, blz. 10.

(4)  30 maanden na de bekendmaking van deze richtlijn in het Publicatieblad.

(5)  42 maanden na de bekendmaking van deze richtlijn in het Publicatieblad.


Top